<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR366272_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Alphen-Chaam 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-05-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad, 08-05-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Alphen-Chaam 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=8">woningwet, art. 8 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-59628</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-59629</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-59630</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>BOUWVERORDENING ALPHEN-CHAAM 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder: bevoegd gezag:
                            bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid,
                            onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als
                            bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders; bouwbesluit: de
                            algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de
                            Woningwet; bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                            van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;
                            bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                            ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
                            gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                            Bouwbesluit 2012; hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door
                            of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; NEN: een door de
                            Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVN: een
                            door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;
                            omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit
                            als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht; straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de
                            hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                            van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                            direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                            hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; weg: alle voor het openbaar
                            rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                            daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende
                            bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig
                            aangeduide parkeerterreinen. 2. In deze verordening wordt mede verstaan
                            onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van
                            een gebouw.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten de
                            bebouwde kom. 2. Als gebied binnen de bebouwde kom gelden de gronden die
                            zijn gelegen binnen de grenzen van de op het moment van vaststelling van
                            deze verordening geldende bestemmingsplannen “Kom Chaam 2005”, “Kom
                            Galder 2008” en “Kom Alphen 2009”.  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</titel></kop><al>1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                            8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een
                            recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740,
                            uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                            uit figuur 1. b. (vervallen). c. Indien op basis van het vooronderzoek
                            aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede
                            begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                            vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                            uitgave 2003. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                            als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                            niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                            omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                            omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van Bijlage II. Deze verwijzing geldt
                            niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2
                            en 3 van Bijlage II. 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of
                            gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een
                            onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                            omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het
                            bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
                            zijn. 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                            tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4,
                            onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met
                            een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit
                            omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde
                            vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid
                            blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                            volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                            rechtvaardigen. 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de
                            aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                            vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                                ordening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                bouwvergunningverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                                bouwvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                            verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                            voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin
                            voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor
                            het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist;
                            en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande,
                            niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                                bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan
                            het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht
                            bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                            onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede
                            lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde
                            saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel
                            zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                            stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                            bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                            verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                            bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                gehandicapten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is: a. langs een wegzijde met een regelmatige of
                            nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                            bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                            zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                            bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                            rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een
                            wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en
                            waarlangs mag worden gebouwd: - bij een wegbreedte van ten minste 10
                            meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; - bij een
                            wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as
                            van de weg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                            voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen
                            met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                            realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                            veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van Bijlage II bij het
                            Besluit omgevingsrecht; b. andere onderdelen van een bouwwerk voor het
                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het
                            afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van de
                            veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II van het
                            Besluit omgevingsrecht, te weten: 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals
                            funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 2. stoepen,
                            stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet
                            meer dan 0,3 m overschrijden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verlenen voor: a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                            kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                            gelegen is dan het straatpeil; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders
                            dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van Bijlage II bij het
                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de
                            voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; c. laadperrons, stoepen
                            en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; d. erkers, serres
                            en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                            voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; e.
                            trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                            stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                            schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames
                            dan bedoeld zijn in; f. overbouwingen ten dienste van de verbinding
                            tussen twee bouwwerken; g. bouwwerken aan of bij een monument - als
                            bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk
                            is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                            aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving. 2. Voor het
                            bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan, indien niet
                            lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met
                            inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                            rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog
                            voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                            komt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                            bouwen verlenen voor: a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar
                            net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het
                            openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                            onderdeel 18, sub a van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; b.
                            bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                            waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                            alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                            sub b, c en d, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; c.
                            vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d. reclametoestellen en
                            draagconstructies voor reclame; e. andere bouwwerken, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                            bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><al>1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                            voorgevelrooilijn zijn geplaatst. 2. Het bepaalde in het eerste lid is
                            niet van toepassing in: a) de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in
                            die waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                            verleend; b) in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin
                            de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                            bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; c) in de
                            gevallen, bedoeld in het derde lid. 3. Indien van wegen die elkaar
                            kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de
                            tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of
                            zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3
                            meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een
                            dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden
                            afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                            blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. 4. Het
                            bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                            bepaalde in het eerste lid voor: a) gebouwen behorende tot een complex
                            van gebouwen; b) gebouwen op handels- en industrieterreinen; c)
                            vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d) bijgebouwen, anders
                            dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van Bijlage
                            II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen; e) gebouwen ten
                            dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                            en de daarbij behorende woningen; f) gedeelten van naar de weg gekeerde
                            gevels; g) gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                            afwijking is gebaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                            bevindt zich: a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                            van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere
                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven,
                            geldt de grootste; b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                            bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand
                            van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                            herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                            genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                            voorgevelrooilijn dan 15 meter; c. in een slechts aan drie zijden
                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op
                            een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                            tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                            grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; d. in een slechts
                            aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen
                            rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                            voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                            bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; e. in alle niet onder a
                            tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                            inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d
                            van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                            15 meter. 2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                            achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van
                            die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht - over een
                            afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten
                            minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.
                            3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                            van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                            het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken,
                            voor het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te bouwen met
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en
                            bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                            veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b. buiten de bebouwde kom
                            gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur
                            en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de
                            zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; c.
                            onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                            opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen
                            waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1
                            van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is
                            vereist; d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                            opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als
                            bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van Bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht; e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                            realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van
                            Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: 1. ondergrondse
                            uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                            2. terrassen, bordessen en bordestreden; f. antennes, anders dan bedoeld
                            in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van Bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen verlenen voor: a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen,
                            geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                            pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                            grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; b. binnen de bebouwde
                            kom gelegen kassen; c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d.
                            gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                            grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                            spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één
                            van die zijden mag worden bebouwd; e. gebouwen op binnenterreinen, mits
                            hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4,
                            is verzekerd; f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel
                            3, of artikel 3, onderdeel 1, van Bijlage II van het Besluit
                            omgevingsrecht; g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                            overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h. bouwwerken, geen
                            gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                            vereist; i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                            kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de
                            hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j. erkers
                            en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder artikel
                            2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van Bijlage II bij het
                            Besluit omgevingsrecht; k. trappenhuizen, buitentrappen en
                            liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende
                            schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel
                            2.5.13; l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                            monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                            karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al>1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                            minste een strook grond omvat die: a. over de volle breedte van het
                            gebouw aansluit aan de achtergevel, en b. voor wat betreft het achter
                            het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de
                            zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter. 2. De maat genoemd
                            in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn
                            en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij
                            moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de
                            balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. 3. Het bevoegd gezag
                            kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: a.
                            het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                            gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; b. het
                            eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1.
                            een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; 2. het gebouw zal
                            zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                            zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg
                            en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein
                            slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                            redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; 3. bij het vergroten van
                            een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en
                            woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand
                            verbeterd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al>1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                            dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig
                            zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts
                            gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan. 2. Het
                            bevoegd gezag kan de ontheffingsvergunning verlenen in afwijking van het
                            bepaalde in het eerste lid: a. indien ligging en bestemming van het
                            gebouw hiervoor geen beletsel vormen; b. indien, voor zover nodig,
                            afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al>1. De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                            zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                            bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                            tussenruimten ontstaan die: a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter
                            daarboven minder dan 1 meter breed zijn; b. niet toegankelijk zijn. 2.
                            Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                            wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 3. Het bevoegd gezag kan de
                            omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste
                            lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                            onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al>1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                            onderdeel 12 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet
                            toegelaten. 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                            scheiden erf of terrein.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                                ondergrondse hoofdtransportleidingen</titel></kop><al>1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                            stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                            mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken
                            van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening
                            worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de
                            wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met
                            een nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer. 2. Binnen een
                            strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                            hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvoor
                            omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd. 3. Het bevoegd gezag kan
                            de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: a. het bepaalde in het
                            eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de
                            elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                            oplevert; b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                            van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                            ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                            hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                            is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                            met: a. in de bebouwde kom eenmaal de afstand tussen de
                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; b. buiten de bebouwde
                            kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                            desbetreffende weg. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van
                            toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                            voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van
                            de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag
                            worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand
                            tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere
                            lengte dan 15 meter. 3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt
                            gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van
                            de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                            voorgevelrooilijn. 4. Indien aan de overzijde van de weg een
                            voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste
                            toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                            tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                            plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de
                            verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                            voorkomende rooilijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                            hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1
                            meter, vermeerderd met: a. in de bebouwde kom eenmaal de afstand tot de
                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b. buiten
                            de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 2. De in het eerste lid
                            bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter
                            plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen
                            niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
                            achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen
                            de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                            achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                            tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. 3. In
                            afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
                            een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen
                            dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                            achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. 4. Indien het terrein achter
                            de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste
                            lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
                            verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein
                            ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al>1. Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                            gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn
                            van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn,
                            dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale
                            hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg
                            nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                            achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand
                            moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel
                            2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                            achtergevelrooilijnen. 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning
                            verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                            zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                achtergevelrooilijnen</titel></kop><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                            het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor-
                            en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                            verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                            achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                            2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek
                            vormen van: 45 graden in de bebouwde kom; 37 graden buiten de bebouwde
                            kom. 2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                            heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                            bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak
                            dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -
                            krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                            horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><al>1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter. 2.
                            Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                            verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                            gelegen weg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                grenzende terreinen</titel></kop><al>1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                            artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een
                            weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien
                            verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -
                            daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                            toegelaten is. 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen
                            in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de
                            ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                                bouwwerken</titel></kop><al>1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                            buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                            straatpeil. 2. De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                            hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                            breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder
                            d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                            maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                            derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24
                            is niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwwerk, voor het
                            bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, die bij het
                            afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                            van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van Bijlage II
                            bij het Besluit omgevingsrecht; b. het gedeeltelijk vernieuwen of
                            veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen
                            van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                            Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; c. topgevels in het verticale
                            vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits
                            zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                            breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de
                            breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d.
                            plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                            2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan
                            het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:
                            a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                            gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b.
                            gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                            welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat; c. gebouwen
                            bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                            industrieterrein; d. agrarische bedrijfsgebouwen; e. het geheel of
                            gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan
                            bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van Bijlage II bij het Besluit
                            omgevingsrecht, en indien: 1) de bestaande belendende gebouwen de
                            maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                            afwijking is gebaat; 2) bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                            hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de
                            bestaande; f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                            telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16
                            en 18 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; g. topgevels,
                            breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; h.
                            plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; i.
                            dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                            meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                            minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5
                            meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde
                            dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; j.
                            draagconstructies voor een reclame; k. vrijstaande schoorstenen; l.
                            bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                            wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                            zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                            gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                            omgeving.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28,
                            kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met
                            overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het
                            verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:
                            a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                            beheersverordening of projectbesluit van kracht is; b. geen van de
                            aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; c. de activiteit in
                            overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk
                            beleid; d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                            ordening, en e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                            onderbouwing bevat.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden
                                bij of in gebouwen</titel></kop><al>1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                            geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                            voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan
                            wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze
                            ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning
                            van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele
                            bereikbaarheid per openbaar vervoer. 2. De in het eerste lid bedoelde
                            ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn
                            afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                            voldaan: a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                            1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; b. indien
                            de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte
                            - voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
                            grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen. 3. Indien de bestemming
                            van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan
                            ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in
                            voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of
                            onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 4. Het bevoegd
                            gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde
                            in het eerste en het derde lid: a. indien het voldoen aan die bepalingen
                            door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. voor
                            zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel
                            laad- of losruimte wordt voorzien.</al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                                brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                                ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                                ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                hulpverleningsdiensten</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                                elektriciteitsnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                                voorziening voor verwarming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering
                                op erven en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                                het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 De melding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 De wijze van melden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                                tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van
                                (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                                onderzoekingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                                hinder</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.11 Bouwafval</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                                bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                                gehandicapten</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                logiesgebouwen of kantoorgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                woongebouwen van bijzondere aard</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                kantoorgebouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het
                                elektriciteitsnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                                riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                                riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering
                                op erven en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                                het openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1 Preventie</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                            brand</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van
                                bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                gebrek aan hygiëne</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</titel></kop><al>(alternatief artikel; niet toegepast)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3.2 Hinder</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.4.1 Preventie</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het
                                slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het
                                slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                            voor het slopen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning
                                voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                                asbest</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                                tuinbouwkassen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Welstand</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al>1. De advisering over redelijke eisen van welstand wordt opgedragen aan
                            ‘Omgevingadvies BV’, statutair gevestigd te Roosendaal, die uit haar
                            midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna
                            gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 2. De welstandscommissie
                            adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen. 3. De welstandscommissie baseert
                            haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al>1. De welstandscommissie bestaat uit ten minste twee leden, welke leden
                            allen deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke
                            kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2. Voor de leden worden
                            plaatsvervangers aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.3 Zittingsduur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
                            - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota; - de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke
                            wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; - de
                            aard van de beoordeelde plannen; - de bijzondere projecten. De
                            welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering</titel></kop><al>1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                            namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2. De
                            welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking
                            heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit
                            binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom
                            is verzocht. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om
                            advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                            bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het
                            welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders
                            worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is
                            verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                toelichting</titel></kop><al>1. De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van
                            de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                            welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege
                            uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op
                            een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan
                            niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                            behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                            redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                            grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                            beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. Indien de aanvrager
                            van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van
                            de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht,
                            wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het
                            geven van een toelichting op het bouwplan. 3. In het geval dat het
                            bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een
                            verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager
                            van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen
                            voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                            behandeld. 4. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht.
                            Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                            deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies,
                            in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de
                            commissie overlaten aan één lid. Het aangewezen lid adviseert over
                            bouwplannen waarvan volgens hem het oordeel van de welstandscommissie
                            als bekend mag worden verondersteld. 2. In geval van twijfel wordt het
                            bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><al>1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                            schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of
                            namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën
                                bouwwerken</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een
                                ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen
                                en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                                ingebruikneming</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>(vervallen)  </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12.1 Strafbare feiten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.6 Slotbepaling</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 15 mei 2015. 2. Gelijktijdig
                            met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de “Bouwverordening
                            Alphen-Chaam 2010”, vastgesteld bij raadsbesluit van 4 november 2010. 3.
                            Deze verordening kan worden aangehaald als: Bouwverordening Alphen-Chaam
                            2015.  </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al>Bijlage 1</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                    in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)</al><al>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)  </al><al>Bijlage 2</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)  </al><al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)  </al><al>Bijlage 4</al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                    ruimten in woonfuncties (vervallen)  </al><al>Bijlage 5</al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 (vervallen)  </al><al>Bijlage 6</al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)  </al><al>Bijlage 7</al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en
                    terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 (vervallen)  </al><al>Bijlage 8</al><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen)  </al><al>Bijlage 9</al><al> Reglement op de welstandsadvisering ingaande op de dag van inwerkingtreding van
                    de “Welstandsnota 2015”</al><al> 1. Begripsbepalingen</al><al>a. college : het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam b.
                    commissie : de gemeentelijke welstandscommissie c. ambtenaar : de ambtenaar, tot
                    wiens reguliere taken de behandeling van een bouwplan behoort d. Omgevingadvies
                    : Omgevingadvies BV, statutair gevestigd te Roosendaal e. architect : een
                    natuurlijk persoon die in dienst is bij Omgevingadvies en deel kan uitmaken van
                    de commissie f. bouwplan : een aanvraag om omgevingsvergunning voor de
                    activiteit bouwen, dan wel een schetsplan ten behoeve van vooroverleg over een
                    bouwvoornemen g. aanvrager : de natuurlijke of rechtspersoon die bij het college
                    een bouwplan heeft ingediend h. reglement : het Reglement op de
                    welstandsadvisering i. Wabo : de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>2. Benoeming, onafhankelijkheid en samenstelling commissie</al><al>1. Omgevingadvies wordt door de gemeenteraad benoemd als de commissie, die aan
                    het college een advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk of de plaatsing
                    van het bouwwerk waarop het bouwplan betrekking heeft, met uitzondering van een
                    tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf
                    beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                    daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de
                    criteria zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota. 2. De commissie
                    voert haar taak uit in onafhankelijkheid. 3. Een advies wordt in beginsel
                    uitgebracht door twee architecten. Afhankelijk van de aard en/of omvang van het
                    bouwplan waarover geadviseerd moet worden, en verwijzend naar artikel 9.7 van de
                    bouwverordening, kan een advies ook uitgebracht worden door één architect. 4.
                    Een architect heeft een - bij voorkeur academische - opleiding genoten op het
                    terrein van architectuur of stedenbouw, en is door die afgeronde opleiding en
                    opgedane ervaring deskundig op voornoemd terrein en aanverwante vakgebieden. Een
                    architect is in elk geval ingeschreven bij het Bureau Architectenregister te Den
                    Haag. 5. De commissie kan zich bij haar advisering naar eigen inzicht, dan wel
                    op verzoek van het college, laten bijstaan door externe deskundigen. Dit betreft
                    disciplines als stedenbouw, architectuurhistorie, bouwhistorie,
                    landschapsarchitectuur, et cetera. Voor zover aan de inschakeling van externe
                    deskundigen kosten zijn verbonden, worden deze kosten alleen vergoed nadat van
                    tevoren daarmee door of namens het college schriftelijk is ingestemd.</al><al>3. Taakomschrijving</al><al>1. De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet-wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van
                    de Woningwet en de Wabo. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het
                    gemeentelijke welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de welstandsnota of in
                    andere – in aanvulling op de welstandsnota – vastgestelde beleidsdocumenten,
                    zoals een beeldkwaliteitsplan. 2. Een externe deskundige geeft vanuit ervaring
                    en inzicht in het betreffende vakgebied een onafhankelijke visie op een
                    bouwplan. Een extern deskundige heeft geen zakelijke binding met een bouwplan
                    waarover een advies wordt gevraagd.</al><al>4. Werkwijze ambtenaar</al><al>1. De ambtenaar draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen die planologisch
                    aanvaardbaar zijn, voor een advies aan de commissie worden voorgelegd. 2. De
                    ambtenaar beoordeelt of door de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden
                    zijn verstrekt ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota
                    (zie de in de Regeling omgevingsrecht gestelde indieningsvereisten): a)
                    tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende
                    bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
                    b) principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c)
                    kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; d) opgave
                    van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige
                    scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de
                    kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken,
                    dakgoten en boeidelen en de dakbedekking. 3. De in het tweede lid genoemde
                    gegevens en bescheiden worden door de ambtenaar zoveel mogelijk in digitale vorm
                    bij de commissie aangeleverd.</al><al>5. Werkwijze van de commissie</al><al>5.1 Openbare vergadering van de commissie; locatie, jaarrooster en agenda</al><al>1. De commissie vergadert in beginsel eenmaal per twee weken, op een vaste dag
                    en op een vast tijdstip, volgens een tevoren per kalenderjaar vast te stellen
                    rooster op het gemeentekantoor. 2. De data en tijdstippen van de vergaderingen
                    worden opgenomen in een jaarrooster. Van deze data en tijdstippen en de locatie
                    van iedere vergadering wordt eenmaal per jaar een algemene kennisgeving gedaan
                    in het plaatselijk weekblad alsmede op de gemeentelijke website. 3. De
                    vergaderingen van de commissie zijn openbaar, tenzij de commissie, het college
                    of de aanvrager van oordeel is dat er op grond van artikel 10 van de Wet
                    openbaarheid van bestuur klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De
                    openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van het
                    advies. 4. In de in het tweede lid genoemde algemene kennisgeving wordt vermeld
                    dat op de betreffende vaste dag en ten minste één uur vóór aanvang van de
                    vergadering een lijst op het gemeentekantoor ter inzage wordt gelegd van de
                    bouwplannen die door de commissie op die dag behandeld zullen worden. 5. De
                    commissie kan door de ambtenaar gevraagd worden om een advies over een bouwplan
                    uit te brengen anders dan op een van de volgens het jaarrooster vastgestelde
                    vaste dagen, indien (i) de aanvrager heeft aangegeven het bouwplan niet
                    mondeling te willen toelichten, dan wel (ii) een spoedige advisering over het
                    bouwplan door de ambtenaar wenselijk wordt geacht, dan wel (iii) naar
                    verwachting minder dan vijf bouwplannen op de eerstvolgende vaste dag behandeld
                    zullen worden.</al><al>5.2 Toelichting aanvrager of gemachtigde</al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan - al dan niet op verzoek van de commissie
                    - in de eerstvolgende vergadering van de commissie waarin het betreffende
                    bouwplan volgens het jaarrooster kan worden behandeld, het bouwplan nader
                    mondeling toelichten. Voor zover dat verzoek niet reeds bij indiening van het
                    bouwplan is gedaan, moet een verzoek tot het geven van een mondelinge
                    toelichting tijdig van tevoren bij de ambtenaar worden gedaan.</al><al>5.3 Het advies</al><al>1. De commissie toetst het bouwplan aan het gemeentelijke welstandsbeleid. 2. De
                    commissie formuleert het uit advies in heldere en duidelijk toetsbare
                    bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt zoveel mogelijk
                    vermeden. 3. Indien de advisering tijdens een vergadering op het gemeentekantoor
                    plaatsvindt, wordt het advies direct geformuleerd en bij de ambtenaar
                    achtergelaten. 4. Indien de advisering buiten een vergadering op het
                    gemeentekantoor plaatsvindt, wordt het advies in digitale vorm aan de ambtenaar
                    verzonden. Wanneer de commissie niet binnen vijf werkdagen na toezending een
                    advies kan uitbrengen, doet de commissie daarvan binnen die termijn mededeling
                    aan de ambtenaar. 5. Een advies kan de volgende uitkomst hebben:</al><al>Voldoet: De commissie is van oordeel dat het bouwplan volgens de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                    Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk.</al><al>Voldoet mits (voldoet niet tenzij): De commissie is van mening dat het bouwplan
                    op onderdelen niet voldoet aan de criteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet
                    gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie
                    omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het bouwplan bezwaarlijk zijn.</al><al>Voldoet niet: De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met
                    redelijke eisen van welstand. Een negatief advies wordt nauwkeurig schriftelijk
                    gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving van het ingediende bouwplan,
                    een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria, een samenvatting
                    van de beoordeling van het bouwplan op die punten en een aanbeveling tot
                    aanpassing van het bouwplan.</al><al>Aanhouden: De commissie kan de advisering over het bouwplan aanhouden indien: a)
                    meer informatie of een toelichting van de aanvrager of diens gemachtigde
                    noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer de hoofdopzet van het bouwplan
                    (de bouwmassa-vorm) voldoet aan redelijke eisen van welstand en de
                    geveluitwerkingen alsmede de materialisering en detailleringen ter advisering
                    worden opgevraagd; b) de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden
                    nopen tot afwijking van het gemeentelijke welstandsbeleid. Zij geeft dan
                    gemotiveerd aan op grond waarvan afwijking gerechtvaardigd is. Alvorens de
                    commissie overgaat tot een aanhouding van de advisering, wordt navraag gedaan
                    bij de ambtenaar of een aanhouding niet in het gedrang komt met een wettelijke
                    beslistermijn.</al><al>6. Afwijking van het advies; second opinion</al><al>1. Het college kan bij het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning
                    afwijken van het advies van de commissie, indien het college van mening is dat
                    de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd
                    of toegepast. De redenen voor de afwijking worden bij de bekendmaking van het
                    besluit vermeld. Alvorens definitief te beslissen biedt het college, voor zover
                    dat mogelijk is binnen de volgens de Wabo in acht te nemen beslistermijn(en),
                    aan de commissie de mogelijkheid van heroverweging van het eerder uitgebrachte
                    advies. 2. Indien het college zich niet kan verenigen met het advies van de
                    commissie, kan het college een ‘second opinion’ inwinnen bij een andere
                    commissie.</al><al>7. Jaarlijkse verantwoording</al><al>1. De commissie stelt voor de gemeenteraad jaarlijks een verslag op van de door
                    haar uitgevoerde werkzaamheden. Voor de aspecten die in dit verslag ten minste
                    aan de orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel 12c onderdeel a van de
                    Woningwet. 2. Ten minste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats
                    tussen een vertegenwoordiging van het college en de directeur(en) van
                    Omgevingadvies.</al><al>8. Excessenregeling</al><al>Het college kan de commissie verzoeken te adviseren over de vraag of het
                    uiterlijk van a) een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk, niet
                    zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor in de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen van dat bouwwerk is bepaald dat dit slechts voor een bepaalde periode
                    in stand mag worden gehouden, of b) een te bouwen bouwwerk voor het bouwen
                    waarvan op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wabo geen
                    omgevingsvergunning is vereist, in ernstige mate in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand. Dat is het geval wanneer het gaat om buitensporigheden in
                    het uiterlijk van een bouwwerk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn.
                    Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene criteria opgenomen.</al><al>9. Tarieven advisering</al><al>De tarieven voor de advisering worden jaarlijks door Omgevingadvies vastgesteld
                    en tijdig voor instemming aan het college doorgegeven.</al><al>Dit reglement is onderdeel van de ‘Dienstverleningsovereenkomst’.</al><al>Toelichting bij Bijlage 9 volgens de modelbouwverordening: Reglement van orde
                    van de welstandscommissie De tekst van het reglement van orde dient vanuit de
                    specifiek lokale situatie te worden opgesteld. In de praktijk blijken er grote
                    verschillen in werkwijze tussen de (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor
                    het vrijwel onmogelijk is om een universeel toepasbare tekst voor een reglement
                    van orde op te nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder
                    meer betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet
                    gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met een
                    monumentencommissie. Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze,
                    stellen gemeenten in het algemeen op in samenwerking met de provinciale
                    welstandsorganisaties waarbij zij zijn aangesloten.</al><al> </al><al>Bijlage 10</al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties
                    (vervallen)  </al><al>Bijlage 11</al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsinstallaties
                    (vervallen)  </al><al>Bijlage 12</al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtroute aanduidingen
                    (vervallen)</al></bijlage><nota-toelichting><al>Toelichting op de Model-bouwverordening</al><al>(incl. 14e wijziging op het model 1992)</al><al>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Bouwtoezicht De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan
                    burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de
                    Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo) wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die
                    belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                    hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet. Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking
                    op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau).
                    Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit
                    werkt ook door in de toezichtbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op
                    rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt. De
                    Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten opzichte
                    van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit ook het
                    geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen ambtenaar
                    zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden voor de
                    gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden, het
                    bewijsrecht e.d. Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve
                    arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het
                    echter mogelijk om toezichthouders die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om
                    hun toezichthoudende taken te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                    zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen
                    gemeenten dus toezichthouders inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als
                    onbezoldigd ambtenaar. De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. Zie
                    hiervoor:
                    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar.Zie
                    over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR: (Lbr.07/17,
                    CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al>Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt
                    gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term
                    bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de
                    jurisprudentie. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen
                    gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in
                    artikel 1 van de Woningwet.</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al>Algemeen Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking
                    van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van
                    de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.
                    Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. De
                    bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor
                    gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een
                    afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden.
                    Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting.
                    Alternatief 1 Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan
                    niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                    waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. Alternatief 2 Dit
                    alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet binnenstedelijke
                    - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin geen gebied is
                    vrijgesteld van welstandstoezicht. Alternatief 3 Dit alternatief is bedoeld voor
                    gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die
                    geschikt is voor hoogbouw, maar wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde
                    categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een
                    havengebied of een terrein voor zware industrie. Indien de raad op grond van
                    artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of
                    een categorie bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                    daartoe strekkende besluit niet dan nadat op het voornemen inspraak is verleend
                    en het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld
                    in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150
                    Gemeentewet vastgestelde verordening. Alternatief 4 Dit alternatief is bedoeld
                    voor gemeenten waarin een - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld
                    die geschikt is voor hoogbouw, en ook een gebied dat - geheel of voor bepaalde
                    categorieën bouwwerken - is vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een
                    havengebied of een terrein voor zware industrie (zie ook de toelichting bij
                    alternatief 3).</al><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Algemeen</al><al>Regeling omgevingsrecht De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van
                    de Regeling omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit
                    indieningvereisten aanvraag bouwvergunning. De indiening van de in art. 7.2 Mor
                    en andere voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens kan het
                    bevoegd gezag verlangen op grond van art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht (Bor).</al><al>Wet BIBOB De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur
                    (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180
                    zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd,
                    laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of
                    over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit
                    bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                    te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt
                    gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de
                    omgevingsvergunning te weigeren. Het vragen van een advies door het bevoegd
                    gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd,
                    schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen met maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken);
                    artikelen. 15 en 31 Wet Bibob).</al><al>Algemene wet bestuursrecht De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene
                    regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de
                    rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb
                    is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure.
                    Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                    openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al>Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro)
                    in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De
                    Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen
                    De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan. De gegevens die de gemeente inwint op
                    grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een
                    persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene
                    die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten
                    onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter
                    inzage.</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van
                    de omgevingsvergunning en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor
                    het bouwen (art. 2.1 Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en
                    ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen
                    zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en
                    de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al>Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te
                    bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat
                    het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige
                    toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt
                    beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de
                    voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde
                    toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele
                    proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide
                    toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. Lid 1 Uit de systematiek van
                    NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een
                    vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek
                    genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een
                    eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                    historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het
                    bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de
                    verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich
                    specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens
                    NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN
                    5707, uitgave 2003 ontwikkeld. Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke
                    instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het
                    bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne
                    organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke
                    beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden
                    aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan
                    plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een
                    intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau
                    waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed. Lid 3 In plaats van
                    de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het
                    afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen
                    beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te
                    regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te vragen wordt geboden
                    door artikel 4.4, lid 2 Bor. Lid 4 Bouwwerken met een beperkte
                    instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer
                    divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen
                    kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport.
                    De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Lid 5 De strekking van dit lid is
                    het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing
                    wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een
                    bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat
                    het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de
                    aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit
                    onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.</al><al>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al>Algemeen In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. De
                    indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. De structuur is als volgt: Bij de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de
                    bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling
                    omgevingsrecht. Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en
                    bescheiden waarover het bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te
                    worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in
                    de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als
                    archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de
                    Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel
                    gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en
                    bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het
                    bezit van het bevoegd gezag zijn. Indien blijkt dat de ingediende bescheiden
                    (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan
                    worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                    wordt de aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de
                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aard van
                    het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde
                    bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden
                    alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens
                    wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en
                    bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht. De
                    gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in deze
                    benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn immers
                    sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van de wet.
                    Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het milieu geen
                    motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met betrekking tot het
                    tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet
                    bodembescherming waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de
                    bodem voor mens, plant en dier centraal staat. Met de inwerkingtreding van de
                    Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze wet verenigt in een
                    overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en sloopeisen. Zie artikel
                    6.2, sub c van de Wabo.</al><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen De inhoud van dit artikel zal
                    met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit
                    worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip ‘waarin voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd. Het
                    doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat. Wat verstaan moet worden onder
                    'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven'
                    wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet
                    inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809,
                    nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende
                    enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te
                    geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur
                    van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                    of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                    dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen
                    voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land-
                    en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals
                    elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden
                    in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet
                    voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in
                    deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten
                    van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden,
                    maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                    verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                    1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder
                    opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                    logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven
                    van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een
                    woning.</al><al>Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen
                    en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van
                    toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen,
                    werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld.
                    Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter
                    onverminderd bodemonderzoek worden geëist.</al><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging
                    Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Gedeputeerde
                    staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn
                    aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond zijn. Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming
                    (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing
                    van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende
                    lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en
                    dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten
                    bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit. Met de invoering van de Waterwet
                    is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de
                    Waterwet.</al><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch uit een bodemonderzoek
                    noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op
                    de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                    verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                    verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de
                    gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal
                    volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde
                    voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2
                    van MBV. Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreinigingsgraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige
                    gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden
                    tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van
                    de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het
                    terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip.
                    Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: - de voorwaarde, dat onder het
                    bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; - de voorwaarde,
                    dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het
                    aanbrengen van een schone bodemlaag; - de voorwaarde, dat een pompinstallatie
                    ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren
                    na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden. Er wordt op
                    gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van
                    de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang
                    van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                    omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem
                    tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook
                    bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging
                    kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen</al><al>Algemeen Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                    vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf
                    aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.
                    Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet). Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                    bestemmingsplan Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit
                    betekent dat deze paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen
                    bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                    niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan
                    worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                    eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                    gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan
                    exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel
                    enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. Alvorens in een concreet geval tot
                    aanvullende werking van de bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een
                    drieledige toets te worden uitgevoerd: a. bevat het bestemmingsplan
                    voorschriften met betrekking tot een onderwerp dat tevens in de bouwverordening
                    wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag
                    te worden gesteld of, b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de
                    bouwverordening ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                    gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag
                    ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of, c. de voorschriften van de
                    bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het
                    bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking van de bouwverordening tot
                    gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel
                    of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                    werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid van de
                    Woningwet te worden afgewezen.</al><al>Wet ruimtelijke ordening De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor
                    paragraaf 2.5. van de bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk
                    2 onder Wro is hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel2.5.30
                    (parkeren) wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4,
                    vijfde lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt,
                    blijven dit artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling Deze bepaling dient om te voorkomen dat,
                    indien in de bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald
                    gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het
                    beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis
                    wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te
                    hebben.</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn Het bepaalde onder b kan
                    desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. Ook kan
                    per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in gebieden van de gemeente
                    waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30
                    meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om het
                    onder b bepaalde als volgt te redigeren: b langs een wegbreedte waarlangs geen
                    bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: -
                    bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand van de
                    halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg; - bij een wegbreedte die minder
                    dan 30 meter, maar ten minste 10 meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit
                    de as van de weg; - bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                    10 meter uit de as van de weg.</al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                    Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn Door de
                    verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende mate
                    samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig. Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage
                    die bij deze Toelichting behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het
                    algemeen als veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage
                    II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd: - 1. uittreksels die
                    lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de
                    voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij voorbeeld
                    gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                    uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren; - 2. uitsteeksels die hoger
                    aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn
                    met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals
                    kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                    uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor
                    onder 1 en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen
                    daartegen repressief op te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen
                    regeling op het gebied van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen,
                    maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht
                    zijn verklaard, dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7
                    aan te vullen met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de
                    voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'.</al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld
                    in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het
                    geval, dat er geen bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en
                    geen van de omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is. Lid 1,
                    ad b Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage
                    II van het Besluit omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van
                    het Besluit omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                    sluiten. Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken Lid 4, onder a Bij deze afwijking van het
                    bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld complexen van bij elkaar
                    behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen. Lid 4,
                    onder f Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d. Lid 4, onder g Deze afwijking van het bouwverbod is in
                    het algemeen van toepassing voor gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn Zie de figuren 3 t/m 12, in de
                    bij deze Toelichting behorende bijlage. Lid 1, onder a Deze bepaling kan voor
                    langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot achtergevelrooilijnen in het smalle
                    deel van het bouwblok leiden die elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen
                    bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig
                    beperkt.</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                    Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen. Het
                    geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden als
                    een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn. Indien gebouwd wordt
                    aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege beschermd stads- of
                    dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij wijze van
                    uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van het Bor.
                    Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn Artikel
                    2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De redenering
                    is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een
                    bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II van het
                    Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.
                    Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn Naast de afwijkingsmogelijkheden in
                    het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot
                    afwijking in zeer speciale gevallen. Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2,
                    Bijlage II van het Bor. De vermelding hiervan is vooral van belang om het
                    misverstand dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die
                    vergunningvrij zijn, uit te sluiten. Wanneer ingevolge de bepalingen van dit
                    artikel wordt afgeweken van het verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden,
                    dient artikel 2.5.2 in acht te worden genomen, mede in het belang van
                    omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de
                    brandweer bereikbaar moet blijven. Ad a en g Voor deze bedrijven kan tot op
                    zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op bedrijfstechnische gronden
                    gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde bouwstrook (of bouwblok), geheel
                    of overwegend handels- of industrieterrein omvattend, wordt niet beoogd een
                    bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing.</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen Het erf, bedoeld in dit
                    voorschrift, mag niet worden verward met de 'buitenruimte' in de zin van het
                    Bouwbesluit. Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het
                    ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek,
                    want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                    voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk
                    ramen mogen worden aangebracht. Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen
                    aanbrengen is tevens het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b.
                    Het (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor
                    immers een beletsel. Lid 3 b, onder 1 Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer
                    bedoeld voor patiowoningen. Lid 3 b, onder 2 Indien één van de in dit lid
                    genoemde situaties zich voordoet en er dus open ruimte achter een gebouw is, zij
                    het dat deze niet bij het gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende
                    'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven
                    erfgrootte. Lid 3 b, onder 3 Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van
                    een verbetering van de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot
                    geringere oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar
                    zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw
                    waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen
                    zal een verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten
                    worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken
                    aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de
                    bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen Naleving van het onderhavige voorschrift
                    houdt tevens in het voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk
                    Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter
                    voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk
                    ramen mogen worden aangebracht. Lid 2, onder a en b Wanneer wordt afgeweken van
                    het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer rekening worden gehouden met de
                    ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid
                    te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een
                    bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld
                    naast bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                    zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste
                    lid, dan in het andere geval.</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan
                    van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende
                    terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen
                    geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te
                    plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren.
                    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                    bepaalde in het eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor
                    onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening
                    in de zijgevel van het gebouw.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen Artikel 5:48 van het Burgerlijk
                    Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen.
                    Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in de gemeentelijke
                    voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal
                    slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een
                    vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien
                    de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht
                    worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de
                    vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften
                    van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening.
                    Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd
                    artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld
                    in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                    een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                    behorend bij een gebouw, is.</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen Het eerste lid strekt tot bescherming van het
                    vergunningplichtige bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers
                    daarvan. Het tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                    hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                    olie, chemische producten e.d. Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te
                    kunnen bepalen in hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het
                    artikel geredigeerd als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken.
                    Redenen om af te wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de
                    veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen
                    in de goede werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de
                    aanwezigheid van het bouwwerk. Indien het onderhavige artikel moet worden
                    toegepast, verdient het aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                    hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. Langs privaatrechtelijke weg
                    heeft menige eigenaar / beheerder een recht van opstal gevestigd, als bedoeld in
                    artikel 5, lid 3, sub b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft
                    dit een gebied van 2 x 30 meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag
                    worden gebouwd, met uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.
                    Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis. In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                    vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al>Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid
                    buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid
                    buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt
                    onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond
                    buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het
                    Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan voor op de
                    gemeentelijke bouwverordening. Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad
                    er zorg voor draagt dat binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van
                    het Bevb een bestemmingsplan in overeenstemming is met dit besluit. Wanneer de
                    betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn opgenomen, vervalt
                    de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de bouwverordening. Voor niet
                    in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft deze bepaling uiteraard
                    onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de
                    algemene toelichting bij paragraaf 5. Zie voor meer informatie over het Bevb,
                    Revb en Bevi:
                    www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn Alternatief 1 Dit en de
                    volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften voor de
                    maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot tegenoverliggende
                    bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het stelsel alleen voor
                    vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. Het stelsel is niet alleen gericht op
                    stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor
                    licht en lucht. Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name
                    de daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                    maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het
                    voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van eventuele
                    raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken voor de
                    daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                    ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de
                    bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                    (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                    deze Toelichting behorende bijlage. Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de
                    plaatsen, waar bij voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen
                    langs de weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg
                    liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben.
                    Langs een smalle gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een
                    plaatselijke onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij
                    de uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16). Alternatief 2 Dit
                    en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld. Het stelsel is
                    niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op voldoende
                    toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter
                    boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                    belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat
                    de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich
                    grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                    belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de
                    hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                    de tegenoverliggende bebouwing.) Met het oog op de in het algemeen wenselijke
                    stedenbouwkundige ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden
                    voor enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                    anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12,
                    13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende bijlage. Ten behoeve van een -
                    soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                    bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale bestemmingsplannen
                    zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                    kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                    grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige
                    delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn Zie ook de
                    toelichting op artikel 2.5.20. Alternatief 1 Lid 2 De wijze van vaststelling van
                    de bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok,
                    waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader
                    toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen
                    afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen
                    gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                    bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de
                    andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende
                    tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18). Lid 4 Bij achterterreinen
                    die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op
                    straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door
                    de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze
                    niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                    bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in
                    artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet
                    worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige
                    vierde lid opgenomen. Alternatief 2 Lid 2 De wijze van vaststelling van de
                    bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn in een bouwblok,
                    waarin de achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader
                    toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te brengen
                    afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee
                    wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                    bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de
                    andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de ontbrekende
                    tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18). Lid 4 Bij achterterreinen
                    die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins - niet op
                    straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale vlak door
                    de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze
                    niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                    bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het bepaalde in
                    artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte van het straatpeil moet
                    worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde bezwaar is het onderhavige
                    vierde lid opgenomen.</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn Zie
                    figuur 19. Lid 2 Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel
                    tegenover een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die
                    zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
                    Alternatief 1 Lid 2 De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22. Alternatief 2 Lid
                    2 De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken Alternatief 1 De
                    maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag. Alternatief 2 De
                    maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van 60
                    graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                    genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21. Bovendien komt de maximumbouwhoogte
                    van 26 meter - bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte -
                    overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens
                    bij een in de woningbouw gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5
                    bouwlaag. Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                    rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                    bouwwerken bij wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van
                    artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen Het
                    onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op binnenterreinen
                    van gesloten bouwblokken. Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine
                    vlakken die elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide
                    naar beneden lopen tot hun goot.</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken Zie artikel 1.1 voor
                    de definitie van 'straatpeil'.</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte Ad a De
                    strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn. Ad b Deze niet-vantoepassingverklaring geldt
                    uiteraard, mits de te vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd.
                    Dit zou namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting
                    van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing,
                    tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte De vermelding van artikel 3,
                    onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.
                    Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. Ad e, onder 1
                    Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met
                    de overige stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met
                    de relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake
                    afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het
                    bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan
                    vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking
                    wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo
                    eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de
                    verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die
                    uit een bestemmingsplan. Sub a. Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld
                    dat deze bepaling alleen van toepassing is indien er geen bestemmingsplan,
                    beheersverordening of projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd
                    kan zijn met een bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere
                    procedure van 3.9 Wabo van toepassing is. Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art.
                    3.3 Wabo De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen
                    worden aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is.
                    Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren,
                    maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is
                    gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke
                    situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.
                    Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant? Voor een afwijking
                    als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de eis van een
                    voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het onderhavige
                    geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig planologisch beleid.
                    Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken
                    van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in
                    voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. 'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk
                    beleid' is een mogelijkheid om de afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld
                    aan een structuurplan, structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een
                    nota dakkapellen, bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. Zoals uit het
                    gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties zoals vermeld in
                    art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd ontwerpbestemmingsplan.
                    Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan
                    daarom geen basis vormen. Sub d. De activiteit mag niet in strijd zijn met een
                    goede ruimtelijke ordening. Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit
                    wordt gebruikt en de betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat
                    begrip wordt rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en
                    natuurlijke en landschappelijke waarden. Voor wat betreft de milieuwaarden zijn
                    de afstanden ten opzichte van hinderveroorzakende activiteiten dan van groot
                    belang. De relevante afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                    milieuzonering'. Sub e. In het kader van een goede motivering wordt hier
                    gevraagd om een goede ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de
                    terminologie uit de Wabo.</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het
                    onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                    uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat
                    artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt. In verband met wetstechnische
                    problemen is besloten dit deel van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking te doen treden. Een nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald.
                    Dit betekent dat onder meer het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft
                    bestaan, ook indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het parkeren.
                    Alternatief 1 Lid 1 Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die
                    delen van de bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best
                    ontsloten locatie(s). Lid 2 Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde
                    ingroeimodel. Hieronder wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in
                    te spelen op toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar
                    vervoer, namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de
                    bedoelde verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende
                    parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij het
                    betrokken gebouw. Lid 3 Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van
                    het eerste lid - aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal
                    parkeerplaatsen op het terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand
                    dient te zijn, maar ook - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in
                    algemene zin een niet te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te
                    zijn. De daarom ook in dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te
                    bepalen normstelling hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het lokale
                    verkeer- en vervoerplan. Voor kencijfers betreffende in het algemeen
                    aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het
                    soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen
                    voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25
                    juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de
                    Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en
                    Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of
                    www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald. Aan de hand van de hiervoor
                    genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen omgevingsvergunning voor
                    het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de toepassing van
                    het onderhavige lid is - op grond van praktisch-bouwkundige overwegingen - enige
                    flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het
                    aanbeveling om in een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld
                    een afwijking naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die
                    per openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.
                    Lid 4 Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                    voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte
                    naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald
                    aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou
                    immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                    afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste
                    type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                    werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende
                    afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp
                    geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor
                    het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                    afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                    rolstoelgebruikers en stoklopers. Lid 5 De onderhavige bepaling kan ertoe leiden
                    dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien van een zgn. expeditiehof,
                    respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op
                    het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's). Lid 6
                    Ad a De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de
                    eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op
                    eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het geval
                    dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage aanwezig
                    is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de
                    eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                    terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden. In
                    dat geval kan eventueel onder financiële voorwaarden vergunning worden verleend.
                    Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden. Aan een
                    daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold voor onder
                    meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld in art. 2.5.30
                    MBV. Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de
                    ontheffingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de
                    omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie
                    onder de oude wetgeving betreft kort samengevat: 1. Een richtinggevende
                    uitspraak waarbij het vragen van geld voor een parkeerfonds aan de orde was
                    geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus 1998 Parkeergelegenheid Schagen
                    Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein in de
                    parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden verbonden.
                    Art. 2.5.30 Bouwverordening: De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het
                    algemeen moet worden aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de
                    mogelijkheid heeft om door middel van het verbinden van een financiële
                    voorwaarde aan een vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een
                    compensatie te verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden,
                    aldus dat door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt
                    geleverd aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of
                    vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of vrijstelling
                    in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt. Bovendien moet
                    blijken dat niet een andere uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare
                    mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. In
                    dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van 30 augustus 1985, BR 1985, p.
                    911. Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een
                    financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op grond
                    van art. 2.5.30 MBV. Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De
                    financiële voorwaarde is toegestaan onder enkele voorwaarden: de voorwaarde
                    dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de doelstelling van de
                    wettelijke bepaling waarop de vergunning berust; de vergunning moet in het
                    algemeen belang nopen tot het opleggen van een geldbedrag; de stellige noodzaak
                    om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook hieruit blijken dat niet een
                    andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig
                    is om een tegemoetkoming of compensatie te verlangen. Een noodzaak om in het
                    algemeen belang een bedrag te vragen voor het realiseren van voldoende
                    parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel aanwezig, de parkeerproblematiek is
                    zo groot dat zonder het treffen van voorzieningen de omgeving overlast /
                    parkeerhinder zal ondervinden. 2. In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009,
                    LJN BH1125, te vinden op www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij
                    de ontheffing van de parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en
                    de te realiseren voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak: ‘dient voldoende
                    aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is
                    voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende
                    parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter zitting van de Afdeling
                    heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied is bedoeld een gebied in een
                    straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee staat niet vast dat de door
                    [vergunninghoudster] betaalde bijdrage daadwerkelijk zal worden aangewend om te
                    voorzien in het tekort aan parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking
                    heeft. Dat de rechtbank heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is
                    voor het parkeren van bezoekers, kan niet afdoen aan haar oordeel dat ten
                    aanzien van de vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële
                    bijdrage zal worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De
                    rechtbank is terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht
                    overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en
                    onder a, van de bouwverordening is verleend. ‘ontheffing krachtens artikel
                    2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening voor de vijf
                    parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is voldaan aan het in die bepaling
                    gestelde vereiste dat verlening van ontheffing slechts mogelijk is indien op
                    andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Het college heeft zich
                    in het besluit van …. ten aanzien van twee van de vijf parkeerplaatsen op het
                    standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage concreet zal worden aangewend voor de
                    uitvoering van het herinrichtingsplan van de openbare ruimte aan de Wellezijde
                    en dat die parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op of nabij de
                    aanvankelijk geplande inritten voor de vervallen inpandige parkeervoorzieningen.
                    Het college heeft aldus ten aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende
                    aannemelijk gemaakt dat de financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is
                    voldaan ter verkrijging van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde
                    lid, aanhef onder a, aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende
                    parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in
                    het slot van voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste. Het college heeft ten
                    aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen inzicht verschaft in de
                    wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het betoog van [wederpartijen] in
                    zoverre slaagt.' Ad b De mogelijkheid tot het verlenen van een
                    omgevingsvergunning door gebruik van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder
                    het tweede aandachtsstreepje van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels,
                    schouwburgen, de loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en bibliotheken.
                    Niet hoeft te worden afgeweken, indien in de nabijheid voldoende
                    parkeergelegenheid is op de openbare weg, op een blijvend openbaar
                    parkeerterrein of in een blijvend openbare parkeergarage. Alternatief 2 Lid 1
                    Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan. Voor kencijfers betreffende in het algemeen
                    aanbevelenswaardige minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het
                    soort voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen
                    voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                    verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                    Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel.
                    0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm
                    alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald. Aan
                    de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden bepaald.
                    Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn. Lid 2 Dit lid geeft
                    maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften niet kunnen
                    worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1. De
                    verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. Lid 3 De
                    onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt voorzien
                    van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van een
                    laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's). Lid 4, ad a De mogelijkheid tot het verlenen
                    van een omgevingsvergunning in afwijking van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden
                    worden gesteld.</al><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 7.3.1
                    Bepaling aantal personen nachtverblijf Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft
                    de raad de mogelijkheid om van het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a,
                    genoemde aantal personen af te wijken. De raad kan indien afwijking van dit
                    artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in
                    de bouwverordening vaststellen.</al><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</al><al>Algemeen In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke
                    artikelen met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van
                    artikel 8, zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften
                    over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. De
                    werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven. Het is noodzakelijk om een huishoudelijk
                    reglement toegesneden op de lokale situatie of een reglement van orde voor de
                    lokale welstandscommissie vast te stellen als bijlage bij deze verordening.
                    Juridisch gezien behoeft een dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf
                    te worden opgenomen, maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als
                    de gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Welstandscriteria en welstandsnota Alleen als in een welstandsnota aan de hand
                    van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand
                    kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van
                    welstand en kan de welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken
                    waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan
                    minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                    burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in
                    strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op
                    te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen.
                    Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht mogelijk. De
                    welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de nota
                    opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist. De welstandsnota is derhalve
                    een dynamisch document. Steeds als er nieuwe gebieden worden ontwikkeld, vormen
                    de beleidsregels voor het betreffende gebied een toevoeging aan de nota, mits
                    telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt gevolgd. Indien het bevoegd
                    gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten toepassing laat als
                    bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per
                    concreet geval deugdelijk door het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al>Relatie bestemmingsplan en welstand De jurisprudentie op basis van de Woningwet
                    gaat uit van de voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de
                    welstandstoets zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                    bestemmingsplan biedt. Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen
                    artikel 44 van de Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor
                    bouwaanvragen. De voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks
                    van toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                    die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart
                    1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). In lijn met
                    artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de welstandseisen
                    geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat
                    ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening boven de
                    welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is
                    bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening
                    aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming
                    is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden
                    aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen
                    die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden
                    die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                    m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                    naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming
                    te realiseren. Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde
                    lid Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                    bestemmingsplan en welstand.</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist. De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een
                    welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de
                    bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester. De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met
                    lokale dan wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor
                    kiezen om voor de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                    welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling
                    of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van
                    een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2. Alternatief In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering
                    gebruikgemaakt van de diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de
                    rechtspersoon kan hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of
                    stichting. Deze vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                    welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt uit
                    haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden benoemd.
                    De welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.
                    Alternatief 2 In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie,
                    die adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Onafhankelijkheid Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend
                    'deskundigen' zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door
                    ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie.
                    Van deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen,
                    actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie. Er zijn meerder
                    alternatieven denkbaar. Alternatief 1 De welstandscommissie bestaat slechts uit
                    deskundige leden. De secretaris is geen lid van de welstandscommissie.
                    Alternatief 2 In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook
                    'geïnteresseerde burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen
                    aan een provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief
                    denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                    inwoners deelnemen. De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                    welstandscommissie. Alternatief 3 De welstandscommissie bestaat slechts uit
                    deskundige leden. Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie.
                    Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit
                    veelal de rayonarchitect. Alternatief 4 In de welstandscommissie hebben, naast
                    deskundigen, ook 'geïnteresseerde burgers' zitting. Indien de
                    welstandsadvisering is opgedragen aan een provinciale welstandsorganisatie is
                    het denkbaar, maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente
                    gebonden inwoners deelnemen. Een lid van de commissie is penvoerder van de
                    commissie. Indien een provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als
                    commissie, is dit veelal de rayonarchitect. Alternatief 5 In plaats van een
                    welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om een stadsbouwmeester te
                    benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de MBV.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Jaarverslag welstandscommissie Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te
                    signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft
                    kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter
                    verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde
                    beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort
                    uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. Het jaarverslag kan voor de
                    gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk
                    welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota. Om die reden
                    is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de
                    beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de
                    gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het
                    'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders Teneinde de politieke
                    verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te
                    verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten,
                    is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge artikel 12c van de Woningwet de
                    verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het
                    welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten
                    minste aan de orde dienen te komen: op welke wijze burgemeester en wethouders
                    zijn omgegaan met de welstandsadviezen; op welke wijze uitwerking is gegeven aan
                    de openbaarheid van vergaderen; in welke gevallen burgemeester en wethouders een
                    besluit hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                    last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van
                    welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot
                    uitvoering daarvan zijn overgegaan. Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken
                    van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Samen
                    met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk
                    welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd. In de
                    Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en wethouders
                    opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. NB nu
                    Wabo?</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering De termijnen voor de behandeling van
                    bouwplannen ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor het bouwen staan in
                    de Wabo. Deze termijnen zijn beduidend korter dan voorheen in de Woningwet.
                    Hierdoor ontstaat voor de welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel
                    is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een
                    verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo
                    de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van
                    beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele voorprocedure blijft
                    mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst van verzoek om
                    vergunning. Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten
                    aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het
                    raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                    beslistermijn.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>Openbaar vergaderen Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het
                    openbaar bestuur, dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in
                    artikel 12b van de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie
                    worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                    belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                    bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                    aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren. Het verdient aanbeveling
                    om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering bekend te maken, maar ook
                    de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde aanvragen voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en
                    daarvan melding te maken in de bekendmaking. De openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de vermaatschappelijking van het
                    welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van betekenis de algemene wens
                    voor het transparanter maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke
                    kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen
                    aan het begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de
                    burger/bouwer.</al><al>Belanghebbenden Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen
                    dient een onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                    aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. Uit
                    artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
                    Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al>Spreekrecht Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering
                    spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring
                    van spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                    1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering
                    van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. De keuze voor
                    spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de
                    welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden
                    gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering
                    voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter
                    zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers
                    geen sprake is. De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                    vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet
                    verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een
                    schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de
                    commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van
                    vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het
                    vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure
                    vooroverleg stimulering verdient.</al><al>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid welstandscommissie
                    Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt (art 9.7
                    MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende
                    omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet
                    vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van
                    bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan
                    slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan
                    en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                    welstandadvies. De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid
                    afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan
                    de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.
                    Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                    verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken Negatief
                    adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten. Voordat de Wabo in werking
                    trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag welstandsadvies van het
                    college aan de welstandscommissie. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de
                    reguliere bouwvergunning en de lichte bouwvergunning. In het eerste geval was
                    het vragen van welstandsadvies verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een
                    aanvraag voor een lichte bouwvergunning kunnen zij voor advies aan de
                    welstandscommissie (..) voorleggen). Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij
                    en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn.
                    loket- of sneltoetscriteria vast te stellen. De combinatie van deze
                    mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de beoordeling van aanvragen
                    voor een licht- bouwvergunningspichtig bouwwerk over te laten aan een niet tot
                    de welstandscommissie behorende ambtenaar. Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor
                    in werking getreden. Dit heeft gevolgen gehad voor deze werkwijze. De
                    welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie
                    die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of
                    het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag
                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand
                    (art. 1, onder n. Woningwet). Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet
                    de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden
                    geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de
                    aanvraag betrekking heeft om strijd is met de redelijke eisen van welstand,
                    beoordeeld naar de criteria zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art.
                    12a, eerste lid, onder a van de Woningwet. Het college van burgemeester en
                    wethouders is verplicht om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen ter advisering voor te leggen aan de welstandscommissie of de
                    stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met art. 6.2 Bor). Dit hoeft
                    niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van
                    welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12, lid 2 Woningwet
                    heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn) of bij
                    voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere grond moet
                    worden geweigerd. Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet
                    en het Bblb komen te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk
                    omgevingsvergunningplichtig of vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet
                    meer. Dit betekent dat iedere aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig
                    bouwwerk door het college ter advisering aan de welstandscommissie moet worden
                    voorgelegd. Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan
                    mandateren om te toetsen aan zgn. loketcriteria. De (model-)bouwverordening
                    biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de welstandscommissie om de advisering
                    over een aanvraag om welstandsadvies onder verantwoordelijkheid van de commissie
                    over te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie.
                    Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over
                    bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend
                    mag worden verondersteld.</al><al>Geen mandatering Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van
                    de Awb. Art. 10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam
                    van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie neemt geen
                    besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert het college. Samengevat: Sinds
                    de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als: - voor het
                    betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of, - het daartoe aangewezen
                    lid van de welstandscommissie aanwezig is, en - het oordeel van de
                    welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend mag worden
                    verondersteld.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>Lid 1 Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                    uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste
                    lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat
                    bij positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel 1.3
                    van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als
                    bedoeld in dit artikel.</al><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al>Hoofdstuk 11 Handhaving</al><al>Algemeen Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota. Tenzij sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een
                    belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een
                    voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                    zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de
                    toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig
                    artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een
                    handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang
                    met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en
                    daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen). Op grond van
                    artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om met toepassing
                    van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een last onder
                    dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden
                    door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat
                    zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op
                    zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te
                    passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met bestuursdwang optreden
                    tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen
                    dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en
                    wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan
                    onder meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG
                    020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Algemeen Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is
                    gesteld steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van
                    de Wet op de economische delicten.</al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Alphen-Chaam/i261944.pdf">Bouwverordening A-C 2015 Definitieve versie 1</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Alphen-Chaam/i261945.pdf">Bouwverordening A-C 2015 Definitieve versie 2</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Alphen-Chaam/i261946.pdf">Bouwverordening A-C 2015 Definitieve versie 3</extref></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>