<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>364558_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-13</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officiele bekendmakingen, d.d. 14-04-15</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 6, 8a, 10b, van de Participatiewet, artikel 147 van de Gemeentewet, titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene subsidieverordening van de gemeente Apeldoorn</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>21-2015</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>VERORDENING PARTICIPATIEWET 2015</vet></intitule><regeling><officiele-inhoudsopgave><kop><titel>Inhoudsopgave </titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="89*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="11*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Inhoud</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Pagina </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 1 Beleid en algemene bepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2 Beleid en evenwichtige verdeling</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3 Budgetplafonds</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4 Algemene uitgangspunten inzet
                                                re-integratievoorzieningen </al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5 Beëindiging
                                                re-integratievoorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 2 Voorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6 Re-integratievoorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 7 Diagnose-instrument</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 8 Activeringsprogramma</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 9 Bemiddeling</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 10 Groepsgerichte aanpak en trainingen</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 11 Proefplaatsing</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 12 Werkervaringsplaats</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 13 Detachering</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 14 Stage</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 15 Persoonlijke ondersteuning</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 16 Ondersteuning bij Leer-werktraject</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 17 Scholing en Opleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 18 Individuele
                                                re-integratieovereenkomst</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 19 Participatieplek</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 20 Sociale Activering</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 21 Werkgeverssubsidie </al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 22 No-riskpolis</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 23 Participatievoorziening beschut
                                                werken</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 24 Loonkostensubsidie</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 3 Tegenprestatie naar vermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 25 Het opdragen van een tegenprestatie</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 26 Inhoud van een tegenprestatie</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 27 Duur en omvang van een
                                                tegenprestatie</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 28 Mantelzorg</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 29 Hardheidsclausule</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 30 Intrekken oude verordening en
                                                overgangsrecht</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 31 <cursief></cursief>Inwerkingtreding en citeertitel
                                            </al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toelichting</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row></tbody></tgroup></table></officiele-inhoudsopgave><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders nr.2015-501026-W d.d. 27
                        februari 2015;</al><al>gelet op de artikelen 6, 8a, 10b, van de Participatiewet, artikel 147 van de
                        Gemeentewet, titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene
                        subsidieverordening van de gemeente Apeldoorn;</al><al>overwegende dat de raad een Kadernota Participatiewet heeft vastgesteld,
                        waarin kaderstellende uitgangspunten zijn geformuleerd voor de uitwerking
                        van de gemeentelijke invulling van de Participatiewet;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende </al><al><vet>Verordening Participatiewet 2015</vet></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Beleid en algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, zonder
                                            beperkende voorwaarden qua aard en omvang van het werk
                                            en aansluiting op opleiding en ervaring, met
                                            uitzondering van illegale arbeid en arbeid tegen een
                                            lager loon dan het wettelijke minimum en rekening
                                            houdend met gewetensbezwaren zodanig dat deze strikt
                                            persoonlijke omstandigheden zwaarwegend zijn en een
                                            onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten
                                            werk;</al></li><li nr="b."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht</al></li><li nr="c."><al>beschut werk: werk in een beschutte omgeving en onder
                                            aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van
                                            de wet. </al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="e."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onder a, van de wet; </al></li><li nr="f."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                    arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                    jaar;</al></li><li nr="g."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="h."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="i."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                    arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="j."><al>loonwaarde: zoals bedoeld in artikel 6 , eerste lid, onder g,
                                    van de wet;</al></li><li nr="k."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="l."><al>ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onder a, van de wet;</al></li><li nr="m."><al>plan van aanpak: het plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                    44a, Participatiewet</al></li><li nr="n."><al>raad: de gemeenteraad van de gemeente Apeldoorn;</al></li><li nr="o."><al>re-integratievoorziening: een voorziening als bedoeld in
                                    artikel 7, eerste lid, onder a, Participatieweten artikel 34,
                                    eerste lid, onder a, IOAW/IOAZ, gericht op
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="p."><al>startkwalificatie: diploma MBO2 of hoger;</al></li><li nr="q."><al>traject: een proces waarbij één of meer
                                    re-integratievoorzieningen worden ingezet;</al></li><li nr="r."><al>uitkeringsgerechtigde: persoon die een periodieke uitkering
                                    voor levensonderhoud ontvangt op grond van de wet, de IOAW of de
                                    IOAZ; </al></li><li nr="s."><al>werknemer: het lid van de doelgroep dat een dienstverband
                                    heeft met een werkgever die daarvoor subsidie ontvangt op grond
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="t."><al>Werkplein Activerium: een samenwerkingsverband van UWV en de
                                    gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst. </al></li><li nr="u."><al>u.wet: de Participatiewet;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De begripsbepalingen van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Awb zijn
                            op deze verordening en de daarop berustende bepalingen van
                            toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Beleid en evenwichtige verdeling<vet></vet></titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks een uitvoeringsplan re-integratie
                                    vast en zendt dit plan ter kennisname aan de raad.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt aan de doelgroep ondersteuning bij de
                                    re-integratie naar de arbeidsmarkt voor zover deze ondersteuning
                                    door het college noodzakelijk wordt geacht. </al></li><li nr="3."><al>Het college onderzoekt nauwkeurig de individuele mogelijkheden
                                    en capaciteiten van een inwoner om de ondersteuning zo doelmatig
                                    mogelijk te realiseren. </al></li><li nr="4."><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden
                                    hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en
                                    de mogelijkheid dat hij/zij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar;
                                            en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van
                                            mantelzorg</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan
                                    re-integratievoorzieningen prioriteiten stellen in verband met
                                    de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en
                                    conjuncturele ontwikkelingen. </al></li><li nr="6."><al>Bij het geven van ondersteuning en het aanbieden van een
                                    voorziening houdt het college rekening met de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, de Wet educatie
                                    en beroepsonderwijs, en ondersteuning en overige voorzieningen
                                    die beschikbaar zijn voor de doelgroep.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidie- en Budgetplafonds<vet></vet></titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan één of meer subsidie- of budgetplafonds
                                    vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het
                                    college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de
                                    aanspraak op een specifieke voorziening. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen
                                    dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene uitgangspunten inzet re-integratievoorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                    uitvoering van de in deze verordening genoemde voorzieningen.
                                </al></li><li nr="2."><al>Voor niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) wordt de
                                    basisdienstverlening van het Werkplein Activerium ingezet, zoals
                                    werkgeversbenadering, vacatureaanbod en bemiddeling, tenzij naar
                                    het oordeel van het college de inzet van een voorziening als
                                    bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening in het individuele
                                    geval noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de voorzieningen bedoeld in hoofdstuk 2
                                    aanbieden aan de doelgroep.</al></li><li nr="4."><al>De voorziening moet gericht zijn op arbeidsinschakeling en
                                    bijdragen aan het mogelijk maken van reguliere arbeid. </al></li><li nr="5."><al>Het college houdt bij de inzet van een re-integratievoorziening
                                    rekening met concurrentieverhoudingen en verdringing op de
                                    arbeidsmarkt. </al></li><li nr="6."><al>Indien arbeidsinschakeling (nog) niet mogelijk is, is de
                                    voorziening gericht op het wegnemen van belemmeringen en/of
                                    actieve deelname aan de samenleving.</al></li><li nr="7."><al>Bij de keuze voor de in te zetten voorziening worden de volgende
                                    uitgangspunten gehanteerd: </al></li><li nr="a."><al>De kortste weg naar werk staat voorop;</al></li><li nr="b."><al>Daar waar nog mogelijkheden zijn voor het volgen van onderwijs
                                    en/of werk geen optie is, kan scholing onderdeel van het aanbod
                                    zijn;</al></li><li nr="c."><al>Er wordt uitgegaan van de mogelijkheden en niet van de
                                    beperkingen; </al></li><li nr="d."><al>Waar mogelijk worden groepsgewijs ondersteunende
                                    re-integratievoorzieningen ingezet;</al></li><li nr="e."><al>Bij de inzet van ondersteuning wordt rekening gehouden met de op
                                    dat moment geldende en toekomstige vraag naar arbeidskrachten;
                                </al></li><li nr="f."><al>Reguliere werkgevers worden zoveel als mogelijk bij het
                                    re-integratie- en plaatsingsproces betrokken en middels in te
                                    zetten voorzieningen ondersteund bij indienstneming van de
                                    doelgroep.</al></li><li nr="8."><al>Het college stelt in het plan van aanpak, na overleg met de
                                    belanghebbende,vast welke voorziening wordt aangeboden aan een
                                    persoon uit de doelgroep. </al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging re-integratievoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al></li><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13
                                    en 37 van de IOAW/IOAZ niet nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij
                                    het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de wet; </al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Re-integratievoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in ieder geval de volgende voorzieningen inzetten: </al><lijst><li nr="a."><al>Diagnose-instrument;</al></li><li nr="b."><al>Activeringsprogramma;</al></li><li nr="c."><al>Bemiddeling; </al></li><li nr="d."><al>Groepsgerichte aanpak en trainingen;</al></li><li nr="e."><al>Proefplaatsing;</al></li><li nr="f."><al>Werkervaringsplaats;</al></li><li nr="g."><al>Detachering;</al></li><li nr="h."><al>Stage;</al></li><li nr="i."><al>Persoonlijke ondersteuning;</al></li><li nr="j."><al>Scholing en opleiding; </al></li><li nr="k."><al>Individuele Re-integratie Overeenkomst;</al></li><li nr="l."><al>Participatieplek;</al></li><li nr="m."><al>Sociale activering;</al></li><li nr="n."><al>Werkgeverssubsidie;</al></li><li nr="o."><al>No-riskpolis;</al></li><li nr="p."><al>Participatievoorziening beschut werken (artikel 10b
                                        Participatiewet);</al></li><li nr="q."><al>Loonkostensubsidie (artikel 10d Participatiewet);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening kan ook schuldhulpverlening als instrument bevatten
                                indien schulden de re-integratie in de weg (kunnen) staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzieningen kunnen zowel worden verzorgd door het college als door
                                externe partijen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan voorzieningen gelijktijdig met elkaar inzetten
                                indien dit naar het oordeel van het college de arbeidsinschakeling
                                bevordert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Diagnose-instrument</titel></kop><al>Het college kan een diagnose-instrument inzetten om de afstand tot de
                            arbeidsmarkt te bepalen en/of vast te stellen of er sprake is van
                            belemmeringen voor de arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Activeringsprogramma</titel></kop><al>1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep, een
                            activeringsprogramma gericht op arbeidsinschakeling aanbieden, voor
                            zover dit gezien de afstand tot de arbeidsmarkt passend is.</al><al>2.Voor personen jonger dan 27 jaar waarvoor de scholingsplicht geldt,
                            kan het college een activeringsprogramma aanbieden gericht op deelname
                            aan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs.</al><al>3.Het doel van een activeringsprogramma is het behouden of bevorderen
                            van arbeidsritme, verbetering van de werknemers- en
                            sollicitatievaardigheden en/of ondersteuning bij de toeleiding naar een
                            baan of opleiding.</al><al>4.Een activeringsprogramma wordt voor een beperkte duur aangeboden.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep,
                                    bemiddeling gericht op arbeidsinschakeling aanbieden, voor zover
                                    dit gezien de afstand tot de arbeidsmarkt passend is.</al></li><li nr="2."><al>Bemiddeling heeft als doel een belanghebbende direct te
                                    bemiddelen naar een dienstbetrekking. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De bemiddeling kan worden gecombineerd met een andere
                                    voorziening als bedoeld in deze verordening.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Groepsgerichte aanpak en trainingen</titel></kop><al>1.Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep,
                            groepsgerichte aanpak en/of training aanbieden, indien dit door het
                            college noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling.</al><al>2.Groepsgerichte aanpak en trainingen zijn gericht op het bevorderen van
                            vaardigheden die de arbeidsinschakeling bevorderen en de afstand tot de
                            arbeidsmarkt verkleinen. </al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep in
                                    staat stellen voorafgaande aan een regulier dienstverband of een
                                    dienstverband waarbij loonkostensubsidie wordt verstrekt,
                                    werkervaring op te doen in de vorm van een proefplaatsing.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de proefplaatsing is de persoon werkervaring op te
                                    laten doen in zijn/haar toekomstige functie om daarmee uitval na
                                    aanvang van het dienstverband te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>De proefplaatsing kan ingezet worden voor de duur van maximaal
                                    drie maanden.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college dit nodig acht kan de proefplaatsing met
                                    maximaal drie maanden worden verlengd tot een maximum van zes
                                    maanden. </al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden,
                                    indien deze persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                                            grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                            werkloosheid en waarbij het voor de persoon belangrijk
                                            is om arbeidsvaardigheden te verwerven; of</al></li><li nr="b."><al>actief is geweest op de arbeidsmarkt, maar door
                                            persoonlijke of economische omstandigheden het werk is
                                            kwijtgeraakt en waarbij het voor de persoon belangrijk
                                            is om arbeidsvaardigheden in stand te houden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van
                                    werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.
                                </al></li><li nr="3."><al>Een werkervaringsplaats wordt in beginsel maximaal 6 maanden
                                    aangeboden voor een beperkte duur als voorziening
                                    aangeboden.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Detachering</titel></kop><al>1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot
                            de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op
                            arbeidsinschakeling.</al><al>2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een
                            onderneming. </al><al>3.De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                            tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de
                            werknemer en inlenende organisatie.</al><al>4.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                            concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen
                            verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Stage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    stage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>De stage heeft als doel de belanghebbende, met behoud van een
                                    bijstandsuitkering, door middel van een stage, werkervaring en
                                    vaardigheden op te laten doen in een of meerdere vakgebieden en
                                    daarmee betaalde arbeid te kunnen realiseren. </al></li><li nr="3."><al>Een stage wordt voor minimaal 3 maanden en maximaal 6 maanden
                                    als voorziening aangeboden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is en voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van
                            een leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd; of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Scholing en opleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholingstraject gericht op arbeidsinschakeling aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Scholing heeft tot doel de afstand tot het verkrijgen van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid te verkleinen of te overbruggen.
                                </al></li><li nr="3."><al>Het college kan alleen scholing aanbieden als het verwerven en
                                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid zonder inzet van dit
                                    instrument voor belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    niet haalbaar is.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Individueel Re-integratietraject</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een belanghebbende kan het college een voorstel doen voor een
                                    individueel re-integratietraject.</al></li><li nr="2."><al>Dit traject wordt slechts goedgekeurd indien redelijkerwijs kan
                                    worden aangenomen dat door middel van het traject binnen een
                                    korte periode tegen aanvaardbare kosten arbeidsinschakeling kan
                                    worden bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Het individuele re-integratietraject kan bestaan uit
                                    inschakeling van een re-integratiebedrijf en/of uit
                                    scholing.</al></li><li nr="4."><al>Indien gebruik wordt gemaakt van een re-integratiebedrijf dan
                                    worden de rechten en plichten in een overeenkomst vastgelegd
                                    tussen het college, de belanghebbende en het
                                    re-integratiebedrijf, voordat het individuele
                                    re-integratietraject kan worden gevolgd.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Participatieplek</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan een persoon van 27 jaar en ouder die algemene
                                    bijstand ontvangt, geen recht heeft op een andere voorziening
                                    gericht op dagbesteding en voor wie de kans op inschakeling in
                                    het arbeidsproces gering is, een participatieplek
                                    aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Het traject bestaat uit het verrichten van onbeloonde
                                    additionele arbeid met behoud van uitkering waarbij de
                                    begeleiding plaatsvindt door één of meer inlenende partijen
                                    onder gemeentelijke verantwoordelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>De uitkeringsgerechtigde die door middel van een
                                    participatieplek, naar het oordeel van het college, voldoende
                                    heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn arbeidsinschakeling
                                    heeft, telkens nadat hij zes maanden additionele werkzaamheden
                                    heeft verricht, recht op een premie van € 50,00.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid genoemde premie wordt betaalbaar gesteld na
                                    afloop van de participatieplek.</al></li><li nr="5."><al>Een participatieplek wordt voor maximaal de duur van twee jaar
                                    aangeboden.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorziening wordt ingezet indien een belanghebbende een grote
                                    afstand heeft tot de arbeidsmarkt. </al></li><li nr="2."><al>Het doel van deze voorziening is een eerste stap op weg naar
                                    reguliere arbeid te zetten dan wel, indien arbeidsinschakeling
                                    nog niet mogelijk is, zelfstandige maatschappelijke participatie
                                    mogelijk te maken. </al></li><li nr="3."><al>De belanghebbende behoudt gedurende deze voorziening zijn
                                    uitkering op grond van de wet, de IOAW of IOAZ.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Werkgeverssubsidie<vet></vet></titel></kop><lijst><li nr="3."><al>1.Het college kan op aanvraag aan werkgevers, met inachtneming
                                    van het gestelde in deze verordening, ten behoeve van de
                                    arbeidsinschakeling van leden van de doelgroep anders dan
                                    bedoeld in artikel 22 van deze verordening, een
                                    werkgeverssubsidie verlenen.</al><al>2.In nadere regels bepaalt het college welk soort
                                    werkgeverssubsidies kan worden aangeboden, onder welke
                                    voorwaarden en voor welk bedrag.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis
                                    indien:</al></li><li nr="a."><al>de werkgever een arbeidsovereenkomst voor ten minste 6 maanden
                                    aangaat met een persoon uit de doelgroep; en</al></li><li nr="b."><al>deze persoon een structurele functionele of andere beperking
                                    heeft of de werkgever ten behoeve van deze persoon een
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Wet
                                    ontvangt; en</al></li><li nr="c."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; en</al></li><li nr="d."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Via de no-riskpolis wordt in het eerste ziektejaar tussen de 70%
                                    en 100% van het dagloon vergoed en in het tweede jaar 70% van
                                    het dagloon. Er geldt een maximum dagloon.</al></li><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit
                                    het college een overeenkomst met het UWV voor de uitbetaling van
                                    het dagloon ingeval van ziekte van de werknemer.</al></li><li nr="4."><al>De no-riskpolis geldt voor de duur van 5 jaar vanaf de eerste
                                    werkdag van de werknemer (ingangsdatum van de
                                    arbeidsovereenkomst).</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Participatievoorziening beschut werken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid van artikel 10b
                                    van de wet om de participatievoorziening beschut werk aan te
                                    bieden. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt jaarlijks vast hoeveel plekken voor beschut werk de
                                    gemeente beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het
                                    college met het UWV, met aan de gemeente gelieerde bedrijven en
                                    met andere reguliere werkgevers.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling
                                    of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen
                                    met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college
                                    bijvoorbeeld de volgende ondersteunende voorzieningen in:
                                    fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving,
                                    uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                    werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt ambtshalve of op schriftelijk verzoek van een
                                    belanghebbende vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie.</al></li><li nr="2."><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al></li><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep;</al></li><li nr="b."><al>de persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                    minimumloon te verdienen, en;</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan advies inwinnen over het oordeel of een persoon
                                    tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt
                                    daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.</al></li><li nr="4."><al>Om de loonwaarde vast te stellen, maakt het college gebruik van
                                    een gecertificeerde en daarmee geobjectiveerde methode en
                                    applicatie die tenminste voldoet aan de Regeling
                                    loonkostensubsidie Participatiewet.</al></li><li nr="5."><al>Voorafgaand aan de methode genoemd in het eerste lid, kan het
                                    college de persoon die behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie, voor de duur van maximaal drie maanden,
                                    onbeloonde werkzaamheden laten verrichten bij een
                                    werkgever.</al></li><li nr="6."><al>Het college zal via nadere regels de wijze waarop de loonwaarde
                                    wordt vastgesteld in overeenstemming brengen met de Regeling
                                    loonkostensubsidie Participatiewet, artikel 10e van de
                                    Participatiewet en met afspraken in de arbeidsmarktregio.</al></li></lijst><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien reeds activiteiten worden verricht in het kader van het plan
                                van aanpak als bedoeld in artikel 4, achtste lid van deze
                                verordening, wordt geen tegenprestatie opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een
                                belanghebbende; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de persoonlijke situatie, individuele omstandigheden, talenten,
                                wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging
                                worden genomen bij de bepaling of een tegenprestatie kan worden
                                opgedragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                                additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover
                                die werkzaamheden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                organisatie waarin ze worden verricht;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>niet strijdig zijn met de doelstelling(en) van het plan van aanpak
                                en de toeleiding naar de arbeidsmarkt ondersteunen dan wel in ieder
                                geval niet in de weg staan. </al><lijst><li nr="2."><al>Vrijwilligerswerk dat voldoet aan de voorwaarden van een
                                        tegenprestatie, zoals bedoeld in de wet en in deze
                                        verordening, wordt aangemerkt als een tegenprestatie.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening
                                        nadere regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke
                                        aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan
                                        aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                        daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                        opgenomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur en omvang van de tegenprestatie worden bepaald in het plan
                                van aanpak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal vier uur per week
                                gedurende maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden maximaal
                                viermaal worden opgedragen voor een periode zoals bepaald in lid 2
                                van dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht en voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening indien de toepassing
                                tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Re-integratieverordening gemeente Apeldoorn, vastgesteld op
                                    22 december 2011 en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8
                                    november 2012 wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening gemeente Apeldoorn, die
                                    moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt
                                    deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit
                                    de Re-integratieverordening gemeente Apeldoorn voor de
                                    duur:</al></li><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                    verordening, of;</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                    bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een</al></li></lijst><al>voorziening wordt voortgezet.</al><lijst><li nr="4."><al>De Re-integratieverordening gemeente Apeldoorn blijft van
                                    toepassing ten aanzien van een</al></li></lijst><al>voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede lid. </al><lijst><li nr="5."><al>Aanvragen voor loonkosten- of werkgeverssubsidie of aanvragen om
                                    subsidievaststelling die zijn ingediend onder de Regeling
                                    werkgeverssubsidie 2011 en waarop nog niet is beslist bij het in
                                    werking treden van deze verordening, worden afgehandeld
                                    krachtens de Regeling werkgeverssubsidie 2011.</al></li><li nr="6."><al>Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit op grond van de
                                    Regeling werkgeverssubsidie 2011, wordt beslist met inachtneming
                                    van die regeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.
                                </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    Participatiewet 2015. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 1 april 2015.</al><al>De voorzitter, </al><al>…………………….</al><al>De griffier,</al><al>…………………….</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>De Verordening Participatiewet regelt de ondersteuning die de gemeente
                            biedt bij de arbeidsinschakeling van werklozen die horen tot de
                            doelgroep. De opdracht om die ondersteuning te bieden is geregeld in
                            artikel 7 van de Participatiewet. Het voorschrift om een verordening
                            vast te stellen waarin deze ondersteuning nader vorm wordt gegeven volgt
                            uit artikel 8a Participatiewet.</al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken
                            met de aard van de opdracht die de gemeenteraad heeft gekregen: het bij
                            verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                            van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                            aandacht blijken voor de in de Participatiewet benoemde doelgroepen en
                            de daarbinnen onderscheiden doelgroepen. Dit leent zich niet tot het
                            formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van
                            toepassing zijn. Immers: re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                            afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete
                            geval een passend re-integratieaanbod is. Daarom wordt het college in
                            deze verordening de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen
                            afwegingen te maken.</al><al>Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                            aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door
                            het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                            Verordening Participatiewet. Daarom is ervoor gekozen in de verordening
                            de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                            aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                            verplicht om regels in de verordening op te nemen:</al><lijst><li nr="·"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en
                                    tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="·"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                    (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel
                                    c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="·"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en
                                    10b, vierde lid, van de Participatiewet):</al></li><li nr="·"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Participatiewet).</al></li></lijst><al>Daarnaast bepaalt artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet dat in een verordening regels worden gesteld met
                            betrekking tot het opleggen van een tegenprestatie, als bedoeld in
                            artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de Participatiewet.</al><al>Tenslotte wordt in deze verordening voldaan aan de verplichting in
                            artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. Hierin wordt bepaald dat
                            de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de doelgroep
                            loonkostensubsidie en de loonwaarde, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                            onderdelen e en g van de Participatiewet. Deze regels bepalen in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie behoort; en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al></li></lijst><al>Hierboven is echter geen sprake van een limitatieve opsomming; er kunnen
                            immers ook andere voorzieningen worden ingezet. In de verordening worden
                            er diverse genoemd. De volgorde waarin deze voorzieningen zijn opgenomen
                            zegt niets over de belangrijkheid ervan.</al><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Beleid en algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Dit artikel bevat een aantal begripsbepalingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Beleid en evenwichtige verdeling</titel></kop><al>Het eerste lid draagt het college op om jaarlijks een uitvoeringsplan
                            re-integratie vast te stellen en dit ter kennisname aan de raad te
                            zenden.</al><al>Het college heeft de verantwoordelijkheid voor het bieden van
                            ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                            ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de
                            manier zoals de belanghebbende dat mogelijk zouden willen zien. Bij de
                            bepaling van de ondersteuning zal altijd onderzocht worden wat de
                            mogelijkheden en de capaciteiten van de belanghebbende zijn. Daarnaast
                            wordt rekening gehouden met zorgtaken, zowel voor kinderen onder de vijf
                            als mantelzorg. Het is aan het college om te zorgen voor een voldoende
                            aanbod van re-integratie-voorzieningen, maar het college heeft daarbij
                            te maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning
                            afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische factoren. </al><al>Bij de inzet van ondersteuning wordt rekening gehouden met de aanpalende
                            regelingen die beschikbaar zijn voor de doelgroep binnen het sociale
                            domein. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidie- en Budgetplafonds</titel></kop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in
                            het beleidskader gebeuren (zie het artikel over beleidskader). Het
                            uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om
                            aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken
                            kan de gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.
                            Bij deze verordening is dit geregeld.</al><al>De Participatiewet stelt dat het ontbreken van financiële middelen
                            alleen, geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De
                            gemeente dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven
                            beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond
                            ingesteld kan worden. Wat wél kan is dat per voorziening een plafond
                            wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                            instrument wordt uitgeweken.</al><al>In dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                            plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van
                            de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidskader of
                            in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden
                            gereserveerd.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in
                            het kader van voorzieningen. Daarnaast kan het college op grond van de
                            Algemene subsidieverordening één of meer subsidieplafonds vaststellen
                            voor de voorzieningen die subsidies inhouden. En op grond van de
                            Algemene wet bestuursrecht kan het college bij overschrijding van het
                            subsidieplafond een verzoek om subsidie afwijzen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Algemene uitgangspunten inzet re-integratievoorzieningen</titel></kop><al>In het eerste lid wordt aan het college bevoegdheden gegeven om nadere
                            regels te stellen voor de uitvoering van deze verordening. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat voor niet –uitkeringsgerechtigden
                            (nuggers) in beginsel alleen de algemene voorzieningen van het Werkplein
                            Activerium worden ingezet. In het geval dat het college van mening is
                            dat inzet van een nadere voorziening noodzakelijk is, dan kan worden
                            besloten om een voorziening als bedoeld in Hoofdstuk 2 in te
                            zetten.</al><al>Lid 3 regelt dat een aantal voorzieningen van hoofdstuk 2 die tot de
                            doelgroep behoren. </al><al>De bepalingen van lid 4 tot en met 7 volgen uit de Kadernota
                            Participatiewet en geven de algemene uitgangspunten weer die gehanteerd
                            worden bij de inzet van voorzieningen. </al><al>In de wet is bepaald dat het plan van aanpak, als bedoeld in het achtste
                            lid, twee onderdelen moet bevatten: </al><lijst><li nr="1."><al>een uitwerking van de ondersteuning, indien ondersteuning wordt
                                    verleend;</al></li><li nr="2."><al>de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen
                                    van het niet naleven van die verplichtingen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging re-integratievoorzieningen</titel></kop><al>Dit artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en
                            in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                            verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. </al><al>Het bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                            opgenomen in artikel 5 van deze verordening. Een voorziening wordt
                            bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid
                            aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een
                            uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel
                            34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en
                            36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt
                            dat het bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden
                            gedurende twee aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            is verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Re-integratievoorzieningen</titel></kop><al>Dit artikel geeft een opsomming van mogelijke voorzieningen die door het
                            college kunnen worden ingezet.</al><al>Het bestaan van schulden kan een succesvolle re-integratie in de weg
                            staan. Het is dan van belang om ook de schuldenpositie te verbeteren of
                            te stabiliseren. Vandaar dat nadrukkelijk in dit artikel is aangegeven
                            dat het instrument van schuldhulpverlening bij de Stadsbank kan worden
                            ingezet binnen een traject.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Diagnose-instrument</titel></kop><al>In de meeste gevallen zal voordat tot de inzet van
                            re-integratievoorzieningen wordt besloten een diagnose worden gesteld.
                            Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden alsnog
                            advies van derden in te winnen. Gedacht kan worden aan screening, een
                            medisch belastbaarheidonderzoek en/of een psychodiagnostisch
                            onderzoek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Activeringsprogramma</titel></kop><al>Een activeringsprogramma kan direct na de melding of aanvraag van een
                            uitkering als instrument worden ingezet. Van een belanghebbende wordt
                            verwacht dat hij/zij gedurende maximaal 36 uur per week deelneemt aan
                            het volledige programma. Het programma kan bestaan uit: voorlichting,
                            sollicitatietrainingen, lichte productiewerkzaamheden met behoud van
                            uitkering, bemiddeling en eventuele stages of leerwerkplekken. Tijdens
                            de duur van deze voorziening wordt begeleiding aangeboden. De
                            voorziening kan worden ingezet als een belanghebbende werkritme moet
                            opdoen of behouden. Daarnaast kan het programma als doel hebben de
                            toeleiding naar uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs. Tevens kan het
                            worden ingezet als diagnose-instrument om de capaciteiten, competenties
                            en werkhouding beter in beeld te brengen of de opleidingsmogelijkheden
                            van een belanghebbende vast te stellen. Deelname is verplicht en verzuim
                            heeft tot gevolg dat de uitkering kan worden verlaagd. Gedacht kan
                            worden aan projecten als Kansrijk en Direct Actief.</al><al>De voorziening kan gedurende een beperkte periode worden ingezet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>Directe bemiddeling kan voor een aantal belanghebbenden, die een
                            relatief korte afstand hebben tot de arbeidsmarkt, als voorziening
                            worden ingezet. Een cursus of scholing kan hiermee samengaan. Het doel
                            van bemiddeling is om na een korte actie uitstroom te bereiken. Bij deze
                            voorziening moet een gerede kans aanwezig zijn dat een baan kan worden
                            gevonden voor een belanghebbende. De belanghebbende zal normaliter een
                            niet al te grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Gedacht kan worden
                            aan bemiddeling door Werkgeversdiensten (WGD), Speeddates en
                            Jobhunting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Groepsgerichte aanpak en trainingen</titel></kop><al>In de kadernota is als richtlijn opgenomen dat waar mogelijk een
                            groepsgerichte aanpak en/of training wordt ingezet als voorziening. De
                            belangrijkste motivatie hiervoor ligt in de kosten-baten afweging. Een
                            groepsgerichte aanpak kan gericht zijn op een specifieke doelgroep, maar
                            kan ook gericht zijn op het wegnemen van een gemeenschappelijke
                            belemmering. Daarnaast kan gedacht wordt aan een training die gericht is
                            op een specifieke functie. Gedacht kan worden aan het project jonge
                            moeders, sollicitatietrainingen, aanpak ex-gedetineerde etc. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al>Er is hierbij geen sprake van een arbeidsovereenkomst. De werkgever
                            heeft de intentie om de belanghebbende bij goed functioneren na de
                            proefplaatsing een arbeidsovereenkomst te bieden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><al>Een werkervaringsplaats is geen gewone arbeidsovereenkomst. Er is sprake
                            is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dit is overwegend
                            gericht op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de
                            belanghebbende. Daarnaast is bij een werkervaringsplaats in de regel
                            geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een
                            gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand, mede vanwege het feit
                            dat dit verrekend moet worden met de uitkering die de belanghebbende
                            behoudt gedurende de werkervaringsplaats. </al><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            werkervaringsplaats aanbieden voor zover hij een afstand tot de
                            arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is
                            geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door
                            langdurige werkloosheid. Van langdurige werkloosheid is sprake als een
                            persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer een uitkering
                            ontvangt. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de
                            arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                            persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan
                            kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft en
                            hij tot de doelgroep behoort. </al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding
                            aan te geven. In de werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan
                            aspecten als omgaan met gezag, werkritme en samenwerken met
                            collega’s.</al><al>Een werkervaringsplaats kan voor slechts een korte periode als
                            voorziening wordt aangeboden: in beginsel maximaal 6 maanden. </al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkervaringsplaats uitsluitend wordt
                            verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Detachering</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het
                            aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon
                            een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die
                            derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid
                            wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee
                            vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk. In het derde lid is bepaald dat de detacheringsbaan
                            uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt
                            plaatsvindt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Stage</titel></kop><al>Indien uit de diagnose blijkt dat een belanghebbende bepaalde
                            vaardigheden ontbeert of andere kwalificaties moet behalen dan kan een
                            stage uitkomst bieden. De stage heeft als belangrijkste doel het opdoen
                            van vaardigheden in één of meerdere vakgebieden, waardoor uitstroom naar
                            werk mogelijk wordt gemaakt (training on the job). Naast het opdoen van
                            vaardigheden is een doel van de stage ook het leren werken in een
                            arbeidsrelatie. Een belanghebbende kan wennen aan aspecten als gezag,
                            werkritme en het samenwerken. Een stage kan voor beperkte duur
                            plaatsvinden. Voor de term stage is gekozen om te benadrukken dat het
                            gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het
                            leren werken staat centraal. Er is ook geen sprake van een
                            arbeidsovereenkomst. De werknemer zal geen loonbetaling kunnen
                            afdwingen.</al><al>Belanghebbende behoudt tijdens de duur van de stage een
                            bijstandsuitkering. Denk bij deze voorziening aan projecten zoals de
                            Stagecarrousel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan de werkgever en uitkeringsgerechtigde met een
                            Participatiewetuitkering ondersteuning bieden gedurende
                            dearbeidsovereenkomst of tijdens de proefplaatsing om voortijdige uitval
                            te voorkomen. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin dat de
                            werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn
                            werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                            (jobcoach) heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een
                            situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke
                            voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Het college
                            bepaalt de inzet van persoonlijke ondersteuning. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Ondersteuning bij leerwerktraject</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het college moet dan wel van
                            oordeel zijn dat een leerwerktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                            moet zijn voor het volgen van dat leerwerktraject. Dit is geregeld in
                            artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college
                            uitsluitend ondersteuning bij een leerwerktraject kan aanbieden aan
                            personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leerwerktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Scholing en opleiding</titel></kop><al>Scholing betreft educatie op diverse niveaus. Daarnaast kan ook gedacht
                            worden aan een beroepsgerichte scholing of training die gericht is op
                            het verwerven van functionele vaardigheden voor een specifiek beroep.
                            Dit instrument kan naast andere voorzieningen, maar ook als een
                            zelfstandige voorziening, worden ingezet, en alleen als het verkrijgen
                            van betaald werk zonder dit instrument niet haalbaar is. Daarnaast zal
                            het wel of niet aanwezig zijn van een eventuele baangarantie een
                            belangrijke rol spelen bij de afweging of deze voorziening wordt
                            ingezet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Individuele Re-integratie Overeenkomst</titel></kop><al>Een uitgangspunt van het re-integratiebeleid van de gemeente is (het
                            herwinnen van) de eigen zelfredzaamheid van de klant. Het
                            re-integratietraject moet de kortste weg naar arbeidsinschakeling zijn.
                            De belanghebbende kan hiervoor ondersteuning en een voorziening krijgen
                            van de gemeente. Soms heeft een belanghebbende deze ondersteuning nodig,
                            soms heeft hij/zij zelf duidelijke ideeën hoe het snelste kan worden
                            gereïntegreerd. Voor die belanghebbende bestaat sinds 1 februari 2006,
                            de mogelijkheid van het afsluiten van een Individuele Re-integratie
                            Overeenkomst (IRO). Een belanghebbende kan zelf een voorstel van een
                            traject indienen. Het college (gemandateerden) beoordeelt dit verzoek en
                            toetst of het traject bijdraagt aan een succesvolle re-integratie. De
                            tijd die ermee is gemoeid en de investering die het vergt worden hierbij
                            afgewogen. Indien een ander traject naar het oordeel van het college
                            betere mogelijkheden biedt op uitstroom, dan kan afwijzend worden
                            beslist op het verzoek van belanghebbende. In alle gevallen is de
                            kortste weg naar arbeid bepalend. </al><al>Het traject kan bestaan uit het inschakelen van een re-integratiebedrijf
                            maar ook het volgen van scholing behoort tot de mogelijkheden. In het
                            geval een belanghebbende wordt begeleid door een geregistreerd
                            re-integratiebedrijf dan wordt in een overeenkomst de afspraken (rechten
                            en plichten) vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Participatieplek</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2009 is de Participatieplaats opgenomen in de
                            wet (artikel 10a Participatiewet). Deze voorziening kende de gemeente
                            Apeldoorn al geruime tijd voor 1 januari 2009. Een
                            participatieplaats/plek wordt ingezet voor mensen aan de onderkant van
                            de arbeidsmarkt. Het betreft een vorm van werken met behoud van
                            uitkering waarbij begeleiding wordt geboden onder verantwoordelijkheid
                            van het college.</al><al>De werkzaamheden binnen een participatieplaats zijn additioneel van
                            aard. Additionaliteit houdt in dat het een speciaal gecreëerde functie
                            betreft of een reeds bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde
                            alleen met speciale begeleiding kan verrichten. </al><al>De duur van een participatieplek is in beginsel een jaar., vervolgens
                            kan worden overwogen om de participatieplek te verlengen met maximaal
                            een jaar. Dit mag echter geen automatisme zijn omdat de duur immers zo
                            kort mogelijk dient te zijn. De premie van 50 euro per zes maanden wordt
                            uit efficiencyoogpunt, berekend en betaalbaar gesteld na beëindiging van
                            de participatieplek.</al><al>Denk bij deze voorziening aan de Participatiespringplank.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Sociale Activering</titel></kop><al>Onder de belanghebbenden bevinden zich ook mensen die een (zeer) grote
                            afstand hebben tot de arbeidsmarkt waarbij niet direct een traject
                            gericht op arbeid kan worden ingezet. Sociale activering is voor deze
                            mensen de eerste stap richting een op werk gericht traject. Als deze
                            niet haalbaar is, moet worden voorkomen dat deze mensen buitengesloten
                            raken, en wel blijven participeren in het maatschappelijke verkeer. Voor
                            een deel van de belanghebbenden kan sociale activering de eerste stap
                            zijn naar een reguliere baan. Denk hierbij aan individuele afspraken met
                            de klantmanager participatie gericht op maatschappelijk actief worden
                            en/of blijven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><al>Onder de WWB zijn deze subsidies geheel vormvrij geworden. Het beleid
                            van de gemeente rond subsidies komt in bijbehorende regeling tot
                            uitdrukking. Dit is in het kader van de Participatiewet eveneens nog van
                            kracht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>No risk-polis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet).
                            De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij
                            werkgevers weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te
                            nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie
                            ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                            arbeidsbeperkingen ziek wordt. </al><al>Een werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel
                            29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid,
                            onderdeel b van de Wet). De no-riskpolis is een verzekering waarbij de
                            werkgever bij ziekte van de werknemer die een structurele functionele of
                            andere beperking heeft of ten behoeve van wie die werkgever een
                            loonkostensubsidie ontvangt als bedoeld in artikel 10d van de Wet, in
                            aanmerking komt voor de no-riskpolis. </al><al>In het eerste lid zijn de voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet
                            worden om als werkgever in aanmerking te komen voor een no-riskpolis.
                            Eén van die voorwaarden is dat voor inzet van de no-riskpolis vereist is
                            dat de werknemer behoort tot de doelgroep van de Wet en hij een
                            structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem
                            de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Wet ontvangt. Van een structurele functionele of andere beperking is
                            bijvoorbeeld sprake indien de persoon een medische urenbeperking heeft
                            (zie artikel 6b van de Participatiewet). Ook ligt voor de hand dat de
                            werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de gemeente Apeldoorn. </al><al>In het tweede lid is de hoogte van de vergoeding geregeld. De
                            no-riskpolis vergoedt in het eerste ziektejaar tussen de 70% en 100% van
                            het dagloon en in het tweede jaar 70% van het dagloon. De vergoeding in
                            het eerste jaar (verschil tussen 70% en 100%) is afhankelijk van de
                            afspraken die gemaakt zijn over de doorbetaling van het loon in het
                            eerste ziektejaar in bijvoorbeeld een collectieve arbeidsovereenkomst
                            (cao). Dit kan in sommige gevallen lager zijn dan 100%. Het dagloon kent
                            daarnaast een maximum. Deze bedraagt per 1 januari 2015 € 199,15. </al><al>Bij de berekening van het uit te keren bedrag wordt aangesloten bij de
                            regels zoals deze zijn vastgelegd in onder andere de Ziektewet en het
                            dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Dit zijn ook de regels/wetgeving
                            waar het UWV zich op baseert bij de ziekte-uitkering in het kader van de
                            no risk-polis voor een persoon met een Wajong of Wsw indicatie. </al><al>In het derde lid is geregeld dat de uitvoering van de no risk-polis is
                            uitbesteed aan het UWV (werkgever doet ziekmelding bij het UWV en UWV
                            keert uit). </al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat de no risk-polis op de eerste
                            werkdag inwerking treedt (ingangsdatum arbeidsovereenkomst) met een duur
                            van 5 jaar. Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft
                            verdiend, dus zonder inzet van loonkostensubsidie, gaat de
                            verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut
                            Werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet van
                            toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Participatievoorziening beschut werken</titel></kop><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om deze voorziening in te
                            zetten. Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                            legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                            stelt. Het aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en
                            beschikbare plaatsen bij werkgevers, waarbij zowel voltijd als
                            deeltijdwerk tot de mogelijkheden behoort. Daarom moet het college
                            overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen
                            bepalen. Het college kan de voorziening beschut werken aanbieden aan een
                            persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of
                            psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                            aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever
                            redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt. </al><al>De volgende stappen zijn van belang:</al><lijst><li nr="1."><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de
                                    gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt
                                    het college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut
                                    werk, en op welk moment. Het college kan ambtshalve vaststellen
                                    of een belanghebbende uitsluitend in een beschutte omgeving
                                    onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                                    Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van de
                                    belanghebbende nodig. Het college maakt uit de personen uit de
                                    doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het UWV advies
                                    inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen
                                    uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.
                                </al></li><li nr="2."><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of
                                    een belanghebbende tot de doelgroep beschut werk behoort. Het
                                    UWV voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit
                                    (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al></li><li nr="3."><al>Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of
                                    iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als
                                    sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies
                                    van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies niet te
                                    volgen. </al></li><li nr="4."><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk'
                                    behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een
                                    dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat
                                    (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan
                                    gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke
                                    dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                                    behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een
                                    dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden georganiseerd via een
                                    gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen personen
                                    (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere
                                    werkgevers werken.</al><al></al></li></lijst><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn
                            in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor
                            arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te
                            maken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>In dit artikel gaat het om een andere vorm van loonkostensubsidie dan de
                            vorm van werkgeversubsidie zoals omschreven in artikel 21 van de
                            verordening. De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening
                            kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel e, van de Participatiewet: mensen met een arbeidsbeperking.
                            Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk,
                            maar kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit
                            instrument compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde
                            productiviteit van de werknemer.</al><al>Het gaat hier om de loonkostensubsidie zoals deze in artikel 10d
                            Participatiewet is opgenomen. Het college kan op verzoek of ambthalve
                            vaststellen wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Personen
                            zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Participatiewet,
                            die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is
                            vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het
                            verdienen van het wettelijk minimumloon, behoren tot de doelgroep van de
                            loonkostensubsidie (artikel 6, eerste lid, onderdeel e,
                                Participatiewet<vet>). </vet></al><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie kan het college zich laten adviseren door het UWV.
                            Het college draagt personen voor die zouden kunnen behoren tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV adviseert en neemt daarbij
                            eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. </al><al>Het college maakt gebruik van een vast te stellen methode om de
                            loonwaarde van een persoon te bepalen. In artikel 10d, eerste lid, van
                            de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een
                            dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde
                            van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De
                            vaststelling van de loonwaarde kan ondersteund worden door een persoon
                            voor de duur van maximaal drie maanden onbeloonde werkzaamheden te laten
                            verrichten bij een werkgever, alvorens de loonwaardebepaling plaats te
                            laten vinden. </al><al>De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking
                            waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever
                            bezwaar en beroep kan instellen. </al><al>Het college is op grond van deze verordening bevoegd om nadere regels in
                            verband met artikel 25 te stellen. Lagere regelgeving, bedoeld in
                            artikel 10e van de Participatiewet en afspraken in de arbeidsmarktregio
                            zullen daar aanleiding toe geven. </al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college
                            loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van
                            de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                            een tegenprestatie te verrichten. Een belanghebbende van 18 jaar of
                            ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag
                            van melding gehouden een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd
                            in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet. De
                            tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college
                            opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                            verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet
                            leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Uiteindelijk is het aan het college om te bepalen of, en zo ja welke
                            tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een dergelijk besluit kan bezwaar
                            en beroep worden aangetekend.</al><al>Artikel 25, eerste lid, bepaalt dat het college een belanghebbende met
                            een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie kan
                            opleggen.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat wanneer er al activiteiten worden verricht in
                            het kader van een vastgesteld plan van aanpak, het college geen
                            tegenprestatie opdraagt. </al><al>Het derde lid bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien
                            geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn.
                            Het college kan verder van rechtswege afzien van het opleggen van een
                            tegenprestatie als hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Dan kan een
                            tijdelijke ontheffing worden verleend van de plicht tot het verrichten
                            van een tegenprestatie. De verplichting tot het verrichten van een
                            tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig
                            en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid,
                            Participatiewet). Ook is de verplichting tot tegenprestatie niet van
                            toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                            ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, Participatiewet.</al><al>In lid 4 wordt aangegeven dat een eventuele op te dragen tegenprestatie
                            zoveel mogelijk aansluit bij de talenten en mogelijkheden van de
                            belanghebbende. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen.</al><al>Artikel 26 van de verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                            inhoud van de tegenprestatie. Het college moet maatwerk toepassen bij
                            het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met
                            de individuele omstandigheden van de belanghebbende, waaronder leeftijd,
                            opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden.
                            De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’.</al><al>In dit artikel wordt gesproken over additionele werkzaamheden. Het moet
                            gaan om onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader
                            van de tegenprestatie die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden,</al><al>De in artikel 26, eerste lid, genoemde voorwaarden voor de onbeloonde
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden,zijn gebaseerd op de belangrijkste
                            kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire
                            geschiedenis. In nadere regels stelt het college vast welke
                            werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden
                            ingezet.</al><al>Van belang is dat in dit artikel aandacht wordt besteed aan de positie
                            van vrijwilligerswerk dat door de belanghebbende wordt verricht. Als dit
                            vrijwilligerswerk voldoet aan de eisen die in de wet en in deze
                            verordening aan de tegenprestatie worden gesteld, dan wordt het
                            vrijwilligerswerk als een tegenprestatie aangemerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                            duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                            Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in
                            acht nemen. Artikel 27 van de verordening stelt voorwaarden ten aanzien
                            van de duur en omvang van de tegenprestatie.</al><al>Lid 2 geeft de maximale duur in maanden en een maximale duur in uren per
                            week weer. Daarnaast wordt in lid 3 nog geregeld dat een tegenprestatie
                            in een periode van 12 maanden viermaal verlengd kan worden voor de
                            periode zoals bepaald in lid 2 van het artikel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Er wordt geen tegenprestatie opgedragen als een belanghebbende
                            mantelzorg verricht en het college het verrichten hiervan
                            redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid
                            uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet
                            maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                            mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg
                            zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een
                            belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het
                            verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs
                            noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen
                            tegenprestatie op.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk voor het college beslissingen
                            te nemen in situaties waarin deze verordening niet voorziet dan wel in
                            situaties waarin een strikte toepassing tot onbillijkheden zou leiden.
                            Vanzelfsprekend moet er sprake zijn van zeer bijzondere
                            omstandigheden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 30 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                            voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                            grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                            voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de
                            situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die
                            na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook
                            is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude
                            re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                            voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer.
                            De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid,
                            van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in
                            artikel 30, tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden
                            behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt
                            behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als dit eerder is
                            - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt
                            voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening gemeente
                            Apeldoorn. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de
                            voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen
                            aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De
                            periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van
                            inwerkingtreding van deze verordening.</al><al> Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening
                            gemeente Apeldoorn worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na
                            inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het
                            college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 30, derde
                            lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten
                            overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor
                            de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke
                            voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de
                            voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                            inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                            overeenkomst.</al><al> Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet
                            mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het
                            niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van
                            de Re-integratieverordening gemeente Apeldoorn of als de voorziening is
                            toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van
                            de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden
                            voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening
                            gemeente Apeldoorn van toepassing (artikel 30, vierde lid, van deze
                            verordening).]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel intrekking</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>