<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR365790_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">&lt;a title="Elektronisch
                gemeenteblad" href="http://www.sintanthonis.nl"&gt;Elektronisch
                gemeenteblad&lt;/a&gt;</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Artikel 8a van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2014/1558</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Tegenprestatie Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Sint Anthonis;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 januari 2015; </al><al/><al>gezien het advies van de WMO Adviesraad en de commissie;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de gemeentewet en gelet op de artikelen Ba, eerste
                        lid van de Participatiewet;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de Verordening Tegenprestatie Participatiewet 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><al><cursief>Uitkering:</cursief></al><al>een uitkering op grond van de Participatiewet, de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers (IOAW) en van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).</al><al/><al><cursief>Mantelzorg:</cursief></al><al>langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt
                            geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                            waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en
                            de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al><al/><al><cursief>Belanghebbende:</cursief></al><al>persoon die behoort tot de doelgroep van de Participatiewet</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                                inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a)"><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b)"><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c)"><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d)"><al>niet leiden tot verdringingeen en ander ter beoordeling van
                                        het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college motiveert de inzet van de tegenprestatie, waarbij
                                tegemoet wordt gekomen aan het individueel en collectief
                                belang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan belanghebbenden met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college -zoveel
                                mogelijk­ rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a)."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende;</al></li><li nr="b)."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende;</al></li><li nr="c)."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                        belanghebbende.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij dringende redenen in individuele gevallen een
                                tijdelijke ontheffing verlenen van de verplichting om een opgedragen
                                tegenprestatie te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van maximaal 12
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na de periode als genoemd in het eerste lid kan de duur verlengd
                                worden met maximaal 12 maanden, nadat de klantmanager heeft
                                beoordeeld of de omstandigheden en situatie van de belanghebbende
                                verder onveranderd zijn gebleven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 16 uren per week of
                                208 uren per kwartaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geen tegenprestatie opdragen</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op als een belanghebbende
                            mantelzorg of vrijwilligerswerk verricht voor zover het verrichten van
                            mantelzorg of vrijwilligerswerk naar het oordeel van het college
                            redelijkerwijs voldoende, noodzakelijk of wenselijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien binnen de
                            gemeentegrenzen geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden
                            ingezet als tegenprestatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                            bekendmaking en werkt terug tot en met 1januari 2015, behoudens
                            situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                            belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Tegenprestatie
                            Participatiewet 2015</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Sint
                        Anthonis van</ondertekening><ondertekening>12 maart 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. A.P.J.L. Keijzers, M.L.P. Sijbers</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wet maatregelen WWB, die tegelijkertijd met de P-wet op 1januari 2015 in
                    werking treedt, legt de gemeenteraad de verplichting op bij verordening regels
                    te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan mensen met een
                    bijstandsuitkering. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger
                    dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar
                    vermogeneen tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste
                    lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit de
                    plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                    en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><tussenkop>Individuele omstandigheden</tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><tussenkop>Geen tegenprestatie</tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Afstemmen</tussenkop><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand wordt afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><al/><tussenkop>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</tussenkop><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie</cursief>is
                        <cursief>geen</cursief><cursief>re-integratie-instrument</cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering.</al><al/><tussenkop>Verordeningsp/icht</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    Sa, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6).</al><al/><tussenkop>Ontwikkelen beleid door college</tussenkop><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Belanghebbende</tussenkop><al>In beginsel heeft iedere uitkeringsgerechtigde de verplichting 'iets terug te
                    doen' voor de uitkering in de vorm van een tegenprestatie. Dit betekent dat
                    alleen aan mensen die een uitkering ontvangen een tegenprestatie kan worden
                    opgelegd. De tegenprestatie kan niet worden opgelegd aan
                    niet-uitkeringsgerechtigden die door gemeenten worden ondersteund bij het zoeken
                    naar werk.</al><al/><tussenkop>Mantelzorg</tussenkop><al>In artikel 1van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige
                    zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat
                    artikel 5 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie
                    opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten
                    van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk
                    is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener;</al></li><li nr="•"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al></li><li nr="•"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="•"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1(Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                    C.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg wordt verstaan kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                    zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                    Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                    ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze
                    als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                    gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                    huishouden.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie</tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Het
                    college dientmaatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie.
                    Rekening moetworden gehouden met de individuele omstandigheden van
                    belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante
                    persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen 'naar
                    vermogen'. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de
                    werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                    12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Artikel 2, eerste lid, van deze verordening bevat regels omtrent de inhoud van
                    de tegenprestatie. Deze omvat een kaderstellende omschrijving van de
                    werkzaamheden die door het college kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
                    Binnen de in het eerste lid gestelde kaders, kan het college in een beleidsplan
                    vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden
                    ingezet (artikel 2, tweede lid, van deze verordening). De kaderstellende
                    omschrijving heeft als voordeel dat het college niet is beperkt in het aanwijzen
                    van werkzaamheden die als</al><al>tegenprestatie kunnen worden ingezet. Hierdoor kan het college snel inspelen op
                    nieuwe activiteiten die als tegenprestatie kunnen worden ingezet.</al><al/><tussenkop>Onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden</tussenkop><al>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen. De maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                    onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht
                    worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is
                    afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis
                    daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014,
                    33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><tussenkop>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet</tussenkop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden inzetten als
                    tegenprestatie voor zover die werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2, eerste
                    lid, van deze verordening genoemde voorwaarden.</al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14).</al><al/><tussenkop>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</tussenkop><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties.</al><al>Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een belangrijk
                    hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                    bepalen.</al><al/><tussenkop>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</tussenkop><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamhedenkunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010- 2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14).</al><al/><tussenkop>Gemotiveerde inzet</tussenkop><al>In artikel 2, tweede lid, -wordt de tegenprestatie gemotiveerd ingezet, waarbij
                    tegemoet gekomen wordt aan het individuele en het collectieve belang.</al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met de eigen
                    inbreng van debelanghebbende. De belanghebbende wordt gemotiveerd eigen ideeën
                    aan te dragen.Decommunicatie over de tegenprestatie richting de belanghebbende
                    moet zorgvuldig verlopen, zodat</al><al>helder is wat er van hem/haar verwacht kan worden. Het individuele belang van
                    debelanghebbende wordt gediend met de bijdrage die de tegenprestatie levert aan
                    het verminderenvan de kwetsbare positie waarin hij/zij zich bevindt. Daarnaast
                    moet de tegenprestatieeenbijdrage leveren aan het sociale leefklimaat en de
                    leefbaarheid in de gemeente. Met het opdragen van de tegenprestatie wordt dus
                    zowel een individueel als een collectief belang gediend.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie</tussenkop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).</al><al>Het college kiest ervoor om de tegenprestatie in beginsel op te dragen aan een
                    belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Mensen met een
                    korte afstand kunnen zich in de eerste plaats richten op de arbeidsplicht en de
                    re­ integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                    verkrijgen. Bij mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt mag worden
                    verwacht dat hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt
                    aan mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt minder aangedrongen op het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk activiteiten. De onbeloonde
                    werkzaamheden mogen</al><al>immers het accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet
                    belemmeren: werk gaat boven uitkering. Binnen deze groep kan bijvoorbeeld
                    gedacht worden aan de situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden
                    verricht door belanghebbende. In dat geval bestaat er ruimte voor het opleggen
                    van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten.</al><al/><tussenkop>Factoren opdragen tegenprestatie</tussenkop><al>In artikel 3, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht.</al><al/><tussenkop>onderdeel a : tegenprestatie 'naar vermogen'</tussenkop><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze
                    werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk
                    nuttigewerkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al/><tussenkop>onderdeel b: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                    belanghebbende</tussenkop><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening
                    gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het
                    opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts
                    wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                    omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                    belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al/><tussenkop>onderdeel c: persoonlijke wensen en kwaliteiten
                    belanghebbende</tussenkop><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten
                    werkzaamheden. Het college kanin beleidsregels bepalen wanneer een
                    belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van een maatschappelijk nuttige
                    activiteit kenbaar maakt aan het college. Het collegebeoordeelt de door
                    belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                    belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                    tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                    krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar
                    zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                    belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst
                    met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                    voorhanden zijn.</al><al/><tussenkop>Dringende redenen: Geen tegenprestatie</tussenkop><al>Art 3, derde lid, regelt dat indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken
                    - aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan
                    verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9,
                    tweede lid, van de Participatiewet).</al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op:</al><al>een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet).op een alleenstaande ouder die in het bezit is van
                    een ontheffing als bedoeld inartikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet
                    (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Weigering tegenprestatie</tussenkop><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                    verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te
                    leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Duur en omvang van een tegenprestatie</tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie.</al><al/><tussenkop>Individuele omstandigheden</tussenkop><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    30).</al><al/><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in dagen</tussenkop><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van
                    12 maanden, met de mogelijkheid tot verlenging indien de situatie onveranderd is
                    gebleven.</al><al>Binnen de genoemde termijn van een jaar is het mogelijk voor de gemeente om
                    deonbeloonde werkzaamheden te wijzigen naar aard of omvang.</al><al>Voor de duur van één jaar is gekozen, omdat veel organisaties werk maximaal een
                    jaar vooruit plannen.</al><al/><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in uren</tussenkop><al>Voor de omvang is gekeken naar de maximale inzet van een vrijwilliger. Gemiddeld
                    is dat voor e en Nederlander 5 uur per week. Iemand zonder werk of re­
                    integratieverplichtingen kan een grotere prestatie leveren als vrijwilliger.
                    Uitgaande van een dagdeel per dag over maximaal 4 dagen is de maximale inzet 16
                    uur per week.</al><al>Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de tegenprestatie tot
                    aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet beperkt in duur en in
                    omvang. Qua omvang dient de tegenprestatie nadrukkelijk minder dan 32 uur per
                    week te zijn. Uit jurisprudentie blijkt , gelet op de bedoeling van de wetgever
                    zoals deze blijkt uit de kamerstukken, dat een aanbod om werkzaamheden voor 32
                    uur per week te verrichten in ieder geval niet aangemerkt kan worden als
                    tegenprestatie. De rechtbank is van oordeel dat door te verlangen dat een
                    uitkeringsgerechtigde nagenoeg een volle werkweek werkzaamheden moet verrichten,
                    de grens van een tegenprestatie wordt overschreden. Het gaat dan immers niet
                    meer om werkzaamheden van beperkte omvang (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-
                    2013, nr 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171)</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Geen tegenprestatie opdragen</tussenkop><al>Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien een belanghebbende mantelzorg of vrijwilligerswerk verricht en het
                    college het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering
                    heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met
                    betrekking tot de</al><al>Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                    neergelegd in artikel 1van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg
                    volgens het college redelijkerwijs voldoende en noodzakelijk, dan draagt het
                    college een belanghebbende geen tegenprestatie op.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college houdt bij
                    het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele gegeven
                    dat een belanghebbende al vrijwilligerswerk verricht. Indien belanghebbende al
                    vrijwilligerswerk verricht -kan het college ook besluiten vrijwilligerswerk aan
                    te merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de
                    maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 4 van deze
                    verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol
                    spelen.</al><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig verband
                    onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving
                    (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2). Vrijwilligerswerk heeft een
                    onverplicht karakter. Men kan zelf tijdsduur en frequentie bepalen van wat men
                    doet en voor wie of welke organisatie de inspanning wordt geleverd. Men bepaalt
                    zelf waarom de werkzaamheden worden gedaan zonder dat hier een geldelijke
                    beloning tegenover staat.</al><al>De VNG verwijst bij de begripsomschrijving van vrijwilligerswerk naar de
                    zogenaamde draaischijf van Movisie. Movisie heeft een draaischrijf ontwikkeld
                    waaraan een gemeente aan de hand van acht onderdelen de definitie kan bepalen.
                    Zie hiervoor: www.movisie.nl/draaischijf.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Geen werkzaamheden voorhanden</tussenkop><al>Artikel 6, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen
                    tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. DeParticipatiewet
                    verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te
                    laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51).</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1januari 2015. Vanaf die datum
                    is in artikel Sa, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>