<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR366548_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nadere regels certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Noord-Brabant</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.brabant.nl/loket/provinciale-bladen.aspx?qvi=53448">Provinciaal Blad, 2015, 52</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nadere regels certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016, art. 1.3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-12-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>3790346</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>natuur en landschap, subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nadere regels certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,</vet></al><al>Gelet op artikel 1.3 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer
                        Noord-Brabant 2016;</al><al>Overwegende dat Gedeputeerde Staten nadere regels willen stellen met
                        betrekking tot de afgifte van certificaten;</al><al><vet>Besluiten vast te stellen:</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit besluit wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> certificaat: certificaat als bedoeld in de Subsidieregeling natuur-
                                en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;</al></li><li nr="b."><al> Programma van Eisen: programma waarin is aangegeven welke
                                onderdelen minimaal in het kwaliteitshandboek worden opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Certificaten</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen besluiten tot afgifte van certificaten:</al><lijst><li nr="a."><al> natuurbeheer;</al></li><li nr="b."><al> samenwerkingsverband natuurbeheer;</al></li><li nr="c."><al> collectief agrarisch natuurbeheer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Certificeringsvereisten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in artikel 2, onder a of b, voldoet aan de
                            voorwaarden die zijn opgenomen in paragraaf A van het Programma van
                            Eisen, zoals opgenomen in bijlage 1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in artikel 2, onder c, voldoet aan de
                            voorwaarden die zijn opgenomen in paragraaf B van het Programma van
                            Eisen, zoals opgenomen in bijlage 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Vereisten aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag tot afgifte van een certificaat wordt ingediend bij
                            Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag bevat ten minste: </al><lijst><li nr="a."><al> naam en adresgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al> vermelding van het certificaat waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft;</al></li><li nr="c."><al> een kwaliteitshandboek van de aanvrager, met daarin een
                                    beschrijving van de elementen uit de bedrijfsvoering zoals
                                    beschreven in het Programma van Eisen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Verplichtingen</titel></kop><al>Aan de houder van het certificaat worden de volgende verplichtingen
                        opgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al> er wordt voldaan aan de certificeringsvoorwaarden die behoren bij
                                het afgegeven certificaat;</al></li><li nr="b."><al> er wordt voor zorggedragen dat door of vanwege Gedeputeerde Staten
                                audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving van de
                                certificeringsvoorwaarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Schorsing en intrekking certificaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Behoudens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden schorsen
                            Gedeputeerde Staten het certificaat voor een door hen te bepalen
                            termijn, indien de houder van het certificaat niet voldoet aan een of
                            meerdere certificeringsvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Behoudens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden trekken
                            Gedeputeerde Staten het certificaat in, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid,
                                    blijkt dat de houder van het certificaat nog steeds niet voldoet
                                    aan de betreffende certificeringsvoorwaarde of
                                    -voorwaarden;</al></li><li nr="b."><al> blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop van de
                                    schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, de houder van een
                                    certificaat opnieuw niet voldoet aan de betreffende
                                    certificeringsvoorwaarde of –voorwaarden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                        uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regels certificering
                        Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>’s-Hertogenbosch, 14 april 2015 Gedeputeerde Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening> de voorzitter de secretaris prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M.
                        Burger </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 behorende bij de Nadere regels certificering Subsidiestelsel
                        Natuur- en Landschapsbeheer</titel></kop><al><vet>Programma van Eisen</vet></al><al><vet>Programma van eisen voor agrarisch natuurbeheer en voor
                    natuurbeheer</vet></al><al>In dit document zijn de twee Programma’s van Eisen (PVE) beschreven die
                    gelden voor respectievelijk de certificering van de natuurbeheerders (paragraaf
                    a) en de certificering van de agrarische collectieven die aan agrarisch natuur
                    beheer doen (paragraaf b). Tot nu toe is er gewerkt met één PVE voor beide
                    categorieën beheerders. In het kader van de beleidsbepaling met betrekking tot
                    het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLB) 2016 is evenwel besloten om te
                    komen tot een specifiek PVE voor de nieuwe agrarische collectieven. Paragraaf a
                    bestaat aldus uit het PVE voor de certificering van de natuurbeheerders. Deze
                    paragraaf bestaat uit het oorspronkelijke PVE minus het deel dat betrekking had
                    op de gebiedscoördinatoren ANLB. Paragraaf b bevat het PVE voor de collectieven
                    die aan het ANLB 2016 gaan deelnemen.</al><al>(A) Programma van eisen NATUURBEHEER</al><al>In dit PVE geeft de subsidiegever (in dit geval de provincie) aan, aan welke
                    eisen een natuurbeheerder moet voldoen om voor certificering in aanmerking te
                    komen. De beheerder legt in een kwaliteitshandboek vast hoe hij invulling geeft
                    aan deze eisen. De certificerende organisatie hanteert, in opdracht van de
                    provincies, het PVE als toetsingskader bij de certificering van een beheerder.
                    Als bepaalde aspecten al zijn geborgd via een andere certificaatvorm
                    (bijvoorbeeld FSC of CBF) dan gelden die certificaten en kan in het
                    kwaliteitshandboek daar naar worden verwezen. Zo wordt dubbele certificering
                    voorkomen.</al><al>Het PVE dient de subsidiegever voldoende handvatten te geven dat de
                    subsidiegever het vertrouwen heeft dat de natuurbeheerder het natuurbeheer op
                    een goede manier uitvoert. Tegelijkertijd wordt er naar gestreefd het aantal
                    eisen zo beperkt mogelijk te houden, om te voorkomen dat de lastendruk voor
                    beheerder en overheid toenemen en om de beheerder voldoende de mogelijkheid te
                    bieden zelf te bepalen op welke wijze hij het beheer gaat uitvoeren. Er wordt
                    dus gezocht naar een goed evenwicht van waarborgen richting de subsidiegever en
                    ruimte voor de beheerder.</al><al>Om te voorkomen dat certificering te complex wordt en extra eisen oplevert,
                    wordt zoveel mogelijk aangesloten op de eigen organisatie van de beheerder. De
                    inhoud van het kwaliteitshandboek is afhankelijk van de werkwijze en de
                    organisatie van de beheerder zelf. Wel zal de opzet van het kwaliteitshandboek
                    zo veel mogelijk verlopen via de volgorde van de onderdelen uit het PVE. Op die
                    manier is sprake van een bij alle beheerders herkenbare en vergelijkbare
                    inhoudsopgave. Zo wordt voorkomen dat de certificeringscommissie (het bestuur
                    Stichting Certificering SNL) steeds verschillend opgezette handboeken moet
                    beoordelen. Dit beperkt ook de uitvoeringskosten van de certificeringscommissie.
                    Een en ander laat onverlet dat binnen die identieke inhoudsopgave elke beheerder
                    zijn eigen werkprocessen dient te beschrijven. Kortom: in het PVE wordt het
                    “wat” beschreven en de beschrijving van het “hoe” wordt overgelaten aan de
                    beheerder. Zo is bijvoorbeeld het bepalen van de beheermaatregelen een eigen
                    keuze van de beheerder. Uitgangspunt daarbij is wel dat de kwaliteit moet zijn
                    geborgd.</al><al>Om de doelen die verband houden met certificering te realiseren zijn in het
                    Programma eisen benoemd voor zeven elementen:</al><lijst><li nr="1."><al> De wijze waarop de beheerder vastlegt dat hij aansluit bij de
                            beheerdoelen die zijn vastgelegd in het natuurbeheerplan</al></li><li nr="2."><al> De handelingen waarmee de beheerder de doelen via beheer behaalt</al></li><li nr="3."><al> De basismonitoring</al></li><li nr="4."><al> De evaluatie van het beheer op basis van de basismonitoring en
                            eventuele bijstelling van doelen en beheermaatregelen</al></li><li nr="5."><al> De eigen controle van het beheersysteem</al></li><li nr="6."><al> Aanvullende eisen voor groepscertificaathouders</al></li><li nr="7."><al> De wijze waarop de beheerder projecten opstelt en uitvoert in een
                            projectenprogramma</al><al/><al/></li></lijst><al>Punt 7 is optioneel. Om het certificaat ook van toepassing te laten zijn op
                    projecten, moeten beheerders punt 7 invullen. Overigens zal punt 7 alleen
                    onderwerp van audit zijn wanneer de beheerder werkt met projectenprogramma’s,
                    zoals overeengekomen met één of meer provincies. Indien de beheerder dit niet
                    doet, dan geldt de certificering alleen voor de beheersubsidie en de
                    recreatiesubsidie. Punt 6 geldt alleen voor houders van een
                    groepscertificaat.</al><al>Hieronder wordt per element aangegeven wat in het kwaliteitshandboek moet worden
                    uitgewerkt.</al><lijst><li nr=""><al>0. Verantwoording aanvraagtitel</al></li><li nr="• "><al> De beheerder geeft aan op welke wijze hij kan aantonen dat hij de
                            aanvraagtitel bezit voor de gronden waarvoor hij subsidieaanvragen doet.
                            Dat kan door te omschrijven hoe de eigendomsadministratie wordt
                            bijgehouden of via een accountantscontrole.</al></li><li nr=""><al>1. Bepaling beheerdoelen</al></li><li nr="•"><al> De beheerder gaat uit van de beheertypen die zijn aangegeven in de
                            SNL-subsidiebeschikking;</al></li><li nr="•"><al> De beheerder maakt inzichtelijk op welke wijze hij tot een tabel van
                            beheertypen komt.</al></li><li nr=""><al>2. Behalen doelen door middel van beheer</al></li><li nr="•"><al> De beheerder legt de koppeling tussen het beheer en de doelstelling
                            vast, bijvoorbeeld in een beheerplan, een beheerrichtlijn of een
                            beheersvisie;</al></li><li nr="•"><al> De beheerder geeft aan hoe ecologische kennis die intern en extern
                            beschikbaar is, benut wordt bij het beheer;</al></li><li nr="•"><al> De beheerder geeft aan welk aanbestedingsbeleid wordt gehanteerd en kan
                            dit desgewenst staven met voorbeelden;</al></li><li nr="•"><al> De beheerder geeft de wijze aan waarop bij het beheer samenwerking met
                            andere beheerders wordt gezocht.</al></li><li nr=""><al>3. Monitoring</al></li><li nr="•"><al> De beheerder beschrijft de werkwijze met betrekking tot de monitoring.
                            Hierover worden separaat afspraken gemaakt met de overheid.</al></li><li nr=""><al>4. Evaluatie beheer</al></li><li nr="•"><al> De beheerder draagt zorg voor een evaluatie van het beheer en maakt
                            daarbij gebruik van resultaten van de monitoring;</al></li><li nr="•"><al> De beheerder brengt in beeld op welke wijze de resultaten van de
                            evaluatie worden benut.</al></li><li nr=""><al>5. Eigen controle van het proces</al></li><li nr="•"><al> De beheerder is zelf verantwoordelijk voor controle op het in het
                            kwaliteitshandboek beschreven proces en geeft aan de subsidiegever aan
                            hoe dit plaatsvindt (administratief en fysiek). De onderdelen die
                            daarbij aan de orde komen zijn: </al><lijst><li nr="1."><al> vastleggen van gebruikstitels en oppervlakten;</al></li><li nr="2."><al> (tijdelijke) pachtovereenkomsten;</al></li><li nr="3."><al> terreinen die worden afgesloten of waar om bepaalde redenen het
                                    beheer niet kan worden uitgevoerd;</al></li><li nr="4."><al> wordt het beheer uitgevoerd op de wijze die binnen de
                                    organisatie is afgesproken</al></li><li nr="5."><al> hoe wordt geborgd dat met het beheer de doelen gerealiseerd
                                    worden.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>6. Certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer</al><al/><al> De voorgaande punten uit dit PVE zijn ook van toepassing op de
                            certificaathouder samenwerkingsverband natuurbeheer. Daarnaast gelden
                            nog de volgende punten:</al></li><li nr="•"><al> De houder van een groepscertificaat maakt inzichtelijk op welke wijze
                            hij afspraken met deelnemers maakt over de instandhouding van de
                            beheertypen en de controle daarop;</al></li><li nr="•"><al> De houder van een groepscertificaat geeft inzicht hoe hij borgt dat
                            deelnemers de beheertypen in stand houden (inzicht in veldcontrole en
                            administratieve controle) en hoe bij het niet nakomen sanctionering
                            plaatsvindt.</al></li><li nr=""><al>7. De wijze waarop de beheerder projecten voor kwaliteitsimpulsen
                            opstelt en uitvoert</al><al/><al> De beheerder kan aanvragen op projectniveau indienen of, wanneer de
                            provincie die mogelijkheid biedt, op programmaniveau. Indien de
                            gecertificeerde beheerder van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken,
                            dienen de onderstaande punten in het kwaliteitshandboek te worden
                            uitgewerkt. Indien de gecertificeerde beheerder op andere wijze met de
                            provincie afspraken maakt over projecten, bijvoorbeeld in de vorm van
                            een meerjarenovereenkomst of op projectniveau, gelden ten aanzien van
                            deze projecten de bepalingen in de overeenkomst of subsidieverordening
                            en is uitwerking in het kwaliteitshandboek niet nodig.</al></li><li nr="a."><al> De beheerder gaat bij projecten kwaliteitsimpuls uit van de beheertypen
                            die zijn aangegeven in het provinciale natuurbeheerplan;</al></li><li nr="b."><al> De beheerder geeft aan hoe bij projecten kwaliteitsimpuls een koppeling
                            met provinciale doelen gelegd wordt;</al></li><li nr="c."><al> De beheerder geeft aan op welke wijze binnen zijn organisatie bij
                            formulering, uitvoering en oplevering van projecten kwaliteitsimpuls
                            kwaliteitsborging plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al> De beheerder geeft aan hoe hij garandeert dat de projecten tegen
                            marktconforme prijs worden uitgevoerd;</al></li><li nr="e."><al> De beheerder geeft aan hoe de financiële verantwoording over projecten
                            kwaliteitsimpuls plaatsvindt;</al></li><li nr="f."><al> De beheerder geeft aan hoe hij projecten kwaliteitsimpuls evalueert en
                            hoe wordt omgegaan met de conclusies van evaluaties.</al></li></lijst><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting bij het PVE natuurbeheer</vet></al><al/><al><vet>Inleiding </vet></al><al> Het subsidiestelsel voor Natuur- en Landschapsbeheer gaat uit van meer
                    vertrouwen in de beheerder en een vermindering van uitvoeringslasten. De
                    kwaliteit van het beheer van natuur en landschap is bovenal afhankelijk van de
                    deskundigheid, professionaliteit, toewijding en inzet van de beheerders. De
                    provincies willen de borging van de kwaliteit van het beheer dan ook allereerst
                    vormgeven door gebruik te maken van deze kwaliteiten van de beheerders. Daarom
                    hebben de provincies samen met de beheerders een kwaliteitsborgingsysteem
                    ontwikkeld, dat wordt aangeduid met de term „certificering‟. Deze certificering
                    geeft de overheid de zekerheid dat de kwaliteit van het natuurbeheer voldoende
                    geborgd is bij een beheerder. De bedoeling van de provincies is uitdrukkelijk om
                    tot een simpele eigen vorm van certificering te komen, die nauw aansluit bij de
                    huidige werkwijze en systemen van de beheerders en niet bureaucratisch is. Het
                    gaat in feite om een „erkenningseis‟ van professioneel handelen voor
                    natuurbeheer.</al><al>De beheerder legt in een kwaliteitshandboek vast hoe hij invulling geeft aan de
                    eisen uit het PVE. De certificerende organisatie hanteert, in opdracht van de
                    provincies, het PVE als toetsingskader bij de certificering van een
                    beheerder.</al><al>Het aantal eisen is zo beperkt mogelijk gehouden, om te voorkomen dat de
                    lastendruk voor beheerder en overheid te hoog wordt. De beheerder heeft de
                    ruimte om vorm en inhoud van het kwaliteitshandboek aan te laten sluiten op de
                    eigen werkwijze. Het PVE is de leidraad voor de beheerder voor het opzetten en
                    uitwerken van zijn kwaliteitshandboek. Binnen de identieke inhoudsopgave bestaat
                    ruimte voor elke beheerder om zijn eigen werkprocessen te beschrijven. De wijze
                    waarop de certificeringscommissie het kwaliteitshandboek toetst, zal verder
                    worden uitgewerkt in een toetsingsprotocol.</al><al>Niet alle onderdelen uit het PVE zijn voor alle beheerders even relevant. Alle
                    te certificeren beheerders en samenwerkingsverbanden van beheerders dienen
                    onderdeel 1, 2, 4 en 5 uit te werken in het kwaliteitshandboek. Aanvullend wordt
                    onderdeel 3 uitgewerkt door beheerders die zelf basismonitoring wensen uit te
                    voeren. Onderdeel 6 is alleen relevant voor beoogde houders van een certificaat
                    samenwerkingsverband natuurbeheer. Om het certificaat ook van toepassing te
                    laten zijn op projecten, dienen beheerders onderdeel 7 invullen.</al><al/><al><vet>Aansluiting op eigen werkwijze </vet></al><al/><al> Bij de certificering in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap wordt zoveel
                    mogelijk aangesloten op de werkwijze en bedrijfsvoering van de
                    natuurbeheerder/organisatie op het terrein van de kwaliteitsborging. Het eigen
                    werkproces van de beheerder is de maat voor de kwaliteitsborging, waarbinnen de
                    beheerder de ruimte krijgt om zelf de eisen uit het programma te implementeren
                    in zijn bedrijfsvoering op die wijze die daarin het beste past. De beheerder is
                    er daarbij wel verantwoordelijk voor dat hij voldoet aan de eisen zoals
                    opgesteld in het programma, maar de manier van invullen is vrij. Om een voor
                    alle beheerders vergelijkbare inhoudsopgave te realiseren, volgt de beheerder
                    daarbij de volgorde van het PVE.</al><al>Voor de kwaliteitseisen uit dit programma die al via andere certificaten zoals
                    FSC, CBF of Milieukeur zijn geborgd, hoeft de beheerder binnen deze
                    certificering geen aanvullende maatregelen te nemen. De kwaliteitseisen van het
                    andere certificaat kunnen dan worden overgenomen met een verwijzing en uitleg in
                    het kwaliteitshandboek.</al><al/><al><vet>(B) Programma van eisen AGRARISCH NATUURBEHEER</vet></al><al/><al>Dit PVE is beperkt tot een aantal essentiële eisen rond het uitvoeringsproces.
                    Hiermee wordt voorkomen dat de lastendruk voor collectief en overheden toeneemt.
                    Ook biedt dit het collectief de ruimte om zelf te bepalen op welke wijze de
                    kwaliteit van het beheer wordt geborgd. Hierbij gaat het om een goed evenwicht
                    tussen risico-waarborging richting subsidiegever en uitvoeringsruimte voor het
                    collectief. Het collectief dient de hieronder opgenomen onderdelen in het
                    kwaliteitssysteem uit te werken en in het kwaliteitshandboek te beschrijven. En
                    vervolgens conform die beschrijving de werkzaamheden in de praktijk uit te
                    voeren. </al><al/><al><vet>Onderdelen PVE en de uitwerking ervan </vet></al><al/><al>1. De wijze waarop het collectief is ingericht en werkt</al><al> a. Beschrijving van de samenstelling van het collectief, de relatie met de
                    deelnemende beheerders en de Agrarische Natuurverenigingen in het gebied;</al><al> b. Beschrijving van het gebied (oppervlakte/ begrenzing) waarop het collectief
                    zich richt;</al><al> c. Beschrijving van de volledig rechtsbevoegde rechtspersoon;</al><al> d. Beschrijving van de wijze waarop het risico van financiële aansprakelijkheid
                    van bestuurders van het collectief is gedekt;</al><al> e. Beschrijving van de wijze waarop het kwaliteitssysteem, zoals in het
                    kwaliteitshandboek is vastgelegd, intern wordt bewaakt om voortdurend aan de
                    certificeringeisen te blijven voldoen (bv. interne audit);</al><al> f. Beschrijving van de datum van afgifte van het certificaat;</al><al> g. Beschrijving van de functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de
                    werkprocessen binnen het collectief, die fungeren als vaste aanspreekpunten voor
                    respectievelijk het Betaalorgaan en de deelnemende beheerders;</al><al> h. Beschrijving van de wijze van contracteren van derden (zijnde niet
                    beheerders) voor het uitvoeren van beheerwerkzaamheden, b.v. loonbedrijf,
                    aannemer of groenbedrijf, maar ook opdrachtnemers voor veldinventarisatie;</al><al> i. Beschrijving van de wijze waarop de resultaten van door of namens de
                    provincie uitgevoerde controles aan de betreffende beheerder wordt
                    teruggekoppeld;</al><al> j. Beschrijving van de klachtenregeling inclusief de wijze waarop de
                    objectiviteit en onafhankelijkheid van een klachtencommissie gewaarborgd
                    is.</al><al><vet>2. De wijze waarop het collectief de administratie heeft georganiseerd
                    </vet></al><al> a. Beschrijving van het administratieve systeem met de opzet van administreren,
                    de momenten van vastlegging, de vast te leggen gegevens en de toegankelijkheid
                    van de administratie voor audits van de certificeringscommissie. De
                    administratieve beheer- en controlestructuur moet de naleving van de
                    subsidievoorwaarden borgen. Zaken die worden vastgelegd in de administratie
                    zijn:</al><al> - de lijst met alle deelnemers;</al><al> - de contracten met de deelnemers;</al><al> - de GIS-gegevens voor het geografisch vastleggen van overeengekomen/verrichte
                    prestaties per perceel;</al><al> - Als de uitvoering in de beheerpraktijk wordt aangepast t.o.v. van de
                    vastgelegde uitvoering in de gebiedsaanvraag, dan dient dit vooraf als mutatie
                    te worden doorgevoerd in het administratiesysteem;</al><al> - de gegevens vastgelegd bij interne audits;</al><al> - de betalingsopdrachten en accountantscontrole.</al><al> b. Beschrijving van de wijze waarop wordt geregeld dat alle stukken die
                    betrekking hebben op de gebiedsaanvraag en het betaalverzoek tenminste tot 5
                    jaar na de laatste betaling bewaard blijven. Het origineel van de getekende
                    contracten dient bewaard te blijven. Digitale stukken kunnen digitaal worden
                    bewaard, maar moeten eenduidig opvraagbaar en beschikbaar zijn. Deze
                    bewaarplicht geldt ook voor alle mutaties die in de looptijd hebben plaats
                    gevonden en herleidbaar moeten zijn voor uit te voeren EU audits (zogenaamde
                    audit trail). </al><al><vet>3. De wijze waarop het collectief contracten afsluit met deelnemende
                        beheerders</vet></al><al> Beschrijving van de wijze waarop met deelnemende beheerders afspraken voor het
                    leveren van prestaties uit de gebiedsaanvraag/beschikking worden gemaakt. Het
                    ondertekende contract maakt deel uit van de administratie.</al><al>In een deelnemerscontract is minimaal opgenomen:</al><al> - Naam, adres, BRS-nummer en KVK of BIN/BSN nummer van de deelnemer;</al><al> - Te leveren prestatie, inclusief de duur, het aantal eenheden en locatie op
                    kaart;</al><al> - Het naleven van alle aan de prestatie verbonden voorwaarden/
                    beheermaatregelen, inclusief voorwaarden over voor het (niet) gebruik van
                    meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen;</al><al> - De meldingsplicht van de deelnemer om het collectief vooraf op de hoogte te
                    stellen van:</al><al> • de afgesproken prestatie niet geleverd kan worden met opgave van reden;</al><al> • wijzigingen in de bedrijfssituatie die van invloed zijn op de naleving van de
                    contractverplichtingen.</al><al> - Instemming met het uitvoeren van controles, meewerken aan voor het
                    gebiedsbeheer relevante wetenschappelijke onderzoeken en deelnemen aan
                    kennisactiviteiten die de kwaliteit van het beheer kunnen verbeteren;</al><al> - Instemming met de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de deelnemers voor de
                    realisatie van de afgesproken prestaties van het collectief zoals vastgelegd in
                    de beschikking (lusten en lasten);</al><al> - Instemmen met de individuele borgstelling voor maximaal het te ontvangen
                    bedrag opgehoogd met een omslag voor de transactiekosten van het collectief. </al><al><vet>4. De wijze waarop het collectief de interne controle in het veld (schouw)
                        heeft georganiseerd op de naleving van de afspraken/prestaties</vet></al><al> a. Beschrijving van het controleprotocol en de wijze van vastleggen van de
                    bevindingen van de schouw (controle in het veld) in het administratiesysteem. De
                    interne controle staat los van de controles die door of namens de provincie
                    uitgevoerd worden. Gestreefd wordt door het collectief en de overheden naar een
                    meervoudig gebruik van de verzamelde gegevens. De verzamelmethodieken zullen dan
                    wel op elkaar worden afgestemd zodat de verzamelde data ook voor monitoring en
                    controle door overheden kunnen worden gebruikt;</al><al> b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief het objectief en
                    onafhankelijk beoordelen via de interne veldcontrole heeft geregeld.</al><al/><al><vet>5. De wijze waarop het collectief sancties oplegt aan gecontracteerde
                        beheerders</vet></al><al> a. Beschrijving van de wijze waarop wordt gehandeld bij het niet naleven van
                    contractuele afspraken door beheerders (in gebreke blijven of onrechtmatigheden)
                    en hoe intern sancties worden opgelegd.</al><al> b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief kortingen, die het
                    Betaalorgaan op basis van Europese en nationale regelgeving oplegt, verwerkt in
                    zijn administratie in afstemming met zijn gecontracteerde beheerders.</al><al> c. Beschrijving van de wijze waarop het collectief een sanctie voor cross
                    compliance van een deelnemende agrariër int, naar rato van de betaling van het
                    collectief aan de agrariër van een door de Europese Unie meegefinancierde
                    activiteit binnen het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Ter illustratie:
                    wanneer een agrarisch collectief in het jaar 2017 € 100 aan een beheerder
                    betaalt en € 50 aan een aannemer, voor het onderhoud van bijvoorbeeld een
                    landschapselement, dan wordt bij een sanctie bij de beheerder vanwege een cross
                    compliance -overtreding van 5%, het agrarisch collectief een sanctie opgelegd
                    van € 5.</al><al/><al><vet>6. De wijze waarop het collectief betalingen verricht aan gecontracteerde
                        beheerders</vet></al><al> a. Beschrijving van de wijze waarop betalingen worden uitgevoerd aan
                    gecontracteerde beheerders. Het gaat daarbij om de opdracht tot betaling,
                    gegeven door een gemachtigde in het collectief, waarop is aangegeven:</al><al> - Naam, adres, en KVK of BIN/BSN nummer en IBAN-rekeningnummer van de
                    begunstigde;</al><al> - Het bedrag dat overgemaakt dient te worden inclusief de termijnen van de
                    betalingen;</al><al> - De prestaties waarvoor de betalingen worden verricht;</al><al> - Naam en handtekening gemachtigde die handelt namens bestuur.</al><al> b. Beschrijving van de wijze waarop jaarlijks een totaal overzicht wordt
                    gemaakt over de betalingen per gecontracteerde beheerder.</al><al/><al><vet>7. De wijze waarop het collectief de realisatie van prestaties verantwoordt
                        (als onderbouwing van het betaalverzoek) </vet></al><al> a. Beschrijving van de wijze waarop wordt bepaald hoe op gebiedsniveau de
                    samenhang in maatregelen ten behoeve van de soorten in de leefgebieden is
                    bereikt.</al><al> b. Beschrijving van de wijze waarop verbeteringen in de toepassing van
                    maatregelen worden doorgevoerd op basis van veldwaarnemingen en
                    controleresultaten in relatie tot de beoordelingscriteria van de
                    gebiedsaanvraag.</al><al/><al><vet>8. De wijze waarop het collectief borgt dat medewerkers en beheerders voor
                        hun taken bekwaam worden, zijn en blijven (kennis en vaardigheden borgen
                        d.m.v. een kennisinfrastructuur)</vet></al><al> a. Beschrijving van de wijze waarop het collectief zorgt dat de taken en rollen
                    binnen het collectief (medewerkers en beheerders) op bekwame wijze worden
                    uitgevoerd en dat deze bekwaamheid op niveau wordt gehouden. Het gaat daarbij
                    o.a. om kennis en vaardigheden op gebied van organiseren, administratie,
                    (EU-)regelingen, controle, ecologie/hydrologie en uitvoering van het
                    beheer.</al><al> b. Beschrijving van de wijze waarop het collectief de inzichten die ontstaan
                    bij het beheer op gebiedsniveau benut om de beheerders te ondersteunen bij het
                    uitvoeren van het beheer op bedrijfsniveau.</al><al/><al><vet>Toelichting bij het PVE agrarisch natuurbeheer 2016</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al> Vanaf 1 januari 2016 is een agrarisch collectief eindbegunstigde voor de
                    subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer, en niet meer de individuele
                    agrariër. Een collectief is een samenwerkingsverband in een begrensd gebied dat
                    bestaat uit agrariërs en andere gebruikers van landbouwgrond. Om voor subsidie
                    in aanmerking te komen, moet het agrarisch collectief zijn gecertificeerd. Voor
                    de certificering is het nodig dat de overheid (IPO/EZ) een PVE opstelt, waaraan
                    een collectief moet voldoen. Dat zijn vooral eisen die te maken hebben met de
                    EU-conformiteit van de vernieuwde regeling. Op basis van het PVE heeftde SCAN
                    (Stichting Collectief Agrarisch Natuurbeheer) een model-kwaliteitshandboek
                    opgesteld. Vervolgens kan elk collectief op basis van dat model een -op de eigen
                    organisatie en werkwijze toegesneden- kwaliteitshandboek maken. Dat handboek
                    wordt vervolgens aan de certificeringscommissie voorgelegd en die verleent, na
                    een positieve beoordeling, het collectief een certificaat.</al><al/><al><vet>Algemene eisen aan een doeltreffend en doelmatig collectief </vet></al><al> Er zit een groot verschil in taak en rol van de huidige agrarische
                    natuurverenigingen in vergelijking met die van het agrarisch collectief per 1
                    januari 2016 op grond van het Vernieuwde stelsel Agrarisch Natuur- en
                    Landschapsbeheer 2016. Daarom hebben de twaalf provincies, de koepels van
                    agrarische natuurverenigingen en IPO/EZ in september 2013 gezamenlijk
                    uitgangspunten vastgesteld voor de vorming van collectieven in de
                    provincies.</al><al>De kern van het vernieuwde stelsel is een collectieve benadering voor een
                    ecologisch meer effectief agrarisch natuur- en landschapsbeheer in die gebieden
                    waar dit het meest kansrijk is qua verbetermogelijkheden van de habitat van de
                    doelsoorten. Daarbij spelen ook de intensiteit van de landbouw in het landschap
                    waarin de maatregelen worden uitgevoerd en de structuur en diversiteit van
                    datzelfde landschap een rol. Waar beheer niet effectief kan zijn, is in het
                    kader van dit stelsel geen collectief nodig. In potentieel kansrijke gebieden
                    zijn vervolgens het aantal participerende boeren c.q. het aantal hectares onder
                    beheer en de ruimtelijke verspreiding daarvan belangrijke factoren waar een
                    collectief op in zet om een positief effect op de biodiversiteit ook
                    daadwerkelijk te bereiken. Het beheer, gericht op groepen van soorten in hun
                    leefgebieden, wordt zo uitgevoerd dat de maatregelen die voor één belangrijke
                    doelsoort worden genomen, ook ten goede komen aan de andere soorten. Om de
                    maatregelen op leefgebiedenniveau effectief uit te kunnen voeren, is een zekere
                    gebiedsomvang nodig. Die gebiedsomvang wordt bepaald door de eisen die de
                    doelsoorten aan hun leefgebied stellen en waarvoor leefgebieden optimaal worden
                    ingericht en beheerd.</al><al>Verder moeten de uitvoeringskosten en de administratieve lasten drastisch worden
                    beperkt door een efficiënte inzet van de beperkte middelen. Binnen het
                    beschikbare budget wordt gestreefd naar relatief lage kosten en meer geld voor
                    beheer door de deelnemende boeren. Het collectief hanteert als richtlijn een
                    omvang van 15% van de subsidie als dekking voor de transactiekosten.</al><al>Eisen, gesteld voor doeltreffendheid en doelmatigheid, leiden tot een structuur
                    met een beperkt aantal robuuste collectieven per provincie, die voldoende
                    schaalgrootte voor kritieke massa aan deskundigheid, routine en “omzet” hebben
                    (bijvoorbeeld 1,5 tot 2 miljoen euro per jaar) voor een efficiënte organisatie
                    met beperkte overhead om een kwalitatief goede uitvoering te organiseren van het
                    agrarisch natuur- en landschapsbeheer in het gebied.</al><al/><al><vet>Eisen vanuit nieuwe taken als collectief </vet></al><al>De nieuwe taken van een agrarisch collectief (in vergelijking met de
                    werkzaamheden bij een huidige agrarische natuurvereniging) stellen hoge eisen
                    aan de organisatie en werkwijze van het collectief, maar ook aan de kwaliteit en
                    competenties van bestuursleden en medewerkers van het collectief en de
                    deelnemende boeren.</al><al> Het gaat hierbij om de volgende nieuwe taken:</al><al> • Sturen op aansluiting van maatregelen bij doelen, op samenhang en
                    flexibiliteit in maatregelen en locaties in de tijd, en op continuïteit van
                    maatregelen in de jaren;</al><al> • Sturen op het daadwerkelijk leveren van de afgesproken prestaties[1] door het
                    mobiliseren en ondersteunen van deelnemende boeren en andere
                    grondgebruikers;</al><al> • Professioneel gesprekspartner zijn voor andere beheerders en overheden in
                    gebiedsprocessen onder regie van de provincie;</al><al> • Effectief relatiebeheer;</al><al> • Een kwalitatief goede gebiedsaanvraag opstellen, die is afgestemd met
                    gebiedspartijen en heldere na te streven doelen bevat;</al><al> • Als eindbegunstigde voldoen aan de hoge (Europese) eisen van accountability;
                    dit is het verantwoorden van de wijze van handelen bij de uitvoering van het
                    agrarisch natuur- en landschapsbeheer;</al><al> • Contractpartner zijn van provincie/Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland
                    (RVO.nl) aan de voordeur met verantwoordelijkheid voor de zakelijke
                    verplichtingen en de reputatie en legitimatie als gebiedsverantwoordelijke;</al><al> • Contractpartner van deelnemende agrariërs zijn aan de achterdeur met
                    verantwoordelijkheid voor de betreffende zakelijke verplichtingen;</al><al> • Beschikken over administratieve en financiële systemen die effectief
                    corresponderen met die van de RVO.nl;</al><al> • Uitvoeren van veldcontroles en daarbij -zo nodig- optreden tegen in gebreke
                    blijvende deelnemende boeren/ grondgebruikers;</al><al> • Organiseren van kwaliteitsborging via certificering en voortgaande
                    kwaliteitsverbetering door te leren van experimenteren en van andere
                    collectieven en kennispartners door het uitwisselen van kennis.</al><al/><al>[1] Een <vet>prestatie </vet>is het volbrengen van een gesteld doel of
                    verplichting. De prestatie wordt gemeten of vastgesteld.</al><al/><al><vet>Certificeren: vertrouwen in de beheerder </vet></al><al> Het vernieuwde stelsel gaat uit van vertrouwen in het collectief als natuur- en
                    landschapsbeheerder in een agrarisch cultuurgebied. Dat vertrouwen is gericht op
                    het vergroten van de effectiviteit én van de efficiency in transactie- en
                    uitvoeringskosten. De kwaliteit van het beheer van natuur en landschap is in
                    sterke mate afhankelijk van de deskundigheid van alle betrokkenen bij een
                    collectief. De kwaliteit van het beheer wordt zodanig geborgd, dat rijk en
                    provincies daaraan het vertrouwen ontlenen dat de risico’s die bij het beheer
                    via de subsidieregeling spelen, beheerst worden. Belangrijk is ook de
                    efficiëntie in kosten binnen het collectief die bereikt wordt door het zo
                    efficiënt mogelijk organiseren van de werkzaamheden, waardoor er zo veel
                    mogelijk geld beschikbaar is voor de uitvoering.</al><al>De kwaliteitsborging vindt plaats via certificering. In het PVE geeft de
                    subsidiegever (de provincie) aan, aan welke eisen een collectief moet voldoen om
                    voor certificering in aanmerking te komen. De stichting Certificering SNL
                    hanteert, conform de provinciale Uitvoeringsregeling Stichting Certificering
                    SNL, het PVE als toetsingskader bij de certificering van het collectief. Het
                    collectief werkt in een eigen kwaliteitssysteem uit hoe zij deze eisen invult en
                    legt dit vervolgens vast in een kwaliteitshandboek. De met de EU conformiteit
                    gerelateerde financiële risico’s worden zo via het kwaliteitssysteem beheerst.
                    Het kwaliteitsysteem in het handboek wordt beoordeeld door de
                    Certificeringscommissie SNL. Bij een positief oordeel wordt het certificaat
                    verleend. Het certificaat is het bewijs dat het collectief haar eigen werkwijze
                    heeft geprofessionaliseerd en de kwaliteit ervan borgt. Zo geeft het certificaat
                    de overheid het vertrouwen dat de kwaliteit van het agrarisch natuur- en
                    landschapsbeheer procedureel voldoende geborgd is bij het collectief. En met het
                    verlenen van het certificaat erkent de provincie ook het agrarische collectief
                    als uitvoerende beheerorganisatie. Bij een audit van de Certificeringscommissie
                    SNL, na het verstrekken van het certificaat, wordt de naleving van werkwijze en
                    afspraken conform het kwaliteitshandboek van het collectief in de werkpraktijk
                    beoordeeld.</al><al/><al><vet>Aansluiting op eigen werkwijze </vet></al><al> Een collectief kiest haar eigen wijze van werken en de organisatie die bij het
                    collectief past. Wel dient de kwaliteit van de eigen werkwijze geborgd te
                    worden. Dit is vooral ook bedoeld om de wijze van werken waar nodig te kunnen
                    verbeteren. Het collectief heeft de ruimte om zelf de eisen uit het PVE in te
                    vullen op de wijze die het best binnen de bedrijfsvoering past. Het collectief
                    is dus verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen zoals opgesteld in dit
                    PVE, maar de manier van invullen is vrij.</al><al>Bij de kwaliteitsborging staan de werkprocessen, de systemen, protocollen en
                    werkwijzen van de organisatie van het collectief centraal. En dit geldt ook voor
                    de competenties (kennis en vaardigheden) van de medewerkers en agrarische
                    beheerders die deze werkprocessen uitvoeren c.q. daar verantwoordelijk voor
                    zijn. De inhoud van het kwaliteitsysteem, beschreven in het kwaliteitshandboek,
                    is afhankelijk van de werkwijze en de organisatie van het collectief. De
                    ervaring vanuit de GLB pilots leert dat het eigen kwaliteitssysteem vaak verder
                    is uitgewerkt dan dit PVE vraagt.</al><al>De Certificeringcommissie SNL wil graag het kwaliteitssysteem van een collectief
                    op uniforme wijze toetsen. Daarom is het nodig dat alle collectieven een
                    vergelijkbare volgorde hanteren in hun kwaliteitshandboek in lijn met de
                    volgorde van de eisen in dit Programma. Het model-kwaliteitshandboek, dat is
                    ontwikkeld door de SCAN, kan daarbij helpen. De vergelijkbare opzet is ook
                    handig voor informatie-uitwisseling tussen collectieven en beperkt bovendien de
                    uitvoeringskosten van de commissie. Dit laat onverlet dat binnen die
                    vergelijkbare volgorde elk collectief zijn eigen werkprocessen beschrijft en hoe
                    daarin de eisen zijn verwerkt. Uitgangspunt is steeds dat de kwaliteit van de
                    eigen wijze van werken van alle uitvoerenden in het collectief wordt
                    geborgd.</al><al/><al><vet>De vernieuwde Subsidieverdeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016
                    </vet></al><al> De Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 wordt per provincie
                    vastgelegd op basis van een modelverordening voor alle provincies. In de
                    verordening worden onder meer de eisen beschreven waaraan een gebiedsaanvraag en
                    een verantwoording en/of betalingsverzoek moeten voldoen om de
                    beoordelingsprocedure en de uitbetaling bij provincie c.q. de RVO.nl zo
                    effectief en efficiënt mogelijk te laten verlopen. Bij de eisen aan de
                    gebiedsaanvraag gaat het over de wijze van samenwerking en afstemming van het
                    collectief binnen haar werkgebied met gebiedspartners (waaronder natuur- en
                    landschapsorganisaties, waterschap en gemeenten) en de samenwerking en
                    afstemming met aangrenzende collectieven ten behoeve van gebiedsgrenzen
                    overschrijdende optimale uitvoering van het beheer.</al><al>Dit PVE benoemt de eisen waaraan een collectief moet voldoen om voor
                    certificering in aanmerking te komen. Als onderdelen van het kwaliteitsysteem al
                    worden geborgd via een andere door de subsidiegever erkende certificaatvorm
                    (bijv. CBF of Milieukeur), dan gelden deze certificaten en kan daar in het
                    kwaliteitshandboek naar worden verwezen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>