<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR364831_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-182970.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAfgelopenMaand%26spd%3d20161128%26epd%3d20161228%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dAlphen-Chaam%26orgt%3dgemeente%26pnr%3d4%26rpp%3d10%26_page%3d1%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Officiele bekendmakingen, 23-12-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet/article=149">gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=drank-%20en%20horecawet/article=4">drank- en horecawet, art. 4 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-06-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Afdeling 13a Carbid</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De eerste wijziging treedt in werking op 24 december 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 3 </al><al/><al>Hoofdstuk 2 Openbare orde 4 </al><al/><al>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden 4 </al><al>Afdeling 2. Betoging 5 </al><al>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken 5 </al><al>Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg 5 </al><al>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg 6 </al><al>Afdeling 6. Veiligheid op de weg 7 </al><al>Afdeling 6a. Verbod spelen om geld 9 </al><al>Afdeling 7. Evenementen 9 </al><al>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen 10 </al><al>Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank-
                        en Horecawet 11 </al><al>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf 12 </al><al>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden 13 </al><al>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid 13 </al><al>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen 18 </al><al>Afdeling 13. Vuurwerk 19 </al><al>Afdeling 14. Drugsoverlast 20 </al><al>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht
                        op openbare plaatsen 20 </al><al/><al>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. 20 </al><al>Afdeling 1. Begripsbepalingen 20 </al><al>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke 21 </al><al>Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden 24 </al><al>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer 24 </al><al/><al>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                        uiterlijk aanzien van de gemeente 25 </al><al>Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting 25 </al><al>Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging 27 </al><al>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden 28 </al><al>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast 31 </al><al>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen 32 </al><al/><al>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente 32 </al><al>Afdeling 1. Parkeerexcessen 32 </al><al>Afdeling 2. Collecteren 34 </al><al>Afdeling 3. Venten 35 </al><al>Afdeling 4. Standplaatsen 35 </al><al>Afdeling 5. Snuffelmarkten 36 </al><al>Afdeling 6. Openbaar water 36 </al><al>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
                        38 </al><al>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken 39 </al><al>Afdeling 9. Verstrooiing van as 39 </al><al/><al>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 40</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Alphen-Chaam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 20 november 2014;</al><al>gelet op: </al><al>- Gemeentewet, artikel 149; </al><al>- Drank- en Horecawet, artikel 4;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de “Algemene Plaatselijke Verordening 2015”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. Openbare plaats:
                                hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder
                                wordt verstaan; b. Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste
                                lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan
                                liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; c. Openbaar
                                water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of anderszins
                                toegankelijk zijn; d. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die
                                zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                1994; e. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. Bouwwerk: elke
                                constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                                materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect
                                met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; g. Gebouw:
                                hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet
                                daaronder wordt verstaan; h. Handelsreclame: iedere openbare
                                aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt
                                een commercieel belang te dienen; i. Bevoegd gezag: bestuursorgaan
                                dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een
                                omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende
                                omgevingsvergunning; j. College: het college van burgemeester en
                                wethouders.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:2 Beslistermijn</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is. 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing
                                voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede
                                lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van
                                toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning
                                als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of 4:11
                                van deze verordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2. Voor
                                bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                                ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens
                                deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                ontheffing</titel></kop><structuurtekst><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                                krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                ontheffing</titel></kop><structuurtekst><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
                                indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de
                                omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de
                                ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is
                                vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning
                                of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of
                                worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen
                                gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel,
                                bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                termijn; e. indien de houder dit verzoekt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:7 Termijnen</titel></kop><structuurtekst><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij
                                de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de
                                vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</titel></kop><structuurtekst><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de
                                openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d.
                                de bescherming van het milieu.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><al>1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een
                                    openbare plaats a. aanwezig is bij een voorval waardoor
                                    ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is
                                    bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c.
                                    zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te
                                    bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd
                                    gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming
                                    van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan
                                    ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.
                                    Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Betoging</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:2 Optochten</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                                    plaatsen</tussenkop><al>1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving
                                    bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het
                                    doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt
                                    gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de
                                    plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
                                    beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van
                                    samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt
                                    zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene
                                    die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                                    tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip
                                    van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00
                                    uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag,
                                    wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk vóór 12.00 uur op de aan
                                    de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester
                                    kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in
                                    behandeling nemen buiten deze termijn.</al><tussenkop> Artikel 2:4 Afwijking termijn</tussenkop><al>(vervallen, opgenomen in artikel 2:3)</al><tussenkop> Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>(vervallen, opgenomen in artikel 2:3)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                    gedrukte stukken of afbeeldingen</tussenkop><al>1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.
                                    Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren. 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen
                                    van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Op de ontheffing
                                    is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                                    (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:8 Dienstverlening</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:9 Straatartiest</tussenkop><al>1 Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het
                                    verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester
                                    kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de ontheffing is
                                    paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de
                                    weg</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het
                                    bevoegde bestuursorgaan de weg, een weggedeelte of een openbare
                                    plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                    functie daarvan. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet
                                    voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:25; b.
                                    standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; c. voorwerpen of
                                    stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3. Het
                                    verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende
                                    voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde en
                                    aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid: a. terrassen
                                    als bedoeld in artikel 2:27 sub b, tenzij het een locatie of
                                    horecabedrijf betreft die is aangegeven op de nader door het
                                    college vast te stellen kaart; b. uitstallingen; c.
                                    bouwobjecten; d. reclameborden; e. plantenbakken en banken; f.
                                    nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.
                                    4. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor
                                    het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.
                                    Degene die voornemens is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan
                                    uiterlijk 10 werkdagen tevoren een melding aan het college. 6.
                                    Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de
                                    categorieën genoemd in lid 3. 7. Het verbod in het eerste lid is
                                    niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien door de
                                    Wet beheer rijswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale verordening wegen. 8.
                                    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen,
                                    beschadigen en veranderen van een weg</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te
                                    breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van
                                    de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                    brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning
                                    wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd
                                    gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een
                                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige
                                    gevallen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing indien door of in opdracht van een bestuursorgaan of
                                    openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod
                                    is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                    door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur, de provinciale
                                    verordening wegen, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren. 5.
                                    Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg
                                    te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande
                                    uitweg naar de weg. 2 Het college kan categorieën van uitwegen
                                    aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt. 3.
                                    Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 1:8, worden geweigerd in het belang van:
                                    a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig
                                    gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                    van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                    gemeente. 4 Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of de provinciale
                                    verordening wegen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van
                                    de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking
                                    bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6. Veiligheid op de weg</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:14 Winkelwagentjes</tussenkop><al>1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam
                                    van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de
                                    omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen. 2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover de Wet milieubeheer van toepassing is.</al><tussenkop> Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</tussenkop><al>1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of
                                    te hebben op zodanige wijze dat dit de veiligheid van de
                                    weggebruiker in gevaar brengt of hinder oplevert voor het
                                    normale gebruik van de weg. 2. Het college kan van het verbod
                                    ontheffing verlenen.</al><tussenkop> Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><tussenkop> Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</tussenkop><al>1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden
                                    dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende de door het college aangewezen periode. 2 Het
                                    is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.
                                    Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3°, van het
                                    Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4 Het in het eerste
                                    lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al><tussenkop> Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop><al>1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg. 2 Het in het eerste lid
                                    gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
                                    puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand
                                    dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af
                                    gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3. Voor de
                                    toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel
                                    1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het in het
                                    eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al><tussenkop> Artikel 2:19a Gevaarlijke voorwerpen</tussenkop><al>1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en
                                    daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en
                                    terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die
                                    als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
                                    2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                    behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en
                                    munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze
                                    voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of
                                    kan komen.</al><tussenkop> Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en
                                    verlichting</tussenkop><al>1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                    dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen
                                    ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2 Het
                                    bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet,
                                    of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al><tussenkop> Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</tussenkop><al>1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten
                                    te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer
                                    daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te
                                    brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                    veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te
                                    verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere
                                    wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2 Het
                                    verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                    Vaarwegenverordening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6a Verbod spelen om geld</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:23a Verbod spelen om geld</tussenkop><al>Het is verboden om op of aan de weg met kaarten, geld,
                                    dobbelstenen of andere voorwerpen, om geld, geldwaardige
                                    papieren en/of goederen te spelen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 7. Evenementen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:24 Begripsbepaling</tussenkop><al>1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel
                                    5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet
                                    op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de
                                    Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen,
                                    samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en
                                    2:39 van deze verordening. 2 Onder evenement wordt mede
                                    verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c.
                                    een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3
                                    van deze verordening, op de weg; d. een feest,
                                    muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.</al><tussenkop> Artikel 2:25 Evenement</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren. 2. Het verbod geldt niet voor het
                                    organiseren van een evenement, dat aan elk van de volgende
                                    voorwaarden voldoet: a. het aantal aanwezigen bedraagt niet meer
                                    dan 100 personen; b. het evenement tussen 9.00 uur en 23.00 uur
                                    plaats vindt; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor
                                    07.00 uur en na 23.00 uur; d. het evenement niet plaatsvindt op
                                    de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een
                                    belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e.
                                    slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van
                                    minder dan 10m2 per object; f. de organisator stelt de
                                    burgemeester tenminste 10 werkdagen voorafgaand aan het
                                    evenement hiervan in kennis middels een digitale of
                                    schriftelijke melding. 3. De burgemeester kan nadere regels
                                    stellen in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid,
                                    volksgezondheid en het milieu. 4. De burgemeester kan binnen 14
                                    dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van
                                    een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien
                                    er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de openbare
                                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu
                                    in gevaar komt. 5. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor
                                    een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:26 Ordeverstoring</tussenkop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:27 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting:
                                    de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren
                                    of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
                                    Onder een openbare inrichting worden in ieder geval verstaan:
                                    een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                    discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting
                                    wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en
                                    andere aanhorigheden. b. terras: een buiten de besloten ruimte
                                    van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar
                                    sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                    vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor
                                    directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al><tussenkop> Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare
                                    inrichting</tussenkop><al>1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de
                                    vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of
                                    de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in
                                    artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of
                                    gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden
                                    aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de
                                    openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig wordt beïnvloed. 4. Bij de toepassing van de in het
                                    derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester
                                    rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de
                                    openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van
                                    de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu
                                    ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                    exploitatie. 5. Het eerste lid geldt niet voor een openbare
                                    inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van
                                    de winkelactiviteit. 6. De exploitant van een openbare
                                    inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem
                                    handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft,
                                    verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. 7. Voorts geldt het
                                    eerste lid niet voor een: a. openbare inrichting in
                                    zorginstellingen; b. openbare inrichting in musea; c.
                                    horeca-inrichting in scholen; d. horeca-inrichting in
                                    bedrijfskantines. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van
                                    de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking
                                    bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:29 Sluitingstijd</tussenkop><al>1. Het is de exploitant van een openbare inrichting verboden dit
                                    voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te
                                    laten of te laten verblijven: a. Voor een openbare inrichting
                                    waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat
                                    eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse
                                    worden verstrekt op zondag tot en met zaterdag tussen 03.00 en
                                    06.00 uur; b. Voor de overige openbare inrichtingen op zondag
                                    tot en met zaterdag tussen 02.00 en 05.00 uur. 2. De
                                    burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke
                                    openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 3. De
                                    burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4.
                                    Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vijfde
                                    lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het
                                    in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover op de
                                    Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.
                                    6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                                    sluiting</tussenkop><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                    omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                    bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al><tussenkop> Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten openbare
                                    inrichting</tussenkop><al>Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te
                                    bevinden gedurende de tijd dat de openbare inrichting krachtens
                                    artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen
                                    besluit gesloten dient te zijn.</al><tussenkop> Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</tussenkop><al>1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar
                                    als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur
                                    op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht. 2. De exploitant van een openbare inrichting laat
                                    niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in
                                    dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                    wijze overdraagt.</al><tussenkop> Artikel 2:33 Ordeverstoring</tussenkop><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te
                                    verstoren.</al><tussenkop> Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                    gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                    Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan
                                    voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als
                                bedoeld in de Drank- en Horecawet</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:34a Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank,
                                    - horecabedrijf, - horecalocaliteit, - inrichting, -
                                    paracommerciële rechtspersoon, - sterke drank, - slijtersbedrijf
                                    en - zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt
                                    verstaan in de Drank- en Horecawet.</al><tussenkop> Artikel 2:34b Regulering paracommerciële
                                    rechtspersonen</tussenkop><al>1. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend verstrekken, dagelijks van 12.00 uur tot 23.00 uur.
                                    2. Indien er bij paracommerciële rechtspersonen die zich richten
                                    op activiteiten van sportieve aard verenigings- of
                                    wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen tijdens het
                                    laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in het eerste
                                    lid genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële
                                    rechtspersonen toegestaan, in aanvulling op de schenktijden
                                    genoemd in het eerste lid, alcoholhoudende drank te verstrekken
                                    tot één uur na beëindiging van deze activiteiten, maar niet
                                    later dan 01.00 uur. 3. Overige paracommerciële rechtspersonen
                                    verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de
                                    periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende met
                                    één uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de
                                    statutaire doelomschrijving van de desbetreffende
                                    paracommerciële rechtspersoon. 4. Paracommerciële rechtspersonen
                                    verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van
                                    persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen
                                    die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de
                                    desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt
                                    tot oneerlijke mededinging.</al><tussenkop> Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en
                                    slijtersbedrijven</tussenkop><al>De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de
                                    openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de
                                    volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van
                                    de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning
                                    beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende
                                    drank.</al><tussenkop> Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden</tussenkop><al>(gereserveerd, niet van toepassing)</al><tussenkop> Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan
                                    slijtersbedrijven</tussenkop><al>(gereserveerd, niet van toepassing)</al><tussenkop> Artikel 2:34f Verbod happy hours</tussenkop><al>Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de
                                    openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om
                                    niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter
                                    plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of
                                    korter lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende
                                    horecalokaliteit op of het desbetreffende terras gewoonlijk
                                    wordt gevraagd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder de inrichting: elke al dan
                                    niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of
                                    bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                    gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.</al><tussenkop> Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</tussenkop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                    exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                    verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis
                                    te geven aan de burgemeester.</al><tussenkop> Artikel 2:37 Nachtregister</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</tussenkop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk
                                    leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid
                                    naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats,
                                    betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te
                                    verstrekken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:39 Speelgelegenheden.</tussenkop><al>1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een
                                    voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig
                                    of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid
                                    wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.
                                    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen
                                    waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b van de
                                    Wet op de kansspelen vergunning is verleend; b.
                                    speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                    Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                    verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
                                    geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                    op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten
                                    als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de
                                    vergunning: a. Indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen
                                    dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                    speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de
                                    speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de
                                    speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
                                    4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:40 Speelautomaten</tussenkop><al>(vervallen; opgenomen in de Speelautomatenverordening)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><al>1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.
                                    Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek
                                    toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
                                    3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                    de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al><tussenkop> Artikel 2:42 Plakken en kladden</tussenkop><al>1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke
                                    toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op
                                    dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
                                    zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift,
                                    afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, of
                                    op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met
                                    kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding,
                                    letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.
                                    Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4 Het college
                                    kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de
                                    aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                                    handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor
                                    het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen
                                    betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is
                                    verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste
                                    vordering terstond ter inzage af te geven.</al><tussenkop> Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of
                                    bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap. 2. Dit verbod is niet van
                                    toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet
                                    zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden
                                    in artikel 2:42.</al><tussenkop> Artikel 2:44 Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen
                                    voor winkeldiefstal</tussenkop><al>1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij
                                    zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns
                                    of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan
                                    dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                    verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken,
                                    diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of heet maken
                                    van sporen te voorkomen. 2. Het is verboden op een openbare
                                    plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te
                                    hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het
                                    plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 3. Het in het
                                    eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al><tussenkop> Artikel 2:44a Verbod op het vervoeren van geprepareerde
                                    voorwerpen</tussenkop><al>1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is
                                    niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                                    dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in
                                    dat lid bedoelde handelingen.</al><tussenkop> Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich,
                                    zonder ontheffing van het college, te bevinden in of op bij de
                                    gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                    plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                    gelegen wegen of paden. 2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</tussenkop><al>1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist. 2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijswaterstaatswerken
                                    of de provinciale verordening wegen.</al><tussenkop> Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</tussenkop><al>1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich
                                    te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie,
                                    openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                    afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                    straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan
                                    andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats
                                    gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. 2. Het
                                    verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek
                                    van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><tussenkop> Artikel 2:47a Verplichte route</tussenkop><al>1. Het is door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                    verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem
                                    aangewezen route af te wijken. 2. De burgemeester kan ontheffing
                                    verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Op de
                                    ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</tussenkop><al>1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet
                                    van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een
                                    horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en
                                    Horecawet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als
                                    bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                    35 van de Drank- en Horecawet.</al><tussenkop> Artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik</tussenkop><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben indien daardoor aan
                                    andere gebruikers of bewoners van nabij gelegen woningen
                                    overlast of hinder wordt veroorzaakt of een gerechtvaardigde
                                    vrees daarvoor is.</al><tussenkop> Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>1. Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek
                                    of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen
                                    een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te
                                    liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van
                                    flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke
                                    meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk
                                    zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al><tussenkop> Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</tussenkop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                    hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                    toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te
                                    gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is
                                    bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen:
                                    portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar
                                    vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.</al><tussenkop> Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</tussenkop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een
                                    bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een
                                    raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de
                                    ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de
                                    uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of
                                    dat portiek; of b. daardoor die ingang versperd wordt.</al><tussenkop> Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    kermisterrein e.d.</tussenkop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                    burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                    bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                    terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                    plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod
                                    kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><tussenkop> Artikel 2:53 Bespieden van personen</tussenkop><al>1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel
                                    een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                    kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                    gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of
                                    enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen
                                    of woonschip bevindende persoon te bespieden.</al><tussenkop> Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:56 Alarminstallaties</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:57 Loslopende honden</tussenkop><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                    te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom
                                    op de weg en buiten de bebouwde kom op verharde openbare wegen
                                    zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek
                                    toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
                                    kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door
                                    het college aangewezen plaats; c. op de weg zonder voorzien te
                                    zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de
                                    eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het verbod genoemd
                                    in het eerste lid aanhef en onder a is niet van toepassing op
                                    door het college aangewezen plaatsen. 3. De verboden in het
                                    eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op de
                                    eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat
                                    begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.</al><tussenkop> Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft
                                    is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het bepaalde in het eerste
                                    lid is niet van toepassing op door het college aangewezen
                                    plaatsen. 3. De eigenaar of houder van een hond of degene aan
                                    wiens zorg een hond kennelijk is toevertrouwd is verplicht,
                                    indien hij zich met een hond op de weg bevindt, een zakje of
                                    schepje bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering
                                    van de uitwerpselen. 4. De eigenaar of houder van een hond of
                                    degene aan wiens zorg een hond kennelijk is toevertrouwd is
                                    verplicht dit zakje of schepje op de eerste vordering te laten
                                    zien aan de toezichthoudende ambtenaar. 5. Het eerste, derde en
                                    vierde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van
                                    een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                    sociale hulphond laat begeleiden. 6. Degene die het in het derde
                                    en vierde lid genoemde gebod overtreedt, is strafbaar.</al><tussenkop> Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod
                                    houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond
                                    aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van
                                    hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een
                                    muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de
                                    hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is
                                    van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b.
                                    door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan
                                    bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe
                                    opening van de bek toelaat en er geen scherpe delen binnen de
                                    korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel
                                    2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het
                                    eerste lid voorzien te zijn van een door de minister op aanvraag
                                    verstrekt uniek identificatienummer door middel van een
                                    microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al><tussenkop> Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</tussenkop><al>1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.
                                    aanwezig te hebben; of b. aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit
                                    gestelde regels; of c. aanwezig te hebben in een groter aantal
                                    dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. 2. Het
                                    college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:61 Wilde dieren</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 2:62 Loslopend vee</tussenkop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                    (vee) die zich bevinden in een weiland of terrein dat niet van
                                    de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen
                                    worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al><tussenkop> Artikel 2:63 Duiven</tussenkop><al>1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat
                                    die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur
                                    in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1
                                    maart en 1 juni. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het
                                    in het eerste lid gesteld gebod. 3. Het in het eerste lid
                                    bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening. 4. Op de
                                    ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:64 Bijen</tussenkop><al>1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30
                                    meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen
                                    verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.
                                    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te
                                    voorkomen. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a,
                                    is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is
                                    op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4 Het verbod in
                                    het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de provinciale verordening
                                    wegen. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod ontheffing verlenen. 6. Op de ontheffing is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:65 Bedelarij</tussenkop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of
                                    aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te
                                    bedelen om geld of andere zaken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                                goederen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:66 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Handelaar: de
                                    handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van
                                    bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafrecht; b. Verkoopregister: het aantekening houden van het
                                    verkopen of op andere wijzen overdragen van alle gebruikte en
                                    ongeregelde goederen door de handelaar. </al><tussenkop> Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister</tussenkop><al>1. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht
                                    aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen
                                    die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een
                                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                                    register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer
                                    van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van
                                    verkoop van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat
                                    mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; d. de
                                    verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
                                    e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
                                    2. De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorie van
                                    goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde
                                    verplichting. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van
                                    het Wetboek van Strafrecht</tussenkop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.
                                    wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter,
                                    tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of
                                    de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis
                                    te stellen dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt,
                                    waarbij hij tevens schriftelijk opgave doet van zijn woonadres
                                    en van het volledig adres van elke lokaliteit welke door hem ten
                                    behoeve van zijn onderneming in gebruik is genomen; b. de onder
                                    a bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn register(s)
                                    onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk
                                    in kennis te stellen van een bij hem ten behoeve van zijn
                                    onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; c. aan de hoofdingang
                                    van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken
                                    te hebben aangebracht waarop zijn naam en de aard van de
                                    onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld; d. indien hij in
                                    de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs
                                    kan worden vermoed dat het van enig misdrijf afkomstig is of
                                    voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld
                                    kennis te geven aan de onder a bedoelde ambtenaar; e. wanneer
                                    hij is opgehouden met het opkopen van goederen een beroep of
                                    gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet
                                    langer uitoefent, de onder a bedoelde ambtenaar hiervan
                                    onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in
                                    kennis te stellen.</al><tussenkop> Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                    goederen</tussenkop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden
                                    enig door opkoop verkregen goed gedurende vijf werkdagen dat het
                                    onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige
                                    wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging niet van invloed
                                    is op de herkenbaarheid van het goed.</al><tussenkop> Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</tussenkop><al>(vervallen; opgenomen in artikel 2:32)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 13. Vuurwerk</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:71 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                    Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002,
                                    houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                    professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><tussenkop> Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                    tijdens de verkoopdagen</tussenkop><al>1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college. 2. Op de vergunning is paragraaf
                                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</tussenkop><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door
                                    het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade
                                    of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden
                                    consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat
                                    gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden
                                    bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                    onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13a</nr><titel>Carbid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:73a Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a. bus: een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee
                                    gelijk te stellen voorwerp;</al><al>b. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden
                                    van acetyleengas afkosmtig van een reactie tussen carbid
                                    (calciumcetylide) en water of gasmengsels met vergelijkbare
                                    eigenschappen.</al><tussenkop> Artikel 2:73b Verbod carbidschieten</tussenkop><al>1. Carbidschieten binnen de bebouwde kom in de openlucht is
                                    verboden.</al><al>2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet
                                    milieubeheer, de Wet Wapens en Munitie, of het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing zijn.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:74 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op
                                    een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om
                                    middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of
                                    daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
                                    leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
                                    zijn of daarin te bemiddelen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van
                                    door hem aangewezen groepen van personen op een door hem
                                    aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel
                                    2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:19a, 2:23, 2:23a, 2:47, 2:47a,
                                    2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en 5:34 groepsgewijs niet naleven.</al><tussenkop> Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                    Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de
                                    aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het
                                    ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
                                    voor publiek openstaande gebouwen en daarbij bijhorende erven,
                                    aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><tussenkop> Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vast camera’s voor
                                    een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats. </al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                            e.d.</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich
                                    beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen
                                    met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich
                                    beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen
                                    met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het
                                    publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of
                                    in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                    worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard
                                    plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval
                                    verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een
                                    parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen
                                    een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                    elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van
                                    personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang
                                    alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een
                                    andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e.
                                    sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                    waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard
                                    aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f.
                                    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon
                                    of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                    exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging
                                    van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
                                    persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of
                                    personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan
                                    wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h.
                                    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                    uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de
                                    prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                    is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                    6:2 van deze verordening, alsmede de opsporingsambtenaren als
                                    bedoeld in artikel 6:2a van deze verordening; 6. andere personen
                                    wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen
                                    noodzakelijk is.</al><tussenkop> Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan:
                                    het college of, voor zover het betreft voor het publiek
                                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in
                                    artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><tussenkop> Artikel 3:3 Nadere regels</tussenkop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het
                                    college over de uitoefening de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                    hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:4 Seksinrichtingen</tussenkop><al>1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan. 2. In de aanvraag om vergunning en in de
                                    vergunning wordt in ieder geval vermeld: a de persoonsgegevens
                                    van de exploitant; b de persoonsgegevens van de beheerder; c. de
                                    aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; d. de locatie
                                    van de inrichting; e. het aantal werkzame prostituees; f. een
                                    bewijs van inschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van
                                    Koophandel; g. een nauwkeurige plattegrondtekening van de
                                    inrichting, schaal tenminste 1:100 met vermelding van de
                                    oppervlakte van de verschillende ruimten in m2; h. een
                                    verklaring en het rapport van de GGD dat de seksinrichting,
                                    zijnde een prostitutiebedrijf of een parenclub, al dan niet in
                                    combinatie met elkaar, dan wel met een seksbioscoop,
                                    seksautomatenhal of sekstheater, voldoet aan de vereisten zoals
                                    gesteld in de door het bevoegd bestuursorgaan vastgestelde
                                    beleidsregeling in verband met de in artikel 3:13, tweede lid
                                    onder d, f en g genoemde belangen. 3. Op de vergunning is
                                    paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al><tussenkop> Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>1. De exploitant en de beheerder: a. staat niet onder curatele
                                    en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is
                                    niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de
                                    leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de gestelde
                                    eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:
                                    a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                    Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                    toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
                                    beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar
                                    onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in
                                    Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en
                                    Sint- Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door
                                    een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                    recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                    eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.
                                    binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1.
                                    bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2.
                                    de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; 3.
                                    de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 4.
                                    de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen; 5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                    weerkorpsen; 6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                    munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid
                                    wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom
                                    als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek
                                    van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene
                                    wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan €
                                    375,- bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                    voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in
                                    het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning
                                    teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van
                                    de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning
                                    teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze
                                    vergunning. 5. De exploitant of de beheerder is binnen de
                                    laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
                                    seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand
                                    door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                    vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken,
                                    tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.</al><tussenkop> Artikel 3:6 Sluitingstijden</tussenkop><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 02.00 en 05.00 uur. 2. Het bevoegd orgaan kan door middel
                                    van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een
                                    afzonderlijke seksinrichting andere, ten opzichte van het eerste
                                    lid meer beperkende, sluitingstijden vaststellen. 3. Het is
                                    bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn. 4. Het eerste tot en met derde lid
                                    zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al><tussenkop> Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                    (tijdelijke) sluiting</tussenkop><al>1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere
                                    dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende
                                    sluitingsuren vaststellen; b. van een afzonderlijke
                                    seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of
                                    algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het bepaalde in
                                    artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het
                                    bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit
                                    openbaar bekend op de voet van artikel 3:42 tweede lid van de
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop> Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</tussenkop><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe
                                    te zien dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten
                                    plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de
                                    titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen
                                    de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                                    XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht,
                                    in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen
                                    prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                    bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al><tussenkop> Artikel 3:9 Straatprostitutie</tussenkop><al>1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                    op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te
                                    lokken: a. op of aan andere dan door het college aangewezen
                                    wegen of gebieden; b. gedurende andere dan door het college
                                    vastgestelde tijden. 2. Met het oog op de naleving van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen. 3. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen
                                    die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste
                                    lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                    richting te verwijderen. 4. De burgemeester kan met het oog op
                                    de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede
                                    lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven
                                    als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een
                                    bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer,
                                    te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden
                                    bedoeld in het eerste lid onder b. 5. De burgemeester beperkt
                                    het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met
                                    de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
                                    6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al><tussenkop> Artikel 3:10 Sekswinkels</tussenkop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang
                                    van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen
                                    gebieden of delen van de gemeente.</al><tussenkop> Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</tussenkop><al>1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                    daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte
                                    of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd
                                    bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de
                                    wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
                                    openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b.
                                    anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                    het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is
                                    niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte
                                    of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het
                                    openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, van de Grondwet.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:12 Beslissingstermijn</tussenkop><al>1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegd
                                    bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken
                                    verdagen.</al><tussenkop> Artikel 3:13 Weigeringsgronden</tussenkop><al>1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet
                                    aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; b. de vestiging of de
                                    exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd
                                    is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                    leefmilieuverordening; c. er aanwijzingen zijn dat in de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of
                                    zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van
                                    Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                    vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2. Voor
                                    seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan,
                                    onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld
                                    in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                    achterwege worden gelaten, in het belang van: a. de openbare
                                    orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het
                                    voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de
                                    verkeersvrijheid of -veiligheid; f. de gezondheid of
                                    zedelijkheid; g. de arbeidsomstandigheden van de
                                    prostituee.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</tussenkop><al>1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
                                    2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                    exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al><tussenkop> Artikel 3:15 Wijziging beheer</tussenkop><al>1. Indien een beheerder het beheer in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant
                                    daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het
                                    beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.
                                    Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het
                                    tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe
                                    beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                    besloten.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Besluit
                                    algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting:
                                    inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c.
                                    houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                    bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
                                    d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                    één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e.
                                    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden
                                    is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. geluidsgevoelige
                                    gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de
                                    Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen
                                    met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                                    inrichting; g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op
                                    grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt
                                    als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                    behorende bij de betreffende inrichting; h. onversterkte muziek:
                                    muziek die niet elektronisch is versterkt.</al><tussenkop> Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</tussenkop><al>1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                    2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden
                                    niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de
                                    verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht
                                    als bedoeld in artikel 4.148, eerste lid, van het Besluit gelden
                                    niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het
                                    eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de
                                    aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen:
                                    Alphen, Chaam, Galder, Strijbeek, Ulvenhout AC en Bavel AC. 4.
                                    Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Het college kan
                                    wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te
                                    voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                    festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het
                                    equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting,
                                    bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van
                                    gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De
                                    geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste
                                    lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de
                                    geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om
                                    2.00 uur te worden beëindigd. 9. De aanwijzing van de
                                    collectieve festiviteiten geldt uitsluitend voor horeca-, sport-
                                    en recreatie-inrichtingen.</al><tussenkop> Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><al>1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee
                                    weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                    kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om
                                    tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar
                                    de verlichting langer aan te houden ten behoeve van
                                    sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het
                                    Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting
                                    ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het
                                    college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt
                                    een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De
                                    kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De
                                    kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq
                                    veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 75 dB(A),
                                    gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5
                                    meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is
                                    inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag
                                    vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie
                                    buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het
                                    eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger
                                    dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                    2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening –
                                    uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd. 9. De geluidsnorm als
                                    bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de
                                    inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Het aantal
                                    incidentele activiteiten wordt zodanig vastgesteld dat het
                                    aantal collectieve en incidentele festiviteiten samen per
                                    inrichting niet meer dan 12 per kalenderjaar bedraagt. 11. Bij
                                    het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren
                                    gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen
                                    of goederen.</al><tussenkop> Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 4:5 Onversterkte muziek</tussenkop><al>1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                    bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van
                                    het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel
                                    van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel
                                    aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen
                                    niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                    toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
                                    uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven
                                    waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de
                                    grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige
                                    gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in
                                    geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen
                                    van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen
                                    bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; e. Tabel</al><al>Meting 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur
                                    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40
                                    dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30
                                    dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A)
                                    65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
                                    55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 2. Voor de duur van 10 uur in de week
                                    is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door
                                    muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en
                                    fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en
                                    avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het
                                    eerste lid. 3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd
                                    met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd
                                    als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 4. Het
                                    eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze
                                    verordening van toepassing is.</al><tussenkop> Artikel 4:6 Overige geluidhinder</tussenkop><al>1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op zodanige wijze toestellen of
                                    geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het
                                    verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                                    Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. 4. Op de
                                    vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 4:6a (Geluid)hinder in de openlucht</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 4:6b (Geluid)hinder door dieren</tussenkop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                    veroorzaakt.</al><tussenkop> Artikel 4:6c (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</tussenkop><al>Het is verboden zich buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te
                                    gedragen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                    omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Bodem-,weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:7 Straatvegen</tussenkop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                    werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                    weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                    laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al><tussenkop> Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats
                                    zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde
                                    plaatsen.</al><tussenkop> Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                    openbare riolen en putten buiten gebouwen</tussenkop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten
                                    buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die
                                    gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of
                                    hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:10 Begripsbepalingen</tussenkop><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. boom: een houtig
                                    opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een stamdiameter
                                    van minimaal 30 cm gemeten op 130 cm hoogte boven het maaiveld.
                                    In geval van meerstammigheid geldt de stamdiameter van de dikste
                                    stam. In afwijking van deze minimale stamdiameter van 30 cm
                                    geldt geen minimale stamdiameter indien het bomen zijn in
                                    gemeentelijke Hoofdgroenstructuren en indien het bomen zijn,
                                    aangelegd op grond van de artikelen 4:11 onder d en 4:11 onder e
                                    en bij bomen als bedoeld in artikel 4:11 onder g van deze
                                    verordening; b. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers of
                                    houtwal of hakhout of ander houtachtig gewas; c.
                                    hoofdgroenstructuur: houtopstanden die in gemeentelijk beleid
                                    zijn aangewezen als bijzondere structuur; d. vellen: rooien;
                                    kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de
                                    kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het
                                    verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de
                                    dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom
                                    ten gevolge kunnen hebben; e. dunning: een velling uitsluitend
                                    bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van
                                    overblijvende bomen; f. boomwaarde: de monetaire waarde van een
                                    boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van
                                    Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; g.
                                    bomeneffectanalyse: een beoordeling van de gevolgen van
                                    voorgenomen bouw of aanleg voor een boom; h.
                                    Bomencompensatiefonds: fonds met daarin gelden die bestemd zijn
                                    voor het herplanten van bomen; i. bebouwde kom: in afwijking van
                                    artikel 1:1 onder d wordt in deze afdeling bedoeld de bebouwde
                                    kom vastgesteld in het kader van artikel 1 lid 5 Boswet; j.
                                    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 lid 1,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; k. college:
                                    college van burgemeester en wethouders gemeente Alphen-
                                    Chaam.</al><tussenkop> Artikel 4:11 Kapverbod</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen
                                    te vellen of te doen vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod geldt niet voor bomen die staan rondom agrarische
                                    bedrijven en bomen in zij-, voor- en achtertuinen van
                                    particulieren met uitzondering van: a. leibomen of knotbomen; b.
                                    esdoorn, paardenkastanje, haagbeuk, tamme kastanje, beuk,
                                    plataan, linde, iep, meidoorn, Chinese moerascipres en eik. 3.
                                    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.
                                    Amerikaanse eik; b. bomen die moeten worden geveld krachtens de
                                    Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd
                                    gezag; c. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van
                                    het reguliere onderhoud; d. het periodiek scheren, knotten of
                                    kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter
                                    uitvoering van het reguliere onderhoud; e. het verrichten van
                                    snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; f.
                                    dunning van de bomen. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod
                                    geldt niet voor bomen behorend tot houtopstand als bedoeld in
                                    artikel 15 tweede en derde lid Boswet: a. wegbeplanting en
                                    eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor
                                    zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn
                                    geknot; b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; c.
                                    fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als
                                    kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                    terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die deel uitmaakt van
                                    als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen
                                    en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                    zelfstandige eenheid vormt die: • ofwel geen grotere oppervlakte
                                    beslaat dan 10 are; • ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet
                                    meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 5. Het
                                    bevoegd gezag kan indien een boom direct gevaar oplevert die
                                    noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning
                                    voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo
                                    spoedig mogelijk bekend gemaakt.</al><tussenkop> Artikel 4:11a Criteria vergunning</tussenkop><al>1. Bevoegd gezag kan vergunning om te vellen als bedoeld in
                                    artikel 4:11 weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen
                                    verlenen. 2. In afwijking van artikel 4:11a eerste lid wordt de
                                    vergunning voor het vellen van een boom als bedoeld in artikel
                                    4:11 geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen
                                    tegen de belangen van behoud van de boom op basis van één of
                                    meer van de volgende waarden: a. de natuurwaarde; b. de
                                    landschappelijke waarde van de boom; c. de waarde van de boom
                                    voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde; e. de
                                    cultuurhistorische waarde; f. de waarde van de boom voor de
                                    leefbaarheid.</al><tussenkop> Artikel 4:11b Aanvraag</tussenkop><al>1. De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd
                                    worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van
                                    degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die
                                    krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de
                                    boom te beschikken.</al><tussenkop> Artikel 4:11c Beperking geldigheidsduur</tussenkop><al>1. De vergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening
                                    vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal drie jaar na het
                                    onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is
                                    gemaakt. 2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het
                                    vellen van meer dan één boom betreft, is de omgevingsvergunning
                                    voor alle te vellen bomenslechts drie jaar geldig, ook als in
                                    fasen geveld wordt of één of enkele boom al geveld is.</al><tussenkop> Artikel 4:11d Bijzondere voorschriften</tussenkop><al>1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften
                                    kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet
                                    worden herplant. 2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant,
                                    kan het voorschrift worden opgelegd dat een geldelijke bijdrage
                                    gestort dient te worden in het gemeentelijk
                                    Bomencompensatiefonds. 3. In het voorschrift als bedoeld in het
                                    eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de
                                    herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden
                                    vervangen. 4. Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te
                                    verbinden voorschriften, kan het voorschrift behoren dat pas tot
                                    vellen van de bomen op en bij bouw- en aanlegwerken of andere
                                    ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan
                                    indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of
                                    ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en
                                    de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende
                                    gewaarborgd is. 5. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in
                                    het eerste tot het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn
                                    rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al><tussenkop> Artikel 4:11e Herplant-/instandhoudingstermijn</tussenkop><al>1. Indien een boom waarop het verbod tot vellen van toepassing
                                    is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel
                                    op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de
                                    zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevond dan
                                    wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten
                                    overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door
                                    hen te stellen termijn. 2. Indien niet ter plaatse kan worden
                                    herplant wordt een financiële bijdrage gestort in het
                                    Bomencompensatiefonds. 3. Het bevoegd gezag kan de boomwaarde
                                    als uitgangspunt nemen voor het opleggen van een herplantplicht
                                    of financiële bijdrage aan het Bomencompensatiefonds. 4. Wordt
                                    een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan
                                    daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant
                                    en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden
                                    vervangen. 5. Indien een boom waarop het verbod tot vellen van
                                    toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan
                                    het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond
                                    waarop zich de boom bevindt dan wel aan degene die uit andere
                                    hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen om: a. overeenkomstig de door hen te geven
                                    aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                    voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen; b. een bomeneffectanalyse op te stellen en aan te
                                    bieden aan het bevoegd gezag. 6. Degene aan wie de verplichting
                                    als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is opgelegd,
                                    alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te
                                    voldoen.</al><tussenkop> Artikel 4:11f Schadevergoeding</tussenkop><al>Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij
                                    weigering van een vergunning tot vellen op grond van artikel 17
                                    van de Boswet.</al><tussenkop> Artikel 4:11g Afstand tot de erfgrenslijn</tussenkop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is
                                    vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen in
                                    gemeentelijk eigendom.</al><tussenkop> Artikel 4:11h Bestrijding van boomziekten</tussenkop><al>1. Indien zich op een terrein één of meer houtopstand bevinden
                                    die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van
                                    verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de
                                    ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien
                                    hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen
                                    de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand
                                    te vellen; b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde
                                    houtopstand direct zodanig de behandelen dat verspreiding van de
                                    boomziekte wordt voorkomen. 2. Het niet voldoen aan de in het
                                    eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de
                                    toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke
                                    werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene,
                                    door of namens de gemeente kunnen worden verricht.</al><tussenkop> Artikel 4:12 Bescherming gemeentelijke houtopstanden</tussenkop><al>Het is verboden om houtopstanden, die eigendom van de gemeente
                                    Alphen-Chaam zijn, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te
                                    beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of
                                    namens ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen
                                    boomverzorgende taak. Het is verboden om één of meer voorwerpen
                                    in of aan een houtopstand in eigendom van de gemeente
                                    Alphen-Chaam aan te brengen of anderszins te bevestigen via
                                    voorwerpen welke de bast beschadigen, hieronder te verstaan
                                    spijkers, punaises enz.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                    afvalstoffen enz.</tussenkop><al>1. Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg
                                    gelegen de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun
                                    oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of
                                    onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of
                                    onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel
                                    4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                    hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins
                                    voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelder of
                                    andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild
                                    gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten,
                                    afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de
                                    aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet
                                    ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale
                                    verordening.</al><tussenkop> Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van
                                    meststoffen</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                                    reclame</tussenkop><al>1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame
                                    te maken of te voeren door middel van een opschrift,
                                    aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt
                                    gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het
                                    eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer.</al><tussenkop> Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame</tussenkop><al>(vervallen)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een
                                    onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd
                                    of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt
                                    voor recreatief nachtverblijf.</al><tussenkop> Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                                    kampeerterreinen</tussenkop><al>1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het
                                    plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de
                                    rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing
                                    verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.
                                    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur
                                    en landschap; of b. de bescherming van een stadsgezicht. 5. Op
                                    de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</tussenkop><al>1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het
                                    college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de
                                    belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Parkeerexcessen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen
                                    als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens
                                    zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. b. parkeren:
                                    parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al><tussenkop> Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                    e.d.</tussenkop><al>1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                    lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                    personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit
                                    artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of
                                    onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer
                                    dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                    gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor
                                    persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3
                                    Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer
                                    voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te
                                    parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als
                                    middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats
                                    voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van
                                    het verbod verlenen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van dit
                                    verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                    eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                    langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                    parkeren.</al><tussenkop> Artikel 5:5 Voertuigwrakken</tussenkop><al>1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet
                                    van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al><tussenkop> Artikel 5 :6 Kampeermiddelen e.a.</tussenkop><al>1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan
                                    op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een
                                    door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te
                                    parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing
                                    verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde
                                    verbod. 3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de provinciale verordening
                                    wegen of de provinciale landschapsverordening. 4. Op de
                                    ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                    aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                    kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het
                                    college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Op de
                                    ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat,
                                    met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6
                                    meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar
                                    dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de
                                    verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3 Het in het tweede lid
                                    gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met
                                    vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het verbod in het
                                    tweede lid is voorts niet van toepassing op campers,
                                    kampeerauto’s, caravans en kampeerauto’s voor zover deze
                                    voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de
                                    weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan van de in
                                    het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
                                    6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                    voertuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al><tussenkop> Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</tussenkop><al>(vervallen)</al><tussenkop> Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                                    voertuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te
                                    doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod
                                    is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die
                                    worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
                                    en c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                    op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan
                                    van het verbod ontheffing verlenen. 4. Op de vergunning is
                                    paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</tussenkop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Collecteren</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe
                                    een intekenlijst aan te bieden. 2. Onder een inzameling van geld
                                    of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van
                                    goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
                                    stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van
                                    geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de
                                    indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                    liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3 Het verbod geldt niet
                                    voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4. Op
                                    de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Venten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:14 Begripsbepaling</tussenkop><al>1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2.
                                    Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van
                                    goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van
                                    zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b.
                                    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of artikel 5:22; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
                                    van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                    standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al><tussenkop> Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop><al>1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde,
                                    de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in
                                    gevaar komt. 2. Het college kan wegen of gedeelten daarvan
                                    aanwijzen waar het verboden is te venten. 3. Het college kan
                                    tijdstippen vaststellen waarop het verboden is te venten. 4. Het
                                    in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al><tussenkop> Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>(vervallen)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen
                                    plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats
                                    wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of
                                    markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                                    van de Gemeentewet; b. een vaste plaats op een evenement als
                                    bedoeld in artikel 2:24.</al><tussenkop> Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en
                                    weigeringsgronden</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de
                                    vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.
                                    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf
                                    hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                    redelijke welstand; b. indien als gevolg van bijzondere
                                    omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente
                                    redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de
                                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen
                                    een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                    gevaar komt. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                    daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                    ingenomen.</al><tussenkop> Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</tussenkop><al>1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                    provinciale verordening wegen. 2. De weigeringsgrond van artikel
                                    5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op
                                    bouwwerken.</al><tussenkop> Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</tussenkop><al>(vervallen)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5. Snuffelmarkten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:22 Begripsbepaling</tussenkop><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt
                                    in een voor het publiek toegankelijk gebouw of op een voor het
                                    publiek toegankelijke plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en
                                    incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                                    aangeboden vanaf een standplaats. 2. Onder een snuffelmarkt
                                    wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
                                    b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><tussenkop> Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod geldt niet voor
                                    ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend
                                    in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3.
                                    De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij
                                    niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6. Openbaar water</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar
                                    water</tussenkop><al>1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water. 2. Degene die voornemens is
                                    een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een
                                    permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het
                                    college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en
                                    contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard
                                    en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod in het eerste lid is
                                    niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
                                    Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Algemene verordening ondergrondse
                                    infrastructuren.</al><tussenkop> Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                                    vaartuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of
                                    te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                    stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                    orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
                                    van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal
                                    vaartuigen. 3 Het verbod in het eerste lid is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al><tussenkop> Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</tussenkop><al>1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente. 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht
                                    alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met
                                    betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                    ligplaats op te volgen. 3 Het verbod is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al><tussenkop> Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</tussenkop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of
                                    beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26,
                                    tweede lid bepaalde.</al><tussenkop> Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</tussenkop><al>1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                    aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer
                                    zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden,
                                    trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
                                    duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen,
                                    stootpalen, bakens of sluizen. 2. Het verbod is niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek
                                    van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of
                                    de Provinciale vaarwegenverordening.</al><tussenkop> Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</tussenkop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                    daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                    ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te
                                    maken.</al><tussenkop> Artikel 5:30 Veiligheid op het water</tussenkop><al>1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
                                    2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al><tussenkop> Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</tussenkop><al>1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan
                                    een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop
                                    of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die
                                    daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan
                                    een openbaar water, los te maken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:31a Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: - motorvoertuig: hetgeen
                                    daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - bromfiets:
                                    hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder
                                    e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al><tussenkop> Artikel 5:32 Crossterreinen</tussenkop><al>1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod van het eerste lid is
                                    niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.
                                    Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze
                                    terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van
                                    overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                    aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                    milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de
                                    deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                    ritten of van het publiek. 3 Het verbod in het eerste lid is
                                    niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                    Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie
                                    sportmotoren.</al><tussenkop> Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop><al>1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het
                                    college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                                    gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels
                                    stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. in
                                    het belang van het voorkomen van overlast; b. in het belang van
                                    de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c in het belang van
                                    de veiligheid van het publiek. 3 Het in het eerste lid gestelde
                                    verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen,
                                    fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en
                                    geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29,
                                    eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door
                                    de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met
                                    beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het
                                    eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken
                                    die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d.
                                    van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                    verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het in het
                                    eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen die
                                    gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of
                                    terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale
                                    verordening ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten
                                    aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                    zijn aangewezen als ‘toestel’. 5. Het college kan ontheffing
                                    verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6. Op de
                                    ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                    inrichtingen of anderszins vuur te stoken</tussenkop><al>1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het
                                    verbod geldt niet voor zover het betreft: a. verlichting door
                                    middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals
                                    terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden
                                    verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat
                                    geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.
                                    Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.
                                    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het
                                    verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 9. Verstrooiing van as</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele
                                    as-verstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op
                                    de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n)
                                    gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al><tussenkop> Artikel 5:36 Verboden plaatsen</tussenkop><al>1. Incidentele as-verstrooiing is verboden op: a. verharde delen
                                    van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en
                                    crematoriumterreinen. 2. Het college kan voor een bepaalde
                                    termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het
                                    eerste lid as-verstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op
                                    verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de as-bus op
                                    grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het
                                    verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                    begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4. Op de ontheffing is
                                    paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al><tussenkop> Artikel 5:37 Hinder of overlast</tussenkop><al>Incidentele as-verstrooiing is verboden indien daardoor hinder
                                    of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:1 Strafbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                                hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                                bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                                uitspraak: - artikelen 2:1 t/m 2:10, met uitzondering van artikel
                                2:10, vierde lid; - artikelen 2:12 t/m 2:31; - artikelen 2:33 t/m
                                2:46; - artikelen 2:51 t/m 2:62; - artikelen 2:64 t/m 2:69; -
                                artikelen 2:71 en 2:72; - artikel 2:74; - artikelen 3:1 t/m 4:9; en
                                - artikelen 4:12 t/m 5:37. 2. Overtreding van het bij of krachtens
                                de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4
                                daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een
                                geldboete van de eerste categorie: - artikel 2:32; - artikelen 2:47
                                t/m 2:50; - artikel 2:63; en - artikel 2:73.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:2 Toezichthouders</titel></kop><structuurtekst><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening in de zin van titel 5.2 van de Algemene wet
                                bestuursrecht zijn belast alle politieambtenaren van de Eenheid
                                Zeeland-West-Brabant en de daartoe bij besluit van het college of de
                                burgemeester aangewezen personen. 2. Voorts zijn met het toezicht op
                                de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening
                                belast de bij besluit van het college dan wel burgemeester aan te
                                wijzen personen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:2a Opsporingsambtenaren</titel></kop><structuurtekst><al>De opsporing van de in artikel 6:1 strafbaar gestelde feiten, naast
                                de in artikel 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                                opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college of de
                                burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn
                                belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing
                                zijn vermeld.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</titel></kop><structuurtekst><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                                van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                                voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                                veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                                personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder
                                toestemming van de bewoner.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:4 Intrekken oude verordening</titel></kop><structuurtekst><al>De Algemene plaatselijke verordening 2013 wordt ingetrokken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:5 Overgangsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                                eerste lid, die golden op moment van de inwerkingtreding van deze
                                verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstig besluiten
                                kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening treedt in werking op eerste dag na die waarop zij
                                is bekendgemaakt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 6:7 Citeertitel</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                                verordening 2015.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld op 18 december 2014</ondertekening><ondertekening>M.J.A. Luijben Mr. J.W.M.S. Minses </ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter</ondertekening><ondertekening>burgemeester</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>