<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR365851_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Ommen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 22-06-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening gemeente Ommen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-06-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1459864</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Ommen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ommen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 april 2015;</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>Vast te stellen:</al><al/><al>de re-integratieverordening gemeente Ommen 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>startkwalificatie: een diploma vwo of een diploma havo of een
                                    diploma mbo 2 of hoger;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: een verstrekking van een product of dienstverlening
                                    van de gemeente aan haar inwoner of aan een organisatie;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet (Pw).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Beleid en evenwichtige verdeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan inwoners ondersteuning bij de re-integratie
                                naar de arbeidsmarkt voor zover deze ondersteuning door het college
                                noodzakelijk wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college onderzoekt nauwkeurig de individuele mogelijkheden en
                                capaciteiten van een inwoner om de ondersteuning zo doelmatig
                                mogelijk te realiseren. Het college legt het vast in een plan van
                                aanpak van de betreffende inwoner.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 9, aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 7
                                aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote
                                afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar;
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorziening moet gericht zijn op de arbeidsinschakeling en
                                bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere
                                arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in het plan van aanpak, na overleg met de
                                belanghebbende, vast welke voorziening wordt aangeboden aan een
                                persoon uit de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt de voorwaarden waaronder de voorziening wordt
                                aangeboden waaronder een budgetplafond of een bijdrage door de
                                persoon uit de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a onder 2,van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep scholing
                                aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of
                                verstrekking in natura</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>het gaat de capaciteiten van de te scholen persoon niet te
                                        boven;</al></li><li nr="b."><al>het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon uit de doelgroep een werkstage gericht
                                op arbeidsinschakeling aanbieden als deze nog niet actief is geweest
                                op de arbeidsmarkt en/of een grote afstand heeft tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstageis het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaats vindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6b</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een
                                proefplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden voor zover dit
                                gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een proefplek is het beoordelen of een persoon
                                voldoende competenties heeft voor een beoogde arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde
                                werkgever en de persoon die op de proefplek wordt geplaatst. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling worden vastgelegd in
                                een schriftelijke overeenkomst. De werkgever en de persoon die de
                                additionele werkzaamheden gaat verrichten ondertekenen de
                                overeenkomst met een maximale looptijd van 2 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                100,- per 6 maanden, als voldoende is meegewerkt aan het vergroten
                                van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en de inlenende
                                organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed of er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning bieden aan een persoon uit de doelgroep
                            voor wie volgens het college een leer-werktraject nodig is, voor zover
                            deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en
                            het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd; of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verwervingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een belanghebbende een vergoeding voor
                                aantoonbare verwervingskosten bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verwervingskosten kunnen worden toegekend als aan één van de
                                volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>bij aanvaarding van arbeid voor minimaal 6 maanden dat leidt
                                        tot maximale deelname aan de arbeidsmarkt van
                                        belanghebbende, naar vermogen. Dit moet blijken uit een door
                                        de werkgever en belanghebbende getekende
                                        arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="b."><al>de arbeid wordt gedurende minimaal twaalf uren per week
                                        verricht; </al></li><li nr="c."><al>als belanghebbende in het kader van een re-integratietraject
                                        noodzakelijk geachte verwervingskosten maakt, dit ter
                                        beoordeling van het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de verwervingskosten is maximaal € 300,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan werkgevers de kosten van een no-riskpolis vergoeden
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer; </al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                        minimumloon; en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af via het UWV. De begunstigde is de
                                werkgever. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met 24 maanden na
                                indiensttreding van de werknemer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Indienstnemingssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een indienstnemingsubsidie verstrekken aan
                                werkgevers die met een werknemer een arbeidsovereenkomst
                                sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De indienstnemingsubsidie moet worden aangevraagd voor de
                                ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aanvragen van de
                                indienstnemingsubsidie dient de werkgever gebruik te maken van een
                                daarvoor vastgestelde formulier. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De indienstnemingsubsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de
                                loonkosten gedurende maximaal een jaar. De loonkosten worden
                                gemaximaliseerd tot 120 van het Wettelijk Minimum loon. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt bij de subsidieverlening de tijdstippen en wijze
                                van uitbetaling. Het college kan voorschotten verstrekken op de
                                subsidie welke worden verrekend met de vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed, geen
                                verdringing plaatsvindt en voldaan wordt aan Europese
                                regelgeving.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Innovatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en
                                toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen,
                                afwijken van het bepaalde in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten
                                hoogste drie jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening
                                kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot
                                aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening Werk en bijstand gemeente Ommen wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als iemand gebruik maakt van een voorziening op grond van de
                                Verordening Werk en bijstand gemeente Ommen behoudt die persoon deze
                                voorziening voor de duur dat deze is verstrekt maar maximaal 12
                                maanden voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit die
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Verordening Werk en bijstand gemeente Ommen blijft van toepassing
                                ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het
                                tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    gemeente Ommen 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 juni 2015,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad van de gemeente Ommen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.R. Tenkink M.J. Ahne</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>ALGEMENE TOELICHTING RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET GEMEENTE
                        OMMEN 2015</label><nr/></kop><al/><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan het nieuwe artikel 8a van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen voor de doelgroep en de werkgevers. </al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. </al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet
                    onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit
                    leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere
                    situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                    afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval
                    een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid
                    gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de
                    Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                    ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college
                    in ieder geval kan aanbieden.</al><al/><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><al/><al><vet>Voorziening</vet></al><al>Deze verordening regelt de verstrekking van voorzieningen aan haar inwoners,
                    werkgevers en andere relevante organisaties. Dit roept natuurlijk de vraag op
                    wat een voorziening is. Bij een voorziening gaat het in de eerste plaats om de
                    verstrekking van de gemeente aan een inwoner. De gemeente streeft naar
                    verbetering van de situatie voor een bewoner. Sommige verstrekkingen hebben een
                    indirect karakter bijvoorbeeld een proefplaatsing aan een werkgever. </al><al>Medewerkers van de gemeente kunnen veel tijd en moeite steken in het verbeteren
                    van de mogelijkheden van een inwoner op de arbeidsmarkt.In
                    het kader van deze verordening worden de begeleidende, onderzoekende
                    werkzaamheden van gemeenteambtenaren niet gezien als een voorziening. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begrippen</vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen indienstnemingsubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Evenwichtige verdeling en financiering</vet></al><al>Op grond van artikel 8a Pw moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling
                    van de voorzieningen over personen regelen. Daarbij wordt rekening gehouden met
                    de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt
                    besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en
                    functionele beperkingen van personen met een handicap. De gemeente Ommen
                    verstrekt geen uitstroompremies.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 (sociale
                    activering), 6 ( werkstage) en 7 (participatieplaats) aan personen aan die
                    behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep
                    is gedefinieerd in artikel 1.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 9 (detacheringsbaan)
                    aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al/><al><cursief>Overige voorzieningen</cursief></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: </al><lijst><li nr="1."><al>scholing (artikel 5); </al></li><li nr="2."><al>beschut werk (artikel 8); </al></li><li nr="3."><al>ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 10); </al></li><li nr="4."><al>persoonlijke ondersteuning (artikel 11); </al></li><li nr="5."><al>verwervingskosten (artikel 12);</al></li><li nr="6."><al>no-riskpolis (artikel 13); </al></li><li nr="7."><al>pgb werkgever (artikel 14);</al></li><li nr="8."><al>indienstnemingsubsidie (artikel 15).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). </al><al/><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het college kan een voorziening beëindigen en dit artikel geeft aan in welke
                    gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                    gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                    behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.<noot id="d796e800"><noot.nr> 1
                            </noot.nr><noot.al>Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999,
                            ECLI:NL:RCBARN:2006:AZ3540</noot.al></noot> Terugvordering dient eventueel te geschieden op grond van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Sociale activering</vet></al><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop</al><al/><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering </cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat
                    dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen
                    gebruik wordt gemaakt van een voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.</al><al/><al><cursief>College stemt duur activiteiten af op de persoon</cursief></al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><al/><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Scholing</vet></al><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument. Daarbij onderscheiden we
                    verschillende vormen. Het varieert van een startkwalificerende opleiding tot een
                    functiegerichte training. Het is moeilijk vooraf algemene richtlijnen te geven
                    die in de verordening opgenomen kunnen worden. Scholing is een voorziening die
                    in het algemeen de mogelijkheid biedt voor duurzame uitstroom. Het uitgangspunt
                    is om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen scholing nodig
                    is.</al><al>Scholing is geïndiceerd voor mensen die zonder scholing geen kans maken op
                    plaatsing op de arbeidsmarkt. Als die kansen er niet zijn, bijvoorbeeld omdat
                    terugkeer naar het oude beroep onmogelijk is, behoort scholing tot de
                    mogelijkheden. Mensen zonder startkwalificatie lopen snel tegen dit probleem
                    aan. Vervolgens wordt er gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing.
                    Tenslotte wordt de scholing getoetst aan de motivatie en de cognitieve
                    vaardigheden van de kandidaat.</al><al/><al>Scholing kan worden aangeboden aan personen zonder een startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of
                    een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. </al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft een
                    persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing
                    of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te
                    boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                    vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit
                    volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 7 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><al/><al><vet>Artikel 6a Werkstage</vet></al><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toets je aan
                    drie criteria: persoonlijke arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. </al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage </cursief></al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een
                    persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt heeft. Van een grote afstand tot de arbeidsmarkt is sprake als
                    een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen
                    geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft
                    een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan
                    worden aangenomen dat hij een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat
                    geval is het college bevoegd hem een werkstage of proefplaatsing aan te
                    bieden.</al><al/><al><cursief>Doel van de werkstage</cursief></al><al>Wat is het doel van de werkstage in vergelijking met een normale
                    arbeidsverhouding? Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon
                    claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                    afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><al/><al><cursief>Opstellen schriftelijke overeenkomst</cursief></al><al>Voor de werkstage moet een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin
                    kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van
                    begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden
                    gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><al/><al><vet>Artikel 6b Proefplaatsing</vet></al><al><cursief>Doel van de proefplaatsing</cursief></al><al>Het doel van de proefplaatsing is het beoordelen van iemands vaardigheden en
                    kennis ten behoeve van een concrete werkplek. De beoogde kandidaat heeft een
                    dermate afstand tot de arbeidsmarkt dat een normale proefperiode niet reëel is.
                    De beoogde kandidaat heeft door de proefplaatsing geen recht op loon. In de term
                    proefplek zit besloten dat de werkgever wel voldoende vertrouwen heeft in de
                    beoogde kandidaat met het oog op de indienstneming.</al><al/><al>Schriftelijke overeenkomst</al><al>In een schriftelijke overeenkomst worden periode en doel en werkzaamheden rond
                    de proefplaatsing vastgelegd.</al><al/><al><cursief>Geen verdringing</cursief></al><al>Een werkstage of proefplaatsing mogen uitsluitend worden verstrekt als er geen
                    verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is
                    niet toegestaan als de vacature is ontstaan door afvloeiing.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Participatieplaats</vet></al><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk.</al><al/><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal twee jaar. Een
                    participatieplaats kan eerder worden beëindigd. </al><al>De heeft een duidelijk andere insteek dan de tegenprestatie doordat het zich
                    richt op arbeidsparticipatie. Om de verschillende instrumenten inzichtelijk te
                    maken bijgaand schema.</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al><vet>Tegenprestatie</vet></al></entry><entry><al><vet>Vrijwilligerswerk</vet></al></entry><entry><al><vet>Participatieplaats</vet></al></entry></row><row><entry><al>Korte duur</al></entry><entry><al>Onbeperkt</al></entry><entry><al>Maximaal 2 jaar</al></entry></row><row><entry><al>Nuttig voor de samenleving</al></entry><entry><al>Nuttig voor deelnemer en samenleving</al></entry><entry><al>Nuttig voor deelnemer als stap naar arbeidsmarkt</al></entry></row><row><entry><al>Initiatief van gemeente</al></entry><entry><al>Initiatief van belanghebbende</al></entry><entry><al>Initiatief van gemeente</al></entry></row><row><entry><al>Geen school, geen re-integratieinstrument</al></entry><entry><al>Mogelijke opstap naar werk</al></entry><entry><al>Re-integratie-instrument, scholing mogelijk</al></entry></row><row><entry><al>Verplicht</al></entry><entry><al>Onverplicht</al></entry><entry><al>Verplicht</al></entry></row><row><entry><al>Onbeloond en met behoud van uitkering, geen premie of
                                        beloning</al></entry><entry><al>Onbeloond met behoud van uitkering. Onkosten-vergoeding
                                        mogelijk.</al></entry><entry><al>Met behoud van uitkering. Eventueel premie.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden. Voorwaarde is dat de persoon naar het
                    oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn
                    kansen op de arbeidsmarkt. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de
                    premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. </al><al>Er is gekozen voor een premie van telkens € 100,- per 6 maanden.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Participatievoorziening beschut werk</vet></al><al>Het college geeft de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep
                    die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige
                    mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat niet van
                    een reguliere werkgever redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij deze in
                    dienst neemt. </al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Voor de voorziening beschut werk voert de gemeente een selectie uit. Het college
                    bepaalt in eerste aanleg welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut
                    werk, en op welk moment. Het college selecteert uitsluitend personen met een
                    grote afstand tot de arbeidsmarkt voor een beschutte arbeidsomgeving. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft. Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde
                    personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        (UWV)</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit.</al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. </al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat.</al><al/><al><cursief>Voorzieningen</cursief></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. </al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al/><al><vet>Artikel 9 Detacheringsbaan</vet></al><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden waaronder ook een verband op detacheringsbasis om
                    werkervaring op te doen. </al><al/><al>Het college zorgt ervoor dat een persoon uit de doelgroep een dienstverband
                    krijgt aangeboden. Dat kan door een derde. Die derde kan bijvoorbeeld een
                    detacheringsbureau zijn. Voor tweede lid wordt verwezen naar de toelichting bij
                    het artikel over werkstages.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Ondersteuning bij leer-werktraject</vet></al><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.<noot id="d796e1086"><noot.nr> 2
                            </noot.nr><noot.al><cursief>Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz.
                            49.</cursief></noot.al></noot> In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet
                    betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas
                    bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Persoonlijke ondersteuning</vet></al><al>In het artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    moet gaan om een systematische ondersteuning voor de werknemer. Bijvoorbeeld een
                    jobcoach of stage-jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode
                    de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. </al><al/><al>Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar
                    een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke
                    voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Verstrekking aan de
                    werknemer of de werkgever kan plaatsvinden in natura of geld.</al><al/><al><cursief>Zelfstandig bedrijf</cursief></al><al>Aan een niet-uitkeringsgerechtigde of een bijstandsgenietende kan ter
                    voorbereiding voor het starten van een bedrijf of zelfstandig beroep ook een
                    noodzakelijke voorziening worden geboden. Een voorziening kan bestaan uit
                    begeleiding of onderzoek door een deskundige.</al><al>Ook de startende zelfstandige kan behoefte hebben aan en een beroep doen op deze
                    voorziening. De gevestigde zelfstandigen valt niet onder de doelgroep ex artikel
                    zeven lid 1 Pw.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Verwervingskosten</vet></al><al>Deze voorziening beoogt de indiensttreding voor de potentiële werknemer te
                    vereenvoudigen. Soms is de afwezigheid van een fiets of iets dergelijks een
                    blokkade voor indiensttreding. Deze voorziening biedt daarvoor een
                    oplossing.</al><al/><al><vet>Artikel 13 No-riskpolis</vet></al><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is. </al><al/><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie onvangt als bedoeld in
                    artikel 10 d van de wet, in aanmerking komt voor de no-riskpolis.</al><al/><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 mnd
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer een
                    structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de
                    werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                    Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats
                    moet hebben binnen de gemeente.</al><al>De no-riskpolis vergoedt het loon van de werknemer tot 120% van het minimumloon
                    vermeerderd met 15% voor extra werkgeverslasten.</al><al>De gemeente maakt ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis gebruik
                    van de no-riskpolis van het UWV. De werkgever is de begunstigde (derde
                    lid).</al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis vanaf 2 weken tot 24 maanden na
                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. De eerste twee weken zijn
                    derhalve een eigen risico.</al><al/><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                        verantwoordelijk</cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Indienstnemingsubsidie </vet></al><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al/><al>De in dit artikel opgenomen indienstnemingsubsidie is niet gericht op personen
                    met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt kwetsbare personen in de doelgroep.
                    De in dit artikel van deze verordening geregelde indienstnemingsubsidie is een
                    andere subsidie dan bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet.
                    De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet
                    voor personen met een arbeidsbeperking van wie is vastgesteld dat zij met
                    voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk
                    minimumloon. De loonkostensubsidie kan niet tegelijkertijd worden verstrekt met
                    de indienstnemingssubsidie. Het betreft verschillende personen uit de
                    doelgroep.</al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de indienstnemingsubsidie is het bieden van compensatie voor het
                    feit dat voor een persoon ten minste het minimumloon moet worden betaald,
                    terwijl de werkgever iemand niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een
                    indienstnemingsubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in
                    arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. In het tweede lid is de maximaal toe te
                    kennen indienstnemingsubsidie opgenomen. Uitgangspunt voor de berekening is dat
                    de loonkosten nooit meer zijn van 120% van het WML. De subsidie wordt
                    uitsluitend verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt
                    (zie artikel 4).</al><al/><al><vet>Artikel 15 Innovatie</vet></al><al>Het college kan bij wijze van experiment afwijken van het bepaalde in deze
                    verordening. De duur van een experiment is ten hoogste drie jaar. Na afloop van
                    de drie jaar moet het college besluiten of zij het experiment stopt dan wel de
                    afwijkende werkwijze borgt in de organisatie. </al><al>In het laatstgenoemde geval kan het noodzakelijk zijn dat de periode van
                    afwijkende behandeling wordt verlengd. Ook daarin voorziet dit artikel. </al><al/><al><vet>Artikel 16 Intrekken oude verordening en overgangsrecht</vet></al><al>In dit artikel is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de lopende
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. </al><al/><al>Voor het behoudt van de lopende voorzieningen is in dit artikel geregeld dat
                    dergelijke voorzieningen worden behouden voor maximaal 1 jaar of voor de duur
                    dat de voorziening is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de
                    voorwaarden uit de oude verordening. Wordt niet meer aan die voorwaarden
                    voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>