<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR366608_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officiële bekendmakingen (GVOP)12-05-15</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, en artikel 36 van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>25-5012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 11-03-2015, nr.
                        2015-501427;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, en artikel
                        36 van de Participatiewet;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende </al><al><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel c, Participatiewet, exclusief
                                        vakantietoeslag en zonder toepassing van art. 22a en
                                        paragraaf 3.3., Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="c."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de
                                        wet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="d."><al>peildatum: de datum waarop een persoon de individuele
                                        inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="e."><al>referteperiode: een periode van 36 aaneengesloten volle
                                        kalendermaanden direct voorafgaand aan de peildatum;</al></li><li nr="f."><al>zicht op inkomenverbetering: de mogelijkheid om een ruimer
                                        inkomen te kunnen verkrijgen binnen 12 maanden vanaf de
                                        peildatum, dan wel binnen 12 maanden na beëindiging van de
                                        studie;</al></li><li nr="g."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="h."><al>WSF 2000: Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="i."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Gemeentewet en de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet, wordt
                            ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vereisten voor het recht op individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op grond van artikel 36, eerste lid, van de wet op
                                een daartoe strekkend verzoek een individuele inkomenstoeslag
                                verstrekken aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd, die: </al><lijst><li nr="a."><al>langdurig een laag inkomen heeft, en</al></li><li nr="b."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in
                                        artikel 34 van de wet, en </al></li><li nr="c."><al>geen zicht heeft op inkomensverbetering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De referteperiode wordt verlengd met de duur dat de belanghebbende
                                of diens partner in de referteperiode buiten Nederland heeft
                                verbleven en het verblijf buiten Nederland, per kalenderjaar bezien,
                                langer was dan de periode genoemd in artikel 13, eerste lid, onder
                                e, Participatiewet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De referteperiode wordt verlengd met de periode van detentie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking
                            te nemen inkomen niet hoger was dan 100% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is als bedoeld
                            in artikel 34 van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zicht op inkomensverbetering</titel></kop><al>Onverminderd artikel 3, tweede lid, van deze verordening, komt niet voor
                            de individuele inkomenstoeslag in aanmerking, de belanghebbende of diens
                            partner:</al><lijst><li nr="a."><al>aan wie in de laatste 12 maanden van de referteperiode een
                                    maatregel is opgelegd wegens schending van een arbeids- of
                                    re-integratieverplichting;</al></li><li nr="b."><al>op de peildatum of in de referteperiode een opleiding volgt of
                                    heeft gevolgd in de zin van de WTOS, dan wel een studie volgt
                                    als genoemd in de WSF 2000;</al></li><li nr="c."><al>tot 27 jaar, die op grond van de wet een plan van aanpak heeft,
                                    voorzover dit plan van aanpak uit scholing bestaat;</al></li><li nr="d."><al>die anderszins zicht heeft op inkomensverbetering. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden € 486,00;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 436,00; </al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande € 341,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                wet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                                individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag wordt eenmalig als één bedrag
                                uitbetaald. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van een belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing leidt
                            tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt
                            terug tot en met 1 januari 2015, onder gelijktijdige intrekking van de
                            Verordening langdurigheidstoeslag WWB per 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16-04-2015.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>,voorzitter,griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag</titel></kop><tussenkop><vet>Algemeen</vet></tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. </al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden
                    bevoegdheid meer, maar heeft de gemeente meer beslissingsvrijheid. In de
                    Participatiewet (de opvolger van de WWB) is een expliciete uitzondering gemaakt
                    met betrekking tot het verstrekken van een aanvullende individuele
                    inkomensondersteuning op maat. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden. </al><al>Deze verordening is tot stand gekomen als gevolg van de wetswijziging, waarbij
                    de mogelijkheid tot het categoriaal benaderen van de doelgroep van de
                    langdurigheidstoeslag in de WWB wordt omgevormd tot een individuele
                    inkomenstoeslag in de Participatiewet. Hierbij is een individuele benadering en
                    maatwerk het uitgangspunt, waarbij gelet wordt op de omstandigheden van de
                    persoon en het al dan niet hebben van zicht op inkomensverbetering. </al><al>Bij verordening dienen regels vastgesteld te worden met betrekking tot het
                    verlenen van de individuele inkomenstoeslag. Deze regels dienen in ieder geval
                    beval betrekking te hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de
                    wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag. </al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld: het inkomen zoals bedoeld paragraaf 3.4 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, wordt bij het vaststellen van de hoogte van het inkomen een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag niet als inkomen in aanmerking genomen.
                    Een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde
                    vóór 1 januari 2015 wordt evenmin in aanmerking genomen.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum en kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom dat artikel.</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Bepaald is wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36
                    aaneengesloten maanden direct voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de
                    toelichting bij artikel 4 onder ‘Langdurig’.</al><al>Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB (tekst tot 1-1-2009)
                    voorschreef ten aanzien van de langdurigheidstoeslag, wordt als te lang ervaren.
                    Nadat belanghebbenden 3 jaar een inkomen op het sociaal minimum hebben gehad is
                    er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een
                    termijn van 36 maanden (= 3 jaar) aangehouden. Ook het Nibud is van mening dat
                    na drie jaar de reserveringsmogelijkheden minimaal worden.</al><tussenkop>Zicht inkomensverbetering</tussenkop><al>Er is sprake van zicht op inkomensverbetering als aannemelijk is dat iemand
                    binnen 12 maanden vanaf de peildatum een inkomen kan verkrijgen die gelijk of
                    hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm. Ook de student heeft zicht op
                    inkomensverbetering, ook als de studie nog meer dan 12 maanden duurt. </al><tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop><al>Het verzoek kan alleen schriftelijk worden ingediend middels een door het
                    college vastgesteld formulier. Dit kan ook een digitaal formulier zijn. Gehuwden
                    en/of samenwonenden moeten gezamenlijk een verzoek indienen en aan de
                    voorwaarden voldoen. Het verzoek wordt gelijkgesteld met een aanvraag zoals
                    bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvrager
                    verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag
                    nodig zijn. </al><tussenkop>Artikel 3 Vereisten voor het recht op individuele
                    inkomenstoeslag</tussenkop><al>In dit artikel worden vereisten voor het recht op individuele inkomenstoeslag
                    benoemd. In het eerste lid worden de wettelijke regels van artikel 36,
                    Participatiewet weergegeven. Dit lid vormt hiermee de opstap voor de
                    beleidskeuzes die in de volgende artikelen worden gemaakt. </al><tussenkop>Geen zicht op inkomensverbetering</tussenkop><al>Bij de beoordeling van het criterium ‘geen zicht op inkomensverbetering’ moet
                    het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36,
                    tweede lid, Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval
                    worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon; en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen. </al></li></lijst><al>In artikel 5 van deze verordening wordt hier specifieker op ingegaan. </al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 5, wordt bij de volgende groepen
                    verondersteld dat hun krachten en bekwaamheden onvoldoende zijn om zicht te
                    hebben op inkomensverbetering; belanghebbenden met:</al><lijst><li nr="-"><al>een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een
                            arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%;</al></li><li nr="-"><al>een uitkering Participatiewet met een volledige ontheffing van de
                            arbeidsverplichting.</al></li></lijst><tussenkop>Detentie en verblijf in het buitenland</tussenkop><al>Artikel 13 van de wet bepaalt wie uitgesloten zijn van het recht op bijstand.
                    Het betreft hier zowel de algemene als de bijzondere bijstand, zodat dit artikel
                    van toepassing is op de verstrekking van de inkomenstoeslag. Als gevolg van de
                    uitsluitingen van artikel 13 van de wet, bestaat er geen recht op
                    inkomenstoeslag voor een gedetineerde, tenzij er sprake is van een bijzondere
                    vorm van detentie. Ook bestaat er geen recht op inkomenstoeslag voor degene die
                    per kalenderjaar langer dan vier weken buiten Nederland verblijft. </al><al>Om deze redenen is in deze verordening bepaald dat de referteperiode wordt
                    verlengd met de periode dat iemand gedetineerd is geweest, dan wel met de
                    periode dat iemand per kalenderjaar, langer dan vier weken in het buitenland
                    heeft verbleven.</al><tussenkop>Artikel 4 Langdurig laag inkomen </tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode en peildatum
                    zijn vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. </al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm. Hier is voor gekozen omdat de regeling is bedoeld voor mensen die
                    langere tijd van het absolute minimum moeten rondkomen.</al><al>Bij de IOAW geldt een andere inkomenstoets dan bij de Participatiewet
                    (bijvoorbeeld een andere wijze van middelentoets en geen vermogenstoets). Bij
                    een uitkeringsgerechtigde met een IOAW- en IOAZ-uitkering moet op grond van
                    artikel 32 en artikel 34 van de wet het inkomen en vermogen wel worden getoetst
                    aan de bijstandswet. Op basis van de toetsing kan bij deze groep
                    uitkeringsgerechtigden worden vastgesteld of er sprake is van een langdurig laag
                    inkomen, gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd (ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en
                    ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532). Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel
                    van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer €
                    5,- of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding
                    van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag
                    in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe
                    overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele
                    eurocenten (ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178). </al><tussenkop>Artikel 5 Zicht op inkomensverbetering </tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen groepen worden geacht zicht te hebben op
                    inkomensverbetering. Degenen die in de nabije toekomst een inkomen gelijk aan of
                    hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm kunnen verkrijgen hebben zicht op een
                    inkomensverbetering. Deze groep wordt uitgesloten van het recht op een
                    individuele inkomenstoeslag, omdat zij geacht wordt - gezien de krachten en
                    bekwaamheden - zicht op een beter arbeidsperspectief te hebben. </al><tussenkop>Maatregel in verband met schending arbeids- of
                    re-integratieverplichting</tussenkop><al>Een belanghebbende aan wie in de laatste twaalf maanden van de referteperiode
                    een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeids- of
                    re-integratieverplichting, heeft in beginsel geen zicht op inkomensverbetering
                    (ECLI:NL:CRVB:2013:2842). Belanghebbende wordt uitgesloten van het recht op
                    individuele inkomenstoeslag omdat het niet hebben van zicht op
                    inkomensverbetering, het directe gevolg is van eigen handelen of gemaakte
                    keuzes. </al><tussenkop>Opleiding</tussenkop><al>Studenten zijn uitgesloten van de individuele inkomenstoeslag. Zij worden geacht
                    zicht te hebben op inkomensverbetering binnen afzienbare tijd na beëindiging van
                    de studie. </al><tussenkop>Anderszins zicht op inkomensverbetering</tussenkop><al>Hierbij kan worden gedacht aan een belanghebbende die geen inkomsten uit arbeid,
                    of inkomsten uit arbeid uit een deeltijdbaan heeft, waarbij er geen vastgestelde
                    belemmeringen zijn om (meer uren) te gaan werken.</al><al>Ook kan hier worden gedacht aan de belanghebbende die een WW of ZW uitkering
                    ontvangt. Zij worden geacht persoonlijk zicht te hebben op
                    inkomensverbetering.</al><tussenkop>Artikel 6 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag </tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. De genoemde
                    bedragen worden niet jaarlijks geïndexeerd. </al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden of ongehuwd samenwonenden moet in het oog worden gehouden dat het
                    recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden
                    personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden
                    voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen
                    recht op individuele inkomenstoeslag (ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529).</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al><tussenkop>Artikel 7 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Deze bepaling geeft de mogelijkheid aan het college om in uitzonderlijke
                    gevallen maatwerk te leveren. Het moet dan gaan om gevallen waarin het toepassen
                    van de regels uit deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                    zouden leiden. </al><tussenkop>Artikel 8 Onvoorziene omstandigheden </tussenkop><al>Als zich situaties voordoen waarvoor deze verordening geen oplossing bieden, dan
                    beslist het college over de afhandeling hiervan.</al><tussenkop>Artikel 9 Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al><tussenkop>Artikel 10 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Inhoudsopgave </titel><subtitel>2</subtitel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Pag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2 Indienen verzoek</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2 Recht op individuele
                                        inkomenstoeslag</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3 Vereisten voor het recht op individuele
                                        inkomenstoeslag </al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4 Langdurig laag inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5 Zicht op inkomensverbetering</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6 Hoogte van de individuele
                                        inkomenstoeslag</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 7 Hardheidsclausule </al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 8 Onvoorziene omstandigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 9 Inwerkingtreding</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 10 Citeertitel</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toelichting</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>