<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>364831_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-15</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad, 02-01-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemeentewet/article=149">gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=drank-%20en%20horecawet/article=4">drank- en horecawet, art. 4 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankenrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Alphen-Chaam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 20 november 2014;</al><al>gelet op:
- Gemeentewet, artikel 149;
- Drank- en Horecawet, artikel 4;</al><al>besluit:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk id="vast-te-stellen-de-ldquo-algemene-plaatselijke-verordening-2015-rdquo-"><kop><titel>vast te stellen de “Algemene Plaatselijke Verordening 2015”</titel></kop><structuurtekst><al>
Inhoudsopgave</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 3
Hoofdstuk 2 Openbare orde 4
Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden 4
Afdeling 2. Betoging 5
Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken 5
Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg 5
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg 6
Afdeling 6. Veiligheid op de weg 7
Afdeling 6a. Verbod spelen om geld 9
Afdeling 7. Evenementen 9
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen 10
Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
Drank- en Horecawet 11
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf 12
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden 13
Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid 13
Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen 18
Afdeling 13. Vuurwerk 19
Afdeling 14. Drugsoverlast 20
Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
cameratoezicht op openbare plaatsen 20
Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. 20
Afdeling 1. Begripsbepalingen 20
Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke 21
Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden 24
Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer 24
Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en
zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente 25
Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting 25
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging 27
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden 28
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast 31
Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen 32
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
gemeente 32
Afdeling 1. Parkeerexcessen 32
Afdeling 2. Collecteren 34
Afdeling 3. Venten 35
Afdeling 4. Standplaatsen 35
Afdeling 5. Snuffelmarkten 36
Afdeling 6. Openbaar water 36
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
natuurgebieden 38
Afdeling 8. Verbod vuur te stoken 39
Afdeling 9. Verstrooiing van as 39
Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen 40</al><al>
 </al></structuurtekst><afdeling id="hoofdstuk-1-algemene-bepalingen"><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf id="artikel-1-1-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
daaronder wordt verstaan;
b. Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide
parkeerterreinen;
c. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of anderszins
toegankelijk zijn;
d. Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van
artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
e. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een
zakelijk of persoonlijk recht;
f. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond
verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om
ter plaatse te functioneren;
g. Gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder
wordt verstaan;
h. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
i. Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten
aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende
omgevingsvergunning;
j. College: het college van burgemeester en wethouders.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-2-beslistermijn"><kop><titel>Artikel 1:2 Beslistermijn</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of
ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een
vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of 4:11 van
deze verordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-3-indiening-aanvraag"><kop><titel>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder
dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing
nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten
hoogste acht weken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-4-voorschriften-en-beperkingen"><kop><titel>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen
voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en
beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de
belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is
verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
komen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-5-persoonlijk-karakter-van-vergunning-of-ontheffing"><kop><titel>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><structuurtekst><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-6-intrekking-of-wijziging-van-vergunning-of-ontheffing"><kop><titel>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><structuurtekst><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn
verstrekt;
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of
wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming
waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een
daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen
een redelijke termijn;
e. indien de houder dit verzoekt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-7-termijnen"><kop><titel>Artikel 1:7 Termijnen</titel></kop><structuurtekst><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-1-8-weigeringsgronden"><kop><titel>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</titel></kop><structuurtekst><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling id="hoofdstuk-2-openbare-orde"><kop><titel>Hoofdstuk 2 Openbare orde</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</al></structuurtekst><paragraaf id="artikel-2-1-samenscholing-en-ongeregeldheden"><kop><titel>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing,
onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
ongeregeldheden.
2. Degene die op een openbare plaats
a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen
te ontstaan;
b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek
waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die
door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of
ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde
verbod.
5. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen,
vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als
bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Afdeling 2. Betoging</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-2-optochten"><kop><titel>Artikel 2:2 Optochten</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-3-kennisgeving-betogingen-op-openbare-plaatsen"><kop><titel>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden,
waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de
Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten
minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden, schriftelijk kennis aan
de burgemeester.
2. De kennisgeving bevat:
a. naam en adres van degene die de betoging houdt;
b. het doel van de betoging;
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang
en van beëindiging;
d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
beëindiging;
e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
regelmatig verloop te bevorderen.
3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip
van de kennisgeving is vermeld.
4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00
uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de
kennisgeving gedaan uiterlijk vóór 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
voorafgaande werkdag.
5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving
in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-4-afwijking-termijn"><kop><titel>Artikel 2:4 Afwijking termijn</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen, opgenomen in artikel 2:3)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-5-te-verstrekken-gegevens"><kop><titel>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen, opgenomen in artikel 2:3)</al><al>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
afbeeldingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder
publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college
aangewezen openbare plaatsen.
2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen
van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-7-feest-muziek-en-wedstrijd-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-8-dienstverlening"><kop><titel>Artikel 2:8 Dienstverlening</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-9-straatartiest"><kop><titel>Artikel 2:9 Straatartiest</titel></kop><structuurtekst><al>1 Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf,
tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het
belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het
milieu aangewezen openbare plaatsen.
2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en
uren.
3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-10-voorwerpen-of-stoffen-op-aan-of-boven-de-weg"><kop><titel>Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde
bestuursorgaan de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te
gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
a. evenementen als bedoeld in artikel 2:25;
b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;
c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
geopenbaard.
3. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen mits
wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde en aan de nadere regels uit hoofde
van het zesde lid:
a. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 sub b, tenzij het een locatie of
horecabedrijf betreft die is aangegeven op de nader door het college vast
te stellen kaart;
b. uitstallingen;
c. bouwobjecten;
d. reclameborden;
e. plantenbakken en banken;
f. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.
4. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste
lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2,
eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5. Degene die voornemens is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan uiterlijk 10
werkdagen tevoren een melding aan het college.
6. Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën genoemd in
lid 3.
7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situatie waarin wordt
voorzien door de Wet beheer rijswaterstaatswerken, artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale verordening wegen.
8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen
van een weg</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een
weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of
te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins
verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend:
a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten
zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening,
exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b. door het college in de overige gevallen.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien door of in
opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden
verricht.
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, de
Waterschapskeur, de provinciale verordening wegen, de Telecommunicatiewet of
de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren.
5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-12-maken-veranderen-van-een-uitweg"><kop><titel>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de
weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2 Het college kan categorieën van uitwegen aanwijzen waarvoor het verbod van het
eerste lid niet geldt.
3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan, onverminderd het bepaalde in
artikel 1:8, worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg;
b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.
4 Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of de
provinciale verordening wegen.
5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Afdeling 6. Veiligheid op de weg</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-13-veroorzaken-van-gladheid"><kop><titel>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-14-winkelwagentjes"><kop><titel>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</titel></kop><structuurtekst><al>1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede
ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te
voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de
omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten
winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van
toepassing is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-15-hinderlijke-beplanting-of-voorwerp"><kop><titel>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
zodanige wijze dat dit de veiligheid van de weggebruiker in gevaar brengt of
hinder oplevert voor het normale gebruik van de weg.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-16-openen-straatkolken-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-17-kelderingangen-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-18-rookverbod-in-bossen-en-natuurterreinen"><kop><titel>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in
duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door
het college aangewezen periode.
2 Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of
binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht
betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te
laten liggen.
3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde
in artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht van
toepassing is.
4 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken
plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-19-gevaarlijk-of-hinderlijk-voorwerp"><kop><titel>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers
bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
meter boven dat gedeelte van de weg.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit
de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
afscheiding zijn aangebracht.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de
Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-19a-gevaarlijke-voorwerpen"><kop><titel>Artikel 2:19a Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor
het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens
of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te
dragen.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de
categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich
dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt
of kan komen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-20-vallende-voorwerpen"><kop><titel>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-21-voorzieningen-voor-verkeer-en-verlichting"><kop><titel>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><structuurtekst><al>1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat
bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of
de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
verwijderd.
2 Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-22-objecten-onder-hoogspanningslijn"><kop><titel>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-23-veiligheid-op-het-ijs"><kop><titel>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden:
a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen,
te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
of in gevaar te brengen;
b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op
de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of
te belemmeren.
2 Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
Vaarwegenverordening.</al><al>Afdeling 6a Verbod spelen om geld</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-23a-verbod-spelen-om-geld"><kop><titel>Artikel 2:23a Verbod spelen om geld</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden om op of aan de weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen, om geld, geldwaardige papieren en/of goederen te spelen.</al><al>Afdeling 7. Evenementen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-24-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 2:24 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke
verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid
geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.
2 Onder evenement wordt mede verstaan:
a. een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie;
c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze
verordening, op de weg;
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-25-evenement"><kop><titel>Artikel 2:25 Evenement</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te
organiseren.
2. Het verbod geldt niet voor het organiseren van een evenement, dat aan elk van
de volgende voorwaarden voldoet:
a. het aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 100 personen;
b. het evenement tussen 9.00 uur en 23.00 uur plaats vindt;
c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur en na 23.00 uur;
d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of
parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de
hulpdiensten;
e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder
dan 10m2 per object;
f. de organisator stelt de burgemeester tenminste 10 werkdagen voorafgaand
aan het evenement hiervan in kennis middels een digitale of schriftelijke
melding.
3. De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
openbare veiligheid, volksgezondheid en het milieu.
4. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten het
organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien
er aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de openbare orde, de
openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor
zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van
de Wegenverkeerswet 1994.
6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-26-ordeverstoring"><kop><titel>Artikel 2:26 Ordeverstoring</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-27-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt
of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie
worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting worden in ieder geval
verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit
bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
b. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de
openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar
tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe
consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-28-exploitatievergunning-openbare-inrichting"><kop><titel>Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de
burgemeester.
2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de
vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend
bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning
geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden
aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de openbare
inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de
burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de
openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare
inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
bloot zal komen te staan door de exploitatie.
5. Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in
artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van
de winkelactiviteit.
6. De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een
voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op
enig andere wijze overdraagt.
7. Voorts geldt het eerste lid niet voor een:
a. openbare inrichting in zorginstellingen;
b. openbare inrichting in musea;
c. horeca-inrichting in scholen;
d. horeca-inrichting in bedrijfskantines.
8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-29-sluitingstijd"><kop><titel>Artikel 2:29 Sluitingstijd</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is de exploitant van een openbare inrichting verboden dit voor bezoekers
geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
a. Voor een openbare inrichting waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel
van een automaat eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter
plaatse worden verstrekt op zondag tot en met zaterdag tussen 03.00 en
06.00 uur;
b. Voor de overige openbare inrichtingen op zondag tot en met zaterdag
tussen 02.00 en 05.00 uur.
2. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere
sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een
daartoe behorend terras.
3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid gelden dezelfde
sluitingstijden als voor de winkel.
5. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover op de Wet
milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-30-afwijking-sluitingstijden-tijdelijke-sluiting"><kop><titel>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><structuurtekst><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of
gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer
openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
bevelen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de
Opiumwet voorziet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-31-aanwezigheid-in-gesloten-openbare-inrichting"><kop><titel>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</titel></kop><structuurtekst><al>Het is bezoekers verboden zich in een openbare inrichting te bevinden gedurende de tijd dat de openbare inrichting krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-32-handel-binnen-openbare-inrichtingen"><kop><titel>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel
1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid,
van het Wetboek van Strafrecht.
2. De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een
voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op
enig andere wijze overdraagt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-33-ordeverstoring"><kop><titel>Artikel 2:33 Ordeverstoring</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34-het-college-als-bevoegd-bestuursorgaan"><kop><titel>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><structuurtekst><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30.</al><al>Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in
de Drank- en Horecawet</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34a-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 2:34a Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:
- alcoholhoudende drank,
- horecabedrijf,
- horecalocaliteit,
- inrichting,
- paracommerciële rechtspersoon,
- sterke drank,
- slijtersbedrijf en
- zwak-alcoholhoudende drank,
dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34b-regulering-paracommerciele-rechtspersonen"><kop><titel>Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Een paracommerciële rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend
verstrekken, dagelijks van 12.00 uur tot 23.00 uur.
2. Indien er bij paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van
sportieve aard verenigings- of wedstrijdactiviteiten plaatsvinden die eindigen
tijdens het laatste uur vóór het verlopen of na afloop van de in het eerste lid
genoemde schenktijden, is het deze paracommerciële rechtspersonen toegestaan,
in aanvulling op de schenktijden genoemd in het eerste lid, alcoholhoudende
drank te verstrekken tot één uur na beëindiging van deze activiteiten, maar niet
later dan 01.00 uur.
3. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende
drank gedurende de periode beginnende met één uur voor aanvang en eindigende
met één uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire
doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.
4. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens
bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op
personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34c-beperkingen-voor-horecabedrijven-en-slijtersbedrijven"><kop><titel>Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</titel></kop><structuurtekst><al>De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34d-koppeling-toegang-aan-leeftijden"><kop><titel>Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden</titel></kop><structuurtekst><al>(gereserveerd, niet van toepassing)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34e-beperkingen-voor-andere-detailhandel-dan-slijtersbedrijven"><kop><titel>Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven</titel></kop><structuurtekst><al>(gereserveerd, niet van toepassing)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-34f-verbod-happy-hours"><kop><titel>Artikel 2:34f Verbod happy hours</titel></kop><structuurtekst><al>Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit op of het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.</al><al>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-35-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 2:35 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder de inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-36-kennisgeving-exploitatie"><kop><titel>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</titel></kop><structuurtekst><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-37-nachtregister"><kop><titel>Artikel 2:37 Nachtregister</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-38-verschaffing-gegevens-nachtregister"><kop><titel>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><structuurtekst><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.</al><al>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-39-speelgelegenheden-"><kop><titel>Artikel 2:39 Speelgelegenheden.</titel></kop><structuurtekst><al>1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek
toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij
geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te
exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;
b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de
Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en
c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine
kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de
Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a,
van de Wet op de kansspelen te verrichten.
3. De burgemeester weigert de vergunning:
a. Indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde
op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de
speelgelegenheid; of
b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend
bestemmingsplan.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-40-speelautomaten"><kop><titel>Artikel 2:40 Speelautomaten</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen; opgenomen in de Speelautomatenverordening)</al><al>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-41-betreden-gesloten-woning-of-lokaal"><kop><titel>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning,
een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
behorend erf te betreden.
2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een
niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend
erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het
lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-42-plakken-en-kladden"><kop><titel>Artikel 2:42 Plakken en kladden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een
openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats
zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te
plakken, te doen aanplakken, of op andere wijze aan te brengen of te doen
aanbrengen;
b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer
of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt
krachtens wettelijk voorschrift.
4 Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
meningsuitingen en bekendmakingen.
5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
handelsreclame.
6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen
en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
meningsuitingen en bekendmakingen.
7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-43-vervoer-plakgereedschap-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben
enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als
verboden in artikel 2:42.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-44-bezit-van-inbrekerswerktuigen-en-hulpmiddelen-voor-winkeldiefstal"><kop><titel>Artikel 2:44 Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers,
valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of
middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf
te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
middel van braak te vergemakkelijken of heet maken van sporen te voorkomen.
2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren
of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen
van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet
bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-44a-verbod-op-het-vervoeren-van-geprepareerde-voorwerpen"><kop><titel>Artikel 2:44a Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich
te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
(winkel)diefstal te vergemakkelijken.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs
kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is
voor de in dat lid bedoelde handelingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-45-betreden-van-plantsoenen-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich, zonder ontheffing
van het college, te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
gelegen wegen of paden.
2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-46-rijden-over-bermen-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden
over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de
omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.
2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
beheer rijswaterstaatswerken of de provinciale verordening wegen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-47-hinderlijk-gedrag-op-openbare-plaatsen"><kop><titel>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op een openbare plaats:
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping,
constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners
van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder
berokkent.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel
5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-47a-verplichte-route"><kop><titel>Artikel 2:47a Verplichte route</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op
door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te
wijken.
2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde
verbod.
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-48-verboden-drankgebruik"><kop><titel>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op
een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen
gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en
dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
2. Het verbod is niet van toepassing op:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de
Drank- en Horecawet; en
b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een
ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-48a-hinderlijk-drankgebruik"><kop><titel>Artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><structuurtekst><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben indien daardoor aan andere gebruikers of bewoners van nabij gelegen woningen overlast of hinder wordt veroorzaakt of een gerechtvaardigde vrees daarvoor is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-49-verboden-gedrag-bij-of-in-gebouwen"><kop><titel>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
gebouw te zitten of te liggen.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die
voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in
een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-50-hinderlijk-gedrag-in-voor-publiek-toegankelijke-ruimten"><kop><titel>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-51-neerzetten-van-fietsen-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:
a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw
of dat portiek; of
b. daardoor die ingang versperd wordt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-52-overlast-van-fiets-of-bromfiets-op-markt-en-kermisterrein-e-d-"><kop><titel>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-53-bespieden-van-personen"><kop><titel>Artikel 2:53 Bespieden van personen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw,
woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon
dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende
persoon, te bespieden.
2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument
een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te
bespieden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-54-bewakingsapparatuur"><kop><titel>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-55-nodeloos-alarmeren"><kop><titel>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-56-alarminstallaties"><kop><titel>Artikel 2:56 Alarminstallaties</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-57-loslopende-honden"><kop><titel>Artikel 2:57 Loslopende honden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven
of te laten lopen:
a. binnen de bebouwde kom op de weg en buiten de bebouwde kom op
verharde openbare wegen zonder dat die hond aangelijnd is;
b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college
aangewezen plaats;
c. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het verbod genoemd in het eerste lid aanhef en onder a is niet van toepassing op
door het college aangewezen plaatsen.
3. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op
de eigenaar of houder van een hond:
a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond
laat begeleiden; of
b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale
hulphond.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-58-verontreiniging-door-honden"><kop><titel>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor
te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college
aangewezen plaatsen.
3. De eigenaar of houder van een hond of degene aan wiens zorg een hond kennelijk
is toevertrouwd is verplicht, indien hij zich met een hond op de weg bevindt, een
zakje of schepje bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de
uitwerpselen.
4. De eigenaar of houder van een hond of degene aan wiens zorg een hond kennelijk
is toevertrouwd is verplicht dit zakje of schepje op de eerste vordering te laten
zien aan de toezichthoudende ambtenaar.
5. Het eerste, derde en vierde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale
hulphond laat begeleiden.
6. Degene die het in het derde en vierde lid genoemde gebod overtreedt, is
strafbaar.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-59-gevaarlijke-honden"><kop><titel>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk
acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn-
en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
plaats of op het terrein van een ander.
2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond
aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot
halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond
voorzien te houden van een muilkorf die:
a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is;
en
c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte
binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en er geen scherpe
delen binnen de korf aanwezig zijn.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als
bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister op aanvraag
verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een
chipreader afleesbaar is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-60-houden-of-voeren-van-hinderlijke-of-schadelijke-dieren"><kop><titel>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of
schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting
in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben; of
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college
in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; of
c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is
aangegeven; of
d. te voeren.
2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een
plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of
meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-61-wilde-dieren"><kop><titel>Artikel 2:61 Wilde dieren</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-62-loslopend-vee"><kop><titel>Artikel 2:62 Loslopend vee</titel></kop><structuurtekst><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-63-duiven"><kop><titel>Artikel 2:63 Duiven</titel></kop><structuurtekst><al>1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet
kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen
tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.
3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-64-bijen"><kop><titel>Artikel 2:64 Bijen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden bijen te houden:
a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar
overdag mensen verblijven;
b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten
hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van
twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en
invliegen van de bijen te voorkomen.
3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de
bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4 Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties
waarin wordt voorzien door de provinciale verordening wegen.
5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-65-bedelarij"><kop><titel>Artikel 2:65 Bedelarij</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.</al><al>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-66-begripsomschrijvingen"><kop><titel>Artikel 2:66 Begripsomschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht;
b. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijzen
overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.
 </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-67-verplichtingen-met-betrekking-tot-het-verkoopregister"><kop><titel>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><structuurtekst><al>1. De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te
houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester
gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkoop van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat
mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorie van goederen vrijstelling
verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting.
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-68-voorschriften-als-bedoeld-in-artikel-437ter-van-het-wetboek-van-strafrecht"><kop><titel>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</titel></kop><structuurtekst><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar
er schriftelijk van in kennis te stellen dat hij van het opkopen een beroep of
gewoonte maakt, waarbij hij tevens schriftelijk opgave doet van zijn woonadres
en van het volledig adres van elke lokaliteit welke door hem ten behoeve van zijn
onderneming in gebruik is genomen;
b. de onder a bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld
doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een bij
hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;
c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een
kenteken te hebben aangebracht waarop zijn naam en de aard van de
onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld;
d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan
worden vermoed dat het van enig misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende
verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde
ambtenaar;
e. wanneer hij is opgehouden met het opkopen van goederen een beroep of
gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet langer
uitoefent, de onder a bedoelde ambtenaar hiervan onverwijld doch in ieder geval
binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-69-vervreemding-van-door-opkoop-verkregen-goederen"><kop><titel>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><structuurtekst><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende vijf werkdagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging niet van invloed is op de herkenbaarheid van het goed.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-70-handel-in-horecabedrijven"><kop><titel>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen; opgenomen in artikel 2:32)</al><al>Afdeling 13. Vuurwerk</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-71-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 2:71 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-72-ter-beschikking-stellen-van-consumentenvuurwerk-tijdens-de-verkoopdagen"><kop><titel>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking
stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.
2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-73-bezigen-van-consumentenvuurwerk-tijdens-de-jaarwisseling"><kop><titel>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in
het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als
dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op
situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het
Wetboek van Strafrecht.</al><al>Afdeling 14. Drugsoverlast</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-74-drugshandel-op-straat"><kop><titel>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</titel></kop><structuurtekst><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
cameratoezicht op openbare plaatsen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-75-bestuurlijke-ophouding"><kop><titel>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</titel></kop><structuurtekst><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:19a, 2:23, 2:23a, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en 5:34 groepsgewijs niet naleven.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-76-veiligheidsrisicogebieden"><kop><titel>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><structuurtekst><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor publiek openstaande gebouwen en daarbij bijhorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-2-77-cameratoezicht-op-openbare-plaatsen"><kop><titel>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vast camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
 </al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling id="hoofdstuk-3-seksinrichtingen-sekswinkels-straatprostitutie-e-d-"><kop><titel>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 1. Begripsbepalingen</al></structuurtekst><paragraaf id="artikel-3-1-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele
handelingen met een ander tegen vergoeding;
b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
handelingen met een ander tegen vergoeding;
c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,
seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
elkaar;
d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die
bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die
op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen
te worden verkocht of verhuurd;
f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen
die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
persoon of personen;
g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke
leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;
h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
1. de exploitant;
2. de beheerder;
3. de prostituee;
4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze
verordening, alsmede de opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 6:2a
van deze verordening;
6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende
redenen noodzakelijk is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-2-bevoegd-bestuursorgaan"><kop><titel>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><structuurtekst><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-3-nadere-regels"><kop><titel>Artikel 3:3 Nadere regels</titel></kop><structuurtekst><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-4-seksinrichtingen"><kop><titel>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen
zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a de persoonsgegevens van de exploitant;
b de persoonsgegevens van de beheerder;
c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
d. de locatie van de inrichting;
e. het aantal werkzame prostituees;
f. een bewijs van inschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van
Koophandel;
g. een nauwkeurige plattegrondtekening van de inrichting, schaal tenminste
1:100 met vermelding van de oppervlakte van de verschillende ruimten in
m2;
h. een verklaring en het rapport van de GGD dat de seksinrichting, zijnde een
prostitutiebedrijf of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar,
dan wel met een seksbioscoop, seksautomatenhal of sekstheater, voldoet
aan de vereisten zoals gesteld in de door het bevoegd bestuursorgaan
vastgestelde beleidsregeling in verband met de in artikel 3:13, tweede lid
onder d, f en g genoemde belangen.
3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-5-gedragseisen-exploitant-en-beheerder"><kop><titel>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><structuurtekst><al>1. De exploitant en de beheerder:
a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de
voogdij;
b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:
a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een
psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van
het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter
in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-
Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot
voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
Strafvordering is toegelaten;
c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken
onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van
€ 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens
overtreding van:
1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249,
252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of
juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
kansspelen;
5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid
onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan
€ 375,- bedraagt;
b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
beslissing op de aanvraag van de vergunning;
b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
de intrekking van deze vergunning.
5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of
beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een
maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning
bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem
ter zake geen verwijt treft.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-6-sluitingstijden"><kop><titel>Artikel 3:6 Sluitingstijden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin
bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 en 05.00 uur.
2. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4
voor een afzonderlijke seksinrichting andere, ten opzichte van het eerste lid meer
beperkende, sluitingstijden vaststellen.
3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden
gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan
wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-7-tijdelijke-afwijking-sluitingstijden--tijdelijke-sluiting"><kop><titel>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</titel></kop><structuurtekst><al>1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van
strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende
sluitingsuren vaststellen;
b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of
algehele sluiting bevelen.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht,
maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar
bekend op de voet van artikel 3:42 tweede lid van de Algemene wet
bestuursrecht.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-8-aanwezigheid-van-en-toezicht-door-exploitant-en-beheerder"><kop><titel>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat
de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de
seksinrichting aanwezig is.
2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in de
seksinrichting:
a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten
genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven
tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
(heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de
Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en
b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of
krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-9-straatprostitutie"><kop><titel>Artikel 3:9 Straatprostitutie</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze,
passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit
te nodigen dan wel aan te lokken:
a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;
b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.
2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door
politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
richting te verwijderen.
3. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door
politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld
in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
richting te verwijderen.
4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd
in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is
gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde
termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de
wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b.
5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in
verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd
verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-10-sekswinkels"><kop><titel>Artikel 3:10 Sekswinkels</titel></kop><structuurtekst><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
goederen, afbeeldingen en dergelijke</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop
goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te
bieden of aan te brengen:
a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen
daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;
b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het
belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen,
aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-12-beslissingstermijn"><kop><titel>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</titel></kop><structuurtekst><al>1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd
bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid,
binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken
verdagen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-13-weigeringsgronden"><kop><titel>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</titel></kop><structuurtekst><al>1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:
a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde
eisen;
b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in
strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
leefmilieuverordening;
c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen
werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van
Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
Vreemdelingenwet bepaalde.
2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan,
onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4,
eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in
artikel 3:9, eerste lid, achterwege worden gelaten, in het belang van:
a. de openbare orde;
b. het voorkomen of beperken van overlast;
c. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
d. de veiligheid van personen of goederen;
e. de verkeersvrijheid of -veiligheid;
f. de gezondheid of zedelijkheid;
g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al><al>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-14-beeindiging-exploitatie"><kop><titel>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</titel></kop><structuurtekst><al>1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde
exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
beëindigd.
2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de
exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-3-15-wijziging-beheer"><kop><titel>Artikel 3:15 Wijziging beheer</titel></kop><structuurtekst><al>1. Indien een beheerder het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het
bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de
verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het
bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
toepassing.
3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden
uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als
bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en
zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting</al></structuurtekst><paragraaf id="artikel-4-1-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;
b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;
c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of
anderszins een inrichting drijft;
d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal
inrichtingen is verbonden;
e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein
aantal inrichtingen;
f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1
van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet
geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering
van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-2-aanwijzing-collectieve-festiviteiten"><kop><titel>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><structuurtekst><al>1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per
kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
wijzen dagen of dagdelen.
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.148, eerste lid, van het
Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college
bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen:
Alphen, Chaam, Galder, Strijbeek, Ulvenhout AC en Bavel AC.
4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een
nieuw kalenderjaar bekend.
5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien
was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
aanwijzen.
6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet
meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
van 1,5 meter.
7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en
exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de
bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra
muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 2.00 uur te
worden beëindigd.
9. De aanwijzing van de collectieve festiviteiten geldt uitsluitend voor horeca-, sport-
en recreatie-inrichtingen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-3-kennisgeving-incidentele-festiviteiten"><kop><titel>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per
kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17,
2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten
per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van
sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit niet van
toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.
4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier,
volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat
formulier vermeld.
5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op
verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die
redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet
meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
van 1,5 meter.
7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en
exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de
bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra
muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 2.00 uur te
worden beëindigd.
9. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van
de inrichting en niet voor de buitenruimte.
10. Het aantal incidentele activiteiten wordt zodanig vastgesteld dat het aantal
collectieve en incidentele festiviteiten samen per inrichting niet meer dan 12 per
kalenderjaar bedraagt.
11. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten,
behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-4-verboden-incidentele-festiviteiten"><kop><titel>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-5-onversterkte-muziek"><kop><titel>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</titel></kop><structuurtekst><al>1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18,
eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e.
opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:
a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige
gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen
geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
uitvoeren van geluidsmetingen;
b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige
terreinen op de grens van het terrein;
c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het
woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;
d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen
bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;
e. Tabel</al><al>Meting 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
2. Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen
door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in
een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde
geluidsniveaus in het eerste lid.
3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen,
wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van
toepassing.
4. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van
toepassing is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-6-overige-geluidhinder"><kop><titel>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het
Besluit op zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare
manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-6a-geluid-hinder-in-de-openlucht"><kop><titel>Artikel 4:6a (Geluid)hinder in de openlucht</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-6b-geluid-hinder-door-dieren"><kop><titel>Artikel 4:6b (Geluid)hinder door dieren</titel></kop><structuurtekst><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-6c-geluid-hinder-door-bromfietsen-e-d-"><kop><titel>Artikel 4:6c (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden zich buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al><al>Afdeling 2. Bodem-,weg- en milieuverontreiniging</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-7-straatvegen"><kop><titel>Artikel 4:7 Straatvegen</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-8-natuurlijke-behoefte-doen"><kop><titel>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten
buiten gebouwen</titel></kop><structuurtekst><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-10-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven met een
stamdiameter van minimaal 30 cm gemeten op 130 cm hoogte boven het
maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamdiameter van de
dikste stam. In afwijking van deze minimale stamdiameter van 30 cm geldt
geen minimale stamdiameter indien het bomen zijn in gemeentelijke
Hoofdgroenstructuren en indien het bomen zijn, aangelegd op grond van
de artikelen 4:11 onder d en 4:11 onder e en bij bomen als bedoeld in
artikel 4:11 onder g van deze verordening;
b. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers of houtwal of hakhout
of ander houtachtig gewas;
c. hoofdgroenstructuur: houtopstanden die in gemeentelijk beleid zijn
aangewezen als bijzondere structuur;
d. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan
20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van
kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als
ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van
de boom ten gevolge kunnen hebben;
e. dunning: een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter
bevordering van groei van overblijvende bomen;
f. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens
de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs
van Bomen;
g. bomeneffectanalyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen
bouw of aanleg voor een boom;
h. Bomencompensatiefonds: fonds met daarin gelden die bestemd zijn voor
het herplanten van bomen;
i. bebouwde kom: in afwijking van artikel 1:1 onder d wordt in deze afdeling
bedoeld de bebouwde kom vastgesteld in het kader van artikel 1 lid 5
Boswet;
j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 lid 1, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht;
k. college: college van burgemeester en wethouders gemeente Alphen-
Chaam.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11-kapverbod"><kop><titel>Artikel 4:11 Kapverbod</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te vellen of te doen vellen.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen die staan rondom agrarische bedrijven en bomen in zij-, voor- en achtertuinen van particulieren met uitzondering van:
a. leibomen of knotbomen;
b. esdoorn, paardenkastanje, haagbeuk, tamme kastanje, beuk, plataan,
linde, iep, meidoorn, Chinese moerascipres en eik.
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
a. Amerikaanse eik;
b. bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektewet of
krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;
c. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere
onderhoud;
d. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke
beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere
onderhoud;
e. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig
onderhoud;
f. dunning van de bomen.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen behorend tot
houtopstand als bedoeld in artikel 15 tweede en derde lid Boswet:
a. wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden,
beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn
geknot;
b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen
en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;
d. kweekgoed;
e. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde
kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:
• ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;
• ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
gerekend over het totale aantal rijen.
5. Het bevoegd gezag kan indien een boom direct gevaar oplevert die noodkap
noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct
in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11a-criteria-vergunning"><kop><titel>Artikel 4:11a Criteria vergunning</titel></kop><structuurtekst><al>1. Bevoegd gezag kan vergunning om te vellen als bedoeld in artikel 4:11 weigeren
dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.
2. In afwijking van artikel 4:11a eerste lid wordt de vergunning voor het vellen van
een boom als bedoeld in artikel 4:11 geweigerd, indien de belangen van verlening
niet opwegen tegen de belangen van behoud van de boom op basis van één of
meer van de volgende waarden:
a. de natuurwaarde;
b. de landschappelijke waarde van de boom;
c. de waarde van de boom voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde;
e. de cultuurhistorische waarde;
f. de waarde van de boom voor de leefbaarheid.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11b-aanvraag"><kop><titel>Artikel 4:11b Aanvraag</titel></kop><structuurtekst><al>1. De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd,
door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk
recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is
over de boom te beschikken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11c-beperking-geldigheidsduur"><kop><titel>Artikel 4:11c Beperking geldigheidsduur</titel></kop><structuurtekst><al>1. De vergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt, indien daarvan
niet binnen maximaal drie jaar na het onherroepelijk zijn van de
omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.
2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één
boom betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen bomenslechts drie
jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele boom al geveld is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11d-bijzondere-voorschriften"><kop><titel>Artikel 4:11d Bijzondere voorschriften</titel></kop><structuurtekst><al>1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd
gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.
2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan het voorschrift worden opgelegd
dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het gemeentelijk
Bomencompensatiefonds.
3. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke
termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden
vervangen.
4. Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften, kan het
voorschrift behoren dat pas tot vellen van de bomen op en bij bouw- en
aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden
overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of
ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en
financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.
5. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is
opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11e-herplant-instandhoudingstermijn"><kop><titel>Artikel 4:11e Herplant-/instandhoudingstermijn</titel></kop><structuurtekst><al>1. Indien een boom waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder
vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop
zich de boom bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen
van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten
overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
termijn.
2. Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage gestort
in het Bomencompensatiefonds.
3. Het bevoegd gezag kan de boomwaarde als uitgangspunt nemen voor het
opleggen van een herplantplicht of financiële bijdrage aan het
Bomencompensatiefonds.
4. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij
tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
5. Indien een boom waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het
voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevindt dan wel aan degene die uit
andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
opleggen om:
a. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te
stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
weggenomen;
b. een bomeneffectanalyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd
gezag.
6. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is
opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11f-schadevergoeding"><kop><titel>Artikel 4:11f Schadevergoeding</titel></kop><structuurtekst><al>Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een vergunning tot vellen op grond van artikel 17 van de Boswet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11g-afstand-tot-de-erfgrenslijn"><kop><titel>Artikel 4:11g Afstand tot de erfgrenslijn</titel></kop><structuurtekst><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op nihil voor bomen, heesters en heggen in gemeentelijk eigendom.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-11h-bestrijding-van-boomziekten"><kop><titel>Artikel 4:11h Bestrijding van boomziekten</titel></kop><structuurtekst><al>1. Indien zich op een terrein één of meer houtopstand bevinden die naar het oordeel
van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor
vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende,
indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij
aanschrijving vast te stellen termijn:
a. de houtopstand te vellen;
b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct
zodanig de behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt
voorkomen.
2. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis
voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke
werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of
namens de gemeente kunnen worden verricht.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-12-bescherming-gemeentelijke-houtopstanden"><kop><titel>Artikel 4:12 Bescherming gemeentelijke houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden om houtopstanden, die eigendom van de gemeente Alphen-Chaam zijn, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of namens ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtopstand in eigendom van de gemeente Alphen-Chaam aan te brengen of anderszins te bevestigen via voorwerpen welke de bast beschadigen, hieronder te verstaan spijkers, punaises enz.</al><al>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-13-opslag-voertuigen-vaartuigen-mest-afvalstoffen-enz-"><kop><titel>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de
gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van
schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting
in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg gelegen de
volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of
vaartuigen of onderdelen daarvan;
b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien
het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of
d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten,
afbraakmaterialen en oude metalen.
2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de
Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale verordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-14-stankoverlast-door-gebruik-van-meststoffen"><kop><titel>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-15-verbod-hinderlijke-of-gevaarlijke-reclame"><kop><titel>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het
verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-16-vergunningsplicht-lichtreclame"><kop><titel>Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al><al>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-17-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 4:17 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-18-recreatief-nachtverblijf-buiten-kampeerterreinen"><kop><titel>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te
plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het
bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een
voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik
door de rechthebbende op een terrein.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in
het belang van:
a. de bescherming van natuur en landschap; of
b. de bescherming van een stadsgezicht.
5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-4-19-aanwijzing-kampeerplaatsen"><kop><titel>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college
aangewezen plaatsen.
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen
genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Afdeling 1. Parkeerexcessen</al></structuurtekst><paragraaf id="artikel-5-1-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals:
kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.
b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens (RVV 1990).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-2-parkeren-van-voertuigen-van-autobedrijf-e-d-"><kop><titel>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><structuurtekst><al>1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
betaling.
2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de
tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde
persoon.
3 Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt
voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen,
verboden:
a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de
weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als
middelpunt een van deze voertuigen;
b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-3-te-koop-aanbieden-van-voertuigen"><kop><titel>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te
parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-4-defecte-voertuigen"><kop><titel>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-5-voertuigwrakken"><kop><titel>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud
en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te
parkeren.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
milieubeheer.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-6-kampeermiddelen-e-a-"><kop><titel>Artikel 5 :6 Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan
verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op
een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel
buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte
of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn
oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a,
gestelde verbod.
3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door de provinciale verordening wegen of de provinciale
landschapsverordening.
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-7-parkeren-van-reclamevoertuigen"><kop><titel>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee
handelsreclame te maken.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-8-parkeren-van-grote-voertuigen"><kop><titel>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft
van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een
door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor
het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft
van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar
dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
beschikbare parkeerruimte.
3 Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot
en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers,
kampeerauto’s, caravans en kampeerauto’s voor zover deze voertuigen niet
langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of
gehouden.
5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing
verlenen.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-9-parkeren-van-uitzichtbelemmerende-voertuigen"><kop><titel>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van
meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren
bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige
wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt
aangedaan.
2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor
het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
plaatse noodzakelijk is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-10-parkeren-van-voertuigen-met-stankverspreidende-stoffen"><kop><titel>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-11-aantasting-groenvoorzieningen-door-voertuigen"><kop><titel>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan
in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
groenstrook.
2. Dit verbod is niet van toepassing:
a. op de weg;
b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege
de overheid; en
c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen
die voor dit doel zijn bestemd.
3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-12-overlast-van-fiets-of-bromfiets"><kop><titel>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al><al>Afdeling 2. Collecteren</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-13-inzameling-van-geld-of-goederen"><kop><titel>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van
geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.
2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het
aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of
goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat
de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
3 Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Afdeling 3. Venten</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-14-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 5:14 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de
ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of
aan huis.
2. Onder venten wordt niet verstaan:
a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet
ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
Winkeltijdenwet;
b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel
160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-15-ventverbod"><kop><titel>Artikel 5:15 Ventverbod</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare
veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
2. Het college kan wegen of gedeelten daarvan aanwijzen waar het verboden is te
venten.
3. Het college kan tijdstippen vaststellen waarop het verboden is te venten.
4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-16-vrijheid-van-meningsuiting"><kop><titel>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al><al>Afdeling 4. Standplaatsen</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-17-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 5:17 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op
een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of
afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van
fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
2. Onder standplaats wordt niet verstaan:
a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160,
eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-18-standplaatsvergunning-en-weigeringsgronden"><kop><titel>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of
te hebben.
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:
a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving
niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een
deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen
van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen
een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
komt.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-19-toestemming-rechthebbende"><kop><titel>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</titel></kop><structuurtekst><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder
vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-20-afbakeningsbepalingen"><kop><titel>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
of de provinciale verordening wegen.
2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op
bouwwerken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-21-aanhoudingsplicht"><kop><titel>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al><al>Afdeling 5. Snuffelmarkten</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-22-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 5:22 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het
publiek toegankelijk gebouw of op een voor het publiek toegankelijke plaats waar
hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of
diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.
2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:
a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
onder h, van de Gemeentewet;
b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-23-organiseren-van-een-snuffelmarkt"><kop><titel>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te
organiseren.
2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en
voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Afdeling 6. Openbaar water</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-24-voorwerpen-op-in-of-boven-openbaar-water"><kop><titel>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een
voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving,
constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar
water.
2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met
een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan
uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.
3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder,
en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.
4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening
ondergrondse infrastructuren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-25-ligplaats-woonschepen-en-overige-vaartuigen"><kop><titel>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel
een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college
aangewezen gedeelten van openbaar water.
2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats
met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen
gedeelten van openbaar water:
a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening of de
Provinciale landschapsverordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-26-aanwijzingen-ligplaats"><kop><titel>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><structuurtekst><al>1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het
college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking
tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de
openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
de gemeente.
2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college
gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van
een ligplaats op te volgen.
3 Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale
vaarwegenverordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-27-verbod-innemen-ligplaats"><kop><titel>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-28-beschadigen-van-waterstaatswerken"><kop><titel>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de
toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken,
wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of
sluizen.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de
Provinciale vaarwegenverordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-29-reddingsmiddelen"><kop><titel>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</titel></kop><structuurtekst><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-30-veiligheid-op-het-water"><kop><titel>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water
ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan
hinder of gevaar kan ondervinden.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het
Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-31-overlast-aan-vaartuigen"><kop><titel>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in
openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te
bevinden.
2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of
aan een openbaar water, los te maken.</al><al>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
natuurgebieden</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-31a-begripsbepalingen"><kop><titel>Artikel 5:31a Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:
- motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
- bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van
de Wegenverkeerswet 1994.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-32-crossterreinen"><kop><titel>Artikel 5:32 Crossterreinen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een
bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een
trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen,
dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
aanwezig te hebben.
2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college
aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van
deze terreinen:
a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid
bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.
3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-33-beperking-verkeer-in-natuurgebieden"><kop><titel>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken,
plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te
bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.
2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod
niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik
van deze terreinen:
a. in het belang van het voorkomen van overlast;
b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c in het belang van de veiligheid van het publiek.
3 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen,
bromfietsen, fietsen en paarden:
a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van
andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen hulpverleningsdiensten;
b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van
de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
voorschrift moeten worden uitgevoerd;
d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die
gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de
onder d bedoelde personen.
4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:
a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of
terreinen;
b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening ‘Stiltegebieden’
aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of
krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.
5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te
stoken</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in
de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
hebben.
2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen
worden verbrand;
c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast
of hinder voor de omgeving oplevert.
3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter
bescherming van de flora en fauna.
5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door
artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de
Provinciale milieuverordening.</al><al>Afdeling 9. Verstrooiing van as</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-35-begripsbepaling"><kop><titel>Artikel 5:35 Begripsbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele as-verstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-36-verboden-plaatsen"><kop><titel>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</titel></kop><structuurtekst><al>1. Incidentele as-verstrooiing is verboden op:
a. verharde delen van de weg;
b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan
die genoemd in het eerste lid as-verstrooiing plaatsvindt.
3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de as-bus op
grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het
eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-5-37-hinder-of-overlast"><kop><titel>Artikel 5:37 Hinder of overlast</titel></kop><structuurtekst><al>Incidentele as-verstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling id="hoofdstuk-6-straf--overgangs-en-slotbepalingen"><kop><titel>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><paragraaf id="artikel-6-1-strafbepaling"><kop><titel>Artikel 6:1 Strafbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op
grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
rechterlijke uitspraak:
- artikelen 2:1 t/m 2:10, met uitzondering van artikel 2:10, vierde lid;
- artikelen 2:12 t/m 2:31;
- artikelen 2:33 t/m 2:46;
- artikelen 2:51 t/m 2:62;
- artikelen 2:64 t/m 2:69;
- artikelen 2:71 en 2:72;
- artikel 2:74;
- artikelen 3:1 t/m 4:9; en
- artikelen 4:12 t/m 5:37.
2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op
grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft
met een geldboete van de eerste categorie:
- artikel 2:32;
- artikelen 2:47 t/m 2:50;
- artikel 2:63; en
- artikel 2:73.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-2-toezichthouders"><kop><titel>Artikel 6:2 Toezichthouders</titel></kop><structuurtekst><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
verordening in de zin van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn belast
alle politieambtenaren van de Eenheid Zeeland-West-Brabant en de daartoe bij
besluit van het college of de burgemeester aangewezen personen.
2. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
verordening belast de bij besluit van het college dan wel burgemeester aan te
wijzen personen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-2a-opsporingsambtenaren"><kop><titel>Artikel 6:2a Opsporingsambtenaren</titel></kop><structuurtekst><al>De opsporing van de in artikel 6:1 strafbaar gestelde feiten, naast de in artikel 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-3-binnentreden-woningen"><kop><titel>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</titel></kop><structuurtekst><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-4-intrekken-oude-verordening"><kop><titel>Artikel 6:4 Intrekken oude verordening</titel></kop><structuurtekst><al>De Algemene plaatselijke verordening 2013 wordt ingetrokken.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-5-overgangsbepalingen"><kop><titel>Artikel 6:5 Overgangsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstig besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-6-inwerkingtreding"><kop><titel>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening treedt in werking op eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf id="artikel-6-7-citeertitel"><kop><titel>Artikel 6:7 Citeertitel</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening 2015.</al><al>
Vastgesteld op 18 december 2014</al><al>M.J.A. Luijben Mr. J.W.M.S. Minses
Griffier Voorzitter burgemeester</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>