<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36612_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de behandeling bezwaar- en beroepschriften Bloemendaal 2003</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Bloemendaals Weekblad 15-5-03</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de behandeling bezwaar- en beroepschriften Bloemendaal 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/volledig/#Hoofdstuk6">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2003-06-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006007447</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de behandeling bezwaar- en beroepschriften Bloemendaal 2003</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gemeente</al><al>Bloemendaal</al><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Bloemendaal, </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10
                        april 2003;</al><al>gezien het advies van de raadscommissie Middelen van 8 april 2003;</al><al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de
                        Gemeentewet;</al><al>BESLUITEN:</al><al>vast te stellen de:</al><al>VERORDENING BEHANDELING BEZWAAR- EN BEROEPSCHRIFTEN BLOEMENDAAL 2003</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk bestuursorgaan: de raad, het college of de burgemeester
                                van de gemeente Bloemendaal;</al></li><li nr="b."><al>verwerend orgaan: het gemeentelijk bestuursorgaan, dat bevoegd is te
                                besluiten op een bezwaar- of beroepschrift;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al>bezwaar- of beroepschrift: het overeenkomstig het bepaalde in
                                hoofdstuk 6 van de wet maken van bezwaar dan wel het instellen van
                                administratief beroep als bedoeld in artikel 1:5 van de wet;</al></li><li nr="e."><al>de commissie: de overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:13 van de
                                wet ingestelde commissie van advies voor bezwaar- en
                                beroepschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is één commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften
                            tegen besluiten van gemeentelijke bestuursorganen met uitzondering van
                            die ingediend op grond van een wettelijk voorschrift inzake:</al><lijst><li nr="a."><al>belastingen en rechten;</al></li><li nr="b."><al>ambtenaren; en</al></li><li nr="c."><al>de waardering van onroerende zaken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De behandeling van bezwaar- en beroepschriften geschiedt overeenkomstig
                            het bepaalde in artikel 7:13 van de wet en het in deze verordening
                            bepaalde. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit ten minste zes leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie benoemt uit haar midden één voorzitter en één
                            plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij ontstentenis van de voorzitter is het met betrekking tot hem in deze
                            verordening bepaalde van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris commissie</titel></kop><al>1 De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                        ambtenaar.</al><al>2 Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                        aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Benoeming leden commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad benoemt, schorst en ontslaat de leden van de commissie op
                            voorstel van het college en kan hen twee maal herbenoemen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn
                            onder verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente
                            Bloemendaal. Op het moment, dat een lid onderdeel gaat uitmaken van of
                            begint met het verrichten van werkzaamheden onder verantwoordelijkheid
                            van een bestuursorgaan van de gemeente Bloemendaal eindigt zijn
                            lidmaatschap van de commissie. Het bepaalde in het vijfde lid van dit
                            artikel is in dat geval van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De zittingsduur van de leden van de commissie bedraagt vier jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De (her)benoeming geschiedt met ingang van 1 april van ieder even jaar
                            met dien verstande dat de raad in ieder even jaar drie leden van de
                            commissie benoemt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval een lid eerder aftreedt dan op het moment, waarop zijn
                            zittingsduur eindigt, benoemt de raad voor het restant van deze
                            zittingsduur een nieuw lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De afgetreden leden van de commissie blijven hun functie vervullen
                            totdat in hun opvolging is voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ontvangst bezwaar- of beroepschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het bezwaar- of beroepschrift tekent het gemeentelijk bestuursorgaan
                            aan wie het is gericht de datum van ontvangst aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verwerend orgaan stelt het bezwaar- of beroepschrift met de daarbij
                            overgelegde stukken zo spoedig mogelijk in handen van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Behandeling bezwaar- of beroepschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie kan besluiten bezwaar- en beroepschriften te behandelen in
                            beperkte samenstelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie beperkt haar samenstelling ingeval zij van de in het eerste
                            lid gegeven bevoegdheid gebruik maakt niet verder dan tot drie leden,
                            waaronder de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in deze verordening bepaalde over de commissie is van
                            overeenkomstige toepassing op een commissie in beperkte
                            samenstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaar- of beroepschrift indien daarbij hun
                        onpartijdigheid in het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al>De voorzitter is bevoegd te beslissen over:</al><lijst><li nr="a."><al>het al dan niet verlangen van een schriftelijke machtiging op grond
                                van artikel 2:1, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>het stellen van een termijn, waarbinnen een verzuim om te voldoen
                                aan vereisten voor het in behandeling nemen van een bezwaar- en/of
                                beroepschrift kan worden hersteld, als bedoeld in artikel 6:6 van de
                                wet;</al></li><li nr="c."><al>het verzenden van stukken aan een gemachtigde in het kader van de
                                behandeling door de commissie als bedoel in artikel 6:17 van de
                                wet;</al></li><li nr="d."><al>het indienen van nadere stukken en het ter inzage leggen van stukken
                                als bedoeld in artikel 7:4 en 7:18 van de wet;</al></li><li nr="e."><al>het afzonderlijk horen van belanghebbenden als bedoeld in artikel
                                7:6 en 7:20 van de wet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                            vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Organiseren hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                            hoorzitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                            gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen. De
                            secretaris nodigt vervolgens de belanghebbenden en het verwerend orgaan
                            ten minste twee weken voor de hoorzitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over het afzien van het horen van een
                            belanghebbende op grond van artikel 7:3 en 7:17 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van
                            het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan. Deze mededeling kan ook opgenomen worden in het uit te
                            brengen advies als bedoeld in artikel 17 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum hoorzitting</titel></kop><al>Voor het houden van een hoorzitting is vereist dat tenminste de voorzitter
                        en één lid aanwezig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoorzitting van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie
                            of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een
                            belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                            zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                            zitting plaats met gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van
                            de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter hoorzitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de hoorzitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                            plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden
                            niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                            melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de hoorzitting overgelegde bescheiden,
                            die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
                            commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de hoorzitting maar voordat het advies wordt
                            opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter
                            uit eigen beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit
                            onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan
                            de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Afzien van het geven van advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter kan gedurende de behandeling besluiten af te zien van het
                            geven van advies indien aan het bezwaar volledig wordt tegemoet gekomen
                            en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van
                            het geven van advies, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden
                            en het verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen van advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het geval niet is afgezien van het geven van advies beraadslaagt en
                            beslist de commissie achter gesloten deuren over het door haar uit te
                            brengen advies over het bezwaar- of beroepschrift.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het uitbrengen van advies is vereist dat ten minste drie leden,
                            waaronder de voorzitter, van de commissie - in beperkte of volledige
                            samenstelling - aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                            advies.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                            voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien
                            die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor het te nemen
                            besluit op het bezwaar- of beroepschrift.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekenen het
                            advies.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                            artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en
                            nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften 2001 vervalt met
                        ingang van de dag, waarop deze verordening in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken van
                        een termijn van zes weken na de datum van haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening op de behandeling van
                        bezwaar- en beroepschriften Bloemendaal 2003. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college en de burgemeester van de gemeente
                        Bloemendaal in hun vergadering van 4 maart 2003,</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Bloemendaal,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>w.g. L.A. Snoeck-Schuller , burgemeester.</ondertekening><ondertekening>w.g A.Ph. van der Wees , secretaris.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>door de burgemeester van Bloemendaal op 4 maart 2003,</ondertekening><ondertekening>w.g. L.A. Snoeck-Schuller</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>alsmede door de raad der gemeente Bloemendaal in de openbare vergadering van
                        24 april 2003,</ondertekening><ondertekening> w.g. L.A. Snoeck-Schuller ,voorzitter </ondertekening><ondertekening> w.g. C.T.E.M. Maasdijk , griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING VERORDENING BEHANDELING BEZWAAR- EN BEROEPSCHRIFTEN
                    BLOEMENDAAL 2003</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften gemeente Bloemendaal 2003
                    bevat regels voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften. Het betreft
                    bezwaar- en beroepschriften, waarover de raad, het college en de burgemeester
                    moeten besluiten. Deze regels vullen de wettelijke voorschriften over de
                    behandeling van bezwaar- en beroepschriften aan. De Wet dualisering van het
                    gemeentebestuur maakte een nieuwe verordening voor de behandeling van bezwaar-
                    en beroepschriften noodzakelijk. </al><al>De Wet dualisering van het gemeentebestuur bracht een scheiding in
                    samenstelling, taken en bevoegdheden van de raad, het college en de
                    burgemeester. De raad heeft in het duale stelsel van gemeentebestuur een
                    taakstellende, controlerende en vertegenwoordigende functie. De raad stelt de
                    kaders vast, waarbinnen het college en de burgemeester hun bestuurstaken
                    uitoefenen. De raad heeft daarom verordenende bevoegdheid: het stellen van
                    regels voor de uitoefening van bestuursbevoegdheden. Het is dan ook de raad, die
                    de regels stelt voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften. </al><al>Voor het instellen van commissies gelden sinds de Wet dualisering van het
                    gemeentebestuur andere uitgangspunten. In het monistische stelsel was de raad
                    bevoegd commissies in te stellen, die zowel de raad, het college als de
                    burgemeester van advies dienen. Het dualistisch stelsel kent zoals gezegd een
                    scheiding in samenstelling, taken en bevoegdheden van deze drie bestuursorganen.
                    Deze scheiding komt ook tot uitdrukking in de samenstelling, taken en
                    bevoegdheden van commissies. Ieder gemeentelijk bestuursorgaan stelt zijn eigen
                    commissies in. In het ontwerp van Wet dualisering van het gemeentebestuur was
                    het nog uitgesloten, dat deze drie bestuursorganen één commissie van dezelfde
                    samenstelling, dezelfde werkwijze en dezelfde bevoegdheid kunnen instellen. De
                    regeling zou ingeval zij kracht van wet heeft tot gevolg hebben, dat de raad,
                    het college en de burgemeester ieder een eigen commissie voor de behandeling van
                    bezwaar- en beroepschriften moeten instellen. </al><al>De doelmatigheid van de behandeling van bezwaar- en beroepschriften komt
                    daardoor ernstig in het gedrang. Drie commissies kunnen een geheel eigen beleid
                    voeren met betrekking tot de behandeling en advisering over bezwaar- en
                    beroepschriften alsmede de verslaglegging daarvan. Verder komt het nogal eens
                    voor, dat bezwaar- en beroepschriften betrekking hebben op besluiten van meer
                    dan één gemeentelijk bestuursorgaan. In het ongunstigste geval zouden drie
                    commissies zich moeten buigen over één bezwaar- of beroepschrift. Bij de
                    totstandkoming van de Wet dualisering van het gemeentebestuur is van
                    verschillende zijden - waaronder de Vereniging van Nederlandse Gemeenten - op
                    dit praktische bezwaar gewezen. </al><al>Het wetsontwerp is daarom aangepast en de uiteindelijk vastgestelde wet voorziet
                    naast genoemde regeling in de mogelijkheid, dat gemeentelijke bestuursorganen
                    bij gezamenlijk besluit één commissie instellen, die de gemeentelijke
                    bestuursorganen gezamenlijk en ieder afzonderlijk van advies dienen. Gezien
                    genoemde praktische bezwaren bevat de verordening een regeling, waarbij één
                    commissie, die de bezwaar- en beroepschriften, waarop de raad, het college en/of
                    de burgemeester een besluit moeten nemen, behandelt en daarover adviseert. Het
                    instellen van deze commissie is een bevoegdheid van de raad, het college en de
                    burgemeester gezamenlijk. Het stellen van regels voor de behandeling en
                    advisering over bezwaar- en beroepschriften behoort tot de kaderstellende
                    bevoegdheid van de raad. Om die reden hebben de raad, het college en de
                    burgemeester ieder voor zover bevoegd deze verordening vastgesteld.</al><al>Verder bevat de verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften slechts twee
                    inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de ingetrokken verordening. Het
                    betreft de mogelijkheid van het behandelen van bezwaar- en beroepschriften in
                    een commissie van beperkte samenstelling en de mogelijkheid, dat de commissie
                    afziet van het geven van advies ingeval aan het bezwaar of beroepschrift
                    volledig tegemoet is gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun
                    belangen zijn geschaad. Tevens bevat deze verordening ten opzichte van de
                    ingetrokken verordening een aantal redactionele verbeteringen</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat omschrijvingen van begrippen, die in de verordening regelmatig
                    voorkomen en die niet op grond van een ander wettelijk voorschrift zijn
                    omschreven. Het omschrijven van deze begrippen aan het begin van de verordening
                    voorkomt nodeloze herhaling in afzonderlijke artikelen. De begripsbepalingen
                    hebben dus tot doel de verordening leesbaar en daardoor begrijpelijker te
                    maken.</al><tussenkop>Artikel 2 De commissie</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel legt de in de algemene toelichting omschreven
                    keus voor één commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften
                    vast. Het betreft bezwaar- en beroepsschriften, waarop de raad, het college en
                    de burgemeester moeten besluiten. Het tweede lid bepaalt de omvang van de taak
                    van de commissie. De Commissie is niet bevoegd te adviseren over bezwaar- of
                    beroepschriften inzake belastingen en rechten (leges), waardering van onroerende
                    zaken en ambtenaren. </al><tussenkop>Artikel 3 Samenstelling commissie</tussenkop><al>Deze bepaling regelt de samenstelling van de commissie. De commissie bestaat
                    blijkens het eerste lid uit minimaal zes leden. De redactie van deze bepaling
                    laat toe, dat de commissie uit meer dan zes leden bestaat. Het besluit om het
                    aantal commissieleden op meer dan zes te bepalen is aan de raad. De raad
                    benoemt, schorst en ontslaat immers blijkens artikel 5 van de verordening op
                    voorstel van het college de leden. De raad kan niet zonder wijziging van de
                    verordening het aantal leden tot minder dan zes leden terugbrengen. Het tweede
                    lid regelt de benoeming van één voorzitter en één plaatsvervangend voorzitter.
                    Het derde lid voorziet bij afwezigheid van de voorzitter in de uitoefening van
                    zijn bevoegdheden door de plaatsvervangend voorzitter.</al><tussenkop>Artikel 4 Secretaris commissie</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in het secretariaat van de commissie door middel van een
                    door het college aan te wijzen ambtenaar en de plaatsvervanging van deze
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 5 Benoeming leden commissie</tussenkop><al>Dit artikel regelt in het eerste lid de benoeming van de leden van de commissie.
                    De raad benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Commissie op voorstel van
                    het college. De onafhankelijkheid van de Commissie is neergelegd in het tweede
                    lid. De leden mogen geen deel uitmaken of werkzaamheden verrichten onder
                    verantwoordelijkheid van bestuursorganen van de gemeente Bloemendaal. Ingeval
                    een lid deel gaat uitmaken of werkzaamheden gaat verrichten onder
                    verantwoordelijkheid van een Bloemendaals bestuursorgaan dan eindigt zijn
                    lidmaatschap. De benoemingen hebben plaats met ingang van 1 april van ieder even
                    jaar. Het derde en vierde lid regelen dat de raad om de twee jaar drie leden
                    ieder voor een periode van vier jaar benoemt. Dit stelsel van benoeming voorkomt
                    zoveel mogelijk, dat de leden van de commissie niet allemaal tegelijk aftreden.
                    Ieder lid heeft echter de vrijheid om eerder - voortijdig - af te treden dan het
                    moment, waarop zijn zittingsduur is verstreken. In dat geval voorziet het vijfde
                    lid in een vervulling van deze tussentijdse vacature tot aan het moment, waarop
                    de zittingsduur van het voortijdige afgetreden lid is verstreken. De verordening
                    legt de leden de verplichting op om tot het moment, waarop in hun opvolging is
                    voorzien hun functie te blijven vervullen.</al><tussenkop>Artikel 6 Ontvangst bezwaar- of beroepschrift</tussenkop><al>In aanvulling op wettelijke voorschriften - artikel 6:14 en 6:15 van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) - regelt deze bepaling de wijze waarop de ontvangst van
                    een bezwaar- of beroepschrift geregistreerd wordt. Het bestuursorgaan, aan wie
                    het bezwaar- of beroepschrift is gericht - ongeacht of dit ook het verwerend
                    orgaan is - registreert de ontvangst. De verordening regelt uitdrukkelijk welk
                    bestuursorgaan voor deze registratie en de daarmee samenhangende doorzendplicht
                    verantwoordelijk is. De Awb voorziet in een verplichting om een bezwaar- en
                    beroepschrift ingeval het gericht is aan een onbevoegd bestuursorgaan dit door
                    te sturen aan het bevoegde bestuursorgaan. Het bevoegde gemeentelijk
                    bestuursorgaan - het verwerend bestuursorgaan - heeft op grond van het tweede
                    lid de verplichting het bezwaar- of beroepschrift in handen van de commissie te
                    stellen. </al><tussenkop>Artikel 7 Behandeling bezwaar- of beroepschrift</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om bezwaar- en beroepschriften in
                    kleiner verband te behandelen. Het is het vastleggen van een bestaande praktijk
                    bij de behandeling van bezwaar- en beroepschriften. Overigens sluit deze
                    bepaling niet uit, dat de commissie in voltallige samenstelling een bezwaar- en
                    of beroepsschrift behandelt. Op grond van het laatste lid van dit artikel is de
                    verordening ook op de commissie in beperkte samenstelling van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 8 Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>De formele onafhankelijkheid van de leden van de commissie - zie artikel 5 van
                    de verordening - sluit nog niet uit, dat ten aanzien van een bepaald bezwaar- of
                    beroepschrift een lid partijdig kan zijn. (zie Rb Leeuwarden 8 februari 1996,
                    JB. 3 (1996),100) Dit artikel legt een lid, dat niet onpartijdig is bij de
                    behandeling van een bezwaar- of beroepschrift de verplichting op niet aan de
                    behandeling deel te nemen.</al><tussenkop>Artikel 9 Bevoegdheden </tussenkop><al>Deze toedeling - attributie - van algemene bevoegdheden is noodzakelijk voor een
                    doelmatige behandeling van bezwaarschriften. Anders dan bij de vorige
                    verordening, die volstond met verwijzingen naar artikelen in de Awb, zijn de
                    omschrijvingen van deze bevoegdheden in de verordening zelf opgenomen. Dit
                    bevordert de toegankelijkheid en leesbaarheid van de verordening. De toedeling
                    betreft bevoegdheden zonder welke de behandeling van bezwaar- en beroepschriften
                    niet of niet doelmatig kan plaatshebben. Overigens beperkt de toedeling van
                    bevoegdheden met betrekking tot de behandeling van bezwaar- en beroepschriften
                    zich niet alleen tot dit artikel. In de navolgende artikelen zijn bevoegdheden
                    verbonden aan bepaalde onderdelen van de behandeling -dus bijzondere
                    bevoegdheden - aan de commissie en de voorzitter toegekend.</al><tussenkop>Artikel 10 Vooronderzoek </tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie al het noodzakelijke
                    doet om de behandeling van het bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden zowel
                    intern - bij de gemeente - als extern. De verordening kent de voorzitter in dit
                    artikel de zelfstandige bevoegdheid toe om deskundigen te raadplegen dan wel
                    daarvoor uit te nodigen om op de hoorzitting te verschijnen.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat. Aangezien het college belast is met de uitvoering van de
                    begroting, ligt het voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden
                    voordat dat college de gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een
                    begrotingspost. Om deze reden is in deze bepaling voor de kosten voor getuigen
                    of deskundigen een machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo
                    zijn dat het college door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en
                    haar onafhankelijke positie daardoor aantast. In dit verband verdient ook
                    artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan waaraan
                    advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking
                    stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak. </al><tussenkop>Artikel 11 Organisatie hoorzitting </tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel regelt in de eerste volzin de bevoegdheid van de
                    voorzitter om in overleg met de secretaris plaats en tijdstip van de hoorzitting
                    vast te stellen. De tweede volzin van dit artikellid is een logisch gevolg van
                    deze eerste volzin. Na het overleg tussen de voorzitter en de secretaris
                    verzorgt de secretaris de uitnodigingen voor de hoorzitting. De genoemde termijn
                    waarbinnen de uitnodiging moet zijn verzonden, houdt enerzijds rekening met
                    belanghebbenden, die zich moeten kunnen voorbereiden op de hoorzitting en
                    anderzijds het belang, dat het verwerend orgaan binnen de daarvoor gestelde
                    termijn van 10 weken op een bezwaar- of beroepschrift besluit. Overigens kan het
                    verwerend orgaan deze termijn met 4 weken verlengen door een zogenaamd
                    verdagingsbesluit. Ook bepaalt dit artikel dat zowel de belanghebbenden als het
                    verwerend orgaan in de gelegenheid gesteld worden zich door de commissie te
                    laten horen. Het tweede lid regelt de bevoegdheid van de voorzitter om af te
                    zien van het houden van een hoorzitting. De voorzitter is daarbij gebonden aan
                    het bepaalde in artikel 7:3 en 7:17 van de Awb en kan slechts afzien van het
                    houden van een hoorzitting indien:</al><lijst><li nr="§"><al>het bezwaar of beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="§"><al>het bezwaar of beroep kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="§"><al>de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het
                            recht om te worden gehoord; of</al></li><li nr="§"><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden niet in hun belangen kunnen worden geschaad.</al></li></lijst><al>Het derde lid legt de voorzitter van de commissie de verplichting op van zijn
                    besluit om af te zien van het houden van een hoorzitting mededeling te doen. De
                    voorzitter kan deze mededeling ook doen in het advies op het betreffende
                    bezwaarschrift. </al><tussenkop>Artikel 12 Quorum hoorzitting</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt, dat voor het houden van een hoorzitting tenminste de
                    aanwezigheid van de voorzitter - en bij zijn ontstentenis de plaatsvervangend
                    voorzitter - en één lid van de commissie vereist is. Blijkens recente
                    jurisprudentie (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119, 3) bestaat geen bezwaar tegen
                    het horen door de voorzitter en één lid van de adviescommissie in het kader van
                    de bezwaarprocedure, indien advisering door de commissie plaatsvindt. </al><tussenkop>Artikel 13 Openbaarheid hoorzitting</tussenkop><al>Op grond van artikel 7:5, tweede lid, van de Awb besluit het bestuursorgaan of
                    het horen in het openbaar plaatsvindt, tenzij bij wettelijke voorschrift anders
                    is bepaald. Nu de bevoegdheid tot het horen bij wettelijk voorschrift - artikel
                    7:13 van de Awb - is toegedeeld aan de commissie ligt het in voor de hand om de
                    voorzitter van de commissie de bevoegdheid te geven om te besluiten of het horen
                    in het openbaar plaatsvindt.</al><tussenkop>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging hoorzitting</tussenkop><al>Artikel 7:7 van de Awb bepaalt, dat van de hoorzitting een zakelijk verslag
                    wordt gemaakt. De bewoordingen van dit wetsartikel impliceren dat een
                    schriftelijk verslag noodzakelijk is. Verdere kwaliteitseisen stelt dit
                    wetsartikel niet aan het zakelijk verslag van de hoorzitting. Dit artikel in de
                    verordening bevat daarom een aantal kwaliteitseisen, waaraan het zakelijk
                    verslag op grond van rechtspraak moet voldoen. Voor de duidelijkheid zijn deze
                    eisen in de verordening opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 15 Nader onderzoek</tussenkop><al>Artikel 7:9 Awb bepaalt dat indien na het horen het bestuursorgaan feiten of
                    omstandigheden bekend worden die voor de op bezwaar te nemen beslissing van
                    aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en dat
                    zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Is de nieuwe
                    informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de
                    belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Nu de
                    bevoegdheid tot het horen bij wettelijk voorschrift - artikel 7:13 van de Awb -
                    is toegekend aan de commissie ligt het in voor de hand om de voorzitter van de
                    commissie ook deze bevoegdheid te geven tot het houden van nader onderzoek. </al><tussenkop>Artikel 16 Afzien van het geven advies</tussenkop><al>Dit artikel voorziet de voorzitter van de bevoegdheid om in een zeer beperkt
                    aantal gevallen af te zien van het geven van advies door de commissie omdat aan
                    het bezwaar- of beroepschrift geheel is tegemoet gekomen en overige
                    belanghebbenden daardoor niet worden geschaad. Dit doet zich bijvoorbeeld voor
                    wanneer een geweigerde bijzondere bijstand, waartegen bezwaar is aangetekend
                    door de belanghebbende, alsnog wordt verleend. Het uitbrengen van advies is in
                    dat geval overbodig. Deze bepaling verschaft de mogelijkheid om zonder advies
                    het bezwaar- of beroepschrift af te doen.</al><tussenkop>Artikel 17 Uitbrengen van advies</tussenkop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop de commissie een advies op een bezwaar- of
                    beroepschrift uitbrengt. </al><tussenkop>Artikel 18 Intrekking </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 19 Inwerkingtreding </tussenkop><al>Op grond van artikel 22 van de Tijdelijke referendumwet kan deze verordening
                    niet eerder dan zes weken na haar bekendmaking in werking treden. </al><tussenkop>Artikel 20 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al>.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>