<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR365450_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Wassenaar 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80453.html">Gemeenteblad nr. 80453, 24-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Wassenaar 2015.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2015-01-01">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2098</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verrekening bestuurlijke boete bij recidive</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Wassenaar 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Z- 7013/besluit 2098           
            </al><al>De gemeenteraad van Wassenaar,</al><al>            </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 september 2014</al><al>            </al><al>gelet op de artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet;</al><al>            </al><al><vet>b              e s l u i t :           </vet></al><al>            </al><al>vast te stellen: de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Wassenaar 2015</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begrippen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="•"><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;</al></li><li nr="•"><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet ;</al></li><li nr="•"><al>bezit: waarde van de banksaldi en de mogelijke auto waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken; </al></li><li nr="•"><al>verrekenen:verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een tijdvak van twee maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende tenminste eenmaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, doch niet meer is dan driemaal de toepasselijke bijstandsnorm, verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. Aansluitend op verrekening als bedoeld in artikel 2 eerste lid, verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende minder bedraagt dan eenmaal de toepasselijke bijstandsnorm, verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete in drie maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</label></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 wordt de recidive boete door burgemeester en wethouders met inachtneming van de beslagvrije voet verrekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</label></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6. Inwerkingtredingen overgangsrecht</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 Wassenaar ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Wassenaar 2015.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Wassenaar gehouden op 24 november 2014. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. G. de Schipper-Tinga, drs. J.Th. Hoekema,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al><vet>Algemeen deel</vet></al><al>Op 1 januari  2013 trad de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid  SZ-wetgeving" in werking. Voor de Wet werk en bijstand (WWB), nu  Participatiewet, introduceerde deze wet de bestuurlijke boete bij een  schending van de inlichtingenplicht. Het college van burgemeester en  wethouders (verder college) is verplicht de bestuurlijke boete met de  lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening  de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter  sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college  besluiten gedurende maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te  verrekenen. </al><al>            </al><al>De  Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere  regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk  buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete.  Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties  of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije  voet niet proportioneel wordt geacht. </al><al>            </al><al>De  bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan  niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de  recidiveboete. Daar waar terugvordering en invordering niet door de  wetgever is verplicht, blijft sprake van een bevoegdheid van het  college. Het is derhalve aan het college op deze onderdelen nadere  (beleids)regels vast te stellen.</al><al>            </al><al>In het kader  van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met verzoeken  van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te  verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd, zal in dat geval  aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens  de regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de  uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek.  Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de  belanghebbende het college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de  beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van  de Participatiewet is geregeld dat het college die de uitkering  verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende  tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de  beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen  gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><al>                              </al><al><vet>Periode</vet></al><al>Een  bestuurlijke boete wordt verrekend in de maanden volgend op de  dagtekening van het besluit. Van recidive is sprake tot vijf jaar na het  opleggen van de (eerste) boete.</al><al/><al>            
                              </al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven geen nadere toelichting.</al><al>            </al><al><cursief>           Bezit           </cursief></al><al>De  verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om  (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens  gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen  kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen. </al><al>Bij het  begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het  nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de  Participatiewet . Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en  worden dus ook niet op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet zijn hier niet van toepassing.  Een belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met de  beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen  waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten  aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen  voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en  zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al>            </al><al><cursief>  Verrekenen           </cursief></al><al>De  Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek  van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een  aparte begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al><al>                              </al><al><vet>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</vet></al><al>Uitgangspunt  van deze verordening is dat volledige verrekening met de beslagvrije  voet plaats vindt voor de maximale termijn van twee maanden als een  belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen  vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze  verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de  bezittingen waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan  beschikken), ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm  bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze bezittingen,  zou een periode van twee maanden overbrugd moeten kunnen worden. Onder  bezit verstaan we dan de optelsom van banksaldi en waarde van de auto of  auto’s.</al><al>                              </al><al><vet>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</vet></al><al>Heeft een  belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden  volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan  verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de  beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar  verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig.  Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van  de toepasselijke bijstandsnorm. Voor een belanghebbende met bezittingen  ter waarde van de toepasselijke bijstandsnorm van één maand of minder  geldt bovendien, dat er drie maanden verrekening plaatsvindt, terwijl  belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van  de toepasselijke bijstandsnorm. In dat laatste geval is er dus geen  sprake van volledige maandverrekening.</al><al>            </al><al>Voor het  percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de  invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire  wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van  de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel  19, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. </al><al>            </al><al>Met de  gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude  niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die  herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een  duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden  met de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van  de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke  maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de  regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>            </al><al>Een  belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel  31, tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden  vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij verrekening van een  recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter  gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing  bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over  voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al><al>            </al><al>Om niet het  gehele vermogen van belanghebbende opnieuw vast te stellen, wordt  volstaan met de actuele saldi van de bankrekeningen van belanghebbende  op de dag waarop de gedraging is opgemerkt. Dat is het uitgangspunt om  vast te stellen wat de hoogte van het vrij te laten bescheiden vermogen  is en daarmee het verrekeningsregime.</al><al>                              </al><al><vet>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</vet></al><al>Hoewel het  hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,  zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije  voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in  artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan  het college zal moeten toetsen.</al><al>            </al><al>In onderdeel  a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de  artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer  volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van  belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een  belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu  dit de problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke  kosten van dien. </al><al>            </al><al>Een  dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een  dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien.  Dat volgt uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij  aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende  huisuitzetting, kan het college rekening houden met de bescherming van  de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat  slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden  waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele  andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende  door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te  voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van  dringende redenen.</al><al>                              </al><al><vet>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</vet></al><al>In artikel  60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid om  te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder  opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening  van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht  het college die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan  regelt artikel 5 dat de bepalingen in deze verordening van  overeenkomstige toepassing zijn.</al><al>                              </al><al><vet>Artikel 6. Inwerkingtreding </vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>                              </al><al><vet>Artikel 7. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>