<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR365366_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014 gemeente Barendrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barendrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barendrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad, 20-04-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Barendrecht 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=95">Gemeentewet, art. 95</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=96">Gemeentewet, art. 96, lid 1 en lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=97">Gemeentewet, art. 97</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006535&amp;artikel=22">Rechtspositiebesluit wethouders, art. 22, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006535&amp;artikel=23">Rechtspositiebesluit wethouders, art. 23, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006535&amp;artikel=27a">Rechtspositiebesluit wethouders, art. 27a, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006536&amp;artikel=4">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006536&amp;artikel=7">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, art. 7a, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006536&amp;artikel=13">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, art. 13, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006536&amp;artikel=14">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, art. 14, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0006536&amp;artikel=15">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, art. 15</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>126644</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeel en organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Verordening rechtspositie burgemeester, wethouders, raads- en commissieleden 2011 wordt ingetrokken.</al><al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 juli 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014 gemeente
            Barendrecht 
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Barendrecht,</al>
          <al>- overwegende dat een verordening waarin bepalingen zijn opgenomen inzake de
                        rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van de gemeentelijke
                        commissies noodzakelijk is; </al>
          <al/>
          <al>- gelet op de artikelen 95, 96, eerste en tweede lid en 97 en 147 van de
                        Gemeentewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste lid, 27a, vijfde lid,
                        van het Rechtspositiebesluit wethouders, en de artikelen 4, 7a, vierde lid,
                        13, tweede lid, 14, eerste lid en artikel 15 van het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al>
          <al/>
          <al>- gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 februari
                        2015;</al>
          <al>- gelet op het advies van de commissie Ruimte van 10 maart
                        2015;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>BESLUIT:</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014
                            GEMEENTE BARENDRECHT</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>commissie: commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83
                                    of 84 van de Gemeentewet;</al></li>
              <li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li>
              <li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li>
              <li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li>
              <li nr="e."><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993,
                                    Stb. 144;</al></li>
              <li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li>
              <li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li>
              <li nr="h."><al>commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel e, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden.</al></li>
              <li nr="i."><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li>
              <li nr="j."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li>
              <li nr="k."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>Voorzieningen voor raads- en commissieleden</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Vergoeding voor de werkzaamheden voor raadsleden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan een lid van de raad wordt een vergoeding voor de werkzaamheden
                                toegekend overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aan een lid van de raad wordt een onkostenvergoeding toegekend
                                overeenkomstig artikel 2, derde lid, van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan een lid van een commissie wordt een vergoeding toegekend voor
                                het bijwonen van de vergaderingen van een commissie en haar
                                subcommissies, zoals bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>als raadslid of wethouder; </al></li>
                <li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd; </al></li>
                <li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De raad kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, in afwijking van het
                                bepaalde in het eerste lid een hogere vergoeding vaststellen, zulks
                                tot ten hoogste een door de raad nader te bepalen percentage van het
                                in het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien
                                van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een lid van een commissie dat op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li>
                <li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Reis- en verblijfkosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan raadsleden worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte reis-
                                en verblijfkosten in verband met reizen buiten het grondgebied van
                                de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                gemeentebestuur vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aan commissieleden worden de reis- en verblijfkosten voor het
                                bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De vergoeding als bedoeld in het eerste en tweede lid is:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor wat betreft de verblijfkosten gelijk aan het
                                        overeenkomstig in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor wat betreft de reiskosten gelijk aan het overeenkomstig
                                        in artikel 4, onderdeel a en b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De reiskosten worden voor ten hoogste één vergadering per dag
                                vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die
                                zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als
                                rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die
                                grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>De reis- en verblijfkosten worden alleen vergoed als deze
                                gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Buitenlandse excursie of reis</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De gemeenteraad kan een delegatie uit de gemeenteraad of een
                                raadscommissie toestemming verlenen voor een excursie of reis naar
                                het buitenland als deze door of vanwege de gemeente wordt
                                georganiseerd. De gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden
                                verbinden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Scholing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Raads- of commissieleden die aan scholing als bedoeld in artikel 13,
                                eerste lid van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                                willen deelnemen, die niet door of namens de gemeente wordt
                                aangeboden of verzorgd, dienen daartoe vooraf een gemotiveerde
                                aanvraag in bij de griffier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Kosten van scholing die wordt georganiseerd door de
                                beroepsvereniging van raadsleden of door de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten komt altijd voor vergoeding door de gemeente
                                in aanmerking als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het
                                eerste lid. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De gemeenteraad kan bij aparte verordening nadere regels stellen met
                                betrekking tot de maximale vergoeding.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening
                                worden ingediend komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>In voorkomende gevallen beslist het presidium.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>iPad/tablet</titel>
            </kop>
            <al>Raads- en commissieleden aan wie, noodzakelijk voor de dienstbetrekking,
                            een iPad/tablet in bruikleen ter beschikking wordt gesteld, ondertekenen
                            hiervoor een bruikleenovereenkomst met de gemeente. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Werkkostenregeling</titel>
            </kop>
            <al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 13a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>III</nr>
            <titel>Voorzieningen voor wethouders</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Wethouders hebben recht op de vergoeding voor het gebruik van
                                openbaar vervoer voor woon-werkverkeer overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 3 lid 1a van de Regeling rechtspositie wethouders.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden alleen vergoed
                                als deze gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Zakelijke reiskosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Wethouders hebben recht op een vergoeding voor reis- en
                                verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                rechtspositie wethouders.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden alleen vergoed
                                als deze gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Dienstauto</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Wethouders kunnen voor dienstreizen ten behoeve van de gemeente
                                gebruik maken van een dienstauto. Onder dienstauto wordt voor de
                                toepassing van dit artikel mede verstaan een door de gemeente
                                ingehuurde auto.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Als de wethouders gebruikmaken van een dienstauto dan hebben zij
                                voor die reizen geen recht op een tegemoetkoming voor de
                                reiskosten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Buitenlandse dienstreis</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als de wethouders in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maken worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Computer en communicatieapparatuur</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De wethouders aan wie, noodzakelijk voor de dienstbetrekking, een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                beschikking wordt gesteld, ondertekenen hiervoor een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De wethouders aan wie, noodzakelijk voor de dienstbetrekking,
                                communicatieapparatuur in bruikleen ter beschikking wordt gesteld
                                ondertekenen hiervoor een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia, die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij het college
                                van burgemeester en wethouders. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen
                                voor rekening van de gemeente als deelname van algemeen belang is in
                                verband met de uitoefening van het ambt van wethouder.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel>
            </kop>
            <al>De wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikken hebben ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders, en</al></li>
              <li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Werkkostenregeling</titel>
            </kop>
            <al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 28a van het Rechtspositiebesluit wethouders. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>IV</nr>
            <titel>De procedure van declaratie</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Betaling vaste vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al>De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor
                            wethouders op grond van het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                            onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in
                            maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis
                            tenzij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het
                            Rechtspositiebesluit wethouders of de Regeling rechtspositie wethouders
                            anders bepalen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Raads- en commissieleden en wethouders dragen, ten behoeve van het
                                vergoeden van kosten, zorg voor rechtstreekse toezending van de
                                factuur aan de gemeente.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Verantwoording van de vergoeding door het raadslid, het commissielid
                                respectievelijk de wethouder vindt plaats door een door het college
                                vastgesteld (digitaal) formulier volledig in te vullen en (digitaal)
                                te ondertekenen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Facturen komen alleen voor vergoeding in aanmerking als voldaan
                                wordt aan de bepalingen in deze verordening. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het (digitaal) formulier wordt ter goedkeuring ingediend bij de
                                griffier, respectievelijk de gemeentesecretaris, of een daartoe
                                aangewezen ambtenaar.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De declaratie van de kosten die uit eigen middelen vooruit zijn
                                betaald en de vergoeding van en reiskosten met de eigen auto vindt
                                plaats door gebruikmaking van een door het college vastgesteld
                                (digitaal) formulier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het (digitaal) formulier wordt binnen twee maanden na de betaling cq
                                de datum van de gemaakte kosten volledig ingevuld en (digitaal)
                                ondertekend door het raads- of het commissielid respectievelijk de
                                wethouder en ter goedkeuring ingediend bij de griffier,
                                respectievelijk de gemeentesecretaris, of een daartoe aangewezen
                                ambtenaar, onder (digitale) bijvoeging van de bewijsstukken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Gebruik creditcard</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De vergoeding van reis- en verblijfkosten in het buitenland kan
                                plaatsvinden door gebruikmaking van de gemeentelijke
                                creditcard.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Er is een gemeentelijke creditcard aan gemeentesecretaris ter
                                beschikking gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Verantwoording van de betaling met de creditcard vindt plaats door
                                gebruikmaking van een door het college vastgesteld (digitale)
                                formulier, volledig in te vullen en te ondertekenen. Het (digitale)
                                formulier wordt binnen één maand na afloop van de kalendermaand van
                                inhouding door de creditcardmaatschappij ter goedkeuring ingediend
                                bij de gemeentesecretaris.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Niet tijdige inlevering van het (digitale) formulier heeft, tenzij
                                er sprake is overmacht, tot gevolg dat de gemaakte kosten voor
                                rekening van de wethouder komen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Bij beëindiging van het ambt van wethouder wordt de creditcard
                                onverwijld ingeleverd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Verlies of diefstal van de creditcard wordt onverwijld gemeld bij de
                                betreffende creditcardmaatschappij en de gemeente. Het eigen risico
                                bij verlies en diefstal komt voor rekening van de gemeente, mits is
                                voldaan aan de daarvoor geldende regels.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>V</nr>
            <titel>Overgangsbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel>Brutering vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al>Niet van toepassing</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>VI</nr>
            <titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel>Intrekking oude regeling</titel>
            </kop>
            <al>De Verordening rechtspositie burgemeester, wethouders, raads- en
                            commissieleden 2011 wordt ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van
                            1 juli 2014.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden gemeente Barendrecht 2014.</al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergaderingvan de raad van de gemeente
                            Barendrecht van 24 maart 2015</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier,</ondertekening>
        <ondertekening>mw. mr. G.E. Figge</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>drs. J. van Belzen</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting</titel>
        </kop>
        <tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop>
        <tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop>
        <al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    algemene maatregel van bestuur (AMvB), ministeriële regeling (alleen wethouders)
                    en gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het
                    pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van
                    de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld
                    bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Daartoe zijn tot stand
                    gekomen het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads-
                    en commissieleden. In een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie
                    wethouders, zijn sommige vergoedingen nader uitgewerkt. In deze wetten en nadere
                    regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen
                    geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de
                    verschillende onkostenvergoedingen, is in de rechtspositiebesluiten overwegend
                    geregeld in dwingendrechtelijke bepalingen. </al>
        <al/>
        <al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders die
                    bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet, rechtspositiebesluit of regeling)
                    dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn <onderstreept>niet</onderstreept>
                    opgenomen in deze verordening. Dit betreft de vergoedingen voor:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de onkostenvergoedingen voor raadsleden en wethouders</al></li>
          <li nr="2."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de vertrouwenscommissie,
                            leden van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa Gemeentewet, dan
                            wel van onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 115a, derde lid
                            Gemeentwet</al></li>
          <li nr="3."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een WW,
                            BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben</al></li>
          <li nr="4."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval</al></li>
          <li nr="5."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</al></li>
          <li nr="6."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</al></li>
          <li nr="7."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten</al></li>
          <li nr="8."><al>voorzieningen voor raads- en commissieleden en wethouders met een
                            fysieke beperking</al></li>
          <li nr="9."><al>de bezoldiging van de wethouders</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</tussenkop>
        <al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet
                    dwingend geregeld is in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te
                    vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun
                    bij of krachtens de wet is toegekend genieten wethouders als zodanig geen
                    inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de
                    Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                    wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie wethouders en de
                    plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.
                    Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen
                    aan de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.</al>
        <al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden
                    opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling
                    voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten
                    vereist.</al>
        <al/>
        <al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook
                    uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Afzonderlijke verordeningen</tussenkop>
        <al>Sommige gemeenten geven er de voorkeur aan de lokale regeling voor wethouders en
                    voor raads- en commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen.
                    Daartegen bestaat geen bezwaar. In dat geval bestaat de Verordening
                    rechtspositie raads- en commissieleden uit de hoofdstukken I, II, IV, V en VI
                    van de modelverordening en de Verordening rechtspositie wethouders uit de
                    hoofdstukken I, III, IV, V en VI van de modelverordening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</tussenkop>
        <al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Omdat er geen dienstbetrekking met de
                    gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar
                    worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een
                    raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief
                    werknemerschap (zie hieronder).</al>
        <al/>
        <al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare
                    dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen
                    over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                    op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst
                    door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt
                    voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een
                    arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat
                    wethouders direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen.
                    Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en
                    WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het ABP. De uitkering na
                    aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in
                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). </al>
        <al/>
        <tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Opting-in-regeling</tussenkop>
        <al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                    ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                    ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                    gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt
                    gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de ingehouden
                    loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de
                    formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De
                    inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                    administratie bij te houden. </al>
        <al/>
        <al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van
                    de opting-in-regeling.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop>
        <al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling
                    zullen dan ook over de netto-onkostenvergoeding inkomstenbelasting moeten
                    betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de
                    vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.</al>
        <al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop>
        <al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het raadslid
                    ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren
                    kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                    (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op
                    deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                    niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de
                    zittingsperiode voor de resterende periode.</al>
        <al/>
        <tussenkop>De vergoedingensystematiek</tussenkop>
        <al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zo veel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop>
        <al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting.</al>
        <al/>
        <al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al>
        <al/>
        <al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruitbetaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast moeten in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie.</al>
        <al/>
        <tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</tussenkop>
        <al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op een vast bedrag per
                    inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
                    Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer Cao lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig.</al>
        <al/>
        <al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun raadsvergoeding
                    te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid is opgenomen in
                    artikel 12 lid 3 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al>
        <al/>
        <al>Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen kunnen verzoeken hun
                    raadsvergoeding te verhogen als de korting als gevolg van hun raadslidmaatschap
                    hoger is dan hun raadsvergoeding. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 12
                    lid 1 en 2 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 3 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</tussenkop>
        <al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies die
                    zijn ingesteld op basis van artikel 82 t/m 84 Gemeentewet geregeld. Deze
                    bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de commissie zitten
                    (uitgezonderd in artikel 96 Gemeentewet). Uitgezonderd zijn verder onder meer
                    ambtenaren (op grond van artikel 1 rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden), en medewerkers en bestuurders van door de gesubsidieerde
                    organisaties die in die hoedanigheid in de commissie zitting hebben. </al>
        <al/>
        <al>De hoogte van het presentiegeld wordt bepaald op een vast bedrag per
                    inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
                    De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indexeert jaarlijks
                    per 1 januari het bedrag zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer
                    Cao lonen overheid.</al>
        <al/>
        <al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de Gemeentewet bieden de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde bedrag. Deze mogelijkheid is geregeld in het vierde lid. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 4 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</tussenkop>
        <al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel in een
                    vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van
                    de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur. </al>
        <al/>
        <al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven voor de reis- en verblijfkosten in
                    verband met reizen binnen de gemeente.</al>
        <al/>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen 5 en 12 Buitenlandse dienstreis</tussenkop>
        <al>Gemeenteraden, delegaties daaruit of wethouders maken wel eens in het
                    gemeentelijk belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                    gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle
                    gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. </al>
        <al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. </al>
        <al/>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 6 Scholing</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden komt niet partij-politiek georiënteerde scholing in verband met
                    de vervulling van de functie van raads- of commissielidmaatschap ten laste van
                    de gemeente. In dit artikel is de procedure verder uitgewerkt</al>
        <al>Gezien de aard en duur van het ambt liggen voor raads- en commissieleden
                    opleidingen voor de hand die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het
                    ambt. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde
                    vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. </al>
        <al/>
        <al>Onder deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten
                    van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de aanschafkosten van
                    verplicht gesteld studiemateriaal, alsmede reis- en verblijfkosten in het kader
                    van de opleiding.</al>
        <al/>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al>
        <al/>
        <al>De raad kan bij verordening nadere regels stellen omtrent het maximale bedrag
                    voor de scholing die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze mogelijkheid is
                    geboden in de kapstokbepaling in het vierde lid.</al>
        <al/>
        <al>Het zesde lid bevat een hardheidsclausule. Mocht de griffier behoefte hebben aan
                    extra oordeel of de gevraagde vergoeding binnen de geldende regels voor
                    vergoeding in aanmerking komt, dan kan het presidium om een oordeel gevraagd
                    worden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 7 iPad/tablet</tussenkop>
        <al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat het raads-
                    of commissielid een computer in bruikleen kan krijgen. Voor de raads- en
                    commissieleden wordt, noodzakelijk voor de dienstbetrekking, in plaats van een
                    computer, een iPad in bruikleen gegeven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 13 Computer en communicatieapparatuur</tussenkop>
        <al>In het Rechtspositiebesluit wethouders is geregeld dat de wethouder van de
                    gemeente een computer in bruikleen kan krijgen. De randapparatuur kan bestaan
                    uit een muis, printer en/of een docking station. De randapparatuur moet voor het
                    werk functioneel zijn en kan niet zelfstandig gebruikt worden. </al>
        <al>Verstrekking van communicatieapparatuur, zoals een mobiele telefoon, zijn geheel
                    onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt.</al>
        <al>Aan de wethouders wordt, noodzakelijk voor de dienstbetrekking, tevens een
                    iPad/tablet in bruikleen gegeven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen 8 en 16 Werkkostenregeling</tussenkop>
        <al>In verband met de werkkostenregeling moeten een aantal netto-vergoedingen en
                    verstrekkingen door de gemeente aangewezen worden als eindheffingsbestanddeel.
                    Anders worden deze door de belastingdienst als loon gezien en moet hierover
                    belasting worden ingehouden. Ook de vergoedingen en verstrekkingen die door de
                    belastingdienst gezien worden als gerichte vrijstelling of voor nihil waardering
                    in aanmerking komen moeten in eerste instantie wel aangewezen worden. In een
                    later stadium wordt dan (in de financiële administratie) aangegeven dat dit
                    gerichte vrijstellingen of nihil waarderingen betreft.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen 9 en 10 Reiskosten woon-werk en zakelijke
                    reiskosten</tussenkop>
        <al>Voor wethouders is in artikel 9 een vergoeding van de kosten voor het gebruik
                    van openbaar vervoer voor woon-werkverkeer opgenomen. </al>
        <al>Op grond van artikel 10 worden zakelijke reiskosten, vergoed overeenkomstig de
                    bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling
                    rechtspositie wethouders.</al>
        <al>Bij gebruik van een eigen personenauto voor dienstreizen ontvangen wethouders
                    een bedrag van € 0,28 per kilometer (zie artikel 4, onderdeel b, en artikel 5a,
                    onder 1, van de Regeling rechtspositie wethouders). De hoogte van deze
                    vergoeding is geënt op de kilometervergoeding die geldt voor het rijkspersoneel
                    op grond van het Reisbesluit en Reisregeling binnenland. Op grond van artikel 5,
                    tweede lid, van de regeling wordt onder openbaar vervoer voor dienstreizen wel
                    verstaan een veerpont of een veerboot. Tol- en parkeerkosten worden niet genoemd
                    in de regeling en mogen daarom op grond van artikel 44 lid 3 Gemeentewet niet
                    vergoed worden. Ook taxikosten mogen niet worden vergoed.</al>
        <al>Verblijfkosten zijn zakelijk gebruikte maaltijden en kosten voor overnachting en
                    geen parkeerkosten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 11 Dienstauto</tussenkop>
        <al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto beschikbaar
                    stellen aan wethouders, alleen voor zakelijk gebruik. </al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 15 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</tussenkop>
        <al>Ook personen van buiten de gemeenteraad kunnen tot wethouder worden benoemd. Dat
                    kunnen ook personen zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond
                    van de Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder
                    zijn geworden. In artikel 15 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente
                    in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor
                    vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing volgens de
                    bepalingen in artikel 1 en 2 van de Regeling Rechtspositie Wethouders. De
                    vergoedingen zijn onbelast.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen 18 t/m 20 De procedure van declaratie</tussenkop>
        <al>In de verordening zijn de drie wijzen van betaling aangegeven en welke
                    procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden. Hierbij gaat de voorkeur
                    uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente, en daarna declaratie van
                    vooruitbetaalde kosten of gebruik van de gemeentelijk creditcard.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 21 Overgangsbepaling</tussenkop>
        <al>In artikel 21 is de overgangsbepaling opgenomen voor de gemeenten die in 2014
                    nog niet de werkkostenregeling hebben ingevoerd. De gemeente Barendrecht heeft
                    de werkkostenregeling per 1 januari 2014 ingevoerd en dit artikel is derhalve
                    “niet van toepassing”.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>