<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36588_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Delegatiebesluit gemeente Tytsjerksteradiel 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-08-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Actief, 12-04-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Delegatiebesluit Tytsjerksteradiel 2004’</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 156</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tytsjerksteradiel, art. 1:3a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, afd. 10.1.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-03-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-04-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met de inwerkingtreding van dit besluit worden alle voorgaande door de raad vastgestelde delegatiebesluiten ingetrokken</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Delegatiebesluit gemeente Tytsjerksteradiel 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit</al><al>Gemeente Tytsjerksteradiel</al><al>Raadsvergadering d.d. 16 december 2004, agendapunt</al><al>De raad van de gemeente Tytsjerksteradiel:</al><al>overwegende dat:</al><al>·het gelet op de Wet dualisering gemeentebestuur gewenst is dat het
                        delegatiebesluit van 1999 wordt herzien;</al><al>gelezen het voorstel van het college van B&amp;W d.d. 23 november;</al><al>gelet op artikel 156 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op artikel 1:3a van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente
                        Tytsjerksteradiel;</al><al>gelet op afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen het <vet>Delegatiebesluit</vet> gemeente Tytsjerksteradiel
                        2004.</al><al>Aan burgemeester en wethouders wordt gedelegeerd de bevoegdheid tot:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al><cursief>verkeersbesluiten e.a.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het nemen van verkeersbesluiten met betrekking tot wegen die niet
                                onder het beheer van het Rijk, de provincie of een waterschap vallen
                                als bedoeld in artikel 18, eerste lid onder d van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="2."><al>Het verlenen van ontheffingen met betrekking tot wegen die niet
                                onder het beheer van het Rijk, de provincie of een waterschap vallen
                                als bedoeld in artikel 149 eerste lid onder d van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="3."><al>Het verlenen van ontheffing van bepalingen als bedoeld in artikel 87
                                van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en artikel
                                7.1 van het Voertuigreglement;</al></li><li nr="4."><al>Het verstrekken aan een invalide, die zich niet of nauwelijks kan
                                voortbewegen, van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in
                                artikel 49 van het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het
                                wegverkeer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><cursief>ruimtelijke ordening</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het horen van de indieners van zienswijzen in het kader van artikel
                                23 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al></li><li nr="2."><al>a. projectprocedures ruimtelijke ordening ex artikel 19 lid 1 van de
                                Wet op de Ruimtelijke Ordening mits deze procedure zonder
                                voorbereidingsbesluit kan worden toegepast.</al><lijst><li nr="b."><al>weigeringsbesluiten op een verzoek om toepassing van een
                                        projectprocedure ex artikel 19 lid 1 van de Wet op de
                                        Ruimtelijke Ordening.</al></li></lijst></li></lijst><al>met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders zich bij
                        de toepassing van deze bevoegdheid dient te houden aan de in bijgevoegde,
                        bij dit besluit behorende, toelichting omschreven wijze van omgaan met deze
                        gedelegeerde bevoegdheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al><cursief>uitvoering Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Tytsjerksteradiel
                            t.b.v. de griffie</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het uitvoeren van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente
                                Tytsjerksteradiel en daaraan verbonden nadere regelingen ten aanzien
                                van de griffier en medewerkers van de griffie, behoudens voor zover
                                het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>het nemen van besluiten met betrekking tot de aanstelling,
                                        overplaatsing, schorsing of het ontslag van de griffier en
                                        de medewerkers van de griffie;</al></li><li nr="-"><al>het vaststellen van instructies en dienstopdrachten ten
                                        aanzien van de griffie en medewerkers van de griffie;</al></li><li nr="-"><al>het verlenen van vakantie en verlof aan de griffier en de
                                        medewerkers van de griffie;</al></li><li nr="-"><al>besluiten met betrekking tot de ontwikkeling, beoordeling en
                                        beloning van de griffier en de medewerkers van de
                                        griffie;</al></li><li nr="-"><al>het nemen van disciplinaire maatregelen ten aanzien van de
                                        griffier en de medewerkers van de griffie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De voorbereiding van de in lid 1 bedoelde besluiten ten aanzien van
                                de griffier en de medewerkers van de griffie die zijn voorbehouden
                                aan de raad, wordt namens de raad uitgevoerd door de
                                werkgeverscommissie (of een andere vertegenwoordiging).</al></li><li nr="3."><al>De raad en het college kunnen de griffier machtigen ten behoeve van
                                de medewerkers van de griffie bevoegdheden namens hen uit te oefenen
                                voor zover dat in de dagelijkse uitvoering van de
                                arbeidsvoorwaardenregeling gebruikelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al><cursief>slotbepalingen</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Delegatiebesluit
                                Tytsjerksteradiel 2004’.</al></li><li nr="2."><al>Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na die van de
                                bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>Met de inwerkingtreding van dit besluit worden alle voorgaande door
                                de raad vastgestelde delegatiebesluiten ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Tytsjerksteradiel van 16 december 2004 en gewijzigd vastgesteld in de
                        openbare vergadering van de raad van</ondertekening><ondertekening>de gemeente Tytsjerksteradiel van 30 maart 2006.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>(mr. S.K. Dijkstra) (G.J. Polderman)</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij delegatiebesluit inzake projectprocedures ruimtelijke
                        ordening ex artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</titel></kop><tussenkop>I. Inleiding</tussenkop><al>Vanaf 3 april 2000 is de wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in
                    werking. Het</al><al>meest in het oog springend en in de praktijk wellicht het belangrijkst, is de
                    wijziging van de</al><al>procedure om vrijstelling te verlenen voor bouwplannen en/of gebruiksdoeleinden
                    in strijd</al><al>met het geldende bestemmingsplan (vrijstellingsprocedure ex. artikel 19
                    WRO).</al><al>Na een jaar met de nieuwe regelgeving gewerkt te hebben, is geconcludeerd dat
                    het</al><al>raadzaam is om de gemeentelijke werkwijze m.b.t. vrijstellingsverzoeken op een
                    aantal</al><al>onderdelen aan te passen. Zo kan ook na de wetswijziging efficiënt en adequaat
                    worden</al><al>ingespeeld op de dynamiek van ruimtelijke ordeningsprocessen, kan klantgericht
                    gewerkt</al><al>worden en blijven de bestuurslasten beheersbaar.</al><al>Op 26 april jl. heeft de raad gesproken over een nieuwe bestuursstructuur. Bij
                    wijze van</al><al>proef is besloten om met een nieuwe werkwijze te experimenteren. Door de
                    commissie Prins</al><al>is geïnventariseerd welke aanvullende bevoegdheden aan het college van
                    burgemeester en</al><al>wethouders gedelegeerd kunnen worden. Onderdeel van het tijdelijk
                    aanvullend</al><al>delegatievoorstel is het delegeren van projectprocedures ruimtelijke ordening
                    ex. artikel 19</al><al>lid 1 van de Wet op de ruimtelijke ordening. In deze bijlage zal op dit
                    onderdeel een</al><al>toelichting worden gegeven. Eerst zullen de belangrijkste veranderingen in
                    de</al><al>vrijstellingsprocedure kort worden samengevat.</al><tussenkop>II. Artikel 19 oud: het anticipatieartikel</tussenkop><al>Voor 3 april jl. kon op grond van artikel 19 WRO alleen vrijstelling worden
                    verleend voor</al><al>bouwplannen en/of gebruiksdoeleinden in strijd met het vigerende, doch in
                    overeenstemming</al><al>met het toekomstige bestemmingsplan. Met toepassing van deze procedure kon op
                    het</al><al>nieuwe plan geanticipeerd worden. Voorwaarde was wel dat er een ontwerp van
                    een</al><al>herziening van het bestemmingsplan ter inzage was gelegd, danwel dat middels een
                    besluit</al><al>was aangekondigd dat een nieuw bestemmingsplan werd voorbereid (=</al><al>voorbereidingsbesluit). Een ander formeel vereiste was dat Gedeputeerde Staten
                    vooraf een</al><al>verklaring moesten afgeven dat zij geen bezwaar hadden dat de vrijstelling zou
                    worden</al><al>verleend. Naast deze formele vereisten hield de rechter er in zijn beoordeling
                    bij de</al><al>toepassing van artikel 19 oud rekening mee dat een herziening van het
                    bestemmingsplan</al><al>altijd de voorkeur verdiende. De toepassing van de vrijstellingsprocedure was
                    slechts</al><al>gerechtvaardigd indien daarvoor een voldoende dringende reden bestond en
                    het</al><al>toekomstige bestemmingsplan niet kon worden afgewacht (=urgentiecriterium) en
                    zich geen</al><al>overwegende bezwaren voordeden.</al><al>In de oude artikel 19 regeling lag de bevoegdheid tot het verlenen van de
                    vrijstelling in de</al><al>praktijk bij het college van burgemeester en wethouders. De raad kon deze
                    bevoegdheid</al><al>naar zich toe trekken wanneer tenminste 1/5 deel van de raadsleden daartoe de
                    wens te</al><al>kennen gaf.</al><tussenkop>III. Aanleiding tot belangrijkste wijziging WRO 2000</tussenkop><al>Bij de wijziging van de WRO in 1985 is getracht om de rol van het
                    bestemmingsplan te</al><al>versterken teneinde het veelvuldige (oneigenlijk) gebruik van het
                    anticipatieartikel terug te</al><al>dringen. Geconstateerd werd namelijk dat de meeste artikel 19-procedures werden
                    gevoerd</al><al>op basis van een leeg voorbereidingsbesluit . Gemeenten namen dan wel een</al><al>voorbereidingsbesluit om aan te kondigen dat een bestemmingsplan werd herzien,
                    maar dit</al><al>besluit kende geen vervolg en was uitsluitend bedoeld om aan het formele
                    vereiste om te</al><al>kunnen anticiperen te voldoen (in de literatuur ook wel de grote leugen
                    genoemd). Bij een</al><al>evaluatie van de WRO in 1992 bleek dat het gebruik van artikel 19 na de
                    wetswijziging van</al><al>1985 nauwelijks was teruggelopen.</al><al>Het ligt het voor de hand dat de wetgever in beginsel de beslissingsbevoegdheid
                    inzake de</al><al>zelfstandige projectprocedure bij het orgaan (= de gemeenteraad) heeft
                    neergelegd dat</al><al>bevoegd is om bestemmingsplannen vast te stellen. De wetgever ziet, zo blijkt
                    uit de</al><al>verschillende artikelen (die soms bij amendement zijn toegevoegd) het
                    bestemmingsplan</al><al>nog steeds als de meest aangewezen weg om planologische relevante activiteiten
                    mogelijk</al><al>te maken.</al><al>Het primaat om ruimtelijk beleid te voeren ligt bij de gemeenteraad. De wetgever
                    heeft de</al><al>mogelijkheid van delegatie van de zelfstandige projectprocedure in de wet
                    opgenomen.</al><al>Wordt de bevoegdheid geheel gedelegeerd dan kan in theorie met toepassing van
                    de</al><al>zelfstandige projectprocedure het college van burgemeester en wethouders in
                    plaats van de</al><al>gemeenteraad het ruimtelijk beleid bepalen. Het is de vraag of dit in de ogen
                    van de rechter</al><al>een begaanbare weg zal zijn omdat dan mogelijk op een onaanvaardbare wijze
                    inbreuk</al><al>wordt gemaakt op de in de WRO neergelegde bevoegdheidsverdeling. Dit betekent
                    dat</al><al>delegatie op enige wijze moet zijn afgestemd op de zwaarte van het project
                        <vet>of</vet>, om niet op</al><al>onaanvaardbare wijze inbreuk te maken op de in de WRO neergelegde</al><al>bevoegdheidsverdeling, voor ingrijpende projecten (die voor een gebied vaak
                    tevens een</al><al>nieuwe beleidskoers inhouden) te kiezen voor een bestemmingsplanherziening.</al><al>Een bestemmingsplanherziening heeft nog een ander voordeel. Hoewel de naam
                    anders</al><al>doet vermoeden, blijft de zelfstandige projectprocedure een vrijstelling. Wordt
                    echter een</al><al>bestemmingsplanprocedure gevolgd, dan is het project meteen planologisch
                    geregeld,</al><al>inclusief het bijbehorende beheer via passende gebruiksbepalingen, ontstaat
                    een</al><al>onteigeningstitel en kan gebruik worden gemaakt van het voorkeursrecht. De
                    eventuele</al><al>problemen van het na de projectprocedure blijven gelden van het oorspronkelijke
                    (niet meer</al><al>passende) bestemmingsplan, de niet aangepaste gebruiksbepaling en de
                    eventuele</al><al>problemen bij handhaving, doen zich dan ook niet voor. Bovendien zal het
                    tijdsvoordeel dat</al><al>het voeren van een zelfstandige projectprocedure oplevert bij ingrijpende
                    projecten minimaal</al><al>zijn omdat ook dan vooroverleg met de provincie en betreffende rijksdiensten
                    nodig is en er</al><al>zwaardere eisen zullen worden gesteld aan de vereiste ruimtelijke onderbouwing
                    en de wijze</al><al>waarop met de belangen van derden is omgegaan.</al><al>Het processchema van artikel 19 lid 1 (bijlage 1.1) illustreert dat wanneer geen
                    gebruik wordt</al><al>gemaakt van de delegatiebevoegdheid het de raad is die moet besluiten:</al><lijst><li nr="·"><al>of een vrijstellingsprocedure wordt toegepast (beginselbesluit);</al></li><li nr="·"><al>of na de inspraak verder wordt gegaan met de
                            vrijstellingsprocedure;</al></li><li nr="·"><al>of een verklaring van geen bezwaar bij de provincie wordt
                            aangevraagd;</al></li><li nr="·"><al>of de vrijstelling uiteindelijk verleend of geweigerd moet worden.</al></li></lijst><al>Wordt geen gebruik gemaakt van de delegatiebevoegdheid, dan zal het, gelet op de
                    in de</al><al>WRO genoemde termijnen, in de praktijk niet haalbaar zijn om de genoemde
                    (deel)besluiten</al><al>tijdig door de raad te laten nemen. De bestuurslasten zullen navenant toenemen
                    en er kan</al><al>minder efficiënt en adequaat op de dynamiek van ruimtelijke ordeningsprocessen
                    worden</al><al>ingespeeld terwijl de lange looptijd van de procedure ook door aanvragers als
                    bezwaarlijk zal</al><al>worden ervaren. Om adequaat gebruik te kunnen maken van de nieuwe
                    projectprocedure zal</al><al>een overdracht van bevoegdheden van de raad aan het college van burgemeester
                    en</al><al>wethouders moeten plaatsvinden. Zoals in de inleiding ook al aangehaald, sluit
                    het</al><al>delegeren van deze bevoegdheid prima aan bij de op dit moment gevoerde discussie
                    over</al><al>een nieuwe bestuursstructuur. Dat dan het college van burgemeester en wethouders
                    deze</al><al>vrijstellingen kan verlenen is niet nieuw. Zoals al geschreven in paragraaf II
                    was in het</al><al>systeem van de oude WRO het college in beginsel bevoegd de vrijstelling te
                    verlenen tenzij</al><al>de raad deze bevoegdheid in een concreet geval aan zich had gehouden. In de
                    praktijk is</al><al>door de raad van deze mogelijkheid bijna nooit gebruik gemaakt en de overdracht
                    van</al><al>bevoegdheden sluit dan ook prima aan bij de bestuurscultuur in onze
                    gemeente.</al><al>Wellicht dat er in het definitieve voorstel een bestemmingsplanoverleg met
                    (een</al><al>afvaardiging van) de raad komt en dat in dit overleg ook voornemens om
                    projectprocedures</al><al>te starten kunnen worden besproken. Dit zou dan facultatief zijn, d.w.z. het
                    college van B&amp;W</al><al>zou per project kunnen overwegen of advies nodig is. Als bijlage 1.2 is een</al><al>besluitvormingsschema bijgevoegd.</al><al>Wordt niet in een adviesfunctie voorzien, dan zal (net zoals bij een</al><al>ontwerpbestemmingsplan) de raad geïnformeerd worden over het voornemen om
                    de</al><al>projectprocedure toe te passen. Onderdeel van de informatie zal een goede
                    omschrijving</al><al>van het project en de ruimtelijke onderbouwing zijn.</al><al>Wij realiseren ons dat een ruimhartig delegatiebeleid in dit geval kan betekenen
                    dat voor</al><al>sommige projecten eerder voor een herziening van een bestemmingsplanprocedure
                    zal</al><al>moeten worden gekozen. Voor die gevallen waarin het primaat van de raad voor wat
                    betreft</al><al>ruimtelijk beleid onder druk kan komen te staan zal door het college daarom
                    eerder voor een</al><al>bestemmingsplanherziening worden gekozen.</al><al>C.die gevallen waarbij de zelfstandige projectprocedure moet worden geweigerd
                    wegens strijd met ruimtelijk beleid.</al><tussenkop>Delegatie</tussenkop><al>De bevoegdheid om te weigeren om de zelfstandige projectprocedure ex. artikel 19
                    lid 1</al><al>WRO toe te passen geheel aan het college van B&amp;W te delegeren</al><al>De ervaring leert dat in die gevallen de weigering om de vrijstelling te
                    verlenen juist</al><al>gebaseerd is op vigerend beleid en het feit dat het niet wenselijk is om hiervan
                    af te wijken.</al><al>V.<cursief>Overige zaken</cursief></al><tussenkop>Legesverordening</tussenkop><al>Het aanpassen van de legesverordening blijft een bevoegdheid van de raad. De
                    raad heeft</al><al>reeds besloten om de legesverordening op het nieuwe stelsel van artikel 19 WRO
                    aan te</al><al>passen.</al><tussenkop>Inspraak</tussenkop><al>In artikel 6a WRO is voorgeschreven dat het gemeentebestuur de bevolking betrekt
                    bij de</al><al>voorbereiding van de toepassing van artikel 19, eerste lid, op de wijze voorzien
                    in de</al><al>krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening. Dit betekent
                    dat de</al><al>inspraakverordening van onze gemeente op deze projecten van toepassing is.</al><tussenkop>Bebouwde kom</tussenkop><al>Voor de vraag welke vrijstelling van artikel 19 WRO kan worden toegepast, is in
                    sommige</al><al>gevallen bepalend of sprake is van bebouwde kom of van buitengebied. Het
                    begrip</al><al>bebouwde kom is noch in de WRO noch in het Bro gedefinieerd. Er is ook geen
                    formele</al><al>relatie gelegd met het begrip bebouwde kom uit andere wet- en regelgeving.
                    Conform de</al><al>opvatting van de VNG dient onder het begrip bebouwde kom in het kader van de
                    ruimtelijke</al><al>ordening te worden verstaan de samenhangende woonbebouwing . Om onduidelijkheid
                    te</al><al>voorkomen, zal het college nog een besluit nemen en een kaart vaststellen
                    waaruit duidelijk</al><al>blijkt wat in het kader van de toepassing van artikel 20 BRO onder het begrip
                    bebouwde kom</al><al>zal worden verstaan.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>