<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR365345_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2015 nr. 6617</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011, artikel 1.2 lid 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-10-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2015-012746</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, water, natuur en landschap, bodem, huisvesting, economische zaken, recreatie, milieu</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Paragraaf 3.1.4 Faunavoorzieningen is in werking getreden op 15 maart 2014. De formule neergelegd in artikel 5.10.20.2 Criteria onderdeel b is zodanig dat de formule niet opgenomen kon worden in deze regelgevingsbank. De vindplaats van de formule (te weten blz. 75 van het Provinciaal Blad nr. 2013/208) is daarom wél opgenomen in deze bank.</al><al>Op besluiten in verband met aanvragen om subsidie op grond van de Regels subsidieverordeningvitaal Gelderland 2011 die zijn ingediend voor 7 juli 2015 blijven de Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 van toepassing zoals die golden ten tijde van de indiening van de aanvraag. Dit is niet van toepassing voor zover het gaat om aanvragen om subsidie op grondvan artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a, artikel 4.2.3.1, aanhef en onder a en artikel 5.10.8.1 van de Regels Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelet op artikel 1.2, tweede lid, in samenhang met artikel 5.9.1, tweede
                        lid, van de Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011;</al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels subsidieverordening
                        vitaal Gelderland 2011</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1.1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze regels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 1998;</al></li><li nr="b."><al> business case: een document waarin, in samenhang met de
                                    planning, de haalbaarheid, een exploitatiemodel en de risico's,
                                    het doel en de realisatie van een project wordt beschreven;</al></li><li nr="c."><al> eigenaar: natuurlijk persoon of rechtspersoon die de eigendom
                                    heeft over een zaak als bedoeld in artikel 5:1 Burgerlijk
                                    Wetboek;</al></li><li nr="d."><al> experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren,
                                    vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke,
                                    technologische, zakelijke en andere relevante kennis en
                                    vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of
                                    verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook
                                    activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele
                                    formulering, de planning en documentering van alternatieve
                                    producten, procedés of diensten, zoals verder beschreven in
                                    randnummer 86. van artikel 2 van Verordening (EU) Nr. 651/2014
                                    van de Europese Commissie van 17 juni 2014;</al></li><li nr="e."><al> fundamenteel onderzoek: experimentele of theoretische
                                    werkzaamheden die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis
                                    te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en
                                    waarneembare feiten, zonder dat hiermee een directe commerciële
                                    toepassing of een direct commercieel gebruik wordt beoogd;</al></li><li nr="f."><al> grote onderneming: een onderneming die gelet op de grootte niet
                                    behoort tot de categorie kleine, middelgrote en
                                    micro-ondernemingen in de zin van Bijlage 1 van Verordening (EU)
                                    nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014
                                    betreffende de definitie van kleine, middelgrote en
                                    micro-ondernemingen;</al></li><li nr="g."><al> haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het
                                    potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te
                                    ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke
                                    punten van een project, de kansen en risico's in kaart te
                                    brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn
                                    om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de
                                    slaagkansen zijn;</al></li><li nr="h."><al> industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is
                                    gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het
                                    oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of
                                    diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten
                                    aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen
                                    voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van
                                    prototypes in een laboratoriumomgeving en/of in een omgeving met
                                    gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede
                                    pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek
                                    en met name voor de validering van generieke technologie; </al></li><li nr="i."><al> innovatie: het proces waarbij kennis en technologie, worden
                                    samengebracht met het benutten van marktkansen voor nieuwe of
                                    betere producten, diensten en zakelijke processen ten opzichte
                                    van wat al op de markt beschikbaar is;</al></li><li nr="j."><al> innovatiecluster: structuur of georganiseerde groepering van
                                    onafhankelijke partijen (zoals innovatieve starters, kleine,
                                    middelgrote en grote ondernemingen, maar ook organisaties voor
                                    onderzoek en kennisverspreiding, niet-commerciële organisaties
                                    en andere verwante economische spelers) die tot doel hebben
                                    innovatieve activiteiten te stimuleren door het delen van
                                    faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid te
                                    bevorderen, en door daadwerkelijk bij te dragen aan
                                    technologieoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en
                                    samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties
                                    binnen het cluster;</al></li><li nr="k."><al> innovatieve onderneming: een onderneming </al><lijst><li nr="a)"><al> die aan de hand van een door een externe deskundige
                                            uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de
                                            voorzienbare toekomst producten, diensten of procédés
                                            zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn
                                            of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van
                                            de huidige stand van de techniek in deze sector, en die
                                            een risico op technologische of industriële mislukking
                                            inhouden, of</al></li><li nr="b)"><al> waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten
                                            minste 10% bedragen van haar totale exploitatiekosten in
                                            ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de
                                            toekenning van de steun of, in het geval van een
                                            startende onderneming zonder enige financiële
                                            voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende
                                            belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke
                                            accountant;</al></li></lijst></li><li nr="l."><al> onderneming: elke eenheid die een economische activiteit
                                    uitoefent, ongeacht de rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt
                                    gefinancierd;</al></li><li nr="m."><al> onderzoeksinfrastructuur: faciliteiten, middelen en verwante
                                    diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden
                                    gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te
                                    verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of
                                    sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde
                                    hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde
                                    wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling
                                    infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en
                                    communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter
                                    die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit
                                    soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden
                                    (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een
                                    georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2,
                                    onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25
                                    juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een
                                    Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur
                                    (ERIC);</al></li><li nr="n."><al> op arm’s lenght: de voorwaarde van de transactie tussen de
                                    contractpartijen wijken niet af van die welke zouden zijn
                                    overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen
                                    geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere
                                    transactie die voortvloeit uit een open, transparante en
                                    niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het
                                    arm’s lenght-beginsel;</al></li><li nr="o."><al> startende onderneming: een kleine onderneming tot vijf jaar na
                                    haar registratie, die nog geen winst heeft uitgekeerd en niet
                                    uit een fusie is ontstaan. Voor een onderneming die zich niet
                                    hoeft te laten registreren, kan de periode van vijf jaar geacht
                                    worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming ofwel
                                    haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig
                                    wordt voor haar economische activiteiten;</al></li><li nr="p."><al> SvG: Subsidieverordening vitaalGelderland 2011;</al></li><li nr="q."><al> onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in
                                    artikel 2, aanhef en onder 18, van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="r."><al> Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr.
                                    651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014;</al></li><li nr="s."><al> Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr.
                                    702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1.1 Communautaire toetsingskader</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de
                                zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de
                                werking van de Europese Unie moet worden aangemerkt, wordt de
                                subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met
                                Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013
                                betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het
                                Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de
                                de-minimissteun (PbEU L 352).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien tegen een subsidieontvanger een bevel tot terugvordering
                                uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie
                                waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de
                                gemeenschappelijke markt is verklaard, is betaling daarvan
                                uitgesloten (Deggendorfclausule).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie wordt niet verstrekt met toepassing van de Algemene
                                groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw
                                groepsvrijstellingsverordening aan ondernemingen in
                                moeilijkheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1.2 Aanvragen bij tenders</titel></kop><al>Indien Gedeputeerde Staten hebben bepaald dat bij de verdeling van het
                            beschikbare bedrag die activiteiten voorrang krijgen die het meest
                            overeenstemmen met het doel waarvoor dat bedrag ter beschikking is
                            gesteld, wordt de aanvraag om subsidie geweigerd indien de aanvraag niet
                            voldoet aan de daaraan gestelde eisen en voorwaarden in de SvG of in
                            deze regels.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Natuur en Leefomgeving</titel></kop><afdeling><kop><titel>Titel 3.1 Natuur en Landschap </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.1 Landschap en Landgoederen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> bos- of landgoed: een voor het publiek opengestelde
                                            onroerende zaak, geheel of gedeeltelijk bezet met
                                            bossen, natuurterreinen of landschapselementen;</al></li><li nr="b."><al> bos- of landgoedeigenaar: de natuurlijke persoon of
                                            rechtspersoon die rechthebbende is op een bos- of
                                            landgoed en de instandhouding daarvan nastreeft;</al></li><li nr="c."><al> cultuurhistorische landschapselementen: elementen die
                                            kenmerkend zijn voor de lokale ontstaansgeschiedenis van
                                            het landschap;</al></li><li nr="d."><al> EHS: ecologische hoofdstructuur, zijnde een
                                            samenhangend netwerk van grote en kleine natuurgebieden
                                            en natuurrijke cultuurlandschappen, zoals begrensd door
                                            Provinciale Staten bij besluit van 1 juli 2009
                                            (PS2009-260) of een daarvoor in de plaats tredende
                                            begrenzing;</al></li><li nr="e."><al> erfbeplanting: beplanting binnen het agrarisch
                                            bouwblok;</al></li><li nr="f."><al> EVZ: ecologische verbindingszone, aangeduid in het
                                            Natuurbeheerplan Gelderland;</al></li><li nr="g."><al> hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen
                                            bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-,
                                            knip- of scheerheggen;</al></li><li nr="h."><al> klein historisch water: wielen en kolken; </al></li><li nr="i."><al> landschapselementen: groene opgaande elementen
                                            bestaande uit inheemse loofhoutsoorten;</al></li><li nr="j."><al> Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals
                                            aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland
                                            2005;</al></li><li nr="k."><al> poel: waterelement gelegen in een EVZ met als doeltype
                                            "kamsalamander" of waterelement dat bijdraagt aan
                                            instandhouding van de boomkikker, heikikker en
                                            kamsalamander;</al></li><li nr="l."><al> Programma Buiten Gewoon Groen: programma waarin
                                            uitvoering wordt gegeven aan de Beleidsuitwerking natuur
                                            en landschap zoals vastgesteld door Provinciale Staten
                                            op 27 juni 2012 (PS2012-401);</al></li><li nr="m."><al> rijks beschermde buitenplaatsen: buitenplaatsen
                                            aangewezen als rijksonument.</al></li><li nr="n."><al> rode lijst soorten: soorten die zijn vastgesteld bij
                                            besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en
                                            Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, nr. 25344,
                                            houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten
                                            flora en fauna. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.2 Subsidiabele activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden
                                        verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de aanleg van nieuwe en het herstel van bestaande
                                                landschapselementen en cultuurhistorische
                                                landschapselementen;</al></li><li nr="b."><al> de aanleg van poelen;</al></li><li nr="c."><al> het wegwerken van achterstallig onderhoud aan de
                                                volgende elementen: </al><lijst><li nr="i."><al> poelen;</al></li><li nr="ii."><al> hagen en heggen en klein historisch water
                                                  voor zover deze als identiteitsbepalend element
                                                  zijn aangemerkt in het gemeentelijke
                                                  landschapsbeleid;</al></li><li nr="iii."><al> lanen ouder dan 60 jaar gelegen op
                                                  landgoederen;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> de aanleg van eenvoudige openbaar toegankelijke
                                                onverharde paden;</al></li><li nr="e."><al> de aanleg van kleinschalige recreatieve
                                                voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al> de aanleg van eenvoudige houten loopbruggetjes in
                                                openbaar toegankelijke routes wanneer de
                                                oorspronkelijke brug verdwenen is;</al></li><li nr="g."><al> burgerparticipatie en het vergroten van de
                                                maatschappelijke betrokkenheid bij het
                                                landschap;</al></li><li nr="h."><al> educatieve natuur- en landschapsvoorlichting
                                                gericht op jongeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die
                                        plaatsvinden op terreinen in eigendom van een
                                        publiekrechtelijke rechtspersoon met uitzondering van de
                                        terreinen in eigendom van Staatsbosbeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.3 Criteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten, als bedoeld in artikel 3.1.1.2,
                                                passen binnen een (inter)gemeentelijk
                                                landschapsbeleid-, landschapsontwikkel- of
                                                landschapuitvoeringsplan of een daarmee
                                                vergelijkbaar plan dat door de gemeenteraad is
                                                vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al> de nieuw aan te leggen landschapselementen, niet
                                                zijnde heggen en hagen, aan de volgende
                                                omvangscriteria voldoen: </al><lijst><li nr="i."><al> de aan te leggen houtopstanden omvatten
                                                  tenminste 10 are;</al></li><li nr="ii."><al> de aan te leggen rijbeplanting, gerekend over
                                                  het totaal aantal rijen, omvatten tenminste 20
                                                  bomen;</al></li><li nr="iii."><al> de aan te leggen hoogstamfruitgaarden
                                                  omvatten tenminste 15 en maximaal 50 bomen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> poelen een minimale omvang hebben van 3 are en de
                                                poelen gelegen zijn op een locatie met
                                                grondwatertrap 3 of ondieper;</al></li><li nr="d."><al> heggen en hagen gelegen zijn buiten de EHS;</al></li><li nr="e."><al> de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                                3.1.1.2, aanhef en onder a tot en met f, voldoen aan
                                                de normen uit het Normenboek Alterra.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor
                                        activiteiten die worden uitgevoerd op een bos- of landgoed
                                        slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> het bos- of landgoed tenminste 50 jaren
                                                bestaat;</al></li><li nr="b."><al> de activiteiten passen binnen een vastgesteld
                                                toekomstplan voor het bos- of landgoed en
                                                aantoonbaar en duurzaam bijdragen aan het behoud en
                                                de versterking van de in dat plan opgenomen
                                                landschappelijke kernkwaliteiten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.4 Subsidiabele kosten</titel></kop><al>Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor:</al><lijst><li nr="a."><al> natuurontwikkeling binnen de EHS;</al></li><li nr="b."><al> projectleiding, coördinatie, rapportage,
                                            verantwoording;</al></li><li nr="c."><al> planvorming;</al></li><li nr="d."><al> aankoop of verkoop van onroerende goederen en
                                            waardedaling van grond;</al></li><li nr="e."><al> ambtelijke inzet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.5 Aanvrager</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef
                                        en onder a tot en met g wordt verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> bos- of landgoedeigenaren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef
                                        en onder h wordt verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> bos- of landgoedeigenaren;</al></li><li nr="c."><al> stichtingen met als statutaire doelstelling
                                                educatieve natuur- en landschapsvoorlichting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.6 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie aan gemeenten bedraagt ten hoogste 75% van de
                                        subsidiabele kosten voor activiteiten binnen de begrenzing
                                        van de Nationale Landschappen. Voor activiteiten buiten de
                                        begrenzing van de Nationale Landschappen bedraagt de
                                        subsidie aan gemeenten ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de subsidie aan gemeenten geldt een minimum van €
                                        25.000,- per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000,-
                                        per gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie aan bos- en landgoedeigenaren bedraagt ten
                                        hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met een minimum van
                                        € 7.500,- per subsidieaanvraag en een maximum van €
                                        200.000,- per bos- en landgoedeigenaar;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1.2, eerste lid,
                                        aanhef en onder h bedraagt ten hoogste 25% van de
                                        subsidiabele kosten, met een minimum van € 7.500,- per
                                        subsidieaanvraag en een maximum van € 25.000,- per
                                        stichting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.7 Weigeringsgrond</titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien het activiteiten betreft:</al><lijst><li nr="a."><al> binnen de begrenzing van een rijks beschermde
                                            buitenplaats met uitzondering van activiteiten gericht
                                            op het instandhouden van rode lijstsoorten;</al></li><li nr="b."><al> op agrarische bouwpercelen (erfbeplanting).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1.8 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is verplicht een voortgangsrapportage,
                                        als bedoeld in artikel 4.4 van de AsG, te voorzien van een
                                        topografische kaart waarop de activiteiten op een
                                        topografische ondergrond zijn vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor subsidie
                                        ontvangen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.1.2,
                                        eerste lid, aanhef en onder g en h.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.2 Vervallen per 1 januari 2015 </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.3 Natuurbeheer met schaapskuddes en
                                    schaapskooien </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> ambitiekaart: kaart als bedoeld in artikel 7 van de
                                            Subsidieverordening Kwaliteitsimpuls natuur en landschap
                                            Gelderland;</al></li><li nr="b."><al> gehoede schaapskudde: een schaapskudde, bestaande uit
                                            minimaal 100 ooien van een zeldzaam schapenras, die
                                            wordt gehoed door een herder met gebruik van één of meer
                                            honden;</al></li><li nr="c."><al> beheersequivalent: een rekeneenheid bedoeld om de
                                            effectiviteit van het beheer te kunnen bepalen en
                                            gedefinieerd als het quotiënt van de per jaar gevraagde
                                            subsidies en het aantal hectares dat in die periode
                                            wordt begraasd;</al></li><li nr="d."><al> schaapskooi: een potstal die dient als onderkomen voor
                                            een gehoede schaapskudde die een nabijgelegen
                                            heidegebied begraast;</al></li><li nr="e."><al> natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 2.1
                                            van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer
                                            Gelderland 2009;</al></li><li nr="f."><al> gebied: natuurgebied waarop een natuurbeheerplan van
                                            toepassing is;</al></li><li nr="g."><al> zeldzaam schapenras: Drents heideschaap, Kempisch
                                            heideschaap, Schoonebeker heideschaap, Veluws
                                            heideschaap en Groot heideschaap.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.2 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het inzetten van een gehoede schaapskudde voor het
                                            begrazen van één of meerdere gebieden;</al></li><li nr="b."><al> het gebruik van een schaapskooi door een gehoede
                                            schaapskudde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.3 Criteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a,
                                        wordt slechts verstrekt indien het inzetten van de gehoede
                                        schaapskudde bijdraagt aan het verwezenlijken van de
                                        doelstellingen uit het Natuurbeheerplan;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld onder artikel 3.1.3.2, aanhef en onder
                                        b, wordt slechts verstrekt indien de schaapskooi is
                                        opengesteld voor publiek en door de subsidieontvanger in of
                                        rond de schaapskooi publieksactiviteiten worden
                                        georganiseerd die bijdragen aan natuurbeleving en
                                        natuureducatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.4 Rangschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de verdeling van het beschikbare budget voor subsidies
                                        als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a, krijgen
                                        die activiteiten voorrang die de laagste beheersequivalent
                                        hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten plaatsen de aanvragen in een
                                        prioriteitsvolgorde.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De prioriteitsvolgorde wordt bepaald door de mate waarin de
                                        aanvragen aan het selectiecriterium voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van
                                        de vastgestelde prioriteit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.5 Aanvrager</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a,
                                        wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon
                                        die middels eigendom of erfpacht zeggenschap uitoefent over
                                        het gebied.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder b,
                                        wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon
                                        die middels eigendom of erfpacht zeggenschap uitoefent over
                                        de schaapskooi.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.6 Aanvraag</titel></kop><al>Aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.3.2,
                                    aanhef en onder a, in worden ingediend voor 1 mei 2014.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.7 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a,
                                        bedraagt voor een gehoede schaapskudde van ten minste 100 en
                                        maximaal 249 ooien, maximaal € 16.000,- per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a,
                                        bedraagt voor een gehoede schaapskudde van ten minste 250
                                        ooien maximaal € 28.000,- per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder b,
                                        bedraagt € 5.000,- per jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie kan worden aangevraagd voor een periode van
                                        minimaal één kalenderjaar tot een maximum van zes
                                        aaneengesloten kalenderjaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.8. Weigeringsgronden</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2, aanhef en onder a wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> aan de aanvrager voor het gebied geen subsidie is
                                            verstrekt op grond van de Subsidieverordening Natuur- en
                                            Landschapsbeheer Gelderland 2009 of de Subsidieregeling
                                            Natuurbeheer 2000;</al></li><li nr="b."><al> het gebied niet op de ambitiekaart in het
                                            natuurbeheerplan is begrensd als Gelders Natuurnetwerk
                                            met voor ten minste 70% natuurtype N06 Voedselarme venen
                                            en vochtige heiden, N07 Droge heiden of N11 Droge
                                            schraalgraslanden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3.9 Communautair toetsingskader</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.3.2 aanhef en onder a wordt
                                    slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met
                                    beschikking N 376/2010 van de Europese Commissie van 20 april
                                    2011.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.4 Faunavoorzieningen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> bedreigde diersoorten: soorten als genoemd in de
                                            bijlagen bij het Besluit Rode lijsten flora en fauna van
                                            de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van
                                            4 november 2004, nummer TRCJZ/2004/5727;</al></li><li nr="b."><al> EHS: Ecologische hoofdstructuur, zoals vastgesteld door
                                            Provinciale Staten van Gelderland de in Structuurvisie
                                            Aanpassing EHS 2012, op 29 mei 2013;</al></li><li nr="c."><al> EHS verbindingen: verbindingen tussen de Ecologische
                                            hoofdstructuur, zoals vastgesteld door Provinciale
                                            Staten van Gelderland de in Structuurvisie Aanpassing
                                            EHS 2012, op 29 mei 2013;</al></li><li nr="d."><al> faunavoorziening: een voorziening inclusief toeleidende
                                            rasters die het dieren mogelijk maakt openbare
                                            infrastructuur veiliger over te steken;</al></li><li nr="e."><al> knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is
                                            gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of
                                            verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende
                                            dieren onmogelijk is om de overkant van infrastructuur
                                            te bereiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.2 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor de aanleg van een faunavoorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.3 Criteria</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2 wordt slechts
                                    verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> voorzover de subsidiabele activiteit op een locatie
                                            wordt gerealiseerd die gelegen is binnen de
                                            aandachtsgebieden die zijn opgenomen in het vigerende
                                            programma Ontsnippering Natuur; indien openbare
                                            infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna;</al></li><li nr="b."><al> op locaties binnen de EHS: indien openbare
                                            infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna;</al></li><li nr="c."><al> op locaties buiten de EHS: indien openbare
                                            infrastructuur een knelpunt vormt voor bedreigde
                                            diersoorten en dassen;</al></li><li nr="d."><al> op locaties binnen de EHS verbindingen: indien openbare
                                            infrastructuur een knelpunt vormt voor bedreigde
                                            diersoorten en dassen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.4 Subsidiabele kosten</titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de aanleg van de faunavoorziening;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor procesondersteuning en begeleiding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.5 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> het Rijk: voor locaties genoemd in artikel 3.1.4.3
                                            aanhef en onder d waarbij het Rijk eigenaar of beheerder
                                            is van openbare infrastructuur; en</al></li><li nr="b."><al> aan andere eigenaren en beheerders van openbare
                                            infrastructuur: voor locaties als genoemd in artikel
                                            3.1.4.3 aanhef en onder a, b en c.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.6 Aanvraag</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de
                                    aanvraag in elk geval een GIS kaart met daarop de
                                    faunavoorziening en het onderzoek waaruit blijkt dat er sprake
                                    is van een knelpunt gevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.7 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lijst><li nr="a."><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de
                                            subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000,- en
                                            een maximum van € 150.000,-.</al></li><li nr="b."><al> De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.4.4 aanhef en
                                            onder b bedraagt ten hoogste 10% van de subsidie met een
                                            maximum van € 15.000,-.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.8 Weigeringsgrond</titel></kop><al>Subsidie wordt niet verstrekt indien de faunavoorziening wordt
                                    aangelegd op grond van een verplichting tot mitigatie of
                                    compensatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4.9 Verplichtingen</titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de
                                    subsidiabele activiteit een GISkaart te overhandigen waarop de
                                    aangelegde faunavoorziening staat aangegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.5 Grondverwerving ten behoeve van de
                                    ecologische hoofdstructuur </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende
                                            Natuurbeheerplan Gelderland;</al></li><li nr="b."><al> EHS: ecologische hoofdstructuur zoals begrensd door
                                            Provinciale Staten bij besluit van 1 juli 2009 of een
                                            daarvoor in de plaats tredende begrenzing;</al></li><li nr="c."><al> terrein: gronden waaronder begrepen natuurterreinen,
                                            wateren, landgoederen, bossen en andere houtopstanden,
                                            alsmede de op die gronden gelegen objecten die van
                                            belang of potentieel belang zijn om hun
                                            natuurwetenschappelijke, landschappelijke of
                                            cultuurhistorische betekenis of vanwege bosbouwkundige
                                            waarden;</al></li><li nr="d."><al> natuurbeheer: beheer van grond met als doel de
                                            veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende
                                            soorten;</al></li><li nr="e."><al> Natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 2.1
                                            van de Subsidieverordening Natuur- en Land-schapsbeheer
                                            Gelderland 2009;</al></li><li nr="f."><al> natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, van de
                                            Subsidieverordening Natuur- en
                                            LandschapsbeheerGelderland 2009 opgenomen soort natuur
                                            zoals nader beschreven in de Index Natuur en
                                            Landschap;</al></li><li nr="g."><al> natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond waarop
                                            natuurbeheer wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="h."><al> onafhankelijke taxateur: persoon die voldoet aan de
                                            eisen gesteld in de Mededeling van de Commissie
                                            betreffende staatssteunelementen bij verkoop van gronden
                                            en gebouwen door openbare instanties(97/C/209/03);</al></li><li nr="i."><al> reële marktwaarde: de waarde van grond in het vrije
                                            economische verkeer vastgesteld door een onafhankelijk
                                            taxateur;</al></li><li nr="j."><al> verwerving: verkrijging van het recht van eigendom of
                                            het recht van erfpacht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.2 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de verwerving van terreinen die zijn opgenomen op de
                                            ambitiekaart en zijn aangeduid als N00.01 en waarvoor
                                            onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven
                                            welke beheertypen op dezegronden van toepassing zijn;
                                            en</al></li><li nr="b."><al> de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van
                                            terreinen die zijn opgenomen op de ambitiekaart en zijn
                                            aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve
                                            verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen
                                            op deze gronden van toepassing zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.3 Criteria</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b,
                                    wordt slechts verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de beëindiging van pachtovereenkomsten die reeds waren
                                            gevestigd op het moment waarop het terrein door de
                                            aanvrager is verworven; en</al></li><li nr="b."><al> waarvoor in het licht van het Natuurbeheerplan
                                            beëindiging van de op het terrein gevestigde
                                            pachtovereenkomst gewenst is vanuit het oogpunt van
                                            natuur- of landschapsbescherming, bescherming van
                                            cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of
                                            natuurontwikkeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.4 Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en
                                        onder a, komen in aanmerking de kosten voor: </al><lijst><li nr="a."><al> verwerving van een terrein tegen de reële
                                                marktwaarde;</al></li><li nr="b."><al> een taxatie door een onafhankelijke taxateur;</al></li><li nr="c."><al> het kadastraal recht en het registratierecht;</al></li><li nr="d."><al> veiling;</al></li><li nr="e."><al> notaris;</al></li><li nr="f."><al> inschrijving in de openbare registers;</al></li><li nr="g."><al> overdrachtsbelasting;</al></li><li nr="h."><al> schenkingsrecht;</al></li><li nr="i."><al> het afkopen van landinrichtingsrente voor het
                                                verworven terrein;</al></li><li nr="j."><al> vooronderzoek of historisch bodemonderzoek volgens
                                                NEN 5725; en</al></li><li nr="k."><al> milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en
                                        onder b, komen in aanmerking de kosten voor: </al><lijst><li nr="a."><al> het vrijmaken van pacht van genoemd terrein,
                                                blijkend uit een taxatie door een
                                                onafhankelijketaxateur;</al></li><li nr="b."><al> een taxatie door een onafhankelijke taxateur.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.5 Aanvrager</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder a,
                                        wordt verstrekt aan eenieder die duurzaam natuurbeheer
                                        verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam
                                        natuurbeheer kan en zal verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b,
                                        wordt verstrekt aan een eigenaar van een terrein die
                                        duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk
                                        maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal
                                        verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.6 Aanvraag</titel></kop><al>Een subsidieaanvraag voor de subsidiabele activiteit als bedoel
                                    in artikel:</al><lijst><li nr="a."><al> 3.1.5.2, aanhef en onder a, wordt uiterlijk op de dag
                                            voor het passeren van de notariële akte van
                                            leveringingediend;</al></li><li nr="b."><al> 3.1.5.2, aanhef en onder b, wordt uiterlijk op de dag
                                            voor de beëindiging van de
                                            pachtovereenkomstingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.7 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder
                                        a, bedraagt ten hoogste: </al><lijst><li nr="a."><al> 80% van de subsidiabele kosten als bedoeld in
                                                artikel 3.1.5.4, eerste lid, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in
                                                artikel 3.1.5.4, eerste lid, aanhef en onder b tot
                                                en met j;</al></li><li nr="c."><al> € 4.500,- voor de kosten als bedoeld in artikel
                                                3.1.5.4, eerste lid, aanhef en onder k.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder
                                        b, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als
                                        bedoeld in artikel 3.1.5.4, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van grond
                                        subsidie is verstrekt door GedeputeerdeStaten op grond van
                                        een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander
                                        overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt
                                        als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of
                                        maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze
                                        regeling te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.8 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al> zorg te dragen voor de verwerving dan wel pachtvrij
                                                maken van het terrein waarvoor hij subsidie ontvangt
                                                binnen twaalf weken na de subsidieverlening;</al></li><li nr="b."><al> het verworven dan wel pachtvrij gemaakte terrein
                                                direct na verwerving dan wel pachtvrij maken als
                                                natuur te beheren;</al></li><li nr="c."><al> het verworven dan wel pachtvrij gemaakte terrein
                                                binnen twee jaar na verwerving dan wel pachtvrij
                                                maken overeenkomstig de indicatieve verhouding
                                                beheertypen dat ingevolge het natuurbeheerplan op
                                                dit terrein in stand moet worden gehouden te
                                                beheren;</al></li><li nr="d."><al> zorg te dragen dat het terrein tenminste 358 dagen
                                                per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft
                                                voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde
                                                Staten ontheffing wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al> eventuele opbrengsten van het terrein uitsluitend
                                                aan duurzaam natuurbeheer te besteden; en</al></li><li nr="f."><al> bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot
                                                aanpassing van de bestemming inhoudende dat het
                                                terrein enkel als natuur mag worden gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen
                                        genoemd in het eerste lid, aanhef enonder a, b en c worden
                                        verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ontheffing als bedoeld in het eeste lid, aanhef en onder d,
                                        wordt verleend indien: </al><lijst><li nr="a."><al> gehele of gedeeltelijke sluiting van het
                                                natuurterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de
                                                bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde
                                                regels voor soortenbescherming of de krachtens de
                                                artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de
                                                Natuurbeschermingswet 1998 voor beschermde
                                                natuurmonumenten of Natura-2000-gebieden
                                                vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en
                                                toegangsbeperkingen;</al></li><li nr="b."><al> het natuurterrein door buiten de macht van de
                                                subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheelof
                                                gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet
                                                begaanbaar is;</al></li><li nr="c."><al> sluiting van ten hoogste één hectare van het
                                                natuurterrein wenselijk is vanwege de beschermingvan
                                                de persoonlijke levenssfeer; of</al></li><li nr="d."><al> andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting
                                                rechtvaardigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om het terrein
                                        te vervreemden, te verpachten of daaropzakelijke rechten te
                                        vestigen, behoudens toestemming van Gedeputeerde
                                        Staten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of
                                        vestigen van zakelijke rechten verplicht ingevolge deze
                                        regeling verstrekte subsidie binnen een termijn van zes
                                        maanden terug te betalen aan de provincie Gelderland, tenzij
                                        hiervan in de toestemming als bedoeld in het vierde lid
                                        ontheffingis verleend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de
                                        subsidieontvanger met de provincie Gelderland een
                                        overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht, waarin is opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al> de verplichting, inhoudende dat de
                                                subsidieontvanger het terrein niet gebruikt of doet
                                                gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert
                                                overeenkomstig het natuurbeheertype zoals
                                                voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene
                                                nalaat wat de veiligstelling van de ecosystemen met
                                                de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of
                                                verstoort; en</al></li><li nr="b."><al> dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal
                                                overgaan op al degenen die het terrein onder
                                                bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en
                                                dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de
                                                rechthebbende een recht op gebruik van het terrein
                                                zullen krijgen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De overeenkomst als bedoeld in het zesde lid wordt
                                        uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op
                                        last van de subsidieontvanger als kwalitatieve verplichting
                                        ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare
                                        registers.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien de subsidieontvanger ook andere economische
                                        activiteiten verricht dan de verwerving van terreinen ten
                                        behoeve van natuurbeheer als bedoeld in deze regeling, is
                                        hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren
                                        overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake
                                        staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare
                                        dienst (2012/C 8/03).</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Een subsidieontvanger bewaart de administratie en alle
                                        documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende
                                        een periode van ten minste twintig jaar nadat de subsidie is
                                        verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5.9 Verplichtingen bij aanvraag
                                        subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als
                                        bedoeld in artikel 3.1.5.2 wordt een afschrift van
                                        deovereenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.5.9, zevende
                                        lid in de openbare registers ingeschreven kwalitatieve
                                        verplichting overlegd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als
                                        bedoeld in artikel 3.1.5.2 aanhef en onder a, wordende
                                        volgende gegevens verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al> een afschrift van de notariële akte van levering
                                                van het terrein of een afschrift van de notariële
                                                akte vanvestiging van het erfpachtrecht op het
                                                terrein; en</al></li><li nr="b."><al> in voorkomend geval een afschrift van een
                                                schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van het
                                                recht van opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden
                                                of een de pachtovereenkomst of een afschrift van de
                                                uitspraakvan de pachtkamer tot ontbinding als
                                                bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als
                                        bedoeld in artikel 3.1.5.2, aanhef en onder b, wordtin elk
                                        geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot
                                        beëindiging van de pachtovereenkomstof een afschrift van de
                                        uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de
                                        pachtovereenkomst als bedoeldin artikel 7:377 Burgerlijk
                                        Wetboek verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Artikel 5.3, derde lid, van de AsG is niet van toepassing
                                        op een aanvraag als bedoeld in dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, van de AsG dient
                                        aanvrager binnen 13 weken na inschrijving vande kwalitatieve
                                        verplichting in de openbare registers een aanvraag in tot
                                        vaststelling van de subsidieals bedoeld in artikel
                                        3.1.5.2.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.6 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten
                                    behoeve van het Gelders Natuurnetwerk </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> begrensde grond: binnen de provincie gelegen grond die
                                            in het vigerende Natuurbeheerplan is begrensd met als
                                            hoofdfunctie om te vormen naar natuur;</al></li><li nr="b."><al> gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of
                                            rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht
                                            zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf;</al></li><li nr="c."><al> GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door
                                            Provinciale Staten bij vaststelling van de
                                            omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit
                                            van 24 september 2014 dan wel de op basis van artikel
                                            2.7.3.1 van de Omgevingsverordening provincie Gelderland
                                            door Gedeputeerde Staten gewijzigde begrenzing van het
                                            Gelders natuurnetwerk;</al></li><li nr="d."><al> grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten
                                            vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop
                                            ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten
                                            behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een
                                            bepaald gebied;</al></li><li nr="e."><al> landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en
                                            voorzieningen omvat die voor de primaire
                                            landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in de
                                            Landbouw groepsvrijstellingsverordening, niet zijnde een
                                            glastuinbouwbedrijf;</al></li><li nr="f."><al> landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende
                                            voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de
                                            uitoefening van een landbouwbedrijf;</al></li><li nr="g."><al> modernisering: vervanging van een bestaand
                                            landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op
                                            de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of
                                            nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken
                                            productie, of technologie fundamenteel wordt
                                            gewijzigd;</al></li><li nr="h."><al> Natura 2000 doelstellingen: instandhoudings- en
                                            ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000
                                            gebied;</al></li><li nr="i."><al> natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 2.1
                                            van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer
                                            Gelderland 2009;</al></li><li nr="j."><al> verhoging van de productiecapaciteit: indien het
                                            landbouwbedrijfsgebouw na verplaatsing in staat is om
                                            meer producten voort te brengen;</al></li><li nr="k."><al> voorzieningen: installaties, machines en uitrusting in
                                            of aan een landbouwbedrijfsgebouw ten behoeve van de
                                            uitoefening van het landbouwbedrijf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.2 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de Subsidieverordening
                                    vitaal Gelderland 2011 kan worden verstrekt voor de verplaatsing
                                    van een landbouwbedrijfsgebouw.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.3 Criteria</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.6.2 wordt slechts verstrekt
                                    indien door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al> ten minste 5 hectares begrensde grond gelegen binnen
                                            een Natura 2000 gebied beschikbaar komen die daarna
                                            ingericht kunnen worden ten behoeve van de Natura 2000
                                            doelstellingen van dat gebied; of</al></li><li nr="b."><al> ten minste 15 hectares begrensde grond gelegen in het
                                            GNN beschikbaar komen in een gebied waarvoor door
                                            Gedeputeerde Staten een grondstrategieplan is
                                            vastgesteld, welke gronden daarna ingericht kunnen
                                            worden ten behoeve van de doelstellingen genoemd in het
                                            natuurbeheerplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.4 Subsidiabele kosten</titel></kop><al>Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.6.2 komen in
                                    aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor het demonteren, verhuizen en weer
                                            opbouwen van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor het aanpassen van een
                                            landbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een
                                            landbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter
                                            vervanging van een bestaand</al><al/><al> landbouwbedrijfsgebouw op de bestaande locatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.5 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde
                                    van het te verplaatsen landbouwbedrijfsgebouw.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.6 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele
                                        kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van
                                        voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit,
                                        bedraagt de subsidie naast het bepaalde in het eerste lid
                                        ten hoogste 40% van de met de modernisering of verhoging van
                                        de productiecapaciteit gepaard gaande kosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie bedraagt maximaal € 400.000,-. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.7 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na
                                        subsidieverlening: </al><lijst><li nr="a."><al> zijn landbouwbedrijfsgebouw te verplaatsen;</al></li><li nr="b."><al> op de als gevolg van de verplaatsing vrijkomende
                                                begrensde grond gelegen binnen het Natura 2000
                                                gebied en het GNN een kwalitatieve verplichting te
                                                vestigen of te doen vestigen, inhoudende dat het
                                                perceel niet gebruikt zal worden als
                                                landbouwgrond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn genoemd
                                        in het eerste lid aanhef en onder a worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid aanhef en onder b geldt niet
                                        voor zover de provincie binnen 12 maanden na de
                                        subsidieverlening de gronden aankoopt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6.8 Communautair toetsingskader</titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.7 Behoud van prioritaire soorten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota
                                            Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld
                                            door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015,
                                            inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="b."><al> gebruiksgerechtigde: degene die krachtens overeenkomst
                                            of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van de
                                            grond;</al></li><li nr="c."><al> GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door
                                            Provinciale Staten bij vaststelling van de
                                            omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit
                                            van 24 september 2014 dan wel de op basis van artikel
                                            2.7.3.1 van de Omgevingsverordening provincie Gelderland
                                            door Gedeputeerde Staten gewijzigde begrenzing van het
                                            Gelders natuurnetwerk;</al></li><li nr="d."><al> inrichtingsmaatregelen: maatregelen die er toe strekken
                                            de fysieke conditie of kenmerken van het terrein te
                                            wijzigen;</al></li><li nr="e."><al> leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus
                                            van een of meer prioritaire soorten zich kunnen
                                            afspelen;</al></li><li nr="f."><al> prioritaire soorten: soorten als genoemd in bijlage 3
                                            bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7.2 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> kweek in combinatie met introductie van een prioritaire
                                            soort in een leefgebied;</al></li><li nr="b."><al> introductie van een prioritaire soort in een
                                            leefgebied;</al></li><li nr="c."><al> handmatig bestuiven van een prioritaire plantensoort in
                                            een leefgebied;</al></li><li nr="d."><al> onderzoek gericht op het in kaart brengen van het
                                            voorkomen van een prioritaire soort in een
                                            leefgebied;</al></li><li nr="e."><al> onderzoek gericht op de effectiviteit van een maatregel
                                            ten aanzien van het behoud van een prioritaire
                                            soort;</al></li><li nr="f."><al> onderzoek gericht op het bepalen van maatregelen die
                                            noodzakelijk zijn voor het behoud van een prioritaire
                                            soort in een leefgebied;</al></li><li nr="g."><al> inrichtingsmaatregelen ten behoeve van het behoud of
                                            versterking van het leefgebied van een prioritaire
                                            soort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7.3 Criteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van
                                        activiteiten en locaties die zijn opgenomen in de
                                        Beleidsnota Actieve Soortenbescherming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden
                                        verstrekt voor activiteiten waarvan op basis van onderzoek
                                        of gedocumenteerde veldervaringen aannemelijk is dat zij
                                        bijdragen aan het behoud van prioritaire soorten in
                                        Gelderland en dat deze activiteiten aanvullend dan wel
                                        gelijkwaardig zijn ten opzichte van de activiteiten bedoeld
                                        in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien de activiteit
                                        bijdraagt aan het behoud van een prioritairesoort.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.7.2 aanhef en onder g
                                        wordt slechts verstrekt ten aanzien van maatregelen die
                                        worden uitgevoerd op percelen gelegen buiten het GNN.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7.4 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde
                                    van het leefgebied.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7.5 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.7.2 bedraagt ten hoogste
                                    95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.500,- en
                                    een maximum van € 30.000,- per aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7.6 Weigeringsgrond</titel></kop><al>Subsidie wordt niet verstrekt ten behoeve van maatregelen die
                                    zijn opgelegd op grond van de Flora- en faunawet of de
                                    Natuurbeschermingswet 1998.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.1.8 Rustgebieden voor ganzen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Faunafonds: Faunafonds als bedoeld in artikel 83 van de
                                            Flora- en faunawet;</al></li><li nr="b."><al> gebruiksgerechtigde: pachter of erfpachter van
                                            landbouwgrond;</al></li><li nr="c."><al> rustgebied: rustgebied voor overwinterende beschermde
                                            inheemse ganzen dat door GedeputeerdeStaten als zodanig
                                            is vastgesteld;</al></li><li nr="d."><al> seizoen: periode van 1 november tot 1 april.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.2 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.1.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor het gedurende een seizoen niet verjagen van
                                    ganzen van percelen die zijn gelegen in een rustgebied.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.3 Criteria</titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> door het Faunafonds schade is getaxeerd die is
                                            veroorzaakt door overwinterende beschermde inheemse
                                            ganzen in het betreffende seizoen; en</al></li><li nr="b."><al> de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels
                                            tegemoetkoming faunaschade van het Faunafonds gestelde
                                            normen om voor schadevergoeding in aanmerking te
                                            komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.4 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde
                                    van de percelen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.5 Aanvraag</titel></kop><al>Aanvragen om subsidie worden ingediend voor 1 juli van het jaar
                                    waarin seizoen eindigt waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.6 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt maximaal € 50,- per hectare per
                                    seizoen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8.7 Communautair toetsingskader</titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie
                                    van 18 december 2013 (PbEU L 352).</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 3.2 Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3.2.1 Bevordering van toeristische activiteiten
                                    (POP 313) </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor de aanleg van paden of routes ten behoeve van
                                    fietsen, wandelen, varen en paardrijden en daarbij behorende
                                    voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.2 Criteria</titel></kop><al>Susidie wordt slechts verstrekt voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al> Voldaan wordt aan het Plattelandsontwikkelingsprogramma
                                            2007-2013; en</al></li><li nr="b."><al> de activiteiten voor 1 april 2015 zullen zijn
                                            afgerond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.3 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1.4 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de totale subsidiabele
                                    kosten met een minimum van € 50.000,-.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 3.3 Water </titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Gereserveerd </tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 3.4 Externe Veiligheid </titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Gereserveerd </tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 3.5 Faunabeheer </titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Gereserveerd </tussenkop></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Ruimte en Bereikbaarheid </titel></kop><afdeling><kop><titel>Titel 4.1 Mobiliteit </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> goederenvervoer: vervoer van goederen over de weg en
                                            over water;</al></li><li nr="b."><al> halteplaats: punt van het regionet met wacht- en
                                            informatievoorziening waar de reiziger kan in- en
                                            uitstappen;</al></li><li nr="c."><al> mobiliteitsmanagement: alle activiteiten gericht op het
                                            afstemmen van vraag en aanbod van verkeer en vervoer
                                            gericht op het keuzeproces en bewustwording van de
                                            reiziger en goederen;</al></li><li nr="d."><al> openbaar vervoer: vervoer per trein, bus, tram of
                                            regiotaxi dat wordt verzorgd door een vervoerder waaraan
                                            op grond van de Wet personenvervoer 2000 een concessie
                                            is verleend;</al></li><li nr="e."><al> regionet: netwerk van buslijnen, buurtbusvervoer en
                                            regiotaxi ter ontsluiting van dorpen, steden en regio's
                                            met een inwonertal;</al></li><li nr="f."><al> snelnet: netwerk van snelle buslijnen en regionale
                                            railverbindingen die zowel de belangrijkste relaties
                                            binnen regio's als de relaties met belangrijke
                                            bovenregionale centra binnen en buiten de provincie op
                                            hoogwaardige manier verbinden;</al></li><li nr="g."><al> sociale veiligheid: objectieve veiligheid en het gevoel
                                            van veiligheid onder reizigers en personeel, ten aanzien
                                            van misdaad en wangedrag binnen het openbaar vervoer,
                                            bij transferpunten en halteplaatsen;</al></li><li nr="h."><al> toegankelijkheid: toegankelijkheid van voertuigen,
                                            halteplaatsen en de route naar halteplaatsen voor
                                            openbaar vervoer voor mensen met een
                                            mobiliteitsbeperking;</al></li><li nr="i."><al> transferpunt: punt van het snelnet met wacht- en
                                            informatievoorziening waar de reiziger kan in-, uit- of
                                            overstappen op andere vormen van vervoer;</al></li><li nr="j."><al> vervoerder: de rechtspersoon die openbaar vervoer
                                            verricht, waaronder begrepen regiotaxi;</al></li><li nr="k."><al> snelfietsroute: een door Gedeputeerde Staten als
                                            zodanig aangewezen samenhangend geheel van voorzieningen
                                            en infrastructurele werken ten behoeve van de
                                            fiets;</al></li><li nr="l."><al> Beter Benutten Vervolg: programma zoals vastgesteld
                                            door Gedeputeerde Staten bij besluit van 20 januari 2015
                                            inzake het gebied van de voormalige Stadsregio
                                            Arnhem-Nijmegen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.2 Gemeentelijke projecten in het kader van de
                                    Brede Doeluitkering (BDU) </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> infrastructuur projecten;</al></li><li nr="b."><al> intergemeentelijke niet-infrastructuur projecten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.2 Criteria</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.2.1 wordt slechts verstrekt
                                    voor projecten die zijn opgenomen in het Bestedingsplan Brede
                                    Doeluitkering als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU Verkeer en
                                    Vervoer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.3 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten en gemeenschappelijke
                                    regelingen die rechtspersoonlijkheid bezitten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.3 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste: </al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van
                                                € 50.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                                4.1.2.1, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van
                                                € 5.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                                4.1.2.1, aanhef en onder b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en
                                        toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.3 Verkeersveiligheid </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.3.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder b, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor niet-infrastructurele
                                    verkeersveiligheidsactiviteiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.3.2 Criteria</titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt als de niet infrastructurele
                                    activiteiten voldoen aan eisen vermeld in het werkplan van het
                                    Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Oost-Nederland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.3.3 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die zich krachtens
                                    hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden
                                    inzetten voor de verkeersveiligheid in Oost-Nederland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.3.5 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele
                                        kosten met een minimum van € 1.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en
                                        toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.4 Openbaar vervoer waaronder begrepen regiotaxi
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.4.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder e, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het verrichten van:</al><lijst><li nr="a."><al> openbaar vervoer; of</al></li><li nr="b."><al> vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke
                                            ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.4.2 Criteria</titel></kop><al>Subsidie voor het verrichten van openbaar vervoer wordt slechts
                                    verstrekt voor de duur van de concessie of voor de duur van de
                                    overeenkomst tussen de provincie en vervoerder.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.4.3 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> vervoerders voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            4.1.4.1, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> gemeenten voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            4.1.4.1, aanhef en onder b.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.4.4 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie, als bedoeld in artikel 4.1.4.1, aanhef en onder a,
                                    bedraagt maximaal het bedrag zoals is overeengekomen in de
                                    concessie. De subsidie wordt jaarlijks geïndexeerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.5 Infrastructurele openbaarvervoervoorzieningen
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.5.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder f, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de aanpassing van bestaande treinstations;</al></li><li nr="b."><al> de aanpassing van de omgeving van bestaande
                                            treinstations;</al></li><li nr="c."><al> nieuwe of te verplaatsen treinstations;</al></li><li nr="d."><al> planstudies voor nieuwe of te verplaatsen
                                            treinstations;</al></li><li nr="e."><al> het verbeteren van de doorstroming van het openbaar
                                            vervoer op het snelnet;</al></li><li nr="f."><al> de aanleg of verbetering van transferpunten op de
                                            routes van het snelnet;</al></li><li nr="g."><al> de aanleg of verbetering van halteplaatsen op de routes
                                            van het regionet;</al></li><li nr="h."><al> de plaatsing van zuilen en panelen voor reisinformatie
                                            voor reizigers van het openbaar vervoer bij
                                            transferpunten en halteplaatsen;</al></li><li nr="i."><al> uitbreiding van fietsenstallingen bij stations in het
                                            kader van het programma van Ruimte voor de Fiets van
                                            Prorail.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.5.2 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen,
                                    vervoerders en rechtspersonen die zich krachtens hun statuten
                                    inzetten voor het openbaar vervoer in Gelderland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.5.3 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste </al><lijst><li nr="a."><al> 66% van subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                                350.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                                4.1.5.1, aanhef en onder a tot en met d;</al></li><li nr="b."><al> 90% van subsidiabele kosten voor activiteiten als
                                                bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder e;</al></li><li nr="c."><al> 50% van subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                                45.000,- per transferpunt voor activiteiten als
                                                bedoeld artikel 4.1.5.1, aanhef en onder f;</al></li><li nr="d."><al> 35% van subsidiabele kosten voor tot een maximum
                                                van € 10.000,- per halteplaats voor activiteiten als
                                                bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder g;</al></li><li nr="e."><al> 100% van subsidiabele kosten voor activiteiten als
                                                bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder h;</al></li><li nr="f."><al> 40% van subsidiabele kosten voor activiteiten als
                                                bedoeld in artikel 4.1.5.1, aanhef en onder i.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en
                                        toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.6 Sociale veiligheid en toegankelijkheid
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.6.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder g en h,
                                    van de SvG kan worden verstrekt voor activiteiten ter
                                    verbetering van de:</al><lijst><li nr="a."><al> sociale veiligheid; en</al></li><li nr="b."><al> toegankelijkheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.6.2 Criteria</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden in
                                    gebieden waar en ten behoeve van bus- en treinlijnen waarvoor de
                                    provincie Gelderland bij of krachtens de Wet personenvervoer
                                    2000 verantwoordelijk is voor het openbaar vervoer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.6.3 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten en vervoerders.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.6.4 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.6.1,
                                        aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 80% van de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.6.1,
                                        aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste: </al><lijst><li nr="a."><al> 80% van de subsidiabele kosten voor
                                                vervoerders;</al></li><li nr="b."><al> 90% van de subsidiabele kosten tot een maximum van
                                                € 5.400,- per halteplaats voor gemeenten;</al></li><li nr="c."><al> 90% van de subsidiabele kosten tot een minimum van
                                                € 5.400,- en een maximum van € 13.500,- per moeilijk
                                                aanpasbare halte voor gemeenten;</al></li><li nr="d."><al> 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van
                                                € 250,- per geplaatst bankje bij een
                                                halteplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en
                                        toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.7 Fietsvoorzieningen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.7.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder i, van de
                                    SvG 2011 kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het aanleggen van funderingen, verhardingen,
                                            kunstwerken, oversteekvoorzieningen, bermen, taluds en
                                            bermsloten;</al></li><li nr="b."><al> het aanbrengen van verlichting ten behoeve van vrij
                                            liggende fietspaden;</al></li><li nr="c."><al> het plaatsen van verkeerstekens behorende bij een
                                            fietsreconstructie, oversteekvoorzieningen en
                                            verkeersregelinstallaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.7.2 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.7.3 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste: </al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van
                                                € 35.000,- en een maximum van € 500.000,-;</al></li><li nr="b."><al> 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van
                                                € 750.000,- voor nieuwe, vrijliggende fietspaden,
                                                fietstunnels of fietsbruggen;</al></li><li nr="c."><al> 50% van de kosten voor de realisatie van nieuwe
                                                snelfietsroutes.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en
                                        toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.8 Mobiliteitsprojecten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.8.1 Subsidiabele activiteit</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder j, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor haalbaarheidsstudies, onderzoek,
                                    pilots en promotieprojecten gericht op
                                    mobiliteitsmanagement.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.8.2 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> privaatrechtelijke rechtspersonen: </al><lijst><li nr="i"><al> voor zover de activiteit gericht is op de eigen
                                                  organisatie en uitsluitend voor eigen gebruik is;
                                                  of</al></li><li nr="ii"><al> die zich krachtens hun statuten inzetten voor
                                                  de bevordering van mobiliteitsmanagement.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.8.3 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 5.000,- en een maximum van €
                                    50.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.9 Goederenvervoer </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.9.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.1, aanhef en onder l, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> haalbaarheids- en onderzoeksstudies voor multimodaal of
                                            efficiënt en schoon goederenvervoer;</al></li><li nr="b."><al> investeringsprojecten infrastructuur ten behoeve van
                                            overslagvoorzieningen voor multimodaal
                                            goederenvervoer;</al></li><li nr="c."><al> pilots of praktijkproeven voor multimodaal of efficiënt
                                            en schoon goederenvervoer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.9.2 Criteria</titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.1.9.1 wordt slechts verstrekt
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten worden uitgevoerd in de provincie
                                            Gelderland dan wel, in geval van een
                                            provinciegrensoverschrijdende goederenvervoerstroom, het
                                            eind- of beginpunt in Gelderland ligt;</al></li><li nr="b."><al> de activiteiten passen binnen het strategisch
                                            uitvoeringsprogramma logistiek en Goederenvervoer
                                            2012-2015; en</al></li><li nr="c."><al> voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in
                                            artikel 4.1.9.1, onder c, de beoogde innovatie een
                                            bijdrage of besparing oplevert voor de Gelderse
                                            logistieke sector.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.9.3 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                        4.1.9.1, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de
                                        subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een
                                        maximum van € 100.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                        4.1.9.1, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de
                                        subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een
                                        maximum van € 1.000.000,-.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                        4.1.9.1, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de
                                        subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een
                                        maximum van: </al><lijst><li nr="a."><al> € 100.000,- voor zover deze betrekking hebben op
                                                transport over de weg;</al></li><li nr="b."><al> € 200.000,- voor zover deze geen betrekking hebben
                                                op transport over de weg;</al></li><li nr="c."><al> € 300.000,- voor zover deze worden uitgevoerd door
                                                publiekrechtelijke rechtspersonen of
                                                publiekrechtelijke instellingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Kosten ten behoeve van voorbereiding, administratie en
                                        toezicht worden tot maximaal 15% meegerekend in de
                                        subsidiabele kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1.10 Beter Benutten Vervolg </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.10.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten
                                    in het kader van Beter Benutten Vervolg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.10.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de projecten zijn
                                    opgenomen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                    bestedingsplan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.10.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de gemeenten Arnhem en Nijmegen,
                                    alsmede aan de dienst Rijkswaterstaat van het ministerie van
                                    Infrastructuur en Milieu.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.10.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt maximaal 100% van de kosten.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 4.2 Gelderse Gebiedsontwikkeling </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.2.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> cultuurhistorisch object: elk object behorende tot
                                            tenminste een van de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="i."><al> andere objecten dan de waterlinieforten genoemd
                                                  in artikel 4.2.1.1 onder e en die een functie
                                                  hadden in de militaire werking van de Nieuwe
                                                  Hollandse Waterlinie;</al></li><li nr="ii."><al> relicten van landschappelijke veranderingen in
                                                  de Nieuwe Hollandse Waterlinie tot en met 1945 die
                                                  direct het gevolg zijn van doorbraken van een kade
                                                  of dijk van een inundatiekom;</al></li><li nr="iii."><al> relicten van maatregelen in de Nieuwe Hollandse
                                                  Waterlinie tot en met 1945 om schade als gevolg
                                                  van een doorbraak van kade of dijk van een
                                                  inundatiekom te herstellen;</al></li><li nr="iv."><al> relicten van menselijke ingrepen in het
                                                  landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als
                                                  onderdeel van ontginningen voor landbouwkundig
                                                  gebruik tot en met 1945.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> normaal onderhoud: regulier onderhoud dat noodzakelijk
                                            is om de functie en zichtbare kenmerken van een object
                                            te behouden;</al></li><li nr="c."><al> restauratie: werkzaamheden die het normale onderhoud te
                                            boven gaan en noodzakelijk zijn voor het herstel van een
                                            object of om verval van een object te voorkomen;</al></li><li nr="d."><al> voorbereiding: alle handelingen, die nodig zijn om met
                                            de uitvoering van werkzaamheden te kunnen starten,
                                            inclusief het aanvragen van vergunningen;</al></li><li nr="e."><al> waterliniefort: een van de navolgende objecten: </al><lijst><li nr="i."><al> Complex Fort bij Asperen;</al></li><li nr="ii."><al> Complex Fort aan de Nieuwe Steeg;</al></li><li nr="iii."><al> Complex Fort bij Vuren;</al></li><li nr="iv."><al> Complex Werk op de Spoorweg bij de
                                                  Diefdijk;</al></li><li nr="v."><al> Complex Batterij onder Poederoijen;</al></li><li nr="vi."><al> Complex Batterij onder Brakel;</al></li><li nr="vii."><al> Complex Fort Everdingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.2.2 Ontwikkeling forten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, aanhef en
                                    onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de restauratie of voorbereiding van de restauratie van
                                            een waterliniefort;</al></li><li nr="b."><al> de modernisering of fysieke verbetering dan wel de
                                            voorbereiding van de modernisering of fysieke
                                            verbetering van de infrastructuur behorend bij een
                                            waterliniefort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de wijze van uitvoering van de werkzaamheden
                                                voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                                Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame
                                                instandhouding cultuurhistorische waarden, en;</al></li><li nr="b."><al> de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van
                                                een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor
                                                leerlingen in de restauratiebouw.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.2.1, aanhef en onder b,
                                        wordt slechts verstrekt indien jaarlijks ten minste 80% van
                                        de tijd- of ruimtecapaciteit van de infrastructuur behorend
                                        bij een waterliniefort voor culturele doeleinden wordt
                                        gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2.2a Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die rechtstreeks
                                    verband houden met de activiteiten bedoeld in artikel 4.2.2.1,
                                    aanhef en onder a en b.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2.3 Aanvrager</titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van een
                                    waterliniefort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2.4 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste:</al><lijst><li nr="a."><al> 80% van de subsidiabele kosten met een maximum van €
                                            1.000.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            4.2.2.1, aanhef en onder a en b, ten behoeve van de
                                            waterlinieforten genoemd in artikel 4.2.1.1, aanhef en
                                            onder e, onderdelen i tot en met vi; </al></li><li nr="b."><al> 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van €
                                            1.000.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            4.2.2.1, aanhef en onder a en b, ten behoeve van het
                                            waterliniefort genoemd in artikel 4.2.1.1, aanhef en
                                            onder e, onderdeel vii, met uitzondering van
                                            monumentnummers 531684, 531664 en 531666.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2.5 Communautair toetsingskader</titel></kop><al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.2.1,
                                    aanhef en onder a en b, wordt slechts verstrekt voor zover deze
                                    niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.2.3 Gebiedsontwikkeling </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, aanhef en
                                    onder b, van de SvG kan worden verstrekt voor de voorbereiding
                                    of uitvoering van werkzaamheden waarmee:</al><lijst><li nr="a."><al> een cultuurhistorisch object wordt gerestaureerd;</al></li><li nr="b."><al> bewegwijzering of straatmeubilair wordt aangeschaft en
                                            geplaatst;</al></li><li nr="c."><al> informatiepanelen worden aangeschaft en geplaatst;</al></li><li nr="d."><al> straatverlichting wordt aangeschaft en geplaatst;</al></li><li nr="e."><al> wandel- of rolstoelpaden worden aangelegd of
                                            aangepast;</al></li><li nr="f."><al> aanleg of aanpassingen worden gerealiseerd van
                                            parkeerplaatsen;</al></li><li nr="g."><al> landschappelijke of bouwkundige aanpassingen worden
                                            gerealiseerd ten gunste van het overwinteren, het
                                            zwermen of migreren van vleermuizen in de Nieuwe
                                            Hollandse Waterlinie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder a,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de wijze van uitvoering van de werkzaamheden
                                                voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                                Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame
                                                instandhouding cultuurhistorische waarden; en</al></li><li nr="b."><al> de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van
                                                een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor
                                                leerlingen in de restauratiebouw.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder b,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de plaatsing van de bewegwijzering of het
                                                straatmeubilair gebeurt op openbaar terrein in de
                                                Nieuwe Hollandse Waterlinie, en;</al></li><li nr="b."><al> de bewegwijzering of het straatmeubilair worden
                                                geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor
                                                het Nationaal Project Nieuwe Hollandse
                                                Waterlinie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder c,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de informatiepanelen worden geplaatst op openbaar
                                                terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie;</al></li><li nr="b."><al> de informatiepanelen worden geproduceerd in de
                                                vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal
                                                Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; en</al></li><li nr="c."><al> de informatiepanelen bevatten informatie over het
                                                historische, militaire systeem de Nieuwe Hollandse
                                                Waterlinie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder d,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de straatverlichting wordt geplaatst op openbaar
                                                terrein aan de Diefdijk in de gemeenten Vianen en
                                                Leerdam, de Meerdijk, de Nieuwe Zuiderlingedijk of
                                                de Zuiderlingedijk in de gemeente Lingewaal; en</al></li><li nr="b."><al> de straatverlichting wordt geproduceerd in de
                                                vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal
                                                Project Nieuwe Hollandse Waterlinie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder e,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de wandel- of rolstoelpaden openbaar toegankelijk
                                                zijn; en</al></li><li nr="b."><al> de wandel- of rolstoelpaden leiden naar een
                                                cultuurhistorisch object of vormen een
                                                aaneengesloten route om een cultuurhistorisch
                                                object.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder f,
                                        wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn;
                                                en</al></li><li nr="b."><al> de ingang van de parkeerplaatsen is gelegen op een
                                                afstand van minder dan 200 meter van objecten die
                                                zijn aangewezen als Rijksmonumenten en die een
                                                functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe
                                                Hollandse Waterlinie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3.3 Aanvrager</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.3.1,
                                        aanhef en onder a en g, wordt verstrekt aan de eigenaar van
                                        het cultuurhistorisch object.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.3.1,
                                        aanhef en onder b tot en met f, wordt verstrekt aan de
                                        eigenaar van het terrein waarop de werkzaamheden
                                        plaatsvinden of de materialen worden geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten
                                    met een maximum van € 200.000,-..</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3.5 Communautair toetsingskader</titel></kop><al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.3.1,
                                    aanhef en onder a, e en f, wordt slechts verstrekt voor zover
                                    deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de
                                    Algemene groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.2.4 Beleef de Waal </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Beleef de Waal: het deelproject van het
                                            Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013 - 2017 zoals
                                            vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart
                                            2013;</al></li><li nr="b."><al> samenwerking "Rondje Pontje": een samenwerkingsverband
                                            van ondernemers en initiatiefnemers rond twee pontjes en
                                            de routes daartussen op de beide oevers van de
                                            Waal;</al></li><li nr="c."><al> vertierplek: plek aan de Waal die met minimale
                                            aanpassingen zodanig is ingericht dat er toegang is tot
                                            de oever en gelegenheid om aan het water te
                                            recreëren;</al></li><li nr="d."><al> WaalWeeldegebied: het gebied omvattende het grondgebied
                                            van de gemeenten Beuningen, Druten, Lingewaal,
                                            Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn, Neerijnen,
                                            Neder- Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe, Rijnwaarden, Tiel,
                                            Ubbergen, West Maas en Waal en Zaltbommel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.2 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, van de
                                        SvG kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de voorbereiding van de aanleg en de realisatie van
                                                vertierplekken en veerstoepen en de ontwikkeling,
                                                productie en plaatsing van
                                                informatievoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al> de ontwikkeling van producten en arrangementen op
                                                het gebied van duurzaam toerisme;</al></li><li nr="c."><al> het opzetten en ontwikkelen van de samenwerking
                                                "Rondje Pontje";</al></li><li nr="d."><al> het ontwikkelen en organiseren van evenementen en
                                                manifestaties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen subsidie wordt verstrekt voor de aanleg of wijziging
                                        van wegen of dijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die:</al><lijst><li nr="a."><al> worden uitgevoerd in het WaalWeeldegebied;</al></li><li nr="b."><al> passen binnen de doelstellingen van Beleef de
                                            Waal;</al></li><li nr="c."><al> positief zijn beoordeeld door burgemeester en
                                            wethouders van de gemeente in het WaalWeeldegebied waar
                                            de activiteit plaatsvindt, voor zover het activiteiten
                                            betreft als bedoeld in artikel 4.2.4.2, eerste lid,
                                            aanhef en onder a, b en d; en</al></li><li nr="d."><al> passen in een duurzame ontwikkeling van het
                                            WaalWeeldegebied.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> een natuurlijk persoon die woonachtig is in het
                                            WaalWeeldegebied;</al></li><li nr="b."><al> een gemeente in het WaalWeeldegebied;</al></li><li nr="c."><al> een rechtspersoon die blijkens zijn statutaire doelen
                                            en activiteiten een bijdrage kan leveren aan Beleef de
                                            Waal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de
                                    aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> een schriftelijke verklaring van burgemeester en
                                            wethouders waaruit blijkt dat de betreffende
                                            subsidiabele activiteit positief is beoordeeld, voor
                                            zover het een activiteit als bedoeld in artikel 4.2.4.2,
                                            eerste lid, aanhef en onder a, b of d betreft;</al></li><li nr="b."><al> een uiteenzetting dat de betreffende subsidiabele
                                            activiteit past in een duurzame ontwikkeling van het
                                            WaalWeeldegebied.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 5.000,- en een maximum van €
                                    75.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4.7 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.4.2, eerste lid, aanhef en
                                    onder b tot en met d, wordt geweigerd voor zover fysieke
                                    voorzieningen niet worden aangelegd of gewijzigd op grond die in
                                    eigendom is van publiekrechtelijke rechtspersonen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.2.5 Waalpleisterplaatsen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Beleef de Waal: het deelproject van het
                                            Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013 - 2017 zoals
                                            vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart
                                            2013;</al></li><li nr="b."><al> WaalWeelde-gebied: het gebied omvattende het
                                            grondgebied van de gemeenten Beuningen, Druten,
                                            Lingewaal, Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn,
                                            Neerijnen, Neder-Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe,
                                            Rijnwaarden, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal en
                                            Zaltbommel;</al></li><li nr="c."><al> knooppunt in de recreatieve infrastructuur: een plaats
                                            bij een veerverbinding over de Boven-Rijn, het
                                            Bijlandsch Kanaal of de Waal waar wandel- en fietsroutes
                                            en struinpaden samenkomen en die bereikbaar is met de
                                            auto;</al></li><li nr="d."><al> openbare voorzieningen: </al><lijst><li nr="i."><al> picknicktafel;</al></li><li nr="ii."><al> ten minste één bank en prullenbak op de
                                                  veerstoep;</al></li><li nr="iii."><al> watertappunt;</al></li><li nr="iv."><al> parkeerplaats liggend op of aan de veerdam of
                                                  direct achter de dijk;</al></li><li nr="v."><al> elektriciteitsaansluiting;</al></li><li nr="vi."><al> openbaar toilet;</al></li><li nr="vii."><al> camperplaatsen;</al></li><li nr="viii."><al> aanlegsteiger recreatieve vaartuigen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor de aanleg van openbare voorzieningen
                                    aan een knooppunt in de recreatieve infrastructuur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.3 Criteria</titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al> het knooppunt in de recreatieve infrastructuur gelegen
                                            is in het WaalWeeldegebied;</al></li><li nr="b."><al> niet alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel
                                            4.2.5.1, aanhef en onder d, onderdelen i tot en met iv,
                                            reeds op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur
                                            aanwezig zijn;</al></li><li nr="c."><al> alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel
                                            4.2.5.1, aanhef en onder d, onderdelen i tot en met iv,
                                            na afronding van de subsidiabele activiteit op het
                                            knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig
                                            zullen zijn;</al></li><li nr="d."><al> de aan te leggen openbare voorzieningen tegen hoogwater
                                            bestendig zijn, dan wel dat deze gedurende hoogwater
                                            tijdelijk verwijderd kunnen worden;</al></li><li nr="e."><al> de activiteit positief is beoordeeld door burgemeester
                                            en wethouders van de gemeente in het Waalweelde-gebied
                                            waar de activiteit plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.4 Aanvraag</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een schriftelijke verklaring van
                                    burgemeester en wethouders verstrekt waaruit blijkt dat de
                                    betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.5 Hoogte van de subsidie</titel></kop><al>De subsidie bedraagt maximaal 50 % van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 10.000,- en een maximum van €
                                    100.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.6 Weigeringsgrond</titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien er binnen dezelfde gemeente
                                    reeds subsidie is verstrekt ten behoeve van de in artikel
                                    4.2.5.2 genoemde activiteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5.7 Verplichtingen</titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht de openbare voorzieningen
                                    gedurende ten minste vijf jaar na de vaststelling van de
                                    subsidie te beheren en te onderhouden.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 4.3 Ruimtelijke Ontwikkeling </titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Gereserveerd </tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 4.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.4.1 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> collectief: een groep natuurlijke personen die zich
                                            verenigd hebben in een rechtspersoon die beoogt hun
                                            belangen in een CPO-woningbouwproject te
                                            behartigen.</al></li><li nr="b."><al> CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap;</al></li><li nr="c."><al> CPO-woningbouwproject: de bouw en realisatie van
                                            minimaal 3 woningen door een collectief.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al> procesbegeleidingsactiviteiten door een
                                            procesbegeleider of architect met ervaring in
                                            procesbegeleiding;</al></li><li nr="b."><al> ontwerpactiviteiten door een deskundige voor
                                            woningbouwprojecten die gerealiseerd worden door middel
                                            van CPO;</al></li><li nr="c."><al> eenmalige niet-reguliere activiteiten ter stimulering
                                            van woningbouw met CPO.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, nog niet
                                            verleend is;</al></li><li nr="b."><al> de maximale koopprijs van de woningen binnen een
                                            CPO-woningbouwproject bij indienen van de aanvraag
                                            beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie
                                            ligt; en</al></li><li nr="c."><al> het college van burgemeester en wethouders van de
                                            gemeente een positief advies heeft afgegeven ten behoeve
                                            van het CPO-woningbouwproject.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1.4 Aanvrager </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en onder a
                                        en b, wordt verstrekt aan een collectief.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en onder c,
                                        wordt verstrekt aan gemeenten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4.1.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie, als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en
                                        onder a en b, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele
                                        kosten en maximaal: </al><lijst><li nr="a."><al> € 5.000,- per woning, tot een maximum van €
                                                50.000,- per CPO-woningbouwproject indien het
                                                nieuwbouw betreft;</al></li><li nr="b."><al> € 8.000,- per woning, tot een maximum van €
                                                80.000,- per CPO-woningbouwproject indien het
                                                bestaande bouw betreft of sloop met nieuwbouw.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie, als bedoeld in artikel 4.4.1.2, aanhef en
                                        onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van niet
                                        reguliere werkzaamheden, tot een maximum van € 25.000,- per
                                        gemeente.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 4.5 Impulsplan Wonen </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.5.1 Procesondersteuning Impulsplan Wonen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> domotica: technische hulpmiddelen in woningen om de
                                            kwaliteit van wonen en leven op peil te houden;</al></li><li nr="b."><al> Gelderse huistest: een mede door de provincie
                                            Gelderland ontwikkeld instrument waarmee ouderen en
                                            mensen met een beperking zelf de geschiktheid van hun
                                            woning voor hun situatie kunnen bepalen;</al></li><li nr="c."><al> Impulsplan Gelderse Woningmarkt: beleidsplan
                                            vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 26 september
                                            2012, PS2012-656, inzake het stimuleren van projecten op
                                            het gebied van binnenstedelijk wonen, functieverandering
                                            van leegstaande gebouwen, herstructurering als
                                            verdunningsopgave, revitalisering van kernen in
                                            krimpgebieden of gebieden met soortgelijke problematiek,
                                            langer zelfstandig wonen en innovatieve
                                            initiatieven;</al></li><li nr="d."><al> intentieovereenkomst: overeenkomst waarin partijen de
                                            intentie vastleggen een project gezamenlijk te
                                            realiseren;</al></li><li nr="e."><al> kleinschalige voorziening: voorziening waar een
                                            bewonersgroep samen met het personeel een gezamenlijke
                                            huishouding voert, ondersteund met zorg;</al></li><li nr="f."><al> project: activiteit die voldoet aan de inhoudelijke
                                            criteria uit het Vervolgvoorstel Uitwerking Impulsplan
                                            Gelderse Woningmarkt (PS 2012-656).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 4.5.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het verrichten van een studie naar de technische
                                            haalbaarheid van een project;</al></li><li nr="b."><al> het verrichten van een studie naar de financiële
                                            uitvoerbaarheid van een project;</al></li><li nr="c."><al> het opstellen van een plan van aanpak voor de
                                            uitvoering van een project.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer de aanvrager met deelnemende partijen een
                                            intentieovereenkomst heeft gesloten;</al></li><li nr="b."><al> voor zover de aanvraag een project op het gebied van
                                            langer zelfstandig wonen betreft, </al><lijst><li nr="i."><al> sprake is van een samenhangende aanpak van
                                                  wonen, welzijn en zorg;</al></li><li nr="ii."><al> de voorgestelde maatregelen op grond van de
                                                  Gelderse huistest en met toepassing van domotica,
                                                  leiden tot woon- en zorgtechnologische
                                                  aanpassingen; en</al></li><li nr="iii."><al> de voorgestelde maatregelen leiden tot een
                                                  kleinschalige woonvoorziening voor
                                                  dementerenden;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> voor zover de aanvraag een project op het gebied van
                                            leegstaande gebouwen betreft en aannemelijk is dat: </al><lijst><li nr="i."><al> revitalisering bijdraagt aan de vermindering
                                                  van de leegstand;</al></li><li nr="ii."><al> de uitvoering van de voorgestelde maatregelen
                                                  leidt tot een functieverandering van de
                                                  gebouwen;</al></li><li nr="iii."><al> de voorgestelde maatregelen de functiewijziging
                                                  mogelijk maken.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.4 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>De kosten die voorafgaand aan het sluiten van de
                                    intentieovereenkomst worden gemaakt, komen niet voor subsidie in
                                    aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.5 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.6 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag een ondertekende intentieovereenkomst overgelegd waarin
                                    zijn opgenomen de aanleiding van de overeenkomst, het doel van
                                    het te realiseren project, de werkwijze waarlangs partijen tot
                                    realisering van het project willen komen, de financiering van
                                    het project en een planning van de werkzaamheden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.5.1.7 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten,
                                    tot een maximum van € 50.000,- per aanvraag en tot een maximum
                                    van € 100.000,- per gemeenten per jaar.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Economie en Samenleving </titel></kop><afdeling><kop><titel>Titel 5.1 Cultuur </titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Gereserveerd </tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.2 Erfgoed </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> cultuurparticipatie: niet-professionele bemoeienis met
                                            de kunsten en deelname aan het culturele leven;</al></li><li nr="b."><al> vrijetijdseconomie: economie die bestaat uit
                                            ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met
                                            dienstverlening ten behoeve van recreanten en
                                            toeristen;</al></li><li nr="c."><al> waardenkaart: een besluit van een gemeentebestuur
                                            waarin de cultuurhistorische of archeologische waarden
                                            binnen het gehele grondgebied van de gemeente zijn
                                            weergegeven en dat gebruikt kan worden bij het
                                            voorbereiden van ruimtelijke planvorming;</al></li><li nr="d."><al> draaipremie: subsidie verstrekt voor het jaar 2012 op
                                            grond van artikel 7 van de Verordening Cultuurhistorie
                                            Gelderland;</al></li><li nr="e."><al> instandhouding: activiteiten die worden uitgevoerd
                                            overeenkomstig de Uitvoeringsvoorschriften Duurzame
                                            Instandhouding Cultuurhistorische Waarden (PB 2006/17)
                                            en de Lijst met subsidiabele kosten en werkzaamheden ten
                                            behoeve van de berekening van de subsidiabele
                                            instandhoudingskosten (PB 2006/18);</al></li><li nr="f."><al> gemeentelijk monument: een object dat op grond van een
                                            gemeentelijke verordening bescherming geniet vanwege
                                            bijzondere cultuurhistorische of architectonische
                                            waarden;</al></li><li nr="g."><al> historische molen: een door wind, water of ros
                                            aangedreven krachtwerktuig inclusief het bouwwerk,
                                            geschikt of bedoeld voor een historisch maal-
                                            productieactiviteitbedrijf;</al></li><li nr="h."><al> stoomgemaal: een door stoom aangedreven krachtwerktuig
                                            bedoeld voor het bemalen van een polder.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2.2 Cultuur- en erfgoedpacten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.2.2 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor de uitvoering van een intergemeentelijk
                                    meerjarenprogramma 2014-2016 dat is gericht op de versterking
                                    van de vrijetijdseconomie of cultuurparticipatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> De aanvrager samen met één of meer andere gemeenten
                                            uitvoering geeft aan de subsidiabele activiteit;</al></li><li nr="b."><al> het programma de gezamenlijke doelen van de
                                            participerende gemeenten, gericht op versterking van
                                            vrijetijdseconomie of cultuurparticipatie
                                            beschrijft;</al></li><li nr="c."><al> het programma beschrijft hoe de gemeenten de in b.
                                            genoemde doelen met inzet van cultuur of erfgoed willen
                                            realiseren; en</al></li><li nr="d."><al> het programma beschrijft hoe de programmaresultaten bij
                                            beëindiging van het programma is geborgd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de gemeente die blijkens de
                                    aanvraag optreedt als penvoerder van de samenwerkende
                                    gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.2.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    in de periode 2014-2016 tot een maximum van € 41.000,- per
                                    gemeente.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2.3 Instandhouding gemeentelijke monumenten,
                                    historische molens en stoomgemalen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.2.1, onder e en f van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het verstrekken van subsidie voor de instandhouding van
                                            gemeentelijke monumenten;</al></li><li nr="b."><al> het verstrekken van subsidie voor de instandhouding van
                                            historische molens en stoomgemalen;</al></li><li nr="c."><al> het opstellen van een archeologische of
                                            cultuurhistorische waardenkaart.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager
                                        beschikt over een subsidieregeling op grond waarvan aan een: </al><lijst><li nr="a."><al> eigenaar van een gemeentelijk monument subsidie kan
                                                worden verstrekt voor het instandhouden van het
                                                monument;</al></li><li nr="b."><al> eigenaar van een historische molen of stoomgemaal
                                                subsidie kan worden verstrekt voor het instandhouden
                                                van de historische molen of stoomgemaal.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt voor het vervaardigen van een archeologische
                                        of cultuurhistorische waardenkaart slechts eenmaal
                                        verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1
                                        onder a bedraagt niet meer dan 50% van de door de aanvrager
                                        op grond van de in artikel 5.2.3.2, eerste lid, bedoelde
                                        regeling verstrekte subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1 aanhef en onder
                                        b bedraagt € 3.100,- per historische molen of
                                        stoomgemaal.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1 onder c bedraagt
                                        niet meer dan € 10.000,- per type waardenkaart.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.3.5 Verplichtingen </titel></kop><al>De aanvrager is verplicht om in de subsidieregeling als bedoeld
                                    in artikel 5.2.3.2 te bepalen dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidie aangevraagd wordt door de eigenaar van het
                                            monument of de molen waaraan de subsidie ten goede
                                            komt;</al></li><li nr="b."><al> de subsidie aangevraagd wordt tussen 1 maart 2014 en 31
                                            december 2016;</al></li><li nr="c."><al> de subsidie uitsluitend wordt verstrekt voor de
                                            instandhouding van monumenten;</al></li><li nr="d."><al> de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan eigenaren
                                            van historische molens of stoomgemalen die een
                                            provinciale draaipremie hebben ontvangen;</al></li><li nr="e."><al> de subsidie als bedoeld in artikel 5.2.3.1, onder a en
                                            c, niet wordt verstrekt aan een gemeente, een provincie
                                            of de Staat.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.2.4 Draaisubsidie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.2.1 onderdeel f van de SvG kan
                                    worden verstrekt voor de asomwenteling van een monumentale
                                    molen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4.2 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of beheerder van een
                                    monumentale molen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4.3 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al> € 1,- per 300 asomwentelingen voor molens met
                                                kleppen; of</al></li><li nr="b."><al> € 1,- per 200 asomwentelingen voor molens met
                                                zeilen tot een maximum van € 1.200,- per jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor het jaar waarvoor de aanvraag wordt
                                        ingediend wordt verstrekt op basis van het aantal
                                        asomwentelingen dat de molen heeft gemaakt in het jaar
                                        voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt
                                        aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De draaisubsidie voor een molen die niet door wind wordt
                                        aangedreven bedraagt € 450,- per jaar en wordt verstrekt
                                        indien er naar het oordeel van Gedeputeerde Staten sprake is
                                        van het regelmatig draaien van deze molen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4.4 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Geen subsidie wordt verstrekt, indien het subsidiebedrag op
                                    grond van artikel 5.2.1.3 eerste lid minder dan € 70,- zou
                                    bedragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.2.4.5 Indieningstermijn aanvraag </titel></kop><al>De aanvraag wordt ingediend voor 1 april.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.3 Sociaal Profiel </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.3.1 Sociaal Profiel </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Beleidskader Sociaal Profiel: bijlage 3 bij het
                                            Statenvoorstel Beleidsuitwerkingen Uitdagend Gelderland
                                            (PS2011-644), met uitzondering van de thema’s
                                            Leefbaarheid en Gemeenschapsvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al> Uitvoeringsagenda: de Uitvoeringsagenda 2015:
                                            Verbinden, verbreden, versnellen (PS2014-484) met
                                            uitzondering van het thema Leefbaarheid en
                                            Gemeenschapsvoorzieningen;</al></li><li nr="c."><al> doelgroep: gebruikers of vertegenwoordigers van
                                            gebruikers van zorg en welzijn, kwetsbare groepen in de
                                            samenleving en burgers of groepen burgers die deelnemen
                                            aan en verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering
                                            van publieke taken binnen het sociale domein;</al></li><li nr="d."><al> preventieve zorg: preventiemaatregelen ter voorkoming
                                            of vermindering van zorg;</al></li><li nr="e."><al> eerstelijns zorg: rechtstreeks toegankelijke zorg;</al></li><li nr="f."><al> anderhalvelijns zorg: eerstelijnszorg die gegeven wordt
                                            door een specialist uit de tweede lijn;</al></li><li nr="g."><al> tweedelijnszorg: zorg die slechts toegankelijk is na
                                            verwijzing;</al></li><li nr="h."><al> kwetsbare groepen: groepen in de samenleving die om wat
                                            voor reden dan ook de aansluiting met de samenleving
                                            dreigen te verliezen, zoals beschreven in de
                                            Uitvoeringsagenda;</al></li><li nr="i."><al> actief burgerschap: het deelnemen aan en
                                            verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van
                                            publieke taken binnen het sociale domein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.3.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor projecten waarin werkwijzen worden ontwikkeld
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al> gericht zijn op een verbeterde aansluiting tussen
                                            preventieve zorg, eerstelijnszorg, anderhalvelijnszorg
                                            en tweedelijnszorg;</al></li><li nr="b."><al> gericht zijn op een verbeterde economische of
                                            maatschappelijke participatie van kwetsbare groepen;
                                            of</al></li><li nr="c."><al> actief burgerschap bevorderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die
                                    aantoonbaar:</al><lijst><li nr="a."><al> passen binnen het Beleidskader Sociaal Profiel en de
                                            Uitvoeringsagenda;</al></li><li nr="b."><al> uitzicht bieden op structurele voortzetting of overname
                                            van de ontwikkelde werkwijze; en</al></li><li nr="c."><al> een leereffect of voorbeeldwerking opleveren die aan
                                            derden kan worden overgedragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.4 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger
                                            die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele
                                            activiteit;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor inzet van externe ondersteuning in
                                            opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar
                                            gerelateerd is aan de subsidiabele activiteit;</al></li><li nr="c."><al> inzet van goederen en diensten door de
                                            subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn aan
                                            de subsidiabele activiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.5 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.6 Aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie wordt aangevraagd voor 22 april 2015.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij
                                        de aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het
                                        college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                        waarin de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin
                                        het college verklaart geen bezwaar te hebben tegen de
                                        subsidiabele activiteit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.7 Selectiecriteria </titel></kop><al>Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die
                                    activiteiten voorrang die:</al><lijst><li nr="a."><al> aantoonbaar bijdragen aan de doelstellingen uit de
                                            Uitvoeringsagenda;</al></li><li nr="b."><al> elders binnen Gelderland kunnen worden toegepast;</al></li><li nr="c."><al> op korte termijn tot resultaat leiden;</al></li><li nr="d."><al> geïnitieerd en uitgevoerd worden in samenwerking tussen
                                            verschillende partijen, met name gemeenten,
                                            maatschappelijke organisaties en burgers;</al></li><li nr="e."><al> nog niet eerder in Gelderland zijn uitgevoerd; en</al></li><li nr="f."><al> de doelgroep actief betrekken bij de voorbereiding en
                                            realisatie van de subsidiabele activiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.8 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 20.000,- en een maximum van €
                                    100.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.3.1.9 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al> indien er sprake is van uitvoering van wettelijke
                                            taken;</al></li><li nr="b."><al> aan een rechtspersoon die subsidie ontvangt op grond
                                            van het besluit van Provinciale Staten (PS2011-787,
                                            onder 6).</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.4</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.4.1 Jeugd </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> regio Achterhoek: de samenwerkende gemeenten Aalten,
                                            Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland,
                                            Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk;</al></li><li nr="b."><al> regio Arnhem: de samenwerkende gemeenten Arnhem,
                                            Doesburg, Duiven, Lingewaard, Overbetuwe, Renkum,
                                            Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Wageningen, Westervoort
                                            en Zevenaar;</al></li><li nr="c."><al> regio Food-Valley: de samenwerkende gemeenten
                                            Barneveld, Ede, Nijkerk en Scherpenzeel;</al></li><li nr="d."><al> regio Nijmegen: de samenwerkende gemeenten Beuningen,
                                            Druten, Groesbeek, Heumen, Nijmegenen en Wijchen;</al></li><li nr="e."><al> regio Noord-Veluwe: de samenwerkende gemeenten Elburg,
                                            Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek en Putten;</al></li><li nr="f."><al> regio Oost-Veluwe Midden-IJssel: de samenwerkende
                                            gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde,
                                            Lochem, Voorst en Zutphen;</al></li><li nr="g."><al> regio Rivierenland: de samenwerkende gemeenten Buren,
                                            Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel,
                                            Neder-Betuwe, Neerijnen, Tiel, West Maas en Waal en
                                            Zaltbommel.</al></li><li nr="h."><al> transitie van de jeugdzorg: overdracht van bevoegdheden
                                            en taken voor jeugdzorg van het provinciebestuur naar de
                                            gemeentebesturen en de daarmee gepaard gaande
                                            transformatie van de jeugdzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie, als bedoeld in artikel 5.4.1 van de SvG, kan worden
                                    verstrekt voor innovatieve activiteiten gerelateerd aan de
                                    overdracht van de provinciale taken op het gebied van jeugdzorg
                                    aan gemeenten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die:</al><lijst><li nr="a."><al> bruikbare vernieuwingen leveren voor het beleid of de
                                            uitvoering van de jeugdzorg;</al></li><li nr="b."><al> gerelateerd zijn aan de overdracht van de provinciale
                                            jeugdzorg aan de gemeenten;</al></li><li nr="c."><al> afgestemd zijn met de andere regio’s;</al></li><li nr="d."><al> resultaten opleveren die, na afloop, beschikbaar worden
                                            gesteld aan andere Gelderse regio’s engemeenten en</al></li><li nr="e."><al> binnen één jaar na de datum waarop de beschikking tot
                                            subsidieverlening is gegeven zijn uitgevoerd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een regio als bedoeld in artikel
                                    5.4.1.1, aanhef en onder a tot en met g.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.5 Aanvraag </titel></kop><al>Aanvragen worden ingediend vóór 1 november 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten
                                    voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.4.1.2.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.4.1.6 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> sprake is van uitvoering van reguliere en wettelijke
                                            taken;</al></li><li nr="b."><al> sprake is van uitvoering van op het individu gerichte
                                            zorg;</al></li><li nr="c."><al> de activiteit gericht is op of een bijdrage levert aan
                                            het bestrijden van een personeelstekort bijgemeenten of
                                            jeugdzorgaanbieders; of</al></li><li nr="d."><al> de activiteit gericht is op of een bijdrage levert aan
                                            het bestrijden van een wachtlijstproblematiek.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.5 Leefbaarheid en gemeenschapsvoorzieningen </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.5.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> burgerinitiatief: een rechtspersoon die tot doel heeft
                                            de leefbaarheid van een gemeenschap te bevorderen of te
                                            verbeteren;</al></li><li nr="b."><al> dorpscontactpersoon: persoon die, in opdracht van een
                                            dorpsraad of een bestuur van een
                                            gemeenschapsvoorziening, tot taak heeft voor een dorp
                                            activiteiten te bevorderen die leiden tot verbetering
                                            van de leefbaarheid;</al></li><li nr="c."><al> dorpsraad: een rechtspersoon die de belangen in brede
                                            zin van een dorp en zijn omgeving behartigt en zich
                                            richt op versterking van de sociale structuur van een
                                            dorpsgemeenschap;</al></li><li nr="d."><al> gemeenschapsvoorziening: openbaar toegankelijk
                                            multifunctioneel gebouw of gedeelte van een gebouw met
                                            ruime openstellingstijden waarin structureel ruimte
                                            wordt geboden aan overwegend non-profit organisaties
                                            voor het uitvoeren van activiteiten door en voor
                                            bewoners van één of meer dorpen;</al></li><li nr="e."><al> leefbaarheid: de mate van aantrekkelijkheid van het
                                            sociale en bestuurlijke klimaat in een dorp en de
                                            omgeving;</al></li><li nr="f."><al> ontmoetingsplek: kosteloos toegankelijke
                                            multifunctionele publieke openluchtvoorziening binnen of
                                            direct grenzend aan de bebouwde kom waar bewoners elkaar
                                            ontmoeten, bijeenkomsten houden en activiteiten
                                            organiseren;</al></li><li nr="g."><al> vernieuwing: ontwikkeling van voor Gelderland nieuwe
                                            activiteiten ten behoeve van verbetering van de
                                            leefbaarheid binnen een kern of meerdere kernen of ter
                                            verhoging van de kwaliteit of doelmatigheid van
                                            activiteiten op dit terrein;</al></li><li nr="h."><al> zelf organiserend vermogen: de mate waarin burgers zelf
                                            vorm geven aan hun leefomgeving;</al></li><li nr="i."><al> bestuurlijke samenwerking: afstemming van taken en
                                            activiteiten tussen: </al><lijst><li nr="i."><al> een dorpsraad;</al></li><li nr="ii."><al> een burgerinitiatief;</al></li><li nr="iii."><al> een gemeente;</al></li><li nr="iv."><al> een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel
                                                  heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in
                                                  stand te houden; of</al></li><li nr="v."><al> andere maatschappelijke organisaties.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.1.2 Indieningstermijn </titel></kop><al>Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd voor 19
                                    maart 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.1.3 Selectiecriteria </titel></kop><al>Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die
                                    activiteiten voorrang:</al><lijst><li nr="a."><al> die aantoonbaar breed draagvlak hebben in dorp en
                                            regio;</al></li><li nr="b."><al> die mede ontwikkeld, uitgevoerd en bekostigd worden
                                            door bewoners en leden van lokale organisaties;</al></li><li nr="c."><al> die mede uitvoering geven aan de voor gemeenten nieuwe
                                            gedecentraliseerde taken op het terrein van (jeugd)zorg,
                                            participatie en ondersteuning;</al></li><li nr="d."><al> die een vernieuwend karakter hebben;</al></li><li nr="e."><al> die voorzien in activiteiten die voor de langere tijd
                                            zijn geborgd;</al></li><li nr="f."><al> die niet-concurrerend zijn met nabij gelegen
                                            gelijksoortige voorzieningen;</al></li><li nr="g."><al> waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe
                                            technologieën;</al></li><li nr="h."><al> waarvoor niet eerder subsidie is ontvangen;</al></li><li nr="i."><al> die bijdragen aan een evenredige spreiding van de
                                            subsidiabele activiteit over de provincie
                                            Gelderland.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.5.2 Versterken van duurzame exploitatie van
                                    gemeenschapsvoorzieningen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.2.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor de:</al><lijst><li nr="a."><al> ondersteuning bij het opstellen van een
                                            exploitatiebegroting voor ten minste twee jaar van een
                                            gemeenschapsvoorziening die voor meerdere jaren dekkend
                                            en realistisch is;</al></li><li nr="b."><al> ondersteuning bij het opstellen van een programma voor
                                            ten minste twee jaar van een
                                            gemeenschapsvoorziening;</al></li><li nr="c."><al> ontwikkeling binnen een gemeenschapsvoorziening van
                                            vernieuwende vormen van: </al><lijst><li nr="i."><al> exploitatie;</al></li><li nr="ii."><al> bestuurlijke samenwerking;</al></li><li nr="iii."><al> beheer; of</al></li><li nr="iv."><al> programmering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.2.2 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger
                                            die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele
                                            activiteit;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor inzet van externe ondersteuning in
                                            opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar
                                            gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit;</al></li><li nr="c."><al> ontwikkelingskosten gemaakt door de subsidieontvanger
                                            die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele
                                            activiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.2.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die tot doel of
                                    mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in
                                    stand te houden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.2.4 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college
                                    van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                                    subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college
                                    verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele
                                    activiteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.2.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 10.000,- en een maximum van €
                                    20.000-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.5.3 Creëren van samenhang van functies en
                                    voorzieningen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.3.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt
                                    voor de voorbereiding en uitwerking van afspraken tussen
                                    dorpsraden, bestuurders van gemeenschapsvoorzieningen,
                                    burgerinitiatieven, gemeente en mogelijke andere partners over
                                    afstemming van functies en voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.3.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij de subsidiabele
                                    activiteiten minste drie van de volgende functies zijn
                                    betrokken: welzijn, educatie, cultuur, zorg, maatschappelijke
                                    dienstverlening en zakelijke dienstverlening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.3.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor inzet van uren van de subsidieontvanger
                                            die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de subsidiabele
                                            activiteit;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor inzet van externe ondersteuning in
                                            opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar
                                            gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.3.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> een dorpsraad;</al></li><li nr="b."><al> een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft
                                            een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te
                                            houden;</al></li><li nr="c."><al> een burgerinitiatief; of</al></li><li nr="d."><al> een gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.3.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college
                                    van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                                    subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college
                                    verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele
                                    activiteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.3.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 10.000,- en een maximum van €
                                    20.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.5.4 Versterken van zelforganiserend vermogen
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.4.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de ondersteuning bij het opstellen van een
                                            activiteitenprogramma voor één of meer woonkernen met
                                            als doel de leefbaarheid te bevorderen;</al></li><li nr="b."><al> de activiteiten van een dorpscontactpersoon voor een
                                            periode van maximaal twee jaar;</al></li><li nr="c."><al> de ondersteuning bij de opzet en ontwikkeling van een
                                            burgerinitiatief voor een of meer dorpen met als doel de
                                            leefbaarheid te bevorderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.4.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien sprake is van
                                    structurele verankering van activiteiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.4.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5.4.1, aanhef onder
                                        a en c, komen de volgende kosten in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor inzet van uren van de
                                                subsidieontvanger die aantoonbaar gerelateerd zijn
                                                aan de subsidiabele activiteit;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor inzet van externe ondersteuning in
                                                opdracht van de subsidieontvanger welke aantoonbaar
                                                gerelateerd zijn aan de subsidiabele
                                                activiteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.5.4.1, aanhef onder
                                        b, komen de kosten van een dorpscontactpersoon in
                                        aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.4.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> een dorpsraad;</al></li><li nr="b."><al> een rechtspersoon die tot doel heeft of mede tot doel
                                            heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand
                                            te houden;</al></li><li nr="c."><al> een burgerinitiatief.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.4.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een verklaring verstrekt van het college
                                    van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                                    subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college
                                    verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele
                                    activiteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.4.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 10.000,- en een maximum van €
                                    20.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.5.5 Investering in een gemeenschapsvoorziening
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.5.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de ombouw van bestaand vastgoed tot een
                                            gemeenschapsvoorziening;</al></li><li nr="b."><al> de verbouw van een bestaande gemeenschapsvoorziening;
                                            of</al></li><li nr="c."><al> vervangende nieuwbouw van een bestaande
                                            gemeenschapsvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.5.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij de subsidiabele
                                    activiteit ten minste drie van de volgende functies zijn
                                    betrokken: welzijn, educatie, cultuur, zorg, sport,
                                    maatschappelijke dienstverlening en zakelijke
                                    dienstverlening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.5.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten voor inzet van externe ondersteuning in
                                            opdracht van de subsidieontvanger die aantoonbaar
                                            gerelateerd zijn aan de subsidiabele activiteit;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor het verrichten van grond- en
                                            bouwwerkzaamheden van een gemeenschapsvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.5.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die tot doel of
                                    mede tot doel heeft een gemeenschapsvoorziening te beheren en in
                                    stand te houden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.5.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de
                                    aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> een verklaring van het college van burgemeester en
                                            wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele
                                            activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college
                                            verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele
                                            activiteit;</al></li><li nr="b."><al> een realistische en dekkende exploitatiebegroting voor
                                            een periode van ten minste twee jaar; en</al></li><li nr="c."><al> een programma voor ten minste twee jaar waarin
                                            aangegeven wordt welke partners structureel aan de
                                            subsidiabele activiteit deelnemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.5.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 20.000,- en een maximum van €
                                    100.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.5.6 Ontmoetingsplek </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.6.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.5.1 van de SvG wordt verstrekt
                                    voor de aanleg of verbetering van een ontmoetingsplek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.6.2 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> kosten voor het ontwerp van de ontmoetingsplek;</al></li><li nr="b."><al> kosten voor werkzaamheden die aantoonbaar gerelateerd
                                            kunnen worden aan grond- en bouwwerken en
                                            (her)inrichting van een ontmoetingsplek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.6.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan</al><lijst><li nr="a."><al> een dorpsraad;</al></li><li nr="b."><al> een rechtspersoon die tot doel of mede tot doel heeft
                                            een gemeenschapsvoorziening te beheren en in stand te
                                            houden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.6.4 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de
                                    aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> een verklaring van het college van burgemeester en
                                            wethouders van de gemeente waarin de subsidiabele
                                            activiteit wordt uitgevoerd, waarin het college
                                            verklaart geen bezwaar te hebben tegen de subsidiabele
                                            activiteit.</al></li><li nr="b."><al> een programma voor ten minste twee jaar voor het
                                            gebruik van de ontmoetingsplek waarin aangegeven wordt
                                            welke activiteiten plaatsvinden op de
                                            ontmoetingsplek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.5.6.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 20.000,- en een maximum van €
                                    75.000,-.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.6 Sport </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Actieplan Ruimte voor Buitensport: plan van de
                                            buitensportbonden, waarmee een bijdrage wordt geleverd
                                            aan de doelstelling om meer mensen meer te laten bewegen
                                            en sporten;</al></li><li nr="b."><al> breedtesport: sport die wordt beoefend door grote
                                            groepen uit alle lagen van de bevolking vanwege de
                                            sportieve, gezonde en sociale functie ervan;</al></li><li nr="c."><al> buitensportbonden: sportbonden die zich richten op
                                            sport of andere vormen van sportieve recreatie in de
                                            buitenruimte;</al></li><li nr="d."><al> evenementenkalender: een door Gedeputeerde Staten
                                            vastgestelde lijst met sportevenementen welke in 2015 en
                                            2016 voor subsidie in aanmerking kunnen komen;</al></li><li nr="e."><al> FieldLab: locatie voor veldonderzoek in de topsport
                                            onder de hoede van Stichting InnosportNL;</al></li><li nr="f."><al> InnoSportlab: test- en onderzoeksfaciliteiten om
                                            innovatieve activiteiten ten uitvoer te brengen onder de
                                            hoede van Stichting InnosportNL, de landelijke
                                            organisatie die sport, bedrijfsleven en
                                            kennisinstellingen bij elkaar brengt teneinde
                                            sportinnovaties tot stand te brengen;</al></li><li nr="g."><al> interventie: elke planmatige en doelgerichte aanpak om
                                            het gedrag van burgers te veranderen en hun
                                            omstandigheden te beïnvloeden, met als doel de kwaliteit
                                            van het leven of het samenleven te vergroten;</al></li><li nr="h."><al> jongeren: personen jongeren dan 18 jaar;</al></li><li nr="i."><al> kernsport: de zes sporten atletiek, hippische sport,
                                            wielersport, volleybal, judo en tennis, zoals aangewezen
                                            door Provinciale Staten op 30 juni 2010 in het document
                                            ‘Gelderland Sportland: Programma 2010-2016’ en op 11
                                            december 2013 in het document Uitvoeringsprogramma
                                            Gelderland Sport! 2014;</al></li><li nr="j."><al> kernsportbond: </al><lijst><li nr="voor"><al> de atletiek: </al><lijst><li nr="i."><al> Koninklijke Nederlandse Atletiekinie
                                                  (KNAU);</al></li><li nr="ii."><al> Koninklijke Wandel Bond Nederland
                                                  (KWBN);</al></li></lijst></li><li nr="voor"><al> de hippische sport: Koninklijke Nederlandse
                                                  Hippische Sportfederatie (KNHS);</al></li><li nr="voor"><al> de wielersport: </al><lijst><li nr="i."><al> Koninklijke Nederlandsche Wielrenunie
                                                  (KNWU);</al></li><li nr="ii."><al> Nederlandse Toerfietsunie (NTFU);</al></li></lijst></li><li nr="voor"><al> het volleybal: Nederlandse Volleybalbond
                                                  (Nevobo);</al></li><li nr="voor"><al> de judosport: Judobond Nederland (JBN);</al></li><li nr="voor"><al> de tennissport: Koninklijke Nederlandse Lawn
                                                  Tennis Bond (KNLTB);</al></li></lijst></li><li nr="k."><al> mensen met een functiebeperking: personen die in het
                                            dagelijks leven beperkingen ondervinden door chronische
                                            problemen van lichamelijke, psychische of verstandelijke
                                            aard;</al></li><li nr="l."><al> niet-economische activiteit: activiteiten waarbij geen
                                            goederen of diensten op een bepaalde markt worden
                                            aangeboden;</al></li><li nr="m."><al> onrendabele top: berekening van de contante waarde van
                                            de projectkosten voor realisering van een accommodatie
                                            minus de contante waarde van de netto inkomsten
                                            gedurende een periode van twintig jaar, waarbij een
                                            discontovoet van 5,5% wordt gehanteerd;</al></li><li nr="n."><al> regionaal talentencentrum: een organisatievorm waarin
                                            voor een geselecteerde groep talenten in een kernsport
                                            in hun directe leefomgeving onafhankelijk van en
                                            aanvullend op hun eigen vereniging extra faciliteiten
                                            worden georganiseerd;</al></li><li nr="o."><al> senioren: personen van 55 jaar en ouder;</al></li><li nr="p."><al> side event: stimuleringsevenement voor Gelderse
                                            burgers, dat georganiseerd wordt rondom een
                                            topsportevenement of topsportwedstrijd met als doel de
                                            participatie in de sport te verbeteren;</al></li><li nr="q."><al> spin-off: bestedingen door burgers en organisaties, of
                                            investeringen door bedrijven die zonder de te
                                            subsidiëren activiteit niet zouden plaatsvinden;</al></li><li nr="r."><al> sportevenement: evenement dat tot de categorie
                                            internationaal topevenement f landelijk kampioenschap
                                            behoort, of tot de categorie breedtesport, waarbij
                                            verbindingen worden gemaakt met sport, economie en
                                            ruimte;</al></li><li nr="s."><al> sporttalent: Gelderse sporter waaraan NOC*NSF of
                                            Topsport Gelderland de talentenstatus heeft
                                            toegekend;</al></li><li nr="t."><al> topaccommodatie: sportaccommodatie die ten behoeve van
                                            de te beoefenen kernsporten voldoet aan de in de
                                            betreffende tak van sport, door de betreffende
                                            sportbond, gestelde wedstrijdeisen;</al></li><li nr="u."><al> tweede ring van potentiële kernsporten: de sporten
                                            golf, gymnastiek, handbal, hockey, schaatsen (inclusief
                                            skeeleren), schermen, vrouwenvoetbal, waterpolo en
                                            zwemmen die zijn aangewezen door Provinciale Staten op
                                            30 juni 2010 in het document Gelderland Sportland:
                                            Programma 2010-2016 (besluit PS2010-510; zaaknummer
                                            2010-009055) als mogelijke toekomstige kernsport;</al></li><li nr="v."><al> Uitvoeringsprogramma: een door een kernsportbond
                                            opgesteld plan waarin de bond aangeeft voor welke
                                            samenhangende activiteiten subsidie wordt
                                            aangevraagd;</al></li><li nr="w."><al> vitale bedrijven: bedrijven of instellingen die
                                            activiteiten ondernemen met betrekking tot
                                            vitaliteitsmanagement binnen hun organisatie;</al></li><li nr="x."><al> vitale werknemers: werknemers in dienst bij bedrijven
                                            of instellingen gevestigd in Gelderland die activiteiten
                                            of maatregelen ondernemen ter bevordering van hun eigen
                                            gezondheid of levensstijl.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.1.1a Indieningstermijn </titel></kop><al>Subsidie op grond van deze titel kan worden aangevraagd binnen
                                    een bij nader besluit door Gedeputeerde Staten te bepalen
                                    tijdvak.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.2 Vitale samenleving - sportieve
                                    bewegingsruimte </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.2.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor de aanleg van nieuwe
                                    beachvolleybalvelden in de buitenruimte.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.2.2 Criteria </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid van de AsG wordt slechts
                                    subsidie verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> er ten minste drie velden op één locatie worden
                                            aangelegd;</al></li><li nr="b."><al> de velden in aanmerking komen voor classificatie door
                                            de Nevobo;</al></li><li nr="c."><al> ten aanzien van de materiële veldeisen, de materiële
                                            zandeisen en de veldafmetingen ten minste de B-status
                                            kan worden verkregen van de Nevobo;</al></li><li nr="d."><al> een bij de Nevobo aangesloten vereniging toeziet op het
                                            gebruik, het onderhoud en de veiligheid van de
                                            velden;</al></li><li nr="e."><al> de voorzieningen passen binnen het gemeentelijk
                                            sportbeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.2.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.2.1, wordt verstrekt
                                    aan:</al><lijst><li nr="a."><al> een volleybalvereniging die is aangesloten bij de
                                            Nevobo;</al></li><li nr="b."><al> een gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.2.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    met een maximum van € 25.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.3 Vervallen per 1 januari 2015 </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.4 Vervallen per 1 januari 2015 </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.5 Vitale samenleving - sport en gezondheid bij
                                    mensen met een lage sociaal- economische status </titel></kop><artikel><kop><titel>Gereserveerd </titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.6 Vervallen per 1 januari 2015 </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.7 Vervallen per 1 januari 2015 </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.8 Excellente prestaties - Accommodaties
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de bouw van een topaccommodatie;</al></li><li nr="b."><al> de verbouw van een accommodatie tot een
                                            topaccommodatie;</al></li><li nr="c."><al> vervallen per 1 augustus 2014.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Accommodaties als bedoeld in artikel 5.6.8.1: </al><lijst><li nr="a."><al> worden ten minste gebruikt voor de beoefening van
                                                een kernsport;</al></li><li nr="b."><al> zijn geschikt voor de beoefening van sport door
                                                zowel sporters met als zonder functiebeperking;</al></li><li nr="c."><al> worden ten minste gebruikt door inwoners uit ten
                                                minste twee Gelderse gemeenten;</al></li><li nr="d."><al> worden voor minimaal 80% ter beschikking gesteld
                                                aan gebruikers die niet-economische activiteiten
                                                verrichten tegen tarieven die ten hoogste kostprijs
                                                dekkend zijn;</al></li><li nr="e."><al> worden onverminderd het bepaalde onder d ter
                                                beschikking gesteld aan gebruikers die economische
                                                activiteiten verrichten tegen tarieven die ten
                                                minste marktconform zijn; en</al></li><li nr="f."><al> komen slechts voor subsidie in aanmerking indien de
                                                accommodatie past binnen het provinciaal sportbeleid
                                                en het sportbeleid van de gemeente waarin de
                                                accommodatie wordt gerealiseerd dan wel de gemeenten
                                                waarvoor de accommodatie bestemd is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidieverstrekking voor accommodaties als bedoeld in
                                        artikel 5.6.8.1 heeft een stimulerend effect. Dit is het
                                        geval: </al><lijst><li nr="a."><al> Indien het gaat om kleine- of middelgrote
                                                ondernemingen: wanneer de subsidieaanvrager een
                                                subsidieaanvraag heeft ingediend voordat de
                                                werkzaamheden aan het project zijn begonnen;</al></li><li nr="b."><al> Indien het gaat om grote ondernemingen: </al><lijst><li nr="i."><al> wanneer wordt voldaan aan de voorwaarde
                                                  genoemd onder a;</al></li><li nr="ii."><al> indien de subsidieverstrekking een wezenlijke
                                                  toename van de omvang en de reikwijdte van het
                                                  project tot gevolg heeft; en</al></li><li nr="iii."><al> indien de subsidieverstrekking zorgt voor een
                                                  wezenlijke toename van de totale uitgaven van de
                                                  subsidieontvanger voor het project en zorgt voor
                                                  een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het
                                                  project wordt voltooid.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie komen kosten die rechtstreeks betrekking
                                        hebben op de bouw of verbouw van de accommodatie die voldoet
                                        aan de door de sportbonden gestelde eisen om wedstrijden
                                        breedtesporten te kunnen beoefenen in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Niet voor subsidie komen in aanmerking kosten die
                                        betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al> de aankoop van grond, eventuele opstallen en de
                                                waarde van de grond;</al></li><li nr="b."><al> de aanleg van parkeervoorzieningen;</al></li><li nr="c."><al> de aanleg van groenvoorzieningen;</al></li><li nr="d."><al> de aanleg van voorzieningen die niet op de
                                                bouwkavel zijn gelegen waar de accommodatie wordt
                                                gerealiseerd dan wel verbouwd;</al></li><li nr="e."><al> de inrichting van de accommodatie, welke niet aard-
                                                en nagelvast met de accommodatie zijn
                                                verbonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.4 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Geen subsidie wordt verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de verbouw van of de aanbouw aan bestaande
                                            accommodaties, tenzij er sprake is van het bepaalde in
                                            artikel 5.6.8.1, aanhef en onder b;</al></li><li nr="b."><al> de bouw of verbouw van een accommodatie in een gemeente
                                            waar in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag reeds
                                            voor een accommodatie ten behoeve van dezelfde kernsport
                                            subsidie is verstrekt.</al></li><li nr="c."><al> vervallen per 1 januari 2015.</al></li><li nr="d."><al> ondernemingen ten aanzien waarvan er een uitstaand
                                            bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere
                                            beschikking van de Commissie waarin de steun
                                            onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke
                                            markt is verklaard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten tot een maximum van € 3.000.000,- voor activiteiten
                                        als bedoeld in artikel 5.6.8.1, aanhef en onder a en b.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het subsidiebedrag als bedoeld in het eerste lid bedraagt
                                        ten hoogste de onrendabele top die het gevolg is van het
                                        bepaalde in artikel 5.6.8.2, eerste lid, aanhef en onder
                                        d.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ter vaststelling van de onrendabele top dient de
                                        subsidieaanvrager een realistisch onderbouwd bedrijfsplan te
                                        overleggen. In dit bedrijfsplan is ten minste een
                                        bezettingsindicatie, een risicoparagraaf en een
                                        investerings- en exploitatiebegroting opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidieaanvrager is verplicht een gescheiden
                                        boekhouding te voeren dan wel een ander monitoringssysteem
                                        te hanteren waaruit blijkt dat er geen sprake is van
                                        overcompensatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.6 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> Gemeente Ede;</al></li><li nr="b."><al> Gemeente Tiel;</al></li><li nr="c."><al> gemeente Nunspeet;</al></li><li nr="d."><al> KNLTB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.8.7 Verplichtingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is verplicht de inkomsten die boven de
                                        geraamde inkomsten worden gegenereerd terug te betalen aan
                                        de provincie naar evenredigheid van de verleende subsidie.
                                        Deze inkomsten worden daarbij vermeerderd met die
                                        overstijgende inkomsten, die ten goede komen aan een
                                        subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de topaccommodatie wordt op transparante en niet
                                        discriminerende basis toegang verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ondernemingen die ten minste 30% van de investeringskosten
                                        van de topaccommodatie hebben gefinancierd, kunnen
                                        bevoorrechte toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits
                                        die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de subsidieontvanger gebruik maakt van derden om de
                                        accommodatie te bouwen, verbouwen of te exploiteren, neemt
                                        hij hierbij de geldende aanbestedingsregels in acht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.9 Economische impact - Sportevenementen
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.9.1 Evenementenkalender </titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen voor de jaren 2015 en 2016 een
                                    evenementenkalender vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.9.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1, aanhef en onder b van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor de organisatie van
                                    sportevenementen die op de evenementenkalender staan indien er
                                    een programma van breedtesportstimuleringsactiviteiten rondom
                                    het evenement wordt georganiseerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.9.3 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie voor nationale en internationale
                                        kernsportevenementen, sportevenementen of regionale
                                        breedtesportevenementen bedraagt ten hoogste 50% van de
                                        subsidiabele kosten met een maximum van: </al><lijst><li nr="a."><al> € 75.000,- voor een Nederlands Kampioenschap of een
                                                evenement met een vergelijkbare status op het
                                                hoogste nationale niveau van sportbeoefening;</al></li><li nr="b."><al> € 150.000,- voor een Europees Kampioenschap of een
                                                evenement met een vergelijkbare status op het
                                                hoogste Europese niveau van sportbeoefening;</al></li><li nr="c."><al> € 200.000,- voor een Wereldkampioenschap of een
                                                evenement met een vergelijkbare status op het
                                                hoogste wereldniveau van sportbeoefening;</al></li><li nr="d."><al> € 35.000,- voor regionale
                                                breedtesportevenementen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie kan met € 20.000,- worden verhoogd voor het
                                        organiseren van activiteiten die zijn gericht op het
                                        vergroten van de economische impact van het evenement.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.9.4 Verplichtingen </titel></kop><al>Bij een subsidie van meer dan € 25.000,- voor activiteiten als
                                    bedoeld in artikel 5.6.9.2, is de subsidieontvanger verplicht
                                    binnen zes maanden na het einde van het evenement een
                                    onderzoeksrapport te overleggen, met de resultaten van een
                                    onderzoek naar de economische spin-off van het evenement voor
                                    het bedrijfsleven in Gelderland conform de methodiek van de
                                    landelijke Werkgroep Evaluatie Sportevenementen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.9.5 Weigeringsgrond </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Geen subsidie wordt verstrekt op grond van 5.6.9.3 lid 2
                                        indien voor dezelfde subsidiabele activiteit reeds subsidie
                                        is verstrektop grond van artikel 5.6.11.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien aan een kernsportbond subsidie is verstrekt op grond
                                        van deze paragraaf kan aan diezelfde kernsportbond geen
                                        subsidie worden verstrekt op grond van paragraaf
                                        5.6.12.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.10 Economische impact - Kennis en innovatie
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.10.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> activiteiten die bijdragen aan de toepassing van
                                            innovatie op het gebied van top en breedtesport in
                                            Gelderland;</al></li><li nr="b."><al> de realisering van een FieldLab of InnoSportLab in de
                                            provincie Gelderland dat zich richt op een kernsport of
                                            de tweede ring van potentiële kernsporten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.10.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten als bedoeld in artikel 5.6.10.1, aanhef
                                            en onder a, betrekking hebben op een kernsport of een
                                            sport uit de tweede ring van potentiële
                                            kernsporten;</al></li><li nr="b."><al> ten aanzien van de activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.6.10.1, aanhef en onder b, een positief advies is
                                            uitgebracht door de betrokken sportbond(en) en door
                                            InnosportNL;</al></li><li nr="c."><al> uit de aanvraag blijkt dat de resultaten van een
                                            innovatie in eerste instantie ten goede komen aan
                                            Gelderse sporttalenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.10.3 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    met een maximum van € 50.000 per activiteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.10.4 Weigeringsgronden </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Geen subsidie wordt verstrekt voor het verrichten van
                                        fundamenteel onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien aan een kernsportbond subsidie is verstrekt op grond
                                        van deze paragraaf kan aan diezelfde kernsportbond geen
                                        subsidie worden verstrekt op grond van paragraaf
                                        5.6.12.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.11 Economische impact - Vitale bedrijven,
                                    vitale werknemers </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.11.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.6.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor activiteiten gericht op het verspreiden van
                                    kennis, het verbinden en bijeen brengen van bedrijven of
                                    instellingen met betrekking tot het thema vitaliteit en
                                    gezondheid van werknemers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.11.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor het organiseren van
                                    bijeenkomsten, waar ten minste vijf bedrijven of instellingen,
                                    welke in Gelderland gevestigd zijn, aan deelnemen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.11.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> het organiseren van bijeenkomsten;</al></li><li nr="b."><al> het inhuren van sprekers of deskundigen; of</al></li><li nr="c."><al> het opstellen dan wel laten opstellen van communicatie
                                            uitingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.11.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de organisator van een
                                    bijeenkomst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.11.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 25.000 per bijeenkomst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.11.6 Weigeringsgrond </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Geen subsidie wordt verstrekt indien voor dezelfde
                                        subsidiabele activiteit reeds subsidie is verstrekt op grond
                                        van artikel 5.6.9.3 lid 2.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien aan een kernsportbond subsidie is verstrekt op grond
                                        van deze paragraaf kan aan diezelfde kernsportbond geen
                                        subsidie worden verstrekt op grond van paragraaf 5.6.12.
                                    </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.6.12 Programmatische subsidiëring </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die zijn
                                        opgenomen in eenuitvoeringsprogramma van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het uitvoeringsprogramma omschrijft de wijze waarop wordt
                                        bijgedragen aan het realiseren van de navolgende provinciale
                                        programmadoelen: </al><lijst><li nr="a."><al> sportieve bewegingsruimte;</al></li><li nr="b."><al> actieve senioren;</al></li><li nr="c."><al> sport en gezondheid bij jeugd;</al></li><li nr="d."><al> sport en gezondheid bij mensen met een
                                                functiebeperking;</al></li><li nr="e."><al> talentontwikkeling;</al></li><li nr="f."><al> sportevenementen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.2 Sportieve bewegingsruimte </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor sportieve bewegingsruimte kan verstrekt
                                        worden voor: </al><lijst><li nr="a."><al> activiteiten die uitvoering geven aan een Gelderse
                                                invulling van het Actieplan Ruimte voor
                                                Buitensport;</al></li><li nr="b."><al> activiteiten die zijn gericht op het realiseren van
                                                sportieve buitenruimte overeenkomstig de
                                                resultaatdoelstellingen uit minimaal twee
                                                kernsportplannen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd artikel 2.1, tweede lid van de AsG wordt
                                        slechts subsidie verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit tot doel heeft het
                                                gebruik van de sportieve buitenruimte te
                                                bevorderen</al></li><li nr="b."><al> het onderhoud en beheer na uitvoering van de
                                                subsidiabele activiteit zijn verzekerd; en</al></li><li nr="c."><al> er een programma is opgesteld met afspraken over
                                                het gebruik van de gerealiseerde voorziening en de
                                                te organiseren activiteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.3 Actieve senioren </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor actieve senioren kan verstrekt worden voor: </al><lijst><li nr="a."><al> activiteiten die gericht zijn op sport-en
                                                beweeginterventies uitgevoerd in meer dan één
                                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al> activiteiten die gericht zijn op valpreventie in
                                                combinatie met bewegings-of sportactiviteiten
                                                uitgevoerd in meer dan één gemeente;</al></li><li nr="c."><al> activiteiten die gericht zijn op het opleiden van
                                                docenten in combinatie met een interventie
                                                uitgevoerd in meer dan één gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.4 Sport en gezondheid bij jeugd </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor sport en gezondheid bij jeugd kan verstrekt
                                        worden voor activiteiten in meer danéén gemeente waarbij
                                        leefstijlinterventies gericht op sporten en bewegen uit de </al><al/><al> Interventiedatabase van het Loket Gezond Leven van het RIVM
                                        of van de Menukaart van het samenwerkingsverband Effectief
                                        Actief worden ingezet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.5 Sport en gezondheid voor mensen met een
                                        functiebeperking </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor sport en gezondheid voor mensen met een
                                        functiebeperking kan verstrekt worden voor: </al><lijst><li nr="a."><al> activieteiten in meer dan één gemeente die zijn
                                                gericht op mensen met een zodanige functiebeperking
                                                dat zij niet in staat zijn om een reguliere vorm van
                                                een sport te beoefenen; of</al></li><li nr="b."><al> activiteiten in meer dan een gemeente die bijdragen
                                                aan een goede sportinfrastructuur voor aangepast
                                                sporten voor mensen met een functiebeperking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 5.6.12.6 Talentontwikkeling </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor talentontwikkeling kan verstrekt worden voor: </al><lijst><li nr="a."><al> het oprichten en opstarten van een Regionaal
                                                Talenten Centrum ten behoeve van één van de
                                                kernsporten;</al></li><li nr="b."><al> de opleiding van coaches tot topsportcoach;</al></li><li nr="c."><al> de begeleiding van het kader van sportverenigingen
                                                t.b.v. de ondersteuning van sporttalenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.7 Sportevenementen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor sportevenementen kan worden verstrekt voor de
                                        organisatie vansportevenementen die op de
                                        evenementenkalender staan indien er een programma van </al><al/><al> breedtesportstimuleringsactiviteiten rondom het evenement
                                        wordt georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor nationale en internationale
                                        kernsportevenementen bedraagt ten hoogste 50% van de
                                        subsidiabele kosten met een maximum van: </al><lijst><li nr="a."><al> € 75.000,- voor een Nederlands Kampioenschap of een
                                                evenement met een vergelijkbare status op het
                                                hoogste nationale niveau van sportbeoefening;</al></li><li nr="b."><al> € 150.000,- voor een Europees Kampioenschap of een
                                                evenement met een vergelijkbare status op het
                                                hoogste Europese niveau van sportbeoefening;</al></li><li nr="c."><al> € 200.000,- voor een Wereldkampioenschap of een
                                                evenement met een vergelijkbare status op het
                                                hoogste wereldniveau van sportbeoefening;</al></li><li nr="d."><al> € 35.000,- voor regionale
                                                breedtesportevenementen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie kan met € 20.000,- worden verhoogd voor het
                                        organiseren van activiteiten die zijn gericht op het
                                        vergroten van de economische impact van het evenement.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij een subsidie van meer dan € 25.000,- voor activiteiten
                                        als bedoeld in eerste lid is de ontvanger verplicht binnen
                                        zes maanden na het einde van het evenement een
                                        onderzoeksrapport te overleggen, met de resultaten van een
                                        onderzoek naar de economische spin-off van het evenement
                                        voor het bedrijfsleven in Gelderland conform de methodiek
                                        van de landelijke Werkgroep Evaluatie Sportevenementen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.8 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan kernsportbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.6.12.9 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Indien aan een kernsportbond subsidie is verstrekt op grond van
                                    de paragrafen 5.6.8, 5.6.9, 5.6.10 en 5.6.11 kan aan diezelfde
                                    kernsportbond geen subsidie worden verstrekt op grond van deze
                                    paragraaf.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.7 Topsectoren en Innovatie </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief
                                            verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al> basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case
                                            moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde
                                            techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van
                                            de financiering van de marktintroductie en de
                                            organisatorische inbedding van de marktintroductie;</al></li><li nr="c."><al> bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw bedoeld voor de
                                            huisvesting van meerdere afzonderlijke ondernemingen die
                                            in dezelfde sector of fase in het bestaan van de
                                            onderneming actief zijn;</al></li><li nr="d."><al> concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie
                                            met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één
                                            van de basisvoorwaarden;</al></li><li nr="e."><al> incubator: broedplaats die tot doel heeft om startende
                                            ondernemingen te ondersteunen in hun groei naar gezonde,
                                            goed draaiende ondernemingen, door hen huisvesting,
                                            seedcapital, administratie, technische ondersteuning,
                                            contacten en managementadvies te bieden;</al></li><li nr="f."><al> kennisinstelling: universiteiten, hogescholen en
                                            academische ziekenhuizen, instellingen voor middelbaar
                                            beroepsonderwijs en onderzoeksinstellingen die zonder
                                            winstoogmerk onderzoek en ontwikkeling verrichten en
                                            voor minimaal 10% meerjarig structureel door de overheid
                                            worden gefinancierd;</al></li><li nr="g."><al> maakindustrie: het met behulp van machines
                                            bedrijfsmatig bewerken van grondstoffen en produceren
                                            van halffabricaten en eindproducten voor de commerciële
                                            markt;</al></li><li nr="h."><al> marktfalen: situatie waarin ondernemingen activiteiten
                                            niet of niet voldoende zouden verrichten als zij alleen
                                            naar de signalen van de markt zouden kijken;</al></li><li nr="i."><al> marktintroductie: overgang van de eindfase van het
                                            innovatieproces naar de pioniersfase van
                                            ondernemerschap; fase waarin afnemers en producenten van
                                            innovatieve producten overeenkomsten aangaan;</al></li><li nr="j."><al> MKB-onderneming: een onderneming die behoort tot de
                                            categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in
                                            de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling
                                            (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei
                                            2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en
                                            micro-ondernemingen (PbEU L 124);</al></li><li nr="k."><al> proeftuinen: fysieke of virtuele proefomgeving voor
                                            meerdere onafhankelijke ondernemingen en organisaties
                                            waar eindgebruikers van innovatieprojecten of
                                            innovatieprocessen in participeren teneinde te komen tot
                                            versnelde marktintroducties van een innovatief
                                            product;</al></li><li nr="l."><al> programma: samenhangende reeks van projecten en
                                            activiteiten met een gezamenlijk doel;</al></li><li nr="m."><al> Regionale Centra voor Technologie: de stichting
                                            Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de
                                            stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de
                                            stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT
                                            Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor
                                            Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk
                                            Stedendriehoek te Apeldoorn, de stichting Veluws Centrum
                                            voor Technologie te Nunspeet;</al></li><li nr="n."><al> technische haalbaarheidsstudie: een studie naar de
                                            technische onzekerheden bij de ontwikkeling van
                                            producten, processen of diensten teneinde de
                                            slagingskans van een innovatie te vergroten. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.2 Versnellen van innovaties Food, Health en
                                    Maakindustrie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.2.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het ten behoeve van
                                    MKB-ondernemingen laten doen van onderzoek gericht op:</al><lijst><li nr="a."><al> de fase van het innovatieproces waarbinnen ideeën
                                            worden omgezet in concepten;</al></li><li nr="b."><al> deelname aan programma's van de Europese Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.2.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en
                                    Maakindustrie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.2.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> Valleybureaus;</al></li><li nr="b."><al> Regionale Centra voor Technologie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.2.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste € 500.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.2.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit
                                    betrekking heeft op fundamenteel onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.2.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht de subsidie zodanig aan te
                                    wenden dat per kalenderjaar per onderneming ten behoeve waarvan
                                    het onderzoek wordt uitgevoerd maximaal € 10.000 wordt aangewend
                                    en maximaal 50% van de onderzoekskosten wordt vergoed.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.3 Collectief onderzoek </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            Food, Health en Maakindustrie;</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking
                                            behelst: </al><lijst><li nr="i."><al> tussen ondernemingen waarvan er ten minste één
                                                  MKB is en geen van de ondernemingen neemt meer dan
                                                  70% van de in aanmerking komende kosten voor haar
                                                  rekening, of</al></li><li nr="ii."><al> tussen een onderneming en één of meer
                                                  organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding,
                                                  waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in
                                                  aanmerking komende kosten dragen en het recht
                                                  hebben hun eigen onderzoeksresultaten te
                                                  publiceren; en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in staat is zelf
                                            de productie ter hand te nemen na een eventuele
                                            succesvolle marktintroductie in vervolg op de
                                            subsidiabele activiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en
                                        onder a en b, komen in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> personeelskosten voor onderzoekers, technici en
                                                ander ondersteunend personeel voor zover zij zich
                                                met het onderzoeksproject bezighouden;</al></li><li nr="b."><al> kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en
                                                voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden
                                                gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet
                                                tijdens hun volledige levensduur voor het
                                                onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de
                                                afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd
                                                van het project, berekend volgens algemeen erkende
                                                boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking
                                                komende kosten beschouwd;</al></li><li nr="c."><al> kosten van gebouwen en grond voor zover en voor
                                                zolang zij voor het onderzoeksproject worden
                                                gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de
                                                afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd
                                                van het project, berekend volgens algemeen erkende
                                                boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking
                                                komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen
                                                de kosten voor de commerciële overdracht of
                                                daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in
                                                aanmerking;</al></li><li nr="d."><al> kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien
                                                die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij
                                                of waarvoor een licentie wordt verleend door externe
                                                bronnen, alsmede kosten voor consultancy en
                                                gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het
                                                project worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende algemene kosten en andere operationele
                                                uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties
                                                en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het
                                                project voortvloeien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.3.1, aanhef en
                                        onder c komen de studiekosten in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.4a Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van de subsidiabele activiteit
                                            risicodragende financiering mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager of holding waartoe de aanvrager behoort in
                                            het kalenderjaar waarin de subsidie wordt aangevraagd al
                                            een subsidie heeft ontvangen op grond van deze
                                            paragraaf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 50.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.3.6 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met Hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.4 Projectsubsidie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> experimentele ontwikkeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            Food, Health en Maakindustrie;</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking
                                            behelst: </al><lijst><li nr="i."><al> tussen ondernemingen waarvan er ten minste één
                                                  een MKB is en geen van de ondernemingen neemt meer
                                                  dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor
                                                  haar rekening, of</al></li><li nr="ii."><al> tussen een onderneming en één of meer
                                                  organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding,
                                                  waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in
                                                  aanmerking komende kosten dragen en het recht
                                                  hebben hun eigen onderzoeksresultaten te
                                                  publiceren;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in staat is zelf
                                            de productie ter hand te nemen na een eventuele
                                            succesvolle marktintroductie in vervolg op de
                                            subsidiabele activiteit; en</al></li><li nr="d."><al> de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector
                                            betrekking heeft op een keten van </al><al/><al> producent, leverancier en eindgebruiker. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander
                                            ondersteunend personeel voor zover zij zich met het
                                            onderzoeksproject bezighouden;</al></li><li nr="b."><al> kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor
                                            zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt.
                                            Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun
                                            volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden
                                            gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten
                                            overeenstemmend met de looptijd van het project,
                                            berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige
                                            beginselen, als in aanmerking komende kosten
                                            beschouwd;</al></li><li nr="c."><al> kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang
                                            zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat
                                            gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten
                                            overeenstemmend met de looptijd van het project,
                                            berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige
                                            beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd.
                                            Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële
                                            overdracht of daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in
                                            aanmerking;</al></li><li nr="d."><al> kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die
                                            op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of
                                            waarvoor een licentie wordt verleend door externe
                                            bronnen, alsmede kosten voor consultancy en
                                            gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project
                                            worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende algemene kosten en andere operationele
                                            uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en
                                            dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project
                                            voortvloeien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een schriftelijk bewijsstuk verstrekt waar
                                    uit blijkt dat de subsidiabele activiteit binnen de betreffende
                                    sector betrekking heeft op de keten van producent, leverancier
                                    en eindgebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 250.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.7 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van de subsidiabele activiteit
                                            risicodragende financiering mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager of holding waartoe de aanvrager behoort in
                                            het kalenderjaar waarin de subsidie wordt aangevraagd al
                                            een subsidie heeft ontvangen op grond van deze
                                            paragraaf; of</al></li><li nr="c."><al> de aanvrager niet beschikt over een aantoonbaar
                                            marktaandeel van de betreffende markt waarbinnen de
                                            innovatie plaatsvindt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.4.8 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met artikel 25 en Hoofdstuk I van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.5 Onderzoeksinfrastructuur voor economische
                                    activiteiten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.5.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor de bouw of het upgraden van
                                    onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden
                                    verricht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.5.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            Food, Health en Maakindustrie;</al></li><li nr="b."><al> de infrastructuur wordt gebruikt voor industrieel
                                            onderzoek of experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de
                                            infrastructuur wordt berekend, overeenstemt met een
                                            marktprijs; en</al></li><li nr="d."><al> de toegang tot de infrastructuur open staat voor
                                            meerdere gebruikers en op transparante en
                                            niet-discriminerende basis wordt verleend. Ondernemingen
                                            die ten minste 10% van de </al><al/><al> investeringskosten van de infrastructuur hebben
                                            gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op
                                            gunstigere voorwaarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.5.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de investeringen
                                    in immateriële en materiële activa. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.5.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 300.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.5.5 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met artikel 26 en Hoofdstuk I van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.6 Proeftuinen ten behoeve van marktintroducties
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.6.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het:</al><lijst><li nr="a."><al> ontwikkelen van proeftuinen ten behoeve van
                                            marktintroducties door een innovatiecluster;</al></li><li nr="b."><al> generiek promoten van het Gelderse
                                            proeftuinklimaat;</al></li><li nr="c."><al> generiek promoten van het Gelderse ondernemingsklimaat
                                            voor innoverende ondernemingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.6.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                        activiteit plaatsvindt in de sectoren Food, Health en
                                        Maakindustrie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder c,
                                        wordt slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor
                                        gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste
                                        één andere onderneming, kennisinstelling of
                                        publiekrechtelijke rechtspersoon en de voorwaarden voor de
                                        samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.6.3 Aanvrager </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder a,
                                        wordt verstrekt aan de onderneming die het innovatiecluster
                                        exploiteert (de clusterorganisatie).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder b,
                                        wordt verstrekt aan Valleybureaus en Regionale Centra voor
                                        Technologie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1, aanhef en onder c,
                                        wordt verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de
                                                Wet gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="c."><al> privaatrechtelijke rechtspersonen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.6.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 200.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.6.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit
                                    betrekking heeft op de realisatie, verkrijging, gebruik of
                                    beheer van onroerende zaken en infrastructuur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.6.6. Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.6.1 aanhef en onder a wordt
                                    slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met
                                    hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.7 Ondersteunen innovatieve starters </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.7.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een programma
                                    gericht op het ondersteunen van innovatieve starters teneinde
                                    innovatie en ondernemerschap te bevorderen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.7.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            Food, Health en Maakindustrie;</al></li><li nr="b."><al> de begunstigde onderneming een startende onderneming
                                            is; en</al></li><li nr="c."><al> de begunstigde onderneming een innovatieve onderneming
                                            is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.7.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een rechtspersoon die deels of
                                    volledig statutair wordt bestuurd door vertegenwoordigers van
                                    onderwijs- of kennisinstellingen en die zich blijkens zijn
                                    statuten het bevorderen van het ontstaan van jonge innoverende
                                    ondernemingen tot doel stelt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.7.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 3.000.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.7.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien samenwerking met andere door de
                                    provincie ondersteunde programma's ter bevordering van
                                    ondernemerschap ontbreekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.7.6 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 22 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.8 Internationalisering </titel></kop><artikel><kop><titel>gereserveerd </titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.9 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie sectoren
                                    Food, Health en Maakindustrie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.9.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het verkleinen van
                                    arbeidsmarktdiscrepanties.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.9.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            Food, Health en Maakindustrie; en</al></li><li nr="b."><al> bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten
                                            één of meerdere ondernemingen zijn betrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.9.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> ondernemingen;</al></li><li nr="b."><al> verenigingen van ondernemingen;</al></li><li nr="c."><al> kennisinstellingen;</al></li><li nr="d."><al> gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.9.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 200.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.10 Ondersteuning Valleybureaus als
                                    innovatiecluster </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.10.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder d, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de bouw of het upgraden van een innovatiecluster;</al></li><li nr="b."><al> het exploiteren van een innovatiecluster. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.10.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit plaatsvindt ten behoeve van de sector Food of
                                    Health.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.10.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de Valleybureaus.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.10.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 500.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.10.5 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.7.11 Aanjagen en stimuleren van regionale
                                    gebiedsontwikkeling </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.1, aanhef en onder e, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor activiteiten die betrekking hebben
                                    op de fysieke realisatie van een incubator, een
                                    bedrijfsverzamelgebouw of een gedeelde
                                    onderzoeksfaciliteit.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            Food, Health en Maakindustrie; en</al></li><li nr="b."><al> de bij de subsidiabele activiteit betrokken publieke en
                                            private partijen hun samenwerkingsafspraken schriftelijk
                                            hebben vastgelegd en daarbij ten minste regelingen
                                            hebben getroffen terzake de financiering van de
                                            voorgenomen fysieke realisatie en de verdeling van
                                            financiële risico's.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> het opstellen van een ruimtelijk-planologische visie of
                                            een ruimtelijk plan;</al></li><li nr="b."><al> het opstellen van een business case;</al></li><li nr="c."><al> het financieren van een onrendabele top in de vorm van
                                            kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang
                                            zij voor industrieel onderzoek of experimentele
                                            ontwikkeling worden gebruikt. Wat gebouwen betreft,
                                            worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met
                                            de looptijd van het project, berekend volgens algemeen
                                            erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele
                                            kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten
                                            voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte
                                            kapitaalkosten in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet
                                            gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="c."><al> privaatrechtelijke rechtspersonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten tot een maximum van € 100.000 voor kosten als bedoeld
                                        in artikel 5.7.11.3, aanhef en onder a of b;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 5.7.11.3,
                                        aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste: </al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten indien en voor zover
                                                de betreffende gebouwen en grond als bedoeld in
                                                artikel 5.7.11.1 worden gebruikt voor industrieel
                                                onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> 25% van de subsidiabele kosten indien en voor zover
                                                de betreffende gebouwen en grond als bedoeld in
                                                artikel 5.7.11.1 worden gebruikt voor experimentele
                                                ontwikkeling.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.6 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> niet uit een marktonderzoek het nut, de noodzaak en de
                                            realiseerbaarheid van de subsidiabele activiteit
                                            volgt;</al></li><li nr="b."><al> de uitgangspunten van de subsidiabele activiteit niet
                                            in overleg met de provincie zijn opgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.7.11.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.7.11.3, aanhef en onder c,
                                    wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met
                                    Hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.8 Economisch beleid </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> Actieplan Vrijetijdseconomie: het actieplan zoals
                                            vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van
                                            Gelderland van 22 mei 2012 (zaaknummer
                                            2012-008498);</al></li><li nr="b."><al> arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief
                                            verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="c."><al> basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case
                                            moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde
                                            techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van
                                            de financiering van de marktintroductie en de
                                            organisatorische inbedding van de marktintroductie;</al></li><li nr="d."><al> businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving: een
                                            uitgewerkt plan dat inzicht geeft in de knelpunten,
                                            investeringskansen op zowel publiek als privaat terrein,
                                            beoogde maatregelen inclusief begroting en een visie op
                                            toekomstig beheer en onderhoud van het desbetreffende
                                            bedrijventerrein;</al></li><li nr="e."><al> concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie
                                            met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één
                                            van de basisvoorwaarden;</al></li><li nr="f."><al> creatieve sector: sector van ondernemingen die gericht
                                            zijn op de exploitatie van kunstzinnigheid en
                                            intellectueel eigendom;</al></li><li nr="g."><al> economische spin-off: positieve (boven)regionale
                                            economische effecten voorafgaand aan, tijdens of na het
                                            evenement;</al></li><li nr="h."><al> evenement: een bestaand één- of meerdaags sport- of
                                            cultuurevenement met een (boven)regionaal karakter dat
                                            georganiseerd wordt in Gelderland en past binnen het
                                            "Gelders Evenementenbeleid 2013-2016; Beleef de Gelderse
                                            Streken";</al></li><li nr="i."><al> kennisinstelling: universiteiten, hogescholen en
                                            academische ziekenhuizen, instellingen voor middelbaar
                                            beroepsonderwijs en onderzoeksinstellingen die zonder
                                            winstoogmerk onderzoek en ontwikkeling verrichten en
                                            voor minimaal 10% meerjarig structureel door de overheid
                                            worden gefinancierd;</al></li><li nr="j."><al> Maakindustrie: het met behulp van machines
                                            bedrijfsmatig bewerken van grondstoffen en produceren
                                            van halffabricaten en eindproducten voor de commerciële
                                            markt;</al></li><li nr="k."><al> marktfalen: situatie waarin ondernemingen activiteiten
                                            niet of niet voldoende zouden verrichten als zij alleen
                                            naar de signalen van de markt zouden kijken;</al></li><li nr="l."><al> marktintroductie: overgang van de eindfase van het
                                            innovatieproces naar de pioniersfase van
                                            ondernemerschap; fase waarin afnemers en producenten van
                                            innovatieve producten overeenkomsten aangaan;</al></li><li nr="m."><al> MKB-onderneming: een onderneming die behoort tot de
                                            categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in
                                            de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling
                                            (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei
                                            2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en
                                            micro-ondernemingen (PbEU L 124);</al></li><li nr="n."><al> Platform Onderwijs Arbeidsmarkt: een door de provincie
                                            gefaciliteerd regionale samenwerkingsverband tussen
                                            bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en gemeenten om het
                                            arbeidsaanbod beter en tijdig af te stemmen op de
                                            behoefte uit de markt;</al></li><li nr="o."><al> proeftuinen: fysieke of virtuele proefomgeving voor
                                            meerdere onafhankelijke ondernemingen en organisaties
                                            waar eindgebruikers van innovatieprojecten of
                                            innovatieprocessen in oparticiperen teneinde te komen
                                            tot versnelde marktintroducties van een innovatief
                                            product;</al></li><li nr="p."><al> programma: samenhangende reeks van projecten en
                                            activiteiten met een gezamenlijk doel;</al></li><li nr="q."><al> regiocontract: contract tussen enerzijds provincie en
                                            anderzijds regio's en steden in het kader van het
                                            Programma Stad en Regio;</al></li><li nr="r."><al> Regionaal Programma Bedrijventerreinen: een document
                                            dat afspraken bevat tussen de betreffende regio en de
                                            provincie voor de planning en de programmering van
                                            bedrijventerreinen, waarbij voornoemde afspraken een
                                            uitwerking betreffen van de gemeentelijke, regionale en
                                            provinciale doelstellingen op het gebied van
                                            bedrijventerreinen;</al></li><li nr="s."><al> Regionale Bureaus voor Toerisme: organisaties ter
                                            bevordering van toerisme per regio zoals aangegeven op
                                            een als bijlage bij onderhavige subsidieregeling
                                            gevoegde kaart;</al></li><li nr="t."><al> Regionale Centra voor Technologie: de stichting
                                            Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de
                                            stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de
                                            stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT
                                            Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor
                                            Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk
                                            Stedendriehoek te Apeldoorn, de stichting Veluws Centrum
                                            voor Technologie te Nunspeet;</al></li><li nr="u."><al> SBI-code: de door het Centraal Bureau voor de
                                            Statistiek opgestelde code conform de Standaard
                                            Bedrijfsindeling 2008 ter aanduiding van de
                                            belangrijkste activiteit van</al><al/><al> een onderneming die in het Handelsregister is
                                            ingeschreven;</al></li><li nr="v."><al> sector logistiek: sector van ondernemingen die goederen
                                            vervoeren, overslaan, sorteren of opslaan;</al></li><li nr="w."><al> toeristische informatie: informatie ten behoeve van
                                            (dag)recreanten die ten minste bezienswaardigheden,
                                            horeca, natuur en landschap en dagrecreatieve
                                            mogelijkheden betreft;</al></li><li nr="x."><al> vrijetijdseconomie: de economie die bestaat uit
                                            ondernemingen die zich in hoofdzaak bezighouden met
                                            dienstverlening ten behoeve van (dag)recreanten en
                                            toeristen;</al></li><li nr="y."><al> WESP-methodiek: de door de Werkgroep Evaluatie
                                            Sportevenementen ontwikkelde meetmethodiek om de
                                            economische spin-off voorafgaand aan, tijdens of na een
                                            evenement te meten.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.2 Verbeteren positie van starters </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.2.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder a, b en
                                    c, van de SvG kan worden verstrekt voor de uitvoering van een
                                    door meerdere partijen gezamenlijk opgesteld programma:</al><lijst><li nr="a."><al> ter verbetering van ondernemersvaardigheden;</al></li><li nr="b."><al> voor het opzetten van een fysieke bedrijfsomgeving;
                                            of</al></li><li nr="c."><al> gericht op het ondersteunen van individuele startende
                                            ondernemingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.2.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> het programma is bedoeld ter begunstiging van startende
                                            ondernemingen die tevens innovatieve ondernemingen
                                            zijn;</al></li><li nr="b."><al> de in artikel 5.8.2.1 bedoelde partijen hun
                                            samenwerking schriftelijk hebben vastgelegd;</al></li><li nr="c."><al> het programma leidt tot een research- en
                                            developmentimpuls bij ondernemingen of
                                            kennisinstellingen of het creëren van nieuwe
                                            arbeidsplaatsen; en</al></li><li nr="d."><al> de doelgroep van het programma bij de totstandkoming
                                            daarvan is betrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.2.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> ondernemingen;</al></li><li nr="b."><al> verenigingen van ondernemingen;</al></li><li nr="c."><al> kennisinstellingen;</al></li><li nr="d."><al> gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.2.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 500.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.2.5 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 22 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.3 Versnellen van innovaties in logistiek,
                                    vrijetijdseconomie en de creatieve sector </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het ten behoeve van
                                    MKB-ondernemingen laten doen van onderzoek gericht op:</al><lijst><li nr="a."><al> de fase van het innovatieproces waarbinnen ideeën
                                            worden omgezet in concepten;</al></li><li nr="b."><al> deelname aan programma's van de Europese Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit plaatsvindt in de sectoren logistiek,
                                    vrijetijdseconomie en de creatieve sector.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de Regionale Centra voor
                                    Technologie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt maximaal € 50.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit
                                    betrekking heeft op fundamenteel onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.3.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidie-ontvanger is verplicht de subsidie zodanig aan te
                                    wenden dat per kalenderjaar per onderneming ten behoeve waarvan
                                    het onderzoek wordt uitgevoerd maximaal € 10.000,- wordt
                                    aangewend en maximaal 50% van de onderzoekskosten vergoed.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in
                                    logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve
                                    sector </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.4.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder b, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het verkleinen van
                                    arbeidsmarktdiscrepanties.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.4.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            logistiek, vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de
                                            creatieve sector;</al></li><li nr="b."><al> bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten
                                            één of meerdere ondernemingen zijn betrokken; en</al></li><li nr="c."><al> bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten
                                            afstemming heeft plaatsgevonden met het Platform
                                            Onderwijs Arbeidsmarkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.4.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> ondernemingen;</al></li><li nr="b."><al> verenigingen van ondernemingen;</al></li><li nr="c."><al> kennisinstellingen;</al></li><li nr="d."><al> gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.4.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 100.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.5 Collectief onderzoek </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder a,
                                        van de SvG kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid wordt subsidie als bedoeld
                                        in artikel 5.8.5.1, aanhef en onder b, voor zover de
                                        subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve sector,
                                        slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor
                                        gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste
                                        één andere onderneming die een andere SBI-code heeft dan de
                                        aanvrager en de voorwaarden voor die samenwerking
                                        schriftelijk zijn vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de
                                                sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de
                                                creatieve sector; en</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit daadwerkelijke
                                                samenwerking behelst: </al><lijst><li nr="i."><al> tussen ondernemingen waarvan er ten minste
                                                  één een MKB is en geen van de ondernemingen neemt
                                                  meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten
                                                  voor haar rekening, of</al></li><li nr="ii."><al> tussen een onderneming en één of meer
                                                  organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding,
                                                  waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in
                                                  aanmerking komende kosten dragen en het recht
                                                  hebben hun eigen onderzoeksresultaten te
                                                  publiceren.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt subsidie
                                        als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef en onder b, voor
                                        zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve
                                        sector, </al><al/><al> slechts verstrekt indien de aanvrager samenwerkt met ten
                                        minste één andere onderneming die een andere SBI-code heeft
                                        dan de aanvrager. </al><al/><al> schriftelijk zijn vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld onder artikel 5.8.5.1, aanhef en
                                        onder a en b, komen in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> personeelskosten voor onderzoekers, technici en
                                                ander ondersteunend personeel voor zover zij zich
                                                met het onderzoeksproject bezighouden;</al></li><li nr="b."><al> kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en
                                                voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden
                                                gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet
                                                tijdens hun volledige levensduur voor het
                                                onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de
                                                afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd
                                                van het project, berekend volgens algemeen erkende
                                                boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking
                                                komende kosten beschouwd;</al></li><li nr="c."><al> kosten van gebouwen en grond voor zover en voor
                                                zolang zij voor het onderzoeksproject worden
                                                gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de
                                                afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd
                                                van het project, berekend volgens algemeen erkende
                                                boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking
                                                komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen
                                                de kosten voor de commerciële overdracht of
                                                daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in
                                                aanmerking;</al></li><li nr="d."><al> kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien
                                                die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij
                                                of waarvoor een licentie wordt verleend door externe
                                                bronnen, alsmede kosten voor consultancy en
                                                gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het
                                                project worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende algemene kosten en andere operationele
                                                uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties
                                                en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het
                                                project voortvloeien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef en
                                        onder c, komen de studiekosten in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.4 Aanvrager </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid wordt subsidie als bedoeld
                                        in artikel 5.8.5.1, aanhef en onder b, voor zover de
                                        subsidiabele activiteit plaatsvindt in de creatieve
                                        sector,</al><al/><al> verstrekt aan MKB-ondernemingen met ten minste één van de
                                        volgende SBI-codes: 5811, 5813, 5814, 5819, 5821, 5829,
                                        59111, 59112, 5912, 5913, 5914, 5920, 6010,</al><al/><al> 6020, 6030, 7021, 7111, 7311, 7312, 7410, 74201, 7990,
                                        8230, 90011, 90012, 90013, 9002, 9003, 90041, 91011, 91012,
                                        91019, 91021, 91022, 9103, 93211, 93212, 94993 of
                                        94994.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.4a Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij een
                                    aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef
                                    en onder b, voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt in
                                    de creatieve sector, ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van de wijze waarop aanvrager zich
                                            inspant om de subsidiabeleactiviteit binnen zes maanden
                                            na subsidieverlening te hebben uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al> een beschrijving van de wijze waarop en de mate waarin
                                            de subsidiabele activiteit bijdraagt aan het verminderen
                                            van milieubelasting;</al></li><li nr="c."><al> een beschrijving van de wijze waarop aanvrager inzake
                                            de subsidiabele activiteit samenwerkt met andere
                                            partijen dan de onderneming zoals bedoeld in artikel
                                            5.8.5.2, tweede lid;</al></li><li nr="d."><al> een verklaring van Oost N.V. waaruit blijkt dat
                                            voorafgaand aan de het indienen van de aanvraag
                                            afstemming heeft plaatsgevonden met Oost N.V. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste:</al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            50.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.5.1, aanhef en onder a en c;</al></li><li nr="b."><al> 25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            50.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.5.1, aanhef en onder b, voor zover deze plaatsvinden
                                            in de sectoren logistiek en vrijetijdseconomie en 75%
                                            van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000
                                            voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef
                                            en onder b, voor zover deze plaatsvinden in de creatieve
                                            sector.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.5a Indieningstermijn aanvraag </titel></kop><al>De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef
                                    en onder b, wordt voor zover de subsidiabele activiteit
                                    plaatsvindt in de creatieve sector ingediend tot en met 30
                                    september 2014 of in de periode van 1 februari 2015 tot en met
                                    30 april 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.5b Verplichtingen </titel></kop><al>De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef
                                    en onder b, is voor zover de subsidiabele activiteit plaatsvindt
                                    in de creatieve sector verplicht het resultaat van de
                                    subsidiabele activiteit of de zakelijke inhoud daarvan kenbaar
                                    te maken door vermelding daarvan op tenminste zijn eigen website
                                    of de website <extref doc="http://www.ondernemengelderland.nl" struct="INTERNET">www.ondernemengelderland.nl</extref>.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.5.6 Communautair toetsingskader </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in
                                        strijd is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                        groepsvrijstellingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing ten
                                        aanzien van subsidie als bedoeld in artikel 5.8.5.1, aanhef
                                        en onder b, voor zover de subsidiabele activiteit
                                        plaatsvindt in de creatieve sector.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.6 Projectsubsidie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> experimentele ontwikkeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve
                                            sector;</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking
                                            behelst: </al><lijst><li nr="i."><al> tussen ondernemingen waarvan er ten minste één
                                                  een MKB is en geen van de ondernemingen neemt meer
                                                  dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor
                                                  haar rekening, of</al></li><li nr="ii."><al> tussen een onderneming en één of meer
                                                  organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding,
                                                  waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in
                                                  aanmerking komende kosten dragen en het recht
                                                  hebben hun eigen onderzoeksresultaten te
                                                  publicerenb. aanvrager daarbij voor gezamenlijke
                                                  rekening en risico samenwerkt met meerdere andere
                                                  ondernemingen of kennisinstellingen en de
                                                  voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn
                                                  vastgelegd; en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector
                                            betrekking heeft op een keten van producent, leverancier
                                            en eindgebruiker.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander
                                            ondersteunend personeel voor zover zij zich met het
                                            onderzoeksproject bezighouden;</al></li><li nr="b."><al> kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor
                                            zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt.
                                            Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun
                                            volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden
                                            gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten
                                            overeenstemmend met de looptijd van het project,
                                            berekend volgens algemeen erkend boekhoudkundige
                                            beginselen, als in aanmerking komende kosten
                                            beschouwd;</al></li><li nr="c."><al> kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang
                                            zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat
                                            gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten
                                            overeenstemmend met de looptijd van het project,
                                            berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige
                                            beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd.
                                            Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële
                                            overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten
                                            in aanmerking;</al></li><li nr="d."><al> kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die
                                            op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of
                                            waarvoor een licentie wordt verleend door externe
                                            bronnen, alsmede kosten voor consultancy en
                                            gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project
                                            worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende algemene kosten en andere operationele
                                            uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en
                                            dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project
                                            voortvloeien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een schriftelijk bewijsstuk verstrekt waar
                                    uit blijkt dat de subsidiabele activiteit binnen de betreffende
                                    sector betrekking heeft op de keten van producent, leverancier
                                    en eindgebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste:</al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            250.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.6.1, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> 25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            250.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.6.1, aanhef en onder b.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.7 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager niet beschikt over
                                    een aantoonbaar marktaandeel van de betreffende markt waarbinnen
                                    de innovatie plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.6.8 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.7 Onderzoeksinfrastructuur voor economische
                                    activiteiten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.7.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor de bouw of het upgraden van
                                    onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden
                                    verricht. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.7.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sectoren
                                            logistiek, vrijetijdseconomie en de creactieve
                                            sector;</al></li><li nr="b."><al> de infrastructuur wordt gebruikt voor industrieel
                                            onderzoek of experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de
                                            infrastructuur wordt berekend, overeenstemt met een
                                            marktprijs;</al></li><li nr="d."><al> de toegang tot de infrastructuur open staat voor
                                            meerdere gebruikers en op transparante en
                                            niet-discriminerende basis wordt verleend. Ondernemingen
                                            die ten minste 10% van de </al><al/><al> investeringskosten van de infrastructuur hebben
                                            gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op
                                            gunstigere voorwaarden; en</al></li><li nr="e."><al> de infrastructuur is bedoeld voor MKB-bedrijven. </al><al/><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.7.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de investeringen
                                    in immateriële en materiële activa. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.7.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 150.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.7.5 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 26 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.8 Proeftuinen ten behoeve van marktintroducties
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Gereserveerd </titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.9 Kwaliteitsverbetering en meeropbrengst
                                    ondernemingen vrijetijdseconomie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.9.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder d, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor regionale projecten ter
                                    versterking van de vrijetijdseconomie, niet zijnde marketing en
                                    promotie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.9.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit:</al><lijst><li nr="a."><al> plaatsvindt in de sector vrijetijdseconomie;</al></li><li nr="b."><al> bijdraagt aan de doelstellingen uit het Actieplan
                                            Vrijetijdseconomie;</al></li><li nr="c."><al> is gericht op verhoging van de kwaliteit van de
                                            activiteiten van aanvrager, toeristische
                                            bezoekersaantallen of werkgelegenheid;</al></li><li nr="d."><al> leidt tot meer toeristische bestedingen;</al></li><li nr="e."><al> aanvrager voor gezamenlijke rekening en risico
                                            samenwerkt met ten minste vier andere ondernemingen uit
                                            eenzelfde regio en de voorwaarden voor de samenwerking
                                            schriftelijk zijn vastgelegd; en</al></li><li nr="f."><al> bijdraagt aan de bestaande regionale identiteit zoals
                                            die volgt uit het Actieplan Vrijetijdseconomie of
                                            aansluit bij de activiteiten uit het regiocontract.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.9.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> uitvoering van procesbegeleiding;</al></li><li nr="b."><al> uitvoering van haalbaarheidsonderzoek;</al></li><li nr="c."><al> investeringsbijdragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.9.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen in de sector
                                    vrijetijdseconomie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.9.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie, voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.8.9.3
                                    bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een
                                    maximum van € 25.000,-. Hiervan kan maximaal € 10.000,- worden
                                    verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 5.8.9.3,
                                    aanhef en onder c.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.9.6 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.10 Samenwerkingsinitiatieven vrijetijdseconomie
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.10.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder d, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> procesbegeleiding bij nieuwe
                                            samenwerkingsinitiatieven;</al></li><li nr="b."><al> conceptontwikkeling van nieuwe producten of
                                            diensten;</al></li><li nr="c."><al> haalbaarheidsonderzoek naar nieuwe producten of
                                            diensten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.10.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector
                                            vrijetijdseconomie;</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit bijdraagt aan de
                                            doelstellingen uit het Actieplan
                                            Vrijetijdseconomie;</al></li><li nr="c."><al> de subsidiabele activiteit leidt tot meer toeristische
                                            bestedingen, hogere toeristische bezoekersaantallen of
                                            een toename van werkgelegenheid; en</al></li><li nr="d."><al> aanvrager voor gezamenlijke rekening en risico
                                            samenwerkt met ten minste twee andere ondernemingen en
                                            de voorwaarden voor de samenwerking schriftelijk zijn
                                            vastgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.10.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen in de sector
                                    vrijetijdseconomie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.10.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 15.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.11 Kwaliteitsverbetering routes voor wandelen,
                                    fietsen, varen, hardlopen, paardrijden en mennen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder d, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het vergroten van economisch rendement of sportief
                                            gebruik van regionaal dekkende routestructuren voor
                                            fietsen, wandelen, hardlopen, paardrijden of
                                            mennen;</al></li><li nr="b."><al> het maken van aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="c."><al> het maken van een digitaal routesysteem in de vorm van
                                            een applicatie voor wandelen, fietsen, hardlopen, varen,
                                            paardrijden of mennen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien het onderhoud en
                                        beheer na uitvoering van de subsidiabele activiteit zijn
                                        verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.11.1, aanhef en onder
                                        c, wordt slechts verstrekt indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de applicatie de gehele provincie Gelderland
                                                betreft; en</al></li><li nr="b."><al> de applicatie toeristische informatie bevat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie zoals bedoeld in artikel 5.8.11.1, aanhef en onder
                                    c, komen de kosten voor het verzamelen van data en toeristische
                                    informatie niet in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.4 </titel></kop><al>Vervallen per 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de Algemene
                                    subsidieverordeningGelderland 1998 wordt bij de aanvraag in elk
                                    geval een toelichting verstrekt in de vorm van een projectplan
                                    op de in artikel 5.8.11.2 opgenomen criteria.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 200.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.11.7 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit:</al><lijst><li nr="a."><al> zich niet leent voor herhaalde toepassing ten aanzien
                                            van andere routestructuren dan die waar de aanvraag
                                            betrekking op heeft;</al></li><li nr="b."><al> plaatsvindt in een gebied met een straal van twee
                                            kilometer voor verbeteringen van wandel- en
                                            hardlooproutes respectievelijk vijf kilometer voor
                                            fiets-, ruiter- en menroutes waarbinnen bestaande
                                            alternatieve mogelijkheden aanwezig zijn;</al></li><li nr="c."><al> de aanleg van wandelknooppunten betreft;</al></li><li nr="d."><al> reguliere onderhoudswerkzaamheden betreft;</al></li><li nr="e."><al> geheel of gedeeltelijk bestaat uit marketing en
                                            promotie.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.12 Marketing en promotie vrijetijdseconomie
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.12.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder d, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor generieke marketing en promotie
                                    van de provincie Gelderland of Gelderse regio's ter bevordering
                                    van de vrijetijdseconomie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.12.2 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> Regionale Bureaus voor Toerisme;</al></li><li nr="b."><al> Stichting Vrijetijdshuis;</al></li><li nr="c."><al> Stichting Toerisme Gelderland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.12.3 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 750.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.12.4 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit niet
                                    past binnen de campagne "Gelderse Streken".</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.13 Vervallen per 1 januari 2015 </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.14 Herstructureren van de fysieke
                                    bedrijfsomgeving </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.14.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het opstellen van een businessplan voor de fysieke
                                            bedrijfsomgeving;</al></li><li nr="b."><al> de uitvoering van maatregelen op het bedrijventerrein
                                            waarmee investeringskansen worden verzilverd, zoals
                                            omschreven in het businessplan voor de fysieke
                                            bedrijfsomgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.14.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.14.1, aanhef en onder b,
                                    wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van een ruimtelijk knelpunt op het
                                            bedrijventerrein die het (toekomstig) functioneren van
                                            ten minste één bedrijf bemoeilijkt, er aantoonbaar
                                            draagvlak bij de ondernemers aanwezig is en er een
                                            positief effect is op de ontwikkeling of behoud van de
                                            werkgelegenheid op het bedrijventerrein; en</al></li><li nr="b."><al> er een businessplan voor de fysieke bedrijfsomgeving
                                            aan de activiteit ten grondslag ligt dat voldoet aan de
                                            volgende vereisten: </al><lijst><li nr="i."><al> een omschrijving van de knelpunten, kansen,
                                                  ambities en doelstellingen;</al></li><li nr="ii."><al> een beschrijving van de projecten of
                                                  deelprojecten;</al></li><li nr="iii."><al> een beschrijving van de organisatie,
                                                  communicatie, planning, kosten en financiering van
                                                  de maatregelen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.14.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.14.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste:</al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            25.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.14.1, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> 50% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als
                                            bedoeld in artikel 5.8.14.1, aanhef en onder b.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.15 Bedrijfsverplaatsingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.15.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> bedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en
                                            voorzieningen omvat waarbinnen daadwerkelijk economische
                                            activiteiten, niet zijnde primaire landbouwproductie,
                                            worden verricht;</al></li><li nr="b."><al> bedrijfsverplaatsing: verplaatsing van een geheel
                                            bedrijf;</al></li><li nr="c."><al> bedrijventerrein: terrein in gebruik van meer dan één
                                            bedrijf, dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt
                                            is voor gebruik door handel, nijverheid, industrie en
                                            commerciële en niet-commerciële dienstverlening;</al></li><li nr="d."><al> circulaire: Circulaire schadevergoedingen,
                                            Staatscourant 1997, 246;</al></li><li nr="e."><al> primaire landbouwproductie: de in bijlage I bij het
                                            Verdrag betreffende de werking van de EU vermelde
                                            producten van de bodem en van de veehouderij die geen
                                            verdere bewerking </al><al/><al> hebben ondergaan die de aard van deze producten
                                            wijzigt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.15.2 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het verstrekken van een bijdrage
                                    voor bedrijfsverplaatsing vanwege een milieuhygiënisch
                                    knelpunt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.15.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de bijdrage wordt verstrekt voor een
                                            bedrijfsverplaatsing vanwege een milieuhygiënisch
                                            knelpunt veroorzaakt door het te verplaatsen
                                            bedrijf;</al></li><li nr="b."><al> de bijdrage van de gemeente maximaal 50% bedraagt van
                                            de kosten voor de verplaatsing van het bedrijf;</al></li><li nr="c."><al> de gemeente bij het bepalen van haar bijdrage in de
                                            kosten voor de verplaatsing van het bedrijf toepassing
                                            geeft aan de circulaire;</al></li><li nr="d."><al> de gemeente haar bijdrage in de kosten voor de
                                            verplaatsing van het bedrijf vaststelt op basis van een
                                            taxatie die is opgesteld door een onafhankelijk
                                            taxateur; </al></li><li nr="e."><al> sprake is van bedrijfsverplaatsing binnen de provincie
                                            Gelderland naar een bedrijventerrein;</al></li><li nr="f."><al> het milieuhygiënische knelpunt blijvend wordt
                                            opgelost.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.15.4 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komt in aanmerking de bijdrage van de gemeente in
                                    de kosten voor de verplaatsing van het bedrijf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.15.5 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.15.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 500.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.16 Digitale bereikbaarheid </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.16.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het uitvoeren van vraagbundeling voor open
                                            breedbandinfrastructuur;</al></li><li nr="b."><al> het opstellen van een plan van aanpak ten behoeve van
                                            de onder a genoemde activiteit;</al></li><li nr="c."><al> activiteiten voor promotie van het gebruik van open
                                            breedbandnetwerken door bedrijven;</al></li><li nr="d."><al> het ontwerp en een kostenberekening van een open
                                            breedbandnetwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.16.2 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een vereniging van ondernemingen
                                    die gevestigd zijn op het bedrijventerrein waar de activiteiten
                                    voor worden ontwikkeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.16.3 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 10.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.16.4 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien het een investering betreft
                                    in:</al><lijst><li nr="a."><al> breedbandkabels of breedbandnetwerken;</al></li><li nr="b."><al> vraagbundeling van breedbandinfrastructuur ten behoeve
                                            van woningen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.17 Samenwerking fysieke bedrijfsomgeving
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.17.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het opstellen van een haalbaarheidsonderzoek naar de
                                            oprichting van een rechtspersoon die het beheer van een
                                            bedrijventerrein als statutair doel heeft;</al></li><li nr="b."><al> het opstellen van een haalbaarheidsonderzoek naar de
                                            uitvoering van energiebesparende maatregelen op een
                                            bedrijventerrein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.17.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.17.1, aanhef en onder a,
                                    wordt slechts verstrekt indien aanvrager daarbij voor
                                    gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste één
                                    onderneming of gemeente en de voorwaarden voor de samenwerking
                                    schriftelijk zijn vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.17.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten en ondernemingen voor activiteiten als
                                            bedoeld in artikel 5.8.17.1, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> aan rechtspersonen die het beheer van een
                                            bedrijventerrein als statutair doel hebben voor
                                            activiteiten als bedoeld in artikel 5.8.17.1, aanhef en
                                            onder b.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.17.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste:</al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            50.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.17.1, aanhef en onder a;</al></li><li nr="b."><al> 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €
                                            25.000,- voor activiteiten als bedoeld in artikel
                                            5.8.17.1, aanhef en onder b.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.8.18 Jeugdwerkloosheid </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.18.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> centrumgemeente: een gemeente die in het kader van het
                                            actieplan jeugdwerkloosheid namens de regio een
                                            convenant heeft afgesloten met de minister van Sociale
                                            Zaken en Werkgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al> werkloze jongere: een als niet-werkend werkzoekend bij
                                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
                                            gemeente ingeschreven persoon tot 27 jaar oud, die
                                            beschikbaar is om minimaal twaalf uur per week arbeid te
                                            aanvaarden;</al></li><li nr="c."><al> werkplek: </al><lijst><li nr="i."><al> een beroepsbegeleidende leerweg gedurende ten
                                                  minste zes maanden;</al></li><li nr="ii."><al> een leerwerkplaats anders dan een
                                                  beroepsbegeleidende leerweg voor ten minste zes
                                                  maanden;</al></li><li nr="iii."><al> een baan voor ten minste zes maanden en ten
                                                  minste twaalf uur per week.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.18.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.8.2 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor het verstrekken van subsidie aan werkgevers voor
                                    het realiseren van een werkplek voor een werkloze jongere die is
                                    ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie van een
                                    Gelderse gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.18.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit uiterlijk op 31 december 2015 is aangevangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.18.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een centrumgemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.18.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt € 1.250,- per werkplek met de volgende
                                    maxima:</al><lijst><li nr="-"><al> Apeldoorn € 553.750,-;</al></li><li nr="-"><al> Arnhem € 493.750,-;</al></li><li nr="-"><al> Doetinchem € 327.500,-;</al></li><li nr="-"><al> Ede € 187.500,-;</al></li><li nr="-"><al> Nijmegen € 552.500,-;</al></li><li nr="-"><al> Tiel € 278.750,-;</al></li><li nr="-"><al> Amersfoort € 43.750,-;</al></li><li nr="-"><al> Gorinchem € 8.750,-;</al></li><li nr="-"><al> Zwolle € 53.750,-.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.8.18.6 Aanvraagperiode </titel></kop><al>De subsidie wordt aangevraagd voor 1 april 2014.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.9 Land- en tuinbouw </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> aantoonbare verbetering van de ruimtelijke structuur:
                                            de verplaatsing van het glastuinbouwbedrijf, die
                                            bijdraagt aan het verwezenlijken van de doelstellingen
                                            van het Projectbureau herstructurering glastuinbouw
                                            Huissen-Angeren en het Projectbureau herstructurering
                                            tuinbouw Bommelerwaard;</al></li><li nr="b."><al> bedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende
                                            voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de
                                            uitoefening van een landbouwbedrijf;</al></li><li nr="c."><al> concentratiegebied glastuinbouw: een als zodanig
                                            begrensd gebied waarbinnen conform de Ruimtelijke
                                            Verordening Gelderland uitbreiding, hervestiging of
                                            nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven mogelijk
                                            is;</al></li><li nr="d."><al> EHS: ecologische hoofdstructuur, zijnde een
                                            samenhangend netwerk van grote en kleine natuurgebieden
                                            en natuurrijke cultuurlandschappen, zoals begrensd door
                                            Provinciale Staten bij besluit van 1 juli 2009
                                            (PS2009-260) of een daarvoor in de plaats tredende
                                            begrenzing;</al></li><li nr="e."><al> eigenaar: degene die de eigendom heeft over een zaak
                                            zoals bedoeld in art. 5:1 Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="f."><al> extensiveringsgebied glastuinbouw: een als zodanig
                                            begrensd gebied waarbinnen conform de Ruimtelijke
                                            Verordening Gelderland uitbreiding van bestaande
                                            glastuinbouwbedrijven mogelijk is, maar geen
                                            nieuwvestiging;</al></li><li nr="g."><al> grondwaterbeschermingsgebied: gebied rondom een
                                            waterwingebied, dat door Provinciale Staten is
                                            aangewezen ter bescherming van het grondwater dat ten
                                            behoeve van de openbare drinkwatervoorziening wordt
                                            opgepompt en waar de verblijftijd van het grondwater tot
                                            aan de pompputten van het waterbedrijf, niet langer is
                                            dan 25 jaar;</al></li><li nr="h."><al> integraal masterplan glastuinbouw: plan voor de
                                            ontwikkeling van een in de Ruimtelijke verordening
                                            Gelderland aangeduid cluster voor de glastuinbouw van
                                            minimaal 5 hectare waarbij niet alleen de
                                            bedrijfslocaties worden opgenomen in het masterplan,
                                            maar ook de benodigde nutsvoorzieningen, wegen en andere
                                            voorzieningen om de bedrijven te vestigen en te
                                            ontwikkelen in de aangeduide clusters;</al></li><li nr="i."><al> intensiveringsgebied glastuinbouw: een als zodanig
                                            begrensd deel van een concentratiegebied glastuinbouw
                                            waarbinnen conform de Ruimtelijke Verordening Gelderland
                                            actief wordt ingezet op herstructurering van
                                            glastuinbouw;</al></li><li nr="j."><al> kas: constructie van glas, kunststof of een andere
                                            materiaalsoort voor een overkapte teelt of veredeling
                                            van gewassen;</al></li><li nr="k."><al> kleine en middelgrote onderneming: ondernemingen zoals
                                            omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG (Pb L 124 van
                                            20.5.2003);</al></li><li nr="l."><al> landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en
                                            voorzieningen omvat die voor de primaire
                                            landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in
                                            Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25
                                            juni 2014;</al></li><li nr="m."><al> langdurige pacht: pachtovereenkomst met betrekking tot
                                            een perceel grond met een minimale duur van 6 jaar;</al></li><li nr="n."><al> mestverwerking: proces waarbij de mest een behandeling
                                            ondergaat, zodat het gebruikt kan worden als grondstof
                                            voor het maken van een ander product of als grondstof
                                            voor </al><al/><al> energieopwekking;</al></li><li nr="o."><al> primaire landbouwproductie: de productie van de in
                                            bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de
                                            Europese Unie vermelde producten van de bodem en van de
                                            veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan
                                            die de aard van deze producten wijzigt;</al></li><li nr="p."><al> projectbureau herstructurering glastuinbouw
                                            Huissen-Angeren: het projectbureau van het publieke
                                            samenwerkingsverband tussen de provincie Gelderland en
                                            gemeente Lingewaard, </al><al/><al> dat uitvoering geeft aan de uitvoeringsovereenkomst
                                            tussen provincie Gelderland en gemeente Lingewaard
                                            inzake de herstructurering van het glastuinbouwgebied
                                            Huissen-Angeren, d.d. december 2010;</al></li><li nr="q."><al> projectbureau herstructurering tuinbouw Bommelerwaard:
                                            het projectbureau van het openbaar lichaam van het
                                            samenwerkingsverband Glastuinbouwproject Bommelerwaard
                                            ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke
                                            regelingen dat uitvoering geeft aan de
                                            samenwerkingsovereenkomst 'herstructurering glastuinbouw
                                            en paddenstoelenteelt Bommelerwaard' die is afgesloten
                                            tussen provincie Gelderland, gemeente Zaltbommel,
                                            gemeente Maasdriel en het waterschap Rivierenland d.d. 9
                                            december 2009;</al></li><li nr="r."><al> SO: de gestandaardiseerde opbrengst per hectare of per
                                            dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op
                                            jaarbasis wordt behaald;</al></li><li nr="s."><al> solitair gelegen glastuinbouwbedrijf:
                                            glastuinbouwbedrijf buiten een concentratiegebied
                                            glastuinbouw;</al></li><li nr="t."><al> STEVIG: Stichting Effectief Verkavelen In
                                            Gelderland;</al></li><li nr="u."><al> volwaardig in gebruik: het gebruik van een agrarisch
                                            bedrijf dat naar de aard en omvang zodanig is dat het
                                            gehele inkomen afkomstig is uit het bedrijf, de gehele
                                            arbeidsinzet aan het bedrijf besteedt wordt en waarvan
                                            de continuïteit voor minimaal de afgelopen drie jaar is
                                            aangetoond.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.2 Landbouwstructuurverbetering </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, aanhef en onder b, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het ruilen van landbouwgronden in
                                    een ruilverkaveling bij overeenkomst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al> de ruilverkaveling plaatsvindt in overeenstemming met
                                            artikel 85 van de Wet inrichting landelijk gebied;</al></li><li nr="b."><al> de te ruilen landbouwgronden zijn gelegen in de
                                            provincie Gelderland; en</al></li><li nr="c."><al> wanneer het ruilen van landbouwgronden bijdraagt aan
                                            een effectiever gebruik van landbouwgronden voor de
                                            huidige functie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie komen de notaris- en kadasterkosten in
                                        aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De kosten die verbonden zijn aan het ruilen van
                                        bedrijfsgebouwen en het ruilen van quota die zijn ingesteld
                                        door de Europese Commissie komen niet voor subsidie in
                                        aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> kleine- en middelgrote ondernemingen die een
                                            landbouwbedrijf exploiteren;</al></li><li nr="b."><al> gemeenten;</al></li><li nr="c."><al> waterschappen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de
                                    aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van de actuele toestand en de waarde
                                            van de ingebrachte en toe te delen percelen, alsmede de
                                            verrekening;</al></li><li nr="b."><al> een kavelruilovereenkomst die is ondertekend door alle
                                            deelnemende partijen;</al></li><li nr="c."><al> een overzicht van de deelnemende partijen, waarbij is
                                            weergegeven welke partij welke landbouwgronden met wie
                                            ruilt;</al></li><li nr="d."><al> kadastrale kaarten van het gebied waar kavelruil
                                            plaatsvindt, een inbreng- en toedelingskaart.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste € 500,- per geruilde
                                    hectare.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.7 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien het ruilen van
                                    landbouwgronden:</al><lijst><li nr="a."><al> plaatsvindt in een gebied waar STEVIG ondersteunde
                                            kavelruil uitvoert;</al></li><li nr="b."><al> de doelstellingen van STEVIG belemmert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.2.8 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 15 van de Landbouw
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.3 Opstellen en uitvoeren integraal masterplan
                                    glastuinbouw </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.3.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, aanhef en onder b, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het opstellen van een integraal masterplan
                                            glastuinbouw;</al></li><li nr="b."><al> het aanleggen en wijzigen van de openbare
                                            infrastructuur, inrichting van de openbare ruimte en
                                            openbare nutsvoorzieningen in een masterplangebied.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.3.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer door middel van verslaglegging van
                                            bijeenkomsten aangetoond kan worden dat direct
                                            betrokkenen zoals grondeigenaren en gebruikers,
                                            omwonenden en het tuinbouwbedrijfsleven bij het
                                            opstellen van het integraal masterplan glastuinbouw
                                            participeren;</al></li><li nr="b."><al> wanneer de aanleg of wijziging van voorzieningen, als
                                            genoemd in artikel 5.9.3.1, aanhef en onder b, bijdraagt
                                            aan de realisatie van een integraal masterplan
                                            glastuinbouw waarmee Gedeputeerde Staten vooraf hebben
                                            ingestemd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.3.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.9.3.1, aanhef en onder a,
                                    komen slechts de kosten voor externe inhuur in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.3.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.3.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.3.1, aanhef en onder a,
                                        bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met een
                                        minimum van € 5.000,- en een maximum van € 30.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.3.1, aanhef en onder b,
                                        bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een
                                        minimum van € 10.000,- en een maximum van € 250.000,-.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.4 Verplaatsing glastuinbouwbedrijfsgebouwen
                                </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> glastuinbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en
                                            voorzieningen omvat die voor de glastuinbouw worden
                                            gebruikt als bedoeld in de Landbouw
                                            groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="b."><al> glastuinbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende
                                            voorzieningen dat wordt gebruikt ten behoeve van de
                                            uitoefening van een glastuinbouwbedrijf;</al></li><li nr="c."><al> modernisering: vervanging van een bestaand
                                            glastuinbouwbedrijfsgebouw of van bestaande
                                            voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw,
                                            modern gebouw of nieuwe, </al><al/><al> moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie,
                                            of technologie fundamenteel wordt gewijzigd;</al></li><li nr="d."><al> verhoging van de productiecapaciteit: indien het
                                            glastuinbouwbedrijfsgebouw na verplaatsing in staat is
                                            om meer producten voort te brengen;</al></li><li nr="e."><al> voorzieningen: bouwwerken of installaties die
                                            functioneel met het glastuinbouwbedrijfsgebouw zijn
                                            verbonden of benodigd zijn om het
                                            glastuinbouwbedrijfsgebouw te laten functioneren voor
                                            het productieproces. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, aanhef en onder b, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de verplaatsing van een glastuinbouwbedrijfsgebouw
                                            behorend tot een solitair gelegen klein of middelgroot
                                            glastuinbouwbedrijf naar een concentratiegebied
                                            glastuinbouw;</al></li><li nr="b."><al> de verplaatsing van een glastuinbouwbedrijfsgebouw
                                            behorend tot een klein of middelgroot
                                            glastuinbouwbedrijf binnen een concentratiegebied
                                            glastuinbouw. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer de aanvrager heeft aangetoond dat het te
                                            verplaatsen glastuinbouwbedrijf volwaardig in gebruik
                                            is;</al></li><li nr="b."><al> wanneer alle achterblijvende glastuinbouwopstanden
                                            volledig worden gesloopt, inclusief de gebouwen,
                                            bouwwerken en voorzieningen ten dienste van het
                                            glastuinbouwbedrijf;</al></li><li nr="c."><al> wanneer subsidie wordt gevraagd op grond van artikel
                                            5.9.4.2, aanhef en onder a: indien de eigenaar van de
                                            grond waarop het te verplaatsen glastuinbouwbedrijf
                                            staat: </al><lijst><li nr="i."><al> schriftelijk verklaart hierop geen nieuw
                                                  glastuinbouwbedrijf te vestigen;</al></li><li nr="ii."><al> schriftelijk verklaart deze last als
                                                  kwalitatieve verplichting op te leggen aan
                                                  diegenen die de grond onder bijzondere titel
                                                  zullen verkrijgen; en</al></li><li nr="iii."><al> de gemeente schriftelijk verzoekt de
                                                  glastuinbouwbestemming van het oorspronkelijke
                                                  perceel waar het glastuinbouwbedrijf stond en de
                                                  eveneens in eigendom belendende percelen te
                                                  ontdoen van de bestemming glastuinbouw voor zover
                                                  het oorspronkelijke perceel niet is gelegen binnen
                                                  een intensiveringsgebied;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> wanneer subsidie wordt gevraagd op grond van artikel
                                            5.9.4.2, aanhef en onder b: indien de eigenaar van de
                                            grond waarop het te verplaatsen glastuinbouwbedrijf
                                            staat schriftelijk aantoont overeenstemming te hebben
                                            bereikt met het desbetreffende projectbureau
                                            herstructurering over de wijze waarop en voorwaarden
                                            waaronder de gronden beschikbaar komen voor de
                                            herstructurering;</al></li><li nr="e."><al> wanneer de verplaatsing, als bedoeld in artikel
                                            5.9.4.1, aanhef en onder b, een aantoonbare verbetering
                                            van de ruimtelijke structuur tot gevolg heeft; en</al></li><li nr="f."><al> wanneer ten tijde van de aanvraag om subsidie de
                                            aanvrager door middel van een transportakte,
                                            koopovereenkomst of pachtovereenkomst heeft aangetoond
                                            dat de aanvrager </al><al/><al> eigenaar of langdurig pachter is of wordt van de
                                            bedrijfsgebouwen en gronden op de nieuwe
                                            vestigingslocatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.4 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.9.4.2 komen in
                                    aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de kosten van demonteren, verhuizen en weer opbouwen
                                            van de voorzieningen van een bestaand
                                            glastuinbouwbedrijfsgebouw;</al></li><li nr="b."><al> de kosten voor het aankopen of het aanpassen van een
                                            glastuinbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een
                                            glastuinbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter
                                            vervanging van een bestaand glastuinbouwbedrijfsgebouw
                                            op de bestaande locatie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.5 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of langdurig pachter
                                    van een te verplaatsen klein of middelgroot
                                    glastuinbouwbedrijf.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.6 Aanvraag </titel></kop><al>Bij nader besluit wordt een termijn als bedoeld in artikel 1.5,
                                    eerste lid, van de AsG vastgesteld waarbinnen aanvragen van
                                    subsidie moeten worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.7 Selectie criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die
                                        activiteiten voorrang die door het geïndexeerde aantal
                                        vierkante meter te saneren kas de laagste uitkomst
                                        hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vierkante meters te saneren kas worden geïndexeerd door
                                        ze te vermenigvuldigen met: </al><lijst><li nr="a."><al> 2,0 indien deze zijn gelegen in de EHS of een
                                                grondwaterbeschermingsgebied;</al></li><li nr="b."><al> 1,8 indien deze zijn gelegen in een waardevol
                                                landschap of waardevolle open gebied;</al></li><li nr="c."><al> 1,6 indien deze zijn gelegen in een
                                                extensiveringsgebied glastuinbouw;</al></li><li nr="d."><al> 1,0 indien deze zijn gelegen in een
                                                intensiveringsgebied glastuinbouw, en</al></li><li nr="e."><al> 1,4 indien deze zijn gelegen in overige
                                                gebieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien na toepassing van het eerste lid aanvragen een
                                        gelijke plaats in de rangorde hebben, wordt de onderlinge
                                        rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van
                                        een loting voor zover toekenning van die aanvragen zou
                                        leiden tot overschrijding van het subsidieplafond. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.8 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele
                                        kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van
                                        installaties of verhoging van de productiecapaciteit,
                                        bedraagt de subsidie voor de investeringen voor de
                                        modernisering of verhoging van de productiecapaciteit
                                        maximaal € 500.000,-.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie is niet hoger dan de resultante van € 30,-
                                        vermenigvuldigd met het aantal vierkante meters kas dat
                                        wordt afgebroken, bestaande uit: </al><lijst><li nr="a."><al> het te verplaatsen glastuinbouwbedrijfsgebouw;</al></li><li nr="b."><al> glastuinbouwbedrijfsgebouwen op andere locaties
                                                waarvan de eigenaar van de grond voldoet aan de
                                                criteria van artikel 5.9.4.3, onderdelen b en
                                                c.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,-. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.4.8 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.5 Groene kringlopen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> een investering in innovatie met een terugverdientijd
                                            van meer dan 5 jaar voor mestverwerking als onderdeel
                                            van de eigen bedrijfsvoering;</al></li><li nr="b."><al> een investering in innovatie die de productie van
                                            biogas versnelt operationeel maakt;</al></li><li nr="c."><al> een investering in innovatie waarbij mineralen uit mest
                                            gehaald worden zodat deze weer opnieuw kunnen worden
                                            gebruikt;</al></li><li nr="d."><al> het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek voor de
                                            onder a tot en met c genoemde activiteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.2 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> met betrekking tot de activiteiten genoemd in artikel
                                            5.9.5.1, aanhef en onder a tot en met c: </al><lijst><li nr="i."><al> de bouw en verbouw van onroerende
                                                  goederen;</al></li><li nr="ii."><al> de aanschaf van nieuwe machines en apparatuur
                                                  inclusief computersoftware, tot maximaal de
                                                  marktwaarde van de activa, ten behoeve van de
                                                  innovatie;</al></li><li nr="iii."><al> de inhuur van architecten, ingenieurs en
                                                  adviseurs voor zover de kosten hiervan niet hoger
                                                  zijn dan 10% van de subsidiabele kosten als
                                                  bedoeld onder i en ii;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> met betrekking tot activiteiten als genoemd in artikel
                                            5.9.5.1, aanhef en onder d, de inhuur van externen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan kleine en middelgrote ondernemingen
                                    die een landbouwbedrijf exploiteren met een SO van minimaal €
                                    125.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.5.1, aanhef en onder a
                                        tot en met c, bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele
                                        kosten met een minimum van € 10.000,- en een maximum van €
                                        100.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.5.1, aanhef en onder d,
                                        bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten met een
                                        maximum van € 10.000,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd voor de aanschaf van:</al><lijst><li nr="a."><al> biomassakachels;</al></li><li nr="b."><al> mestscheiders;</al></li><li nr="c."><al> luchtwassers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht de kennis en ervaring die met
                                    de subsidiabele activiteit wordt verkregen openbaar te maken
                                    door:</al><lijst><li nr="a."><al> het verzorgen van een presentatie door deel te nemen
                                            aan minimaal één studiegroep, seminar of
                                            themabijeenkomst; en</al></li><li nr="b."><al> minimaal één publicatie in een vakblad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.5.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 14 van de Landbouw
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.6 Investeringen in innovatieve installaties en
                                    bedrijfsgebouwen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, aanhef en onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor investeringen in innovatieve
                                    installaties en bedrijfsgebouwen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor investeringen die:</al><lijst><li nr="a."><al> gericht zijn op: </al><lijst><li nr="i."><al> verlaging van de productiekosten; of</al></li><li nr="ii."><al> verbetering en omschakeling van de productie;
                                                  en</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> verder gaan dan wat wettelijk verplicht is en gericht
                                            zijn op: </al><lijst><li nr="i."><al> verbetering van het natuurlijk milieu;</al></li><li nr="ii."><al> verbetering van de hygiëneomstandigheden;
                                                  of</al></li><li nr="iii."><al> het verbeteren van normen inzake
                                                  dierenwelzijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> de bouw of verbetering van onroerende goederen;</al></li><li nr="b."><al> de koop of huurkoop van machines en materieel, met
                                            inbegrip van computersoftware, tot maximaal de
                                            marktwaarde van de activa;</al></li><li nr="c."><al> de kosten voor de inzet van externen in verband met de
                                            onder a en b bedoelde uitgaven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.4 Aanvrager </titel></kop><al>De subsidie wordt verstrekt aan kleine en middelgrote
                                    ondernemingen die een landbouwbedrijf exploiteren met een SO van
                                    minimaal € 125.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 35 % van de subsidiabele kosten
                                    met een minimum van € 10.000,- en een maximum van €
                                    100.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.6 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd voor het verwerven van onroerende
                                    goederen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.6.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 14 van de Landbouw
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.9.7 Adviesdiensten in de landbouwsector </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> Aanbieder van de adviesdienst: de natuurlijke of
                                                rechtspersoon die het advies verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> Advies: advies als bedoeld in artikel 2, aanhef en
                                                onder 45, van de Landbouw
                                                groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="c."><al> Korte voorzieningsketen: een voorzieningsketen
                                                bestaande uit een beperkt aantal marktdeelnemers die
                                                streven naar samenwerking, plaatselijke economische
                                                ontwikkeling en nauwe geografische en sociale
                                                betrekkingen tussen producenten, verwerkers en
                                                consumenten;</al></li><li nr="d."><al> Producentengroepering of producentenorganisatie:
                                                een groepering of organisatie als bedoeld in artikel
                                                2, aanhef en onder 43, van de Landbouw
                                                groepsvrijstellingsverordening;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder aanbieder van de adviesdienst worden tevens verstaan
                                        producentengroeperingen of producentenorganisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.2 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.9.1, eerste lid, aanhef en
                                    onder c, ten eerste, van de SvG kan worden verstrekt voor het
                                    verstrekken van advies aan ondernemingen die in de landbouw
                                    actief zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.3 Criteria </titel></kop><al>De subsidie wordt slechts verstrekt indien het advies is gericht
                                    op de ontwikkeling van een korte voorzieningsketen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de aanbieder van de
                                    adviesdienst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt 50% van de in aanmerking komende kosten met
                                    een maximum van € 1500,- per advies.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.6 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de aanbieder van de adviesdienst
                                    niet bij de aanvraag door middel van een of meerdere
                                    schriftelijke verklaringen aantoont dat het advies wordt
                                    verstrekt in opdracht van een of meerdere ondernemingen in de
                                    landbouw ten behoeve van de ontwikkeling van een korte
                                    voorzieningsketen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.9.7.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover verstrekking
                                        niet in strijd is met hoofdstuk 1 en artikel 22 van de
                                        Landbouw groepsvrijstellingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvrager neemt bij de adviesverlening de in artikel 13,
                                        tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde
                                        vertrouwelijkheidsvoorschriften in acht.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Titel 5.10 Prioritair Programma Energietransitie, Energie- en
                                milieutechnologie (EMT) </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.1 Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.1.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze titel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> arbeidsmarktdiscrepantie: kwalitatief of kwantitatief
                                            verschil tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al> basisvoorwaarden: voorwaarden waaraan een business case
                                            moet voldoen, zijnde duidelijkheid omtrent een beproefde
                                            techniek, aangetoonde marktkansen, een beschouwing van
                                            de financiering van de marktintroductie en de
                                            organisatorische inbedding van de marktintroductie;</al></li><li nr="c."><al> bedrijfsverzamelgebouw: een gebouw bedoeld voor de
                                            huisvesting van meerdere afzonderlijke ondernemingen die
                                            in dezelfde sector of fase in het bestaan van de
                                            onderneming actief zijn;</al></li><li nr="d."><al> biobased economy: een economie waarin op duurzame en
                                            efficiënte wijze biomassa wordt ingezet voor productie
                                            van chemische grondstoffen, materialen, brandstoffen,
                                            elektriciteit en warmte zonder negatieve effecten op
                                            biodiversiteit en voedselvoorziening;</al></li><li nr="e."><al> biobased product: product of halfproduct voor
                                            commerciële of industriële toepassing, anders dan
                                            energie- of warmteopwekking, dat geheel of gedeeltelijk
                                            is samengesteld uit hernieuwbare grondstoffen;</al></li><li nr="f."><al> bodemenergie: het gebruik en de opslag van warmte of
                                            koude in de ondiepe ondergrond;</al></li><li nr="g."><al> CNG: Compressed Natural Gas, ofwel aardgas dat met
                                            behulp van een compressor is gecomprimeerd tot een druk
                                            van 200 bar;</al></li><li nr="h."><al> concept: een schriftelijke uitwerking van een innovatie
                                            met een onderbouwing ter voldoening aan ten minste één
                                            van de basisvoorwaarden;</al></li><li nr="i."><al> creatieve industrie: bedrijfstak die zich in hoofdzaak
                                            bezighoudt met het scheppen van kunstwerken en het
                                            vormgeven van objecten;</al></li><li nr="j."><al> eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel
                                            1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van
                                            een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont;</al></li><li nr="k."><al> Energy Service Company: samenwerking tussen partijen
                                            met als doel om energiebesparende maatregelen uit te
                                            voeren voor de eigenaar van een gebouw, waarbij een van
                                            de partijen risicodragend participeert;</al></li><li nr="l."><al> energietransitieopgave: de opgave tot het realiseren
                                            van innovaties op het gebied van energiebesparing en
                                            opwekking van duurzame energie;</al></li><li nr="m."><al> gaswarmtepomp: een installatie die met behulp van gas
                                            warmte verplaatst van buiten het betreffende gebouw naar
                                            binnen waarbij minimaal 75.000 m3 gas en maximaal
                                            500.000 m3 gas wordt gebruikt per jaar;</al></li><li nr="n."><al> groen gas: biogas dat is gezuiverd tot aardgaskwaliteit
                                            en dat vervolgens is gecomprimeerd;</al></li><li nr="o."><al> hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals
                                            windenergie, zonne-energie, geothermische energie,
                                            golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties,
                                            biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en
                                            biogas;</al></li><li nr="p."><al> HRe-ketel: een ketel voor verwarming van een ruimte of
                                            van tapwater, die in één proces gelijktijdig thermische
                                            energie en elektrische energie opwekt;</al></li><li nr="q."><al> incubator: broedplaats die tot doel heeft om startende
                                            ondernemingen te ondersteunen in hun groei naar gezonde,
                                            goed draaiende ondernemingen, door hen huisvesting,
                                            seedcapital, administratie, technische ondersteuning,
                                            contacten en managementadvies te bieden; </al></li><li nr="r."><al> kennisinstelling: universiteiten, hogescholen en
                                            academische ziekenhuizen, instellingen voor middelbaar
                                            beroepsonderwijs en onderzoeksinstellingen die zonder
                                            winstoogmerk onderzoek en ontwikkeling verrichten en
                                            voor minimaal 10% meerjarig structureel door de overheid
                                            worden gefinancierd;</al></li><li nr="s."><al> LBG: Liquefied Bio Gas, ofwel biogas dat is
                                            gecomprimeerd door het te vervloeien bij een temperatuur
                                            lager dan -162 °C;</al></li><li nr="t."><al> LNG: Liquid Natural Gas, ofwel aardgas dat is
                                            gecomprimeerd door het te vervloeien bij een temperatuur
                                            lager dan -162 °C;</al></li><li nr="u."><al> lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die
                                            hernieuwbare energie produceert waarbij de afnemers zijn
                                            gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten
                                            opzichte van een productielocatie van voornoemde
                                            onderneming;</al></li><li nr="v."><al> maakindustrie: het met behulp van machines
                                            bedrijfsmatig bewerken van grondstoffen en produceren
                                            van halffabricaten en eindproducten voor de commerciële
                                            markt;</al></li><li nr="w."><al> marktfalen: situatie waarin ondernemingen activiteiten
                                            niet of niet voldoende zouden verrichten als zij alleen
                                            naar de signalen van de markt zouden kijken;</al></li><li nr="x."><al> marktintroductie: overgang van de eindfase van het
                                            innovatieproces naar de pioniersfase van
                                            ondernemerschap; fase waarin afnemers en producenten van
                                            innovatieve producten overeenkomsten aangaan;</al></li><li nr="y."><al> masterplan bodemenergie: visiedocument over het
                                            optimaal gebruik van de ondergrond voor het gebruik van
                                            bodemenergie;</al></li><li nr="z."><al> mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie: een installatie
                                            die in één proces gelijktijdig thermische energie en
                                            elektrische energie opwekt waarbij minimaal 75.000 m3
                                            gas en maximaal 500.000 m3 gas wordt gebruikt per
                                            jaar;</al></li><li nr="aa."><al> MKB-onderneming: een onderneming die behoort tot de
                                            categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in
                                            de zin van artikel 2 van de bijlage bij de Aanbeveling
                                            (EG) nr. 2003/361 van de Europese Commissie van 6 mei
                                            2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en
                                            micro-ondernemingen (PbEU L 124);</al></li><li nr="bb."><al> ondernemingsklimaat: de hoeveelheid en kwaliteit van
                                            ruimte, randvoorwaarden en regelgeving die bepaalt hoe
                                            aantrekkelijk Gelderland is voor bedrijven en
                                            kennisinstellingen;</al></li><li nr="cc."><al> ontwikkeling: verwerving, combinatie, vormgeving en
                                            gebruik van bestaande wetenschappelijke, technische,
                                            zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden
                                            voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten;</al></li><li nr="dd."><al> pilot: proefproject dat een indicatie geeft van de
                                            omvang, inpassing en haalbaarheid van een project;</al></li><li nr="ee."><al> proeftuinen: fysieke of virtuele proefomgeving voor
                                            meerdere onafhankelijke ondernemingen en organisaties
                                            waar eindgebruikers van innovatieprojecten of
                                            innovatieprocessen in participeren teneinde te komen tot
                                            versnelde marktintroducties van een innovatief
                                            product;</al></li><li nr="ff."><al> programma: samenhangende reeks van projecten en
                                            activiteiten met een gezamenlijk doel;</al></li><li nr="gg."><al> rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een
                                            materiaallaag;</al></li><li nr="hh."><al> Regionale Centra voor Technologie: de stichting
                                            Achterhoeks Centrum voor Technologie te Doetinchem, de
                                            stichting Platform Creatieve Technologie te Arnhem, de
                                            stichting RCT Rivierenland te Tiel, de stichting RCT
                                            Vallei te Ede, stichting Regionaal Nijmeegs Centrum voor
                                            Technologie te Nijmegen, stichting Innovatienetwerk
                                            Stedendriehoek te Apeldoorn, de stichting Veluws Centrum
                                            voor Technologie te Nunspeet;</al></li><li nr="ii."><al> sector energie- en milieutechnologie: de sector
                                            energie- en milieutechnologie bestaande uit
                                            ondernemingen uit de sectoren Grondstoffen en Chemie,
                                            Metaal, Machines en Apparaten, Energie, Recycling en
                                            Milieudienstverlening, Handel, Research en Zakelijke
                                            Dienstverlening alsmede bedrijven die bijdragen aan de
                                            biobased economy; </al></li><li nr="jj."><al> terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door
                                            de verwachte jaarlijkse besparing;</al></li><li nr="kk."><al> Valleybureaus: Stichting Food Valley te Wageningen en
                                            de Stichting Health Valley te Nijmegen;</al></li><li nr="ll."><al> warmtepomp: een installatie die met behulp van
                                            elektriciteit warmte verplaatst van buiten het
                                            betreffende gebouw naar binnen waarbij minimaal 150.000
                                            kWh stroom en maximaal 1.000.000 kWh stroom wordt
                                            gebruikt per jaar;</al></li><li nr="mm."><al> afgemeld: de procedure als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Regeling energieprestatie gebouwen;</al></li><li nr="nn."><al> bestaande woning: woning die is opgeleverd voor de
                                            inwerkingtreding van deze regels;</al></li><li nr="oo."><al> coördinatieteam: team bestaande uit de zes voorzitters
                                            van de zes regionale werkverbanden;</al></li><li nr="pp."><al> energie-index: cijfer dat het energiegebruik aangeeft
                                            op basis van de hoeveelheid energie die nodig wordt
                                            geacht voor de verschillende behoeften die verband
                                            houden met een gestandaardiseerd gebruik van de woning
                                            berekend volgens de rekenmethodiek genoemd in artikel 2,
                                            derde lid, van de Regeling energieprestatie
                                            gebouwen;</al></li><li nr="qq."><al> energieprestatiecertificaat: certificaat als bedoeld in
                                            het Besluit energiecertificaat gebouwen;</al></li><li nr="rr."><al> gelabelde woning: woning waarvan de eigenaar beschikt
                                            over een op die woning toegesneden
                                            energieprestatiecertificaat;</al></li><li nr="ss."><al> labelklasse: letter die behoort bij de berekende
                                            energie-index;</al></li><li nr="tt."><al> labelstap: verbetering van de energie-index waardoor de
                                            woning in een hogere labelklasse valt;</al></li><li nr="uu."><al> leerwerkplaats: een authentieke werkomgeving waarin een
                                            student alle voor de beroepsuitoefening typerende
                                            werkprocessen uitvoert, met als doel het beroep te
                                            leren;</al></li><li nr="vv."><al> sociale huurwoning: woning met een rekenhuur die lager
                                            of gelijk is aan het bedrag als genoemd in artikel 13,
                                            eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de
                                            huurtoeslag;</al></li><li nr="ww."><al> werkverbanden: de zes regionale werkverbanden, zijnde
                                            Food Valley corporaties, RNV corporaties, SWR
                                            corporaties, Corporaties Regio Stedendriehoek,
                                            Achterhoeks Corporatie Overleg en Verenigde
                                            Woningcorporaties in de Stadsregio Arnhem Nijmegen,
                                            welke alle woningcorporaties in Gelderland
                                            vertegenwoordigen;</al></li><li nr="xx."><al> woningcorporatie: een instelling als bedoeld in artikel
                                            70, eerste lid, van de Woningwet;</al></li><li nr="yy."><al> zelfstandige woning: woning als bedoeld in artikel 234
                                            van Boek 7 van het BurgerlijkWetboek;</al></li><li nr="zz."><al> duurzaamheidsmaatregelen: energiebesparende maatregelen
                                            en voorzieningen of maatregelen en voorzieningen waarmee
                                            duurzame energie wordt opgewekt;</al></li><li nr="aaa."><al> energieneutrale woning: een woning waarvan de som van
                                            de ingaande en uitgaande energiestromen voor
                                            gebouwgebonden energie bij een normaal leefpatroon op
                                            jaarbasis gelijk is aan of lager is dan nul en met een
                                            additionele energieopwekkingscapaciteit voor
                                            gebruiksgebonden energie van ten minste: </al><lijst><li nr="i."><al> 3.150 kWh indien het een vrijstaande of half
                                                  vrijstaande woning betreft;</al></li><li nr="ii."><al> 2.700 kWh indien het een rijwoning betreft;
                                                  of</al></li><li nr="iii."><al> 1.780 kWh indien het een appartement betreft,
                                                  waarbij in alle gevallen gasverbruik en
                                                  elektraverbruik omgerekend kunnen worden naar
                                                  Megajoules en een restverbruik aan gas
                                                  gecompenseerd kan worden door de additionele
                                                  opwekking van stroom;</al></li></lijst></li><li nr="bbb."><al> integraal plan: plan waaruit de te treffen
                                            duurzaamheidsmaatregelen blijken die aantoonbaar zullen
                                            leiden tot een woning die energieneutraal is, waarbij in
                                            ieder geval het Maatwerkadvies Energiebesparing is
                                            gevoegd;</al></li><li nr="ccc."><al> Maatwerkadvies Energiebesparing: een
                                            EnergiePrestatieAdvies-maatwerkrapport bestaande
                                            woningen als bedoeld in de Beoordelingsrichtlijn 9500,
                                            deel 2, waaruit in ieder geval de te treffen
                                            duurzaamheidsmaatregelen blijken welke zullen leiden tot
                                            een energieneutrale woning;</al></li><li nr="ddd."><al> stimuleringslening: laagrentende lening op
                                            annuïteitenbasis met een hypothecaire zekerheid ten
                                            behoeve van de financiering van de
                                            duurzaamheidsmaatregelen die leiden tot een
                                            energieneutrale woning.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.2 Versnellen van innovaties energie- en
                                    milieutechnologie en biobased economy </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.2.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het ten behoeve van
                                    MKB-ondernemingen laten doen van onderzoek gericht op:</al><lijst><li nr="a."><al> de fase van het innovatieproces waarbinnen ideeën
                                            worden omgezet in concepten;</al></li><li nr="b."><al> deelname aan programma's van de Europese Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.2.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit plaatsvindt in de sector energieen
                                    milieutechnologie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.2.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> Stichting Kennis en Innovatie in Energie- en Milieu
                                            Technologie;</al></li><li nr="b."><al> de Regionale Centra voor Technologie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.2.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt te hoogste € 250.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.2.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit
                                    betrekking heeft op fundamenteel onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.2.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidie ontvanger is verplicht de subsidie zodanig aan te
                                    wenden dat per kalenderjaar per onderneming ten behoeve waarvan
                                    het onderzoek wordt uitgevoerd maximaal € 10.000,- wordt
                                    aangewend en maximaal 50% van de onderzoekskosten vergoed.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.3 Collectief onderzoek </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> haalbaarheidsstudies.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector
                                            energie- en milieutechnologie;</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking
                                            behelst: </al><lijst><li nr="i."><al> tussen ondernemingen waarvan er ten minste één
                                                  een MKB is en geen van de ondernemingen neemt meer
                                                  dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor
                                                  haar rekening, of</al></li><li nr="ii."><al> tussen een onderneming en één of meer
                                                  organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding,
                                                  waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in
                                                  aanmerking komende kosten dragen en het recht
                                                  hebben hun eigen onderzoeksresultaten te
                                                  publiceren; en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in staat is zelf
                                            de productie ter hand te nemen na een eventuele
                                            succesvolle marktintroductie in vervolg op de
                                            subsidiabele activiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld onder artikel 5.10.3.1, aanhef en
                                        onder a en b, komen in aanmerking: </al><lijst><li nr="a."><al> personeelskosten voor onderzoekers, technici en
                                                ander ondersteunend personeel voor zover zij zich
                                                met het onderzoeksproject bezighouden;</al></li><li nr="b."><al> kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en
                                                voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden
                                                gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet
                                                tijdens hun volledige levensduur voor het
                                                onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de
                                                afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd
                                                van het project, berekend volgens algemeen erkende
                                                boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking
                                                komende kosten beschouwd;</al></li><li nr="c."><al> kosten van gebouwen en grond voor zover en voor
                                                zolang zij voor het onderzoeksproject worden
                                                gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de
                                                afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd
                                                van het project, berekend volgens algemeen erkende
                                                boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking
                                                komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen
                                                de kosten voor de commerciële overdracht of
                                                daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in
                                                aanmerking;</al></li><li nr="d."><al> kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien
                                                die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij
                                                of waarvoor een licentie wordt verleend door externe
                                                bronnen, alsmede kosten voor consultancy en
                                                gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het
                                                project worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende algemene kosten en andere operationele
                                                uitgaven die rechtstreeks uit het project
                                                voortvloeien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.10.3.1, aanhef en
                                        onder c komen de studiekosten in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.4a Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van de subsidiabele activiteit
                                            risicodragende financiering mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager of holding waartoe de aanvrager behoort in
                                            het kalenderjaar waarin de subsidie wordt aangevraagd al
                                            een subsidie heeft ontvangen op grond van deze
                                            paragraaf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 50.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.3.6 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.4 Projectsubsidie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> experimentele ontwikkeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector
                                            energie- en milieutechnologie;</al></li><li nr="b."><al> de subsidiabele activiteit daadwerkelijke samenwerking
                                            behelst: </al><lijst><li nr="i."><al> tussen ondernemingen waarvan er ten minste één
                                                  een MKB is en geen van de ondernemingen neemt meer
                                                  dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor
                                                  haar rekening; of</al></li><li nr="ii."><al> tussen een onderneming en één of meer
                                                  organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding,
                                                  waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in
                                                  aanmerking komende kosten dragen en het recht
                                                  hebben hun eigen onderzoeksresultaten te
                                                  publiceren;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> de aanvrager aannemelijk maakt dat hij in staat is zelf
                                            de productie ter hand te nemen na een eventuele
                                            succesvolle marktintroductie in vervolg op de
                                            subsidiabele activiteit; en</al></li><li nr="d."><al> de subsidiabele activiteit binnen de betreffende sector
                                            betrekking heeft op een keten van producent, leverancier
                                            en eindgebruiker.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander
                                            ondersteunend personeel voor zover zij zich met het
                                            onderzoeksproject bezighouden;</al></li><li nr="b."><al> kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor
                                            zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt.
                                            Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun
                                            volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden
                                            gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten
                                            overeenstemmend met de looptijd van het project,
                                            berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige
                                            beginselen, als in aanmerking komende kosten
                                            beschouwd;</al></li><li nr="c."><al> kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang
                                            zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat
                                            gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten
                                            overeenstemmend met de looptijd van het project,
                                            berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige
                                            beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd.
                                            Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële
                                            overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten
                                            in aanmerking;</al></li><li nr="d."><al> kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die
                                            op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of
                                            waarvoor een licentie wordt verleend door externe
                                            bronnen, alsmede kosten voor consultancy en
                                            gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project
                                            worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al> bijkomende algemene kosten en andere operationele
                                            uitgaven waaronder die voor materiaal, leveranties en
                                            dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project
                                            voortvloeien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan ondernemingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.5 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag in elk geval een schriftelijk bewijsstuk verstrekt waar
                                    uit blijkt dat de subsidiabele activiteit binnen de betreffende
                                    sector betrekking heeft op de keten van producent, leverancier
                                    en eindgebruiker.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 500.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.7 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van de subsidiabele activiteit
                                            risicodragende financiering mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager of holding waartoe de aanvrager behoort in
                                            het kalenderjaar waarin de subsidie wordt aangevraagd al
                                            een subsidie heeft ontvangen op grond van deze
                                            paragraaf; of</al></li><li nr="c."><al> de aanvrager niet beschikt over een aantoonbaar
                                            marktaandeel van de betreffende markt waarbinnen de
                                            innovatie plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.4.8 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.5 Onderzoeksinfrastructuur voor economische
                                    activiteiten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.5.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 aanhef en onder a,
                                    van de SvG kan worden verstrekt voor de bouw of het upgraden van
                                    onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden
                                    verricht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.5.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector
                                            energie- en milieutechnologie;</al></li><li nr="b."><al> de infrastructuur wordt gebruikt voor industrieel
                                            onderzoek of experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al> de prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de
                                            infrastructuur wordt berekend, overeenstemt met de
                                            marktprijs; en</al></li><li nr="d."><al> de toegang tot de infrastructuur open staat voor
                                            meerdere gebruikers en op transparante en
                                            niet-discriminerende basis wordt verleend. Ondernemingen
                                            die ten minste 10% van de investeringskosten van de
                                            infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente
                                            toegang krijgen op gunstigere voorwaarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.5.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de investeringen
                                    in immateriële en materiële activa.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.5.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 300.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.5.5 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 26 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.6 Proeftuinen ten behoeve van
                                    marktintroducties </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.6.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> ontwikkelen van proeftuinen ten behoeve van
                                            marktintroducties door een innovatiecluster;</al></li><li nr="b."><al> generiek promoten van het Gelderse
                                            proeftuinklimaat;</al></li><li nr="c."><al> generiek promoten van het Gelderse ondernemingsklimaat
                                            voor innoverende ondernemingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.6.2 Criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                        activiteit plaatsvindt in de sector energie- en
                                        milieutechnologie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.6.1, aanhef en onder
                                        c, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager daarbij voor
                                        gezamenlijke rekening en risico samenwerkt met ten minste
                                        één andere onderneming, kennisinstelling of
                                        publiekrechtelijke rechtspersoon en de voorwaarden voor de
                                        samenwerking schriftelijk zijn vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.6.3 Aanvrager </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.6.1, aanhef en onder
                                        a, wordt slechts aan de privaatrechtelijke rechtspersoon die
                                        het innovatiecluster exploiteert (de
                                        clusterorganisatie).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.6.1, aanhef en onder
                                        b, wordt verstrekt aan Valleybureaus en Regionale Centra
                                        voor Technologie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.6.1, aanhef en onder
                                        c, wordt verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de
                                                Wet gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="c."><al> privaatrechtelijke rechtspersonen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.6.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 200.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.6.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de subsidiabele activiteit
                                    betrekking heeft op de realisatie, verkrijging, gebruik of
                                    beheer van onroerende zaken en infrastructuur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.6.6 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.6.1 aanhef en onder a wordt
                                    slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met
                                    hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.7 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in
                                    EMT-sector </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.7.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder c, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor het verkleinen van
                                    arbeidsmarktdiscrepanties.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.7.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector
                                            energie- en milieutechnologie, en;</al></li><li nr="b."><al> bij de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten
                                            één of meerdere ondernemingen zijn betrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.7.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> ondernemingen;</al></li><li nr="b."><al> verenigingen van ondernemingen;</al></li><li nr="c."><al> kennisinstellingen;</al></li><li nr="d."><al> gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.7.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten
                                    met een maximum van € 200.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.8 Ondersteuning Programmabureau EMT als
                                    innovatiecluster </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.8.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder d, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> de bouw of het upgraden van een innovatiecluster;</al></li><li nr="b."><al> het exploiteren van een innovatiecluster.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.8.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit plaatsvindt ten behoeve van de sector energie- en
                                    milieutechnologie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.8.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan de Stichting Kennis en Innovatie in
                                    Energie- en Milieu Technologie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.8.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 500.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.8.5 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.9 Aanjagen en stimuleren van regionale
                                    gebiedsontwikkeling </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder e, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor activiteiten die betrekking hebben
                                    op de fysieke realisatie van incubators,
                                    bedrijfsverzamelgebouwen of gedeelde
                                    onderzoeksfaciliteiten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit plaatsvindt in de sector
                                            energie- en milieutechnologie, en;</al></li><li nr="b."><al> de bij de subsidiabele activiteit betrokken publieke en
                                            private partijen hun samenwerkingsafspraken schriftelijk
                                            hebben vastgelegd en daarbij ten minste regelingen
                                            hebben getroffen terzake de financiering van de
                                            voorgenomen fysieke realisatie en de verdeling van
                                            financiële risico's.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> het opstellen van een ruimtelijk-planologische visie of
                                            een ruimtelijk plan;</al></li><li nr="b."><al> het opstellen van een business case;</al></li><li nr="c."><al> het financieren van een onrendabele top in de vorm van
                                            kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang
                                            zij voor industrieel onderzoek of experimentele
                                            ontwikkeling worden gebruikt. Wat gebouwen betreft,
                                            worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met
                                            de looptijd van het project, berekend volgens algemeen
                                            erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele
                                            kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten
                                            voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte
                                            kapitaalkosten in aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> gemeenten;</al></li><li nr="b."><al> openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet
                                            gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="c."><al> privaatrechtelijke rechtspersonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele
                                        kosten tot een maximum van € 100.000,- voor kosten als
                                        bedoeld in artikel 5.10.9.3, aanhef en onder a of b.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 5.10.9.3,
                                        aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste: </al><lijst><li nr="a."><al> 50% van de subsidiabele kosten indien en voor zover
                                                de betreffende gebouwen en grond worden gebruikt
                                                voor industrieel onderzoek;</al></li><li nr="b."><al> 25% van de subsidiabele kosten indien en voor zover
                                                de betreffende gebouwen en grond worden gebruikt
                                                voor experimentele ontwikkeling.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.6 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> niet uit een marktonderzoek het nut, de noodzaak en de
                                            realiseerbaarheid van de subsidiabele activiteit
                                            volgt;</al></li><li nr="b."><al> de uitgangspunten van de subsidiabele activiteit niet
                                            in overleg met de provincie zijn opgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.9.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie ten behoeve van de onrendabele top in de zin van
                                    artikel 5.10.9.3, aanhef en onder c, wordt slechts verstrekt
                                    voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 25
                                    van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.10 Tenderregeling BioBest </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.10.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, lid 1 onder a, van de
                                    SvG kan worden verstrekt voor de ontwikkeling van biobased
                                    products.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.10.2 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan MKB-ondernemingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.10.3 Aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij
                                        de aanvraag in elk geval een toelichting verstrekt in de
                                        vorm van een projectplan op de in artikel 5.10.10.4
                                        opgenomen criteria en een planning.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij nader besluit wordt een termijn als bedoeld in artikel
                                        1.5, eerste lid, van de AsG vastgesteld waarbinnen aanvragen
                                        van subsidie moeten worden ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.10.4 Selectie criteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die
                                        activiteiten voorrang die: </al><lijst><li nr="a."><al> ten opzichte van activiteiten van andere aanvragers
                                                in hogere mate leiden tot vervanging van aardolie
                                                als grondstof voor het betreffende product;</al></li><li nr="b."><al> aantoonbare marktpotentie hebben in die zin dat met
                                                behulp van een business case is onderbouwd dat de
                                                terugverdientijd ligt binnen 5 jaar na indiening van
                                                de subsidieaanvraag;</al></li><li nr="c."><al> leiden tot de ontwikkeling van een biobased product
                                                binnen één jaar na subsidieverlening ten behoeve van
                                                de betreffende ontwikkeling;</al></li><li nr="d."><al> resulteren in een biobased product dat ten opzichte
                                                van activiteiten van andere aanvragers in hogere
                                                mate onderscheidend is wat betreft presentatie en
                                                vormgeving;</al></li><li nr="e."><al> in samenwerking met de creatieve industrie worden
                                                verricht;</al></li><li nr="f."><al> in hogere mate in house door medewerkers van
                                                aanvrager worden verricht ten opzichte van
                                                activiteiten van andere aanvragers;</al></li><li nr="g."><al> in hogere mate in samenwerking met
                                                kennisinstellingen plaatsvinden;</al></li><li nr="h."><al> leiden tot een hogere mate van herbruikbaarheid van
                                                het product, productonderdelen of materiaal als
                                                gevolg van het ontwerp als zodanig;</al></li><li nr="i."><al> voorzien in de wijze waarop het biobased product na
                                                ontwikkeling kan worden geproduceerd en afgezet op
                                                de markt;</al></li><li nr="j."><al> leiden tot biobased products die in hogere mate in
                                                de praktijk toepasbaar zijn op vergelijkbare of
                                                afgeleide wijze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De mate waarin aan de in het eerste lid genoemde onderdelen
                                        a tot en met j wordt voldaan, wordt door middel van de
                                        toekenning van punten gewaardeerd waarbij per onderdeel
                                        maximaal 10 punten wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.10.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten
                                    tot een maximum van € 150.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.10.6 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de aanvragen ingevolge de
                                    waardering als bedoeld in artikel 5.10.10.4, tweede lid, minder
                                    dan 55 punten krijgen toegekend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.11 Haalbaarheidsstudie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor het doen uitvoeren van
                                    haalbaarheidsstudies voor nieuw te ontwikkelen installaties en
                                    infrastructuur gericht op energiebesparing of de opwek van
                                    hernieuwbare energie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien een
                                    haalbaarheidsonderzoek, als bedoeld in artikel 5.10.11.1 het
                                    volgende bevat:</al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van de projectopzet;</al></li><li nr="b."><al> een opgave van de deelnemende of anderszins te
                                            betrekken partijen;</al></li><li nr="c."><al> een omschrijving van hun rol in het project;</al></li><li nr="d."><al> het vermogen en de energieopbrengst (in Joules);</al></li><li nr="e."><al> de globale kosten en baten;</al></li><li nr="f."><al> een schatting van de opbrengst in termen van
                                            CO2-emissiebeperking; en</al></li><li nr="g."><al> eventuele andere milieueffecten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen uitsluitend de kosten van de studie in
                                    aanmerking die worden gemaakt door de opsteller van de
                                    haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 5.10.11.1.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> de stichting Programmabureau EMT;</al></li><li nr="b."><al> de regionale centra voor technologie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie voor de aanvrager als bedoeld in artikel
                                        5.10.11.3, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste €
                                        200.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie voor de aanvrager als bedoeld in artikel
                                        5.10.11.3, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste €
                                        50.000,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht om:</al><lijst><li nr="a."><al> per onderneming ten behoeve waarvan de subsidiabele
                                            activiteit wordt uitgevoerd maximaal € 25.000,- te
                                            verstrekken;</al></li><li nr="b."><al> de onderneming, ten behoeve waarvan de subsidiabele
                                            activiteit wordt uitgevoerd, te verplichten om ten
                                            minste 50% van de kosten van de subsidiabele activiteit
                                            zelf te dragen;</al></li><li nr="c."><al> de opdracht tot uitvoering van de subsidiabele
                                            activiteit te verstrekken binnen een jaar nadat de
                                            subsidie is verleend;</al></li><li nr="d."><al> ervoor zorg te dragen dat de subsidiabele activiteit
                                            binnen een jaar na het verlenen van de opdracht is
                                            voltooid; en</al></li><li nr="e."><al> het haalbaarheidsonderzoek openbaar te maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.11.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 25 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.12 Businesscase </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.12.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor het opstellen van een business case
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het realiseren van installaties en energie
                                            infrastructuur gericht op energiebesparing of de opwek
                                            van hernieuwbare energie;</al></li><li nr="b."><al> het oprichten van een lokaal duurzaam energiebedrijf
                                            gericht op energiebesparing of de opwek van hernieuwbare
                                            energie; of</al></li><li nr="c."><al> een Energy Service Company gericht op energiebesparing
                                            of de opwek van hernieuwbare energie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.12.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de business case, als
                                    bedoeld in artikel 5.10.12.1 het volgende bevat:</al><lijst><li nr="a."><al> een toelichting op de hoedanigheid van de aanvrager,
                                            waaronder in ieder geval de juridische en de
                                            bestuurlijke structuur en een opgave van de
                                            partners;</al></li><li nr="b."><al> een haalbaarheidsanalyse;</al></li><li nr="c."><al> een financiële haalbaarheidsanalyse waarbij de volgende
                                            zaken worden meegenomen: </al><lijst><li nr="i."><al> projecties van de winst- en verliesrekening
                                                  over een periode van 5 jaar;</al></li><li nr="ii."><al> projecties van de balans over een periode van 5
                                                  jaar;</al></li><li nr="iii."><al> een liquiditeitsprognose per maand over een
                                                  periode van 2 jaar;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> een omschrijving van de betrokken patenten; en</al></li><li nr="e."><al> een beschrijving van de gegenereerde energieopbrengst,
                                            een beschrijving van het opgewekte vermogen en een
                                            schatting van het resultaat in joules;</al></li><li nr="f."><al> de beoogde locatie van de installaties en energie
                                            infrastructuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.12.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen niet in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al> Kosten voor eigen personele inzet van de onderneming
                                            ten behoeve waarvan de businesscase wordt gemaakt;</al></li><li nr="b."><al> Kosten van communicatie en het werven van leden;</al></li><li nr="c."><al> Kosten voor energiescans bij woningen of
                                            bedrijven;</al></li><li nr="d."><al> Kosten voor automatisering;</al></li><li nr="e."><al> Kosten voor de bouw van installaties en energie
                                            infrastructuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.12.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten,
                                    met een minimum van € 7.500,- en een maximum van €
                                    25.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.12.5 Verplichting </titel></kop><al>De subsidie-ontvanger is verplicht om de business case openbaar
                                    te maken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.13 Lokale hernieuwbare energieprojecten en
                                    participatie doornatuurlijke personen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid onder b, van
                                    de SvG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale
                                    hernieuwbare energieprojecten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de projecten, als
                                    bedoeld in artikel 5.10.13.1, voldoen aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al> minimaal 50 natuurlijke personen nemen deel middels een
                                            financiële bijdrage;</al></li><li nr="b."><al> de financiële deelname van voornoemde personen bedraagt
                                            minstens 25% van de subsidiabele kosten;</al></li><li nr="c."><al> de bijdrage per natuurlijk persoon bedraagt minimaal €
                                            50,-;</al></li><li nr="d."><al> het lokale hernieuwbare energieproject heeft een
                                            terugverdientijd van minimaal vijf jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame
                                    energiebedrijven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.4 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij de
                                    aanvraag een document verstrekt met een overzicht van
                                    NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen en van de
                                    hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten,
                                    met een minimum van € 5.000,- en een maximum van €
                                    200.000,-.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.6 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al> indien minder dan 50 natuurlijke personen financieel
                                            deelnemen;</al></li><li nr="b."><al> indien de financiële deelname van voornoemde personen
                                            minder dan 25% van de subsidiabele kosten bedraagt;</al></li><li nr="c."><al> indien de bijdrage per natuurlijk persoon niet minimaal
                                            € 50,- bedraagt;</al></li><li nr="d."><al> voor lokale hernieuwbare energieprojecten met een
                                            terugverdientijd van minder dan vijf jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.13.7 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht om ervoor zorg te dragen dat
                                    de bijdrage van natuurlijke personen, als genoemd in artikel
                                    5.10.13.4, minimaal 5 jaar beschikbaar blijft voor de
                                    subsidiabele activiteit.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.14 Woningisolatie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.14.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid onder a, van
                                    de SvG kan worden verstrekt voor het verstrekken van subsidie
                                    voor woningisolatie van koopwoningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.14.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager beschikt
                                    over een subsidieregeling op grond waarvan aan een
                                    eigenaar-bewoner subsidie kan worden verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het aanbrengen van vloerisolatie met een Rd-waarde van
                                            minimaal 2,5 m² K/W;</al></li><li nr="b."><al> het aanbrengen van dakisolatie met een Rd-waarde van
                                            minimaal 2,5 m² K/W, waarbij isolatie van de vloer van
                                            een niet-verwarmde vliering wordt beschouwd als
                                            dakisolatie;</al></li><li nr="c."><al> het aanbrengen van muurisolatie door middel van het
                                            aanbrengen van spouwmuurisolatie in de bestaande spouw,
                                            of door middel van het aanbrengen van andere
                                            gevelisolatie waarbij de Rd-waarde 2,5 m² K/W is;
                                            of</al></li><li nr="d."><al> het vervangen van bestaand glas door HR++-glas.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.14.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.14.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt niet meer dan een derde van de
                                        subsidiabele kosten per koopwoning met een maximum van €
                                        500,- per koopwoning.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de aanvrager een isolatiesubsidie verstrekt aan ten
                                        minste zes eigenaren van koopwoningen binnen de gemeente,
                                        waarbij iedere eigenaar-bewoner de aanvraag moet
                                        ondertekenen, bedraagt de subsidie niet meer dan een derde
                                        van de subsidiabele kosten per koopwoning met een maximum
                                        van € 750,- per koopwoning.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het aantal koopwoningen dat voor subsidie in aanmerking
                                        komt bedraagt maximaal 20% van het aantal woningen dat
                                        binnen de gemeente voldoet aan de criteria van artikel
                                        5.10.14.2. onder b en c.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.14.5 Verplichtingen </titel></kop><al>De aanvrager is verplicht om in de subsidieregeling als bedoeld
                                    in artikel 5.10.14.2 te bepalen dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidie aangevraagd wordt door de eigenaar-bewoner
                                            van de koopwoning waaraan de subsidie ten goede
                                            komt;</al></li><li nr="b."><al> de subsidie aangevraagd wordt voor 31 december
                                            2015;</al></li><li nr="c."><al> de subsidie uitsluitend wordt verstrekt voor isolatie
                                            van woningen die een woonbestemming hebben.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.15 Masterplan bodemenergie </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.15.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor het doen opstellen van een masterplan
                                    bodemenergie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.15.2 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>De kosten voor eigen personele inzet van de aanvrager komen niet
                                    voor subsidie in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.15.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele
                                    activiteit gericht is op het:</al><lijst><li nr="a."><al> voorkomen van de negatieve onderlinge beïnvloeding van
                                            bodemenergiesystemen;</al></li><li nr="b."><al> voorkomen van negatieve beïnvloeding van andere
                                            bodemfuncties door bodemenergiesystemen; of</al></li><li nr="c."><al> benutten van positieve interactie tussen
                                            bodemenergiesystemen onderling en tussen
                                            bodemenergiesystemen en ander bodemgebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.15.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.15.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten
                                    met een maximum van € 10.000,-.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.16 Rijden op biogas: bedrijfsmatig te
                                    gebruiken wegvervoermiddelen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor de aanschaf van nieuwe
                                    wegvervoermiddelen die geschikt zijn voor het rijden op CNG,
                                    groen gas, LNG of LBG.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.2 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de extra investeringskosten voor een
                                    wegvervoermiddel dat rijdt op CNG, groen gas, LNG of LBG, ten
                                    opzichte van de investeringskosten voor een vergelijkbaar
                                    wegvervoermiddel dat op diesel of benzine rijdt in
                                    aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al> ondernemingen;</al></li><li nr="b."><al> publiekrechtelijke rechtspersonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten
                                    indien het betrokken wegvervoermiddel een massa heeft van:</al><lijst><li nr="a."><al> minder dan 3500 kilogram en rijdt op CNG, groen gas,
                                            LNG of LBG, met een maximum van € 2.000,- per
                                            wegvervoermiddel en met een totaal maximum, indien
                                            aanvrager meerdere wegvervoermiddelen aanschaft, van €
                                            12.000,-;</al></li><li nr="b."><al> meer dan 3500 kilogram en rijdt op CNG of groen gas,
                                            met een maximum van € 6000,- per wegvervoermiddel en met
                                            een totaal maximum, indien aanvrager meerdere
                                            wegvervoermiddelen aanschaft, van € 30.000,-;</al></li><li nr="c."><al> meer dan 3500 kilogram en rijdt op LNG of LBG, met een
                                            maximum van € 15.000,- per wegvervoermiddel, en met een
                                            totaal maximum, indien aanvrager meerdere
                                            wegvervoermiddelen aanschaft, van € 60.000,-.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> voertuigen in het kader van een concessie tussen een
                                            overheidsinstantie en een aanvrager worden
                                            aangeschaft;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager subsidie ontvangt, op basis van andere
                                            soortgelijke subsidieregelingen, voor hetzelfde
                                            wegvervoermiddel of dezelfde wegvervoermiddelen als
                                            waarvoor aanvrager onderhavige subsidie aanvraagt,
                                            waardoor de totale subsidie, te weten de subsidie die
                                            aanvrager wenst te ontvangen op basis van deze regeling
                                            en mogelijke andere soortgelijke subsidieregelingen,
                                            boven de maximale subsidiehoogte komt zoals beschreven
                                            in artikel 5.10.16.4; of</al></li><li nr="c."><al> de aanvrager het (de) wegvervoermiddel(en) heeft
                                            aangeschaft vóór het moment van inwerkingtreding van
                                            deze regels.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht kentekenhouder te worden van
                                    het aan te schaffen voertuig.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.16.7 Communautair toetsingskader </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd
                                    is met hoofdstuk I en artikel 36 van de Algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.17 Rijden op biogas: particulieren </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.17.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor de aanschaf van nieuwe
                                    wegvervoermiddelen die geschikt zijn voor het rijden op CNG,
                                    groen gas, LNG of LBG.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.17.2 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de extra investeringskosten voor een
                                    wegvervoermiddel dat rijdt op CNG, groen gas, LNG of LBG, ten
                                    opzichte van de investeringskosten voor een vergelijkbaar
                                    wegvervoermiddel dat op diesel of benzine rijdt in
                                    aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.17.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt aan particulieren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.17.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.000,- per
                                    wegvervoermiddel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.17.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> subsidie wordt aangevraagd voor meer dan één
                                            wegvervoermiddel; of</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager het (de) wegvervoermiddel(en) heeft
                                            aangeschaft vóór het moment van inwerkingtreding van
                                            deze regels.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.17.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht kentekenhouder te worden van
                                    het aan te schaffen voertuig.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.18 Warmtekrachtkoppeling, warmtepomp of
                                    gaswarmtepomp </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.18.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor de aanschaf en installatie van een
                                    mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie, een warmtepomp of een
                                    gaswarmtepomp.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.18.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie, de
                                            warmtepomp of de gaswarmtepomp een terugverdientijd
                                            heeft van meer dan vijf jaren;</al></li><li nr="b."><al> het geraamde energieverbruik over de gehele
                                            terugverdientijd, uitgedrukt in petajoules, bij het
                                            gebruik van de mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie,
                                            de warmtepomp of de gaswarmtepomp, niet minimaal 20%
                                            minder is dan het geraamde energieverbruik over deze
                                            periode wanneer er geen gebruik wordt gemaakt van
                                            voormelde installaties, hetgeen is aangetoond door een
                                            onafhankelijke deskundige.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.18.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor:</al><lijst><li nr="a."><al> aanschaf van de mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie,
                                            de warmtepomp of de gaswarmtepomp;</al></li><li nr="b."><al> inhuur van het bedrijf dat de mini
                                            warmtekrachtkoppelingsinstallatie, de waterpomp of de
                                            gaswarmtepomp installeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.18.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie bedraagt maximaal de subsidiabele kosten
                                        gedeeld door de terugverdientijd vermenigvuldigd met twee en
                                        een kwart jaar, tot een maximum van € 100.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover de terugverdientijd minder dan zeven en een
                                        kwart jaren bedraagt, wordt het maximum van twee en een
                                        kwart jaar als bedoeld in het vorige lid verminderd tot de
                                        periode van de terugverdientijd minus vijf jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.18.5 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager een grote
                                    onderneming is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.18.6 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht om een installatie- en
                                    onderhoudscontract aan te gaan met het installatiebedrijf dat de
                                    mini warmtekrachtkoppelingsinstallatie, de warmtepomp of de
                                    gaswarmtepomp heeft geïnstalleerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.19 Tender Gelderse maten </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.19.1 Subsidiabele activiteiten </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1 van de SvG kan worden
                                    verstrekt voor:</al><lijst><li nr="a."><al> het opstellen van een businessplan ten behoeve van een
                                            pilot; en</al></li><li nr="b."><al> de uitvoering van een pilot zoals beschreven in een
                                            businessplan, gericht op energiebesparing of de opwek
                                            van hernieuwbare energie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.19.2 Aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanvragen voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in
                                        artikel 5.10.19.1 onder a. kunnen worden ingediend van 1
                                        januari 2015 tot en met 1 maart 2015.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aanvragen voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in
                                        artikel 5.10.19.1 onder b. kunnen worden ingediend tot 6
                                        maanden na bekendmaking van de selectie als bedoeld in
                                        artikel </al><al/><al> 5.10.19.3, derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.19.3 Selectiecriteria </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen die
                                        activiteiten voorrang die: </al><lijst><li nr="a."><al> inspirerend, innovatief en een goed navolgbaar
                                                voorbeeld zijn voor anderen;</al></li><li nr="b."><al> experimenteren met het in de tijd op elkaar
                                                afstemmen van vraag en aanbod van lokaal opgewekte
                                                hernieuwbare energie, waarbij een combinatie van
                                                elektriciteit en warmte een pre is;</al></li><li nr="c."><al> optimaal gebruikmaken van nieuwe regelgeving,
                                                ontwikkeling en financieringsconstructies op het
                                                gebied van hernieuwbare energie waardoor sprake is
                                                van een financieel sluitend businessplan;</al></li><li nr="d."><al> uitgaan van lokale samenwerking tussen de
                                                bevolking, bedrijven, netbeheerder,gemeente en
                                                maatschappelijke instellingen;</al></li><li nr="e."><al> de hoogste bijdrage leveren aan het opwekken van
                                                hernieuwbare energie, energiebesparing en omzet en
                                                werkgelegenheid voor het lokale bedrijfsleven;</al></li><li nr="f."><al> een zo laag mogelijk provinciaal subsidie aandeel
                                                hebben in verhouding tot de totale
                                                projectkosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Per onderdeel als genoemd in lid 1 wordt maximaal 20 punten
                                        toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.19.1, aanhef en onder
                                        a, wordt toegekend aan de zes aanvragen met het hoogst
                                        aantal punten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.19.1, aanhef en onder
                                        b, wordt toegekend aan de drie aanvragen met het hoogste
                                        aantal punten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien vier of meer aanvragen voor de subsidiabele
                                        activiteit ingevolge artikel 5.10.19.1, aanhef en onder b,
                                        96 of meer punten hebben wordt elk van deze aanvragen
                                        geselecteerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.19.4 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.19.1, aanhef en onder
                                        a, bedraagt ten hoogste 75% tot een maximum van €
                                        20.000,-.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid bedraagt de subsidie als
                                        bedoeld in artikel 5.10.19.1, aanhef en onder a, ten hoogste
                                        75 % tot een maximum van € 10.000,- indien de aanvrager
                                        reeds eerder op grond van deze paragraaf subsidie heeft
                                        ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.19.1, aanhef en onder
                                        b, bedraagt ten hoogste € 160.000,- te verminderen met het
                                        subsidiebedrag dat aanvrager reeds heeft ontvangen voor de </al><al/><al> subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 5.10.19.1,
                                        aanhef en onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.19.5 Weigeringsgronden </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al> een aanvraag minder dan 72 punten krijgt
                                            toegekend;</al></li><li nr="b."><al> aanvrager reeds eerder op grond van deze paragraaf
                                            subsidie heeft ontvangen voor de subsidiabele activiteit
                                            als bedoeld in artikel 5.10.19.1, aanhef en onder
                                            b.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.20 HRe-ketels </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, aanhef en
                                    onder a, van de SvG kan worden verstrekt voor de huur, huurkoop
                                    of koop en het installeren van een HRe-ketel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de HRe-ketel deen vermogen heeft van maximaal 3
                                            kilowatt;</al></li><li nr="b."><al> de efficiëncy van de HRe-ketel minimaal 125% bedraagt,
                                            berekend op grond van de volgende formule:</al><al/><al> (red. zie blz. 75 van Provinciaal Blad 2013/208 via de
                                            volgende link:
                                            http://sis.prv.gelderland.nl/brondoc/ALG/2013/PROVBLAD/SIS_12820.PDF
                                            )</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.3 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de kosten voor de aanschaf van een HRe-ketel
                                    in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.4 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan een eigenaar-bewoner in wiens huis
                                    de HRe-ketel wordt geïnstalleerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.5 Aanvraag </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht bij de aanvraag een contract
                                    te overleggen waaruit blijkt dat de subsidieontvanger huurder of
                                    eigenaar is geworden of eigenaar zal worden van de
                                    HRe-ketel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste € 2.000,- per woning per
                                    HRe-ketel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.20.7 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht binnen vier weken na aanschaf
                                    de HRe-ketel te installeren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.21 Energiedisplay </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.1 Begripsomschrijvingen </titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> energiedisplay: een display dat de prestaties van het
                                            zonne-energiesysteem grafisch weergeeft;</al></li><li nr="b."><al> school: een onderwijsinstelling die onderwijs verzorgt
                                            dat binnen het nationale onderwijsstelsel wordt
                                            gefinancierd door de staat en onder staatstoezicht
                                            staat;</al></li><li nr="c."><al> zonne-energiesysteem: een nieuw aan te schaffen systeem
                                            dat met behulp van zonnepanelen zonne-energie omzet in
                                            elektriciteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.2 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid onder a, van
                                    de SvG kan worden verstrekt voor de aanschaf van een
                                    energiedisplay.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.3 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien het energiedisplay
                                    minimaal een label A+ heeft en de prestaties weergeeft van een
                                    zonne-energiesysteem van minimaal 10 KiloWattpiek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.4 Subsidiabele kosten </titel></kop><al>Voor subsidie komen de kosten voor de aanschaf van een
                                    energiedisplay in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.5 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen die niet
                                    op het behalen van winst zijn gericht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.6 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt ten hoogste € 1.500,- per
                                    energiedisplay.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.7 Weigeringsgrond </titel></kop><al>Subsidie wordt geweigerd voor zover deze wordt aangevraagd voor
                                    meer dan één energiedisplay per zonne-energiesysteem.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.21.8 Verplichtingen </titel></kop><al>De subsidieontvanger is verplicht om het energiedisplay op te
                                    hangen op een voor leerlingen en bezoekers duidelijk zichtbare
                                    plaats en gedurende vijf jaar te blijven gebruiken als
                                    energiedisplay.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.22 Extra verduurzaming sociale
                                    huurwoningvoorraad </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.22.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor het extra verbeteren van de
                                    energie-index van een bestaande, zelfstandige, gelabelde sociale
                                    huurwoning, waarbij leerwerkplaatsen worden gecreëerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.22.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit uiterlijk op 31 december
                                            2015 is afgerond, met dien verstande dat de woning
                                            binnen dertien weken na gereedkomen is afgemeld;</al></li><li nr="b."><al> de subsidieaanvrager voor iedere woning waarvoor hij
                                            subsidie aanvraagt ten minste twee labelstappen
                                            maakt;</al></li><li nr="c."><al> voor de woningen waar de subsidie betrekking op heeft,
                                            tenminste gemiddeld het niveau van labelklasse B wordt
                                            bereikt;</al></li><li nr="d."><al> per 100 woningen ten minste één leerwerkplaats van 1
                                            fte wordt gecreëerd gedurende de looptijd van de
                                            subsidiabele activiteit;</al></li><li nr="e."><al> er door het coördinatieteam een schriftelijke
                                            aanbeveling is afgegeven voordat met de uitvoering van
                                            de subsidiabele activiteit wordt gestart; en</al></li><li nr="f."><al> er een verklaring aanwezig is als bedoeld in artikel
                                            5.10.22.6, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.22.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt verstrekt aan woningcorporaties.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.22.4 Aanvraag </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG wordt bij
                                        de aanvraag in elk geval een overzicht verstrekt van de
                                        labelklassen welke zijn toegesneden op de woningen waarvoor
                                        subsidie wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de aanvraag behoeven de gegevens als bedoeld in artikel
                                        2.1, tweede lid onderdeel b en c, van de AsG niet te worden
                                        verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.22.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><al>De subsidie bedraagt gemiddeld € 7.000,- per woning, met dien
                                    verstande dat de aanvrager ten minste de kosten van één
                                    labelstap per woning draagt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.22.6 Communautair toetsingskader </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in
                                        strijd is met het besluit van de Commissie van 20 december
                                        2011 (2012/21/EU) betreffende de toepassing van artikel 106,
                                        tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de
                                        Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor
                                        de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van
                                        diensten van algemeen economisch belang belaste
                                        ondernemingen (PbEU 2012, L 7).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In verband met het bepaalde in het eerste lid is de
                                        aanvrager gehouden een verklaring over te leggen inhoudende
                                        enerzijds dat de woning waar de subsidiabele activiteit
                                        wordt verricht niet binnen tien jaren na dato
                                        subsidiebeschikking zal worden verkocht aan de zittende
                                        huurder dan wel aan een derde en anderzijds dat aan de
                                        zittende huurder als gevolg van de te verrichten
                                        subsidiabele activiteit geen huurverhoging zal worden
                                        doorgevoerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5.10.23 Leningverstrekking energieneutraal
                                    renoveren particuliere woningen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.23.1 Subsidiabele activiteit </titel></kop><al>Subsidie als bedoeld in artikel 5.10.1, tweede lid, van de SvG
                                    kan worden verstrekt voor het treffen van
                                    duurzaamheidsmaatregelen aan een bestaande woning in
                                    overeenstemming met het Maatwerkadvies Energiebesparing die
                                    zullen leiden tot een energieneutrale woning.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.23.2 Criteria </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al> de subsidiabele activiteit uiterlijk op 31 december
                                            2015 is afgerond;</al></li><li nr="b."><al> de woning binnen dertien weken na oplevering van alle
                                            duurzaamheidsmaatregelen is gereed gemeld; en</al></li><li nr="c."><al> de subsidiabele activiteit wordt verricht door een
                                            aannemer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.23.3 Aanvrager </titel></kop><al>Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar-bewoner van een
                                    bestaande woning, gelegen in de gemeente Wageningen, Arnhem,
                                    Nijmegen, Zutphen of Apeldoorn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.23.4 Aanvraag </titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.1, tweede lid, van de AsG worden bij de
                                    aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al> een integraal plan;</al></li><li nr="b."><al> een opgave van de kosten en een financiële onderbouwing
                                            van deze opgave op basis van een of meerdere offertes
                                            van aannemers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.10.23.5 Hoogte van de subsidie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een
                                        stimuleringslening met een hypothecaire zekerheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt te minste € 25.000,- en ten hoogste €
                                        50.000,-.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Per aanvrager wordt niet vaker dan éénmaal subsidie
                                        verleend.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1.1 Intrekking </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De volgende regels worden met ingang van 1 januari 2014
                                ingetrokken: </al><lijst><li nr="a."><al> Regels subsidieverstrekking Landschap Gelderland;</al></li><li nr="b."><al> Regels subsidieverstrekking Mobiliteit;</al></li><li nr="c."><al> Regels gebiedsontwikkeling SvG 2011;</al></li><li nr="d."><al> Regels Collectief Particulier Opdrachtgeverschap
                                        Gelderland;</al></li><li nr="e."><al> Regels subsidieverstrekking procesondersteuning impulsplan
                                        wonen;</al></li><li nr="f."><al> Regels subsidieverstrekking openbaar bibliotheekwerk;</al></li><li nr="g."><al> Regels subsidieverstrekking Sociaal Profiel;</al></li><li nr="h."><al> Regels subsidieverstrekking Jeugd;</al></li><li nr="i."><al> Regels subsidieverstrekking Leefbaarheid en
                                        gemeenschapsvoorzieningen;</al></li><li nr="j."><al> Regels subsidieverstrekking Economie 2013;</al></li><li nr="k."><al> Regels energiebesparing en hernieuwbare energie;</al></li><li nr="l."><al> Regels ideeëngenerator Krimp;</al></li><li nr="m."><al> Regels subsidieverstrekking Ruimtelijk Beleid;</al></li><li nr="n."><al> Regels subsidieverstrekking Beleef de Waal 2013.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Regels Gelderland Sport 2012 worden met ingang van 8 november
                                2013 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De Regels Land- en tuinbouw 2013 worden met ingang van 31 december
                                2013 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1.2 Overgangsrecht </titel></kop><al>Op subsidies aangevraagd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                            regeling blijft het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1.3 Inwerkingtreding </titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014 met
                            uitzondering van hoofdstukken 1 en 2, titel 5.6 en paragraaf 5.8.13, die
                            in werking treden met ingang van 8 november 2013 en titel 5.9, die in
                            werking treedt met ingang van 31 december 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.1.1.4 Citeertitel </titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Regels subsidieverordening vitaal
                            Gelderland 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten van Gelderland </al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011</titel></kop><al><vet>Toelichting artikelsgewijs </vet></al><al><vet>Artikel 2.1.1.1 Communautair toetsingskader </vet></al><al><vet>De-minimis</vet> In deze regeling staat steeds per paragraaf in het artikel
                    ‘Communautair toetsingskader’ de staatssteungrondslag vermeld waaraan de
                    subsidie moet voldoen. Tot deze categorie behoren de subsidieparagrafen 5.7.3,
                    5.7.4, 5.7.5, 5.7.6, 5.7.7, 5.7.10, 5.7.11, 5.8.2, 5.8.5, 5.8.6, 5.8.7, 5.9.4,
                    5.9.5, 5.9.6, 5.10.3, 5.10.4, 5.10.5, 5.10.6, 5.10.8, 5.10.9, 5.10.11,5.10.16 en
                    5.10.22 en de artikelen 3.1.3.2, aanhef en onder a, 4.2.2.1, aanhef en onder a
                    en 4.2.3.1, aanhef en onder a. Met name wordt in die paragrafen een beroep
                    gedaan op de Algemene groepsvrijstellingsverordening en de Landbouw
                    groepsvrijstellingsverordening.</al><al>Het artikel Communautaire toetsingskader kan om twee redenen ontbreken,
                    namelijk:</al><al>a. er is geen sprake van staatssteun; of b. er ontbreekt een specifieke
                    staatssteungrondslag.</al><al>In het eerste geval is logischerwijs geen noodzaak een staatssteungrondslag op
                    te nemen. In de toelichting bij de desbetreffende paragraaf zal dan worden
                    vermeld om welke redenen er geen sprake is van staatssteun. In het tweede geval
                    is er sprake van staatssteun die slechts kan worden verstrekt indien deze
                    voldoet aan de criteria van één van de door de Europese Commissie vastgestelde
                    de-minimisverordeningen.</al><al>Subsidie die op grond van paragrafen 3.1.1, 4.1.3, 4.2.4, 4.2.5, 4.4.1, 5.3,1,
                    5.5.2, 5.5.5, 5.7.2, 5.7.9, 5.8.3, 5.8.4, 5.8.5.6, tweede lid, 5.8.9, 5.8.10,
                    5.8.11, 5.8.13, 5.8.14, 5.8.16, 5.8.17, 5.9.2, 5.10.2, 5.10.7, 5.10.10, 5.10.12,
                    5.10.13, 5.10.18 en 5.10.19 en de artikelen 3.1.3.2, aanhef en onder b, 4.1.8.2,
                    aanhef en onder b, 4.1.9.1, aanhef en onder a en c, 4.2.2.2, aanhef en onder b,
                    en 4.2.3.1, aanhef en onder b tot en met g, wordt slechts met toepassing van
                    Verordening (EG) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende
                    de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de de-minimissteun
                    (PbEU L 352) verstrekt (de de minimisverordening). Voor wat betreft paragraaf
                    5.8.18 geldt dat de subsidieontvanger de subsidie slechts als subsidie mag
                    verstrekken aan werkgevers met toepassing van de de-minimisverordening.</al><al>Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 5.2.3.1, aanhef en onder a en b
                    kwalificeert op zichzelf niet als staatssteun. Daarvan zal pas sprake kunnen
                    zijn in de relatie tussen de gemeente en de eindbegunstigde van de subsidie.
                    Indien laatstbedoelde subsidie moet worden aangemerkt als staatssteun (en dus
                    aan alle vijf cumulatieve criteria voor staatssteun voldoet), is er in
                    aanvulling op de toelichting op artikel 2.1.1.1 van de Regels
                    Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011 naast de twee genoemde
                    vrijstellingsmogelijkheden een derde vrijstellingsmogelijkheid toepasbaar. Dit
                    betreft naadst de de-minimisverordening voor subsidies tot € 200.000,-, artikel
                    53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, het Monumentenkader zoals
                    kennis gegeven bij de Europese Commissie onder de Algemene
                    groepsvrijstellingsverordening (SA 40475). De twee laatsgenoemde mogelijkheden
                    gelden ook voor hogere subsidies. Het is aan de gemeente om bij het verlenen van
                    subsidie aan de eindontvanger daar toepassing aan te geven.</al><al><vet>Infrastructuur</vet> De aanleg van infrastructuur zoals wegen en
                    fietspaden, straatverlichting en aansluiting op openbare nutsvoorzieningen vormt
                    een belangrijk deel van overheidsinvesteringen bij gebiedsontwikkeling. Zolang
                    deze infrastructuur algemeen toegankelijk blijft voor alle potentiële
                    eindgebruikers is er geen sprake van staatssteun. Dit geldt voor subsidie die op
                    grond van de paragrafen 3.1.4, 4.1.2, 4.1.5 en 4.1.7 wordt verstrekt.</al><al>Voor wat betreft paragraaf 5.5.6 is sprake van de aanleg of verbetering van
                    sociale infrastructuur. Zolang de ontmoetingsplek niet commercieel zal worden
                    geëxploiteerd en algemeen toegankelijk blijft voor alle potentiële
                    eindgebruikers is er geen sprake van staatssteun.</al><al><vet>Wettelijke taak</vet> De activiteiten waarvoor op grond van de paragrafen
                    4.1.4, 4.1.6 en 5.9.3 en artikel 4.1.8.2, aanhef en onder a, subsidie kan worden
                    verstrekt hebben een wettelijke grondslag en worden door overheden dan wel door
                    overheid geliëerde instanties uitgevoerd. Deze activiteiten zijn aan te merken
                    als overheidstaken en hebben derhalve geen economisch karakter. Gelet hierop
                    vallen deze subsidies buiten de werking van het staatssteunrecht.</al><al><vet>Promotie &amp; Marketing</vet> Er is geen sprake van staatssteun omdat het
                    geven van neutrale toeristische voorlichting geen economische activiteit is. De
                    subsidieontvanger kan daardoor niet als onderneming worden aangemerkt waardoor
                    er alleen al daarom niet aan de cumulatieve eisen wordt voldaan om te kunnen
                    spreken van staatssteun. Dit geldt voor subsidie die op grond van paragraaf
                    5.8.12 wordt verstrekt.</al><al><vet>Geen staatssteun</vet> Er is geen sprake van staatssteun omdat geen sprake
                    is van economische activiteiten die worden gesubsidieerd. De subsidieontvanger
                    kan daardoor niet als onderneming worden aangemerkt waardoor er alleen al daarom
                    niet aan de cumulatieve eisen wordt voldaan om te kunnen spreken van
                    staatssteun. Tot deze categorie behoren de subsidieparagrafen 5.5.3, 5.5.4,
                    5.5.6, 5.7.10, 5.8.14, 5.8.15, 5.10.8, 5.10.14, 5,10.15, 5.10.17, 5.10.20,
                    5.10.21 en artikel 5.2.3.1, aanhef en onder c.</al><al>In geval van paragraaf 5.2.4 is er geen sprake van staatssteun omdat geen sprake
                    is van potentiële invloed op de tussenstaatse handel. Er wordt daarmee niet
                    voldaan aan één van de cumulatieve eisen om te kunnen spreken van
                    staatssteun.</al><al>Subsidie op grond van paragraaf 5.10.14 kan worden verstrekt aan gemeenten.
                    Gemeenten verstrekken vervolgens subsidies aan eigenaar-bewoners. Omdat sprake
                    moet zijn van woningen met een woonbestemming, zijn de eigenaar-bewoners niet
                    aan te merken als ondernemingen. Daarom wordt niet aan de cumulatieve vereisten
                    voldaan om te kunnen spreken van staatssteun.</al><al><vet>Onbepaalde staatssteun oplossing</vet> Voor de activiteiten die op grond
                    van titel 5.6, de paragrafen 4.5.1, 5.2.1 en 5.2.2 en artikel 4.1.9.1, aanhef en
                    onder b, kunnen worden gesubsidieerd kan vooraf geen staatssteunoplossing worden
                    geboden. De reikwijdte van deze bepalingen zijn zodanig divers dat zij niet
                    eenduidig onder een staatssteunvrijstelling kunnen worden geplaatst. Subsidies
                    die op grond van deze bepalingen worden aangevraagd zullen dan ook steeds per
                    geval aan het staatssteunrecht moeten worden getoetst.</al><al>Gemeenten dienen bij het doorzetten van subsidie op grond van paragraaf 5.2.2
                    aan derden de staatsteunregels in acht te nemen.</al><al><vet>Artikel 2.1.1.2 Onvolledige aanvragen bij tenders</vet> Bij subsidietenders
                    moet op transparante wijze een onderlinge beoordeling van de aanvragen
                    plaatsvinden. De aanvragen worden als het ware bevroren op het moment van
                    sluiting van de openstellingsperiode. Dit betekent dat aanvragers na deze datum
                    geen gelegenheid meer hebben om onvolledige aanvragen te completeren. De
                    onvolledigheid kan gelegen zijn in het niet bijvoegen van verplichte bijlagen,
                    in het niet onderbouwen van kosten van activiteiten op de begroting of het niet
                    voldoen aan criteria die in de betrokken regels zijn opgenomen. Wanneer een
                    onderdeel van de begroting niet is onderbouwd kan niet beoordeeld worden of de
                    daarbij behorende actiteiten ook daadwerkelijk subsidiabel zijn.</al><al>Bij de recente tenders is gebleken dat heel veel aanvragers pas vlak voor het
                    moment van sluiting hun aanvraag indienen. Zij ontnemen zichzelf daardoor de
                    mogelijkheid om aanvragen alsnog aan te vullen. Voor aanvragen die meer dan 10
                    werkdagen voor het moment van sluiting worden ingediend, is namelijk door uw
                    college bepaald dat wij deze beoordelen en de aanvrager op de hoogte stellen van
                    de door ons geconstateerde onvolledigheid. Hierdoor kunnen zij zij nog voor het
                    sluitingsmoment de ontbrekende stukken in te dienen.</al><al>In de Algemene wet bestuursrecht is in artikel 4:5 een regeling opgenomen voor
                    het niet in behandeling nemen van onvolledige aanvragen. De hoogste
                    bestuursrechter heeft echter bepaald dat deze regeling zich niet verdraagt met
                    de tendersystematiek. Een aanvulling na de sluitingsdatum is in strijd met de
                    transparantie van de onderlinge beoordeling van de aanvragen. Daarmee is echter
                    onduidelijk welk besluit moet worden genomen op een aanvraag die onvolledig
                    is.</al><al>Dit speelt bij aanvragen onder de Regels subsidieverordening vitaal Gelderland
                    2011. Op grond van de overige subsidieverordeningen worden de komende periode
                    geen tenders (meer) uitgeschreven. Om duidelijk te maken dat aanvragen die
                    onvolledig zijn niet voor toekenning in aanmerking kunnen komen, wordt
                    voorgesteld om in de Regels SvG te bepalen dat alleen aanvragen die aan alle
                    inhoudelijke en procedurele eisen voldoen voor subsidiering in aanmerking komen.
                    Bij de komende slag rond het ineenschuiven en acutaliseren van de diverse
                    subsidieverordening kan dan een definitieve plaats voor deze bepaling worden
                    gevonden.</al><al><vet>Titel 3.1 Natuur en Landschap</vet></al><al><vet>Paragraaf 3.1.1 Landschap en Landgoederen</vet> Natuur en landschap zijn
                    het kapitaal van Gelderland. Daarom investeert de provincie samen met haar
                    partners in een gevarieerd, aantrekkelijk en beleefbaar Gelders landschap. De
                    cultuurhistorische landgoederen en Nationale Landschappen zijn symbolen van het
                    Gelderse landschap, daarom hebben ze in de regeling ruimere mogelijkheden.</al><al>Met de Regels Subsidieverstrekking Landschap van de provincie Gelderland
                    ondersteunt de provincie gemeenten en landgoedeigenaren bij het planmatig
                    realiseren van hun landschapsambities. Landschapontwikkelingsplannen (LOP's),
                    gemeentelijke uitvoeringsplannen (GUP's), landgoedvisies of daarmee
                    vergelijkbare plannen dienen als basis voor de subsidieaanvraag.</al><al>De regeling ondersteunt activiteiten die bijdragen aan een gevarieerder,
                    aantrekkelijker en beleefbaarder landschap. In hoofdzaak richt de regeling zich
                    op aanleg van nieuwe landschapselementen en herstel van bestaande
                    landschapselementen. Achterstallig onderhoud wordt ondersteund als de activiteit
                    bijdraagt aan een provinciale doelstelling of een provinciaal belang. Daarnaast
                    worden activiteiten ondersteund die tot doel hebben de beleving van en
                    betrokkenheid bij het landschap te vergroten.</al><al>De Nationale Landschappen zijn landschappen die model staan voor de
                    landschappelijke diversiteit van Nederland en Gelderland. Hier liggen kansen om
                    de economische betekenis van het landschap te vergroten. Versterking van de
                    landschappelijke kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen wordt daarom
                    extra ondersteund.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.1, onder a</vet> De regeling bedoelt met bos- en landgoederen
                    goederen die deel uitmaken van de cultuurhistorie van Gelderland. Bos- en
                    landgoederen kennen verschillende verschijningsvormen die samenhangen met de
                    ontstaansgeschiedenis. Op het goed kan uitsluitend bos voorkomen. Maar een goed
                    kan ook bestaan uit een combinatie van bos en agrarische percelen, met lanen en
                    bijvoorbeeld een poel. Op bos- of landgoederen komt veelal een buitenplaats voor
                    of andere bij het karakter van de onroerende zaak passende opstallen, maar dat
                    is niet altijd het geval.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.1, onder c</vet> Cultuurhistorische landschapselementen zijn
                    bijvoorbeeld steilranden, grafheuvels, kerkenpaden, legakkers, terpen, wielen en
                    kolken.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.1, onder f</vet> Landschapselementen zijn bijvoorbeeld een
                    bos van geringe omvang, heggen, hagen, houtwallen en lanen.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.1, onder h</vet> Het doeltype "kamsalamander" is omschreven
                    in het Natuurbeheerplan Gelderland, te vinden op de provinciale website
                    www.gelderland.nl. De soorten boomkikker, heikikker en kamsalamander zijn
                    beschermde soorten op basis van de Habitatrichtlijn.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder c</vet> Het regulier onderhoud
                    en beheer wordt niet door de regeling ondersteund. Achterstallig onderhoud wordt
                    in beperkte mate ondersteund, namelijk als de activiteit bijdraagt aan een
                    provinciale doelstelling en onmogelijk rendabel kan worden uitgevoerd. Met
                    achterstallig onderhoud worden bedoeld: werkzaamheden die aanvullend op het
                    reguliere beheer en onderhoud nodig zijn voor de instandhouding van het
                    landschapselement.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder d</vet> Subsidie voor aanleg
                    van eenvoudige openbare onverharde paden is bedoeld om de toegankelijkheid en de
                    mate waarin het landschap beleefd kan worden te vergroten. Het openbaar
                    toegankelijk maken van het landschap is het primaire doel.</al><al>Eenvoudige onverharde paden zijn paden die niet zijn voorzien van klinkers,
                    asfalt, beton, puin, grind en dergelijke. Voorbeelden zijn zandpaden, graspaden
                    of paden enkel voorzien van een toplaag van houtsnippers ter bevordering van de
                    toegankelijkheid voor voetgangers.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder e</vet> Onder kleine
                    recreatieve voorzieningen worden eenvoudige voorzieningen verstaan waarmee het
                    recreatief medegebruik op landgoederen wordt vergroot. Bedoeld wordt
                    bijvoorbeeld een bankje of een parkeervoorziening.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder f</vet> De aanleg van
                    eenvoudige loopbruggen wordt ondersteund met als doel de toegankelijkheid en het
                    recreatief medegebruik van het landschap te vergroten.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.2, eerste lid, aanhef en onder g</vet> In veel
                    landschapsplannen is betrokkenheid en participatie een instrument om tot groene
                    prestaties te komen. Activiteiten die daaraan bijdraagt kunnen worden
                    gesubsidieerd. Denk bijvoorbeeld aan een informatieavond voor vrijwilligers die
                    aan de slag willen in het landschap, of een interactief proces om samen met
                    bewoners tot afspraken over realisatie van het landschapsplan te komen. Ook
                    educatieve activiteiten om jongeren mee te nemen in het verhaal over het
                    landschap kunnen worden gesubsidieerd.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.2, tweede lid</vet> Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn in
                    eerste lijn verantwoordelijk voor hun eigendommen. Door de veranderende positie
                    van Staatsbosbeheer komt Staatsbosbeheer wel in aanmerking voor subsidie op
                    grond van de regeling.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, eerste lid, aanhef en onder a</vet> In een landschapsplan
                    worden bestaande kwaliteiten van een landschap benoemd en de mogelijkheden
                    geïnventariseerd om die kwaliteiten te behouden en te versterken door
                    landschapsinrichting en beheer. Activiteiten die voortvloeien uit een
                    landschapsplan dragen aantoonbaar en voor de lange termijn bij aan het behoud en
                    versterking van de in het plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten en
                    zijn daarom subsidiabel.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, eerste lid, aanhef en onder b</vet> Ten aanzien van
                    houtopstanden, rijbeplanting en hoogstamfruitgaarden zijn aanvullende
                    voorwaarden opgenomen zodat deze landschapselementen onder de beschermende
                    werking van de Boswet vallen en de instandhouding voor de lange termijn is
                    geborgd. Voor hagen en heggen gelden geen aanvullende eisen omdat hagen en
                    heggen karakteristiek kunnen zijn zonder een bepaalde minimale omvang.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, eerste lid, aanhef en onder c</vet> Een poel moet voor de
                    lange termijn in stand te houden zijn. Omdat bij een diepe grondwatertrap de
                    poel opdroogt, wordt de voorwaarde gesteld van een grondwatertrap 3 of minder.
                    Dat betekent dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich op 20 cm onder
                    maaiveld bevindt en de gemiddelde laagste grondwaterstand op 90 cm beneden
                    maaiveld of daarmee vergelijkbare situaties.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, eerste lid, aanhef en onder d</vet> Als het aanleggen van
                    heggen en hagen binnen de EHS een provinciale doelstelling is dan is dit gevat
                    in het Natuurbeheerplan en wordt die ambitie ondersteund vanuit andere
                    regelingen.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, eerste lid, aanhef en onder e</vet> Het Normenboek Natuur,
                    Bos en Landschap van Alterra wordt gehanteerd om met initiatiefnemers op gelijke
                    wijze subsidieafspraken te kunnen maken. In het Normenboek staan tijd- en
                    kostennormen voor maatregelen die in natuur, bos en landschap worden uitgevoerd.
                    Het Normenboek is te bestellen op de website www.normenboek.nl. en is in te zien
                    bij de provincie. De normen zijn marktconform en worden elke 2 jaar
                    geactualiseerd. Voor de aanvraag dient de jaargang van de datum van de
                    subsidieaanvraag te worden gebruikt.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, tweede lid, aanhef en onder a</vet> De landgoederen die al
                    geruime tijd onderdeel uitmaken van het Gelderse cultuurlandschap en die niet
                    tot stand zijn gekomen met regelingen voor de ontwikkeling van nieuwe
                    landgoederen.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.3, tweede lid, aanhef en onder b</vet> Wij nodigen
                    landgoedeigenaren uit planmatig aan landschapskwaliteiten te werken. Daarom
                    dient een landgoedvisie of landgoedplan als basis voor de aanvraag. In het plan
                    wordt een beeld geschetst van de activiteiten die nu en in de toekomst nodig
                    zijn om op het goed de voorkomende kwaliteiten voor de lange termijn in stand te
                    houden of verder te versterken. Er worden geen verdere voorwaarden gesteld aan
                    het plan.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.4, aanhef en onder a</vet> Kosten die worden gemaakt voor
                    natuurontwikkeling binnen de EHS zoals bedoeld in het Natuurbeheerplan
                    Gelderland, met uitzondering van kosten die worden gemaakt voor de aanleg en
                    voor het wegwerken van achterstallig onderhoud aan poelen.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.4, aanhef en onder c</vet> Bestaande landschapsplannen en
                    landgoedplannen dienen als basis voor een subsidieaanvraag. Er wordt geen nadere
                    uitwerking gevraagd.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.6, eerste lid</vet> De Nationale Landschappen zijn symbolen
                    van de diversiteit van het Gelderse landschap, daarom hebben ze in de regeling
                    ruimere mogelijkheden in de vorm van een hoger subsidiepercentage.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.6, tweede lid</vet> De regeling ondersteunt gemeenten die
                    planmatig uitvoering willen geven aan hun landschapsplannen. Het is mogelijk om
                    afspraken te maken voor een planperiode van maximaal vier jaar. Met de
                    ondergrens nodigen we gemeenten uit om voor die periode een behoorlijke ambitie
                    vast te leggen. De bovengrens is bedoeld om met de beschikbare middelen een
                    groot deel van Gelderland te kunnen bedienen.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.6, derde lid</vet> De regeling ondersteunt landgoedeigenaren
                    die planmatig uitvoering willen geven aan hun landgoedplannen. Zij kunnen
                    rekenen op 75% subsidie. Het is mogelijk om afspraken te maken voor een
                    planperiode van maximaal vier jaar. Met de ondergrens nodigen we eigenaren uit
                    om voor die periode een behoorlijke ambitie vast te leggen. De bovengrens is
                    bedoeld om met de beschikbare middelen een groot deel van Gelderland te kunnen
                    bedienen.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.7, aanhef en onder a</vet> Er zijn verschillende regelingen
                    voor de instandhouding van de beschermde buitenplaatsen. Activiteiten die door
                    die regelingen worden ondersteund zijn niet subsidiabel vanuit de regeling
                    landschap.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.7, aanhef en onder b</vet> De regeling landschap is bedoeld
                    om het landschap waar iedereen van kan genieten te versterken. Investeringen in
                    de kwaliteit van de groene privéruimte op het erf en rond het huis die niet
                    openbaar toegankelijk is, komen daarom niet voor subsidie in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 3.1.1.8, eerste lid</vet> De topografische kaart is bedoeld om de
                    veranderingen in het landschap in beeld te krijgen.</al><al><vet>Paragraaf 3.1.3 Natuurbeheer met schaapskuddes en schaapskooien</vet></al><al><vet>Artikel 3.1.3.1, aanhef en onder b en f</vet> In de gehoede kuddes mogen
                    ook andere rassen aanwezig zijn, maar alleen de raszuivere schapen van een
                    zeldzaam schapenras worden meegeteld bij het bepalen van de grootte van de
                    gehoede schaapskudde in het kader van deze subsidieregeling.</al><al><vet>Paragraaf 3.1.4 Faunavoorzieningen</vet></al><al><vet>Artikel 3.1.4.1</vet> Faunavoorzieningen zijn bijvoorbeeld:</al><al>a. amfibiën- en dassentunnels; b. herpetoducten; c. verkeersmaatregelen bij
                    gelijkvloerse oversteken, waaronder snelheidsverlaging en waarschuwingssystemen;
                    d. vispassages; e. loopplanken; f. faunauittreeplaatsen.</al><al><vet>Staatssteun</vet> Steun aan eigenaren en beheerders van openbare
                    infrastructuur voor de aanleg van faunavoorzieningen betreft geen staatssteun.
                    Er is namelijk sprake van de aanleg van faunavoorzieningen op of bij openbare
                    infrastructuur. Deze openbare infrastructuur wordt niet commercieel
                    geëxploiteerd en is voor eenieder op non-discriminatoire wijze en kosteloos
                    beschikbaar. Daarmee is er geen sprake van een selectief voordeel voor een
                    specifiek onderneming.</al><al><vet>Titel 3.2 Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)</vet></al><al><vet>Artikel 3.2.1.1</vet> De aanleg van openbare infrastructuur vormt een
                    belangrijk deel van overheidsinvesteringen. Zolang de infrastructuur algemeen
                    toegankelijk blijft voor alle potentiële eindgebruikers, volgt uit de
                    jurisprudentie dat er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun.</al><al><vet>Titel 4.2 Gelderse Gebiedsontwikkeling</vet></al><al><vet>Paragraaf 4.2.2 Ontwikkeling forten</vet></al><al><vet>Artikel 4.2.2.1 onder f</vet> Fort Asperen - gemeente Geldermalsen -
                    Complexnummer 531771;</al><al>Fort de Nieuwe Steeg - gemeente Lingewaal - Complexnummer 531807;</al><al>Fort Vuren - gemeente Lingewaal - Complexnummer 531890;</al><al>Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk - gemeente Geldermalsen - Complexnummer
                    531760;</al><al>Batterij onder Poederoijen - gemeente Zaltbommel - Complexnummer 531925;</al><al>Batterij onder Brakel - gemeente Zaltbommel - Complexnummer 531918;</al><al>Fort Everdingen - gemeenten Vianen en Culemborg - Complexnummers 531650 en
                    531840.</al><al>In afwijking van de Toelichting op artikel 2.1.1.1 van de Regels
                    Subsidieverordening vitaal Gelderland2011 wordt voor wat betreft staatssteun
                    voor artikel 4.2.2.1, aanhef en onder a en b en artikel 4.2.3.1, aanhef en onder
                    a, e en f een beroep gedaan op de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
                    Subsidieals bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder b en d kwalificeert niet
                    als staatssteun voorzover sprakeis van openbare infrastructuur die algemeen
                    toegankelijk is voor alle potentiële eindgebruikers en dieniet commercieel wordt
                    geëxploiteerd. Subsidie als bedoeld in artikel 4.2.3.1, aanhef en onder c en
                    gkwalificeert niet als staatssteun, omdat geen sprake is van economische
                    activiteiten. </al><al><vet>Paragraaf 4.2.4 Beleef de Waal</vet> Met de subsidieverstrekking wordt
                    beoogd doelstellingen van het project Beleef de Waal te realiseren. Beleef de
                    Waal is een deelproject binnen het Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013-2017,
                    dat op zijn beurt onderdeel is van het prioritaire programma Gelderse
                    Gebiedsontwikkeling 2012-2015, PS2012-342.</al><al>De doelen van het project Beleef de Waal zijn:</al><al>- het invulling geven aan de belevingsdoelen van WaalWeelde (recreatie en
                    toerisme, cultuur en cultuurhistorie); - het versterken van de beleefbaarheid en
                    beleving van de rivier de Waal en haar oevers; - het ondersteunen van de
                    ontwikkeling van duurzame vormen van toerisme langs de Waal; - als bijeffect het
                    creëren van draagvlak voor herinrichtingsprojecten en gebiedsontwikkelingen die
                    de komende jaren langs de Waal worden uitgevoerd.</al><al>De subsidies zijn gericht op het verder uitbouwen en versterken van de
                    samenwerking tussen initiatiefnemers in het gebied, op het ondersteunen van
                    initiatieven op het gebied van toerisme die passen in een duurzame ontwikkeling
                    van het gebied en passen bij de versterking van de beleefbaarheid en de beleving
                    van de Waal en haar oevers.</al><al><vet>Artikel 4.2.4.2, eerste lid, aanhef en onder a</vet> Vertierplekken geven
                    een gelegenheid om bij de Waal te recreëren en de rivier te beleven. De minimale
                    inrichting van de vertierplekken sluit aan bij het streven naar duurzaam
                    toerisme waarbij zorg voor bestaande natuur- en cultuurwaarden nadrukkelijk een
                    plaats krijgt. Een vertierplek is dus nadrukkelijk niet een recreatieplek met
                    voorzieningen zoals speelvoorzieningen, steigers, badhokjes, zitmeubilair en
                    dergelijke.</al><al><vet>Artikel 4.2.4.2, eertste lid, aanhef en onder b</vet> Het subsidiëren van
                    producten en arrangementen bevordert de samenwerking tussen recreatieondernemers
                    en levert daarmee een bijdrage aan een duurzame toeristischeconomische
                    ontwikkeling in het gebied. Te denken valt aan een overnachtingsarrangement
                    waarbij de exploitant in samenwerking met andere ondernemers een georganiseerde
                    fietstocht met picknick aanbiedt of een wandelroute van meerdere dagen met
                    diverse overnachtingen en een aanbod van lunches &amp; diners tegen gereduceerd
                    tarief bij diverse gelegenheden die de wandelaars onderweg tegenkomen.</al><al>De betrokkenheid van lokale ondernemers draagt bij aan de duurzaamheid van de
                    toeristische sector.</al><al><vet>Artikel 4.2.4.2, eerste lid, aanhef en onder c</vet> Verspreid over de Waal
                    zijn er meerdere veerverbindingen. Subsidies worden verstrekt voor het opzetten
                    en ontwikkelen van samenwerkingsverbanden tussen ondernemers die het doel hebben
                    in het gebied bij en tussen twee veerverbindingen een interessant
                    vrijetijdsaanbod voor inwoners van Gelderland en toeristen te creëren.</al><al><vet>Artikel 4.2.4.4, aanhef en onder c</vet> Voor een duurzame
                    toeristisch-economische ontwikkeling in het gebied is een langdurige
                    betrokkenheid van gemeenten, personen en rechtspersonen noodzakelijk. Een
                    subsidie wordt daarom alleen verleend aan rechtspersonen waarvan aangenomen kan
                    worden dat zij een langdurige verbinding met het WaalWeeldegebied
                    bewerkstelligen en zo zullen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling.</al><al>Voor andere rechtspersonen dan gemeenten geldt dat zij niet per se gevestigd
                    hoeven te zijn in het WaalWeeldegebied. Wanneer uit de doelstellingen en
                    activiteiten van de rechtspersoon blijkt dat zij een bijdrage kunnen leveren aan
                    Beleef de Waal, komen zij in aanmerking voor subsidie. Te denken valt aan
                    rechtspersonen in de sector van de vrijetijdseconomie (bijvoorbeeld
                    campinghouder, fietsen- of kanoverhuurbedrijf) die net buiten het
                    WaalWeeldegebied gevestigd zijn en die toeristische activiteiten willen
                    ontplooien in het gebied.</al><al><vet>Artikel 4.2.4.5, aanhef en onder a</vet> Draagvlak voor de activiteiten bij
                    het plaatselijk bestuur is van belang bij het ontwikkelen van een duurzame
                    vrijetijdseconomie. Daarom wordt een schriftelijke verklaring van een betrokken
                    college gevraagd, waarin wordt uitgesproken dat het college positief staat
                    tegenover de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Een verklaring is
                    niet vereist wanneer het een subsidie voor de ontwikkeling of het opzetten van
                    een samenwerkingsverband betreft, omdat dit niet een activiteit is die zich in
                    de openbare ruimte afspeelt en dus geen betrokkenheid van het gemeentebestuur
                    vereist.</al><al><vet>Paragraaf 4.2.5 Waalpleisterplaatsen</vet> In het kader van het programma
                    Beleef de Waal, zoals omschreven onder paragraaf 4.2.4, streven wij ernaar
                    tweesterren pleisterplaatsen langs de Waal te realiseren. Deze paragraaf is een
                    middel hiertoe.</al><al><vet>Artikel 4.2.5.3, aanhef en onder b en c</vet> Deze paragraaf heeft tot doel
                    de aanleg van tweesterren pleisterplaatsen te stimuleren. Daarom moet op de
                    betreffende locatie nog niet alle voorzieningen als bedoeld in artikel 4.2.5.1,
                    aanhef en onder d, onderdelen i tot en met iv, aanwezig zijn. Na afloop van de
                    subsidiabele activiteit moeten deze wel aanwezig zijn.</al><al><vet>Titel 4.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap</vet></al><al><vet>Paragraaf 4.4.1 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap</vet></al><al><vet>Artikel 4.4.1.2</vet> Procesbegeleidingsactiviteiten kunnen zijn:</al><al>- Adviseren en faciliteren in de subsidieaanvraag van de provincie - Het
                    begeleiden en ondersteunen van het collectief bij het ontwikkel- en
                    ontwerpproces - Het opstellen van een gezamenlijk programma van eisen van het
                    collectief - Het ondersteunen en adviseren van het collectief om tot
                    contractvorming te komen met de ontwerpende en bouwende partijen - Organisatie
                    van overlegmomenten met de groep - Het bewaken van een kostenbegroting, planning
                    en kwaliteit</al><al>Ontwerpactiviteiten kunnen zijn:</al><al>- Inventarisatie gezamenlijke wensen van het collectief - Opstellen
                    schetsontwerp en bouwkostenraming - Overleg met welstandscommissie e.d. en
                    toetsing bestemmingsplannen, - Coördinatie adviseurs constructie, installateurs
                    e.d. - Opstellen definitief ontwerp en bouwkosten - Aanvraag omgevingsvergunning
                    ten behoeve van woningbouw - Deelnemen aan overlegmomenten met de groep</al><al>Niet-reguliere activiteiten kunnen zijn:</al><al>- Het instellen van een loket voor initiatiefnemers - Het opstellen van een
                    CPO-cursus - Het opstellen van CPO-randvoorwaarden - Het in kaart brengen van
                    concrete CPO-locaties in de bestaande bouw</al><al><vet>Titel 4.5 Impulsplan Wonen</vet></al><al><vet>Paragraaf 4.5.1 Procesondersteuning Impulsplan Wonen</vet> De
                    procesondersteuning is bedoeld om kansen te verzilveren. Er is pas echt sprake
                    van een kans als verschillende partijen in samenwerking een project tot stand
                    willen brengen. Een goede basis voor deze samenwerking wordt gelegd in een
                    intentieovereenkomst. Daarin staat onder meer wat partijen met elkaar willen,
                    hoe de financiële relatie is en welke knelpunten nog moeten worden opgelost om
                    tot een feitelijke uitvoering van het project over te kunnen gaan. Ten behoeve
                    van dit laatste wordt subsidie verstrekt op grond van dit artikel voor proces
                    ondersteunende activiteiten. Hiermee wordt getracht knelpunten die zich
                    voorafgaand aan de uitvoering voordoen, te verhelpen.</al><al>Het kan gaan om haalbaarheidsonderzoeken gericht op een concreet initiatief, een
                    verdere financiële verkenning maar ook - in het geval van initiatieven op het
                    gebied van wonen/zorg/welzijn -om een plan van aanpak waarin wordt aangegeven
                    met welke maatregelen het doel het beste kan worden bereikt. In alle gevallen
                    moet het streven er op gericht zijn een kansrijk initiatief te vertalen naar een
                    tastbaar resultaat.</al><al>Kansrijke projecten zijn projecten die een maatschappelijke impact hebben,
                    waarin alle partijen zich verbinden tot uitvoering van het project en die passen
                    in de inhoudelijke criteria van het Impulsplan Wonen.</al><al><vet>Titel 5.3 Sociaal Profiel</vet></al><al><vet>Paragraaf 5.3.1 Sociaal Profiel</vet></al><al><vet>Artikel 5.3.1.1</vet> De regels in deze paragraaf dienen ter uitvoering van
                    het Beleidskader Sociaal Profiel dat in bijlage 3 bij het Statenvoorstel
                    Beleidsuitwerkingen Uitdagend Gelderland (PS2011-644) is uitgewerkt en de
                    Uitvoeringsagenda 2015: Verbinden, verbreden, versnellen (PS2014-008063) die een
                    nadere uitwerking van dit beleidskader vormt voor het jaar 2015.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.2</vet> In de Uitvoeringsagenda 2015: Verbinden, verbreden,
                    versnellen (PS2014-008063) wordt beschreven aan welke activiteiten de provincie,
                    onder meer middels subsidieverstrekking, een bijdrage wil leveren. De bijdrage
                    van de provincie richt zich nadrukkelijk niet op de uitvoering van wettelijke
                    taken en hiermee samenhangende bedrijfsvoeringstaken en niet op reguliere
                    uitvoerende activiteiten, maar richt zich specifiek op niet-reguliere,
                    innovatieve activiteiten (projecten) waarin werkwijzen worden ontwikkeld.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.3</vet> De subsidiabele activiteit dient te passen binnen het
                    provinciale beleid zoals geformuleerd in de Beleidskader Sociaal Profiel en de
                    Uitvoeringsagenda 2015.</al><al>Voorts dienen de resultaten van de subsidiabele activiteit zodanig van aard te
                    zijn dat deze aantoonbaar tot lering strekken en als voorbeeld kunnen dienen
                    voor derden die een soortgelijke activiteit willen uitvoeren. De resultaten
                    dienen daarmee ook aantoonbaar overdraagbaar te zijn of worden gemaakt. De
                    aanvrager toont zich met het indienen van de subsidieaanvraag dan ook bereid om
                    de resultaten en de leereffecten te delen met zowel de provincie als met
                    derden.</al><al>Uit de subsidieaanvraag moet blijken dat de subsidiabele activiteit structureel
                    met eigen of andere middelen dan subsidie kan worden voortgezet, danwel dat de
                    ontwikkelde methode of werkwijze, eventueel ook door derden, zal worden
                    overgenomen en worden toegepast.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.4</vet> Bij de subsidieaanvraag dient een sluitende
                    projectbegroting te worden ingediend, waarin de kosten waarvoor de
                    subsidieaanvraag wordt ingediend, worden onderbouwd. De genoemde kosten zijn
                    subsidiabel, met dien verstande dat deze kosten bij het beoordelen van de
                    aanvraag naar redelijkheid en billijkheid worden beoordeeld.</al><al>Onder de inzet van uren van de aanvrager en eventuele deelnemers aan de
                    subsidiabele activiteit die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de uitvoering van
                    de subsidiabele activiteit wordt de urenbesteding verstaan van medewerkers van
                    de rechtspersoon die de subside aanvraagt als ook de urenbesteding van
                    zelfstandige beroepsbeoefenaars en medewerkers van andere rechtspersonen die
                    betrokken zijn bij de subsidiabele activiteit, voor zover deze behoort tot de
                    reguliere uitvoeringstaken en daarmee niet past binnen de reguliere
                    urenbesteding.</al><al>Onder de inzet van externe ondersteuning in opdracht van de aanvrager, welke
                    aantoonbaar is gerelateerd aan de subsidiabele activiteit, wordt de inhuur van
                    externe advies- of onderzoeksbureaus gerekend.</al><al>Onder de inzet van goederen en diensten die aantoonbaar gerelateerd zijn aan de
                    subsidabele activiteit worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt worden
                    voor het organiseren van bijeenkomsten die direct gerelateerd zijn aan de
                    subsidieabele activiteit.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.5</vet> Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een
                    rechtspersoon. Deze kan dat ook mede namens andere rechtspersonen doen. Bij het
                    verlenen van de subsidie worden naast de aanvrager ook de medeaanvragers
                    beschouwd als subsidieontvanger en dienen zij tevens te voldoen aan de
                    verplichtingen van de subsidieontvanger zoals geformuleerd in paragraaf 4 van de
                    Algemene subsidieverordening Gelderland.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.6</vet> Aanvragen moeten zijn ingediend voor 15 april 2015.
                    Dit betekent dat aanvragen alleen dan in behandeling worden genomen wanneer deze
                    uiterlijk op 14 april 2015 om 23:59 uur door de provincie zijn ontvangen.</al><al>Bij de aanvraag moet in elk geval een verklaring worden overlegd die door het
                    college van B&amp;W of een gemandateerde ambtenaar van de gemeente is afgegeven
                    waarin de subsidiabele activiteit plaatsvindt, waarin wordt aangegeven dat het
                    college geen bezwaar heeft tegen de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd.
                    De provincie wil hiermee voorkomen dat subsidie wordt verstrekt aan activiteiten
                    die zich niet verstaan met of ingaan tegen het vigerende gemeentelijk
                    beleid.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.7</vet> Bij de verdeling van de beschikbare middelen krijgen
                    die activiteiten voorrang die resultaten opleveren die het meest bijdragen aan
                    de doelstellingen zoals die in de Uitvoeringsagenda 2015 zijn geformuleerd.
                    Hierbij wordt in belangrijke mate gekeken naar het beoogde maatschappelijke
                    effect, onder meer in termen van een versterking van de eigen regie en
                    zelfredzaamheid van burgers, bevordering van actief burgerschap, verhoogde
                    maatschappelijke en economische participatie van kwetsbare groepen, een
                    verbeterde afstemming van de benodigde zorg en de mate waarin de activiteiten
                    bijdragen aan oplossingen voor vraagstukken op het brede terrein van
                    leefbaarheid, zowel lokaal als regionaal.</al><al>Daarnaast geldt een brede toepasbaarheid binnen de provincie als
                    selectiecriterium. Hieronder wordt verstaan de potentie dat resultaten van de
                    subsidiabele activiteit, b.v. in de vorm van een ontwikkelde werkwijze,
                    waaronder ook een methode of ketenaanpak, ook op andere plekken in de provincie
                    kunnen worden toegepast.</al><al>Bij de verdeling van de beschikbare middelen wordt tevens gekeken naar de
                    termijn waarbinnen de subsidiabele activiteit leidt tot resultaat. Gelet op de
                    transities in het sociale domein waarbij veel taken per 1 januari 2015 naar
                    gemeenten worden overgeheveld wordt voorrang gegeven aan die activiteiten
                    (projecten) die op korte termijn tot concrete resultaten komen. Daarnaast geldt
                    dat samenwerking tussen verschillende partijen die een rol of
                    verantwoordelijkheid hebben in de transities in het sociale domein, in het
                    bijzonder gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers, gestimuleerd
                    wordt door in de verdeling van de beschikbare middelen voorrang te geven aan
                    projecten die in samenwerking tussen deze partijen worden geïnitieerd en
                    uitgevoerd.</al><al>Ook geldt dat activiteiten nog niet eerder zijn uitgevoerd voorrang krijgen; dit
                    vanuit de inzet om de ontwikkeling van nieuwe werkwijzen binnen het sociale
                    domein te bevorderen.</al><al>Tot slot vormt deelname of het actief betrekken van de doelgroep(en) waar de
                    subsidiabele activiteit zich op richt, dan wel vertegenwoordigers van die
                    doelgroep(en) zoals b.v. Wmo-raden of patiëntenverenigingen, een critium waarop
                    activiteiten met voorrang worden geselecteerd.</al><al><vet>Artikel 5.3.1.9</vet> De subsidieregeling ziet nadrukkelijk niet op het
                    ondersteunen van de uitvoering van wettelijke taken of taken die vallen binnen
                    de huishouding van gemeenten of deel uitmaken van de reguliere bedrijfsvoering
                    van maatschappelijke organisaties. Uitvoerende activiteiten die voortvloeien uit
                    deze taken komen niet voor subsidie in aanmerking.</al><al>Geen subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die bij besluit van Provinciale
                    Staten (PS2011-787, onder 6) subsidie ontvangen uit het budget dat Provinciale
                    Staten beschikbaar hebben gesteld ter ondersteuning van de realisatie van het
                    provinciaal beleid zoals opgenomen in de Uitvoeringagenda.</al><al><vet>Titel 5.5 Leefbaarheid en gemeenschapsvoorzieningen</vet> In deze regeling
                    staat duurzaamheid centraal en wel op twee manieren:</al><al>1. door middel van het investeren in gemeenschapsvoorzieningen en
                    ontmoetingsplekken die ook op de langere termijn kunnen voorzien in de behoeften
                    van de bevolking van gemeente en dorp; 2. door ondersteuning te bieden aan
                    groepen burgers die initiatief tonen om hun eigen omgeving leefbaar te houden.
                    Dat kan door zelf gemeenschapsvoorzieningen te beheren en te expoiteren en ook
                    door zelf programma's te ontwikkelen.</al><al><vet>Artikel 5.5.1.1, aanhef onder e</vet> Met ruime openingstijden wordt
                    bedoeld dat de openingstijden aansluiten bij de activiteiten, voorzieningen of
                    diensten en passen bij de gangbare gewoonten van de gemeenschap. Behalve overdag
                    zijn ook in de avonduren en in het weekend mogelijkheden voor gebruik.</al><al><vet>Artikel 5.5.1.3, aanhef onder a</vet> Onder een aantoonbaar breed draagvlak
                    wordt verstaan dat de activiteit gedragen wordt door bijvoorbeeld vele
                    deelnemers, veel verschillende partijen of dat inzet wordt vertoond door
                    meerdere partijen of vele gebruikers voor de voortzetting van de activiteiten,
                    voorzieningen of diensten.</al><al><vet>Artikel 5.5.1.3, aanhef en onder b</vet> De eigen inbreng kan in de
                    begroting onder opbrengsten worden ondergebracht mits daar geen kosten tegenover
                    worden geplaatst die bij voorbeeld voortkomen uit de inzet van
                    vrijwilligers.</al><al><vet>Artikel 5.5.1.3, aanhef en onder c</vet> Uitvoering geven aan de voor
                    gemeenten nieuwe gedecentraliseerde taken op het terrein van (jeugd)zorg,
                    participatie en ondersteuning leidt er toe dat er op lokaal niveau nieuwe
                    initiatieven nodig zijn. Dit zal o.a. zijn beslag krijgen in de woonkernen zelf.
                    Dorpshuizen en lokale burgerinitiatieven kunnen in de opvang van deze zorg een
                    belangrijke functie vervullen.</al><al><vet>Artikel 5.5.1.3, aanhef en onder e</vet> Naarmate er sprake is van
                    langdurige continuering van activiteiten in de programmering wordt dit hoger
                    gewaardeerd dan kortlopende afspraken over de programmering van
                    activiteiten.</al><al><vet>Artikel 5.5.4.2</vet>Onder structurele verankering van activiteiten wordt
                    bedoeld dat de activiteiten die ontwikkeld zijn door de ondersteuning bij de
                    programmering, de dorpscontactpersoon of door het burgerinitiatief voortgezet
                    worden na beëindiging van de subsidie en ingebed zijn in de programmering.</al><al><vet>Artikel 5.5.4.3, tweede lid</vet> Voor de ondersteuning van het versterken
                    van het zelf organiserend vermogen kunnen in een dorp of meerdere dorpen de
                    activiteiten van een dorpscontactpersoon worden gesubsidieerd. Deze persoon
                    activeert en stimuleert de gemeenschap in het zelf organiseren en programmeren
                    van activiteiten. Onder subsidiabele kosten voor een dorpscontactpersoon komen
                    onder meer in aanmerking: een vrijwilligersvergoeding, uitvoeringskosten en
                    dergelijke.</al><al><vet>Titel 5.6 Sport</vet></al><al><vet>Artikel 5.6.1.1, onder m</vet> Het begrip onrendabele top is opgenomen om
                    Provinciale subsidies mogelijk te maken voor accommodaties die voornamelijk ter
                    beschikking worden gesteld aan gebruikers die niet-economische activiteiten
                    verrichten. Deze activiteiten worden daarbij verricht tegen een tarief dat ten
                    hoogste kostprijs dekkend is. Middels de toevoeging van het vereiste van een
                    onrendabele top kan de betreffende subsidiering eveneens buiten de werking van
                    het Europese mededingsrecht blijven. Daarnaast geeft de onrendabele top inzicht
                    in de mogelijke maximale benodigde subsidie.</al><al><vet>Artikel 5.6.2.1 en 5.6.2.2, aanhef en onder c</vet> In 2015 vindt het WK
                    Beachvolleybal plaats in Apeldoorn. Om het beachvolleybal een extra impuls te
                    geven is de mogelijkheid opgenomen om subsidie te verstrekken voor de aanleg van
                    nieuwe beachvolleybalvelden in de buitenruimte. Subsidie wordt alleen verstrekt
                    als op de locatie ten minste drie velden worden aangelegd die in aanmerking
                    komen voor A- of B-status door de Nevobo.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.1, aanhef en onder a</vet> Subsidie wordt verstrekt voor de
                    bouw van een topaccommodatie. De nieuw te bouwen topaccommodatie moet voldoen
                    aan de in de betreffende tak van sport, door de betreffende sportbond, gestelde
                    internationale wedstrijdeisen.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.1, aanhef en onder b</vet> Subsidie wordt verstrekt om
                    bestaande accommodaties te verbouwen tot topaccommodaties. De verbouwing is
                    derhalve gericht op het laten voldoen van een bestaande accommodatie aan de in
                    de betreffende tak van sport, door de betreffende sportbond, gestelde
                    wedstrijdeisen.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.2, eerste lid, aanhef en onder d en e; artikel 5.6.8.5,
                        tweede lid</vet> De accommodaties moeten een maatschappelijke functie
                    vervullen. Dit dient in het gebruik van de accommodaties tot uiting te komen. Er
                    moet voor gebruikers die niet-economische activiteiten uitvoeren ruimte worden
                    gemaakt. Daarbij kan aan het hobbymatig uitoefenen van sporten of aan het geven
                    van lichamelijke opvoeding door scholen met een wettelijke onderwijstaak worden
                    gedacht. Tevens moet het organiseren van elementen in de middels de subsidie
                    gerealiseerde accommodatie mogelijk zijn.</al><al>Verder dient er sprake te zijn van een onrendabele top. Deze onrendabele top is
                    het gevolg van de inkomstenderving die ontstaat door het ter beschikking stellen
                    van de accommodatie aan niet-economische gebruikers. Bovendien moeten deze
                    gebruikers tegen ten hoogste kostprijs dekkende tarieven van de accommodatie
                    gebruikmaken. Het subsidiebedrag mag de onrendabele top niet te boven gaan.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.2, tweede lid</vet> Een multifunctionele
                    breedtesportaccommodatie moet niet alleen kunnen voorzien in de maatschappelijke
                    behoefte om te sporten, maar tevens huisvesting bieden aan ten minste twee
                    andere publieke functies. Binnen welke categorie publieke functie, zoals
                    opgesomd in artikel 5.6.1.1, aanhef en onder p, deze vallen is niet relevant.
                    Ook wanneer twee functies binnen dezelfde categorie vallen is voldaan aan het
                    vereiste van deze bepaling.</al><al>Wel is op grond van artikel 5.6.8.2, eerste lid, aanhef en onder c, vereist dat
                    de publieke functies minimaal door twee gemeenten worden gebruikt. Dit geldt ook
                    wanneer de aanvraag is ingediend door één gemeente. De gemeente zal in dat geval
                    gebruikers voor de publieke functies in andere gemeenten moeten vinden. Een
                    publieke functie wordt tevens beschouwd door twee gemeenten te worden gebruikt
                    indien de gebruiker van een publieke functie zelf minimaal twee gemeenten
                    bediend. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van de accommodatie door een
                    middelbare school die bestemd is meerdere gemeenten te voorzien van voortgezet
                    onderwijs.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.3, eerste lid</vet> In artikel 5.6.8.3, eerste lid, wordt
                    omschreven welke kosten voor subsidie in aanmerking komen. Hieronder wordt ook
                    begrepen de kosten voor voorzieningen die aard en nagelvast met de accommodatie
                    zijn verbonden en nodig zijn voor de uitoefening van de specifieke functie van
                    de accommodatie. De accommodaties dienen daarnaast tevens te kunnen voldoen aan
                    de door de betreffende sportbonden gestelde eisen om aldaar wedstrijd- en
                    breedtesporten te kunnen beoefenen.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.4, aanhef en onder a</vet> Met deze subsidie wil de provincie
                    de bouw van nieuwe sportaccommodaties stimuleren. Dit om een impuls te geven aan
                    nieuw sportaanbod waardoor meer mensen gestimuleerd worden actief te gaan
                    sporten. Het verbouwen van bestaande accommodaties komt derhalve niet voor
                    subsidie in aanmerking. Ook het voorzien van bestaande accommodaties van een
                    aanbouw is niet subsidiabel. Hierop bestaan echter uitzonderingen. Zo is gelet
                    op artikel 5.6.8.1, aanhef en onder b, de verbouw van een accommodatie tot
                    topaccommodatie toegestaan. Verder spreken we niet van een aanbouw wanneer deze
                    naar haar aard en omvang de rol van hoofdvoorziening zal overnemen van de
                    bestaande accommodatie.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.4, aanhef en onder b</vet> Het betreft hier enige subsidie
                    vanuit een decentrale overheid, het Rijk of Europa.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.5, derde lid</vet> De subsidieaanvrager dient een realistisch
                    onderbouwd bedrijfsplan te overleggen. Aan de hand van dit plan moet duidelijk
                    worden voor welke kosten subsidie wordt aangevraagd. Daarnaast dienen deze
                    kosten toetsbaar te zijn op marktconformiteit. Tevens dient toetsing van de
                    onrendabele top mogelijk te zijn.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.5, vierde lid</vet> In het kader van transparantie en ter
                    voorkoming van overcompensatie wordt de subsidieaanvrager verplicht om een
                    gescheiden boekhouding of een ander monitoringssysteem te hanteren.</al><al><vet>Artikel 5.6.8.7</vet> Dit artikel tracht te voorkomen dat een onderneming
                    zich achteraf verrijkt aan een deels met publieke middelen bekostigde
                    accommodatie. Indien de subsidieontvanger een publiekrechtelijke rechtspersoon
                    is kan Gedeputeerde Staten op verzoek besluiten af te zien van de terugbetaling
                    van de extra inkomsten. Dit omdat deze middelen weer aangewend kunnen worden in
                    het algemeen belang.</al><al><vet>Artikel 5.6.10.1, aanhef en onder a</vet> Met dit artikel wil de provincie
                    Gelderland niet de kennisontwikkeling maar de toepassing van innovatie op het
                    gebied van top- en breedtesport stimuleren.</al><al><vet>Titel 5.7 Topsectoren en Innovatie;</vet></al><al><vet>Titel 5.8 Economisch beleid; en</vet></al><al><vet>Titel 5.10 Prioritair Programma Energietransitie, Energie- en
                        milieutechnologie (EMT)</vet> Het economisch beleid van de provincie
                    Gelderland is beschreven in de Economische visie "Een concurrerende, innovatieve
                    en duurzame Gelderse economie" die op 9 november 2011 is vastgesteld door
                    provinciale staten. In vervolg daarop is in april 2012 het economisch beleid
                    voor de Gelderse topsectoren Health, Food, EMT en de Maakindustrie vastgelegd in
                    de prioritaire Programma's Topsectoren en Innovatie en Energietransitie.</al><al>Op grond van de Subsidieverordening Vitaal Gelderland 2011 wordt subsidie ter
                    uitvoering van dit beleid verstrekt. In het bijzonder gaat het om de artikelen
                    5.7.1, 5.8.1 en 5.10.1, eerste lid. Deze regels zijn vastgesteld ter uitwerking
                    van die artikelen. In deze regels zijn de voorwaarden, maximale
                    subsidiebedragen, aanvragers, etc. opgenomen. De regels zijn geordend naar de
                    programma's.</al><al>De subsidiemogelijkheden van het PP Topsectoren en Innovatie (food, health en
                    maakindustrie) worden behandeld in Titel 5.7. De subsidiemogelijkheden van het
                    PP Energietransitie (onderdeel EMT) worden behandeld in Titel 5.10. De
                    subsidiemogelijkheden van het basisprogramma Economische Ontwikkeling voor
                    bevordering van innovatie in de creatieve sector, de logistiek en de
                    vrijetijdssector, voor starters en voor algemene MKB-stimulering worden
                    behandeld in Titel 5.8, evenals de subsidiemogelijkheden van het basisprogramma
                    Economische Ontwikkeling voor versterken van de fysieke bedrijfsomgeving.</al><al>Voor het beoordelen van subsidieaanvragen zijn naast deze regels ook de Algemene
                    subsidieverordening Gelderland en Subsidieverordening Vitaal Gelderland kaders
                    die gelden voor de toekenning van subsidies.</al><al>Deze regels zijn de juridische vertaling van het beleid dat is vastgelegd
                    in:</al><al>a. het Prioritair Programma Topsectoren en Innovatie, vastgesteld door PS op 12
                    april 2012 (PS2012-191); b. het Prioritair Programma Energietransitie,
                    vastgesteld door PS op 12 april 2012 (PS2012-193); c. de lange termijnvisie
                    Economie, van 9 november 2011 (PS2011-644); d. de statennotitie Instrumentarium
                    1e en 2e fase innovatieproces van 2 oktober 2012 (2012-016170); e. de
                    statennotitie Actieplan Vrijetijdseconomie van 22 mei 2012 (2012-008498).</al><al>Instrumentarium Innovatie De provincie wil met de subsidies in deze regeling het
                    innovatieproces ondersteunen en bevorderen dat wordt geïnvesteerd in het
                    verbeteren van het innovatieklimaat in Gelderland. De provincie wil met
                    verschillende instrumenten de verschillende fasen van het innovatieproces en
                    verschillende doelgroepen ondersteunen. De provincie maakt daarbij onderscheid
                    tussen verschillende fasen in het innovatieproces.</al><al>De 1e fase begint met eenvoudige ideeën waarbij bijvoorbeeld een ondernemer een
                    idee heeft over het ontwikkelen van een nieuw product of een nieuw proces. In
                    deze fase wordt een eerste onderzoek gedaan, naar bijvoorbeeld de technische
                    haalbaarheid, de marktkansen of hoe de innovatie zich verhoudt tot bestaande
                    intellectuele eigendommen. Als er meer inzicht over de kansen van het idee, is
                    er sprake van een concept. In de 2e fase wordt een concept verder doorontwikkeld
                    naar een business case.</al><al>Een business case is een project waarbij een initiatiefnemer vertrouwen heeft
                    dat het technisch haalbaar is, duidelijkheid is dat er een markt is, zicht is op
                    financiering van de toeleiding naar de markt en bekend is via welke
                    organisatorische structuur het project tot uitvoering kan worden gebracht. In de
                    3e fase is de initiatiefnemer vooral op zoek naar financiering. Hij kan hiervoor
                    samenwerking zoeken met een bestaand bedrijf of als hij de innovatie in eigen
                    beheer wil uitvoeren, externe financiering aantrekken.</al><al>(voor Figuur 1. De verschillende fasen van het innovatieproces, zie Provinciaal
                    Blad, 2012/199 van 5 december 2012, blz. 20)</al><al>Door initiatiefnemers in de eerste twee fases van het innovatieproces te
                    ondersteunen met beperkte subsidies en leningen, wordt voorkomen dat kansrijke
                    ideeën vroegtijdig sneuvelen als gevolg van budgettaire problemen. De bijdrage
                    van de provincie is niet beschikbaar voor fundamenteel onderzoek dat voorafgaat
                    aan het toegepaste onderzoek in de 1e fase. Fundamenteel onderzoek wordt door
                    het Rijk gefinancierd vanuit het budget van het Ministerie van OC&amp;W.</al><al>(voor Figuur 2: 1e en 2e fase van het innovatieproces, zie Provinciaal Blad,
                    2012/199 van 5 december 2012, blz. 21)</al><al>Het instrumentarium dient laagdrempelig te zijn, zodat ondernemers worden
                    gestimuleerd innovatietrajecten te starten. Anderzijds mag het de bereidheid van
                    ondernemers, om zelf te investeren in de ontwikkeling van de door hen zelf
                    aangedragen ideeën en projecten, niet verminderen. Voorkomen moet worden dat het
                    verstrekken van subsidies een dominant onderdeel wordt van het innovatieproces.
                    Derhalve zullen subsidies slechts een deel van de gemaakte kosten dekken.
                    Verondersteld wordt dat ondernemers die bereid zijn zelf te investeren en dus
                    risico willen lopen in de door hen voorgestelde projecten, voldoende belang
                    hebben bij het slagen van een project.</al><al>De volgende instrumenten zullen worden ingezet in Gelderland ter ondersteuning
                    van ondernemers bij het innovatieproces:</al><al>1. Vouchers</al><al>Ter ondersteuning van de 1e fase van het innovatieproces worden vouchers ter
                    beschikking gesteld. Deze vouchers kunnen ten behoeve van bedrijven worden
                    ingezet voor de volgende activiteiten:</al><al>a. het uitwerken van een idee naar een concreet ontwerp/concept; b. het
                    ontwikkelen van een prototype; c. het testen van een prototype in een
                    laboratoriumomgeving; d. het doen van onderzoek naar intellectueel eigendom
                    (IP), ontwikkeling en de registratie van het IP; e. een eerste marktonderzoek;
                    f. een onderzoek naar financieringsmogelijkheden; g. ondersteuning voor de
                    aanvraag van subsidie in het kader van het Europese programma's zoals Horizon
                    2020 en EFRO.</al><al>De vouchers kunnen onder andere worden ingezet voor diensten die uitgevoerd
                    worden door dienstverleners, zoals:</al><al>- universiteiten en hogescholen in binnen- en buitenland; -
                    onderzoeksinstellingen, zoals NIZO, MARIN, TNO; - laboratoria en huur
                    specialistische apparatuur, zoals het Nanolab in Nijmegen, en het 'High Field
                    Magnet Laboratory' (HFML) in Nijmegen, CAT-AGRO in Wageningen,
                    onderzoeksfaciliteiten op de Novio Tech Campus in Nijmegen; - innovatie- en
                    subsidieadviseurs, zoals PNO ( voor zover de diensten bijdragen aan aanvragen
                    voor Europese regelingen zoals het Horizon 2020 programma); - MKB-bedrijven
                    gespecialiseerd in het ontwerpen, ontwikkelen, maken, etc.</al><al>De vouchers zijn specifiek bedoeld voor bedrijven in het MKB (ondernemingen met
                    minder dan 250 werknemers en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of jaarlijkse
                    balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt) die in het verlengde van hun eigen
                    activiteiten verbeteringen willen doorvoeren, nieuwe producten op de markt
                    willen brengen, processen willen verbeteren of een samenwerking willen aangaan.
                    Het kan daarbij gaan om zowel product- als procesinnovaties. De vouchers zijn
                    vooral bestemd voor bedrijven die geen eigen R&amp;D afdeling hebben en die
                    weinig ervaring hebben met het innovatieproces en dus zonder ondersteuning van
                    derden dergelijke activiteiten niet zullen oppakken.</al><al>Het bedrag per voucher bedraagt maximaal 50 % van de gemaakte kosten tot een
                    maximum van € 10.000 (incl. btw). Per MKB-bedrijf wordt maximaal één voucher per
                    jaar verstrekt. De regeling wordt continue gemonitord, jaarlijks geëvalueerd en
                    zo nodig bijgesteld als de markt daar om vraagt of de effectiviteit kan worden
                    verbeterd. Dit instrument is beschikbaar voor bedrijven in de sectoren Food,
                    Health, EMT de Maakindustrie, logistiek, creatief en vrijetijdseconomie. De
                    provincie zal een subsidie verstrekken aan de eerstelijns dienstverleners (zie
                    de artikelen 5.7.4.4, 5.8.3.3 en 5.10.2.3), zodat zij opdrachten kunnen
                    verstrekken waarvan de resultaten ten gunste zijn van individuele bedrijven.
                    Voor de bedrijven in de Food- en Health-sector zijn dat respectievelijk
                    Stichting Food Valley en Stichting Health Valley. Voor de bedrijven in de
                    EMTsector is dat de Stichting Kennis en Innovatie in Energie- en Milieu
                    Technologie (programmabureau EMT) en voor bedrijven in de maakindustrie en in de
                    sectoren logistiek, creatief en vrije tijd zijn dat de zeven RCT's.</al><al>2. 'Gelderland voor Innovaties'</al><al>In de 2e fase van het innovatieproces kunnen innovatieconcepten, die al verder
                    zijn uitgewerkt en waarvoor ook zicht ontstaat op een mogelijk verdienmodel of
                    marktkansen, worden ondersteund door middel van leningen. Dit instrument wordt
                    reeds toegepast onder de naam Gelderland voor Innovaties. De leningen worden
                    verstrekt door PPM Oost in samenwerking met Oost NV. De provincie zal daartoe
                    afspraken maken met PPM Oost.</al><al>3. Projectfinanciering</al><al>Innovatieprojecten die gericht zijn op het ontwikkelen van een product of proces
                    en waar een uitgewerkte business case aan ten grondslag ligt, zullen primair
                    worden ondersteund met revolverende middelen vanuit het Topfonds Gelderland.
                    Projecten waaraan geen verdienmodel aan ten grondslag ligt vallen voor een groot
                    deel onder de noemer fundamenteel onderzoek en dienen derhalve te worden
                    bekostigd vanuit Rijksmiddelen, waaronder de tweede geldstroom van
                    kennisinstellingen vanuit het Ministerie van OC&amp;W. Het blijft daarnaast
                    noodzakelijk projectfinanciering te verstrekken voor projecten in de sectoren
                    Food, Health, EMT en de maakindustrie zonder duidelijk verdienmodel en die niet
                    kunnen worden geschaard onder fundamenteel onderzoek. Het kan hierbij gaan
                    om:</al><al>a. collectief onderzoek in de vorm van industrieel onderzoek, experimentele
                    ontwikkeling en haalbaarheidsstudies waarbij de betreffende MKB-onderneming
                    samenwerkt met andere ondernemingen of kennisinstellingen. Hoewel dit onderzoek
                    qua doelstelling wellicht in aanmerking zou komen voor het beschikbaar stellen
                    van een voucher rechtvaardigt de omvang en impact alsmede de samenwerking een
                    grotere bijdrage van de provincie (paragrafen 5.7.3, 5.8.5 en 5.10.3). Het kan
                    hierbij ook cofinanciering betreffen, voor projecten waarmee extra Europese
                    middelen naar Gelderland worden gehaald; b. projectsubsidie ten behoeve van
                    industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling. Hierbij geldt ten opzichte
                    van collectief onderzoek de belangrijke aanvullende eis dat het betreffende
                    onderzoek binnen de betreffende sector betrekking heeft op de gehele keten van
                    producent, leverancier en eindgebruiker (paragrafen 5.7.4, 5.8.6 en 5.10.4); c.
                    projecten die het innovatieklimaat verstevigen, zoals de bouw of upgrade van
                    onderzoeksinfrastructuur die open staat voor meerdere gebruikers (faciliteiten
                    en middelen voor hoogwaardig onderzoek, paragrafen 5.7.5, 5.8.7 en 5.10.5) en de
                    ontwikkeling van proeftuinen ten behoeve van marktintroducties door een
                    innovatiecluster (paragrafen 5.7.6, 5.8.8 en 5.10.6).</al><al>Voor de sectoren logistiek, vrijetijdseconomie en de creatieve sector bestaan
                    vergelijkbare subsidiemogelijkheden met dien verstande dat aan de
                    subsidiemogelijkheid inzake proeftuinen ten behoeve van marktintroducties nog
                    geen invulling is gegeven (paragraaf 5.8.8).</al><al>De provinciale subsidie kan worden ingezet in combinatie met middelen uit het
                    Europese Horizon 2020-programma, zodat de deelname van Gelderse MKB-bedrijven
                    aan dit programma wordt ondersteund. Ook kan hetzelfde MKB-bedrijf per jaar
                    zowel gebruik maken van een voucher als van een projectfinanciering. Bij
                    samenwerkingsverbanden waarbij ook partijen buiten Gelderland meedoen, is het
                    van belang dat het economisch rendement uiteindelijk (voornamelijk) in de
                    provincie Gelderland terecht komt.</al><al>Voor het ondersteunen van afgestudeerden van de universiteiten en hogescholen in
                    Gelderland bij het innoveren zijn aparte instrumenten beschikbaar. Daarmee wordt
                    zo maximaal mogelijk gebruik gemaakt van Rijksmiddelen. Deze vorm van innovatie
                    gericht op het vermarkten van de wetenschappelijke kennis wordt
                    kennisvalorisatie genoemd. Deze programma's worden grotendeels gefinancierd door
                    het Ministerie van ELI. De provincie Gelderland kan aan deze programma's een
                    financiële bijdrage leveren (paragraaf 5.7.7).</al><al>Naast de subsidies gericht op het innovatieproces en het innovatieklimaat
                    ondersteunt de provincie activiteiten gericht op de topsectoren in Gelderland
                    die in de verschillende subsidieparagrafen zijn benoemd. Zo zijn subsidies
                    beschikbaar voor het verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in
                    verschillende topsectoren ter ondersteuning van de uitvoering van de human
                    capital agenda's (paragrafen 5.7.9, 5.8.4 en 5.10.7).</al><al><vet>Ook is het mogelijk ter ondersteuning van verschillende topsectoren
                        subsidies te verstrekken aan de Valleybureaus en het programmabureau EMT in
                        hun hoedanigheid van innovatieintermediairs (paragrafen 5.7.10 en 5.10.8) en
                        het aanjagen en stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling in de vorm van
                        de fysieke realisatie van incubators, bedrijfsverzamelgebouwen en gedeelde
                        onderzoeksfaciliteiten (paragrafen 5.7.11 en 5.10.9). </vet>De toekenning
                    van de verschillende subsidies voor de verschillende sectoren is ondergebracht
                    in afzonderlijke paragrafen, zodat bij de toekenning kan worden verwezen naar de
                    verschillende budgetten die per sector zijn vastgelegd in twee prioritaire
                    programma's en het basisprogramma Economie.</al><al>De toekenning van de verschillende subsidies voor de verschillende sectoren is
                    ondergebracht in afzonderlijke artikelen en paragrafen, zodat bij de toekenning
                    kan worden verwezen naar de verschillende budgets, de per sector zijn vastgelegd
                    in twee prioritaire programma's en het basisprogramma Economie.</al><al><vet>Staatssteun</vet> Bij het opstellen van provinciale regelgeving in het
                    algemeen en subsidieregels in het bijzonder is het van groot belang om rekening
                    te houden met het aspect staatssteun. Europeesrechtelijk is vastgelegd dat
                    staatssteun alleen is toegestaan als een uitzondering op het staatssteunverbod
                    geldt (artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de
                    Europese Unie). Alvorens te toetsen aan het staatssteunverbod en eventuele
                    uitzonderingen moet uiteraard eerst worden vastgesteld of er sprake is van
                    staatssteun. Daarvoor gelden de volgende cumulatieve eisen:</al><al>a. er is sprake van een steunmaatregel die een voordeel verschaft, in welke vorm
                    dan ook; b. dit voordeel wordt direct of indirect bekostigd uit
                    overheidsmiddelen; c. hierdoor worden één of meer specifieke ondernemingen
                    begunstigd; d. dit vervalst de mededinging of dreigt dat te doen; en e. hierdoor
                    wordt de handel tussen de Europese lidstaten ongunstig beïnvloed.</al><al>Om te kunnen spreken van staatssteun moet aan al deze criteria zijn voldaan. Is
                    dat niet het geval dan is er geen sprake van staatssteun. Verder is van belang
                    dat het staatssteunverbod pas van toepassing is indien het toegekende financiële
                    voordeel voldoende substantieel is. Op grond van de zogenaamde
                    De-minimisverordening van 18 december 2013 ((PbEU L 352) is het geven van steun
                    van beperkte omvang toegestaan. Dat is het geval indien de steun maximaal €
                    200.000 over drie jaren behelst. Wel kent de De-minimisverordening een aantal
                    (procedurele) voorwaarden waaraan in alle gevallen moet zijn voldaan. Dit zijn
                    de monitoringverplichting en de anticumulatiebepaling. De monitoringverplichting
                    verplicht de steun verlenende overheid om een dossier bij te houden, wanneer zij
                    steun verleent in het kader van de De-minimisverordening. Dit houdt in dat de
                    steun verlenende overheid:</al><al>a. aan de begunstigde onderneming moet melden dat het gaat om de-minimissteun;
                    b. van de begunstigde onderneming een verklaring moet ontvangen over alle andere
                    in de twee voorgaande belastingjaren en in het lopende belastingjaar ontvangen
                    de-minimissteun.</al><al>Het proces van subsidieverlening bij de provincie Gelderland is zodanig
                    ingericht dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.</al><al>Voldoet een steunmaatregel, zoals subsidieverstrekking, aan de cumulatieve eisen
                    voor staatssteun dan zal deze of moeten voldoen aan de voorwaarden van één van
                    de (groeps)vrijstellingen of aan de Europese Commissie ter goedkeuring worden
                    voorgelegd. Een maatregel die hieraan niet voldoet of die niet door de Europese
                    Commissie is goedgekeurd, is in strijd met staatssteunverbod. Dit kan leiden tot
                    een verplichting tot terugvordering en de nietigheid van de maatregel.</al><al>Onderhavige herziene subsidieregels zijn zodanig opgesteld dat deze in
                    overeenstemming zijn met de Europese regelgeving inzake staatssteun. Vanuit
                    staatssteunoptiek kunnen deze subsidieregels worden opgedeeld in de volgende
                    categorieën:</al><al>1. er is geen sprake van staatssteun omdat geen sprake is van economische
                    activiteiten die worden gesubsidieerd. De subsidieontvanger kan daardoor niet
                    als onderneming worden aangemerkt waardoor er alleen al daarom niet aan de
                    cumulatieve eisen wordt voldaan om te kunnen spreken van staatssteun. Tot deze
                    categorie behoren de subsidieparagrafen 5.8.12, 5.10.14, 5,10.15, 5.10.17..
                    5.10.20, 5.10.21 en 5.10.23. 2. er is geen sprake van staatssteun omdat de
                    grenzen van de de-minimisverordening niet worden overschreden. Tot deze
                    categorie behoren de subsidieparagrafen 5.7.2, 5.8.3, 5.10.2, 5.10.12, 5.10.13,
                    5.10.18 en 5.10.19 met dien verstande dat daarbij de subsidie door de
                    subsidieontvanger volledig wordt aangewend voor onderzoek ten behoeve van
                    ondernemingen. Vanuit staatssteunoptiek moeten deze ondernemingen aldus als
                    ontvanger van steun worden aangemerkt. In de subsidiebeschikking zullen
                    voorwaarden worden opgenomen om te waarborgen dat deze subsidie ten gunste van
                    deze ondernemingen wordt aangewend in overeenstemming met de
                    de-minimisverordening. Verder behoren tot deze categorie de subsidieparagrafen
                    5.7.9, 5.8.4, 5.8.9, 5.8.10, 5.8.11, 5.8.13, 5.10.7 en 5.10.10. 3. er wordt
                    voldaan aan de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, de
                    AGVV (Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014).
                    De AGVV bevat onder voorwaarden uiteenlopende mogelijkheden om rechtmatig steun
                    te verlenen ten behoeve van MKB-bedrijven en ten behoeve van onderzoek,
                    ontwikkeling en innovatie. Onderhavige subsidieregels zijn gebaseerd op de
                    Subsidieverordening Vitaal Gelderland 2011 die op haar beurt weer een uitwerking
                    is van onder meer het Prioritair programma topsectoren en innovatie
                    (PS2012-191), de Lange termijnvisie economie (PS2011-644) en het Prioritair
                    programma Energietransitie (PS2012-193). Daarin wordt uitgebreid ingegaan op het
                    stimulerend effect en de noodzaak van steun voor OO&amp;I. Bij de volgende
                    subsidieparagrafen wordt gebruik gemaakt van de vrijstellingsmogelijkheden van
                    de AGVV om steun te verlenen: 5.7.3, 5.7.4, 5.7.5, 5.7.6, 5.7.7, 5.7.10, 5.7.11,
                    5.8.2, 5.8.5, 5.8.6, 5.8.7, 5.10.3, 5.10.4, 5.10.5. 5.10.6, 5.10.8, 5.10.9 en
                    5.10.11. 4. er wordt voldaan aan de voorwaarden van de AGVV. Deze Verordening
                    van de Europese Commissie verklaart bepaalde categorieën steun op grond van de
                    artikelen 107 en 108 van het Verdrag (betreffende de werking van de Europese
                    Unie) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar. De AGVV vormt voor overheden
                    het juridisch raamwerk waarbinnen zij steunmaatregelen op het gebied van milieu,
                    zoals de onderhavige subsidieregeling, kunnen vaststellen zonder dat
                    voorafgaande melding en goedkeuring van de Europese Commissie nodig is. Tot deze
                    categorie behoort paragraaf 5.10.16.</al><al>Subsidie die wordt verstrekt op grond van artikel 5.8.14.1, aanhef en onder a en
                    b, behelst geen staatssteun omdat de subsidieontvanger deze subsidie dient aan
                    te wenden in het kader van haar algemene publiekrechtelijke taak op het gebied
                    van de ruimtelijke ordening en economisch beleid.</al><al>De subsidiabele activiteit in artikel 5.8.14.1, aanhef en onder c, behelst geen
                    staatssteun indien de subsidie slechts ten goede komt aan herstructurering van
                    openbare ruimte die niet commercieel wordt geëxploiteerd en die voor alle
                    potentiële eindgebruikers op gelijke wijze toegankelijk is. De hoogte van het
                    subsidiebedrag genoemd in artikel 5.8.14.4, aanhef en onder b, geldt alleen voor
                    voornoemde gevallen. In andere gevallen, bijvoorbeeld indien de subsidie wordt
                    verstrekt ten behoeve van aanpassingen binnen de privéruimte van een bedrijf,
                    dient te worden voldaan aan de vereisten van de De-minimisverordening. De
                    subsidieaanvrager dient een De-minimisverklaring op te vragen bij het betrokken
                    bedrijf.</al><al>Ten aanzien van subsidie die wordt verstrekt op grond van de paragrafen 5.8.16
                    en 5.8.17 geldt dat deze voldoet aan de vereisten van de
                    De-minimisverordening.</al><al><vet>Artikel 5.8.1.1, onder p</vet> Er bestaat een POA in de regio Arnhem,
                    Liemers, Achterhoek, Stedendriehoek, Noord-Veluwe, Rivierenland en Vallei.</al><al><vet>Paragraaf 5.7.2 Versnellen van innovaties Food, Health en
                        Maakindustrie</vet> Deze subsidie maakt het mogelijk dat de Valleybureaus en
                    de RCT's opdrachten kunnen verstrekken aan onderzoekinstellingen ten behoeve van
                    het nader uitwerken van innovatieideeën van ondernemingen. De eigen bijdrage die
                    bedrijven leveren in de bekostiging van de onderzoeken door derden kan worden
                    aangemerkt als de eigen bijdrage van de aanvragers.</al><al>Met de subsidie gericht op de deelname aan Europese programma's wordt gedoeld op
                    het voorbereiden van een aanvraag voor een subsidie c.q. de deelname in een
                    gezamenlijk onderzoek in het kader van één van de Europese programma's zoals
                    EFRO, POP, Horizon2020, Interreg.</al><al><vet>Paragrafen 5.7.3, 5.8.5 en 5.10.3 Collectief onderzoek</vet> Deze subsidie
                    is bedoeld voor MKB-ondernemingen die in samenwerking industrieel onderzoek,
                    experimentele ontwikkeling of technische haalbaarheidsstudies (laten) uitvoeren.
                    Aldus vormen zij een logisch vervolg op de voucher, maar dan voor een groep van
                    bedrijven. Eén van de bedrijven zal als aanvrager optreden. De overige bedrijven
                    zullen in de regel alleen een deel van de kosten van het project te dragen.</al><al><vet>Paragrafen 5.7.4, 5.8.6 en 5.10.4 Projectsubsidie</vet> Deze subsidie heeft
                    een algemeen karakter en kan rechtstreeks aan bedrijven worden verstrekt bij
                    projecten waar de voucher of collectief onderzoek onvoldoende (financiële)
                    ruimte biedt. Belangrijk verschil met collectief onderzoek is dat aan
                    projectsubsidie de aanvullende eis wordt gesteld dat deze binnen de betreffende
                    sector betrekking heeft op een keten van producent, leverancier en
                    eindgebruiker. Naar verwachting is dit onderzoek dus omvangrijker hetgeen ook
                    tot uitdrukking komt in de hogere maximale subsidie.</al><al><vet>Paragrafen 5.7.5, 5.8.7 en 5.10.5 Onderzoeksinfrastructuur voor economische
                        activiteiten</vet> Deze subsidie is bedoeld voor het financieren van voor
                    projecten en activiteiten die bijdragen aan de onderzoeksinfrastructuur in
                    Gelderland.</al><al>Voor paragraaf 5.10.5 geldt dat deze subsidie onder meer is bedoeld voor
                    ondernemingen die hun onderzoeks- en experimenteerfaciliteiten beschikbaar
                    stellen voor derden. Dit kunnen bedrijven (zoals Parenco, AFP), universiteiten
                    en hogescholen (zoals algaeparc WUR, emissiemeetlab automotive HAN) of
                    zogenoemde incubators (zoals Green house IPKW, Watt connects) zijn.</al><al><vet>Paragrafen 5.7.6, 5.8.8 en 5.10.6 Proeftuinen ten behoeve van
                        marktintroducties</vet> Deze subsidie is bedoeld voor het ontwikkelen van
                    proeftuinen ten behoeve van marktintroducties door een innovatiecluster en de
                    generieke promotie van het proeftuinklimaat alsmede het ondernemingsklimaat voor
                    innoverende ondernemingen in Gelderland.</al><al><vet>Paragraaf 5.7.7 Ondersteunen innovatieve starters</vet> Deze subsidie is
                    bedoeld voor het financieren van programma's die zijn gericht op het bevorderen
                    van het starten van jonge innoverende ondernemingen door pas
                    afgestudeerden.</al><al><vet>Paragraaf 5.7.9 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie sectoren Food, Health
                        en Maakindustrie</vet> Deze paragraaf maakt het mogelijk subsidie
                    beschikbaar te stellen voor het verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in
                    de topsectoren Food, Health en Maakindustrie, onder andere ter ondersteuning van
                    de uitvoering van de human capital agenda's.</al><al><vet>Paragraaf 5.7.10 Ondersteuning Valleybureaus als innovatiecluster</vet>
                    Deze subsidie is bedoeld voor het bekostigen van specifieke activiteiten die
                    worden uitgevoerd door de Valleybureaus in hun hoedanigheid van
                    innovatiecluster.</al><al><vet>Paragrafen 5.7.11 en 5.10.9 Aanjagen en stimuleren van regionale
                        gebiedsontwikkeling</vet> Deze subsidie is bedoeld voor het ondersteunen van
                    activiteiten die leiden tot regionale gebiedsontwikkeling in de vorm van de
                    fysieke realisatie van incubatoren, bedrijfsverzamelgebouwen of gedeelde
                    onderzoeksfaciliteiten. Deze ontwikkeling draagt tevens bij aan het versterken
                    van het vestigingsklimaat.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.2 Verbeteren positie van starters</vet> Deze subsidie is
                    bedoeld voor activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de positie van
                    starters en het ondernemerschap binnen het Gelders MKB. Voor het welslagen van
                    de projecten is de betrokkenheid van de doelgroep van essentieel belang. Zij
                    moeten baat hebben bij de voorzieningen en projecten die het ondernemersklimaat
                    versterken. Uit de projectbeschrijving moet dan ook blijken hoe de doelgroep
                    aantoonbaar betrokken is bij de voorbereiding en de uitvoering van het
                    project.</al><al>Aangezien het verspreiden van kennis een belangrijke doelstelling is, dient
                    expliciet uitgewerkt te worden welke leereffecten een project heeft en op welke
                    wijze verspreiding hiervan plaatsvindt.</al><al>Met structurele verankering wordt bedoeld dat de activiteiten na afronding van
                    de projectperiode zonder subsidie kunnen blijven bestaan, doordat de uitvoering
                    en evt. exploitatie in een reguliere werkomgeving is opgenomen.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.3 Versnellen van innovaties in logistiek, vrijetijdseconomie
                        en de creatieve sector</vet> Deze subsidie maakt het mogelijk dat de RCT's
                    opdrachten kunnen verstrekken aan onderzoekinstellingen ten behoeve van het
                    nader uitwerken van innovatie-ideeën van ondernemingen. De eigen bijdrage die
                    bedrijven leveren in de bekostiging van de onderzoeken door derden kan worden
                    aangemerkt als de eigen bijdrage van de aanvragers.</al><al>Met de subsidie gericht op de deelname aan Europese programma's wordt gedoeld op
                    het voorbereiden van een aanvraag voor een subsidie c.q. de deelname in een
                    gezamenlijk onderzoek in het kader van één van de Europese programma's zoals
                    EFRO, POP, Horizon2020, Interreg.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in de logistiek,
                        vrijetijdseconomie, land- en tuinbouw en de creatieve sector</vet> Deze
                    paragraaf maakt het mogelijk subsidie beschikbaar te stellen voor het verkleinen
                    van de arbeidsmarktdiscrepanties in de creatieve sector, de logistieke sector in
                    de vrijetijdseconomie ter ondersteuning van de uitvoering van de human capital
                    agenda's.</al><al><vet>Artikel 5.8.5.4 Aanvrager</vet> Genoemde SBI-codes staan voor de volgende
                    sectoren:</al><al>5811 - Uitgeverijen van boeken 5813 - Uitgeverijen van kranten 5814 -
                    Uitgeverijen van tijdschriften 5819 - Overige uitgeverijen (niet van software)
                    5821 - Uitgeverijen van computerspellen 5829 - Overige uitgeverijen van software
                    59111 - Productie van films (geen televisiefilms) 59112 - Productie van
                    televisieprogramma's 5912 - Facilitaire activiteiten voor film- en
                    televisieproductie 5913 - Distributie van films en televisieproducties 5914 -
                    Bioscopen 5920 - Maken en uitgeven van geluidsopnamen 6010 - Radio-omroepen 6020
                    - Televisieomroepen 6030 - Dienstverlenende activiteiten op het gebied van
                    informatie 7021 - Public relationsbureau's 7111 - Architecten 7311 -
                    Reclamebureaus 7312 - Handel in advertentieruimte en advertentietijd 7410 -
                    Grafisch ontwerp en industrieel, product- en interieurontwerp 74201 - Fotografie
                    7990 - Informatieverstrekking op het gebied van toerisme en reserveringsbureaus
                    8230 - Organiseren van congressen en beurzen 90011 - Beoefening van podiumkunst
                    90012 - Producenten van podiumkunst 90013 - Circus en variété 9002 -
                    Dienstverlening voor uitvoerende kunst 9003 - Schrijven en overige scheppende
                    kunst 90041 - Theaters en schouwburgen 91011 - Openbare bibliotheken 91012 -
                    Kunstuitleencentra 91019 - Overige culturele uitleencentra en openbare archieven
                    91021 - Musea 91022 - Kunstgalerieën en kunstexpositieruimten 9103 -
                    Monumentenzorg 93211 - Pret- en themaparken 93212 - Kermisattracties 94993 -
                    Steunfondsen (niet op het gebied van welzijnszorg) 94994 - Vriendenkringen
                    o.h.g..v cultuur, fanclubs en overige kunstbevordering</al><al><vet>Paragraaf 5.8.9 Kwaliteitsverbetering en meeropbrengst ondernemingen
                        vrijetijdseconomie</vet> Uit de analyse die gemaakt is voor het Actieplan
                    Vrijetijdseconomie is gebleken dat er een kwaliteitsverbetering nodig is van het
                    Gelders vrijetijdsaanbod. Het Gelders marktaandeel daalt en de bestedingen
                    liggen onder het landelijk gemiddelde. De noodzaak tot kwaliteitsverbetering
                    speelt in de vier regio's in Gelderland in meer of mindere mate. De noodzaak van
                    kwaliteitsverbetering heeft niet betrekking op bestaande individuele bedrijven
                    maar op aansluiting van het aanbod bij de vraag.</al><al>Dat Gelderland bestaat uit vier regio's met hun eigen identiteit leidt tot een
                    divers aanbod en draagt bij aan de aantrekkelijkheid van Gelderland.</al><al>Deze subsidie is bedoeld voor regionale initiatieven van het bedrijfsleven die
                    aansluiten bij de identiteit van de regio en diversiteit van het Gelders
                    aanbod.</al><al>De initiatieven moeten gericht zijn op kwaliteitsverbetering, vernieuwing,
                    verhoging van het economisch rendement en samenwerking. De subsidies kunnen
                    worden aangevraagd door het (toeristisch) bedrijfsleven.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.10 Samenwerkingsinitiatieven vrijetijdseconomie</vet> Betere
                    samenwerking tussen bedrijven in de vrijetijdssector en tussen de
                    vrijetijdssector en andere sectoren kan bijdragen aan kwaliteitsverbetering van
                    het vrijetijdsproduct en de ontwikkeling van nieuwe product-marktcombinaties.
                    Het tot stand brengen van die samenwerking kost tijd en geld. Met deze subsidie
                    wordt bijgedragen aan de kosten van die samenwerking. Subsidie is mogelijk voor
                    kosten van haalbaarheidsonderzoeken gericht op nieuwe product-markt-combinaties
                    en kosten van procesbegeleiding voor samenwerkingsactiviteiten. Voorwaarde is
                    dat de activiteiten bijdragen aan de Gelderse toeristische infrastructuur,
                    gericht zijn op het trekken van meer bezoekers en creëren van meer
                    werkgelegenheid.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.11 Kwaliteitsverbetering routes wandelen, hardlopen, fietsen,
                        varen, paardrijden en mennen. </vet> Wandelen en fietsen behoren tot de
                    belangrijkste vrijetijdsbestedingen van Gelderland. Gelderland heeft op dit
                    gebied veel te bieden. De financiële bestedingen van wandelaars en fietsers zijn
                    over het algemeen niet hoog. We willen de positie van de provincie Gelderland
                    als fiets- en wandelprovincie versterken om zo meer bestedingen te genereren.
                    Voor varen geldt dat Gelderland veel mogelijkheden biedt, die nog verder
                    ontwikkeld kunnen worden. Daarnaast willen we het sportief gebruik van routes
                    stimuleren vanuit de doelstellingen met betrekking tot sport en bewegen (titel
                    5.6).</al><al>Meer bestedingen kunnen gegenereerd worden als er meer bezoekers komen met een
                    gelijkblijvend bestedingspatroon of als de bestedingen per bezoeker stijgen. Dat
                    kan bereikt worden als ondernemers meer gebruik maken van de mogelijkheden die
                    de wandel- en fietsroutes bieden. Ook een toename van sportief gebruik van
                    routes kan een toename van bestedingen en economische spin-off genereren. Wij
                    verwachten dan ook initiatieven waarin deze combinatie van doelstellingen tot
                    uiting komt. Gelderland heeft veel toeristische fiets- en wandelroutes, dus
                    nieuwe routes zullen weinig bijdragen aan extra bestedingen, tenzij er
                    aantoonbaar onvoldoende routes zijn in een gebied. Wel bieden verhoging van de
                    kwaliteit van bestaande routes of beter aansluiten van ondernemers bij die
                    routes mogelijkheden. Voor wandelknooppunten is nog niet aangetoond dat deze tot
                    extra bestedingen leiden en daar ligt dus (nog) geen prioriteit.</al><al>Om de bestedingen van varende recreanten in Gelderland te vergroten willen we
                    het aantal aanlegplaatsen vergroten.</al><al>Om meer bezoekers en meer bestedingen te genereren kan gerichte marketing en
                    promotie een belangrijk onderdeel vormen van een initiatief. Omdat marketing en
                    promotie subsidiabel zijn onder titel 5.8.12 van deze titel worden deze
                    activiteiten apart beoordeeld volgens de criteria die voor die titel
                    gelden.</al><al>Veel activiteiten leveren meerwaarde op wanneer de continuïteit voor langere
                    tijd is gewaarborgd. Heti s daarbij een verantwoordelijkheid van de
                    initiatiefnemer zelf om beheer en onderhoud, alsmede de financiering daarvan,
                    voor langere duur te regelen.</al><al>Belangrijk voor alle activiteiten is dat deze zoveel mogelijk breed over
                    Gelderland kunnen worden uitgevoerd. Behoud van diversiteit en regionale
                    identiteit is uitdrukkelijk de bedoeling: het gaat om uniforme systematiek met
                    bijvoorbeeld regionale look en feel bij de uitvoering. Dat geldt met name voor
                    de ontwikkeling van digitale routestructuren in de vorm van applicaties. Hierbij
                    is de voorwaarde dat een applicatie de gehele provincie moet betreffen, waarbij
                    dient te worden opgemerkt dat het project gefaseerd opgebouwd mag zijn, als
                    aanzet naar uitrol tot provinciale schaal.</al><al>Bij de beoordeling van de mogelijkheden voor Gelderland brede uitvoering zal een
                    advies meewegen van belanghebbenden zoals regio's/gemeenten, recreatieschappen,
                    RBT’s, Stichting Landschapsbeheer Gelderland, Natuurmonumenten, Hoge Veluwe,
                    BOVAG, ANWB, nationaal fiets- en wandelplatform en toeristisch platform
                    Gelderland.</al><al>Met deze subsidie wordt bijgedragen aan initiatieven die zijn gericht op
                    kwaliteitsverbetering, verhogingvan de beleving van routes en aanhaken van het
                    toeristisch bedrijfsleven. Uitgangspunt voor ondersteuning is een uniforme
                    uitvoering in de gehele provincie.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.12 Marketing en promotie vrijetijdseconomie</vet> Marketing
                    en promotie vergen gezamenlijkheid en een lange adem. Er is structurele inzet op
                    marketing en promotie nodig om Gelderland en de Gelderse regio's op de kaart te
                    houden. Om de zware (buitenlandse) concurrentie het hoofd te kunnen bieden, is
                    bundeling van marketingkracht nodig. Deze subsidie draagt bij aan promotie als
                    dit wordt uitgevoerd in het kader van Gelderse Streken en minimaal gebeurt op
                    regionale schaal. Subsidie kan worden verstrekt aan Regionale Bureaus voor
                    Toerisme, de Stichting Vrijetijdshuis en Stichting Toerisme Gelderland.</al><al><vet>Staatssteun</vet> Er is geen sprake van staatssteun omdat het geven van
                    neutrale toeristische voorlichting geen economische activiteit is. De
                    subsidieontvanger kan daardoor niet als onderneming worden aangemerkt waardoor
                    er alleen al daarom niet aan de cumulatieve eisen wordt voldaan om te kunnen
                    spreken van staatssteun.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.14 Herstructureren van de fysieke bedrijfsomgeving</vet> De
                    provincie heeft de ambitie om bij te dragen aan het creëren van een optimale
                    bedrijfsomgeving, die duurzaam is, voldoende speelruimte biedt aan ondernemers
                    en lokaal, regionaal en internationaal voorzien is van betrouwbare netwerken
                    voor het verkeer van personen, goederen en informatie.</al><al>De provincie wil via bestuurlijk en ambtelijk overleg in de zes Gelderse regio's
                    vraag en aanbod van bedrijventerreinen bij elkaar brengen via de 'Regionale
                    Programma's Bedrijventerreinen'. Dit wenst zij te monitoren via het
                    IBIS-systeem. Hierin is opgenomen dat partijen (bedrijven, overheden) zoveel als
                    mogelijk de herstructurering samen oppakken en de kwaliteit op de
                    bedrijventerreinen verhogen.</al><al>Herstructurering van bedrijventerreinen vergt een goede voorbereiding in de vorm
                    van een businessplan en een uitvoeringsplan. Een dergelijk businessplan voor de
                    fysieke bedrijfsomgeving kan door de gemeente worden opgesteld voor een bepaald
                    project. Dit plan bevat - naast een omschrijving van de maatregelen en het
                    beheer - een analyse van de marktkansen in het gebied, inclusief de voorgestane
                    strategie. Daarbij wordt bijvoorbeeld ook gekeken hoe door middel van het
                    inbrengen van functies met een hogere grondwaarde of het bieden van
                    intensiveringsmogelijkheden voor de bedrijven de levenscyclus van bedrijfskavels
                    kan worden verlengd.</al><al>Herstructureringsplannen worden ook beoordeeld op duurzaam en efficiënt
                    ruimtegebruik. Een beproefde methodiek om te komen tot duurzaam en efficiënt
                    ruimtegebruik is de toepassing van de ladder van duurzaam ruimtegebruik. Bij
                    deze-ladder dienen gemeenten samenhangend (bij voorkeur in regionaal verband) te
                    kijken naar de relatie tussen de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en
                    herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. De ladder is een denkmodel
                    waarbij aan het accommoderen van ruimtebehoefte voor bedrijventerreinen een
                    volgorde wordt toegekend:</al><al>1. optimalisering gebruik beschikbare ruimte o.a. door herstructurering; 2. het
                    beter benutten van de ruimte door meervoudig ruimtegebruik en intensivering; 3.
                    en indien nodig uitbreiding van het ruimtegebruik door bedrijventerreinen.</al><al>De afwegingsprocedure heeft tot doel te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en
                    het tegengaan van verrommeling. Verder wordt "inbreiding voor uitbreiding"
                    gesteld, waarmee onnodige verstedelijking wordt voorkomen. Meervoudig
                    ruimtegebruik en intensivering moeten leiden tot een zorgvuldiger afweging van
                    het gebruik van de ruimte.</al><al>Een instrument om deze samenhangende ruimtelijke aanpak van nieuwe en bestaande
                    bedrijventerreinen financieel te regelen is verevening. Bij verevening worden de
                    revenuen uit de uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen gebruikt voor de
                    financiering van de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.15 Bedrijfsverplaatsingen</vet> De Circulaire
                    schadevergoedingen (Staatscourant 1997, 246) ziet op schadevergoedingen die ten
                    laste komen van het Rijk. Paragraaf 5.8.15 ziet niet op deze situaties. Evenwel
                    dient de aanvrager ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun naar analogie
                    toepassing te geven aan de Circulaire Schadevergoedingen. Het te verplaatsen
                    bedrijf dient zelf minimaal 50% van de kosten van de verplaatsing voor zijn
                    rekening te nemen.</al><al><vet>Paragraaf 5.8.17 Samenwerking fysieke bedrijfsomgeving</vet> De provincie
                    wil de samenwerking tussen ondernemers onderling en tussen ondernemers en de
                    overheid stimuleren teneinde de kwaliteit van bedrijventerreinen te behouden en
                    te verbeteren. Een goede samenwerking voorkomt dat bedrijventerreinen
                    verloederen en dat er (nogmaals) herstructurering plaats moet vinden. Daarnaast
                    wil de provincie de samenwerking stimuleren ten behoeve van duurzaam
                    energiegebruik op bedrijventerreinen.</al><al><vet>Paragraaf 5.10.2 Versnellen van innovaties energie- en milieutechnologie en
                        biobased economy</vet> Deze subsidie maakt het mogelijk dat Stichting Kennis
                    en Innovatie in Energie- en Milieu Technologie (Stichting kiEMT,
                    GreenTechAlliances) en de RCT's opdrachten kunnen verstrekken aan
                    onderzoekinstellingen ten behoeve van het nader uitwerken van innovatieideeën
                    van ondernemingen. De eigen bijdrage die bedrijven leveren in de bekostiging van
                    de onderzoeken door derden kan worden aangemerkt als de eigen bijdrage van de
                    aanvragers.</al><al>Met de subsidie gericht op de deelname aan Europese programma's wordt gedoeld op
                    het voorbereiden van een aanvraag voor een subsidie c.q. de deelname in een
                    gezamenlijk onderzoek in het kader van één van de Europese programma's zoals
                    EFRO, POP, Horizon2020, Interreg.</al><al><vet>Paragraaf 5.10.7 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in EMT-sector</vet>
                    Deze paragraaf maakt het mogelijk subsidie beschikbaar te stellen voor het
                    verkleinen van de arbeidsmarktdiscrepanties in de sector energie- en
                    milieutechnologie onder andere ter ondersteuning van de uitvoering van de human
                    capital agenda's.</al><al><vet>Paragraaf 5.10.8 Ondersteuning Programmabureau EMT als
                        innovatiecluster</vet> Deze subsidie is bedoeld voor het bekostigen van
                    specifieke activiteiten die worden uitgevoerd door Stichting Kennis en Innovatie
                    in Energie- en Milieu Technologie (Stichting kiEMT, GreenTechAlliances) in haar
                    hoedanigheid van innovatiecluster.</al><al><vet>Artikel 5.10.18.4, lid 1 en lid 2</vet> Dit artikel behelst de
                    berekeningsmethodiek die zal worden gehanteerd bij het bepalen van de maximale
                    hoogte van de subsidie voor warmtekrachtkoppelingen, gaswarmtepompen of
                    warmtepompen. Hieronder worden 2 voorbeelden gegeven om deze methodiek te
                    verduidelijken.</al><al>Voorbeeld 1: Subsidiabele kosten € 200.000,-, terugverdientijd 7 jaar.</al><al>Indien de subsidiabele kosten bijvoorbeeld € 200.000,- bedragen en de
                    terugverdientijd is 7 jaar, dan wordt voornoemd bedrag gedeeld door 7 en
                    vermenigvuldigd met 2. De maximale hoogte van de subsidie is dan €
                    57.143,-.</al><al>Voorbeeld 2: Subsidiabele kosten € 200.000,-, terugverdientijd 7,5 jaar.</al><al>Indien de subsidiabele kosten bijvoorbeeld € 200.000,- bedragen en de
                    terugverdientijd is 7,5 jaar, dan wordt voornoemd bedrag gedeeld door 7,5 en
                    vermenigvuldigd met 2,25. De maximale hoogte van de subsidie is dan €
                    60.000,-.</al><al><vet>Paragraaf 5.10.22</vet> Op 13 november 2013 hebben Provinciale Staten de
                    Robuuste Investeringsimpuls vastgesteld. Hiermee hebben Provinciale Staten geld
                    beschikbaar gesteld tot en met 31 december 2015 voor projecten op het gebied van
                    werkgelegenheid en structuurversterking. Deze regeling maakt onderdeel uit van
                    de Robuuste Investeringsimpuls en heeft als doel de Gelderse economie op korte
                    termijn een impuls te geven. De uitvoering van de subsidiabele activiteit dient
                    om die reden in 2014 of 2015 gereed te zijn.</al><al>Met deze regeling wordt beoogd in een zeer korte termijn minimaal 10.000 sociale
                    huurwoningen van de Gelderse woningcorporaties extra te verduurzamen, zodat een
                    gemiddelde van labelklasse B kan worden bereikt per aanvrager over het totaal
                    aan woningen waarvoor subsidie wordt verleend. Hierdoor wordt extra
                    werkgelegenheid gecreëerd en worden tevens extra leerwerkplaatsen gecreëerd. De
                    aanvrager dient per 100 te verbeteren woningen ten minste één leerwerkplaats te
                    creëren. De leerwerkplaats betreft een fulltime (1 fte) plaats, uitgaande van
                    een werkweek van 40 uur. Indien meer dan wel minder woningen worden verbeterd
                    per aanvrager, wordt dit naar rato berekend.</al><al>De aanvrager dient daarnaast een extra labelstap te maken bovenop de reeds
                    geplande werkzaamheden en over het totaal aan woningen waar subsidie voor wordt
                    verleend, wordt ten minste gemiddeld het niveau van labelklasse B bereikt. De
                    berekening hiervan wordt met de volgende twee voorbeelden verduidelijkt:</al><al>Voorbeeld 1: Bij een verbetering van een drietal woningen naar label A, B en C
                    wordt een gemiddelde bereikt van labelklasse B.</al><al>Voorbeeld 2: Bij een verbetering van een vijftal woningen naar label A, B, B, C
                    en C wordt een gemiddelde bereikt van B-. Afgerond betekent dit een gemiddelde
                    van labelklasse C.</al><al>Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met het
                    bepaalde in het besluit van de Commissie van 20 december 2011 (2012/21/EU)
                    betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de
                    werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de
                    openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen
                    economisch belang belaste ondernemingen. Gedeputeerde Staten zullen ten behoeve
                    van vorenbedoelde nader een besluit nemen tot het belasten van de
                    woningcorporaties met het beheer van de dienst van algemeen economisch
                    belang.</al><al>Bij de aanvraag dient een schriftelijke aanbeveling aanwezig te zijn voor de
                    uitvoering van de subsidiabele activiteit van het coördinatieteam (p/a
                    Wooncorporatie De Goede Woning, t.a.v. K. Walter, Postbus 468, 7300 AL
                    Apeldoorn).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>