<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36581_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Coevorden</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-05-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Coevorden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Coevorden HuisAanHuis, 23-05-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 217</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, art. 100</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-05-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2007-05-08</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-12-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/414</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>welzijn, onderwijs en cultuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Overgangsbepalingen zijn vermeld in artikel 41</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20321</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20322</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20323</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20324</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-20325</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>No. 2007/414</al><al/><al> De raad van de gemeente Coevorden;</al><al/><al> gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 april 2007,
                        bijlagenr. 414; </al><al/><al> gezien het advies van de commissie Samenleving en Bestuur van 17 april
                        2007; </al><al/><al> gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; </al><al/><al> gelet op artikel 102 van de Wet op primair onderwijs, artikel 76m en
                        artikel 217 van de Wet op het voortgezet onderwijs; </al><al/><al> overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs bij
                        verordening te regelen; </al><al/><al><vet> b e s l u i t :</vet></al><al/><al> de “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden
                        2007”vast te stellen onder gelijktijdige intrekking van de “Verordening
                        voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden 2003”. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                                    gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                    grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs en school voor voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="d."><lijst><li nr="-"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs, voor
                                            praktijkonderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                            op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 75
                                    van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in
                                    aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76f en 210
                                    negende lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 76u en artikel 225, eerste lid
                                    van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs, artikel 76u, tweede lid en
                                    artikel 225, tweede lid van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76u en
                                    artikel 225, vierde lid van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><al> 1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                    rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw
                                    ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een
                                    school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie; </al><al> 2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; </al><al> 3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                    gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school; </al><al> 4° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                    behoeve van de huisvesting van een school; </al><al> 5° terrein voor zover benodigd voor de realisering van een
                                    onder a sub 1o tot en met 4o omschreven voorziening; </al><al> 6° inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet
                                    eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking
                                    is gebracht; </al><al> 7° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                    voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                    gebracht; </al><al> 8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                    dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van
                                    een gymnastiekruimte; </al></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs
                                    bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in
                                    bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, alsmede
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet manifest
                                    geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1° en a2°
                            kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde voorzieningen,
                                of bij toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                in artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van
                                de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a1°, a2°, a6°, a7° en onder a8° en
                                artikel 3. Deel B van bijlage IV is van toepassing op de
                                voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a3°, a4°, a5° en onder
                                b, c, d, e en f.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere aanwijzingen
                                worden gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag niet voor 1 februari is ingediend, besluit
                                    het college de aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging
                                                van een gebouw, uit onderhoud aan een gebouw van een
                                                school voor basisonderwijs of uit aanpassing aan de
                                                buitenzijde van een gebouw van een school voor
                                                voortgezet onderwijs of uit herstel van een
                                                constructiefout;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                                gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                                toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27. Bij de
                                                rapportage als bedoeld onder c wordt gebruik gemaakt
                                                van het door het college vastgestelde formulier
                                                ‘Bouwkundige opname’.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid deelt het college dit voor 15
                                        februari schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld voor 15 maart de
                                        ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de aanvrager de
                                        vereiste ontbrekende gegevens niet heeft verstrekt voor 15
                                        maart, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het
                                        college een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
                                        minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijk
                                        teldatum staat ingeschreven op de school, die geheel of
                                        gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen op het
                                        grondgebied van de gemeente. Indien het afschrift niet
                                        binnen een week na het tijdstip van de wettelijke teldatum
                                        is ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                        aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid
                                        gesteld het afschrift van de opgave alsnog binnen drie dagen
                                        na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen.
                                        Indien het afschrift van de opgave niet binnen de termijn
                                        bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, besluit het
                                        college de aanvraag niet te behandelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde gezagsorganen
                                een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende
                                aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het college daarbij aan
                                welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of van het college
                                    nader worden toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is,
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager indien het
                                    college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    begroting van de kosten dient te worden aangepast. Wanneer in
                                    het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de hoogte
                                    van het geraamde bedrag dan geeft het college dat, onder
                                    vermelding van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling
                                    van het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                    paragraaf 2.3. Het college geeft in dit voorstel tevens de
                                    hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de aangevraagde
                                    voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde
                                    in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in kennis
                                    gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren
                                    gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk
                                    kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college
                                    op deze zienswijzen, wordt door het college een verslag gemaakt.
                                    Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, dan wordt dit door
                                    het bevoegd gezag of het college tijdens het overleg als bedoeld
                                    in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit gebeurt aan de hand van
                                    een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen
                                    waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij
                                    wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en
                                    de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg
                                    in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen
                                    over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen, ontvangt
                                    die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast dat beschikbaar
                                    is voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort en/of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk op
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs en Wet op het
                                    voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing
                                    is, in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al><al> Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                            komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van
                                            de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                            uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover
                                            het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11,
                                            eerste lid, toereikend zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van urgentiecriteria als bedoeld in bijlage
                                    V.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de besluiten door
                                    het college schriftelijk mededeling gedaan aan de overige
                                    bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van vaststelling van het programma
                                    treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                    uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In
                                    dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de
                                    uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de wet;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop door het college toepassing wordt
                                            gegeven aan de toetsing van het bouwplan en de
                                            begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                            wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                            omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door het college
                                    schriftelijk vastgelegd in een verslag van het overleg en binnen
                                    vier weken na afloop van het overleg ter kennis gebracht van de
                                    aanvrager. Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het
                                    verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk
                                    heeft gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming of geen
                                    overeenstemming is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst beslist het college over de
                                    instemming met de bouwplannen en de desbetreffende begroting en
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen.
                                    Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze
                                    termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze
                                    termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                                    met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan
                                    op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.</al><al> Binnen twee weken na de datum van de beslissing over het
                                    bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                    bekostiging een aanvang neemt, deelt het college de beslissing
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als naar het oordeel van het college dat niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al><al> De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                    betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij
                                    zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht is verleend dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een
                                    afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het
                                    college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    binnen welke het werk wordt opgeleverd.</al><al> De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                                    onherroepelijk. In geval van een huur- of erfpachtovereenkomst
                                    wordt daarin de datum van inwerkingtreding vermeld, alsmede de
                                    duur van de overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst
                                    wordt daarin de datum van aankoop vermeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het
                                    college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met
                                            8o en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager heeft de gelegenheid de
                                    ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs en Wet op het
                                    voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing
                                    is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met
                                    betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college welk
                                    genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel A
                                    voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan
                                    wel wat het geraamde bedrag is indien het een voorziening
                                    betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij
                                    de beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                    bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                    afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen vier
                                    maanden na de datum van de beschikking door het college moet een
                                    bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur-, of
                                    erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. </al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig
                                van toepassing, met uitzondering van de in tweede lid van artikel 16
                                genoemde termijn van zes weken. Hiervoor moet worden gelezen drie
                                weken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het gestelde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek heeft beslist. Indien het
                                    college het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum
                                    waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college
                                    het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het
                                    verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet
                                    voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag indienen bij het college voor bekostiging van de
                                bouwvoorbereiding. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het
                                moment van aanbesteding van die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g."><al>indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                        gebouw: een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van
                                        de vervanging blijkt;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al><al> Bij de rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik gemaakt
                                        van het door de raad vastgestelde formulier ‘Bouwkundige
                                        opname’. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stellen hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats tezamen met
                                het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. De leden twee,
                                drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                beslissing over de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking vermeld
                                tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt tussen
                                aanvrager en het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van
                            bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager niet
                            voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de
                            beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze
                                        en</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs, indien uit de vergelijking van het
                                            aantal groepen zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er ten
                                            minste één leslokaal niet nodig is voor de daar
                                            gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs (met uitzondering van een
                                            zelfstandige school voor praktijkonderwijs), indien uit
                                            de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op
                                            basis van Bijlage III, deel B en de capaciteit van het
                                            gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, deel
                                            A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                            bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis
                                            van het lesrooster of lesroosters voor het lopende of
                                            eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het
                                            overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                            geen sprake is van onderbenutting van de
                                            onderwijsruimten. Voor een zelfstandige school voor
                                            praktijkonderwijs (niet zijnde een afdeling voor
                                            praktijkonderwijs) is hetgeen bepaald in lid a van dit
                                            artikel van toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, indien de som
                                            van het aantal klokuren gebruik dat door het college
                                            wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van Bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, indien de som
                                            van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                            klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de
                                    vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                    vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                    deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het
                                    overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de vordering
                                    te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal groepen of aantal
                                            leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt of,
                                            indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                            oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bepaald in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                    schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag.
                                    Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid heeft geleid
                                    tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken.
                                    Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag
                                    in het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben
                                    tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                    bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                    gezag toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, alsmede van de bestemming van de
                                    te verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent de toestemming niet indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs en Wet op het voortgezet onderwijs of
                                            regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag nodig
                                is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik van het
                                gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op
                                de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                                ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden,
                                een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een
                                opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de gemeente
                                gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                                onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26
                                klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor bekostiging door
                                        de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                        klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de
                                        school. Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in
                                        dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering
                                        voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat
                                        rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd
                                voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen
                                twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid
                                gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Aanvragen voor voorzieningen in de huisvesting voor opneming in het
                            onderwijshuisvestingsprogramma 2007 die zijn ingediend bij de raad
                            worden vanaf 8 maart 2006 geacht te zijn ingediend bij het college.</al><al>Aanvragen voor voorzieningen in de huisvesting met een spoedeisend
                            karakter die zijn ingediend voor</al><al>8 maart 2006 worden conform de toen geldende wettelijke bepalingen door
                            de raad afgehandeld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel; Inwerktreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden
                                    2007.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en
                                    werkt terug tot 1 januari 2007.</al></li><li nr="3."><al>Op de in lid 2 genoemde datum vervalt de Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Coevorden
                                    2003.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 mei 2007. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE</titel></kop><al/></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen </tussenkop><al/><al> Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen: </al><al>deel A: lesgebouwen;</al><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening. </al><al/><al/><al><vet><onderstreept>DEEL A
                            Lesgebouwen</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>1  School voor basisonderwijs </vet>De voorzieningen
                    genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2a, 1.3.2b en 1.10 d worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere
                    omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en
                    ter beoordeling van het college. </al><al/><al><vet>1.1  Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                            zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of </al><al/><al>2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                            zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al><al/><al/></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al/><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging); </al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of
                            zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                            worden verwacht of </al><al/><al>2 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
                        </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college; </al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><tussenkop>1.3 Uitbreiding </tussenkop><al><vet>1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet> De noodzaak
                    voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de
                            capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend
                            gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of </al><al/><al>2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of </al><al/><al>3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet
                            voor maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren, terwijl </al></li><li nr="d."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in
                            oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de
                            genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage
                            III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde
                            leslokalen te maken. </al></li></lijst><al><vet>1.3.2  Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal</vet>
                    De noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen
                            (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening en voor ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen kunnen worden
                            verwacht terwijl </al></li><li nr="b."><al>voor het spelen van (een deel van) de vier- en vijfjarigen geen gebruik
                            kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van
                            een andere basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300
                            meter hemelsbreed. </al></li></lijst><al><vet>1.4  Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet> De noodzaak
                    van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of </al><al/><al>2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl </al></li><li nr="b."><al>1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al/><al>2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
                        </al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; </al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><al><vet>1.5  Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet> De noodzaak van
                    verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl </al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                        </al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al></li></lijst><al><vet>1.6  Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van
                    (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>1.7  Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet> De noodzaak
                    voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat de
                    school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de
                    aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo’n
                    uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging
                    heeft plaatsgevonden. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra
                    onderwijsleerpakket, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school
                    na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. De noodzaak
                    voor een toeslag tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat
                    een basisschool uitgebreid wordt met een tweede speellokaal. </al><al/><al><vet>1.8  Eerste inrichting meubilair</vet> De noodzaak voor eerste
                    aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de school, op grond van de
                    laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, uitgebreid wordt
                    met ten minste één groep leerlingen, en voor zo’n uitbreiding in de periode
                    vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. Bij
                    fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het
                    aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de
                    fusie deelnemende scholen. De noodzaak voor een toeslag tweede speellokaal
                    meubilair blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt met een
                    tweede speellokaal. </al><al/><al><vet>1.9  Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit
                    het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van
                    het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is.
                    </al><al/><al><vet>1.10  Aanpassing</vet> De voorziening aanpassing bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;
                        </al></li><li nr="c."><al>creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw; </al></li><li nr="d."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw; </al></li><li nr="e."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving; </al></li><li nr="f."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en </al></li><li nr="g."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen; </al></li><li nr="h."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Ad a</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs,
                    terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                    te verwezenlijken zijn. </al><al/><al><vet>Ad b</vet> De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een
                    schoolgebouw te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het
                    aantal groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden
                    beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school
                    voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het
                    onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. De noodzaak voor
                    een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school voor
                    basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het onderwijs
                    aan leerlingen jonger dan zes jaar. </al><al/><al><vet>Ad c</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer
                    groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond
                    van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                    bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto-oppervlakte en de genormeerde
                    bruto-oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                    extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden
                    aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter hemelsbreed. Indien het
                    inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op grond van
                    bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. </al><al/><al><vet>Ad d</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    school niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2
                    aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school
                    binnen 300 meter mogelijk is. Voor een speciale school voor basisonderwijs is de
                    noodzaak ook afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen
                    jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig creëren van een
                    speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter beoordeling van het
                    college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de
                    gevraagde voorziening is. </al><al/><al><vet>Ad e</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                    overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven. </al><al/><al><vet>Ad f</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Ad g </vet>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de
                    aanwezigheid van een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de
                    handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het
                    aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                    organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de
                    begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.
                    Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al><vet>Ad h</vet> De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en </al></li><li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en </al></li><li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en </al></li><li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.11  Onderhoud</vet> De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’; </al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Gehuurde
                    gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. Noodzakelijk onderhoud aan
                    permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                    prognose, die voldoet aan de in bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog
                    ten minste vier jaar voor de school nodig is. Noodzakelijk onderhoud aan
                    noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                            II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                            en </al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed. </al><al/></li></lijst><al><vet>1.12  Herstel van constructiefouten</vet> De noodzaak van
                    herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt
                    vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. </al><al><vet>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet> De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
                    </al><al/><al><vet>2  School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college. </al><al/><al><vet>2.1  Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al>2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al><vet>2.2  Vervangende bouw </vet>De noodzaak van vervangende
                    bouw blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo’n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging); </al></li><li nr="b."><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al/><al>2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                            vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                            dit aantal leerlingen kan worden verwacht en </al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: </al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college; </al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats. </al><al/><al><vet>2.3  Uitbreiding</vet> De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.
                        </al></li></lijst><al><vet>2.4  Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet> De noodzaak
                    van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of a2 het feit dat het huidige gebouw
                            voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl </al></li><li nr="b."><al>1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al>2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en
                        </al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; </al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en </al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.5  Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet> De noodzaak van
                    verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: </al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl </al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en
                        </al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.6  Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van
                    (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al/><al><vet>2.7  Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet>
                    Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school. Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting-
                    en hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake
                    zijn van extra inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal
                    leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                    afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen. </al><al/><al><vet>2.8 Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het
                    feit dat de school een aantal leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande
                    huisvesting geen capaciteit is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals
                    beschreven is bij 3.3.a. </al><al/><al><vet>2.9  Aanpassing</vet></al><tussenkop>Buitenzijde gebouw en terrein </tussenkop><al/><al>De voorziening aanpassing buitenzijde gebouw en terrein bestaat uit de
                    activiteiten die zijn opgenomen in het bijgevoegde overzicht ‘activiteiten VO
                    buitenzijde’. De noodzaak van aanpassing buitenzijde gebouw en terrein blijkt
                    uit het feit dat het gevraagde element of een gedeelte daarvan ten minste in een
                    matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel
                    7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet
                    langer volstaat, dan wel uit de aanwezigheid van een rolstoelgebruiker als het
                    betreft de activiteit ‘terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers’. </al><tussenkop>Binnenzijde gebouw</tussenkop><al>Daarnaast behoren de activiteiten op het bijgevoegde overzicht ‘activiteiten VO
                    binnenzijde’ tot aanpassingen, voorzover deze uitkomen boven het drempelbedrag,
                    zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO.
                    In het geval van aanpassingen aan de binnenzijde van het gebouw blijft het
                    bedrag per leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het
                    drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het
                    voortgezet onderwijs voor rekening van het bevoegd gezag. Activiteiten uit het
                    bijgevoegde overzicht ‘activiteiten VO binnenzijde’ zijn aan de orde bij: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het te geven voortgezet onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten door middel van een
                            aanpassing van de indeling; </al></li><li nr="c."><al>creëren dan wel aanpassen van ruimte(n) binnen het gebouw; </al></li><li nr="d."><al>aanpassingen in verband met eisen voortkomend uit wet- en regelgeving.
                        </al></li></lijst><al><vet>Ad a</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 3.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de huisvestingseisen voor het desbetreffende voortgezet
                    onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                    het college, te verwezenlijken zijn. </al><al><vet>Ad b</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat door
                    terugloop van het aantal leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet
                    worden beëindigd omdat binnen andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende
                    ruimte aanwezig is. </al><al><vet>Ad c</vet> De noodzaak voor het creëren van extra ruimte(n) blijkt uit het
                    feit dat er meer leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw als vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens inpandig of
                    deels inpandig mogelijkheden zijn de bruto vloeroppervlakte van het gebouw te
                    vergroten. De noodzaak voor het aanpassen van bestaande ruimte(n) blijkt uit het
                    feit dat de betreffende (ruimte(n) niet voldoen aan de eisen die gelden voor het
                    onderwijs in die ruimte(n). </al><al><vet>Ad d</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    inrichting van het gebouw niet overeenkomt met de geldende wet- en regelgeving,
                    terwijl dat verschil moet worden opgeheven. De noodzaak voor het aanbrengen van
                    een traplift bij een meerlaags schoolgebouw blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leraar of leerling waarvoor vanwege de handicap deze voorziening
                    noodzakelijk is. Tevens dient het niet mogelijk te zijn om zodanige
                    organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de
                    begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.
                    Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere voorziening (die minder kost) mogelijk is. </al><al/><al><vet>2.10  Herstel van constructiefouten</vet> De noodzaak van
                    herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt
                    vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. Voor
                    constructiefouten aan de binnenzijde van het gebouw geldt het drempelbedrag,
                    zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO.
                    Tot dit drempelbedrag vormen constructiefouten geen voorziening in de
                    huisvesting die bij de gemeente kan worden aangevraagd en komen de kosten voor
                    rekening van het bevoegd gezag. </al><al><vet>2.11  Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet> De
                    noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al/><al><vet><onderstreept>DEEL B  Voorzieningen
                            voor lichamelijke oefening</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1  Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al><vet>1.2  Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw
                    blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al><vet>1.3  Uitbreiding</vet> De noodzaak van uitbreiding van de
                    oefenruimte blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al><vet>1.4  Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet> De noodzaak
                    van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of </al><al>2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en </al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.5  Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van
                    (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de
                    nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
                    </al><al/><al><vet>1.6  Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet> De noodzaak van
                    eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.7  Eerste inrichting meubilair</vet> De noodzaak van eerste
                    inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt. </al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.8  Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit
                    het feit dat het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren gymnastiek
                    noodzakelijk is en waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde
                    gymnastiekruimte(n) geen plaats is. </al><al/><al><vet>1.9  Aanpassing</vet> De aanpassingen bestaan uit: </al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; </al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte; </al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving; </al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. </al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden
                    zijn. <vet>Ad 2</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                    kleedruimten zijn. </al><al><vet>Ad 3</vet> De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.
                    </al><al><vet>Ad 4</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet
                    overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl
                    onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.
                    </al><al><vet>Ad 5</vet> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien
                    zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is. </al><al/><al><vet>1.10 Onderhoud</vet> De voorziening onderhoud bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’; </al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk); </al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming. </al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Gehuurde
                    gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud. Noodzakelijk onderhoud aan
                    permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                    prognose, die voldoet aan de in bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog
                    ten minste vier jaar voor de school nodig is. </al><al/><al><vet>1.11  Herstel constructiefouten</vet> De noodzaak van het
                    herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt
                    vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. </al><al/><al><vet>1.12  Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval </vet></al><al><vet>van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al><al/><al><vet>2. School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000
                            meterhemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.2  Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw
                    blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000
                            meterhemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet> De noodzaak van uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn. </al></li></lijst><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet> De noodzaak
                    van ingebruikneming blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of </al><al>2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en </al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en </al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en </al></li><li nr="d."><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                            redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                            opzichte van de kosten van vervangende bouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.5 Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van
                    (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de
                    nieuwbouw of de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.
                    </al><al><vet>2.6  Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</vet> De noodzaak
                    van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt. </al><al/><al/><al/></li></lijst><al><vet>2.7 Medegebruik</vet></al><al/><al><vet>2.7.1  Medegebruik gymnastiekruimte</vet> De noodzaak van
                    medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat klokuren gymnastiek
                    noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde
                    gymnastiekruimte(s) geen ruimte is. </al><al/><al><vet>2.7.2  Huur van een sportterrein</vet> De noodzaak van huur van
                    een sportveld blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en </al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.8 Aanpassing</vet></al><al/><al><vet>Buitenzijde gebouw en terrein</vet> De voorziening aanpassing buitenzijde
                    gebouw en terrein bestaat uit de activiteiten die zijn opgenomen in het
                    overzicht ‘activiteiten VO buitenzijde’. De noodzaak van de aanpassing
                    buitenzijde gebouw en terrein blijkt uit het feit dat het gevraagde element of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, terwijl regulier
                    onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. </al><al/><al><vet>Binnenzijde gebouw</vet> Daarnaast behoren de activiteiten die op het
                    overzicht ‘activiteiten VO binnenzijde’ zijn opgenomen, tot aanpassingen. In het
                    geval van aanpassingen aan de binnenzijde van het gebouw blijft het bedrag per
                    leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag,
                    bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet
                    onderwijs voor rekening van het bevoegd gezag. Activiteiten uit het overzicht
                    ‘activiteiten VO binnenzijde’ zijn aan de orde bij: </al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het te geven voortgezet onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D; </al></li><li nr="b."><al>eisen voortkomend uit wet- en regelgeving. </al></li></lijst><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.
                    </al><al/><al><vet>2.9 Herstel constructiefouten</vet> De noodzaak van het herstel
                    van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt
                    vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout. Voor
                    constructiefouten aan de binnenzijde blijft het bedrag per leerling, zoals
                    opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in
                    artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                    rekening van het bevoegd gezag. </al><al/><al><vet>2.10  Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval </vet></al><al><vet>van bijzondere omstandigheden</vet> De noodzaak van herstel of vervanging
                    blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het
                    onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. </al><al><vet>I-1 Overzicht ‘Onderhoud PO’</vet></al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud: </al><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten </al><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging. </al><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders. </al><al>Vervangen brandtrap. </al><al>Vervangen erfscheiding. </al><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein. </al><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk (renovatie-activiteit). </al><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk (renovatie-activiteit). </al><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie-activiteit). </al><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten. </al><al>Vervangen boeiboorden. </al><al><vet>I-2 Overzicht 'Activiteiten VO binnenzijde'</vet></al><al>Activiteiten die behoren tot het aanpassen (aanbrengen, verplaatsen,
                    verwijderen) en vernieuwen (ingrijpend onderhoud) van: </al><al>binnenwanden; </al><al>vouwwanden; </al><al>binnenkozijnen; </al><al>binnenzonwering; </al><al>stucwerk; </al><al>plafonddelen; </al><al>vloeren; </al><al>vloertegels; </al><al>sanitair; </al><al>aanrechten; </al><al>keukenkastjes; </al><al>zuurkasten; </al><al>waterleiding; </al><al>binnenriolering; </al><al>gasleiding; </al><al>cv-leiding; </al><al>radiatoren; </al><al>traplift. </al><al/><al><vet>I-3 Overzicht ‘aanpassing VO buitenzijde’</vet> Activiteiten die
                    behoren tot het aanpassen (aanbrengen, verplaatsen, verwijderen) en vernieuwen
                    (ingrijpend onderhoud) van: </al><al>stenen dakbedekking; </al><al>dakranden; </al><al>dakvensters; </al><al>lichtkoepels; </al><al>buitenwanden; </al><al>voegwerk; </al><al>buitenkozijnen; </al><al>entreepui; </al><al>buitenzonwering; </al><al>buitentrappen; </al><al>bestrating; </al><al>rijwielloodsen; </al><al>afrastering; </al><al>buitenriolering; </al><al>terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers. </al><al/><al>Het op kleine schaal vernieuwen van onder aanpassing genoemde elementen, zoals
                    het vervangen van enkele dakpannen, behoort tot het programma van eisen
                    onderhoud (klein en dagelijks onderhoud). Het bijbehorend schilderwerk, de
                    vervanging van de vloerbedekking en overige zaken die in het programma van eisen
                    onderhoud zijn opgenomen, vallen eveneens buiten de vergoeding voor aanpassing.
                </al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses </tussenkop><al> De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld
                    in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. In bijlage I is voor de
                    voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognosetermijn moet
                    worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende
                    voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl voor voorzieningen
                    met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen
                    blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-termijnprognose. De
                    prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden; </al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; </al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied; </al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte; </al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad; </al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en </al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven. </al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. De prognose omvat in elk geval de
                    bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode)
                    met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Het
                    voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de
                    leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool
                    wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het
                    voedingsgebied op wijkniveau. Voor het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering
                    worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met
                    betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd. </al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling </tussenkop><al> De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: </al><al/><al>deel A: de bepaling van de capaciteit; </al><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; </al><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; </al><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen. </al><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit </tussenkop><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet> De capaciteit van de gebouwen
                    voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het
                    college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                    vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien
                    de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    onderwijskundige, culturele, maatschappelijke en recreatieve doeleinden.
                    </al><al/><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                        B-dislocaties met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard)</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de ‘Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs’. </al><al/><al><vet>Basisschool</vet> De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal
                    groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het
                    aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief het
                    handvaardigheidslokaal, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden
                    niet meegeteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd. Om te kunnen bepalen of een gebouw is ‘overgedimensioneerd’,
                    dient een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw
                    op basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling. Het
                    aantal groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de
                    bvo, vastgesteld met behulp van tabel 1, 2 en 3 hieronder voor respectievelijk
                    huisvesting met een permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke
                    bouwaard. </al><tussenkop>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard </tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="54*"/><colspec colname="col2" colwidth="46*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin meer
                                            dan 30 leerlingen worden gehuisvest</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige
                                        vernieuwingen) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>350 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>465</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>580</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>900</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1.015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.130</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1.245</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1.360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1.475</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>1.590</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>1.705</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>en vervolgens te verhogen met 115 m2 ten behoeve van één
                                        groep leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Indien het gebouw beschikt over een tweede speellokaal,
                                        wordt de minimale bvo opgehoogd met 90 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder
                                            dan 31 leerlingen worden gehuisvest </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor onderwijskundige
                                        vernieuwingen) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvesting </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="62*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>305</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>410</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>515</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>710</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>815</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>920</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1.025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 105 m2 ten behoeve van
                                        één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvesting </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="62*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen leerlingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Minimale bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>180</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>260 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>420</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>en vervolgens telkens te verhogen met 80 m2 ten behoeve van
                                        één groep leerlingen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het aantal lokalen de
                    capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan
                    het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de normatieve
                    bvo behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal waarmee de bvo van het gebouw is
                    overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken
                    van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid. </al><al/><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en
                    3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt
                    uitgegaan van 115 m2 BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw
                    met een permanente bouwaard en van 80 m2 per groep leerlingen indien sprake is
                    van een gebouw met een tijdelijke bouwaard. </al><al/><al><vet>1.3  Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een
                    hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                    rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is
                    vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
                    nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van
                    de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij
                    de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de
                    gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij
                    als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                    vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. </al><al/><al><vet>1.4  Terrein</vet> Onder terrein dient te worden verstaan het
                    kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met
                    toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                    </al><al/><al><vet>1.5  Inventaris</vet> Met de inventarisgegevens worden de
                    gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen van de desbetreffende school wordt
                    vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. De
                    aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair
                    worden afzonderlijk vastgelegd. </al><al/><al><vet>a. onderwijsleerpakket</vet> Het aantal groepen waarvoor
                    onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van de volgende twee
                    stappen: </al><lijst><li nr="·"><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk
                            aan het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket noodzakelijk is bij
                            aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na
                            inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen onderwijsleerpakket is
                            verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het
                            ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                            beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen
                            burgemeester en wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van het
                            laatste is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het
                            ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de
                            WBO, voor minder groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het
                            bevoegd gezag van de school dit aan. </al></li><li nr="·"><al>Het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden
                            geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Omrekentabel onderwijsleerpakket</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>b.  meubilair</vet> Het aantal groepen waarvoor meubilair
                    aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van de volgende twee stappen: </al><lijst><li nr="·"><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het
                            aantal groepen waarvoor meubilair noodzakelijk is bij aanvang van het
                            schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de
                            WBO, voor meer groepen meubilair is verstrekt, toont het college dit aan
                            door middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de
                            correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het desbetreffende
                            schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college, zonder
                            tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste
                            aanschaf van meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van
                            de WBO, voor minder groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd
                            gezag van de school dit aan. </al></li><li nr="·"><al>Het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden geconverteerd
                            met behulp van onderstaande omrekentabel: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Omrekentabel meubilair</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>OUD</al></entry><entry colname="col2"><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het
                    meubilair worden afzonderlijk vastgelegd. </al><al/><al><vet>1.6  Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een
                    gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren. </al><al/><al><vet>1.6.2 Terrein</vet> De terreinoppervlakte is de oppervlakte
                    zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de
                    vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van
                    het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al/><al><vet>1.6.3  Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997
                    wordt geacht voldoende te zijn. </al><al/><al/><al><vet>2 School voor voortgezet onderwijs</vet> De capaciteit van de
                    gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in gegevens
                    over: </al><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen; </al><al>het aantal specifieke ruimten; </al><al>het aantal werkplaatsen; </al><al>het aantal gymnastieklokalen. </al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al><al/><al><vet>2.1  Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een
                        permanente of een tijdelijke </vet></al><al><vet>bouwaard</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de ‘Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’.
                    Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven ‘aantal gymnastieklokalen’
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven ‘aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen’ indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven ‘aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen’ moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.
                    </al><al/><al><vet>2.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet> De vaststelling
                    van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                    gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                    leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens
                    vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het
                    bovenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het
                    college, het college anders beslist. </al><al/><al><vet>2.3 Terrein</vet> Onder terrein dient te worden verstaan het
                    kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met
                    toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                    </al><al/><al><vet>2.4  Inventaris</vet> Voor de inventaris is het uitgangspunt dat
                    op 1 januari 1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van
                    een inventaris. De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de
                    vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris. </al><al/><al/><al><vet>2.5  Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>2.5.1 Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een
                    gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur. </al><al/><al><vet>2.5.2  Terrein</vet> De terreinoppervlakte is de oppervlakte
                    zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de
                    vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van
                    het lesgebouw, wordt geregistreerd. </al><al/><al><vet>2.5.3  Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997
                    wordt geacht voldoende te zijn. </al><tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte </tussenkop><tussenkop>1 School voor basisonderwijs 1.1 Lesgebouwen </tussenkop><al><vet>Basisschool</vet> Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van
                    een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                    van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt
                    voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule
                    onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                    ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b. De formatie die
                    aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen formatie
                    onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en
                    schoolgewicht (D). </al><lijst><li nr="a."><al>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening voor een basisschool: G = (A + B + C) / 179
                            Waarbij: </al><lijst><li nr="o"><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal
                                    groepen. Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een
                                    geheel aantal groepen. </al></li><li nr="o"><al>A= het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1
                                    oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking
                                    heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.
                                    Het verkregen getal A wordt niet afgerond. </al></li><li nr="o"><al>B= het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober
                                    voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op
                                    de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. Het
                                    verkregen getal B wordt niet afgerond. </al></li><li nr="o"><al>C= 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober
                                    voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op
                                    de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).
                                    Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de
                                    factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal C wordt niet
                                    afgerond. </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening voor een basisschool: G = (A + B + C + D) /
                            179 + E + 0,5 F Waarbij: </al><lijst><li nr="o"><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal
                                    groepen. Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een
                                    geheel aantal groepen. </al></li><li nr="o"><al>A= </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de
                                            meest recente teldatum 1 oktober op de school is
                                            ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. </al></li><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een
                                            toename van het aantal leerlingen zoals bedoeld in het
                                            Besluit bekostiging WPO) het aantal leerlingen van 4 tot
                                            en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente
                                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd
                                            met 9. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>oB = </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente
                            teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                            6,17. </al></li><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het
                            aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest
                            recente telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.
                        </al></li></lijst><al>Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><al>oC = </al><lijst><li nr="a."><al>280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum
                            1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). </al></li><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                            aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) 280
                            minus (het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente
                            telling op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06). </al></li></lijst><al>Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0
                    bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond. </al><lijst><li nr="o"><al>D = </al><lijst><li nr="a."><al>som van de gewichten [x] op basis van het totaal aantal
                                    leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de
                                    school is ingeschreven, verminderd met 8,35% van het totaal
                                    aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op
                                    de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger is
                                    dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober
                                    ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D
                                    vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1
                                    oktober op de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen
                                    getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele
                                    getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. </al></li><li nr="b."><al>(indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van
                                    het aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging
                                    WPO) som van de gewichten op basis van het totaal aantal
                                    leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de
                                    school is ingeschreven, verminderd met 8,35% van het totaal
                                    aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling
                                    op de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger
                                    is dan 80% van het aantal op de meest recente telling
                                    ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D
                                    vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente telling op
                                    de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt
                                    rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt
                                    vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. Indien de uitkomst van deze
                                    berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald. Het
                                    verkregen getal wordt niet afgerond. </al></li></lijst></li><li nr="o"><al>E = aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden,
                            toegekend op basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair
                            onderwijs. </al></li><li nr="o"><al>F = het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat
                            door de gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering. </al></li></lijst><al/><al><vet>1.2  Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>Basisschool</vet> Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor
                    het aantal klokuren gymnastiek. Per groep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van
                    maximaal 1,5 klokuur gymnastiek. Het aantal groepen is afhankelijk van het
                    aantal formatieplaatsen. Ten behoeve van de bepaling van het aantal
                    formatieplaatsen wordt uitgegaan van de formule G = (A + B + C + D) / 179 De
                    componenten G, A, B, C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in
                    de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B,
                    onder 1.1. Voor het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt
                    aangesloten bij het normatieve overzicht ‘splitsing aantal groepen leerlingen’
                    zoals weergegeven in tabel 5. </al><al/><al>Tabel 5 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G) </al><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen
                    leerlingen (G) in groepen 4- en 5-jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen
                    ten behoeve van het onderwijs in de lichamelijke oefening. Vanaf 2002 wordt
                    uitgegaan van de volledige doorvoering van de groepsgrootteverkleining. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen per school (G)</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal groepen 4/5-jarigen</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal groepen 6/12-jarigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>28</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al><al><vet>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van ) eerste
                        aanschaf onderwijsleerpakket en meubilair.Basisschool</vet> De
                    inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten: </al><lijst><li nr="a."><al>onderwijsleerpakket </al></li><li nr="b."><al>meubilair </al></li><li nr="a."><al>onderwijsleerpakket Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het
                            onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                            onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen
                            uitgegaan van de onderstaande formule: G = (A + B + C + D) / 179 + E De
                            componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals
                            opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in
                            bijlage III, deel B, onder 1.1. </al></li><li nr="b."><al>meubilair Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van
                            de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het
                            aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule: G = (A + B + C) /
                            179 De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals
                            opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in
                            bijlage III, deel B, onder 1.1. </al></li></lijst><al><vet>2  School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1  Lesgebouwen</vet> Voor een school voor voortgezet onderwijs
                    wordt met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald.
                    Het totale ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een
                    optelling van twee componenten, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component; </al></li><li nr="2."><al>een vaste voet. </al></li></lijst><al/><al><vet>ad 1 Een leerlinggebonden component</vet> Deze wordt bepaald
                    door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto-vloeroppervlakten per
                    leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden
                    component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die de
                    leerling volgt. </al><al><vet>ad 2 Een vaste voet</vet> De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in
                    tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per
                    instelling of sector. De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging
                    en van het onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging
                    van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                    normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van
                    toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante
                    meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. Het RBM voorziet in een
                    normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke
                    normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert
                    diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen die het
                    samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de
                    diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere
                    scholen voor voortgezet onderwijs. Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a
                    en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van
                    deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de
                    toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten
                    binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. </al><al/><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg </al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype </al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al/><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet </al><al>onderwijs </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is. </al><al/><al><vet>2.2 Gymnastiekruimten</vet> De in onderstaande tabel 7.2
                    ‘Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs’
                    vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de
                    omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van
                    gymnastiekonderwijs. </al><al/><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda </al><al>TLW = theoretische leerweg </al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs </al><al>GLW = gemengde leerweg </al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning </tussenkop><al/><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen. </al><al/><al><vet>1  School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1  Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter
                    vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1
                    groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. Indien in de
                    gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is
                    opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het
                    aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden
                    gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit
                    van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in
                    combinatie met uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de
                    verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De bepaling
                    van de capaciteit’. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van
                    aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw,
                    hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. Een toeslag voor
                    een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                    gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een
                    uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw
                    betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal
                    bevat. Een tweede toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend
                    indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.
                    De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven
                    in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang
                    van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. </al><al/><al><vet>1.2  Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                    omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                    jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de
                    goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, uitbreiding, dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het
                    verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’. Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten
                    behoeve van een speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw,
                    uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de
                    vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan
                    wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens
                    als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede
                    tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende
                    groep omvat. Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’.
                    Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw. De omvang
                    van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming
                    wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk
                    is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter
                    dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan
                    vijftien jaar, noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. </al><al/><al><vet>1.3  Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. Voor een basisschool
                    wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen
                    waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd en de
                    normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor het
                    aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief kan
                    worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, laatst bekende
                    teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van
                    deel B van deze bijlage. Voor een basisschool wordt de omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel
                    uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt bepaald door het
                    verschil tussen het aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is
                    bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    het aantal groepen, op basis van het aantal ongewogen leerlingen, zoals
                    normatief kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, laatst
                    bekende teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf
                    1.3 van deel B van deze bijlage. Voor een basisschool wordt een toeslag
                    onderwijsleerpakket tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een
                    uitbreiding met een tweede speellokaal. Voor een basisschool wordt een toeslag
                    meubilair tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding
                    met een tweede speellokaal. Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                    de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                    meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan
                    worden gevormd, op basis van de, voor het indienen van de aanvraag, laatst
                    bekende teldatum [of: meest recente teldatum]. De omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening, danwel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening aanpassing anders dan een aanpassing als gevolg van
                    onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening aanpassing als gevolg
                    van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de verschiloppervlakte
                    tussen het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen zoals deze
                    golden voor 1 januari 2003 en het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de
                    minimumnormen (zie bijlage III, deel A) bij het aantal groepen dat bepaald is
                    aan de hand van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van
                    de ruimtebehoefte’ met als maximum het aantal groepen van de school waarvoor de
                    school over permanente huisvesting beschikt. De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                    onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>1.4 Gymnastiekruimten</vet> De omvang van de goedgekeurde
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen
                    bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. De omvang
                    van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de
                    goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van
                    een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).
                    De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van het goedgekeurde
                    terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding
                    van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens
                    de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de
                    goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van
                    ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de
                    noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan
                    waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het
                    goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
                    De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>2  School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang
                    van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan
                    wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen,
                    waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De hieruit
                    voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage. De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                    gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de
                    goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    medegebruikwordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. De omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening aanpassing de binnenzijde van het
                    gebouw betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn om de onbelemmerde voortgang van het onderwijs te kunnen garanderen voor
                    het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is en voor zover de kosten van deze activiteiten het drempelbedrag per leerling,
                    zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld
                    in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te
                    boven gaan. </al><al/><al><vet>2.2  Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                    omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan welvervangende nieuwbouw<cursief>, </cursief>wordt
                    bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar
                    doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang van de
                    goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan
                    weluitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen
                    waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar
                    noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare
                    huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’. De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                    gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en
                    de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. De omvang
                    van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. De omvang van de voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening in de huisvesting verplaatsing van noodlokalen
                    wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van
                    deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’. </al><al/><al><vet>2.3  Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van de voor blijvend, dan wel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan
                    weluitbreiding van het terrein<cursief>,</cursief> wordt bepaald door
                    de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf
                    van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                    aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair<cursief>,</cursief> is gekoppeld
                    aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting. De omvang van de
                    tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er
                    sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte
                    wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen
                    de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding
                    voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. De omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening aanpassing de buitenzijde van het gebouw of het terrein
                    betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    om de onbelemmerde voortgang van het onderwijs te kunnen garanderen voor het
                    aantal leerlingen waarvoor huisvesting langer dan vijftien jaar noodzakelijk is.
                    De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandighedenwordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al/><al><vet>2.4 Gymnastiekruimten</vet> De omvang van de goedgekeurde
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage. De
                    omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.
                    De omvang van de goedgekeurde aanpassing, de buitenzijde van het gebouw of het
                    terrein betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de
                    goedgekeurde aanpassing, de binnenzijde van het gebouw betreffende, wordt
                    bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw
                    geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de
                    voortgang van het onderwijs en voor zover de kosten van deze activiteiten het
                    drempelbedrag per leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van
                    het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op
                    het voortgezet onderwijs, te boven gaan. De omvang van het goedgekeurde terrein,
                    dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding
                    van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens
                    de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de
                    goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van
                    ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de
                    noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan
                    waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het
                    goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden,wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de
                    goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in
                    lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het
                    lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het
                    ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) :
                    460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd:
                    (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. Hierop wordt het aantal in eigen
                    accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf
                    3.5.1). De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten
                    hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding
                    wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het
                    met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal:
                    (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs
                    wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) /
                    322. </al><tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                    voorzieningen </tussenkop><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m2/ll
                    met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met
                    600 m2 netto; </al><al/><al>1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 84 m2, vanaf de
                    veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum netto oppervlakte van 84
                    m2; </al><al/><al>minimumoppervlakte leslokaal: 42 m2 netto. </al><al/><al><vet>2  School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>3 Gymnastiekruimten</tussenkop><lijst><li nr="·"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto. </al></li><li nr="·"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m. </al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid. </al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’ </tussenkop><al/><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw: </al><lijst><li nr="·"><al>De bruto-vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de
                            bruto-vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op
                            alle vloerniveaus. </al></li><li nr="·"><al>De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de
                            buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                            vloerhoogte. </al></li><li nr="·"><al>De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de
                            bruto-vloeroppervlakte te worden gerekend. </al></li><li nr="·"><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw. </al></li><li nr="·"><al>Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie. </al></li><li nr="·"><al>Tot de bruto-vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een
                            vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m2. </al></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="·"><al>In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend. </al></li><li nr="·"><al>Indien de bruto-vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen
                            de netto-oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De
                            bruto-vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden
                            netto-vloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,1. </al></li><li nr="·"><al>Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt de bruto-vloeroppervlakte bepaald door de
                            netto-vloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte ]
                            2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,1. </al></li><li nr="·"><al>Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’ </tussenkop><al/><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW. De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de
                    bruto-vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’
                    binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de
                    buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen. Tot de
                    bruto-oppervlakte behoort eveneens: </al><lijst><li nr="·"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau; </al></li><li nr="·"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2. </al></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="·"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.
                        </al></li><li nr="·"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend. </al></li><li nr="·"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend. </al></li></lijst><al/><al/><al/><al><vet>Bijlage IV  Financiële normering</vet></al><al/><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al><lijst><li nr="·"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen; </al></li><li nr="·"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten; </al></li><li nr="·"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief. </al></li></lijst><tussenkop>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen </tussenkop><al/><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                    (paragrafen 1.1, 1.2 en 2.1) is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een
                    bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten)
                    van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van
                    een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                    uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de
                    bouwvoorbereiding in mindering gebracht. </al><al/><al><vet>1  School voor basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1); </al></li><li nr="·"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2); </al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); </al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4);
                        </al></li><li nr="·"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en </al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6). </al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2004 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2005 (-3,82 % voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,07 % voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4. </al><al/><al><vet>1.1  Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal
                    kostencomponenten, te weten: </al><lijst><li nr="·"><al>kosten voor terrein; </al></li><li nr="·"><al>bouwkosten; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor paalfundering; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal; </al></li><li nr="·"><al>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                            vervangende bouw. </al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al/><al><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al/><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen
                    kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke
                    diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor
                    de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de
                    gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal
                    benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.
                    </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al/><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                    staal, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat
                    uit een vast bedrag en een bedrag per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de
                    in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De
                    vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet (incl. twee groepen)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 657.444,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 128.623,55</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al/><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van het
                    gebouw op staal. In een aantal gevallen zal fundering op palen nodig zijn. De
                    kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te
                    weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is
                    uitgedrukt in een vast bedrag (inclusief twee respectievelijk vier groepen) en
                    een bedrag per groep. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis
                    van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="26*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1&lt;15</al></entry><entry colname="col3"><al>15&lt;20</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet (incl. twee groepen)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.256,07</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 13.462,64</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 21.490,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.874,47</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 3.170,53</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 5.674,59</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</vet></al><al/><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee 90 m2 ruimte gerealiseerd kan
                    worden. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.662,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 102.129,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 103.143,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering &gt;=20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 105.102,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw</vet></al><al/><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude
                    schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna
                    worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt
                    gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie. De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele
                    verhuiskosten) zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per
                    groep, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden. De
                    vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.108,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.555,25</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>1.2  Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al/><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                    brutovloeroppervlakte (maximaal 9 groepen) is onderstaand de financiële
                    normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van
                    de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).
                    </al><al/><al><vet>Kosten voor terrein</vet> Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter
                    opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de
                    bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet> De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal,
                    inclusief fundering op staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel
                    van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag
                    per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een basisschool
                    wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="53*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="47*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 92.828,36</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bedrag per groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 148.803,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet></al><al/><al>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is rekening gehouden met fundering van de
                    uitbreiding van het gebouw op staal. In een aantal gevallen zal echter fundering
                    op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de paalfundering; er
                    zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en
                    langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag en een bedrag per groep.
                    De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="26*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1&lt;15</al></entry><entry colname="col3"><al>15&lt;20</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Vaste voet</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.155,37</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5.419,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 8.694,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Per groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 657,55</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.704,28</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 3.445,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</vet></al><al/><al>In de hiervoor genoemde bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van
                    een speellokaal. De toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk
                    van de lengte van de paalfundering, waarmee </al><al>90 m2 ruimte gerealiseerd kan worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een
                    afzonderlijk speellokaal steeds in combinatie met een uitbreiding van ten minste
                    één groep (lokaal) plaatsvindt. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.455,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.969,46</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering 15&lt;20 m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.788,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering &gt;=20 m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 119.151,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al> In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige
                    toekenning van een ander lokaal, wordt voor een basisschool de vergoeding op
                    basis van de volgende bedragen bepaald: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Geen paalfundering nodig</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 209.253,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering 1&lt;15 m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 215.251,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering 15&gt;=20 m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 216.561,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lengte paalfundering &gt;20 m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 217.625,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al> Toeslag voor sloopkosten, herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).
                    </al><al/><al><vet>1.3 Tijdelijke voorziening</vet> De hierna genoemde bedragen
                    zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een
                    voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een
                    (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en
                    uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast
                    wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van
                    huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten
                    wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het
                    aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor
                    de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw
                    (paragraaf 1.1). </al><al/><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</vet></al><al>Bij de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van
                    noodlokalen is uitgegaan van de volgende bruto-vloeroppervlakte: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Per groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor eerste groep:</al></entry><entry colname="col2"><al>20 m2;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie:</al></entry><entry colname="col2"><al>160 m2. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                    standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt
                    voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren, ook te
                    beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een permanent
                    hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke).
                    Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven. De vergoeding bestaat uit een vast
                    bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen voor de beide toeslagen. In deze
                    bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag
                    voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering niet
                    noodzakelijk is. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van
                    de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>(zonder paalfundering)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vast bedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.207,07</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 37.853,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bedrag per groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 75.113,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 70.811,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag eerste groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 18.778,36</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.703,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag hoofdlocatie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 150.227,39</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 141.623,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</vet></al><al>Ook bij uitbreiding van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de
                    bruto-vloeroppervlakte uitgegaan van 80 m2 per groep. De vergoeding bestaat uit
                    een vast bedrag en een bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de
                    bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en
                    inrichting van terreinen (tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering
                    niet noodzakelijk is). De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis
                    van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Vast bedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.476,50</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.245,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bedrag per groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.706,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 76.733,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) </al><al><vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                    meubilair</vet></al><al/><al><vet>Basisschool</vet> De bedragen voor eerste inrichting vallen uiteen in
                    bedragen voor onderwijsleerpakket (OLP) en bedragen voor meubilair. De hierna
                    opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal
                    groepen. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van
                    het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                    uitbreiding. Voor nieuwe instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen,
                    bij eerste aanschaf van het totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting
                    wordt toegepast van 10%. </al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen</al></entry><entry colname="col2"><al>OLP</al></entry><entry colname="col3"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>40.182,79</al></entry><entry colname="col3"><al>23.983,30</al></entry><entry colname="col4"><al>64.166,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>45.726,96</al></entry><entry colname="col3"><al>32.228,96</al></entry><entry colname="col4"><al>77.955,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>56.903,29</al></entry><entry colname="col3"><al>40.732,64</al></entry><entry colname="col4"><al>97.635,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>62.651,29</al></entry><entry colname="col3"><al>48.978,79</al></entry><entry colname="col4"><al>111.630,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>6.086,06</al></entry><entry colname="col3"><al>5.753,96</al></entry><entry colname="col4"><al>11.840,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag tweede speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>793,44</al></entry><entry colname="col3"><al>5.503,40</al></entry><entry colname="col4"><al>6.296,84</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.5  Aanpassing</vet></al><al>Alle aanpassingen met uitzondering van de aanpassing als gevolg van
                    onderwijskundige vernieuwingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten
                    (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>Aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen</vet></al><al>Voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt de
                    normvergoeding bepaald op basis van de verschiloppervlakte tussen het aantal
                    genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen zoals deze golden voor 1
                    januari 2003 en het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen (zie
                    bijlage III, deel A) bij het aantal groepen dat bepaald is aan de hand van de
                    bepaling van de omvang van de permanente ruimtebehoefte van de school
                    (uitgedrukt in groepen). De bedragen zijn inclusief een component voor de eerste
                    inrichting. Wanneer het bevoegd gezag van een basisschool ervoor kiest om als
                    gevolg van onderwijskundige vernieuwingen in de aanpassingen te voorzien door
                    het op de capaciteit van een gebouw in mindering brengen van een leegstaand
                    lokaal, wordt op het hieronder bepaalde bedrag € 52.182,76 in mindering
                    gebracht. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Vergoeding school voor basisonderwijs</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal groepen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 52.182,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 67.092,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 82.001,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 96.910,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.820,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 126.729,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 141.638,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 156.548,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 171.457,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 186.366,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 201.276,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 216.185,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Volgende groep</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.909,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>1.6 Gymnastiek </vet></al><al/><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw / uitbreiding </vet></al><al/><al><vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 705.292,92 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 719.557,89 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding
                    wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.186,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.556,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.466,10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Uitbreiding </vet></al><al> Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                    oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde
                    uitbreiding zien de bedragen voor een basisschool er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 163.865,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 199.201,51</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.350,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.941,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 11.000,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 13.746,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.984,02</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 22.480,02</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen lokaal van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik of
                    huur (van een andere school/de gemeente/een commerciële exploitant). Afhankelijk
                    van de eigenaar van de accommodatie bestaat recht op de volgende vergoeding: </al><al>Indien de gymnastiekzaal van een andere school voor primair onderwijs wordt
                    gebruikt, wordt het variabele deel van het klokuurbedrag aan de eigenaar
                    vergoed. </al><al>Indien de gymnastiekzaal van een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    gebruikt, wordt het vaste en het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed. </al><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, volstaat
                    ingebruikgeving van de accommodatie voor het vastgesteld aantal klokuren. </al><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt,
                    zal de huurprijs (stichtingskosten + materiële instandhouding) worden vergoed.
                    De huurprijs wordt door de gemeente aan de exploitant voldaan. </al><al/><al><vet>OLP/meubilair</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor een basisschool € 45.039,69. (NB. Dit bedrag is
                    gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2005 en voorzien van het MEV-indexcijfer
                    voor 2006). </al><al><vet>2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 2.1); </al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 2.2); </al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 2.3); en
                        </al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 2.4). </al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2005. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2004 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2005 (-3,82 % voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,07 % voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 3. </al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component ‘aanpassing’ deel B). De
                    financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten: </al><lijst><li nr="·"><al>kosten van terreinen; </al></li><li nr="·"><al>bouwkosten. </al></li></lijst><al/><al><vet>Kosten van terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. </al><al/><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B. De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf
                    460 m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening,
                    alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2
                    bruto-vloeroppervlakte. De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende
                    bladzijde met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per
                    voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke
                    kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten. </al><al/><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=25002</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en sprecifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>1.796,23</al></entry><entry colname="col3"><al>1.066,00</al></entry><entry colname="col4"><al>1.040,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>1.754,39</al></entry><entry colname="col3"><al>1.419,16</al></entry><entry colname="col4"><al>1.419,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>2.130,37</al></entry><entry colname="col3"><al>1.795,14</al></entry><entry colname="col4"><al>1.795,14</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Specifieke ruimte: </al><lijst><li nr="·"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al></li><li nr="·"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren. </al></li></lijst><al/><al>Werkplaatsen: </al><lijst><li nr="·"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek; </al></li><li nr="·"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al></li><li nr="·"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al></li><li nr="·"><al>landbouw: groen-praktijk; </al></li><li nr="·"><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al></li></lijst><al/><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro) </al><al/><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al>113.337,88</al></entry><entry colname="col3"><al>113.337,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie</al></entry><entry colname="col2"><al>222.473,69</al></entry><entry colname="col3"><al>310.624,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie</al></entry><entry colname="col2"><al>41.136,13</al></entry><entry colname="col3"><al>41.136,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al> Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen. </al><al/><al/><al>Aanvullende normkosten </al><al/><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling. In de hiervoor genoemde
                    vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal
                    echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een
                    bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport. De
                    vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw
                    in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van
                    de volgende formules: </al><al/><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2 </al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.303,95</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.517,48</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 29,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.927,14</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 52,47</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.034,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.262,63</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.991,75</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 31,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,25 per m2
                    terrein. </al><al/><al><vet>2.2 Tijdelijke voorziening</vet></al><al/><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen; </al></li><li nr="·"><al>huur van tijdelijke lokalen. </al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</vet></al><al/><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: €
                    571,58 * A + € 39.296,98 A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan
                    tijdelijke huisvesting. Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage
                    III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de
                    voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot
                    die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke
                    huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van
                    het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke
                    huisvestingsvoorziening. </al><al/><al><vet>Huur van tijdelijke lokalen</vet></al><al/><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al><vet>2.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al/><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk
                    van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen
                    de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de
                    hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen. </al><al/><al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) </al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>134,23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry colname="col3"><al>313,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry colname="col3"><al>191,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al>257,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>329,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Consumptief</al></entry><entry colname="col3"><al>637,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Grafische techniek</al></entry><entry colname="col3"><al>1.218,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><onderstreept> Specifieke ruimte:</onderstreept></al><al/><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde,
                    uiterlijke verzorging, mode en commercie; </al><al/><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren; </al><al/><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken </al><al/><al><onderstreept>Werkplaatsen: </onderstreept></al><al/><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                    elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; </al><al/><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek; </al><al/><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek; </al><al/><al>landbouw: groen-praktijk; </al><al/><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken. </al><al/><al>De overige ruimte is algemene ruimte. </al><al/><al><vet>2.4  Gymnastiek voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 705.292,92 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 719.557,89 (op afzonderlijk terrein). De vergoeding voor de
                    bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke
                    kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de
                    aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk
                    is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al/><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.186,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.556,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.466,10</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Indien de
                            gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt,
                            wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed
                            voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.
                        </al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. </al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs. </al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in Bijlage IV, Deel A, paragraaf 1.6 onderdeel
                    ‘Vergoeding per klokuur’, gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze
                    wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel
                    van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet
                    vergoeden. </al><al/><al><vet>Huur sportvelden</vet></al><al/><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 17,78 per klokuur. </al><al/><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</vet></al><al/><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. </al><al>De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="26*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>920,22</al></entry><entry colname="col3"><al>54.874,44</al></entry><entry colname="col4"><al>55.795,65</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>920,22</al></entry><entry colname="col3"><al>42.806,23</al></entry><entry colname="col4"><al>43.726,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>920,22</al></entry><entry colname="col3"><al>18.610,15</al></entry><entry colname="col4"><al>19.530,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>12.118,92</al></entry><entry colname="col4"><al>12.118,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.398,97</al></entry><entry colname="col4"><al>1.398,97</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>3  Indexering</vet></al><al/><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van 1
                    juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in
                    het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                    vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het
                    programma bekendgemaakt. </al><al/><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling</vet></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. Voor de voorzieningen nieuwbouw en
                    uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen
                    het CBS-indexcijfer ‘Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 (inclusief BTW)’,
                    gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek bouwnijverheid’ van het CBS over het tweede
                    kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan
                    voorafgaande jaar. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als
                    prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer
                    ‘Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de
                    ‘Maandstatistiek van de prijzen’ van het CBS over de maand juli van het lopende
                    jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar. Indien de
                    CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het tweede
                    kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd. </al><al/><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen. Voor de voorzieningen nieuwbouw en
                    uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische
                    verkenningen) ‘bruto investeringen voor woningen’, zoals bekendgemaakt op de
                    derde dinsdag in september. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt
                    als prijsindexcijfer het MEV-cijfer ‘prijsmutatie van de netto-materiële
                    overheidsconsumptie’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.
                    </al><al/><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen. Voor de voorzieningen nieuwbouw en
                    uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische
                    verkenningen) ‘bruto investeringen door bedrijven in woningen’, zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. Voor de voorzieningen onderhoud,
                    eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding
                    gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer ‘prijsmutatie van de
                    netto-materiële overheidsconsumptie’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                    september. </al><al/><al/><al><vet>DEEL B  Vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten</vet></al><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3<sup>e</sup> lid laatste volzin, worden vergoed op basis van
                    feitelijke kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen
                    aanbestedingsregels te worden voldaan. </al><al/><al><vet>Europese aanbesteding</vet></al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag uitkomt,
                    worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de
                    Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende
                    bedragen: </al><lijst><li nr=""><al>211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al></li><li nr=""><al>5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken.</al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie ‘werken’. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder ‘leveringen’. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing. </al><al/><al><vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</vet></al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. Ingevolge
                    artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de
                    wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het
                    vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht wordt
                    aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist. </al><al/><al/><al><vet>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al/><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs en voor voortgezet
                    onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde
                    een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag
                    dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld
                    binnen de groepsafhankelijke programma’s van eisen voor het basisonderwijs,
                    zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. </al><al/><al/><al/><al><vet>Bijlage V  Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                        voorzieningen</vet></al><al/><al><vet>1  Volgorde van hoofdprioriteiten</vet>
                    Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit. Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen; </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; </al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden; </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs. </al></li></lijst><al/><al><vet>Ad 1</vet> Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los
                    van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en
                    het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen. </al><al/><al><vet>Ad 2</vet> Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging
                    van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het
                    primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                    schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing ‘vervanging van een
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie’ in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit. </al><al/><al><vet>Ad 3</vet> Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met
                    uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van
                    een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3. </al><al/><al><vet>Ad 4</vet> Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van
                    nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is. </al><al/><al><vet>2  Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                        subprioriteiten</vet></al><al/><al> Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast. Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. </al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw. Onder het begrip overige ruimte vallen:
                    bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein. </al><al/><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen om
                        capaciteitstekorten als bepaald op basis van  bijlage III op te
                        heffen’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft. </al><al/><al/><al/><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen
                                noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                                handhaven'komt voor plaatsing op het programma in
                            aanmerking:</vet></al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al><al/><al/><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen
                                noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens  de wet
                                gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover deze geen
                                 capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor plaatsing op
                                het programma in aanmerking: </vet></al></li><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en
                        </al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is. </al></li></lijst><al/><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                        van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a."><al/><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is; </al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is; </al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; </al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en </al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.
                        </al></li></lijst><al/><al><vet>Formulier voor aanvragen van voorzieningen in de onderwijshuisvesting
                    </vet></al><al/><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i3775.pdf">formulier voor aanvragen van voorzieningen in de onderwijshuisvesting</extref></al><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al>Het formulier is bedoeld om de werkzaamheden van de gemeente voor
                    onderwijshuisvesting zo effectief mogelijk gestalte te geven. Het formulier
                    ondersteunt de gemeente bij de verwerking en beoordeling van aanvragen voor de
                    huisvesting van het onderwijs. Essentiële gegevens over de aanvraag, de gewenste
                    voorziening en dergelijke kunnen op het formulier worden ingevuld. Daarnaast zal
                    een aantal gegevens worden geleverd in rapporten, formulieren en dergelijke, die
                    ook onderdeel uitmaken van de onderbouwing van de noodzaak van de gewenste
                    voorziening. Aanvragen worden onderscheiden in aanvragen voor het programma,
                    voor spoedvoorzieningen en (eventueel afhankelijk van hetgeen opgenomen is in de
                    gemeentelijke verordening) voor bouwvoorbereiding. Per type aanvraag, als
                    hiervoor aangegeven, en per gebouw wordt gevraagd één formulier in te dienen. Zo
                    ontstaat voor de gemeente optimale duidelijkheid over hetgeen het schoolbestuur
                    in één bouwsituatie in of bij een gebouw wenst te realiseren In het onderdeel
                    ‘gevraagde voorziening’ kunnen verschillende - met elkaar verband houdende -
                    voorzieningen tegelijk worden aangekruist. De formulieren maken het voor de
                    gemeente mogelijk de aanvragen eenvoudig te rubriceren voor de bekendmaking van
                    ingediende aanvragen aan alle schoolbesturen in de gemeente. Het
                    gebouw(deel)nummer wordt gevraagd in de veronderstelling dat veel gemeenten de
                    nummers van OCenW/Cfi wensen te handhaven. Eventueel kan daar een eigen nummer
                    of in het geheel geen nummer ingevuld worden. Achter elke gevraagde voorziening
                    (ook bij de aanvraag voor bouwvoorbereiding) is door middel van een codering
                    aangegeven welke gegevens overgelegd moeten worden. In de verordening is de
                    verplichting de gegevens te leveren vastgelegd. Voor de prognose kan afhankelijk
                    van de bouwaard van de voorziening (permanent of tijdelijk) of de
                    prognosevereiste bij de voorziening met name bij aanpassing en onderhoud worden
                    gekozen voor een kortetermijnprognose of een langetermijnprognose.
                    Vanzelfsprekend dient de prognose te voldoen aan het gestelde voor de
                    desbetreffende onderwijssoort in bijlage II. Alleen indien de feitelijke
                    kostensystematiek van toepassing is, moet de begroting van de kosten worden
                    ingediend. Indienen van een bouwplan en bouwbegroting is slechts van toepassing
                    bij een aanvraag nadat daaraan voorafgaand bouwvoorbereiding heeft
                    plaatsgevonden. Om een goed oordeel over de aanvraag mogelijk te maken, moeten
                    alle relevante factoren worden vermeld, dus ook eventuele herschikkingen die het
                    bevoegd gezag voornemens is uit te voeren. Indien de gemeente in de verordening
                    bouwvoorbereiding voor andere voorzieningen, zoals nieuwbouw en uitbreiding,
                    mogelijk heeft gemaakt, kan de gemeente bij bouwvoorbereiding het formulier
                    uitbreiden met de desbetreffende voorzieningen. </al><al><vet>Formulier voor het verstrekken van informatie over lesgebouwen</vet></al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i3776.pdf">formulier voor het verstrekken van informatie over lesgebouwen</extref></al><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit formulier is bedoeld voor zogenaamd ‘turn around’-gebruik, dat wil zeggen na
                    de eerste opgave behoeft het formulier slechts indien er wijzigingen zijn te
                    worden ingezonden. Alleen de te wijzigen gegevens worden dan door het bevoegd
                    gezag vermeld. Bij elektronische uitwisseling van het formulier kunnen slechts
                    de van toepassing zijnde gegevens worden afgedrukt. Na verwerking zendt de
                    gemeente een nieuw formulier met gegevens in de kolom ‘huidig gegeven’ toe aan
                    het bevoegd gezag. Dit maakt het mogelijk voor het bevoegd gezag te controleren
                    of verwerking van de wijzigingen conform de opgave is geschied. </al><al><vet>Basisgegevens</vet> Nauwkeurig vastleggen en bijhouden van de gegevens
                    voorkomt dat gemeente en schoolbestuur uitgaan van verschillende
                    huisvestingsgegevens. Er wordt gevraagd voor elk gebouw een formulier te
                    verstrekken. Voor elk gebouw wordt een aantal gegevens gevraagd. De meeste
                    hiervan zijn al bekend en liggen vast in de historische gegevens of BRHU voor
                    het VO zoals Cfi die heeft verstrekt. Het kan voorkomen dat een gebouw bestaat
                    uit gedeelten die elk in een verschillend jaar zijn gebouwd. In dat geval dient
                    elk van de bouwjaren apart te worden vermeld tezamen met de
                    brutovloeroppervlakte van het desbetreffende deel. Bij het verstrekken van de
                    gegevens is in het formulier uitgegaan van de beschrijving van de
                    informatieverstrekking zoals opgenomen in de verordening. Indien burgemeester en
                    wethouders het noodzakelijk achten om aanvullende gegevens te vervangen, dan kan
                    in het formulier worden voorzien in de mogelijkheid tot het verstrekken van deze
                    informatie. Het kan dan gaan om: </al><al>gebouw(deel)nummer; </al><al>aantal bouwlagen; </al><al>kadastraal nummer; </al><al>oppervlakte terrein; </al><al>aanwezige lokalen, zo nodig te splitsen in: </al><lijst><li nr="§"><al>groepslokalen (PO)/theorie(vak)lokalen (VO); </al></li><li nr="§"><al>speellokaal (PO)/vaklokalen (VO); </al></li><li nr="§"><al>werkplaatsen (VO); aanwezige overige ruimten/nevenruimten; </al></li></lijst><al>aanwezigheid van voorzieningen voor gehandicapten; </al><al>aanwezigheid van een rijwielberging. </al><al/><al/><al>Alvorens van deze mogelijkheid gebruik te maken, dient de gemeente wel overleg
                    te voeren met de schoolbesturen. </al><al/><al><vet>Periodieke gegevens</vet></al><al/><al>Het is niet mogelijk om met dit formulier te voorzien in verstrekking van
                    periodieke gegevens aan burgemeester en wethouders. Levering van periodieke
                    gegevens vindt op basis van de verordening plaats door een afschrift van het
                    leerlingtelformulier inclusief een opgave van het aantal leerlingen per locatie
                    naar burgemeester en wethouders te zenden. Om als gemeente goed inzicht te
                    hebben in de benutting van de onderwijshuisvesting is het nodig steeds inzicht
                    te hebben in de actuele situatie. Gevraagd wordt daarom wijzigingen steeds zo
                    spoedig mogelijk door te geven. Bij wijzigingen dient het bevoegd gezag ook de
                    datum van ingang van de wijzigingen op te geven. </al><al><vet>Formulier voor het verstrekken van informatie over eigen gymnastiekruimten
                        en jaarlijkse opgave gebruik gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i3777.pdf">formulier voor het verstrekken van informatie over eigen gymnastiekruimten en jaarlijkse opgave gebruik gymnastiekruimten</extref></al><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Dit formulier ondersteunt de gemeente bij de planning van het gebruik van de
                    gymnastieklokalen. Tevens biedt het formulier de mogelijkheid een (wijziging van
                    een) opgave te doen van noodzakelijke gegevens van een gymnastiekruimte in
                    eigendom van het schoolbestuur. </al><al/><al><vet>Gegevens over de gymnastiekruimte</vet></al><al>Eenmalig, op basis van de situatie per 1 januari 1997, geeft het schoolbestuur
                    dat zelf eigenaar is van de gymnastiekruimte de gegevens op. Bij wijzigingen in
                    de gegevens - anders dan het gebruik - wordt hernieuwd een opgave gedaan. Dit
                    vorenstaande geldt zowel voor het primair onderwijs als het voortgezet
                    onderwijs. Het formulier beperkt zich tot de gebouwgegevens opgenomen in de
                    verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Eventueel gewenste aanvullende
                    gegevens (over brutovloeroppervlakte, over aanwezigheid van was- en
                    kleedgelegenheid bijvoorbeeld) kan de gemeente vragen opnemen in het formulier.
                    Voordat de gemeente daartoe overgaat, is wel overleg met het bijzonder onderwijs
                    nodig. </al><al/><al><vet>Opgave gewenst gebruik gymnastiekruimte</vet></al><al>Voor het inroosteren van gymnastiekruimten doet het bevoegd gezag voor elke
                    school in het primair onderwijs jaarlijks voor het volgende schooljaar een
                    opgave van het aantal klokuren gewenst gebruik. Daarbij geeft zij ook aan welke
                    gymnastiekruimte zij wenst te gebruiken en wanneer. Er is rekening gehouden met
                    opgave van gewenste dagdelen (ochtend en/of middag). Indien de gemeente ook het
                    voortgezet onderwijs wenst te betrekken bij het inroosteren van
                    gymnastiekruimten, dan neemt de gemeente het op in de verordening. Ook de
                    instellingen voor voortgezet onderwijs geven dan jaarlijks een opgave van het
                    gewenst gebruik van gymnastiekruimten in het volgende schooljaar. </al><tussenkop>Berekeningsformulier Prognosemodel huisvesting voortgezet
                    onderwijs (VO) Prognose voor huisvestingsvoorziening voor: </tussenkop><al/><al>behoort bij de aanvraag voor : </al><al>met als datum en kenmerk :</al><al>school : </al><al>BRIN-nr. : </al><al>vestiging : </al><al>straat : </al><al>status vestiging : hoofdvestiging/nevenvestiging </al><al>status gebouw : hoofdgebouw/dislocatie </al><al/><al>Per gemeente onderstaande gegevens invullen/berekenen. </al><al/><al/><al>Gegevens analyseperiode (zo mogelijk 6 jaar):</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="31*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="6*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="6*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>t-6</al></entry><entry colname="col3"><al>t-5</al></entry><entry colname="col4"><al>t-4</al></entry><entry colname="col5"><al>t-3</al></entry><entry colname="col6"><al>t-2</al></entry><entry colname="col7"><al>t-1</al></entry><entry colname="col8"><al>(t is gewenst jaar start bouw) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>= A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>= B</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>(A + B) / 2 = C</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1<sup>e</sup> leerjaar school</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>= D</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>belangstellingspercentage:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>SD/SX * 100 = E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schoolbevolking:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>= F</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vermenigvuldigingsfactor:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>SF / SD = G </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Prognoseperiode: </al><table><tgroup cols="10"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="6*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="8*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="8*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="8*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="8*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="8*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="8*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>PRIMOS-raming</al></entry><entry colname="col2"><al>t </al></entry><entry colname="col3"><al>t+1</al></entry><entry colname="col4"><al>t+2</al></entry><entry colname="col5"><al>t+3</al></entry><entry colname="col6"><al>t+4</al></entry><entry colname="col7"><al>t+5</al></entry><entry colname="col8"><al>t+6</al></entry><entry colname="col9"><al>t+7</al></entry><entry colname="col10"><al>t+8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>belangstelling E</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vermenigvuldiging G</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schoolbevolking:</al></entry><entry colname="col2"><al>t+9</al></entry><entry colname="col3"><al>t+10</al></entry><entry colname="col4"><al>t+11</al></entry><entry colname="col5"><al>t+12</al></entry><entry colname="col6"><al>t+13</al></entry><entry colname="col7"><al>t+14</al></entry><entry colname="col8"><al>t+15 </al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>= H</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>= I </al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al>(H + I) / 2 = J</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>belangstelling E</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>= K</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vermenigvuldiging G</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>= L</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schoolbevolking:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>J * K * L = M</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al>In het voortgezet onderwijs bestaat er (nog) geen vastgesteld model dat ook in
                    de vorm van software beschikbaar is. Daarom zijn de rekenregels zoals aangegeven
                    in bijlage II onder 3 van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op
                    dit formulier in schema gezet. Het is voor de nauwkeurigheid van de prognose van
                    belang dat het schema wordt ingevuld voor alle gemeenten van waaruit leerlingen
                    de vestiging waarvoor de prognose wordt gemaakt bezoeken. Het uiteindelijke
                    prognoseresultaat is dan de som van de schoolbevolking (M) voor elk van de
                    gemeenten in de jaren t tot en met t+15. In de analyseperiode worden feitelijke
                    gegevens gebruikt: het aantal 12 jarigen en het aantal 13-jarigen per 1 januari
                    van de afgelopen zes jaar (zo mogelijk) en het aantal leerlingen in het eerste
                    leerjaar en in de hele vestiging per 15 september/1 oktober daaraan voorafgaand.
                    Bij fusies gedurende de analyseperiode wordt gehandeld, alsof de fusie aan het
                    begin van die periode heeft plaatsgevonden. Door de leerlingen in het eerste
                    leerjaar te sommeren (-D) en te delen door de som van het gemiddelde aantal 12-
                    en 13-jarigen © wordt het gemiddelde belangstellingspercentage (E) berekend. De
                    som van de schoolbevolking (F) gedeeld door de som van de leerlingen in het
                    eerste leerjaar levert de gemiddelde vermenigvuldigingsfactor G op die in de
                    prognoseperiode moet worden gebruikt. Bij veranderingen in gedoceerd onderwijs
                    wordt de vermenigvuldigingsfactor over de drie meest recente jaren berekend. In
                    de prognoseperiode wordt voor de 12- en 13-jarigen gebruikgemaakt van de cijfers
                    uit de meest recente PRIMOS-raming (die jaarlijks wordt gemaakt). De te
                    verwachten schoolbevolking in de prognoseperiode ontstaat door het gemiddeld
                    aantal 12- en13-jarigen te vermenigvuldigen met het belangstellingspercentage en
                    de vermenigvuldigingsfactor. NB: Mits gemeenten onderling niet te veel
                    verschillen in toekomstige ontwikkeling van de 12- en 13-jarigen, kunnen
                    gemeenten van waaruit slechts enkele leerlingen de vestiging bezoeken worden
                    samengenomen (hetgeen het rekenwerk enigszins beperkt). </al><al><vet>Formulier bouwkundige opname</vet></al><al/><al/><al><vet>(per voorziening en per gebouw (gedeelte) 1 formulier invullen)</vet></al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i3778.pdf">Formulier bouwkundige opname</extref></al><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Voor de beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen worden in het
                    primair onderwijs en het voortgezet onderwijs vrijwel identieke methoden
                    gehanteerd. Het betreft een opnamemethodiek die is ontwikkeld door de
                    Rijksgebouwendienst (RGD). De beoordeling van de bouwkundige staat van
                    schoolgebouwen wordt gemeten aan de hand van de navolgende gebouwonderdelen: </al><al/><al>fundering </al><al>buitenwanden </al><al>binnenwanden </al><al>vloeren </al><al>dakconstructie </al><al>draagconstructie </al><al>buitenwandopeningen </al><al>vloerafwerkingen </al><al>plafondafwerkingen </al><al>dakafwerkingen </al><al>warmteopwekking </al><al>warmtedistributie </al><al>luchtbehandeling </al><al>elektrotechniek </al><al>transportinstallatie </al><al>terreinafwerkingen </al><al/><al>In het primair onderwijs is ook het onderdeel ‘waterleiding/riolering’
                    opgenomen. Op grond van de bij de Wet decentralisatie huisvestingsvoorzieningen
                    (Stb. 1996, 402) gevoegde ‘kruisjeslijst’, is het mogelijk de elementen die
                    zowel voor het primaire onderwijs (P0) als voor het voortgezet onderwijs (VO)
                    bij de gemeente kunnen worden aangevraagd, te selecteren. De ‘kruisjeslijst’ is
                    het overzicht met de elementen die voor rekening van het bevoegd gezag dan wel
                    de gemeente komen. </al><tussenkop>Onderhoud primair onderwijs en aanpassing voortgezet
                    onderwijs </tussenkop><al/><lijst><li nr="a."><al>Onderhoud dat kan worden aangevraagd bij de gemeente, PO </al><lijst><li nr="1."><al>- vervangen dakpannen, houtwerk, goten </al></li><li nr="2."><al>- vervangen rijwielstalling/-staanders </al></li><li nr="3."><al>- vervangen brandtrap </al></li><li nr="4."><al>- vervangen erfscheiding </al></li><li nr="5."><al>- vervangen/herstel riolering/bestrating </al></li><li nr="6."><al>- vervangen buitenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk) </al></li><li nr="7."><al>- vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer </al></li><li nr="8."><al>- vervangen buitenberging </al></li><li nr="9."><al>- vervangen binnenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk) </al></li><li nr="10."><al>- vervangen radiatoren, convectors, leidingen </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Aanpassing die kan worden aangevraagd bij de gemeente, VO </al><lijst><li nr="1."><al>- vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters,
                                    lichtkoepels </al></li><li nr="2."><al>- vervangen rijwielloods </al></li><li nr="3."><al>- vervangen buitentrap </al></li><li nr="4."><al>- vervangen afrastering </al></li><li nr="5."><al>- vervangen bestrating/buitenriolering </al></li><li nr="6."><al>- vervangen buitenkozijnen </al></li><li nr="7."><al>- vervangen/herstel buitenwanden </al></li><li nr="8."><al>- herstel voegwerk </al></li><li nr="9."><al>- herstel entreepui </al></li><li nr="10."><al>- vervangen buitenzonwering </al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Opm.: Indien in een gemeente geen voortgezet onderwijs voorkomt, kunnen de
                    elementen 11 tot en met 20 worden geschrapt uit het formulier. Ten behoeve van
                    een aanvraag voor onderhoud/aanpassing kan de noodzaak worden vastgesteld met
                    behulp van de beoordeling van de bouwkundige staat. De elementen uit A en B zijn
                    onder te brengen in de rubrieken van het formulier dat wordt gehanteerd voor het
                    vastleggen van de bouwkundige staat. In het navolgend overzicht is aangegeven
                    hoe de elementen die bij de gemeente kunnen worden aangevraagd, zijn
                    ondergebracht bij de gebouwonderdelen van het formulier ter beoordeling van de
                    bouwkundige staat. </al><al/><al>buitenwanden </al><lijst><li nr="o"><al>vervangen/herstel buitenwanden (17) </al></li><li nr="o"><al>herstel voegwerk (18)</al></li><li nr="o"><al>vervangen buitenzonwering (20) </al></li></lijst><al/><al>binnenwanden </al><al>o vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (9) </al><al/><al>buitenwandopeningen </al><lijst><li nr="o"><al>vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO) (6) </al></li><li nr="o"><al>vervangen buitenkozijnen (VO) (16)</al></li><li nr="o"><al>herstel entreepui (19)</al></li></lijst><al/><al/><al>dakafwerkingen </al><lijst><li nr="o"><al>vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO) (1)</al></li><li nr="o"><al>vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters, lichtkoepels (11)
                        </al></li><li nr="o"><al>vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer (7)</al></li></lijst><al/><al>warmtedistributie </al><al>o vervangen radiatoren, convectors, leidingen (1)</al><al/><al>transport(-install.) </al><lijst><li nr="o"><al>vervangen brandtrap (3)</al></li><li nr="o"><al>vervangen buitentrap (13)</al></li></lijst><al/><al>terrein(-afwerking) </al><lijst><li nr="o"><al>vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO) (2) </al></li><li nr="o"><al>vervangen erfscheiding (PO) (4)</al></li><li nr="o"><al>vervangen/herstel riolering/bestrating (PO) (5) </al></li><li nr="o"><al>vervangen rijwielloods (VO) (12)</al></li><li nr="o"><al>vervangen afrastering (VO) (14)</al></li><li nr="o"><al>vervangen bestrating/buitenriolering (VO) (15) </al></li><li nr="o"><al>vervangen buitenberging (PO) (8)</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Vervangende nieuwbouw en herstel constructiefouten</vet></al><al/><al>De overige onderdelen (blad 2 van het formulier) behoeven alleen te worden
                    ingevuld indien de gevraagde voorziening de vervanging van het gebouw of het
                    herstel van constructiefouten betreft. Indien de vervanging vanwege de
                    bouwkundige staat van het gebouw noodzakelijk is, moeten alle onderdelen worden
                    ingevuld. Indien het herstel van constructiefouten is gewenst, moet alleen het
                    element worden ingevuld waarop de constructiefout betrekking heeft. Het betreft
                    de navolgende gebouwonderdelen: </al><al/><al>fundering (5) </al><al>buitenwanden (13) </al><al>binnenwanden (7) </al><al>vloeren (10) </al><al>dakconstructie (12) </al><al>draagconstructie (6) </al><al>buitenwandopeningen (12) </al><al>vloerafwerkingen (5) </al><al>plafondafwerking (4) </al><al>dakafwerking (8) </al><al>warmteopwekking (4) </al><al>warmtedistributie (4) </al><al>luchtbehandeling (3) </al><al>elektrotechniek (4) </al><al>transport (1) </al><al>terrein (2) </al><al/><al/><al>De conditie van een gebouwonderdeel bepaalt de mate waarin het wegingsgetal
                    meetelt in de totale afweging, volgens de volgende verdeling: </al><al>conditie 1 0% </al><al>conditie 2 10% </al><al>conditie 3 20% </al><al>conditie 4 40% </al><al>conditie 5 80% </al><al>conditie 6 100% </al><al/><al>Voorbeeld: buitenwandopeningen: 40% in conditie 3 en 60% in conditie 5 40% * 20%
                    + 60% * 80% = 56% de score is derhalve 56% van 12 = 6.72 Op deze wijze kunnen de
                    gebouwonderdelen in een onderlinge prioritering worden gerangschikt. Indien de
                    conditie van een gebouw ten opzichte van een ander gebouw wordt afgewogen,
                    bijvoorbeeld bij vervangende nieuwbouw, bepaalt de som van de scores per
                    gebouwonderdeel de totale conditie van het gebouw ten opzichte van een ander
                    gebouw. </al><al/><al><vet>Toelichting specifiek</vet> Het formulier dient te zijn toegevoegd aan het
                    formulier voor aanvragen van voorzieningen in de onderwijshuisvesting indien bij
                    de gevraagde voorziening onder ‘te overleggen gegevens’ code D is vermeld. De
                    invulling van het formulier geschiedt door iemand met voldoende bouwkundige
                    expertise om de staat van de elementen van het gebouw te relateren aan de
                    omschrijving van de onderscheiden condities, zoals is weergegeven onder 4
                    (bouwkundige staat). </al><al><vet>1.  School</vet></al><al>Bij ‘school’ wordt, indien een gebouwnummer ontbreekt, de gebouwnaam vermeld. </al><al/><al><vet>2.Omvang</vet></al><al>Bij ‘omvang’ kan worden aangegeven of het formulier betrekking heeft op het
                    gehele gebouw of op een van de onderscheiden gebouwgedeelten. Voor de
                    bouwbepalingen wordt verwezen naar bijlage V, hoofdstuk 2.2, van de verordening
                    voorzieningen huisvesting onderwijs. Indien de voorziening betrekking heeft op
                    het gehele gebouw of één gebouwgedeelte (bijvoorbeeld alleen het speellokaal)
                    kan worden volstaan met het formulier. Indien de voorziening betrekking heeft op
                    meerdere gebouwgedeelten moet voor ieder gebouwgedeelte een apart formulier
                    worden ingevuld. Dit is noodzakelijk om op basis van bijlage V van de
                    verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, de prioriteiten te kunnen
                    stellen zoals deze zijn aangegeven in hoofdstuk 2.2 en 2.3. Indien de gewenste
                    voorziening noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen, bijlage V hoofdstuk 2.3, kan in de meeste gevallen worden
                    volstaan met een rapportage waaruit blijkt dat de gewenste voorziening
                    noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>3.  Voorziening</vet></al><al>Bij ‘voorziening’ wordt, onder a, het elementnummer aangegeven dat overeenkomt
                    met de voorziening zoals deze op de aanvraag bij de gemeente is ingediend. Het
                    betreft de elementnummers zoals deze zijn aangegeven onder punt 4 (bouwkundige
                    staat) van het formulier. Tevens dient, onder b, te worden aangegeven of de
                    gevraagde voorziening noodzakelijk is om een adequaat onderhoudsniveau te
                    handhaven (2.2) of dat de voorziening noodzakelijk is om te voldoen aan bij of
                    krachtens de wet gestelde voorlichting (2.3). Het onderdeel dat niet van
                    toepassing is, kan worden doorgehaald. </al><al/><al><vet>4.  Bouwkundige staat</vet></al><al>Bij ‘conditie’ wordt aangegeven welk percentage van een gebouwonderdeel in welke
                    conditie verkeert. De invulling geschiedt zodanig dat het totaal op 100%
                    uitkomt. Om te kunnen voldoen aan het in bijlage I van de
                    huisvestingsverordening aangegeven noodzakelijkheidscriterium dient het gehele
                    bouwelement of het in ogenschouw genomen gedeelte van het bouwelement ten minste
                    in conditie 3, 4, 5 of 6 te verkeren. Het betreft het percentage dat als
                    ondergrens wordt gehanteerd om te bepalen of bijvoorbeeld de buitenkozijnen voor
                    vervanging in aanmerking komen. In de eerste plaats wordt de conditie van een
                    gebouwonderdeel bepaald door de mate waarin de functies van het onderdeel zijn
                    aangetast. In de tweede plaats wordt de conditie van een onderdeel bepaald door
                    de mate van veroudering of aantasting. De condities zoals deze per
                    gebouwonderdeel worden aangetroffen, zijn als volgt gedefinieerd: </al><al/><al><vet>Conditie 1</vet></al><al>Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit en/of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit. </al><al/><al>Functioneel: Functionele gebreken veroorzaakt door veroudering van materialen en
                    constructies mogen niet voorkomen of voorgekomen zijn. Wel kunnen functionele
                    gebreken voorgekomen zijn na bijvoorbeeld een calamiteit. </al><al>Veroudering: Tamelijk ernstige gebreken, ontstaan door veroudering, mogen niet
                    voorkomen. Zeer incidenteel kunnen lichte mechanische beschadigingen voorkomen
                    die niet bedreigend zijn voor het functioneren van (het deel van) het gebouw. </al><al>Basiskwaliteit: Het werk is onder meer als goed en degelijk te typeren. Zeer
                    incidenteel kan een goed uitgevoerde en duurzame reparatie aangetroffen worden. </al><al/><al><vet>Conditie 2</vet></al><al>Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit met eerste tekenen van feitelijke veroudering. </al><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel onder ongunstige
                    omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken,
                    mogen niet voorkomen. </al><al>Veroudering: Zeer incidenteel kan zich een ernstig gebrek in de vorm van
                    bijvoorbeeld materiaalaantasting voordoen. Tamelijk ernstige gebreken, zoals
                    duidelijke verweringsverschijnselen, kunnen zich incidenteel en plaatselijk
                    voordoen. </al><al>Basiskwaliteit: Het werk is als redelijk tot goed te typeren. Plaatselijk kunnen
                    goed uitgevoerde en duurzame reparaties worden aangetroffen. </al><al><vet>Conditie 3</vet></al><al>Algemeen: Het verouderingsproces is over de gehele linie duidelijk op gang
                    gekomen. </al><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel en plaatselijk onder
                    normale omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die onbruikbaarheid
                    veroorzaken, mogen niet voorkomen. </al><al>Veroudering: Plaatselijk kunnen zich ernstige gebreken aan materialen en/of
                    constructies voordoen zonder te resulteren in functionele gebreken. Tamelijk
                    ernstige gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen plaatselijk tot
                    regelmatig voorkomen. </al><al>Basiskwaliteit: Het werk is als matig te typeren. Goed uitgevoerde en duurzame
                    reparaties kunnen regelmatig voorkomen. Anderzijds kunnen ook plaatselijke
                    reparaties worden aangetroffen die slecht zijn uitgevoerd en/of zijn uitgevoerd
                    met minder geschikte materialen. </al><al/><al><vet>Conditie 4</vet></al><al>Algemeen: Het verouderingsproces heeft het gebouwonderdeel duidelijk in zijn
                    greep. </al><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich plaatselijk tot regelmatig
                    voordoen onder normale omstandigheden. Functionele gebreken die onbruikbaarheid
                    veroorzaken, kunnen zich in de afgelopen jaren incidenteel op beperkte schaal
                    hebben voorgedaan naar aanleiding van veroudering van materialen en/of
                    constructies. </al><al>Veroudering: Plaatselijk tot regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan
                    materialen en/of constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor
                    functionele gebreken voordoen en/of hebben voorgedaan). Tamelijk ernstige
                    gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen algemeen voorkomen. Onderdelen
                    die het directe functioneren van een deel van een gebouw niet bedreigen, kunnen
                    vrijwel volledig zijn verdwenen. </al><al>Basiskwaliteit: Het werk is als zeer matig te typeren. </al><al><vet>Conditie 5</vet></al><al>Algemeen: Het verouderingsproces is min of meer onomkeerbaar geworden c.q. heeft
                    het deel van een gebouw zeer duidelijk in zijn greep. </al><al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich regelmatig voordoen. Functionele
                    gebreken die de onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich incidenteel plaatselijk
                    voordoen en/of in de afgelopen jaren met duidelijke regelmaat op beperkte schaal
                    hebben voorgedaan. </al><al>Veroudering: Regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan materialen en/of
                    constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor functionele gebreken
                    voordoen en/of met enige regelmaat voorgedaan hebben). Tamelijk ernstige
                    gebreken aan materialen en/of constructies kunnen tamelijk algemeen in duidelijk
                    gevorderde stadia voorkomen. Onderdelen welke het directe functioneren (van het
                    deel) van het gebouw bedreigen, kunnen duidelijke gebreken vertonen. </al><al>Basiskwaliteit: Het werk is als slecht te typeren. </al><al><vet>Conditie 6</vet></al><al>Algemeen: Een zodanig slechte toestand dat dit niet meer te classificeren is
                    onder conditie 5. </al><al/><al>Omschrijving gebreken: </al><al/><al>ernstige gebreken: </al><al>functionele gebreken: zoals lekkage, vochtdoorslag, vochtoptrek, niet beloopbaar
                    zijn e.d.; </al><al>primaire constructieve gebreken: gebreken met betrekking tot verankering,
                    oplegging, houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie e.d.; </al><al>materiaalwezenlijke gebreken: houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie e.d </al><al/><al/><al>tamelijk ernstige gebreken:</al><al>materiaaloppervlakte-gebreken: verwering, erosie, afschilfering e.d.; </al><al>secundaire constructieve gebreken: doorbuiging, scheuren, vervorming e.d.;</al><al>gebreken aan beschermde afwerklagen. </al><al/><al/><al>geringe gebreken: </al><al>esthetische gebreken, verkleuring, bekladding, vervuiling; </al><al>defecten aan kleine en/of ondergeschikte onderdelen. </al><al/><al/><al/><al><vet>Omschrijving gebouwonderdelen</vet></al><al>De in het opnameformulier weergegeven gebouwonderdelen moeten vrij ruim worden
                    geïnterpreteerd. In principe moet het weergegeven onderdeel in zijn algehele
                    verschijningsvorm worden beoordeeld Bij de verschillende gebouwonderdelen is
                    aangegeven welke elementen, zoals deze kunnen worden aangevraagd bij de
                    gemeente, behoren bij het desbetreffende gebouwonderdeel. Indien een element
                    wordt aangevraagd, dient de conditie te worden ingevuld van het bijhorende deel
                    van het gebouw. </al><al/><al>Buitenwanden: Zowel dragende als niet-dragende gevelwanden, inclusief isolatie
                    en afwerking. maar zonder de buitenwandopeningen. Elementen: 17
                    vervangen/herstel buitenwanden (VO) 18 herstel voegwerk (VO) 20 vervangen
                    buitenzonwering (VO) </al><al/><al>Binnenwanden: Zowel dragende als niet-dragende binnenwanden, inclusief
                    binnenwandopeningen, afwerkingen etc. Elementen: 9 vervangen binnenkozijnen
                    (incl. hang- en sluitwerk) (PO) </al><al/><al>Buitenwandopeningen: Alle openingen voor uitzicht, ventilatie en verkeer in een
                    gevel. Elementen: 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO) 16
                    vervangen buitenkozijnen (VO) 19 herstel entreepui (VO) </al><al/><al>Dakafwerkingen: De waterdichte laag inclusief de direct onder of boven de laag
                    aanwezige isolatie en inclusief eventuele goten. Elementen: 1 vervangen
                    dakpannen. houtwerk, goten (PO) 11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden.
                    dakvensters, lichtkoepels (VO) 7 vervangen dakbedekking (plat dak),
                    hemelwaterafvoer (PO) </al><al/><al>Warmtedistributie: Verwarmingsleidingen. radiatoren/convectors etc., koud- en
                    warmwaterleidingen. Elementen: 10 vervangen radiatoren, convectors, leidingen
                    (PO) </al><al/><al>Transportinstallaties: Liftinstallaties, buitentrappen. Elementen: 3 vervangen
                    brandtrap (PO) 13 vervangen buitentrap (VO) </al><al/><al>Terrein(-afwerking): Alle afwerkingen van het terrein, bestrating en begroeiing.
                    Buitenbergingen en erfafscheiding. Elementen: 2 vervangen rijwielstalling
                    (-staanders) (PO) 4 vervangen erfscheiding (PO) 5 vervangen/herstel
                    riolering/bestrating (PO) 12 vervangen rijwielloods (VO) 14 vervangen
                    afrastering (VO) 15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO) 8 vervangen
                    buitenberging (PO) </al><al/><al>De navolgende gebouwonderdelen worden slechts geïnventariseerd indien de totale
                    vervanging van het gebouw wordt gewenst. </al><al/><al>Fundering: Dit onderdeel heeft zowel betrekking op de eventuele dieptefundering
                    (paalfundering), funderingsbalken, vloeren op grondslag, etc. </al><al/><al>Vloeren: Alle horizontale vloerdelen: op begane grond en verdiepingen, exclusief
                    de afwerking. </al><al/><al>Dakconstructie: De volledige opbouw van het dak, inclusief dakbalken, dakplaten,
                    exclusief de dakafwerking. </al><al/><al>Draagconstructie: Voornamelijk kolommen en balken. </al><al/><al>Vloerafwerkingen: De toplaag van de vloer inclusief eventuele deklagen. </al><al/><al>Plafondafwerkingen: Systeemplafonds, stuclagen, sauswerk, etc. </al><al/><al>Warmteopwekking: Verwarmingsketels en warmwaterboilers, geisers, inclusief
                    randapparatuur. </al><al/><al>Waterleiding/sanitair: Warm- en koudwaterleidingen, toiletpotten, wastafels etc. </al><al/><al>Luchtbehandeling: Mechanische ventilatie; afzuiging/toevoer
                    luchtbehandelingskasten, randapparatuur, distributieleidingen. </al><al/><al>Elektrotechniek: Alle elektrotechnische voorzieningen. </al><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al><vet>2.2  Algemene toelichting</vet></al><al/><al><vet>2.2.1  Inleiding </vet>In juli 1996 is de wetswijziging
                    die de decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar gemeenten regelt door
                    het parlement aangenomen. Dit betekent dat gemeenten vanaf 1 januari 1997 de
                    opdracht hebben om te voorzien in adequate huisvesting voor het primair en het
                    voortgezet onderwijs, op basis van een verordening. De VNG heeft daarvoor een
                    model gemaakt. In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming
                    van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Er wordt een kort
                    overzicht gegeven van de overwegingen die tot de decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting hebben geleid, van het belang ervan en van de wet. Daarna
                    wordt ingegaan op het belangrijkste instrument dat gemeenten krijgen om de
                    nieuwe taak uit te voeren: de verordening. Een ander belangrijk instrument voor
                    het gemeentelijk beleid is het overleg met het onderwijsveld. Op dat overleg, en
                    op de functie van de verordening daarin, wordt tot slot ingegaan. </al><al/><al><vet>2.2.1.1  Aanloop naar de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting</vet> In 1991 werd in de Tussenbalans van het
                    kabinet-Lubbers III aangekondigd dat de decentralisatie van rijkstaken naar
                    gemeenten en provincies krachtig zou worden gestimuleerd. Een van de taken die
                    volgens het rijk in principe in aanmerking kwamen om te decentraliseren, was de
                    verantwoordelijkheid voor de huisvesting van het basis-, het speciaal en het
                    voortgezet onderwijs. Met het IPO en de VNG is hierover overleg gevoerd, hetgeen
                    resulteerde in een afspraak met de VNG om de mogelijkheden van decentralisatie
                    van de onderwijshuisvesting naar gemeenten nader te bezien. Al snel stond vast
                    dat het op zichzelf mogelijk was de verantwoordelijkheid voor de voorzieningen
                    die nu bij de minister van OCenW aangevraagd moeten worden, over te dragen aan
                    gemeenten. Veel belangrijker was echter of het mogelijk was gemeenten in een
                    zodanige positie te brengen dat er sprake zou zijn van voldoende
                    beleidsvrijheid, vergroting van efficiency en financiële beheersbaarheid. Ook de
                    autonomievergroting van schoolbesturen was een belangrijke voorwaarde, evenals
                    vermindering van rijksregelgeving. Met inachtneming van deze voorwaarden is
                    beschreven op welke wijze de overdracht van taken zou kunnen plaatsvinden.
                    Daarbij is uitgegaan van de overdracht van de bijbehorende middelen naar het
                    Gemeentefonds. In 1993 hebben kabinet en VNG een akkoord gesloten over de
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting. In dat akkoord zijn ook afspraken
                    gemaakt over een efficiencykorting. Aanvankelijk wilde het kabinet een korting
                    van 10% van het over te hevelen rijksbudget doorvoeren, net zoals dat bij de
                    andere projecten die vielen onder de Decentralisatie-impuls het geval was.
                    Uiteindelijk is een korting van f 125 miljoen, oplopend van f 25 miljoen in 1996
                    tot f 125 miljoen in 2000, overeengekomen. In dit bedrag is f 27 miljoen
                    opgenomen als betaling voor de overdracht van het economische eigendom van
                    gebouwen voor voortgezet onderwijs aan gemeenten. </al><al/><al><vet>2.2.2  Het belang van de decentralisatie van de
                        onderwijshuisvesting</vet> De samenleving heeft belang bij goed onderwijs.
                    Goed onderwijs is mede afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder
                    begrepen de huisvesting van de scholen. Bij de realisering van die huisvesting
                    is het van belang een situatie te creëren die zo goed mogelijk op de
                    omstandigheden van de school is toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs.
                    Het gaat immers om de aanwending van gemeenschapsgelden. In die twee
                    uitgangspunten, maatwerk en efficiency, is de belangrijkste reden voor de
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting te vinden. De centrale overheid is,
                    om allerlei redenen, niet langer in staat voldoende aan die uitgangspunten
                    tegemoet te komen. Gemeenten worden daartoe wel in staat geacht. Veel meer dan
                    de rijksoverheid is het voor gemeenten mogelijk bij het huisvestingsbeleid
                    rekening te houden met de omstandigheden van de school en de overige lokale
                    omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door minder rigide normen te hanteren dan
                    de rijksoverheid en meer ruimte te creëren voor overleg met het scholenveld,
                    zonder overigens de gelijke behandeling van scholen uit het oog te verliezen. De
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de eerste plaats van
                    belang voor de scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van overheid, is de
                    nieuwe taak echter van belang. Op tal van gemeentelijke beleidsterreinen is
                    immers sprake van huisvestingsbehoefte. Dat geldt niet alleen voor zaken waar
                    gemeenten zich nu mee bezighouden - kinderopvang, volwasseneneducatie, sociaal
                    en cultureel werk etc. - maar ook voor nieuwe gemeentelijke beleidsterreinen als
                    onderwijsachterstandsbeleid. De aan gemeenten toebedachte rol van
                    beleidsbepalend coördinator en financier biedt nieuwe mogelijkheden om een
                    optimale afstemming tussen huisvestingsbehoefte, beschikbare
                    huisvestingscapaciteit en beschikbare middelen te bewerkstelligen. Dat betekent
                    enerzijds dat meer efficiency bereikt kan worden. Anderzijds betekent dit ook
                    dat de inhoud van het lokale onderwijsbeleid via de huisvesting kan worden
                    ondersteund. Zou de gemeente bijvoorbeeld in het kader van het
                    achterstandsbeleid besluiten dat extra aandacht (en geld) wordt besteed aan een
                    bepaalde categorie leerlingen, dan kan daaraan gekoppeld worden dat daar ook in
                    de sfeer van de huisvesting een mogelijkheid voor wordt gecreëerd. Het spreekt
                    voor zich dat dit gebeurt in goed overleg met de betrokken schoolbesturen. Ook
                    buiten de sfeer van het onderwijs kan de nieuwe taak van gemeenten zijn vruchten
                    afwerpen. Nieuwe vormen van bouwen, bijvoorbeeld schoolwoningen, kunnen worden
                    gestimuleerd. Op zichzelf zijn daarvoor nu ook al mogelijkheden, maar het is nog
                    te vaak een kwestie van zeer lange adem om iets dergelijks gerealiseerd te
                    krijgen. Samenvattend kan gesteld worden dat niet alleen het onderwijs, maar ook
                    andere gemeentelijke beleidsterreinen kunnen profiteren van de
                    huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten. </al><al/><al><vet>2.2.3  De wet</vet> Aan het einde van de zittingsperiode van het
                    vorige kabinet kwam het akkoord met de VNG onder zware druk te staan. Het
                    kabinet wenste de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de
                    onderwijshuisvesting door te decentraliseren aan schoolbesturen in de wet op te
                    nemen. Het kabinet-Kok heeft echter de uitgangspunten van het oorspronkelijke
                    akkoord met de VNG in het regeerakkoord opgenomen. Onder meer hierdoor heeft het
                    tot oktober 1995 geduurd voordat er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer werd
                    ingediend (Kamerstuk 24 455). Inmiddels had de staatssecretaris van OCenW op
                    aandringen van de VNG al besloten om de invoering van de decentralisatie
                    onderwijshuisvesting, die aanvankelijk gepland was op 1 januari 1996, uit te
                    stellen tot 1 januari 1997. Het wetsvoorstel is zowel in de Tweede als in de
                    Eerste Kamer met een grote meerderheid aangenomen. Tijdens de parlementaire
                    behandeling is uitvoerig stilgestaan bij de financiële implicaties van het
                    wetsvoorstel. Dat heeft geresulteerd in een verruiming van de overgangsregeling
                    voor gemeenten die een fors financieel nadeel ondervinden als gevolg van de
                    verdeling van de onderwijshuisvestingsmiddelen naar het Gemeentefonds. Ook zal
                    door middel van een evaluatie na vijf jaar worden bezien of de gekozen
                    verdeelsystematiek bijstelling behoeft en of gemeenten in staat zijn hun
                    wettelijke verplichtingen na te komen. De staatssecretaris heeft een jaarlijkse
                    monitoring aan het parlement toegezegd waarbij, naast de financiële aspecten,
                    ook de lokale ontwikkelingen op het punt van de doordecentralisatie worden
                    bezien. Om vanuit het rijk voldoende waarborgen te bieden aan de scholen is op
                    verzoek van de Tweede Kamer een aantal wijzigingen in het wetsvoorstel
                    aangebracht. Zo zullen bij algemene maatregel van bestuur minimale
                    oppervlaktenormen worden vastgesteld en is geregeld dat het openbaar en het
                    bijzonder onderwijs ook in procedurele zin gelijk worden behandeld. Een
                    belangrijke wijziging betreft de rol die de Onderwijsraad gaat vervullen. Indien
                    een bevoegd gezag meent dat bij de vaststelling van de verordening of bij de
                    vaststelling van het gemeentelijke programma voor de huisvestingsvoorzieningen
                    wordt gehandeld in strijd met de vrijheid van richting of van inrichting, dan
                    kan daarover een advies van de Onderwijsraad worden gevraagd. Dat advies kan ook
                    door de gemeente worden gevraagd. Door inwerkingtreding van het wetsvoorstel
                    zijn de Wet op het basisonderwijs (WBO), de Interimwet op het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs (ISOVSO), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de
                    daarop gebaseerde overgangswetten (OWBO, OISOVSO en OWVO) gewijzigd. De
                    wijzigingen leiden ertoe dat grotendeels eenzelfde huisvestingsregime voor
                    primair onderwijs en voortgezet onderwijs gaat gelden. De belangrijkste
                    elementen uit de wet zijn: </al><al>de gemeenteraad zorgt voor alle huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van
                    de gemeente. Het betreft hier de overdracht van de zorgplicht van het rijk, die
                    tegelijkertijd een territoriale beperking krijgt; </al><al>de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is
                    worden benoemd. Dit zijn grotendeels de voorzieningen die nu bij de minister
                    kunnen worden aangevraagd; </al><al>de gemeenteraad krijgt de opdracht een verordening vast te stellen. In die
                    verordening moet onder andere geregeld worden welke criteria de gemeente
                    hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de bedragen voor de
                    huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan welke eisen schoolgebouwen
                    moeten voldoen en welke procedures gelden voor aanvragen van schoolbesturen.
                    Voordat de verordening wordt vastgesteld, wordt daarover overleg gevoerd met de
                    schoolbesturen; </al><al/><al>aan de gemeenteraad wordt ook opgedragen jaarlijks een bedrag vast te stellen.
                    Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van huisvestingsvoorzieningen in het
                    daaropvolgende jaar en moet zodanig worden vastgesteld dat daarmee
                    redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvestingsbehoefte; </al><al>als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd programma te
                    worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma bevat alle aangevraagde
                    voorzieningen die het jaar daarop voor bekostiging door de gemeente in
                    aanmerking komen. Verzoeken die worden afgewezen komen op het zogenoemde
                    overzicht te staan. De afwijzingsgrond wordt daarbij vermeld; </al><al/><al>de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt geweigerd indien: </al><lijst><li nr="-"><al>niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan; </al></li><li nr="-"><al>de voorziening niet noodzakelijk is; </al></li><li nr="-"><al>op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien, bijvoorbeeld
                            door medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen realiseren krijgt de
                            gemeente het recht leegstaande lokalen te vorderen van een
                            schoolbestuur; </al></li><li nr="-"><al>de voorziening noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare nalatigheid
                            van het schoolbestuur; </al></li><li nr="-"><al>het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend is. </al></li></lijst><al>in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente met een
                    schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf verantwoordelijk wordt
                    voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor van de gemeente jaarlijks een
                    bedrag ontvangt; de zogenaamde doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle
                    huisvestingsvoorzieningen, maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan
                    voorwaarden stellen aan de doordecentralisatie. </al><al/><al/><al/><al><vet>2.2.4  De financiën</vet> De geldstroom voor
                    huisvestingsvoorzieningen van het ministerie van OCenW aan gemeenten gaat
                    middels een Gemeentefondsuitkering. In de Financiële verhoudingswet is
                    vastgelegd op welke wijze de verdeling van de middelen plaatsvindt. In de
                    memorie van toelichting bij de wijziging van de WBO, ISOVSO en WVO i.v.m. de
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting, alsmede in de juni circulaire
                    Gemeentefonds 1996 van het ministerie van Binnenlandse Zaken, is een uitvoerige
                    passage opgenomen over de verdeling van de middelen en de maatstaven die
                    daarvoor gebruikt worden. </al><al/><al><vet>2.2.5 Het overleg met het lokale onderwijsveld;
                        consensusmodel</vet> Alvorens in paragraaf 2.2.6 in te gaan op het formele
                    instrument dat gemeenten ter beschikking staat om de huisvestingstaak uit te
                    voeren (de verordening), wordt eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke
                    instrument van het overleg. In de wet is een aantal malen overleg met bijzondere
                    scholen of hun vertegenwoordigers voorgeschreven (zie onder B1, Modelverordening
                    procedure overleg huisvesting onderwijs en onder paragraaf 2.2.6.3, De
                    procedures van aanvragen en afhandeling). Méér echter dan een wettelijke
                    verplichting is het overleg een instrument om lokaal
                    onderwijs(huisvestings)beleid te voeren. Het is niet alleen van belang om
                    draagvlak te verkrijgen voor de intenties van de gemeente, maar ook nuttig om
                    inzicht te krijgen in de wensen en mogelijkheden van schoolbesturen. Met name
                    indien een gemeente de onderwijshuisvesting wil inbedden in het bredere lokaal
                    onderwijsbeleid, is goed overleg onontbeerlijk. In paragraaf 2.2.6 wordt onder
                    andere beschreven wat het programma, het overzicht en de urgentiecriteria
                    inhouden. De toepassing van deze wettelijke instrumenten kàn ertoe leiden dat
                    het huisvestingsbeleid niet meer wordt dan het van jaar tot jaar toe- en
                    afwijzen van ingediende verzoeken. Op die wijze is het niet alleen onmogelijk om
                    integraal beleid te voeren; ook de ontwikkeling van een meerjarenperspectief is
                    dan niet aan de orde. Indien echter, in overleg met het onderwijsveld, gekomen
                    kan worden tot een meerjarenplanning kunnen de formele instrumenten in
                    belangrijke mate achterwege blijven. Van de scholen wordt dan gevraagd inzicht
                    te geven in hun meerjarenplanning en de daaruit voortvloeiende
                    huisvestingswensen. De gemeente geeft aan wat, naar verwachting, de financiële
                    mogelijkheden zijn en of er ontwikkelingen op andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen verwacht worden die mogelijk van invloed zijn op de
                    onderwijshuisvesting. Vervolgens wordt, in gezamenlijk overleg, een planning
                    voor de komende jaren vastgesteld. Dat kan met inachtneming van de
                    urgentiecriteria die in de verordening vastliggen, maar hier kan ook van worden
                    afgeweken als daarover consensus bestaat. De meerjarenplanning leidt vervolgens
                    ieder jaar tot het plaatsen van een aantal voorzieningen op het programma dat
                    door de raad wordt vastgesteld. Dat vereist overigens van de gemeente dat zij
                    een reëel inzicht, ontleend aan de meerjarenbegroting, geeft in de financiële
                    mogelijkheden op langere termijn. Dit systeem kan namelijk alleen werken als,
                    weliswaar niet formeel maar wel materieel, rechten ontleend kunnen worden aan de
                    meerjarenplanning. Dat betekent dat alleen in geval van calamiteiten van de
                    meerjarenplanning wordt afgeweken. Als die zich niet voordoen, rust op de
                    gemeente ten minste de morele plicht om de meerjarenplanning op de
                    overeengekomen wijze uit te voeren. Uiteraard geldt dan voor de schoolbesturen
                    dat zij, calamiteiten daargelaten, geen aanvragen indienen buiten de
                    meerjarenplanning om. Het vorenstaande betekent dat de urgentiecriteria in feite
                    niet formeel toegepast worden, omdat uitgegaan wordt van consensus met de
                    schoolbesturen. Slechts als er geen overeenstemming over de meerjarenplanning
                    bereikt wordt, wordt teruggevallen op de formele bepalingen uit de verordening.
                    Dit zogenaamde consensusmodel stelt eisen aan het overleg. Daarbij gaat het
                    zowel om de agenda als de deelnemers. Dit type overleg kan alleen zinvol zijn
                    als het niet wordt beperkt tot de ‘techniek’ van de huisvesting, maar wordt
                    verbreed tot de voornemens en wensen van alle partijen op het brede
                    onderwijsterrein. Dat stelt uiteraard ook eisen aan de deelnemers. Overleg is
                    alleen zinvol als men voldoende deskundigheid, maar ook voldoende mandaat heeft.
                    Bovendien geldt voor de gemeente dat het noodzakelijk is een helder onderscheid
                    aan te brengen tussen de lokale overheidstaak en het bestuur van het openbaar
                    onderwijs. Dat betekent bij voorkeur dat aan het overleg een representant van de
                    gemeente en een representant van het openbaar onderwijs deelnemen. Afhankelijk
                    van de mate van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en de keuze van de
                    directiestructuur kan de representant van het openbaar onderwijs een ambtenaar
                    van de dienst onderwijs of een lid van de (centrale) directie zijn. Het is
                    uiteraard van belang dat deze personen kunnen rekenen op een draagvlak binnen de
                    scholen die zij representeren. Om hiervan verzekerd te zijn kunnen bijvoorbeeld
                    de medezeggenschapsraden vooraf geconsulteerd worden. Als het openbaar onderwijs
                    is verzelfstandigd, neemt uiteraard het bevoegd gezag deel aan het overleg (zie
                    ook B1.3, Artikelsgewijze toelichting op de verordening procedure overleg
                    huisvesting onderwijs). Voor het bijzonder onderwijs betekent dit deelname door
                    het schoolbestuur zelf, een representant daarvan met bestuurlijk mandaat of een
                    vertegenwoordiger van een aantal schoolbesturen. Met name in gemeenten met veel
                    schoolbesturen zal een praktische keuze gemaakt moeten worden, om het overleg
                    niet op een ‘Poolse landdag’ te laten uitlopen. Toepassing van het hiervoor
                    beschreven consensusmodel betekent niet dat er geen verordening behoeft te
                    worden vastgesteld. Volgens de wet dient iedere gemeente waar zich basis-,
                    speciaal, of voortgezet onderwijs bevindt een verordening te hebben. Ook al
                    wordt die verordening niet strikt toegepast, hij is wel van belang als ‘vangnet’
                    voor het geval er onverhoopt niet met alle schoolbesturen consensus zou kunnen
                    worden bereikt. Bovendien zullen ook de uitkomsten van het consensusmodel tot de
                    vaststelling van een programma (de beschikkingen) door de gemeenteraad moeten
                    leiden. In het overleg kan afgesproken worden dat bepaalde procedurele aspecten
                    van de verordening, zoals ten aanzien van de uitvoering van beschikkingen, wel
                    van toepassing zijn op het consensusmodel. </al><al/><al><vet>2.2.6  De verordening</vet> De wet geeft gemeenten een
                    belangrijk instrument om de huisvestingstaak gestalte te geven: de verordening.
                    De verordening dient de uitwerking te vormen van een aantal wettelijke
                    bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening zodanig moet worden
                    opgezet dat kan worden ‘voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de
                    huisvesting van scholen in de gemeente stelt’. In de VNG-modelverordening
                    voorzieningen huisvesting onderwijs, die door iedere gemeente op de gewenste
                    lokale maat gesneden kan worden, is dat principe uitgewerkt. Deze
                    modelverordening is tot stand gekomen met medewerking van een klankbordgroep,
                    bestaande uit gemeentelijke vertegenwoordigers, en na uitgebreid en constructief
                    overleg met de besturenorganisaties voor het bijzonder onderwijs. De verordening
                    bestaat voor het belangrijkste deel uit bepalingen die volgens de wet moeten
                    worden opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve bepalingen opgenomen. Op
                    het eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen, vrij
                    omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de voorkeur
                    heeft om in overleg met de schoolbesturen (zie hiervoor paragraaf 2.2.5) het
                    huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening zodanig van inhoud te
                    zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen biedt om, ook in beroep, de
                    gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat gegeven leidt tot meer
                    bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt. Bovendien vervangt de
                    modelverordening het grootste deel van het omvangrijke scala aan
                    rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten hebben nu eenmaal niet
                    dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die het rijk heeft, dus alle
                    regels moeten in de vorm van een verordening worden gegoten. Om een indruk te
                    geven: de modelverordening vervangt (delen van): </al><al>Bouwbesluit WBO; </al><al>Bekostigingsbesluit WBO; </al><al>Huisvestingsbesluit WBO; </al><al>Bekostigingsstelsel basisonderwijs; programma’s van eisen huisvesting; </al><al>Regeling subsidieplafond en verdelingsregels basisonderwijs; </al><al>Regeling inzending bouwopdracht basisonderwijs; </al><al>Regelingen m.b.t. de huisvestingsmeldingsformulieren basisonderwijs; </al><al>Regelingen m.b.t. de modelprognoses; </al><al>Regeling invoering architectenverklaring basisonderwijs; </al><al>Huisvestingsbesluit WVO; </al><al>Regeling huisvesting voortgezet onderwijs; </al><al>Programma’s van eisen blijvende voorzieningen voortgezet onderwijs; </al><al>Programma’s van eisen tijdelijke voorzieningen voortgezet onderwijs; </al><al>Programma’s van eisen inventaris voortgezet onderwijs; </al><al>Ruimtelijk normeringssysteem (RNS) voortgezet onderwijs. </al><al/><al/><al><vet>2.2.6.1  Uitgangspunten</vet> In de modelverordening is
                    uitgegaan van integraal gemeentelijk huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet
                    op voorhand een scheiding wordt aangebracht tussen basis-, speciaal en
                    voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit niet alleen voort dat ervan uit wordt
                    gegaan dat de gemeenteraad één budget vaststelt voor alle mogelijke
                    huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij het opstellen van de
                    beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van één systematiek. Om het
                    mogelijk te maken dat het onderwijshuisvestingsbeleid zoveel mogelijk wordt
                    ingebed in het totale gemeentelijke beleid, wordt bij de aanvraag- en
                    toekenningsprocedure de gemeentelijke begrotingscyclus gevolgd. Op die wijze
                    wordt bewerkstelligd dat een brede lokale afweging wordt gemaakt binnen het
                    totaal aan beschikbare gemeentelijke middelen. Het programma met daarop de
                    huisvestingsvoorzieningen die door de gemeente worden vergoed, wordt in principe
                    dan ook gelijktijdig met de begroting vastgesteld. Op die wijze zijn het bedrag
                    op de begroting en de toegekende voorzieningen altijd met elkaar in
                    overeenstemming. Er is dus geen sprake van een vooraf vastgesteld budget, waarna
                    vervolgens zoveel voorzieningen worden toegekend als het budget toelaat. Een
                    dergelijke handelwijze kan ertoe leiden dat niet voldaan wordt aan de opdracht
                    tot adequate huisvesting, omdat absoluut noodzakelijke voorzieningen niet aan
                    bod komen. Evenzeer is het denkbaar dat voorzieningen die niet absoluut
                    noodzakelijk zijn worden toegekend, omdat er nu eenmaal budget is. Dat
                    ‘overtollige’ budget kan wellicht beter ingezet worden voor andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen. Een ander uitgangspunt van de verordening betreft de
                    efficiency. Niet alleen vanwege de vooraf opgelegde efficiencykorting, maar ook
                    vanwege het algemene belang om zo zorgvuldig mogelijk om te springen met
                    gemeenschapsgelden, heeft dit item een groot accent gekregen in de verordening.
                    De inzet is het zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande
                    huisvestingscapaciteit. Dat komt tot uitdrukking in de beoordelingscriteria die
                    worden toegepast bij verzoeken om nieuwe huisvestingsvoorzieningen, maar
                    bijvoorbeeld ook bij het toekennen van ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat
                    laatste wordt het uitgangspunt verlaten dat bij een bepaalde omvang van het
                    gebruik recht bestaat op een ‘eigen’ gymlokaal, en wordt uitgegaan van
                    gemeentelijke accommodaties die beschikbaar worden gesteld voor het onderwijs.
                    Het maatwerk, een van de andere belangrijke redenen voor decentralisatie van de
                    onderwijshuisvesting, komt onder andere tot uitdrukking in de vergroting van
                    autonomie die aan schoolbesturen wordt gegeven. Niet langer worden
                    gedetailleerde eisen gesteld aan de vorm waarin een huisvestingsvoorziening
                    wordt uitgevoerd; er worden slechts minimale normen vastgelegd. Zo geldt
                    bijvoorbeeld een minimumoppervlakte voor een lesruimte, om te bewerkstelligen
                    dat een gebouw ook functioneel is voor eventuele andere gebruikers, maar geen
                    minimumnorm voor het totale gebouw. De modelverordening gaat ook niet uit van
                    een genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor groot
                    onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst worden, dan wordt
                    de noodzaak ervan getoetst. Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in de wijze
                    waarop de vergoeding van de kosten van bepaalde voorzieningen tot stand komt. De
                    wet schrijft voor dat de gemeenteraad daarvoor normen vastlegt. In de memorie
                    van toelichting is aangegeven dat dat ook kan inhouden dat met een zogenoemde
                    offertesystematiek wordt gewerkt. In de modelverordening is ervoor gekozen de
                    vergoeding voor alle voorzieningen waarvoor dat mogelijk is te normeren in de
                    vorm van een soort van programma’s van eisen. Voor de voorzieningen waarvoor dat
                    niet mogelijk is wordt uitgegaan van de offertelijn. Die houdt in dat een
                    schoolbestuur bij de aanvraag een begroting overlegt. Na eventuele bijstelling
                    daarvan wordt een voorlopig vergoedingsbedrag vastgesteld. Als de voorziening
                    door de raad is goedgekeurd, vraagt het schoolbestuur een aantal offertes. Op
                    basis daarvan wordt vervolgens het definitieve vergoedingsbedrag bepaald. Op die
                    wijze ontstaat ook in de vergoeding van de voorzieningen het benodigde maatwerk.
                    In de artikelsgewijze toelichting is aangegeven dat ook de vergoedingsbedragen
                    die genormeerd zijn, kunnen worden vervangen door de offertelijn. Over het
                    geheel genomen is in de modelverordening geen sprake van een principiële breuk
                    met het huidige rijksbeleid. Zo zijn de normbedragen afgeleid van de voormalige
                    programma’s van eisen en zijn bijvoorbeeld bij verwijsafstanden grotendeels de
                    rijkscriteria overgenomen. Waar mogelijk zijn wel vereenvoudigingen aangebracht.
                    De reden voor de vertaling van grote delen van het rijksbeleid is tweeledig.
                    Enerzijds is het bedrag dat wordt overgeheveld naar gemeenten gebaseerd op dit
                    beleid. Grote afwijkingen hiervan kunnen soms tot meerkosten leiden. Anderzijds
                    laat deze keuze alle mogelijkheden open om in het overleg met de schoolbesturen
                    tot een werkelijk lokale invulling te komen. Zo kan bijvoorbeeld op lokaal
                    niveau het beste ingeschat worden wat het betekent als voor de verwijsafstand
                    wordt gekozen voor een andere kilometergrens of een afbakening van een bepaalde
                    wijk. De modelverordening is dan ook zodanig dat er voldoende ruimte is om er
                    een gemeentespecifieke invulling aan te geven. Als laatste, maar zeker niet
                    onbelangrijkste uitgangspunt, kan de gelijke behandeling van openbaar en
                    bijzonder onderwijs genoemd worden. </al><al/><al><vet>2.2.6.2  De structuur</vet> De modelverordening is opgesteld
                    volgens het ‘ladenkastprincipe’. Dit houdt in dat de bepalingen voor de
                    onderwijssoorten die in een gemeente niet voorkomen, gemakkelijk verwijderd
                    kunnen worden. Dat geldt ook voor facultatieve bepalingen, zoals het toekennen
                    van een vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding. Verder zijn alle
                    bepalingen waar keuzen gemaakt zijn op het gebied van termijnen duidelijk
                    aangegeven. De gekozen termijnen kunnen zodoende makkelijk vervangen worden. De
                    modelverordening bevat een aanzienlijk aantal vrij technische bepalingen. Dit
                    geldt met name voor de bouwkundige en financiële normering en de urgentie- en
                    prognosecriteria. Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de modelverordening
                    daarom uit een zgn. rompverordening met bijlagen. In de romp (zie onder 2.1)
                    staan bepalingen die in hun algemeenheid voor iedere gemeente gelden, zoals de
                    begripsomschrijvingen, de aanvraagprocedure en de competentieverdeling tussen
                    raad en college van burgemeester en wethouders. Verder is een aantal
                    ‘kapstokbepalingen’ opgenomen. Deze maken het mogelijk dat een nadere uitwerking
                    plaatsvindt in de bijlagen. Romp en bijlagen vormen overigens in juridische zin
                    één geheel. De totstandkoming en wijziging van de bijlagen (zie onder 2.4)
                    zullen op dezelfde wijze dienen plaats te vinden als die van de romp. Dat
                    betekent overigens niet dat iedere wijziging tot een nieuwe vaststelling door de
                    gemeenteraad moet leiden. Wanneer het gaat om zaken die jaarlijks bijgesteld
                    moeten worden, zoals normbedragen, is die bijstelling opgedragen aan
                    burgemeester en wethouders </al><al/><al><vet>2.2.6.3  De procedures van aanvragen en afhandeling</vet> Wat de
                    procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke begrotingscyclus. De
                    totale cyclus, die start met vaststelling of (indien noodzakelijk) wijziging van
                    de verordening en eindigt met de uitvoering van de huisvestingsvoorziening,
                    vindt plaats in drie kalenderjaren. In het schema op blz. 11 wordt geschetst
                    welke activiteiten in welk jaar moeten plaatsvinden, waarbij met jaar ‘t’ het
                    jaar van uitvoering van de huisvestingsvoorziening door het schoolbestuur is
                    bedoeld. De aangegeven maanden zijn uiteraard indicatief. Het hiervoor
                    beschreven proces kan zich in principe ieder jaar herhalen. Dit betekent
                    bijvoorbeeld dat op het moment van overleg met de schoolbesturen over het
                    raadsvoorstel voor het programma, ook het wettelijk voorgeschreven overleg over
                    een eventuele wijziging van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                    kan plaatsvinden. Dit met inachtneming van het gestelde in de Verordening
                    procedure overleg huisvesting onderwijs (B1). Er is bij de aanvraagprocedures
                    geen onderscheid gemaakt tussen voor blijvend en voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen. Beide worden op hetzelfde moment en voor hetzelfde programma
                    aangevraagd. Dat kan ook omdat ten opzichte van het systeem van vóór 1 januari
                    1997 de procedure voor de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen met één
                    jaar bekort is. Die voorzieningen worden nu het jaar voorafgaand aan de
                    realisering aangevraagd. Indien zich calamiteiten voordoen, waarbij de voortgang
                    van het onderwijs belemmerd wordt, kan een spoedprocedure gevolgd worden. Door
                    de verkorting van de reguliere procedures zal hiervan naar verwachting weinig
                    gebruik hoeven te worden gemaakt. </al><al><extref doc="/cvdr/images/Coevorden/i3779.pdf">procedure aanvragen en afhandeling</extref></al><al><vet>[9]</vet></al><al/><al/><al><vet>2.2.6.4 De normering</vet> De wet draagt gemeenten op om in de
                    verordening bouwkundige en financiële normen vast te leggen. Ten aanzien van de
                    financiële normering bestaan straks geen centrale voorschriften meer. Het
                    vastleggen hiervan is dus volledig overgelaten aan gemeenten. Wel moet de
                    vaststelling zodanig plaatsvinden, dat een schoolbestuur vooraf weet waar het op
                    kan rekenen. Voor de bouwkundige normering is er wel sprake van centrale
                    regelgeving. Met name in het Bouwbesluit van VROM zullen eisen aan gebouwen,
                    waaronder schoolgebouwen, gesteld worden. Ook zijn in een algemene maatregel van
                    bestuur van OCenW minimale oppervlaktenormen gegeven (Uitvoeringsbesluit
                    voorzieningen in de huisvesting PO/VO, Stb. 1997, 125). Aanvullend daarop zijn
                    in de modelverordening enkele minimale eisen opgenomen. De bouwkundige normering
                    dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald aan welke eisen nieuwe
                    voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de bouwkundige normering
                    informatie worden ontleend over de capaciteit en de functionaliteit van een
                    bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te beoordelen of er een nieuwe
                    voorziening aan een gebouw getroffen moet worden. Omdat er in het primair
                    onderwijs nog steeds discussies (en beroepszaken) lopen over de precieze
                    capaciteit van gebouwen, is het verstandig om bij de invoering van de
                    decentralisatie een zogenoemde nulmeting te houden. Aan de hand daarvan kan
                    worden vastgelegd wat de capaciteit van de gebouwen is op dat moment. Dit is met
                    name van belang als er een groot verschil is tussen de feitelijke oppervlakte
                    van een gebouw en het aantal leerlingen dat er volgens de normen in zou moeten
                    passen. De nulmeting zou eventueel uitgebreid kunnen worden met een
                    inventarisatie van de onderhoudstoestand. Bijlage III, deel A, bij de
                    modelverordening beschrijft een procedure voor de nulmeting. Zoals in paragraaf
                    2.2.6.1 al is aangegeven is voor de normering gekozen om het huidige systeem dat
                    door het rijk gehanteerd wordt, in grote lijnen over te nemen. Dat betekent voor
                    het primair onderwijs dat zal worden aangesloten bij de Bouwbesluiten WBO en
                    ISOVSO, en voor het voortgezet onderwijs bij het Ruimtebehoeftemodel (RBM). Dit
                    geschiedt vanuit drie overwegingen. Er is de afgelopen jaren niet gebleken dat
                    de bouwkundige normering in haar algemeenheid te ruim of te krap zou zijn. Dat
                    kan in individuele gevallen wel het geval zijn, maar de modelverordening biedt
                    de mogelijkheid tot maatwerk voor die specifieke omstandigheden. Als algemene
                    norm lijken de huidige normen dus bruikbaar. Ten tweede dient er rekening mee
                    gehouden te worden dat de huidige gebouwenvoorraad grotendeels voldoet aan de
                    huidige normen. Een afwijking daarvan in gemeentelijke verordeningen zou een
                    hausse aan aanvragen met zich mee kunnen brengen. Tot slot, in aansluiting
                    hierop, is het financiële aspect van belang. Het budget dat aan gemeenten
                    beschikbaar wordt gesteld, is gebaseerd op de huidige normen. Een afwijking
                    daarvan zal vermoedelijk eerder een opwaarts dan een neerwaarts effect op de
                    kosten geven. Het overnemen van de rijksnormen betekent overigens niet dat
                    daarmee ook de starheid in uitvoering wordt overgenomen. In de toepassing van de
                    normen zit de mogelijkheid van maatwerk. Zo wordt ervan uitgegaan dat een
                    schoolbestuur niet per definitie de normoppervlakte behoeft te realiseren. Er is
                    ten aanzien van de indeling van een gebouw gekozen voor minimale eisen, om de
                    vrijheid van een schoolbestuur zo groot mogelijk te laten zijn. Wel wordt
                    bijvoorbeeld bepaald wat de minimumoppervlakte van een leslokaal moet zijn. Dit
                    gebeurt om te waarborgen dat een gebouw ook functioneel is voor een eventuele
                    nieuwe gebruiker. Ten aanzien van de financiële normering zijn er twee opties:
                    een strikt genormeerde lijn en een offertelijn. Ook kan een combinatie van beide
                    worden gekozen. De genormeerde lijn houdt in dat, net als nu, met programma’s
                    van eisen gewerkt wordt, die precies aangeven welk bedrag voor welke voorziening
                    staat. In de verordening wordt aangegeven hoe die bedragen bijgesteld worden;
                    uitvoering daarvan is opgedragen aan burgemeester en wethouders. De offertelijn
                    houdt in dat het schoolbestuur voor een gewenste voorziening een aantal offertes
                    vraagt, op basis van vooraf vastgestelde uitgangspunten. Op basis van de
                    overgelegde offertes stelt de gemeente het vergoedingsbedrag vast. Met name voor
                    voorzieningen als aanpassingen en onderhoud kan de offertelijn uitkomst bieden,
                    vooral als gestreefd wordt naar maatwerk. Deze voorzieningen zijn immers zo
                    afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het gebouw, dat ze moeilijk
                    vooraf te normeren zijn. Die normering is echter wel mogelijk, en kan met name
                    voor gemeenten met veel scholen een uitkomst bieden. </al><al/><al><vet>2.2.6.5  Beoordelings- en urgentiecriteria</vet>
                    Beoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek in
                    principe voor bekostiging in aanmerking komt. Voorbeelden van
                    beoordelingscriteria zijn een bepaling over met hoeveel leerlingen een school
                    moet groeien om in aanmerking te komen voor extra ruimte, of een bepaling dat
                    een prognose moet aantonen dat een bepaald aantal leerlingen gedurende een
                    bepaald aantal jaren de school zal bezoeken. Als voldaan is aan de
                    beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de urgentiecriteria en het
                    beschikbare budget vastgesteld of een voorziening daadwerkelijk bekostigd wordt.
                    Omdat als uitgangspunt is gekozen voor één budget voor alle schoolsoorten,
                    gelden de urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten. Dat betekent dat is
                    gezocht naar een methode om verzoeken van verschillende schoolsoorten onderling
                    vergelijkbaar te maken. De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier
                    hoofdgroepen: </al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen (te
                            weinig ruimte); </al></li><li nr="2."><al>voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te
                            handhaven; </al></li><li nr="3."><al>noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of
                            krachtens de wet gestelde verplichtingen (Arbo-besluit, Bouwbesluit,
                            brandveiligheidsvoorschriften); </al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te heffen
                            die het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste
                            bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld andere indeling gebouw), doch die
                            als zodanig niet verplicht zijn. </al></li></lijst><al>De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden in een aantal
                    subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken om
                    uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep moet
                    worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan bijvoorbeeld
                    door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei plaatsvindt, de
                    hoogste prioriteit heeft. Alle binnengekomen verzoeken worden dus eerst
                    beoordeeld aan de hand van wettelijke voorschriften en de gemeentelijke
                    beoordelingscriteria. De voorzieningen die deze toets niet doorstaan, komen op
                    het overzicht. De voorzieningen die overblijven worden met behulp van de
                    urgentiecriteria in volgorde van prioriteit geplaatst. Vervolgens wordt aan de
                    hand hiervan bepaald welke voorzieningen het volgende jaar vergoed worden. Deze
                    komen op het programma te staan. Op grond van de bijbehorende normbedragen of de
                    bedragen die op basis van de offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens het
                    bedrag bepaald dat de gemeenteraad voor deze voorzieningen op de begroting voor
                    het volgende jaar opneemt. De voorzieningen die ‘onder de streep’ belanden,
                    worden wegens ontoereikendheid van het budget op het overzicht geplaatst. Als er
                    voldoende budget is, komen alle aanvragen op het programma. Zodoende worden op
                    één moment het bedrag, het programma en het overzicht vastgesteld. De
                    voorzieningen die het volgende jaar door de gemeente vergoed worden komen op het
                    programma; alle afgewezen verzoeken komen op het overzicht. </al><al/><al><vet>2.2.6.6.  Prognosecriteria</vet> In de modelverordening is
                    vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen in de meeste gevallen een
                    prognose van leerlingaantallen moet worden overlegd. Prognoses gelden als één
                    van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een aangevraagde voorziening.
                    Tot voor kort werd een aantal prognosemodellen voorgeschreven (Probo II voor
                    basisscholen en het prognosemodel huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu
                    geeft de verordening burgemeester en wethouders de bevoegdheid nadere regels
                    vast te stellen. Als model hiertoe is in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt
                    ‘programma van eisen voor leerlingprognoses’ opgesteld. In dit programma van
                    eisen is tot op het niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan
                    nieuwe prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                    beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                    onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee
                    tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school. Het zou de voorkeur
                    verdienen dat het ‘programma van eisen voor leerlingprognoses’ ook gehanteerd
                    zou kunnen worden voor de stichting van nieuwe scholen. Maatwerk bij toepassing
                    van de prognosemethodiek ligt voor de hand wanneer de specifieke positie van
                    enkele kleinere richtingen aan de orde is. Het betreft hier met name
                    gereformeerd-vrijgemaakte, reformatorische en vrije scholen, waarbij de
                    kerkelijke gebondenheid of het uitermate grote voedingsgebied een wezenlijke rol
                    spelen. Het maatwerk kan hier getroffen worden door op onderdelen van de
                    standaardsystematiek af te wijken of door deze systematiek op een bepaalde
                    manier toe te passen. </al><al/><al><vet>2.2.6.7  Vaststelling van de verordening</vet> Op de
                    vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende bepalingen
                    uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO, de WEC en de
                    WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen. De grondslag voor de regelgevende
                    bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de Grondwet. De gemeenteraad staat aan
                    het hoofd van de gemeente, en beschikt dientengevolge over de bevoegdheid alles
                    te regelen in het belang van de openbare orde, de zedelijkheid, de gezondheid en
                    andere zaken betreffende de huishouding van de gemeente (artikel 150
                    Gemeentewet). Daarnaast is de raad op grond van artikel 109, tweede lid
                    Gemeentewet, verplicht die regelingen te treffen die door hogere regelingen
                    worden gevorderd. Daarvan is in het geval van de Verordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs sprake. De regelgevende bevoegdheid van de raad kan worden
                    gedelegeerd aan burgemeester en wethouders behalve als het verordeningen betreft
                    die worden gehandhaafd door strafbepaling of bestuursdwang. Bij de vaststelling
                    van de huisvestingsverordening is in het model niet gekozen voor delegatie aan
                    burgemeester en wethouders. Dit voornamelijk gelet op de reikwijdte van de
                    verordening en gezien burgemeester en wethouders tevens bevoegd gezag van de
                    openbare scholen kunnen zijn. De uitvoering van de verordening is in de
                    modelverordening in een aantal gevallen wel aan burgemeester en wethouders
                    opgedragen. De raad stelt de verordening vast bij volstrekte meerderheid van
                    stemmen (artikel 30 Gemeentewet). Om verbindende werking te verkrijgen moet
                    vervolgens krachtens artikel 140 Gemeentewet de bekendmaking van het besluit
                    plaatsvinden. Dit gebeurt ‘door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel, bij
                    gebreke daarvan, door opneming in een andere door de gemeente algemeen
                    verkrijgbaar gestelde uitgave’. De inwerkingtreding van de door de gemeenteraad
                    vastgestelde verordening volgt in beginsel op de achtste dag na de bekendmaking
                    van het besluit, tenzij een ander tijdstip voor inwerkingtreding is aangewezen
                    (artikel 143 Gemeentewet). </al><al>Of er een inspraakprocedure voorafgaat aan de vaststelling van de verordening,
                    hangt af van hetgeen de gemeentelijke inspraakverordening daarover bepaalt. In
                    zijn algemeenheid zal er geen inspraakprocedure gelden, omdat verordeningen
                    meestal niet onder de werking van de inspraakverordeningen vallen. Van
                    preventief toezicht (goedkeuring) door gedeputeerde staten is in het geval van
                    de huisvestingsverordening geen sprake. De huisvestingsverordening valt niet
                    onder de categorie besluiten waarvoor die vorm van toezicht geldt. Van
                    repressief toezicht (vernietiging bij koninklijk besluit) kan theoretisch sprake
                    zijn. Artikel 265 van de Gemeentewet bepaalt dat alle besluiten van het
                    gemeentebestuur vernietigd kunnen worden voor zover zij in strijd zijn met het
                    recht of het algemeen belang. Aan de burgemeester is opgedragen om, door
                    tussenkomst van gedeputeerde staten, melding te maken van dergelijke besluiten
                    bij de kroon. Ter bescherming van de autonomie van gemeenten wordt uiterst
                    terughoudend met het repressieve toezicht omgegaan. De onderwijswetten kennen
                    ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling van de
                    huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217
                    WVO dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan nadat daarover op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd met vertegenwoordigers van de niet
                    door de gemeente in stand gehouden scholen. Voor dat overleg moet de
                    gemeenteraad een procedure vaststellen. Een modelverordening voor dat overleg is
                    in dit handboek onder B1 opgenomen. </al><al/><al><vet>2.2.7  Rechtsbescherming</vet> De WPO en de WVO verklaren wat de
                    rechtsbescherming betreft de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing;
                    tegen de vaststelling van de verordening is geen bezwaar of beroep
                    mogelijk.</al><al>De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van
                    besluiten van de gemeente, hebben grotendeels een vertaling in de
                    modelverordening gekregen. In diverse bepalingen zijn termijnen voorgeschreven
                    waarbinnen besluiten moet worden genomen, er wordt voldaan aan de hoorplicht
                    door middel van het overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van het programma
                    en er zijn bepalingen opgenomen omtrent motivering en bekendmaking van
                    besluiten. Over de rechtsbescherming die van toepassing is nadat de gemeente een
                    besluit op grond van de verordening heeft genomen, wordt in de modelverordening
                    zelf niets bepaald; hier gelden onverkort de bepalingen van de Awb. Dit betekent
                    dat een besluit van de gemeente, genomen op grond van de verordening, openstaat
                    voor bezwaar en daarna voor beroep. In het besluit geeft de gemeente aan dat
                    binnen zes weken na bekendmaking bezwaar kan worden gemaakt, ofwel bij de raad,
                    ofwel bij burgemeester en wethouders (afhankelijk van het orgaan dat het besluit
                    genomen heeft). Tevens wordt aangegeven dat binnen zes weken na bekendmaking een
                    voorlopige voorziening bij de president van de arrondissementsrechtbank kan
                    worden gevraagd. Dit recht ontstaat tegelijkertijd met het recht om bezwaar te
                    maken. Indien de heroverweging op grond van het bezwaarschrift heeft
                    plaatsgevonden, en deze leidt niet tot een gewijzigd besluit, dan moet in de
                    mededeling daarvan aan degene die bezwaar heeft gemaakt worden aangegeven dat
                    binnen zes weken na ontvangst van die mededeling beroep kan worden aangetekend
                    bij de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank. Van de uitspraak
                    van de rechtbank kan in hoger beroep worden gekomen bij de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een nieuwe vorm van rechtsbescherming
                    betreft de introductie van een advies van de Onderwijsraad. Zowel de gemeente
                    als een schoolbestuur kan een dergelijk advies vragen. Het advies van de
                    Onderwijsraad kan gevraagd worden in het kader van de vaststelling of wijziging
                    van de verordening, en in het kader van de vaststelling van het jaarlijkse
                    huisvestingsprogramma. Indien een schoolbestuur van mening is dat het
                    voorgenomen besluit van de gemeente ten aanzien van de verordening of het
                    huisvestingsprogramma in strijd is met de vrijheid van richting of inrichting,
                    kan daarover advies worden gevraagd. Het advies wordt binnen vier weken gegeven.
                    Bij het definitieve besluit houdt de gemeente rekening met het advies; een
                    eventuele afwijking daarvan moet gemotiveerd worden. </al><al/><al><vet>2.2.8  Ten slotte</vet> Hiervoor is weergegeven hoe gemeenten
                    kunnen handelen bij de uitvoering van de wettelijke opdracht om te voorzien in
                    adequate huisvesting. Met name de verordening is daarbij een belangrijk
                    instrument. In paragraaf 2.2.5 is verwoord dat er mogelijkheden zijn om, in
                    afwijking van de verordening, in overleg met de schoolbesturen het lokale
                    huisvestingsbeleid gestalte te geven. Daarbij kunnen dan aspecten van het lokale
                    onderwijsbeleid en andere gemeentelijke beleidsterreinen betrokken worden. De
                    modelverordening is geschreven voor alle Nederlandse gemeenten. Daarbij kan
                    onmogelijk volledig recht gedaan worden aan de verschillende lokale
                    omstandigheden. Het is daarom van groot belang de verordening te beschouwen als
                    een dynamisch beleidsinstrument, dat op de maat van de individuele gemeente
                    gesneden wordt en dat ook, waar nodig, regelmatig aangepast wordt. Naast de
                    modelverordening zal de VNG gemeenten ook andere handreikingen bieden om het
                    huisvestingsbeleid gestalte te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een
                    handreiking omtrent doordecentralisatie en het efficiënt omgaan met bestaande en
                    nieuwe gebouwen. </al><al/><al><vet>2.3  Artikelsgewijze toelichting</vet> In de tekst van de
                    verordening zijn passages cursief weergegeven. Deze passages betreffen: </al><al/><al>termijnen die worden gehanteerd (bijvoorbeeld artikel 6); </al><al/><al>de aanduiding van onderwijssoorten (bijvoorbeeld artikel 1 onder d); </al><al/><al>bepalingen die een keuzemogelijkheid bieden (bijvoorbeeld artikel 4, derde lid); </al><al/><al>bepalingen die niet voortvloeien uit een wettelijke verplichting (bijvoorbeeld
                    artikel 3 in samenhang met hoofdstuk 4). </al><al/><al>Bij de vaststelling van de verordening kan worden uitgegaan van andere
                    termijnen, kunnen alleen die passages worden opgenomen die gezien de
                    aanwezigheid van onderwijssoorten in de gemeente relevant zijn en kan een keuze
                    worden gemaakt voor een geboden mogelijkheid. </al><al/><al/><al><vet>Considerans </vet></al><al/><al><vet>Reikwijdte verordening</vet> De verordening behoeft alleen maar bepalingen
                    te bevatten over de onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de
                    gemeente bevinden. Zo kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar
                    basisonderwijs volstaan met een verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit
                    dat deze gemeente - afgezien van de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor
                    het onderscheid naar onderwijssoort niet relevant is - met minder
                    bepalingen/bijlagen kan volstaan dan een gemeente die beschikt over
                    voorzieningen voor zowel basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs als
                    voortgezet onderwijs. Indachtig het ‘ladenkast-principe’ kunnen uit de tekst van
                    de modelverordening en bijlagen passages worden geschrapt wanneer in een
                    gemeente een van de genoemde onderwijssoorten niet aanwezig is. Wanneer deze
                    situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een gemeente de verordening alsnog
                    aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook inkorten bij het verdwijnen van een
                    onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit geen probleem te zijn, omdat
                    dergelijke veranderingen in het voorzieningenpatroon zich niet van de ene op
                    andere dag voltrekken. De hiervoor geschetste benadering kan in juridische zin
                    worden gebaseerd op de wettelijke bepaling dat ‘de verordening zodanig wordt
                    vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan
                    de huisvesting van de scholen in de gemeente stelt’. Met andere woorden: wanneer
                    er geen scholen voor voortgezet onderwijs (inclusief
                    nevenvestigingen/dislocaties) in de gemeente aanwezig zijn, dan is er ook geen
                    sprake van de (juridische) noodzaak om te voldoen aan de redelijke eisen van de
                    onderwijshuisvesting van de ‘niet-aanwezige scholen’. </al><al/><al><vet>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging) verordening</vet> Het
                    wettelijk voorgeschreven ‘op overeenstemming gericht’ overleg tussen de gemeente
                    en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de verordening, is
                    van groot belang met het oog op het streven om een zo breed mogelijk draagvlak
                    voor de verordening te bereiken binnen de onderwijssector. Om dit belang te
                    benadrukken is dit overleg in de considerans aangehaald. Het op overeenstemming
                    gericht overleg dient te worden gevoerd aan de hand van een door de gemeenteraad
                    vastgestelde procedure. Met de modelverordening ‘procedure overleg huisvesting
                    onderwijs’ (zie onder B1/1.1) kan hierin worden voorzien. </al><al/><al><vet>Artikel 1  Begripsbepalingen</vet> Een belangrijk in de wet
                    verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de gemeente overgedragen
                    huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet
                    worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting te komen in de
                    modelverordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke beslissingen
                    over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen, criteria etc. toe.
                    Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke behandeling. Als
                    concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum voor aanvragen en
                    de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle schoolbesturen dezelfde
                    zijn. Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor
                    gekozen om onder de begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ alle
                    schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van
                    de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen
                    onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder
                    onderwijs. In het geval dat burgemeester en wethouders bestuur zijn van een
                    openbare school waarvoor een huisvestingsvoorziening wordt gewenst, betekent dit
                    dat burgemeester en wethouders dus gehouden zijn aan dezelfde procedures en
                    termijnen als een bestuur van een bijzondere school, een bestuurscommissie ex
                    artikel 82 van de Gemeentewet waaraan de schoolbestuurlijke zorg voor de
                    huisvesting is overgedragen of een openbaar lichaam dat krachtens een
                    gemeenschappelijke regeling een openbare school in stand houdt. Dit kan tot de
                    op het eerste gezicht wellicht wat wonderlijke situatie leiden dat burgemeester
                    en wethouders voor de in de verordening opgenomen indieningsdatum ‘bij zichzelf’
                    een aanvraag indienen. In de gemeentelijke bestuurspraktijk is dit geen novum.
                    Zo komt het bijvoorbeeld geregeld voor dat burgemeester en wethouders bij
                    zichzelf een verzoek om een bouwvergunning voor een gemeentelijk project
                    indienen. Dit alles vergt wel dat burgemeester en wethouders hiermee zorgvuldig
                    omgaan, in die zin dat men altijd aan anderen (de raad, besturen van niet door
                    de gemeente in stand gehouden scholen) moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’
                    aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van
                    de andere aanvragen. </al><al/><al><vet>Artikel 2  Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet> De
                    omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd, maar
                    ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen. Voorzieningen
                    die worden gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit artikel kunnen
                    worden gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening. Louter op deze
                    grond kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op
                    de in de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd
                    indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, eerste lid, onder a WPO). </al><al>Voorbeeld: het buitenschilderwerk van een basisschool wordt volgens de opsomming
                    van de onderhoudsactiviteiten (zie bijlage I, overzicht ‘Onderhoud PO’) niet
                    gerekend tot de huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2,
                    onder c. Reden hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als
                    voorziening in de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het
                    buitenschilderwerk vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de
                    materiële instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk
                    ontvangt.) De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben
                    daarmee een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot
                    verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot
                    inperking. </al><al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                    huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt
                    onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen. </al><al/><al>Ad a </al><al>1o Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw. </al><al/><al>2o Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair
                    onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal één
                    groep. </al><al/><al>3o Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de
                    wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met ‘bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan’. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat
                    als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd
                    voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan
                    een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik. </al><al/><al>4o Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw (men
                    kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een
                    permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw). </al><al/><al>5o Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een
                    onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de decentralisatie in het primair
                    onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog maar
                    plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de
                    huisvestingsvoorziening. </al><al/><al>6o/7o Het onderscheid tussen onderwijsleerpakket en meubilair is gemaakt om bij
                    een uitbreiding op basis van de toepassing van de ‘gewichtenscore’ in het
                    basisonderwijs alleen de voorziening OLP te hoeven toekennen. De handelwijze om
                    bij fusies uit te gaan van de inbreng van het bestaande meubilair en
                    onderwijsleerpakket in de gefuseerde school betekent een verscherping ten
                    opzichte van het huidige toekenningsbeleid, maar is in het kader van het
                    bereiken van efficiency en het leveren van maatwerk op lokaal niveau te
                    rechtvaardigen. De afwijkende terminologie voor het voortgezet onderwijs (leer-
                    en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet. </al><al/><al>8o Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik
                    zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het
                    gebruik van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is van een school
                    (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke accommodatie). De genoemde
                    schoolsoorten in het (v)so betreffen de volgende. Voor een bad voor
                    bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                    voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen. </al><al/><al/><al>Ad b en c Het kan tot verwarring leiden dat de term ‘aanpassing’ in het primair
                    onderwijs iets anders betekent dan in het voortgezet onderwijs (daar betekent
                    het vooral onderhoud). Bovendien is onderhoud in het voortgezet onderwijs geen
                    voorziening die in de wet wordt onderscheiden en kan daardoor dus niet worden
                    aangevraagd. In bijlage I van de modelverordening zijn daarom ter
                    verduidelijking de overzichten, die ook onderdeel vormen van de toelichting op
                    de wet, overgenomen. In deze overzichten is aangegeven welke
                    onderhoudsactiviteiten voor het primair onderwijs (overzicht I-1) en welke
                    activiteiten behorend tot de aanpassingen voortgezet onderwijs (overzichten I-2
                    en I-3) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen worden gebracht.
                    Daarnaast is in bijlage I verder inhoud gegeven aan de voor de invoering van de
                    decentralisatie in het primair onderwijs gehanteerde begrippen ‘partiële en
                    algehele aanpassing’. Hiermee is in bijlage I de concrete inhoud van de
                    begrippen aanpassing en onderhoud aangegeven. </al><al/><al>Ad d Voor het begrip constructiefouten is een ‘definitie’ geformuleerd,
                    gebaseerd op de in het verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een
                    constructiefout een directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel
                    van de fout op grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd.
                    Kan het herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het
                    aanvragen van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende
                    procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de
                    financiële weigeringsgrond van toepassing. Voor het voortgezet onderwijs geldt
                    dat het herstel van een constructiefout aan de binnenzijde van een gebouw voor
                    rekening komt van het schoolbestuur, voor zover de kosten hiervan het bij
                    algemene maatregel van bestuur vast te stellen drempelbedrag niet overschrijden
                    (zie artikel 76c en 207 WVO). </al><al/><al>Ad e De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening
                    niet nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend
                    laten beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                    huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel
                    van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO). De aanduiding in de wet dat herstel
                    en vervanging in verband met schade aan een gebouw geldt als een
                    huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van deze voorziening dient
                    te verlopen via de reguliere procedure van het programma of via de
                    spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn voor de
                    afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                    spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld
                    glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is. Dit pleit
                    ervoor om in ieder geval de kleinere schaden door burgemeester en wethouders te
                    laten afwikkelen in het kader van de spoedprocedure. Er wordt nog bezien of voor
                    de afwikkeling van dergelijke schaden een lichtere procedure kan worden
                    getroffen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de praktijk zoals die zich
                    heeft ontwikkeld in het voortgezet onderwijs in relatie tot het collectief
                    verzekeringscontract. Deze praktijk houdt in dat bepaalde schaden (met name
                    glasschade) rechtstreeks door de schoolbesturen kunnen worden afgewikkeld met
                    een door de verzekeraars ingesteld bureau dat belast is met de afwikkeling. Het
                    collectief contract, deze werkwijze incluis, wordt voor het jaar 1997
                    voortgezet. Op weg naar 1998 zal door alle betrokkenen worden bezien in hoeverre
                    deze handelwijze ook na 1997 kan worden voortgezet en wellicht worden verbreed
                    naar het primair onderwijs. Indien dit haalbaar mocht zijn dan kan een groot
                    deel van de schadegevallen buiten de verordening om worden afgehandeld. Alleen
                    voor de grotere schadegevallen zal dan de verordening in stelling moeten worden
                    gebracht. </al><al/><al>Ad f Evenals voor de invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een
                    schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een
                    vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht weken.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</vet> De wet biedt de
                    gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en vergoeding van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom verzoekt een
                    vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de voorbereiding (van de
                    aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een facultatieve bepaling.
                    Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht daadwerkelijk deze
                    mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van ‘kenbaar bestuur’, waaronder het vooraf
                    geven van duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is ervoor gekozen om in
                    de modelverordening een bepaling op te nemen waarmee de lokale overheid aangeeft
                    of, en zo ja ten aanzien van welke soort van huisvestingsvoorzieningen, de
                    gemeente de mogelijkheid van een bouwvoorbereidingskrediet opent. In artikel 3
                    wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat een gemeente
                    de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar aard en
                    (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht aan
                    voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze voorzieningen
                    vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten in het kader van de
                    bouwplanontwikkeling. In hoofdstuk 4 van de modelverordening wordt de aanvraag-
                    en besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is
                    uitgegaan van een - ook in tijd bezien - gelijkschakeling met de
                    aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het
                    programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de vergoeding
                    voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der wet géén voorziening in de
                    huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan
                    zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 4  Vaststelling vergoeding voorzieningen</vet> Dit
                    artikel vormt de ‘kapstok’ op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld voor
                    de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                    huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programma-vaststelling, de
                    spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de
                    in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van
                    de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar: een normatieve en
                    een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden. Ook hier is uit
                    oogpunt van ‘kenbaar bestuur’ ervoor gekozen om voorafgaande aan de indiening
                    van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per voorziening aan te geven
                    welke benadering ten aanzien van de vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de
                    verordening dient per voorziening de afweging te worden gemaakt welke benadering
                    van toepassing is. Deze afweging dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien
                    van de voorzieningen in de huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten
                    van bouwvoorbereiding. Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en
                    uit artikel 25, derde lid, onder h van de modelverordening. Bij de te maken
                    afweging ligt het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf
                    te normeren kosten van bepaalde voorzieningen te kiezen voor een
                    vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de
                    feitelijke kosten (de zgn. offertelijn). Uitgaande van de voorzieningen waarvoor
                    in bijlage IV, deel A, van de modelverordening gezien de aard van de voorziening
                    geen normvergoeding is bepaald, is de offertelijn in ieder geval goed denkbaar
                    bij de volgende voorzieningen: </al><al/><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen; </al><al>herstel van constructiefouten; </al><al>herstel en vervanging in verband met schade; </al><al>aanpassingen aan gebouwen; </al><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw; </al><al>aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                    huisvestingsvoorziening; </al><al>huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen </al><al>kosten van bouwvoorbereiding. </al><al/><al/><al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze worden
                    gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de potentiële
                    aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing is op een
                    voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn). Het onderbrengen van een
                    van de hiervoor genoemde voorzieningen in een genormeerde benadering brengt met
                    zich mee dat daarvoor door de gemeente in bijlage IV, deel A, een genormeerde
                    vergoeding moet worden vastgesteld. Anders dan bij de vooraf genormeerde
                    vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een door de aanvrager bij de
                    aanvraag van de gewenste huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de
                    kosten. De gemeente toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag
                    van de al dan niet bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van
                    de vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele
                    uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma,
                    kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet in een
                    definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt
                    van de aanvrager. </al><al/><al><vet>Artikel 5  Informatieverstrekking</vet> Dit artikel is de
                    concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze bepaalt dat een
                    bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te verschaffen die de
                    gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van de bevoegdheden
                    terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 112 WPO). Ook hier
                    is omwille van de duidelijkheid voor zowel de schoolbesturen als de gemeente
                    gekozen voor een zo concreet mogelijke invulling van de inhoud van de
                    informatieverstrekking in de verordening. Artikel 5 omvat het informatieverkeer
                    zoals dat zich voltrekt tussen schoolbestuur en lokale overheid, ongeacht of er
                    sprake is van een verzoek om vergoeding van een huisvestingsvoorziening. De
                    gemeente moet immers over een adequaat en daarmee up-to-date bestand beschikken
                    van gegevens die relevant zijn voor de onderwijshuisvesting. Dit bestand vormt
                    vaak het vertrekpunt bij de beoordeling van de huisvestingswensen. De leden 1
                    t/m 4 hebben betrekking op informatie die het schoolbestuur uit eigen beweging
                    dient te verstrekken aan burgemeester en wethouders. Het vijfde lid ziet op een
                    informatie-verplichting van een schoolbestuur op een expliciet verzoek daartoe
                    van burgemeester en wethouders. Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden
                    door een zekere terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te
                    verstrekken informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de
                    gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij een
                    dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven.
                    Zoals in het informatie-artikel is beschreven, valt de gegevensuitwisseling te
                    onderscheiden in basis- en periodieke gegevens. Basisgegevens betreffen ‘basale’
                    gegevens over het bevoegd gezag, over de school en over de huisvestingssituatie
                    van de school. De basisgegevens, die per 1 januari 1997 worden aangetroffen en
                    verzameld, zullen bijvoorbeeld samen de input vormen van de ‘nulmeting’ (zie ook
                    bijlage III, deel A). De nulmeting is de basis op grond waarvan de bestaande
                    huisvestingssituatie in termen van aanwezige capaciteit wordt vastgelegd. De
                    basisgegevens zullen in de regel niet frequent wijzigen. Bij wijziging dienen de
                    veranderde gegevens, door het bevoegd gezag wel gemeld te worden bij
                    burgemeester en wethouders teneinde het gegevensbestand up-to-date te houden.
                    Daarnaast worden de periodieke gegevens onderscheiden. De belangrijkste hiervan
                    is de jaarlijkse leerlingtelling, gezien de directe relatie tussen het aantal
                    leerlingen en de benodigde huisvestingscapaciteit. Omdat deze telgegevens
                    dermate belangrijk zijn voor de uitvoering van de huisvestingstaken, is de
                    verstrekking daarvan expliciet opgenomen in de modelverordening. Met de
                    jaarlijkse opgave van het aantal leerlingen worden de ‘telformulieren’ bedoeld
                    die de schoolbesturen op basis van het bekostigingsbesluit WPO dienen te
                    verstrekken aan de minister van OCenW. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Indiening aanvraag</vet> (Indienings)termijnen</al><al>In de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 2.2.6.3 de
                    procedure (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende
                    tijdpad) uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig
                    gekozen, dat er voor de gemeente voldoende voorbereidingstijd is om te komen tot
                    een zorgvuldige vaststelling van het programma. Dit behoeft allerminst uit te
                    sluiten dat naar gelang de lokale situatie (zoals de omvang van de
                    gebouwenvoorraad en de hiermee samenhangende omvang van het te verwachten aantal
                    aanvragen, de mogelijke aanwezigheid van een meerjarige planning en hieraan
                    gekoppelde afspraken over de huisvesting en de inrichting van de eigen
                    organisatie) de voorbereidingstijd wordt bekort en dus van een later tijdstip
                    van indiening wordt uitgegaan (1 maart of 1 april). Een verlenging van deze
                    periode door het vervroegen van de indieningsdatum ligt minder voor de hand. Het
                    tijdstip tussen indiening van de aanvraag en de beslissing daarop wordt dan aan
                    de lange kant. Daarmee zou een belangrijk winstpunt ten opzichte van de
                    procedures (OVH- en IS-procedures) die golden vóór invoering van de
                    decentralisatie, aan kracht inboeten. Dit winstpunt heeft betrekking op het feit
                    dat de procedures voor de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen met
                    ongeveer een jaar bekort worden. In de modelverordening is een sanctie verbonden
                    aan een te late indiening van de aanvraag. Deze aanvraag wordt door burgemeester
                    en wethouders niet in behandeling genomen. Het buiten behandeling laten van de
                    aanvraag betekent dat de aanvraag niet door burgemeester en wethouders verder
                    wordt betrokken bij van de voorbereiding van het programma en het overzicht en
                    dus ook niet bij het uiteindelijke voorstel daarover aan de raad. Geen indiening
                    aanvragen overzicht in het kader van meerjarig huisvestingsbeleid (het zgn.
                    ‘consensusmodel’)In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen
                    beperkt tot die voor het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts
                    van deze mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een
                    mogelijkheid van indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen
                    met de functie die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld
                    artikel 96 WPO). Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende
                    opgemerkt: ‘Het overzicht [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen
                    aanvragen van niet door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste
                    huisvestingsvoorzieningen van door de gemeente in stand gehouden scholen die
                    niet in het eerste jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het
                    overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe
                    voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde
                    voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of
                    gemeentelijke verordening is. De enige reden dat bedoeld overzicht dient te
                    worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van scholen om te kunnen
                    inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is
                    derhalve niet bedoeld als huisvestingsplan.’ (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).
                    Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of
                    instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan
                    ‘dwingen’ om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een
                    meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake
                    is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen,
                    waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. </al><al>Zo’n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op: </al><al/><al>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis van
                    prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en
                    voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.); </al><al/><al>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in het
                    vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging; </al><al/><al>een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                    meerjarenbegroting. </al><al/><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een
                    dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de
                    vorm van ‘integrale huisvestingsplannen’ en plannen voor het meerjarig
                    onderhoud. Niet verwonderlijk omdat: </al><al/><al>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren van
                    zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand; capaciteit creëren of
                    in stand houden op die locaties waar de behoefte aanwezig is); </al><al>gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting van het
                    huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt het programma het
                    (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van voorzieningen die op zich
                    reeds enige tijd werden voorzien en waarmee rekening was gehouden. </al><al/><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                    afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke aanpak
                    effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de schoolbesturen (al
                    dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen hierover al is opgemerkt
                    in de algemene toelichting plaatst een dergelijk ‘consensusmodel’ de werking van
                    de verordening in een ander daglicht. De verordening met al zijn normen en
                    criteria is dan meer iets dat de gemeente achter de hand heeft in het geval het
                    consensusmodel niet (meer) werkt. De verordening verkrijgt hiermee meer een
                    ‘vangnetfunctie’. Daarnaast houdt de verordening zijn formele functie voor wat
                    betreft de uiteindelijke toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing
                    op het programma. Het gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het
                    kader van het consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze
                    afspraken de voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen.
                    Hiermee vindt de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming
                    van de door de wetgever gestelde kaders. Het inhoudelijke zwaartepunt van het
                    lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt echter vast in de afspraken over het
                    ‘integraal huisvestingsplan’, die jaarlijks worden herijkt. De inhoud en duur
                    van de afspraken zal verschillen naargelang de lokale omstandigheden. Er is van
                    af gezien om in de modelverordening (facultatieve) bepalingen op te nemen in het
                    geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen. Dit is gedaan
                    vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken over een
                    dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het kader van de
                    vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving
                    van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het
                    opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg.
                    Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke
                    bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige
                    basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke
                    kaders. Aanvraagformulier Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde
                    wijze van indiening van aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de
                    onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan
                    zijn wanneer men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 7  Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag;
                        niet behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al/><al/><al>Lid 1 Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag
                    moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier, worden
                    deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen. </al><al/><al>Lid 2 In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                    afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden overgelegd.
                    Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde
                    voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn in navolging op het beleid dat
                    van kracht was voor de decentralisatie, enkele uitzonderingen van toepassing.
                    Het betreft de aanvragen ‘sec’ voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket
                    en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is om de capaciteit van de
                    bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor herstel van
                    constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere omstandigheden en
                    aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet
                    onderwijs. In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in bepaalde situaties
                    de prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld
                    worden aan de aanvraag voor vervanging van de dakbedekking van een (getalsmatig)
                    gezonde, levensvatbare basisschool. Overwogen kan worden hiervoor een
                    aanvullende bepaling op te nemen in de verordening waarbij burgemeester en
                    wethouders de mogelijkheid hebben om op verzoek van het schoolbestuur de
                    prognose-eis te laten vallen, indien de aard van de gevraagde voorziening
                    daartoe aanleiding geeft. Aan de andere kant is het ook denkbaar dat de gemeente
                    in de verordening wel een prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan
                    nu is uitgezonderd. Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand
                    schoolgebouw (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband met
                    schade). Een prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk is de
                    school in haar oorspronkelijke omvang te herbouwen. Overigens is het ook
                    mogelijk de prognose-eis in zijn geheel te schrappen uit het model, wanneer op
                    lokaal niveau overeenstemming bestaat over de toepassing en het resultaat
                    (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een prognosemethodiek. Eén instantie,
                    bijvoorbeeld het onderdeel van het gemeentelijk apparaat dat belast is met
                    bevolkingsprognoses, is dan belast met de operationalisatie van de methodiek.
                    Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                    aanvullend gegeven. Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant
                    is om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het
                    gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. Ook ten aanzien
                    hiervan wordt de praktijk van vóór 1 januari 1997 gecontinueerd. De bouwkundige
                    rapportage dient een tweeledig doel: </al><lijst><li nr="·"><al>vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud; </al></li><li nr="·"><al>vaststelling van de mate van urgentie. </al></li></lijst><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het
                    door burgemeester en wethouders vast te stellen formulier ‘Bouwkundige opname’.
                    Bij de opzet van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de
                    Rijksgebouwendienst ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals deze
                    voor de decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs werd
                    toegepast. </al><al/><al>Lid 3-5 Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling
                    gegeven aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om
                    aanvullend gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen
                    mogelijkheid om als bestuursorgaan (in casu burgemeester en wethouders) een
                    aanvraag buiten behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte
                    gegevens en bescheiden. De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan
                    daarbij in acht moet nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te
                    behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de
                    termijn die voor de aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de
                    aanvrager bekend gemaakt te worden. Terwille van de duidelijkheid voor de
                    potentiële aanvragers is ervoor gekozen om de concrete uitwerking van de Awb in
                    dit opzicht in de verordening op te nemen. Deze uitwerking komt er op neer dat
                    de duur van termijnen die burgemeester en wethouders kunnen hanteren in de
                    verordening is vastgelegd. De bevoegdheid die burgemeester en wethouders wordt
                    toegekend om incomplete aanvragen niet te behandelen, heeft als praktisch
                    voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder stadium kunnen worden
                    afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van de vaststelling van het
                    programma alleen te buigen over de inhoud van volledige aanvragen en zich niet
                    met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te houden. Dit komt ook overeen
                    met de huidige bestuurspraktijk. Géén hardheidsclausule Er is van af gezien hier
                    een hardheidsclausule op te nemen, die het mogelijk maakt om in geval van
                    overmacht aan de zijde van de aanvrager af te wijken van de termijnen. Een
                    gemeente kan zelf de afweging maken of men een dergelijke clausule, die een
                    zekere mate van vrijheid toestaat bij het afwijken van de algemene regels,
                    wenselijk vindt. Het gevaar van een hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak
                    een beroep op wordt gedaan. De behandeling vergroot de uitvoeringslast van het
                    bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare tijd voor de
                    (voorbereiding van de) besluitvorming. Daarnaast lijkt een hardheidsclausule te
                    veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid om in klemmende
                    situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te dienen. </al><al/><al>Lid 4 In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                    wettelijke teldatum van 1 oktober ‘onverwijld’ door te geven aan de gemeente.
                    Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                    huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                    noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen
                    van de voorziening op het programma. In concreto betreft het hier aanvragen voor
                    tijdelijke voorzieningen in de huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de
                    programmavaststelling. Zo zal bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal
                    aan het begin van het schooljaar doorgaans bepaald worden door het
                    leerlingaantal en het daarmee samenhangende ‘ruimtebeslag’ op de teldatum van 1
                    oktober daarvoor. De noodzaak van de tijdelijke voorziening is daarmee
                    afhankelijk van het resultaat op de teldatum. Aangezien dit essentieel is voor
                    de uiteindelijke beoordeling door de raad, is de bepaling in het vierde lid
                    opgenomen. Evenals het geval is bij andere in de modelverordening opgenomen
                    termijnen is ook hier gekozen voor het werken met een fatale termijn. Daarbij is
                    de gemeenteraad - en niet burgemeester en wethouders - het bestuursorgaan dat
                    beslist om een aanvraag niet te behandelen wanneer de vereiste gegevens niet of
                    te laat worden verstrekt. Dit vanuit de gedachte dat in de meeste gevallen het
                    voorstel van burgemeester en wethouders over de vaststelling van het programma
                    als bedoeld in paragraaf 2.3 van de verordening, al ter besluitvorming bij de
                    raad ligt, dan wel de betrokken raadscommissie(s) zal hebben gepasseerd. Er is
                    nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt geconstateerd
                    dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening wegens gewijzigde
                    omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de leerlingtelling) geen
                    doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid). Met deze mogelijkheid
                    moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer de gewijzigde
                    omstandigheid zich nog aan de vooravond van de programmavaststelling
                    manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan gehouden met deze
                    mogelijkheid. </al><al/><al>Lid 5 In het geval zoals omschreven in het vierde lid beslist de gemeenteraad in
                    het kader van het programma over het buiten behandeling laten van de aanvraag.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 8  Opgave ingediende aanvragen</vet> Dit artikel is een
                    direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in procedureel opzicht
                    het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen. De opgave van
                    de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
                    aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er
                    kunnen daarmee niet naderhand nog aanvragen worden toegevoegd. Bij het
                    vooroverleg over de vaststelling van de verordening kan met de schoolbesturen
                    worden afgesproken om deze informatieverstrekking per onderwijssector (basis-,
                    speciaal en voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal een bestuur voor voortgezet
                    onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke huisvestingswensen er precies
                    leven in het basisonderwijs. </al><al/><al><vet>Artikel 9  Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                        begroting</vet> Lid 1 Deze bepaling is met name opgenomen om de mogelijkheid
                    een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich
                    complete aanvragen in tijd bezien te beperken. Dit gebeurt met het oog op een
                    effectief verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het
                    programma. Met deze bepaling wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als
                    bedoeld in artikel 10 onnodig belast wordt door allerlei vragen over
                    onduidelijkheden in de aanvragen. De datum van 1 mei is gekozen teneinde
                    burgemeester en wethouders voldoende ruimte te bieden voor het opstellen van een
                    ontwerpvoorstel voor het programma en het overzicht. </al><al>Lid 2 Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding
                    ingevolge artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke
                    kosten zal in eerste aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De
                    bepaling in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en
                    burgemeester en wethouders indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door
                    de aanvrager overgelegde begroting. Burgemeester en wethouders kunnen na
                    toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de begroting op een of meer
                    onderdelen bijstelling behoeft. Uiteindelijk bepalen burgemeester en wethouders
                    de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al dan niet bijgesteld, wordt
                    voorgesteld in het kader van de vaststelling van het gemeentelijk
                    huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies
                        Onderwijsraad</vet> Lid 1-4 Met deze leden wordt de in de wet opgenomen
                    verplichting ingevuld dat de gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld
                    overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma. Onder het overleg is
                    ook vervat de hoorplicht ingevolge de Awb van de aanvragers. Omdat de aanvrager
                    bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet gelegenheid worden gegeven om de
                    standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het
                    overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die wel aan het overleg
                    deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar
                    eventueel op kunnen reageren. Overigens verdient het aanbeveling om in het
                    overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit
                    overleg praktisch het best kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar
                    om voor gemeenten die beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten,
                    het overleg per sector in te richten (primair en voortgezet onderwijs).
                    Daarnaast kan worden vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de
                    onderwijshuisvesting ingebed wordt in een mogelijk breder gestructureerde
                    overlegvorm in het kader van het lokaal onderwijsbeleid. </al><al/><al>Lid 5-9 De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een
                    bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen
                    beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De
                    Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt
                    tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de
                    Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is
                    geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6,
                    tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel
                    3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma vaststellen indien de
                    Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel
                    3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te
                    stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer
                    de raad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel
                    3:50 Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering. In de leden 5 t/m 9 is in
                    procedurele zin aangegeven op welke wijze de Onderwijsraad kan worden
                    ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de vaststelling van het
                    huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de vrijheid van richting en
                    vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de procedurele lijn zoals die
                    van toepassing is op de inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of
                    wijziging van de huisvestingsverordening (zie artikel 7 met de daarbij behorende
                    toelichting van de VNG-modelverordening procedure overleg huisvesting). Volgens
                    de wet is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma kan
                    besluiten ‘uit eigen beweging’ een verzoek om advies in te dienen bij de
                    Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad dit
                    aan burgemeester en wethouders. Dit sluit ook aan op de (voor de hand liggende)
                    keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te laten aan
                    burgemeester en wethouders. </al><al/><al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat
                    is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                    uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de
                    Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan
                    geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen
                    schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken. </al><al/><al>Lid 7 Het is van belang dat het door burgemeester en wethouders ingediende
                    verzoek om advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van stukken die
                    relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De onderwijsraad
                    stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een
                    aanvang neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken
                    die hij relevant acht voor de advisering.</al><al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                    gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                    vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar wordt
                    gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad
                    wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4
                    verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de
                    indiening van het advies over te gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals
                    hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle
                    relevante stukken.</al><tussenkop>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</tussenkop><al> Lid 1 Hier wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen
                    vast te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden
                    aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde
                    onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                    integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens
                    kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van
                    middelen voor de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van
                    schoolgebouwen, die op lokaal niveau is overeengekomen. Het afsplitsen van een
                    bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen kan een belangrijk
                    instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                    van haar zorgplicht voor een adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit
                    instrument effectief te kunnen inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande
                    aan het moment van de indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle
                    schoolbesturen duidelijkheid te bieden. Dit kan door bijvoorbeeld in de
                    meerjarenbegroting voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget op
                    te nemen en daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde
                    van de vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient in
                    combinatie met de volgorde van de hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in
                    bijlage V te worden bezien. Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een
                    wijziging in deze volgorde nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget
                    ook daadwerkelijk kan worden aangewend voor de beoogde prioriteit in het
                    huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van de prioriteiten namelijk niet
                    aangepast aan de gewenste intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid,
                    dan bestaat de kans dat de beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste
                    volgorde van urgentiecriteria moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.
                    Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het
                    verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate
                    huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere
                    noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk
                    maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende
                    deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na
                    overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een
                    voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een
                    wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf
                    moet gaan met de schoolbesturen. </al><al/><al>Leden 2 en 3 Uitgangspunt van de modelverordening is de koppeling aan de
                    begrotingscyclus. Dat leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het
                    programma en het daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter
                    bescherming van de aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende
                    kalenderjaar gesteld. Het spreekt voor zich dat de gemeenteraad geen programma
                    hoeft vast te stellen, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch
                    een aanvraag is ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld
                    artikel 97 WPO). Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de
                    vaststelling van een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen
                    worden geplaatst op het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend -
                    en er dus ook geen kunnen worden afgewezen. </al><al/><al>Lid 4 Overschrijding van de uiterste datum van de programmavaststelling leidt er
                    automatisch toe dat alle aangevraagde voorzieningen voor vergoeding in
                    aanmerking moeten worden gebracht, net zoals dat bij de minister van OCenW het
                    geval was. Om praktische redenen is ervoor gekozen om ook te vermelden dat het
                    bijbehorende (norm)bedrag beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager weet dan waar
                    hij aan toe is. Wel moet in zo’n geval nog overleg over de wijze van uitvoering
                    plaatsvinden en moet geregeld worden dat voor een bepaalde datum een
                    bouwopdracht etc. moet zijn verleend. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Inhoud programma</vet> Lid 1 In dit lid, dat een
                    belangrijk onderdeel van de verordening betreft, namelijk de inhoud van het
                    huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot uitdrukking dat de raad
                    het programma vaststelt als resultante van de toetsing aan de in de wet
                    limitatief omschreven weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 95, derde lid
                    WPO). Een deel van deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun feitelijke
                    toepassing geoperationaliseerd via de nadere regels die de raad stelt op de
                    onderdelen, genoemd in de tweede volzin. Zo zijn de ‘beoordelingscriteria’ een
                    nadere invulling van de toets of de aangevraagde voorziening noodzakelijk is en
                    of de aanvraag een voorziening betreft als genoemd in artikel 2 van de
                    verordening. De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke
                    weigeringsgrond ‘dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond
                    van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...’ De regels over
                    de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten aanzien van de
                    weigeringsgrond ‘... dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op
                    grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover de school reeds
                    beschikt’. De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                    modelverordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.
                    Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval
                    is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de
                    bijlagen. De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in
                    tegenstelling tot de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                    programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen
                    pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar
                    is. </al><al/><al>Lid 2 De gemeente en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen
                    op het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie (bijlage
                    V) daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover
                    consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het
                    concept-programma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de verordening),
                    kunnen burgemeester en wethouders hiermee rekening houden bij het formuleren van
                    hun huisvestingsprogramma Hoewel het bestuurlijk overleg over het
                    concept-programma geen ‘op overeenstemming gericht overleg’ betreft, is de
                    praktijk binnen veel gemeenten dat het overleg wel als zodanig wordt gevoerd en
                    beleefd. Net als bij de VNG-modelverordening Overleg lokaal onderwijsbeleid is
                    er van afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen over een
                    alternatieve urgentievolgorde. Beoogd wordt te komen tot een gezamenlijk
                    gedragen voorstel. Finale besluitvorming over de daadwerkelijke urgentievolgorde
                    vindt niet plaats tijdens het overleg. Uiteindelijk beslist de raad of hij wel
                    of niet wenst af te wijken van de systematiek en criteria van bijlage V. Het
                    gaat om een kan-bepaling. </al><al/><al>Lid 3 De zinsnede ‘voor zover van toepassing’ kan ook op de vergoeding
                    betrekking hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is
                    om een bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik
                    in een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven
                    plaats te vinden. Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het
                    programma, kan daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging
                    in aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond
                    ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een
                    hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie. Wanneer de
                    vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op normatieve wijze
                    is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de opneming op het
                    programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te worden gerealiseerd.
                    Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd
                    is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is
                    uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de
                    vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de
                    aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Inhoud overzicht</vet></al><al>Lid 1 Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de
                    toepassing van de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening
                    op het programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde
                    voorzieningen die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de
                    verordening komen op het overzicht te staan. </al><al>Lid 2 Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.
                    </al><al><vet>Artikel 14  Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag,
                        programma en overzicht</vet></al><al>Lid 1 Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht
                    worden opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten
                    uiteraard ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee
                    weken is gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van
                    het programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met burgemeester en
                    wethouders. Ingevolge artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit
                    mededeling toe doen aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze
                    naar voren hebben gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld
                    voorafgaande aan de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het
                    besluit aan alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of
                    het betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren
                    heeft gebracht. </al><al/><al>Lid 2 De wet bepaalt alleen iets over de terinzagelegging van het overzicht.
                    Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand
                    het totaal ter inzage te leggen. </al><al/><al><vet>Artikel 15  Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al/><al>Lid 1 Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                    overleg over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de
                    aanvrager en burgemeester een aantal praktische afspraken maken over aspecten
                    die samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke
                    afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                    uitvoeringstraject worden voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt
                    duidelijk moeten zijn wie als bouwheer optreedt. De wet gaat er weliswaar vanuit
                    dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het
                    bevoegd gezag en burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente de
                    voorziening tot stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet
                    gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. De termijn van vier weken
                    waarbinnen burgemeester en wethouders met het betrokken schoolbestuur in overleg
                    treden over de uitvoering vloeit direct voort uit de wetgeving (artikel 95, lid
                    8 WPO en artikelen 76, lid 8 en 210, lid 8 WVO). De passage ‘voor zover van
                    toepassing’ is opgenomen om niet alle voorkomende varianten op het bouwheerschap
                    en de eigendomssituatie te hoeven beschrijven. Daarnaast is het bijvoorbeeld
                    denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te worden gemaakt over het tijdstip
                    van indiening van het bouwplan en de desbetreffende begroting, eenvoudigweg
                    omdat burgemeester en wethouders in het kader van artikel 16, vierde lid hebben
                    besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde kan gelden voor de uitvoering
                    van de toets of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. In het kader van
                    de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen
                    kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze en momenten waarop
                    burgemeester en wethouders geïnformeerd worden over de voortgang van de
                    uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de finale
                    verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij omvangrijke projecten -
                    ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een accountantsverklaring. </al><al/><al/><al>Lid 2 Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op
                    de feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit
                    het bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke
                    wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht
                    krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook
                    toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager,
                    voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het
                    bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de
                    aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer burgemeester en wethouders
                    hebben ingestemd met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel
                    van burgemeester en wethouders eveneens gezien de aard van de voorziening niet
                    vereist is (zie ook artikel 16, lid 4). </al><al/><al>Lid 3 Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de
                    afspraken over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd
                    en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn
                    instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                    overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet
                    instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                    plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet
                    eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt dit ook
                    schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd. </al><al/><al>Lid 4 Hierin is bepaald dat burgemeester en wethouders, in geval in het overleg
                    is medegedeeld dat de indiening van een bouwplan en begroting achterwege kan
                    blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde
                    omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid), binnen vier
                    weken nadat het overleg tot overeenstemming heeft geleid, de aanvrager
                    uitsluitsel geven wanneer de bekostiging een aanvang neemt. Het zal daarbij in
                    de regel voorzieningen betreffen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd, die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een
                    basisschool (onderdeel van de huisvestingsvoorziening onderhoud). </al><al/><al>Lid 5 Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt het
                    overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in een
                    overeenstemming tussen aanvrager en burgemeester en wethouders, dan zijn
                    burgemeester en wethouders als bestuursorgaan de instantie die dit constateert
                    en meedeelt aan het bevoegd gezag. Hierbij deelt het college mee wat de
                    overwegingen zijn om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste
                    uitvoering. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan
                    ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat. </al><tussenkop>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip
                    aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en </tussenkop><tussenkop>omstandigheden; overlegging offertes</tussenkop><al/><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke
                    bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van
                    een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt,
                    een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij
                    burgemeester en wethouders (zie bijvoorbeeld artikel 103 WPO). Tevens geeft de
                    aanvrager daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen.
                    Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van het
                    uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de
                    gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid
                    uiteraard niet van toepassing. De aanvrager moet alleen een begroting bij het
                    bouwplan in te dienen wanneer het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding
                    op basis van de genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze
                    begroting zal marginaal getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde
                    vergoeding niet overschrijden. Met het oog op een goede voortgang van de
                    uitvoering en de duidelijkheid richting aanvrager is in het tweede lid voorzien
                    in een fatale termijn (maximaal beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de
                    gemeente het bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring
                    van het bouwplan en begroting stellen burgemeester en wethouders ook het
                    tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering
                    gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen
                    (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer de fatale termijn door
                    burgemeester en wethouders wordt overschreden dan wordt het bouwplan en de
                    begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen op
                    het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. Het bepaalde in het derde
                    lid markeert in de procedure rond de uitvoering van het programma het moment
                    waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het programma nieuwe
                    omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de aanspraak op
                    vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van wederom een
                    wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in samenhang met artikel
                    99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat door de aanvrager nog
                    geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een
                    bouwopdracht. De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van
                    aanvragen waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke
                    kosten bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake
                    van een begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk
                    al bij de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie
                    gehad om te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het
                    programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn
                    wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting. </al><al/><al><vet>Artikel 17 Aanvang bekostiging</vet> Dit artikel is de
                    uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in bijvoorbeeld artikel
                    102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale regeling waarin ruimte is
                    voor variatie naargelang de concrete omstandigheden. De opdracht aan de raad in
                    genoemde artikel van de WPO wordt gedelegeerd aan burgemeester en wethouders.
                    Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd aan zijn financiële
                    verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de aanvrager
                    gewaarborgd. </al><al/><al><vet>Artikel 18  Vervallen aanspraak op vergoeding</vet></al><al>Lid 1 De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling
                    van de volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten
                    of een toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald
                    moet worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht
                    binnen twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een
                    dergelijke bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting
                    van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ is opgenomen om
                    duidelijk te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn
                    wordt overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een
                    vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening. </al><al>Lid 2 Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden. </al><al/><al>Lid 3 De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van
                    het verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te geven.
                    </al><al/><al><vet>Artikelen 19-24  Spoedprocedure</vet> In dit hoofdstuk van de
                    modelverordening zijn nadere regels opgenomen over de indiening en beoordeling
                    van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze aanvragen doorlopen niet de
                    procedure die geldt voor het programma en zijn daarom niet gebonden aan een
                    bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus het gehele jaar door worden
                    ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond hiervan te veronderstellen dat
                    de spoedprocedure als een soort ‘ontsnappingsroute’ kan worden gebruikt. Een
                    ontsnappingsroute die zou kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag
                    verzuimd tijdig - op grond van artikel 6 van de modelverordening - een aanvraag
                    in te dienen voor het programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is
                    geplaatst wegens toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste
                    geval kan een bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te
                    dienen via de spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze
                    procedure niet kan worden gehanteerd door de gemeente. Een andere optie is dat
                    een bevoegd gezag op ‘twee paarden wedt’, namelijk: voor dezelfde voorziening
                    een aanvraag indient voor de opneming in het programma én een aanvraag indient
                    in het kader van de spoedprocedure. Al deze procedurele opties lopen echter bij
                    toepassing van de modelverordening spaak, omdat het uiteindelijk gaat om de
                    inhoud van de aanvraag. Onomstotelijk moet blijken dat het bij een aanvraag met
                    een spoedeisend karakter gaat om een calamiteit in de ware zins des woords. Een
                    calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever zodanig moet zijn dat
                    het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het
                    onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het meest voor de hand liggende
                    voorbeeld daarbij is het afbranden van een schoolgebouw, waardoor het
                    onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet doorgaan. Toepassing
                    van de modelverordening leidt er toe dat in vergelijking met de situatie van
                    voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een reguliere aanvraag
                    en de beoordeling in het kader van het programma, aanzienlijk wordt bekort. Dit
                    betekent dat het overgrote deel van de aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen
                    via deze procedure op adequate wijze kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen
                    die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing van de urgentiesystematiek,
                    maar waarvan op moment van indiening en op het moment van programmavaststelling
                    (nog) niet kan worden gesproken over de noodzaak om onverwijld de voorziening te
                    treffen omdat anders het onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden
                    verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure worden
                    ingediend ook écht spoedeisend zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de
                    toepassing, maar zeker ook de toewijzing in het kader van de spoedprocedure,
                    eerder uitzondering dan regel zal zijn. Met het oog op de wenselijkheid van een
                    snelle beslissing was in eerste instantie in de modelverordening de
                    beslissingsbevoegdheid over de spoedeisende aanvragen door de raad gedelegeerd
                    aan burgemeester en wethouders. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State van 6 juli 2001 (nr. 200003494/1) luidt echter dat het
                    college van burgemeester en wethouders niet bevoegd is te beslissen op een
                    spoedaanvraag van een schoolbestuur, dit is een exclusieve taak van de
                    gemeenteraad. In de gewijzigde bepalingen over de procedure rondom aanvragen met
                    een spoedeisend karakter wordt aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Dit komt erop neer dat een aanvraag nog steeds bij het
                    college van burgemeester en wethouders kan worden ingediend (artikel 19), maar
                    dat de gemeenteraad binnen een redelijke termijn (artikel 4:13 Awb) een
                    beschikking dient af te geven. Indien een beschikking niet binnen een redelijke
                    termijn kan worden gegeven, stelt de gemeenteraad de aanvrager daarvan in kennis
                    en wordt een redelijke termijn genoemd waarbinnen hij de beschikking wel
                    tegemoet kan zien (art. 4:14 Awb). </al><al/><al><vet>Artikel 19  Indiening aanvraag</vet> De aanvraag moet worden
                    ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Het college is belast
                    met de voorbereiding en uitvoering van de beslissing en heeft
                    beslissingsbevoegdheid . </al><al/><al><vet>Artikel 20 Inhoud aanvraag</vet></al><al>Lid 1 In aanvulling op de basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd
                    indien het om een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook
                    duidelijk het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces
                    geen voortgang kan vinden) te worden toegelicht. Evenals bij een aanvraag voor
                    het programma het geval is, kan ook bij de aanvragen voor spoedeisende
                    voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien van welke gewenste
                    voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet vereist is.
                    Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a van de
                    modelverordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                    vanzelfsprekend. </al><al/><al>Lid 2 De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort
                    gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het tenslotte gaat om het treffen van
                    een voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de
                    school, is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 21  Tijdstip beslissingen</vet> Het volgen van de Awb
                    brengt met zich mee dat het niet op tijd beschikken niet meer betekent dat de
                    aanvraag van rechtswege geacht wordt te zijn toegekend. De Awb gaat er vanuit
                    dat wanneer er niet tijdig wordt beschikt, de aanvraag geacht wordt niet te zijn
                    toegekend. </al><al/><al><vet>Artikel 22-24 Inhoud en uitvoering beschikking; vervallen
                        aanspraak vergoeding</vet> Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan
                    ten aanzien van aanvragen met een spoedeisend karakter is, afgezien van de
                    afwijkende termijnen, de lijn gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van
                    de vaststelling van programma en overzicht. Dit betekent dat met inachtneming
                    van de in de wet opgenomen weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 100
                    WPO), de toetsingscriteria worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de
                    verordening. Extra dimensie die ten opzichte van de ‘reguliere lijn’ aan deze
                    toetsing wordt toegevoegd is het element van de spoedeisendheid: het treffen van
                    de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het
                    onderwijs. Tevens komt in de modelverordening tot uiting dat de raad niet de
                    financiële weigeringsgrond kunnen hanteren. Dit komt tot uiting doordat de
                    urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten beschouwing blijven.
                    Artikel 98 WPO legt de beslissingsbevoegdheid exclusief neer bij de raad. Deze
                    taak kan niet worden gedelegeerd aan burgemeester en wethouders. Mandateren
                    behoort niet tot de mogelijkheden. Ook het vormen van een ‘potje’ voor aanvragen
                    met een spoedeisend karakter waarover burgemeester en wethouders kunnen
                    beschikken, is niet mogelijk. Op deze wijze wordt immers toch door burgemeester
                    en wethouders een beslissing genomen of de aanvrager aanspraak kan maken op dit
                    ‘potje’. Deze afweging gaat buiten de competentie van burgemeester en wethouders
                    omdat dit een exclusieve taak van de raad is. De raad geeft bij de beschikking
                    aan voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-,
                    huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, dit is geen onderwerp meer van
                    het gesprek dat burgemeester en wethouders voeren over de uitvoering van de
                    toegekende aanvraag. Wel doen burgemeester en wethouders er verstandig aan bij
                    de voorbereiding van de aanvraag met de aanvrager te spreken over een af te
                    spreken datum, uiteindelijk is het echter de raad die deze datum vaststelt.
                    </al><al/><al><vet>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</vet> Gemeenten die
                    geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee toekennen van
                    vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen bij de vaststelling
                    van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28 achterwege laten. Met nadruk zij
                    opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding
                    van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het programma.
                    Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de indiening van
                    een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan om
                    huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en die
                    zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is
                    daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een
                    bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden
                    voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde
                    aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling
                    van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de
                    zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook
                    de besteding zal plaatsvinden. Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de
                    bestrijding van salariskosten, die zijn gemoeid met de voorbereiding van een
                    bouwproject. Onder voorbereiding worden de werkzaamheden verstaan tot aan het
                    moment van aanbesteding. Het kan daarbij gaan om kosten van: </al><al/><al>architect; </al><al>adviseur constructie; </al><al>adviseur werktuigbouwkundige installatie; </al><al>adviseur electrotechnische installatie. </al><al/><al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen
                    voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de
                    kostenbeheersing of de bouwfysica. Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan
                    een beperking inhouden van de werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde
                    overige adviseurs. In het algemeen wordt de opdracht aan de architect geregeld
                    met toepassing van de standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding
                    opdrachtgever-architect, opgesteld door de BNA (SR 1988). In de Leidraad 1994
                    blijvende voorzieningen in de huisvesting voor scholen VO en BVE, een
                    gezamenlijke uitgave van de ministeries van OCenW en VROM (ISBN 90 346 2885 X),
                    zijn in bijlage 8 nadere aanwijzingen gegeven omtrent de opdrachtverlening aan
                    architect en adviseurs. De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een
                    voorziening in de huisvesting, omdat het dat volgens de wet niet is. De
                    toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het
                    programma te blijven. Het bedrag voor het programma is immers bestemd voor
                    huisvestingsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening
                    niet wordt toegekend omdat het bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat
                    kader bouwvoorbereiding toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen
                    gaan), dan heeft de aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op
                    succes. Het bedrag voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden
                    opgenomen. Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen
                    voor de gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                    bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in
                    procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering
                    is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit betekent ook dat
                    de raad het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke verzoeken.
                    Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                    betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                    voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een
                    dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                    toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met
                    de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat
                    wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                    genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. Dit gebeurt omdat in de
                    normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage
                    IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen. De mogelijkheid om een
                    bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere concretisering van de in
                    de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de beslissing op dergelijke verzoeken
                    zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille van kenbaar bestuur en gelijke
                    behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien in een financiële
                    weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de noodzaak van de voorziening
                    waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook,
                    uit oogpunt van een gerichte en effectieve besteding van eventueel toe te kennen
                    gelden voor de bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten
                    zijn: wanneer de plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn
                    daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt. Dit is niet alleen afhankelijk van
                    de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde jaar de opdracht tot uitvoering kan
                    verlenen, maar ook van een reële inschatting door de gemeente of het beoogde
                    project voor dat jaar op een nog vast te stellen programma kan worden geplaatst.
                    Het verstrekken van een bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen
                    recht, maar het is weinig zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en
                    vervolgens bij de daarop volgende - met behulp van het krediet voorbereide -
                    aanvraag voor plaatsing op het programma te moeten constateren dat de financiële
                    ruimte niet aanwezig is voor de realisering van de voorziening. Iets dat zich
                    natuurlijk altijd kan voordoen in geval van onvoorziene tegenvallers op de
                    gemeentebegroting. </al><al/><al><vet>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuur</vet> De artikelen 102 WPO, 76m en
                    217 WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad om in de huisvestingsverordening
                    een procedure voor het medegebruik en de verhuur van onderwijsgebouwen op te
                    nemen. Wat het medegebruik betreft houdt de opdracht in feite in het vastleggen
                    van de wijze waarop burgemeester en wethouders met het recht tot het vorderen
                    van leegstaande ruimten omgaan. Dit vorderingsrecht kan betrekking hebben op
                    medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk zij gemeld dat
                    het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om een gebouw dat
                    in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37, Einde gebruik gebouwen, van
                    toepassing. Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking
                    hebben op zowel het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor
                    sportterreinen die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet
                    onderwijs. Het vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van
                    ander gebruik dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het
                    recht van de gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich
                    uit over de wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Het
                    sluitstuk van de procedure - het vorderen - vindt echter niet plaats als het
                    leegstand betreft in een gebouw van een school die de gemeente zelf in stand
                    houdt. Dat neemt niet weg dat de criteria die in deze artikelen worden
                    geformuleerd uiteraard ook gelden voor gebouwen van scholen die door de gemeente
                    in stand worden gehouden. Er is gekozen voor een iets verschillende benadering
                    van medegebruik ten behoeve van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere
                    activiteiten. Voor medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van
                    burgemeester en wethouders verlangd worden dat in het overleg met het bevoegd
                    gezag expliciet, en ten aanzien van met name aangeduide onderwerpen, de
                    gelegenheid wordt geboden om eventuele wensen aangaande het medegebruik te
                    uiten, mede gelet op de vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard bestaat
                    die gelegenheid ook in het overleg over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het
                    dan echter altijd gaat om gebruik dat overeenkomt met de bestemming van het
                    gebouw, zal het overleg daarover meer een praktisch dan een principieel karakter
                    kunnen hebben. De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van
                    een bevoegd gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is
                    gedaan. Dat kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere
                    aanvraag zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt
                    voorzien. Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van een
                    basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12 (regels
                    voor de vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die aanvraag. In
                    artikel 12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage is gesteld
                    dat de uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter hemelsbreed
                    sprake is van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen die afstand
                    blijkt geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de
                    hand van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de
                    situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd
                    gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die
                    constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke
                    gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers
                    melden dat er sprake is van medegebruik. Burgemeester en wethouders delen in het
                    overleg als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij
                    voornemens zijn de raad voor te stellen om de wettelijke weigeringsgrond genoemd
                    in artikel 100, lid 1d WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er
                    door middel van medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien).
                    Over dat voornemen wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd
                    gezag dat de aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan leegstand
                    gevorderd zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg over het
                    programma als bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de aanvraag door
                    toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en 32 (overleg en
                    mededeling). De beschikking voor het bevoegd gezag dat de uitbreiding heeft
                    aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt als volgt: de aanvraag wordt
                    afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw [.....] toegekend.
                    Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op grond van artikel 32 een
                    vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is aangegeven dat er tegen de
                    vordering geen bezwaar bestaat. Wat de verhuur betreft kan de regeling in de
                    verordening beperkt zijn; de wet regelt immers uitputtend wanneer wel en niet
                    sprake kan zijn van verhuur. </al><al/><al><vet>Artikel 29  Aanduiding omstandigheden</vet> In dit artikel is
                    aangegeven dat er, alvorens burgemeester en wethouders kunnen overgaan tot
                    vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6 of
                    19) om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school ook
                    een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de situatie dat er
                    bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds- of aanpassingsbehoefte,
                    terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De leden 1d en e regelen dat
                    er sprake dient te zijn van leegstand. </al><al/><al><vet>Artikel 30 Omschrijving leegstand</vet></al><al>Lid 1a Voor 1 januari 1997 was op grond van de wet- en regelgeving voor het
                    primair onderwijs duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er
                    werd uitgegaan van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante
                    meters van een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er sprake
                    van genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk aanwezig was
                    of in gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake. Aangezien de
                    betreffende wet- en regelgeving niet langer van toepassing is, is het van belang
                    een definitie van het begrip leegstand in de verordening op te nemen. Bij de
                    begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde benaderingswijze als voorheen, zij
                    het met de volgende uitzondering. Omdat bij de capaciteitsbepaling van een
                    gebouw ingevolge bijlage III, deel A wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet
                    meer voorkomen dat er weliswaar een overmaat aan vierkante meters geconstateerd
                    wordt maar dat er geen lokaal over is. Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten
                    die een bevoegd gezag eventueel voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar
                    geen (rijks)vergoeding voor wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als
                    beschikbare capaciteit. Het vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot
                    dergelijke ruimten uit. Voor de goede orde: de zogenaamde eigendoms- en
                    huurscholen vallen dus wel onder het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel
                    een (rijks)vergoeding verstrekt. In tegenstelling tot de volledig voor eigen
                    rekening gefinancierde ruimten, strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot
                    leegstaande ruimten waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming
                    (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Deze handelwijze kan
                    worden afgeleid uit de jurisprudentie onder de oude wetgeving waarin is
                    vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde leegstand waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet wijken
                    voor noodzakelijk onderwijsgebruik. </al><al/><al/><al>Lid 1b Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt
                    genormeerde, benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het
                    vertrekpunt is wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald
                    volgens bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het
                    ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een
                    overschot aan ruimte is. Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet
                    automatisch te betekenen dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op de
                    gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft
                    namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan
                    bepaalde vakken toe te delen. Deze keuzen hebben consequenties voor het
                    lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van
                    het gebouw. Daarom wordt bij een school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan
                    de hand van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand.
                    De verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters eventueel aan te tonen dat
                    er geen sprake is van leegstand, ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond hiervan
                    is dat gemeenten geen zicht hebben op de lesroosters van scholen. Het gaat hier
                    met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een bevoegd gezag
                    extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er sprake van
                    eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik. </al><al/><al/><al>Lid 2a Voor de beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt
                    door het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in
                    gebruik is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar
                    opgeteld. De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de
                    leegstand op. Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum
                    aantal uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het
                    aantal van 40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet
                    onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet
                    dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen
                    kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is.
                    Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    schoolsoort geldende reële schooltijden. </al><al/><al/><al>Lid 2b De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als
                    bij lid 1b. </al><al/><al><vet>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</vet></al><al/><al>Lid 1 Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van
                    scholen. Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er
                    geen reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk
                    toe leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet
                    worden toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale
                    situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge
                    uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze bepaling.
                    Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                    (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                    genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                    peuterspeelzaal. </al><al/><al/><al>Lid 2 Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan
                    een reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot
                    een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                    onderwijsgebruik. </al><al/><al/><al>Lid 3 De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden.
                    Het verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er
                    meerdere opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe burgemeester en
                    wethouders tot een bepaalde keuze zijn gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij
                    uitstek aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten
                    worden, alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat
                    voor de hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een
                    schoolbestuur dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken
                    naar eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande
                    gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen tot
                    een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan is de
                    kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar een van
                    zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële consequenties
                    kan hebben om niet als eerste optie van de - qua oppervlakte en indeling -
                    geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een doelmatiger
                    oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in een van de
                    gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is minder
                    relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is er echter
                    voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te nemen. Bij de
                    toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit verband ook als een
                    richting te worden aangemerkt. </al><al/><al/><al>Lid 4 Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                    rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 32 Overleg en mededeling</vet></al><al/><al>Lid 1 Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is
                    ervoor gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader
                    van de vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd
                    worden of er van medegebruik sprake kan zijn. Ten aanzien van het voorgenomen
                    besluit in het kader van het programma (dat is niet het besluit tot vordering
                    maar het besluit om medegebruik toe te staan) is er voor beide bevoegde
                    gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Ook
                    hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en beroep tegen de vaststelling van
                    het programma in te stellen. Dit heeft geen opschortende werking. </al><al/><al/><al>Lid 2 De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig
                    (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo
                    kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg
                    ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De
                    mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van
                    bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking. De laatste volzin is
                    toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen te hoeven uitvoeren
                    indien er in het overleg is komen vast te staan dat er overeenstemming over de
                    vordering bestaat. </al><al/><al/><al/><al>Leden 3 en 4 In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om
                    termijnen op te nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk
                    met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het ‘ontvangende’ bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen. </al><al/><al/><al>Lid 5<sup>e</sup><sup/> De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat
                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt
                    voor de hand de periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode
                    van vordering kan verlengd worden indien dat noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Artikel 33  Vergoeding</vet> Voor het primair onderwijs is, als
                    gevolg van de vereenvoudiging van het Londo-stelsel, in de wet bepaald dat een
                    bevoegd gezag dat gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd gezag, de
                    daarvoor ontvangen vergoeding doorbetaalt. Aangezien ‘de ontvangen’ vergoeding
                    niet eenduidig te definiëren valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk
                    van de omvang van de school - dient daarover overleg tussen de bevoegde
                    gezagsorganen plaats te vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een
                    dergelijke wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg. Omdat
                    de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 34  Aanduiding omstandigheden</vet></al><al>Onderdeel a Zie de toelichting bij artikel 30. </al><al>Onderdeel b De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel
                    76r WVO dat het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt. </al><al/><al><vet>Artikel 35 Overleg en mededeling</vet></al><al>Lid 2 De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het
                    overleg aan de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om
                    gebruik van een gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste
                    instantie is bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog
                    meer waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik
                    gaat. Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het
                    overleg een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van
                    die activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken
                    worden dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker
                    genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van
                    medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding
                    daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op
                    een vergoedingsbedrag in het kader van de programma’s van eisen materiële
                    instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV,
                    deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                    voldoende zijn; het gaat immers niet om huur. Er is van afgezien de beoogde
                    gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt van uitgegaan dat deze door
                    burgemeester en wethouders vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan de beoogde
                    gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het verdient in ieder
                    geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de aanvang van
                    het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het
                    kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door
                    burgemeester en wethouders. </al><al/><al>Lid 3 Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, nemen burgemeester en
                    wethouders een beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is
                    gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht
                    niet geëffectueerd kan worden. De beslissing van burgemeester en wethouders is
                    een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 36 Toestemming burgemeester en wethouders</vet> Leden 2
                    en 3 De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang
                    voor de toetsing door burgemeester en wethouders aan de wet- en regelgeving die
                    bepaalde bestemmingen niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de
                    onderwijswetgeving niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te
                    verhuren als woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en
                    1624, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming die zich niet
                    verdraagt met het onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving
                    uitgesloten. Er is echter voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te
                    laten. Burgemeester en wethouders maken wel de afweging of er een andere school
                    is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van eventueel
                    binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een onmiddellijke
                    noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat geen reden voor
                    weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien burgemeester en wethouders een
                    indicatie hebben dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het
                    onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededelen. Dat geldt evenzeer als
                    burgemeester en wethouders voornemens zijn de ruimte te vorderen voor ander
                    gebruik. Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil
                    overgaan tot verhuur. De risico’s voor verhuur en de eventuele schadeplicht die
                    ontstaat bij voortijdige opzegging van het contract omdat burgemeester en
                    wethouders gebruik maken van hun vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het
                    bevoegd gezag. </al><al/><al><vet>Artikel 37  Tijdstip beëindiging gebruik; staat van
                        onderhoud</vet> De wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari
                    1997 een bepaling waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende
                    te worden beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging
                    van dat gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon
                    worden ‘leeggerekend’, dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd zoveel
                    ruimte bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest konden worden.
                    Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan de gebouwen, is er
                    geen sprake meer van ‘leegrekenen’ door het rijk. Aan een bepaling omtrent de
                    beëindiging van het gebruik van dislocaties is echter wel behoefte, vooral
                    vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik van onderwijsgebouwen een deel
                    van de beoogde efficiency moeten realiseren. Het eindigen van het recht op het
                    gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet gekoppeld aan de beëindiging van de
                    bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld artikel 163 WPO. De WVO kent
                    weliswaar niet zo’n bepaling, maar het spreekt voor zich dat het recht op het
                    gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt
                    opgeheven. De artikelen 102 WPO en 217 WVO geven aan de gemeente opdracht om in
                    de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten
                    hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door
                    gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden
                    het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor
                    een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het
                    gebruik. Artikel 37 van de modelverordening voorziet in deze wettelijke
                    opdracht. In het artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en
                    dislocaties. Dat onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van
                    alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd
                    moet worden. Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de
                    beëindiging van het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de
                    beëindiging van het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in
                    stand gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig
                    onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand
                    worden gehouden. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in
                    materiële zin wel het geval. Het volgen van eenzelfde handelwijze ligt dan ook
                    voor de hand. </al><al/><al>Lid 1 De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na
                    de datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, 76u of 225
                    WVO. Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat burgemeester en
                    wethouders en het bevoegd gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het
                    gebruik van het gebouw beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover,
                    indien gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen op verzoek van een der
                    partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het
                    gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen.
                    Van belang is dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft
                    plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk
                    is voor het gebouw. Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd
                    gezag en gemeente opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte
                    ontstaat zullen gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen
                    zal de datum aan het einde van het schooljaar liggen. Om een en ander inderdaad
                    aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren, is het nodig dat
                    burgemeester en wethouders in een vroegtijdig stadium constateren dat een gebouw
                    mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die constatering kan in de regel
                    plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van 1 oktober. Als er sprake is
                    van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan
                    mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de modelverordening.
                    Direct na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag,
                    kan de procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde
                    van het gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan
                    kan gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht. De beslissing van
                    gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb
                    van toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking
                    heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen
                    van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet
                    bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast
                    te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder
                    kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk
                    is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de
                    eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking. Ten
                    aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken
                    sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die
                    beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking
                    heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige
                    voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden. </al><al/><al>Lid 2 Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud
                    dat, met het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had
                    moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt
                    moet krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                    meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over
                    één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk
                    eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig
                    onderhoud. Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                    eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig
                    worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te
                    rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud
                    achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen
                    dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van
                    het bevoegd gezag behoort. </al><al/><al>Lid 3 De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van burgemeester en
                    wethouders. Hiervoor kunnen burgemeester en wethouders een ambtenaar met
                    deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over de persoon of instantie die
                    dit uitvoert, hebben burgemeester en wethouders eerst overleg met het betrokken
                    bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussie c.q.
                    meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van
                    de uitvoerder. De positie van burgemeester en wethouders is in dit kader
                    vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een
                    inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet
                    worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd
                    gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben
                    op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er
                    geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van
                    de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing
                    plaatsvindt. </al><al/><al>Lid 4 Burgemeester en wethouders voeren overleg met het bevoegd gezag over de
                    uitkomsten van de staat van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men
                    het daar wel of niet mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is
                    geconstateerd, geeft het bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is dit
                    alsnog uit te voeren. Er kan ook overeengekomen worden dat het bedrag dat
                    gemoeid is met het achterstallig onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien
                    partijen geen overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal
                    zijn. Er kan bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide
                    partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan.
                    Burgemeester en wethouders kunnen zich ook wenden tot de burgerlijke rechter, op
                    grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd
                    door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te
                    gebruiken of te onderhouden. Gelet op de kosten en de moeite die dergelijke
                    procedures voor beide partijen met zich meebrengen, verdient het veruit de
                    voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing te bereiken. </al><al/><al>Lid 5 Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt.
                    </al><al/><al><vet>Artikel 38  Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte primair
                        onderwijs</vet> In artikel 38 is het gebruik van en de vergoeding voor
                    gymnastiekruimten voor het primair onderwijs nader geregeld. Het college moet in
                    overleg met de schoolbesturen voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding het
                    aantal klokuren vaststellen dat ten hoogste per groep leerlingen voor vergoeding
                    in aanmerking komt</al><al/><al><vet>Artikel 40 Indexering</vet></al><al> Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat jaarlijks de verordening door de
                    raad moet worden gewijzigd, louter om de ingevolge artikel 4 gehanteerde
                    genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV,
                    deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de overige
                    bijlagen - onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren
                    aan burgemeester en wethouders wordt een dergelijke relatief zware procedure via
                    de raad overbodig. Het kan nu via een lichtere procedure door op dit onderdeel
                    burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot wijziging te geven. Het wettelijk
                    verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat aan wijzigingen van de
                    verordening, kan plaatsvinden door toezending van de voorgenomen
                    prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te reageren. </al><al/><al/><al/><al><vet>TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet> Bijlage I</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet> De wet geeft in artikel 100 WPO en 215 WVO expliciet aan op
                    grond waarvan een voorziening kan worden geweigerd. Voor toepassing van de
                    weigeringsgronden dienen deze artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat
                    vindt in deze bijlage plaats door per voorziening de beoordelingscriteria te
                    beschrijven. Ze hebben betrekking op eisen qua aanwezigheid van leerlingen,
                    prognoses, oppervlakten/capaciteit van gebouwen, bouwkundige staat van een
                    gebouw enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde voorziening(en) - of van
                    mogelijke alternatieve voorzieningen - voor de desbetreffende school wordt
                    vastgesteld op basis van de beoordelingscriteria. Na toepassing van de
                    beoordelingscriteria kan er antwoord worden gegeven op de vraag: ‘Is de
                    voorziening noodzakelijk?’ De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen
                    afhangen van: </al><al/><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt; </al><al/><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen; </al><al/><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn; </al><al/><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de noodzaak van
                    de gevraagde voorziening op te heffen. </al><al/><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen. Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij
                    onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair, bij medegebruik, bij
                    constructiefouten en bij vervanging of herstel van schade in geval van
                    bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose, die
                    voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat
                    over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor een termijn
                    van minimaal vier jaren. Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                    aanpassing) betreft, is de termijn voor de prognose in elk geval vijftien jaren
                    te rekenen vanaf het gewenste jaar van bekostiging. Voor nieuwbouw en voor
                    uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de verwachte duur van het
                    gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of ingebruikname van een bestaand
                    gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en dergelijke) of in permanente vorm
                    worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan de orde indien het gaat om een
                    nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In alle andere gevallen gaat het om
                    vervangende bouw, voor het hele instituut of voor een deel daarvan, of om
                    uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een bouwkundig slecht gebouw.
                    Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven. In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut
                    ter beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van burgemeester en
                    wethouders om gebruik te maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen.
                    Dit beperkt zich in principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair
                    onderwijs en het voortgezet onderwijs. Bij medegebruik is geen
                    lange-termijnprognose nodig. Voor inzicht in de periode van medegebruik is wel
                    een indicatie van de duur nodig alsmede inzicht in de eventuele ontwikkeling van
                    de leegstand in het gebouw van de hoofdgebruiker. Bij medegebruik van leegstand
                    elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de leerlingen naar één ander
                    gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over (te) veel locaties wordt
                    verspreid. Overigens wordt het aantal locaties vrijgelaten. De mogelijkheden
                    voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de ligging en de
                    geschiktheid van de feitelijke leegstand. De verwijsafstand - die de ligging ten
                    opzichte van andere gebouwen aangeeft - is hier vastgelegd door te werken met
                    een vaste straal (een maximale hemelsbrede afstand). Daar waar het verkeer geen
                    verwijzing toelaat, is het aan het aanvragende schoolbestuur daarvoor de
                    argumenten op tafel te leggen. De andere mogelijkheid om met de ligging van
                    andere gebouwen rekening te houden, is die van vaststelling van verwijsgebieden.
                    Verwijsgebieden kunnen worden bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van
                    scholen. De grenzen van het verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose
                    te kunnen maken - samenvallen met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan
                    dit per onderwijssector. Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar
                    daarbuiten niet. Het geschikt zijn van de leegstand blijkt uit de capaciteit van
                    het betreffende lokaal, zoals in de nulmeting (zie bijlage III, deel A) is
                    aangegeven. Als uitgangspunt kan dienen dat onderwijsruimten (speellokalen,
                    vaklokalen, werkplaatsen, etc., gymnastieklokalen) die niet gedurende de gehele
                    werkweek in gebruik zijn bij de school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is,
                    kunnen worden gebruikt door scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen
                    huisvesting. Voor het primair onderwijs is feitelijke leegstand binnen het
                    primair onderwijs per definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het
                    moeilijker feitelijke leegstand vast te stellen. Voor zover lokalen niet
                    noodzakelijk zijn, kunnen zij worden gebruikt door andere scholen. Leegstand die
                    in feite niet aanwezig is, omdat het gebouw minder lokalen telt (zoals in de
                    nulmeting geconstateerd) dan op basis van de normering mag worden aangenomen,
                    telt niet mee voor de mogelijkheden van medegebruik. Dit geldt eveneens voor
                    ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en
                    waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten. Hieronder vallen dus niet de
                    zogenaamde eigendoms- en huurscholen. Medegebruik is voor gemeenten een
                    belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van de benodigde
                    doelmatigheid. Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw
                    vrijkomt, kan worden bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een
                    goede oplossing biedt voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door
                    toepassing van een meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal
                    zicht bestaat op het vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor
                    andere scholen worden gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de
                    gemeente in het kader van ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw
                    niet opnieuw voor onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang
                    gaat dienen of wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan
                    worden gegeven. De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen
                    komen voor (extra) huisvesting is nu geharmoniseerd tussen primair onderwijs en
                    voortgezet onderwijs. Voor een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die
                    periode vijftien jaren. Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier jaren
                    of meer. Voor gebruik van minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang
                    binnen het bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts
                    indien dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is
                    onder uitbreiding in het basisonderwijs en in het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs een beoordelingscriterium opgenomen. </al><al/><al/><al/><al><vet><onderstreept>Deel A</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lesgebouwen</vet> Vervangende bouw komt in het algemeen voort uit de
                    slechte conditie van een gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte)
                    bouwkundige staat en om verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende
                    gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek
                    van schouwing voor alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel
                    mogelijk zijn geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door
                    burgemeester en wethouders. Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen
                    kan betrekking hebben op een budgettair neutrale oplossing, een
                    herschikkingsoperatie of verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                    ordening. Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor
                    geen extra kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger
                    zijn dan de huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het
                    aanvragende schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie, aanpassingen (VO)
                    en onderhoud (VO) van het schoolbestuur worden ingezet. Fusies kunnen aanleiding
                    geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook bijvoorbeeld een flink overschot
                    aan gymnastiekruimten. Doel van een herschikkingsplan is in elk geval het
                    realiseren van een optimale huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.
                    Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt. Uit de nulmeting kan naar voren
                    komen dat de feitelijke oppervlakte groter is dan de genormeerde oppervlakte
                    voor het aantal groepen dat in het gebouw kan worden gehuisvest. In zo’n geval
                    is er sprake van een zogenaamde verschiloppervlakte. Bij een aanvraag voor
                    uitbreiding zal in dat geval worden bezien of de verschiloppervlakte niet kan
                    worden betrokken bij de omvang van de uitbreiding, met andere woorden, of niet
                    (deels) inpandig de benodigde extra capaciteit is te realiseren. Indien dit te
                    duur is ten opzichte van uitbreiding, dan wordt er van uitgegaan dat uitbreiding
                    wordt gerealiseerd (zie ook bijlage III, deel A). In het voortgezet onderwijs
                    bestaat pas de noodzaak de capaciteit uit te breiden, als ook met een 10% hogere
                    gebruiksduur van de bestaande capaciteit er onvoldoende capaciteit voor de
                    school aanwezig is. De wijze waarop de voorziening - na goedkeuring - wordt
                    gerealiseerd, hangt af van de normering die in bijlage III, deel C, is
                    uitgewerkt. Voor de uitbreiding met een tweede speellokaal in het basisonderwijs
                    is aangegeven, wanneer dit noodzakelijk is. Nieuw ten opzichte van de eerder
                    geldende regelgeving is ten eerste het loslaten van de automatische uitbreiding
                    met een tweede speellokaal bij het vormen van de veertiende groep. Koppeling aan
                    het aantal groepen - van een zekere omvang - jongste leerlingen (in
                    nieuwbouwwijken vaak een aanzienlijk deel van de leerlingen) maakt meer maatwerk
                    mogelijk. Ten tweede is om een efficiënt gebruik van gebouwen te bevorderen, een
                    verwijzingsmogelijkheid naar een op korte afstand aanwezig speellokaal of
                    gymnastiekruimte waar nog ruimte is, opgenomen. Op het punt van afstand heeft
                    harmonisatie met het speciaal onderwijs plaatsgevonden. De mogelijkheid om een
                    speciale school voor basisonderwijs uit te breiden met een speellokaal is het
                    gevolg van de invoering van de WPO. De schoolsoorten so-lom en so-mlk zijn
                    hierdoor opgegaan in de speciale scholen voor basisonderwijs (sbo). Dit geldt
                    ook voor een groot deel van de voormalige afdelingen voor onderwijs aan in hun
                    ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk). Circa 80% van deze afdelingen was
                    verbonden aan een lom- of mlk-school. Aan lom- of mlk-scholen zonder een
                    dergelijke afdeling konden onder de ISOVSO alleen kinderen vanaf zes jaar worden
                    toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd. Evenals het geval is bij reguliere
                    basisscholen kunnen tot een sbo kinderen vanaf vier jaar worden toegelaten; dit
                    voorzover de binnen het desbetreffende samenwerkingsverband primair onderwijs
                    werkzame ‘permanente commissie leerlingenzorg’ heeft vastgesteld dat plaatsing
                    van het jonge kind op een sbo noodzakelijk is. Onder de WPO kan het dan ook
                    voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar worden geplaatst op een sbo die
                    bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat
                    hierbij om het ontbreken van een speellokaal, maar ook om het realiseren van
                    bouwkundige integratievoorzieningen (het vervangen van hoge toiletpotten door
                    kleine; het maken van een zgn. natte hoek in de ruimten bestemd voor de jongste
                    kinderen; zie de wijziging onder ‘1.10 Aanpassing’). Aangezien het om relatief
                    dure voorzieningen gaat, dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding van de
                    middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de voorzieningen
                    moeten worden getroffen voor een zeer gering aantal leerlingen. Deze drempel
                    bestaat uit twee elementen: </al><al/><al>De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar. Dit
                    aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals die gold voor
                    iobk-leerlingen. </al><al/><al>Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de sbo waarvoor
                    de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 15 jaar levensvatbaar is. </al><al/><al/><al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook nadrukkelijk
                    kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico leerlingen in het
                    zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De samenwerkingsverbanden hebben in
                    hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke zorg noodzakelijk wordt geacht. In
                    aanvulling hierop kan gemeente over de gebouwlijke consequenties van de WPO
                    afstemming zoeken met de schoolbesturen uit het samenwerkingsverband. Bij een
                    sbo waaraan voor de inwerkingtreding van de WPO een iobk-afdeling was verbonden,
                    doet de noodzaak voor het treffen van bovengenoemde voorzieningen zich niet
                    voor. Het gebouw van een dergelijke school is immers al berekend op de opvang
                    van de jongste kinderen. Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw
                    of een gedeelte daarvan spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de
                    omvang en de kwaliteit een belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar
                    hetgeen hiervoor is gesteld. De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de
                    noodzakelijke aanpassingen nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor
                    onderwijs geschikt is). Indien de kosten samen met de (eventuele)
                    verwervingskosten te hoog zijn (het ministerie van OCenW hield daarvoor 70
                    procent van de kosten van nieuwbouw aan), is de vraag gerechtvaardigd of
                    vervangende bouw niet een betere optie is. Natuurlijk staat het de gemeente vrij
                    hiertoe te besluiten (en daarmee af te wijken van dit percentage), bijvoorbeeld
                    in verband met de locatie, het (monumentale) gebouw of het ontbreken van
                    alternatieve mogelijkheden voor huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier -
                    evenals bijvoorbeeld bij het bijbouwen van noodlokalen - een
                    onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven worden bezien en gewaardeerd.
                    Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                    bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als: </al><al/><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt; </al><al/><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie; </al><al/><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. </al><al/><al/><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                    schoolgebouw aan de orde is. Het automatisme bij de toewijzing van terrein in
                    het primair onderwijs is verlaten. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar
                    bij de eventuele toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening
                    mee gehouden. In de systematiek van de modelverordening is voor de
                    huisvestingsvoorziening ‘ingebruikneming’ op basis van artikel 7, tweede lid,
                    onder a, een prognose vereist. De toetsing van een prognose komt dan ook tot
                    uiting in de criteria voor de beoordeling van aangevraagde voorziening tot
                    ingebruikneming van een bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld b1 en b2 van
                    paragraaf 1.4). Voor het primair onderwijs gaat het bij eerste inrichting
                    onderwijsleerpakket (en meubilair) om het aantal groepen leerlingen. Bij fusie
                    van scholen kan er enkel sprake zijn van een extra onderwijsleerpakket en
                    meubilair, indien het aantal groepen groter is dan het totaal bekostigde
                    onderwijsleerpakket en meubilair van de aan de fusie deelnemende scholen. De
                    bestaande scheiding tussen onderwijsleerpakket en meubilair (enkel
                    onderwijsleerpakket voor wegingsgroepen in het basisonderwijs) - aangebracht
                    tijdens de periode van de Tijdelijke wet beperking huisvestingsvoorzieningen -
                    blijft bestaan. Voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is
                    ook de nulmeting van belang. Op 1 augustus 1985 voor het basisonderwijs en op 1
                    januari 1988 voor het (voortgezet) speciaal onderwijs werden alle scholen geacht
                    voldoende te zijn ingericht. Daar waar dat niet het geval was, kon via
                    overgangsartikelen aanvullende eerste inrichting worden verkregen. Voor de
                    nulmeting impliceert dit dat alle toekenningen tot aan 1 augustus 1985 resp. 1
                    januari 1988 ook worden begrepen onder de aanwezige eerste inrichting. De
                    aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair in het
                    voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting met dien verstande dat die voorziening een uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet hebben. Indien artikel 7,
                    vierde lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard op eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage ‘de laatste
                    teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag’ vervangen door: ‘de
                    meest recente teldatum’. Onderwijsleerpakket en meubilair werd niet aangemerkt
                    als een voorziening waarop artikel 7, vierde lid, van toepassing kon zijn. De
                    oorspronkelijke formulering behelsde dat voor het bepalen van de noodzaak altijd
                    wordt gekeken naar de teldatum voorafgaande aan de aanvraag. Bij de
                    totstandkoming van de modelverordening is er bewust voor gekozen dat
                    onderwijsleerpakket alleen wordt toegekend op het moment dat de leerlingen
                    feitelijk aanwezig zijn. Dit behoeft in beginsel niet tot problemen te leiden,
                    omdat bij onverwachte groei van het aantal leerlingen de mogelijkheid bestaat om
                    via de spoedprocedure (artikel 21 e.v. van de modelverordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs) uitbreiding aan te vragen. Als voorwaarde geldt dan wel
                    dat de buitenreguliere telling voor de formatie aantoont dat er sprake is van
                    groei met minstens één groep. De buitenreguliere telling is dan de teldatum
                    voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de toetsing van de noodzaak.
                    Vanuit de gedachte dat de spoedprocedure in beginsel beperkt dient te blijven
                    tot calamiteiten, kunnen problemen ontstaan bij een verwachte groei van het
                    aantal leerlingen. De formulering in de verordening betekent dat de teldatum van
                    1 oktober van het jaar t moet worden gehanteerd om de raad in oktober/november
                    van het jaar t+1 een besluit te laten nemen over een eventuele toekenning van
                    onderwijsleerpakket en/ of meubilair voor het jaar t+2. Hiermee kunnen
                    toekenningen voor onderwijsleerpakket een half jaar achter de feiten aanlopen -
                    immers, de teldatum van 1 oktober van het jaar t zou per 1 augustus van het jaar
                    t+1 leiden tot een uitbreiding van de formatie - en is het daardoor niet
                    mogelijk om te anticiperen op de toekomstige leerlingenontwikkeling. Met de
                    wijziging, die gebruikmaakt van de in de verordening geboden mogelijkheid, kan
                    wel worden geanticipeerd op toekomstige leerlingontwikkelingen. Tevens wordt
                    voldaan aan het uitgangspunt dat de leerlingen feitelijk aanwezig moeten zijn,
                    wil er een toekenning van onderwijsleerpakket en/of meubilair plaatsvinden. De
                    noodzaak van de voorziening blijkt uit het aantal leerlingen op de meest recente
                    teldatum. De meest recente teldatum van 1 oktober van het jaar waarin het
                    programma wordt vastgesteld, kan worden gebruikt om te bezien of het geraamde
                    aantal leerlingen daadwerkelijk op de school aanwezig is (en dus of de noodzaak
                    van de voorziening wordt aangetoond). De toeslag meubilair is noodzakelijk door
                    de verkleining van de groepsgrootte in het basisonderwijs. Als gevolg van de
                    groepsgrootteverkleining ontstaat geen noodzaak voor de volledige eerste
                    inrichting meubilair voor een bepaalde groep leerlingen. Omdat er geen groei van
                    het aantal leerlingen plaatsvindt, behoeft geen totale eerste inrichting van een
                    groep te worden bekostigd. Wel moet de basisinrichting van een klaslokaal kunnen
                    worden aangevraagd. Het gaat daarbij om kasten, een bureau en stoel voor de
                    leerkracht, een werkwand, een zand-/watertafel en een boekenhoek/leestafel.
                    Indien in het verleden voor de betreffende groep al een toeslag meubilair is
                    verstrekt (vanaf de eerste stap van de groepsgrootteverkleining in augustus
                    1997), hoeft dit niet alsnog te worden bekostigd. De toekenning van de toeslag
                    staat los van de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    bepaalde groep. Het gaat om inrichting van een extra ruimte bij een
                    gelijkblijvend aantal leerlingen, niet om de totale inrichting van een
                    groepsruimte als gevolg van groei van het aantal leerlingen. In bijlage III
                    wordt de omvang van de toeslag bepaald (bij de wijzigingen in ‘Bijlage III
                    Criteria voor oppervlakte en indeling, Deel C de bepaling van de omvang van de
                    toekenning’ wordt ook een rekenvoorbeeld voor toekenning van de toeslag
                    beschreven) en in bijlage IV wordt een financiële normering van de toeslag
                    weergegeven. Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk
                    geval zullen aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe)
                    wettelijke vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de
                    regelgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden,
                    voor zover niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een
                    (tijdelijke) vrijstelling is verleend. Voor het primair onderwijs zijn de
                    aanpassingen uitgezonderd waarvoor een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk
                    een vergoeding ontvangt. Het betreft onder andere het aanbrengen van een
                    gehandicaptentoilet en het geschikt maken van het gebouw voor gehandicapten.
                    Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd om
                    het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun bewegingen
                    beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken tot
                    en met de entree (met name het realiseren van een hellingbaan) en het aanbrengen
                    van een traplift bij een meerlaags schoolgebouw. Voor het voortgezet onderwijs
                    vergoedt de gemeente slechts aanvragen voor aanpassingen binnenzijde gebouw voor
                    zover deze het bedrag van f 600,-¹ per leerling van de school te boven gaan.
                    Aanpassingen aan de binnenzijde onder het drempelbedrag zijn geen voorziening in
                    de huisvesting en kunnen op die grond door de gemeente worden geweigerd. Bij de
                    beoordeling van aanpassingen moet worden nagegaan of er geen onderhoud in de
                    aanvraag is opgenomen. Immers, in het voortgezet onderwijs krijgt het bevoegd
                    gezag daarvoor rechtstreeks inkomsten van het rijk. Een lijst van ‘activiteiten
                    onderhoud VO’, waarvoor het bevoegd gezag zelf een vergoeding ontvangt, is bij
                    deze toelichting gevoegd. Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te
                    kunnen afstoten, bestaan uit het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw
                    die niet aanwezig zijn, maar wel aanwezig waren in de dislocatie en die
                    noodzakelijk zijn om het onderwijs aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw
                    te kunnen geven. Een integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit: </al><al/><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte tot
                    speellokaal inclusief berging; </al><al/><al>veranderen van leslokalen in werklokalen; </al><al/><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam; </al><al/><al>maken zandbak en buitenberging; </al><al/><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats. </al><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                    moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                    tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet- en
                    regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen beoordelen.
                    De mogelijkheid om een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs
                    geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6 jaar is het gevolg van de invoering
                    van de WPO. Onder de WPO kan het voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar
                    worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan de
                    jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een speellokaal, maar
                    ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen. Onder 1.3.2b
                    wordt de mogelijkheid geboden om een sbo uit te breiden met een speellokaal. Met
                    deze wijziging wordt voorzien in de mogelijkheid om het gebouw geschikt te maken
                    voor kinderen jonger dan 6 jaar. Het gaat hierbij om de volgende aanpassingen:
                    het vervangen van hoge toiletpotten door kleine, het maken van een zgn. natte
                    hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen. In het voorkomende geval
                    dient het gebouw hierop te worden aangepast. De hoogte van de noodzakelijke
                    investering is sterk afhankelijk van het gebouw en de noodzakelijke
                    aanpassingen. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen is een
                    normvergoeding niet aan te geven; deze aanpassing wordt (net als de overige
                    soorten aanpassingen) bekostigd op basis van de feitelijke kosten. Ook hier
                    dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding van de middelen een drempel te
                    worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen
                    voor een zeer gering aantal leerlingen. De gestelde drempel is vergelijkbaar met
                    de drempel voor het toekennen van een speellokaal aan een sbo. Onderhoud is
                    conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs. Ook hier geldt
                    dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het onderhoud noodzakelijk
                    is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd gezag in de materiële
                    instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer volstaat. Voordat onderhoud
                    aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt toegekend, zal worden nagegaan of
                    de desbetreffende noodlokalen of gebouwen nog noodzakelijk zijn voor in elk
                    geval meer dan vier jaar. Indien de groepen uit de noodlokalen elders in
                    medegebruik kunnen worden ondergebracht, zal voor die optie worden gekozen. Bij
                    herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast te
                    stellen dat het gaat om een constructiefout. In het voortgezet onderwijs is de
                    gemeente alleen aan te spreken op constructiefouten aan de buitenzijde van het
                    gebouw en op die aan de binnenzijde voor zover die laatste het bedrag van f
                    600,-¹per leerling van de school te boven gaan. Constructiefouten tot dit
                    drempelbedrag zijn geen voorziening in de huisvesting en kunnen op die grond
                    door de gemeente worden geweigerd. </al><al/><al><vet>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden</vet> Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het
                    herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden kan rekening worden
                    gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld
                    een totaal afgebrande school met acht lokalen worden vervangen door een kleiner
                    gebouw met zes lokalen, omdat de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit
                    de prognose blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien
                    jaren meer dan zes groepen zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de
                    gemeente er verstandig aan eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot
                    uitkering overgaat. </al><al/><al/><al/><al><vet><onderstreept>Deel
                    B</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet> Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening
                    is steeds sprake van gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat
                    niet enkel het traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel
                    uit over de aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden
                    gerealiseerd. Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende
                    schoolbestuur voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die
                    de gemeente daar op korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal
                    gebruik worden gemaakt van de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan
                    elke beslissing - nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming - bezien of niet
                    door medegebruik de gevraagde voorziening overbodig is. Overigens laat de
                    praktijk zien dat - zeker in de plattelandsgemeenten - eventueel vervoer naar
                    een verder weg gelegen gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. Uiteraard
                    is hiervoor overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk. Om vast te stellen of er
                    daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken naar de klokuurnorm zoals
                    de gemeenteraad die voor het primair onderwijs heeft vastgesteld en naar het
                    rooster. Voor het voortgezet onderwijs is enkel het rooster van belang. In
                    tegenstelling tot de situatie voor 1997 wordt het maken van was- en
                    kleedgelegenheden in gymnastiekruimten niet meer als uitbreiding gezien maar als
                    aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes fysiek meestal
                    een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft. Het maken van douches in plaats
                    van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook tot de aanpassingen, met name tot
                    het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met betrekking tot hygiëne).
                    Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                    worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                    grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt. Lijst
                    ‘activiteiten onderhoud VO’ (voor rekening bevoegd gezag) </al><al>goten vervangen </al><al>hemelwaterafvoeren vervangen </al><al>schoorstenen vervangen </al><al>tegels herstraten </al><al>klinkers herstraten </al><al>asfalt nieuwe laag aanbrengen </al><al>gazon maaien </al><al>beplanting verzorgen en vervangen </al><al>sportvelden maaien etc. </al><al>terreinmeubilair vervangen </al><al>hout binnen en binnen/buiten schilderen, beitsen </al><al>staal buiten en binnen/buiten schilderen </al><al>steen en beton buiten schilderen </al><al>daken, bitumenlaag, grind nieuwe laag, vervangen </al><al>daken, kunststoflaag, grind vervangen </al><al>isolatie onder dakbedekking vervangen </al><al>cv-ketel en toebehoren vervangen, geregeld onderhoud </al><al>kachels vervangen, geregeld onderhoud </al><al>ventilatoren (incl. specifieke installaties voor werkplaatsen en specifieke
                    vaklokalen) vervangen, geregeld onderhoud </al><al>warmwatertoestel vervangen, geregeld onderhoud </al><al>brandblusvoorzieningen vervangen, geregeld onderhoud </al><al>belinstallatie vervangen </al><al>intercom vervangen </al><al>liften vervangen </al><al>klein en dagelijks onderhoud buiten schilderen, beitsen </al><al>hout en staal binnen schilderen </al><al>sauswerk nieuwe laag aanbrengen </al><al>vloerbedekking (incl. gymzaal) vervangen </al><al>industrieparket schuren, nieuwe laklaag </al><al>gietasfalt schuren, nieuwe toplaag </al><al>spijkerribbenvloer (metsellokaal) vervangen spijkerribben </al><al>verlichting vervangen lampen </al><al>diverse inventaris goederen vervangen </al><al>klein en dagelijks onderhoud binnen </al><al/><al/><al/><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Bijlage II</vet> In veel gevallen dient ten behoeve van de beoordeling van
                    een aanvraag voor een huisvestingsvoorziening een prognose van
                    leerlingenaantallen te worden overlegd. Prognoses gelden als één van de criteria
                    voor bepaling van de noodzaak van een aangevraagde voorziening. Tot voor kort
                    werd een aantal prognosemodellen voorgeschreven (Probo II voor het basisscholen,
                    Lasso voor speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs en het prognosemodel huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu
                    geeft de verordening burgemeester en wethouders de bevoegdheid nadere regels
                    vast te stellen. Als model is hiertoe in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt
                    Programma van eisen voor leerlingprognoses opgesteld. In dit programma van eisen
                    is tot op het niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                    prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                    beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                    onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee
                    tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school. Het Programma van
                    eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de besturenorganisaties
                    voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld, is aan gemeenten gezonden
                    als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het vaststellen van dit programma van
                    eisen geven burgemeester en wethouders invulling aan de bepaling dat zij nadere
                    regels kunnen stellen. Met de verwijzing naar artikel 2, tweede lid onder b van
                    de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid wordt bewerkstelligd dat de nadere
                    regels (het Programma van eisen voor leerlingprognoses) onderwerp van overleg
                    worden in het op overeenstemming gericht overleg. Door geen
                    prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan de markt
                    overgelaten welke programmatuur in de praktijk voor het prognosticeren van
                    leerlingenaantallen wordt gebruikt. Om te vermijden dat op lokaal niveau
                    technisch gecompliceerde discussies ontstaan over het al of niet voldoen aan de
                    rekenregels, is ter ondersteuning van de gemeenten een ‘testgroep prognoses’
                    ingesteld. In de testgroep hebben terzake kundige gemeenteambtenaren zitting. De
                    testgroep kan desgevraagd toetsen of een prognoseprogramma voldoet aan het
                    Programma van eisen voor leerlingprognoses. </al><al/><al/><al/><al><vet>TOELICHTING </vet></al><al/><al><vet> Bijlage III</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Deel A
                             De
                            bepaling van de capaciteit</onderstreept></vet></al><al/><al/><al><vet>School voor basisonderwijsCapaciteit van de gebouwen</vet> De
                    vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting en
                    later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar ook
                    om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal groepen. De eerste
                    keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor
                    de decentralisatie gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen
                    hebben meer m² BVO dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                    geschikt is. Indien een dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel
                    naar de mogelijkheid te kijken of met de uitbreiding de ‘overdimensionering’ van
                    het gebouw kan worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO
                    van het gebouw. De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I,
                    de ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs’. De capaciteit van het gebouw was ook
                    een bij het ministerie van OCenW vastliggend gegeven, maar is normatief, aan de
                    hand van oppervlaktetabellen vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn
                    van de registratie. Om deze reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de
                    capaciteit van de gebouwen. De capaciteit van een gebouw in groepen is gelijk
                    aan het aantal lokalen in het gebouw. Indien de normatieve BVO behorend bij het
                    vastgestelde aantal groepen dat in het gebouw kan worden gehuisvest, lager is
                    dan de werkelijke BVO, is het gebouw ‘overgedimensioneerd’. Het aantal m² van
                    deze ‘overdimensionering’ is van belang op het moment dat een gebouw moet worden
                    uitgebreid. Op dat moment kan worden bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding
                    van het gebouw kan worden beperkt, terwijl de noodzakelijke
                    capaciteitsvergroting van het gebouw wordt gerealiseerd. De vermindering van de
                    ‘overdimensionering’ van de BVO van het gebouw is van belang om een gunstiger
                    uitgangspunt te creëren voor de vergoeding van de materiële exploitatie. Voor
                    een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs wordt de capaciteit op
                    een iets afwijkende manier vastgesteld. De capaciteit van een gebouw voor een
                    sbo, vastgesteld aan de hand van het aantal groepen, is gelijk aan het aantal
                    lokalen verminderd met 1. Het aantal lokalen wordt verminderd met 2 indien het
                    gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen. Indien het gebouw bestaat uit meer dan
                    26 lokalen wordt het aantal lokalen verminderd met 3. Door de bepaling dat
                    burgemeester en wethouders in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar
                    beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten
                    in te zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een
                    peuterspeelzaal, een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een
                    politiepost. Een dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet van de
                    hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het
                    schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen
                    - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun
                    leegstaande lokalen worden ingezet. Met de bepaling wordt op een eenvoudige
                    wijze ondervangen dat de algemene regel ‘eigen gebruik voor medegebruik’
                    veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd optredende - medegebruik wordt
                    beëindigd bij groei van de school (of ingebruikname als gevolg van de grotere
                    ruimtebehoefte door de groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een
                    verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan komen
                    voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken
                    krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen elders. </al><al/><al/><al><vet>Rangordebepaling</vet> Indien de school beschikt over meerdere gebouwen,
                    een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval
                    dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of
                    en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie van OCenW
                    vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen denkbaar om voor
                    een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan
                    structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan
                    de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stellen
                    burgemeester en wethouders, na overleg met het bevoegd gezag, een andere
                    volgorde van de dislocaties vast. </al><al/><al/><al><vet>Terrein</vet> De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de
                    eerste keer geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd. Naar de administratie van het ministerie van
                    OCenW kan niet meer worden verwezen, aangezien deze administratie met de
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting niet meer actueel is. </al><al/><al/><al><vet>Inventaris</vet> De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang
                    voor het moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan
                    dat een inventaris is verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het
                    schooljaar 2001/2002 huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor
                    dit aantal groepen ook een onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had
                    kunnen worden op basis van de oktobertelling 2000 of op basis van de
                    buitenreguliere telling augustus 2001. Op deze aanvragen is nog door het
                    ministerie van OCenW beslist. Het kan zijn dat in het verleden voor meer groepen
                    onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt dan het aantal groepen waarvoor
                    voor het schooljaar 2001/2002 huisvesting kan worden gevraagd. De gemeente kan
                    dit aantonen aan de hand van de hiertoe afgegeven beschikkingen door het
                    ministerie van OCenW. In een aantal gevallen hebben burgemeester en wethouders,
                    zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd voor de uitbreiding
                    van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is aantoonbaar door middel van
                    de daartoe gevoerde correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het
                    bevoegd gezag van de school. In beide gevallen is het hoogste aantal groepen
                    waarvoor een onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor
                    het beoordelen van de omvang van de noodzakelijke uitbreiding van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De periode waarnaar wordt gekeken, is de
                    periode na inwerkingtreding van de WBO voor een basisschool, of de ISOVSO voor
                    een speciale school voor basisonderwijs. In de OWBO en OISOVSO is bepaald dat de
                    inventaris aanwezig op het moment van inwerkingtreding van de wet wordt geacht
                    te voldoen. Verder terugkijken in de tijd heeft dus geen zin. Door de wijziging
                    van het Formatiebesluit WPO is de formatie ten behoeve van het verkleinen van de
                    groepen niet meer afzonderlijk zichtbaar. Dit maakt het derhalve onwenselijk het
                    onderscheid tussen formatie groepsverkleining en regulier formatie te blijven
                    hanteren ten behoeve van de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair.
                    Voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, samen de inventaris,
                    wordt daarom nu ook aangesloten bij de nieuwe formatiebesluit. De invoering van
                    de groepsverkleining brengt met zich mee dat de gemiddelde groepsgrootte daalt
                    van 29 leerlingen naar 24 leerlingen per groep. Om deze reden zijn de
                    inrichtingsbedragen aangepast (zie bijlage IV, paragraaf 1.4) en dient er een
                    omrekening plaats te vinden tussen oude systematiek en nieuwe systematiek van
                    het toekennen van bedragen voor de eerste inrichting. In bijlage 3 van de
                    ledenbriefnummer 01/161 (SEZ/2001003936) wordt uitgebreid ingegaan op de wijze
                    van omrekenen. Kern hierbij is dat de waarde van de huidige inrichting van de
                    school gerelateerd wordt aan een waarde bij de nieuwe systematiek. Deze nieuwe
                    waarde vertegenwoordigt een op een geheel getal afgerond aantal groepen en ligt
                    in beginsel lager dan de oude waarde. Een bestaande school krijgt dus niets
                    minder, maar de waarde van de huidige inventaris wordt lager gesteld: wanneer
                    een school in aanmerking komt voor uitbreiding van de eerste inrichting wordt er
                    met de nieuwe bedragen gerekend, het feit dat een school dus ooit - in
                    financiële zin - meer ontvangen heeft, doet hier niets aan af. Het is zinvol om
                    het aantal groepen waarvoor een school geacht wordt te zijn ingericht na
                    omrekening opnieuw vast te stellen in overleg met de scholen. </al><al/><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet> De vaststelling van de capaciteit van de
                    gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook
                    vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een
                    gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40 klokuren
                    worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de schooltijden
                    van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de
                    gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren
                    gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de
                    capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school
                    bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende
                    de schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het
                    betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of
                    voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden. De terreinoppervlakte van een
                    gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het Kadaster.
                    In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het terrein van de
                    school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte van het lesgebouw.
                    In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte
                    afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding
                    van het terrein van de gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt
                    uitgebreid met een kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw
                    en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke
                    uitbreiding van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een
                    afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd. Ten aanzien van de inventaris van de
                    gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit
                    impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag
                    voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair kan worden
                    gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke
                    aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare
                    gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor
                    de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend
                    meubilair worden verstrekt. </al><al/><al/><al/><al><vet>Voortgezet onderwijs</vet> De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw
                    voor het voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van III-2, de
                    ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’. Door de bepaling dat burgemeester
                    en wethouders in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school kunnen
                    bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden wordt
                    bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te zetten
                    binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een studiehuis-ruimte,
                    een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een
                    dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur
                    worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch
                    eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande
                    lokalen worden ingezet. Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze
                    ondervangen dat de algemene regel ‘eigen gebruik voor medegebruik’ veroorzaakt
                    dat het - vaak al geruime tijd optredende - medegebruik wordt beëindigd bij
                    groei van de school. Overigens betekent een verlaging van de capaciteit wel dat
                    de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij eventuele
                    groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele verwijzing
                    naar leegstaande lokalen elders. In het voortgezet onderwijs kan de
                    belangstelling van leerlingen voor de verschillende
                    onderwijssoorten/studierichtingen binnen instellingen sterk variëren, ook zonder
                    dat het totale volume wijzigt. Dat heeft van tijd tot tijd wijzigingen van de
                    functies van ruimten tot gevolg. Onder meer om deze reden is gekozen voor een
                    eigen verantwoordelijkheid voor schoolbesturen, waar het de bouwkundige
                    aanpassingen betreft aan de binnenzijde van de gebouwen (tot het drempelbedrag
                    van f 600,-¹ per leerling). Een momentopname van gebouwgegevens op een niveau
                    van afzonderlijke (les)ruimten is, gelet op deze eigen verantwoordelijkheid van
                    schoolbesturen, niet zinvol. </al><al/><al/><al><vet>Terrein</vet> De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    registratie in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat
                    soms bij het openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het
                    openbaar groen en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een
                    geheel is geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd. Naar de administratie van het ministerie van
                    OCenW kan niet meer worden verwezen, aangezien deze administratie met de
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting niet meer actueel is. </al><al/><al/><al><vet>Inventaris</vet> De toekenning van inventaris is in het voortgezet
                    onderwijs vanaf de invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de
                    toekenning van een voorziening in de huisvesting. Deze methodiek wijkt
                    fundamenteel af van de door OCenW gehanteerde systematiek, waarbij
                    inventaristoekenningen juist niet gerelateerd waren aan toekenningen in de
                    huisvesting. Bij de start van de nieuwe systematiek wordt ervan uitgegaan, dat
                    alle scholen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van inventaris. </al><al/><al/><al><vet>Gymnastieklokalen</vet> Het gegeven ‘aantal gymnastieklokalen in eigendom’
                    heeft de gemeente nodig om bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren
                    gymnastiek door een VO-instelling te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in
                    de eigen huisvesting kan verzorgen. De vaststelling van de capaciteit van de
                    gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook
                    vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal lesuren. Een
                    gymnastiekruimte behorende tot een school voor voortgezet onderwijs kan 40
                    lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) gedurende
                    een aantal lesuren op het gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende
                    bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte het aantal uren dat
                    deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school
                    waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend
                    bij een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een
                    sportaccommodatie van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.
                    De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd. Ten aanzien van de inventaris van de
                    gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit
                    impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag
                    voor eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair kan worden
                    gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke
                    aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare
                    gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor
                    de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend
                    meubilair worden verstrekt. </al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Deel
                            B
                            Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>School voor basisonderwijs</vet> Het bepalen van de ruimtebehoefte van een
                    basisschool houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de
                    desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit.
                    De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt
                    uitgedrukt in groepen, zijnde het aantal formatieplaatsen. Er is onderscheid
                    gemaakt in het bepalen van de ruimtebehoefte voor tijdelijke en voor permanente
                    voorzieningen. Bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een tijdelijke
                    voorziening wordt wel rekening gehouden met de gewogen leerlingen, bij de
                    bepaling van de ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt hiermee
                    geen rekening gehouden. Tevens wordt voorzien in een doorwerking van de formatie
                    voor groepsgrootteverkleining in de bepaling van de ruimtebehoefte van scholen.
                    Voor een uitgebreide toelichting op de bepaling van de ruimtebehoefte als gevolg
                    van de groepsgrootteverkleining wordt verwezen naar de VNG-ledenbrief van 30
                    september 1997, kenmerk Lbr. 97/170. </al><al/><al><vet>School voor voortgezet onderwijs</vet> Het bepalen van de ruimtebehoefte in
                    het voortgezet onderwijs gaat aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. In dit
                    model wordt op basis van een tweetal componenten de ruimtebehoefte bepaald. De
                    ruimtebehoefte is enerzijds afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school
                    bezoekt en anderzijds afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van
                    de vestiging en het onderwijsaanbod). Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis
                    van het aantal leerlingen per onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden
                    component worden bepaald. Een voorbeeld: Het Lokale Lyceum </al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="16*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Ruimtesoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/II</al></entry><entry colname="col5"><al>aantal II</al></entry><entry colname="col6"><al>BVO</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>onderbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>6,02</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>602</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>avo/vwo</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>5,69</al></entry><entry colname="col5"><al>200</al></entry><entry colname="col6"><al>1138</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>300</al></entry><entry colname="col5"><al>1740 </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                    7.1.b. De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en
                    heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste
                    voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het
                    totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2720 m² bruto
                    vloeroppervlakte Algemene Ruimte. Een school komt in aanmerking voor een vaste
                    voet per afdeling als op deze school de beroepsgerichte leerweg voor deze
                    afdeling wordt aangeboden. Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de
                    beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd
                    ten behoeve van het beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de
                    beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden,
                    mag voor die afdeling of sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde
                    leerweg worden aangeboden. </al><al/><al><vet><onderstreept>Deel
                            C De
                            bepaling van de omvang van de toekenning</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. In
                    het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor
                    het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande
                    gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw
                    aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering,
                    geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het
                    gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing
                    duurder is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid. De
                    omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                    Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                    gedeeltelijk in gebruik worden gegeven. De omvang van medegebruik wordt bepaald
                    door het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. </al><al/><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke voorzieningen. In
                    het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor
                    het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande
                    gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw
                    aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering,
                    geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het
                    gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing
                    duurder is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid. De
                    omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is. De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                    de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik
                    aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen. </al><al/><al><vet>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet> De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt
                    bepaald door de minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in
                    bijlage III, deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang
                    van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw. De omvang van de
                    eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding hiervan voor een
                    basisschool wordt bepaald door het aantal groepen, op basis van het gewogen
                    leerlingenaantal, waarvoor deze voorziening noodzakelijk is. In het geval van
                    uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald door het aantal
                    groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag en het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal groepen waarvoor de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket reeds is bekostigd, wordt bepaald door het aantal
                    groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij
                    burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen eerste
                    inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven. In plaats van de teldatum
                    voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, is ook mogelijk om de meest
                    recente teldatum te hanteren voor het toetsen welke omvang de toekenning dient
                    te hebben. Voor een toelichting op deze mogelijkheid wordt verwezen naar de
                    toelichting bij bijlage I, onderdeel a lesgebouwen. De omvang van de eerste
                    aanschaf van het meubilair of uitbreiding hiervan voor een basisschool wordt op
                    dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van het
                    onderwijsleerpakket. De verstrekking of de bekostiging van het meubilair wordt
                    echter bepaald door het aantal groepen op basis van het ongewogen
                    leerlingenaantal. Ook voor meubilair kan de systematiek worden gehanteerd van de
                    ‘meest recente teldatum’. De omvang van de eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair of de uitbreiding hiervan voor een speciale
                    school voor basisonderwijs, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor deze
                    voorzieningen noodzakelijk is. In geval van uitbreiding geldt dat het verschil
                    in groepen wordt bepaald door het aantal groepen zoals aanwezig was op de
                    laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag (of meest recente teldatum)
                    en het aantal groepen waarvoor reeds eerder aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    of meubilair is bekostigd. Het aantal groepen waarvoor reeds aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket of meubilair is bekostigd, wordt bepaald door het aantal
                    groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 2001/2002, tenzij
                    burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen eerste
                    inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven. De omvang van de aanpassing
                    wordt bepaald door de activiteiten die strikt noodzakelijk zijn om het gebouw
                    geschikt te maken voor het geven van onderwijs. Dit houdt in dat slechts die
                    activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen die de normale eisen te
                    stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet overschrijden. De
                    aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik wordt genomen of
                    omdat de capaciteit van het gebouw moet worden vergroot voor het creëren van een
                    extra les- of speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van
                    specifieke wet- en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo-eisen, kunnen eveneens voor
                    bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte verwarmingsinstallatie
                    moet worden vervangen door een gasgestookte installatie komen de meerkosten ten
                    opzichte van het vervangen van een gasgestookte installatie door een
                    gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in
                    de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de
                    installatie. De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die
                    noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven
                    in het overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’, door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten. </al><al/><al><vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet> De ruimtebehoefte voor
                    een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze bijlage en het
                    bijbehorende gedeelte van de toelichting. In de toekenningscriteria (Bijlage I)
                    is bepaald, dat voor de beoordeling of een instelling voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening in aanmerking komt de beschikbare capaciteit met
                    tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt bezien of de ruimtebehoefte op
                    basis van de leerlingprognose voor langer dan vijftien jaar deze verhoogde
                    capaciteit overschrijdt. Indien zulks het geval is wordt de omvang van de
                    voorziening bepaald door vaststelling van het verschil tussen de werkelijk
                    beschikbare capaciteit (100%) en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel
                    (tabellen 7.1.a en 7.1.b). Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan
                    worden opgesteld. Om te bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is,
                    zal een toets moeten plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is
                    van onderbezetting. In geval van medegebruik door een andere school voor
                    voortgezet onderwijs moet bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op
                    elkaar kunnen worden afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In
                    geval van medegebruik door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten
                    worden of binnen het lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen
                    worden. Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de
                    bepaling van de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het
                    lesrooster redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet
                    hoog in verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal
                    criteria kan het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld
                    aantal lessen in de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal
                    minimaal voor 32 uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het
                    lokalenplan (bij voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of
                    alle lokalen wel ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting
                    maximaal 16 is in plaats van 26 leerlingen. Om nu te bezien of het feitelijk
                    lesrooster redelijk is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van
                    de instelling, wordt het aan de hand van de volgende criteria getoetst: </al><al/><al>aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl. gym); </al><al>het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per week; </al><al>de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen het
                    praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend onderwijs 16
                    leerlingen); </al><al>het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per week.
                    Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het normatieve gebruik op 24 uur
                    per week; </al><al>gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen ruimten voor
                    machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor maximaal 8 leerlingen; </al><al>een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten dan
                    wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd. </al><al/><al>Voor de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de
                    beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent. </al><al/><al/><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> Met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het leerlingenaantal, dat
                    voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode langer dan vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald. Vergelijking van deze
                    ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde beschikbare capaciteit geeft
                    als resultaat de omvang van de goedgekeurde tijdelijke voorziening, uitgedrukt
                    in m² bruto vloeroppervlakte. Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze
                    oppervlakte niet naar lokaalsoort toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het
                    niveau bruto m²’s lesruimte per instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1
                    lokaal gehanteerd, dat wil zeggen dat het geconstateerde ruimtetekort minimaal
                    100 m² bruto moet bedragen om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening in aanmerking te komen. Voor de bepaling van de voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming, medegebruik en
                    verplaatsing van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien
                    procent. </al><al/><al><vet>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet> De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen
                    is rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting,
                    die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage
                    I, paragraaf 3.7). </al><al/><al><vet>Gymnastiekruimten</vet> De bepaling van de omvang van de verschillende
                    voorzieningen in de huisvesting, die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder
                    toepassing van het Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang
                    van toekenningen voor lesgebouwen. Voor de bepaling van het aantal in
                    medegebruik te geven lessen gymnastiek is het lesrooster maatgevend. Het
                    maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de in paragraaf 3.4 gegeven formule
                    worden berekend. </al><al/><al><vet><onderstreept>Deel
                            D
                            Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                        voorzieningen</onderstreept></vet> De wet geeft de opdracht aan gemeenten om
                    in de verordening bepalingen op te nemen met betrekking tot de oppervlakte en de
                    indeling van schoolgebouwen. In de modelverordening is gekozen voor een beperkt
                    aantal bepalingen. Enerzijds omdat op die wijze de autonomie van een
                    schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds omdat naar aanleiding van de
                    tweede fase van het Bouwbesluit VROM reeds een aantal centrale eisen aan
                    schoolgebouwen gesteld zullen worden. Ook de minister van OCenW heeft, door
                    middel van een Algemene maatregel van bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen
                    stellen. Deze betreffen echter niet de specifieke ruimten, doch het totale
                    gebouw, danwel alle bij een school in gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn
                    gepubliceerd in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO
                    (Stb. 1997, 125). In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening
                    alleen iets over de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van
                    functionaliteit van ruimten, met name in verband met de mogelijkheden voor
                    medegebruik. </al><al><vet>Toelichting bijlage IV</vet></al><al/><al> In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                    voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                    vergoedingsmethoden, namelijk: </al><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A); </al><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B). </al><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                    medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld. De keuze tussen vergoeding op
                    basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten dient vooraf
                    te worden vastgelegd in artikel 4 van de verordening. In deze modelverordening
                    zijn zoveel mogelijk vergoedingen genormeerd. Slechts indien normering niet
                    mogelijk is, dan wel tot irreële uitkomsten leidt, is afgezien van normering.
                    Afhankelijk van de lokale situatie kan de keuze tussen vergoeding op basis van
                    normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten een andere zijn. </al><al/><al><vet><onderstreept>Deel
                            A
                            Vergoeding op basis van normbedragen</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereiding</vet> In de artikelen 3,
                    4 en 25 t/m 28 van de modelverordening is een aantal regels gegeven voor het
                    toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de toelichting bij deze
                    artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor bouwvoorbereiding is opgenomen in
                    de genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage IV. Dit betekent dat, indien een
                    genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding (uitgedrukt in een percentage van
                    de bouwkosten) wordt verstrekt, deze vergoeding in mindering moet worden
                    gebracht op de genormeerde vergoeding voor de uiteindelijke realisering van de
                    voorziening. Het hiervoor genoemde percentage is gebaseerd op de
                    veronderstelling dat de aanvrager de bouw voorbereidt tot aan het moment van
                    aanbesteding (dus inclusief de opstelling van het bestek,
                    bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting). </al><al/><al><vet>1  School voor basisonderwijs</vet> In dit hoofdstuk zijn voor
                    de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste
                    inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en gymnastiek
                    genormeerde bedragen opgenomen. Alle genoemde bedragen zijn herleid tot het
                    prijspeil 1 juli 2003. Ten behoeve van de vergoeding van voorzieningen in 2004
                    zijn deze bedragen vervolgens geïndexeerd met het MEV-cijfer van 2,25%
                    respectievelijk 0,8%. </al><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet> Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent
                    gebouw is zoveel mogelijk genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een
                    bedrag per groep. Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen
                    worden gegeven voor fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van
                    een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn
                    niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren. </al><al/><al><vet>Tijdelijke voorziening</vet> Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd
                    in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande
                    noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande
                    huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik een rol spelen. Bij de verwerving van tijdelijke
                    lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke lokalen als eerste
                    voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw door
                    middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie.
                    Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er geen permanent hoofdgebouw
                    aanwezig, zodat er een extra toeslag moet worden gegeven om voorzieningen als
                    directieruimten, lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke (toeslag
                    hoofdlocatie) te kunnen realiseren. Indien er wel een permanent hoofdgebouw
                    aanwezig is, maar nog geen tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij
                    plaatsing van het eerste noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een
                    entree en een garderobe (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een
                    noodaccommodatie aanwezig is, die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan
                    met de toekenning van de bedragen (gebaseerd op 80 m²) exclusief de toeslagen.
                    Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). </al><al/><al><vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet> De vergoeding voor
                    eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is aangepast als gevolg van
                    de wijziging van het formatiebesluit. Door deze wijziging kan weer van het
                    principe worden uitgegaan dat wanneer een school met een groep groeit, deze
                    school een lokaal krijgt en uitbreiding volledige eerste inrichting
                    onderwijsleerpakket en meubilair, voor zover de school nog niet over deze eerste
                    inrichting beschikt. De reden van de groei niet meer ter zake, omdat bij de
                    vaststelling van de toekenning van de bedragen voor eerste inrichting geen
                    onderscheid meer gemaakt wordt tussen reguliere groei en groei als gevolg van de
                    groepsverkleining. De toeslag meubilair is verdwenen. Bij de omrekening is geen
                    rekening gehouden met de reeds toegekende toeslagen meubilair. De invoering van
                    de groepsverkleining betekent dat er een verschil ontstaat tussen de genormeerde
                    omvang van onderbouw- en bovenbouwgroepen. De genormeerde omvang van
                    onderbouwgroepen is gesteld op 20 leerlingen, voor de bovengroepen geldt 28
                    leerlingen. De huidige inrichtingsbedragen zijn gebaseerd op een genormeerde
                    groepsgrootte van 29 leerlingen, terwijl de gemiddelde groepsgrootte dus is
                    gedaald tot 24 leerlingen. Dit rechtvaardigt een aanpassing van de normering
                    voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair. Daarnaast wordt de
                    toeslag meubilair afgeschaft. Verder wordt de normering vereenvoudigd. Dit om
                    het ook mogelijk te maken voor scholen met meer dan 30 groepen de bedragen voor
                    eerste inrichting te kunnen bepalen. De systematiek valt uiteen in twee delen.
                    Tot en met vijf groepen is het niet mogelijk op een goede manier te
                    lineariseren, hierom is vastgehouden aan de oude toekenningssystematiek. Deze
                    bedragen zijn inclusief de inrichting van het (eerste) speellokaal. Vanaf de
                    zesde groep ontvangt een school per groep een bedrag. In dit bedrag zit niet
                    meer een component voor het tweede speellokaal. Indien er recht ontstaat op een
                    tweede speellokaal ontvangt de school het inrichtingsbedrag als een aparte
                    toeslag tweede speellokaal. Voorbeeld 1: Een nieuwe basisschool heeft recht op
                    negen groepen eerste inrichting. De school beschikt over negen groepsruimten en
                    een speellokaal. De school ontvangt voor de eerste vijf groepen 109.180,59 euro
                    (dit bedrag is inclusief het eerste speellokaal) en voor de groepen zes tot en
                    met negen 46.320,88 euro (4 maal 11.580,22 euro). Omdat het een nieuwe school
                    betreft, ontvangt de school 139.951,33 euro (155.501,47 euro minus een korting
                    van 10%). Voorbeeld 2: Een basisschool groeit van dertien naar zestien groepen.
                    Hiermee kan de school de vijfde groep vier-vijf-jarigen vormen, de school krijgt
                    derhalve een speellokaal toegekend. De school krijgt drie maal het bedrag ‘elke
                    volgende groep’ toegekend: 34.740,66 euro (3 maal 11.580,22 euro) plus de
                    toeslag tweede speellokaal van 6.158,67 euro totaal 40.899,33 euro. </al><al/><al><vet>Onderhoud</vet> Opgenomen zijn bedragen voor onderhoudsactiviteiten die,
                    conform bijlage I, voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komen. Het
                    gaat hier om grootschaliger onderhoudsactiviteiten, immers het dagelijks
                    onderhoud wordt door middel van de vergoeding voor preventief onderhoud door het
                    ministerie aan het bevoegd gezag vergoed. De vergoeding valt uiteen in een vast
                    bedrag en een bedrag per vierkante meter bruto-vloeroppervlakte van het gebouw
                    (ook voor buitenberging en terreinen!). Alleen bij de vergoeding voor het
                    vervangen van de pannen, de goten en het houtwerk bij een hellend dak dient nog
                    een correctiefactor te worden toegepast. Deze factor kan worden vastgesteld bij
                    de nulmeting. De vergoeding voor het vervangen van bitumen dakbedekking op een
                    plat dak bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per m²
                    bruto-vloeroppervlakte. Indien een schoolgebouw uit meerdere verdiepingen
                    bestaat, leidt het bedrag per m² bruto-vloeroppervlakte tot een te hoge
                    vergoeding. Voor een dergelijk gebouw dient te worden uitgegaan van het aantal
                    m² dakoppervlakte (zie voetnoot 2 bij de tabel onderhoud, paragraaf 1.5). In
                    dezelfde tabel zijn de onderhoudsactiviteiten ‘algehele vervanging van kozijnen
                    en deuren’ en ‘algehele vervanging van hang- en sluitwerk’ vanwege hun nauwe
                    samenhang samengebracht in een vergoedingsformule. </al><al/><al><vet>Gymnastiek</vet> De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor
                    nieuwbouw en uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Hiernaast zijn bedragen opgenomen
                    voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij
                    gebruik van een ‘eigen’ gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een
                    gymnastiekaccommodatie. </al><al/><al/><al><vet>2 Voortgezet onderwijs</vet> In dit hoofdstuk zijn voor de
                    voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste inrichting
                    met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek genormeerde bedragen
                    opgenomen. Alle genoemde bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1 juli 2003 en
                    ten behoeve van de vergoeding van voorzieningen in 2004 geïndexeerd met het
                    MEV-cijfer 2,25% respectievelijk 0,8%. </al><al/><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet> De kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een
                    permanent gebouw zijn genormeerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen
                    ruimte-afhankelijke kosten (lokaalspecifiek) en sectie-afhankelijke kosten
                    (sectie-specifiek). Hiernaast kan, afhankelijk van de beoordeling, een
                    vergoeding voor aanvullende normkosten (fundering en bemaling) worden gegeven.
                    Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze
                    kosten met de ligging sterk kunnen variëren. Om de normvergoeding van de
                    investeringskosten te kunnen berekenen is het noodzakelijk te weten met hoeveel
                    vierkante meters BVO de verschillende ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of
                    teruggebracht. Het huidige gebouw zal daarom eerst moeten worden opgemeten. Dit
                    kan in drie stappen gebeuren: </al><al>1 Opmeten van de netto vierkante meters van de specifieke ruimten. Door
                    vermenigvuldiging van de netto vierkante meters van deze ruimten met de
                    bruto/netto factor van 1,67 wordt de BVO van deze ruimten verkregen. </al><al>2 Opmeten van de netto vierkante meters van de werkplaatsen. Ter verkrijging van
                    de BVO van deze werkplaatsen kunnen deze netto vierkante meters worden
                    vermenigvuldigd met de bruto/netto factor van 1,38. </al><al>3 De vierkante meters BVO van de algemene ruimte zijn nu: BVO van het gebouw
                    minus BVO specifieke ruimten en BVO werkplaatsen. Oftewel: </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="73*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bestaande BVO totaal </al></entry><entry colname="col2"><al>... m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BVO specifieke ruimte (netto m² x 1,67)</al></entry><entry colname="col2"><al>.. m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38)</al></entry><entry colname="col2"><al>... m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>= Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>... m²</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het tekort of overschot per ruimtesoort wordt daarop vermenigvuldigd met het
                    bedrag per vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en negatieve
                    bedragen wordt het totaal bedrag aan normvergoeding voor
                    investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO
                    verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of nieuwbouw
                    (zie deel A, 3.1 van bijlage IV). Bij het in de vorige alinea berekende bedrag
                    moeten vervolgens ook nog de vergoedingen voor de sectie-afhankelijke en de
                    aanvullende kosten worden opgeteld. </al><al/><al>T<vet>ijdelijke voorziening</vet> Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd
                    in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande
                    noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande
                    huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen
                    aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                    multifunctioneel gebruik een rol spelen. Bij de verwerving van tijdelijke
                    lokalen wordt geen onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van tijdelijke lokalen
                    als eerste voorziening en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Met de
                    op basis van bijlage III goedgekeurde oppervlakte kan door middel van de formule
                    het investeringsbedrag worden berekend. Dit investeringsbedrag omvat tevens alle
                    bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten,
                    terreininrichting en dergelijke. Indien een tijdelijke voorziening voor een
                    kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een
                    investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de
                    huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een
                    bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke
                    huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).
                    </al><al/><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet> De
                    normvergoeding voor inventaris wordt berekend door het tekort of overschot per
                    ruimtesoort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m² wat voor deze
                    ruimten is opgenomen. Hierbij gaat de vergelijking echter iets verder: </al><al>Bestaande BVO totaal ... m² </al><al>BVO specifieke ruimte Handel/verkoop administratie (netto m² x 1,67) ... m² </al><al>BVO specifieke ruimte (uiterlijke) verzorging/mode en commercie ... m² (netto m²
                    x 1,67) </al><al>BVO werkplaatsen Techniek Algemeen (netto m² x 1,38) ... m² </al><al>BVO werkplaatsen Grafische Techniek (netto m² x 1,38) ... m² </al><al>BVO werkplaatsen Landbouw (netto m² x 1,38) ... m² </al><al>BVO werkplaatsen AMVB (netto m² x 1,67) ... m² </al><al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m² </al><al>= Algemene ruimte ... m² </al><al>Het bovenstaande betekent voor inventaris dat als een school goedkope ruimte
                    moet ombouwen voor dure ruimte, het verschil in inventariskosten wordt
                    gecompenseerd. Dit kan gebeuren als algemene ruimte verbouwd wordt tot
                    werkplaats of specifieke ruimte. Andersom kan ook voorkomen, dat de school
                    gekort wordt op het bedrag voor inventaris als werkplaatsen of specifieke ruimte
                    wordt verbouwd tot algemene ruimte. Bij dit laatste kan het in uitzonderlijke
                    gevallen voorkomen dat het totaalbedrag negatief wordt. In dit uitzonderlijke
                    geval wordt het bedrag voor inventaris op nul gezet. </al><al/><al><vet>Gymnastiek</vet> Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt
                    tussen het aantal gymzalen waar normatief recht op bestaat en het aantal
                    aanwezige zalen. Bij uitbreiding van een oefenvloer tot 252 m² kan het
                    normbedrag aan inventaris/investeringskosten worden berekend door: </al><al>vermenigvuldiging van de netto m² met 1,3 tot BVO; </al><al>door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per vierkante
                    meter voor inventaris/investeringskosten. </al><al/><al/><al><vet>3 Indexering</vet> Op grond van artikel 102, derde lid WPO;
                    artikel 100, derde lid WEC en artikel 76m, derde lid, en 217, derde lid WVO, is
                    de gemeente verplicht normen vast te stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen
                    worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een
                    aantal voorzieningen, zoals aanpassing en soms ook onderhoud, zal worden
                    bekostigd nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze voorzieningen
                    zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te normeren.
                    Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen
                    worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten worden
                    aangepast aan het geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een
                    indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. Ten behoeve
                    van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan van
                    vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde
                    MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze
                    methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de
                    voorzieningen vast. Het vorenstaande betreft de methodiek die momenteel wordt
                    gehanteerd in het primair onderwijs. Jaarlijks wordt het prijsniveau
                    gepubliceerd van het daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling
                    zal het gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk
                    prijspeil, dus een ‘terugcorrectie’ met het MEV-cijfer. De keuze van indexcijfer
                    is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze in de verordening vast te
                    leggen. De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan
                    tegelijkertijd plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het
                    overzicht. Gezien het tijdstip van vaststellen van het programma en het
                    overzicht kan zonder problemen ook het MEV-cijfer worden gehanteerd omdat dit
                    cijfer definitief bekend wordt gemaakt op de derde dinsdag in september. Een
                    alternatief voor het hanteren van de MEV-cijfers is het gebruik maken van een
                    inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de
                    gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt
                    aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de
                    normbedragen. De eerste vastlegging van het prijspeil is gebaseerd op de
                    normbedragen zoals deze nu worden gehanteerd door het ministerie van OCenW. Dit
                    prijspeil heeft een directe relatie met de ruimtenormen die de grondslag vormen
                    van de vergoedingen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Deel B
                            
                            Vergoeding op basis van feitelijke kosten</onderstreept></vet> In deze
                    modelverordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren (deel A).
                    Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen genormeerde vergoeding
                    opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke kosten te
                    worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een andere scheiding tussen de
                    genormeerde vergoeding en vergoeding op basis van feitelijke kosten worden
                    gemaakt. Deze keuze dient echter wel vastgelegd te worden in artikel 4 van de
                    verordening. In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten, volgens deze modelverordening, van toepassing op de volgende
                    voorzieningen: </al><al>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen; </al><al>nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie (V)SO; </al><al>aanpassingen aan gebouwen; </al><al>herstel van constructiefouten; </al><al>herstel van schade; </al><al>kosten van bouwvoorbereiding; alsmede </al><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw; </al><al>aankoop van terreinen; </al><al>huur van gymnastiekruimten van derden; </al><al>huur van bestaande gebouwen. </al><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals
                    vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor
                    aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de
                    overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed. </al><al/><al><vet>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet> Vergoeding op
                    basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de vergoeding wordt
                    gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te voeren
                    voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte geldigheidsduur
                    hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het programma worden
                    gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de aanvrager deze
                    kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de vaststelling van het
                    bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld en zonodig door de
                    gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na vaststelling van
                    het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit bedrag is echter
                    geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan worden ontleend).
                    De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de
                    laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of minderkosten ten
                    opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen invloed meer op
                    de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en overzicht zijn
                    geplaatst. </al><al/><al><vet>Aanbestedingsregels</vet> Ingaande 1 december 2005 is het Besluit
                    aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) en het Besluit aanbestedingen
                    speciale sectoren (Bass) in werking getreden. Gemeenten dienen bij Europese
                    aanbestedingen de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijnen in acht te nemen. </al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Deel C
                            
                            Bepaling medegebruikstarieven</onderstreept></vet> Medegebruik is in
                    eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien medegebruik
                    plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een aantal zaken,
                    waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de eigenaar geeft.
                    Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de hoogte van de
                    vergoeding bepalen. Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de
                    gebouwafhanklijke kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het
                    bekostigingsstelsel voor de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is
                    dit bedrag vormgegeven in het bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen
                    ter beschikking wordt gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor
                    medegebruik in het voortgezet onderwijs. Voor 2007 is de vergoeding € 4.217,- </al><al/><al/><al><vet>TOELICHTING  BIJLAGE V</vet> Voor de vaststelling van het
                    programma moet in de situatie dat het beschikbaar gestelde of beschikbaar te
                    stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële toekenningen - alle aanvragen
                    voor voorzieningen die voldoen aan de beoordelingscriteria en die niet een
                    spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige volgorde worden vastgesteld. De
                    urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen welke voorzieningen
                    achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor bekostiging. Indien het
                    budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet te worden toegepast en
                    volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de toekenning van een
                    bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met IV. Indien het vast
                    te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente niet aan
                    toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte toepassing is
                    zeer belangrijk, omdat de aandacht van de gemeenteraad zeker zal uitgaan naar de
                    voorzieningen waarvoor geen budget meer is. Voor het staande houden van een
                    budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de criteria die de volgorde
                    bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering daaraan strikt de hand te
                    houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in hoofd- en subprioriteiten is
                    dit mogelijk. De zorg voor adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet
                    dat het vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn
                    dat: </al><lijst><li nr="·"><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/
                            nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk); </al></li><li nr="·"><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                            constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                            bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het
                            onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed; </al></li><li nr="·"><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt vergoed.
                        </al></li></lijst><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma’s en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen. Bij twee of meer aanvragen die in één categorie
                    voor bekostiging in aanmerking komen, dient in de hoofdprioriteit nadere
                    invulling plaats te vinden om te bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het
                    programma wordt geplaatst. De volgorde van subprioriteit is bepalend voor de
                    volgorde van de lijst van goed te keuren voorzieningen. In de subprioriteiten is
                    met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd
                    te maken. De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de
                    onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die
                    systematiek is in de modelverordening uitgegaan. De gemeente kan ook
                    deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de
                    voorzieningen plaats te vinden. Een dergelijke handelwijze komt overeen met die
                    van het ministerie vóór 1997. Indien een gemeente een bepaald beleid wil
                    prioriteren, dan dient dit in de systematiek van de modelverordening te
                    geschieden door een wijziging van de urgentiecriteria, en dus door een wijziging
                    van de verordening. De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde
                    zijn worden opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog
                    subprioriteiten worden onderscheiden. (Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming,
                    uitbreidingen en aanpassingen die capaciteitstoevoegingen inhouden voor
                    hetzelfde relatieve aandeel, worden gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de
                    onderwijssector, de benodigde oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier
                    dus hoger naarmate de voorziening bestemd is voor een groter deel van de school
                    (de prioriteit wordt dus in een percentage uitgedrukt). Herschikking levert
                    altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van individuele nieuwbouw en
                    uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet scherp gelet worden op de
                    noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking gevraagde voorzieningen om te
                    voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor individuele aanvragen. De afweging
                    van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat onderhoudsniveau wordt op
                    basis van de conditie van het onderdeel of de onderdelen gemaakt. Er wordt
                    gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en de hoogte van de scores
                    bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als eerste gehonoreerd. In de
                    subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een volgorde qua gewicht
                    bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere mate van
                    onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor (bepaalde)
                    lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet-lesgebouwen. De aanpassingen om
                    te voldoen aan wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld Bouwbesluit, Arbo,
                    brandweereisen) vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die
                    leiden tot sluiting van het schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het
                    vereiste wordt voldaan, is er sprake van een voorziening die spoedeisend is. </al><al>Samenvatting urgentiecriteria: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Hoofdprioriteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>Subprioriteiten</al></entry><entry colname="col3"><al>Rangorde bepaling door:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 capaciteitstekorten</al></entry><entry colname="col2"><al>a met herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>b zonder herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c bij gymnastiekruimten</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 adequaat onderhoudsniveau</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al></entry><entry colname="col2"><al>a voor theorie-/leslokalen</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waar voor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b voor vak-/speellokalen/ gymnastiekruimten</al></entry><entry colname="col2"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten percentage
                                        leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>d herstel/vervanging schade in bijzondere
                                        omstandigheden,voor zover niet spoedeisend mate van ernst
                                        van de schade</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E overige activiteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>ouderdom van het gebouw </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Voorbeeld: Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de gemeente
                    X zeven aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in aanmerking komen.
                    Het totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt f 730.000,-. Het gaat om de
                    volgende aanvragen: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwerp:</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag:</al></entry><entry colname="col3" morerows="6"><al/></entry><entry colname="col4" morerows="6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>220.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b ARBO-aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>10.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c ARBO-aanpassing lokaal B.O. </al></entry><entry colname="col2"><al>40.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry colname="col2"><al>50.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry colname="col2"><al>300.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f Onderhoud dak B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>30.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g Onderhoud erfscheiding V.S.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>80.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al>TOTAAL: </al></entry><entry colname="col4"><al>730.000,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en subprioriteiten,
                    vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde van de
                    urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde hoofd- en
                    subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste score. </al><al>De score wordt als volgt bepaald: </al><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan capaciteit.
                    Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte op een aanwezige
                    capaciteit voor 8 groepen. De 55%-score bij aanvraag e komt tot stand omdat de
                    bestaande oefenvloer van 140 m² wordt uitgebreid tot 252 m²; </al><al>Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst van de
                    bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak het probleem aan te
                    pakken; </al><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik van de
                    onderwijskundige vernieuwing. </al><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                    bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is bedoeld.
                </al></bijlage></regeling></body></cvdr>