<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36444_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening Vlissingen 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2008, II.01</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening Vlissingen 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 en 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2008-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-07-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels subsidie 2008</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de 'Algemene Subsidieverordening Vlissingen 1998'.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING VLISSINGEN 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>A.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Activiteit: De activiteit die door de instelling zal worden
                                        uitgevoerd en die door het gemeentebestuur kan worden
                                        gesubsidieerd.</al></li><li nr="b."><al>Activiteitenplan: Een overzicht van de activiteiten
                                        overeenkomstig artikel 4:62 van de wet.</al></li><li nr="c."><al>Beleidsterrein: Een door de gemeenteraad als zodanig
                                        aangemerkt geheel van samenhangende activiteiten.</al></li><li nr="d."><al>Bestemmingsreserve: Bestanddeel uit eigen vermogen dat
                                        bestemd is om in de toekomst beoogde specifieke activiteiten
                                        te kunnen bekostigen.</al></li><li nr="e."><al>College: Het college van burgemeester en wethouders van
                                        Vlissingen.</al></li><li nr="f."><al>Deelterrein: Een door de raad als zodanig aangemerkt geheel
                                        van activiteiten binnen een bepaald beleidsterrein.</al></li><li nr="g."><al>Egalisatiereserve: Vermogensbestanddelen die worden
                                        opgenomen om in de toekomst fluctuaties in de
                                        (exploitatie)kosten op te vangen.</al></li><li nr="h."><al>Gemeente: De gemeente Vlissingen.</al></li><li nr="i."><al>Instelling: De subsidievrager.</al></li><li nr="j."><al>Prestatie: In meetbare eenheden omschreven resultaten.</al></li><li nr="k."><al>Professionele instelling: Een instelling wier taken
                                        voornamelijk worden uitgevoerd door één of meer personen in
                                        dienst op grond van een landelijke CAO of een anderszins
                                        centraal dan wel decentraal gereguleerde
                                        arbeidsovereenkomst, of als zodanig door het college is
                                        aangewezen.</al></li><li nr="l."><al>Niet-professionele instelling: Een instelling wier taken
                                        voornamelijk uitgevoerd worden door één of meer
                                        vrijwilligers of als zodanig aangewezen door het
                                        college.</al></li><li nr="m."><al>Raad: De gemeenteraad van Vlissingen.</al></li><li nr="n."><al>Rechtspersoon: Een rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 van
                                        het Burgerlijk Wetboek die zich, zonder winstoogmerk, de
                                        behartiging van de belangen van ideële of materiële aard van
                                        (een deel van) de bevolking van de gemeente Vlissingen ten
                                        doel stelt.</al></li><li nr="o."><al>Subsidie: De aanspraak op financiële middelen zoals
                                        geformuleerd in artikel 4:21 van de wet.</al></li><li nr="p."><al>Subsidieprogramma: Het door het college vastgestelde
                                        overzicht van subsidiabele maxima per beleidsterrein, dan
                                        wel deelterrein, en de verdeling naar de professionele en
                                        niet-professionele instellingen, een en ander in samenhang
                                        met de ingediende activiteitenplannen. Dit subsidieprogramma
                                        verschijnt onder de titel ‘Subsidieprogramma gemeente
                                        Vlissingen.</al></li><li nr="q."><al>Subsidieperiode: Het in de beschikking tot subsidieverlening
                                        of de uitvoeringsovereenkomst bepaalde, respectievelijk
                                        overeengekomen tijdvak waarvoor de subsidie is verstrekt.
                                        Dit tijdvak is met betrekking tot subsidies van structurele
                                        aard, zoals genoemd in artikel 4:51 van de wet, gelijk aan
                                        een kalenderjaar.</al></li><li nr="r."><al>Uitvoeringsovereenkomst: De overeenkomst die in de zin van
                                        artikel 4:36 van de wet tussen de instelling en het
                                        gemeentebestuur kan worden gesloten ter uitwerking van de
                                        beschikking tot subsidieverlening. In een
                                        uitvoeringsovereenkomst worden in ieder geval
                                        aangegeven:</al><lijst><li nr="1."><al>De looptijd van de subsidie.</al></li><li nr="2."><al>De beoogde prestaties.</al></li><li nr="3."><al>De doelgroep(en) met betrekking tot de te
                                                ontwikkelen activiteiten en te verrichten
                                                prestaties.</al></li></lijst></li><li nr="s."><al>Voorziening: Vermogensbestanddelen die worden gevormd voor
                                        toekomstige kosten die een periode van twee of meer jaren
                                        omvatten en die niet binnen de jaarlijkse exploitatie
                                        opgevangen kunnen worden, nu reeds te voorzien zijn,
                                        onvermijdelijk zijn, hun oorzaak in het verleden hebben en
                                        kwantificeerbaar en berekenbaar zijn.</al></li><li nr="t."><al>Vrijwilliger: Een persoon die niet op grond van een
                                        arbeidsovereenkomst en die anders dan beroepsmatig actief is
                                        ten behoeve van een instelling.</al></li><li nr="u."><al>Wet: Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte van de verordening / bevoegdheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op alle subsidieaanvragen aan
                                    en subsidiebesluiten van het college die betrekking hebben op
                                    professionele en niet-professionele instellingen, werkzaam op de
                                    door de raad bepaalde beleidsterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de in het eerste lid genoemde beleidsterreinen behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>Welzijn</al></li><li nr="b."><al>Zorg</al></li><li nr="c."><al>Onderwijs</al></li><li nr="d."><al>Cultuur</al></li><li nr="e."><al>Monumenten</al></li><li nr="f."><al>Vrijwilligersbeleid en Mantelzorg</al></li><li nr="g."><al>Jaarlijks door het college in het Subsidieprogramma
                                            nader te benoemen andere beleidsterreinen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Rechtspersoonlijkheid / rechtsbevoegdheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie kan in beginsel slechts worden verstrekt aan
                                    rechtspersonen met een volledige rechtsbevoegdheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het college, in afwijking van het
                                    gestelde in het eerste lid, incidentele subsidie verlenen aan
                                    instellingen zonder volledige rechtsbevoegdheid of (een groep
                                    van) natuurlijke personen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in deze verordening opgenomen bepalingen vinden, voor zover
                                    mogelijk, overeenkomstige toepassing op de in artikel 3, tweede
                                    lid, genoemde instellingen en natuurlijke personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag door een niet volledige rechtsbevoegdheid
                                    bezittende rechtspersoon dient ondertekend te zijn door ten
                                    minste twee, van deze rechtspersoon deel uitmakende, natuurlijke
                                    personen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De beslissing op de aanvraag zoals genoemd in het vierde lid,
                                    wordt te naam gesteld van de personen die de aanvraag om
                                    subsidie hebben ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Te subsidiëren activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een beleidsregel kunnen de activiteiten waarvoor subsidie
                                    kan worden verstrekt nader worden bepaald, alsmede andere
                                    criteria, die voor die verstrekking gelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beleidsregels zijn van toepassing op de beleidsterreinen
                                    welzijn, zorg, onderwijs, cultuur, vrijwilligersondersteuning en
                                    mantelzorg en, indien daartoe naar het oordeel van het college
                                    aanleiding is, jaarlijks door het college in het
                                    Subsidieprogramma nader te benoemen andere
                                    beleidsterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidiëring van activiteiten vindt slechts plaats voor zover
                                    deze naar de mening van het college in voldoende mate van een
                                    direct aanwijsbaar belang voor de gemeente en haar inwoners
                                    zijn, en die door het college als subsidiabel worden
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet subsidiabel zijn in ieder geval activiteiten die
                                    partijpolitiek, godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard
                                    zijn, voortvloeien vanuit partijpolitieke, godsdienstige of
                                    levensbeschouwelijke motieven dan wel een vorming of een
                                    verspreiding ter zake tot doel hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Subsidiëring van activiteiten vindt in ieder geval niet plaats
                                    indien de instelling zelf in de kosten daarvan kan voorzien,
                                    hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden of een
                                    combinatie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten aanzien van subsidies van zowel structurele als incidentele
                                    aard worden jaarlijks door het college, aansluitend aan de
                                    vaststelling van de begroting, per functie / product
                                    subsidieplafonds vastgesteld. Aanvragen om een incidentele
                                    subsidie geschieden met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                    14.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 4:24 van de wet is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Algemene verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling dient geen winst te beogen met betrekking tot
                                    activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen inzake het werken met
                                    vrijwilligers, de toegankelijkheid van gesubsidieerde
                                    activiteiten, het betrekken van deelnemers en gebruikers,
                                    alsmede vrijwilligers en beroepskrachten bij het beleid van de
                                    instelling alsmede het gebruik van gemeentelijke dan wel door de
                                    gemeente gesubsidieerde accommodaties ten behoeve van door de
                                    gemeente gesubsidieerde activiteiten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt slechts verstrekt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De Europese, rijks- of provinciale gelden die op het
                                            moment van de vaststelling van de gemeentebegroting als
                                            bijdrage in de kosten van uitvoering van het beleid
                                            verwacht mochten worden ook daadwerkelijk worden
                                            verkregen.</al></li><li nr="b."><al>De instelling kan aantonen dat er behoefte is aan de
                                            door de instelling georganiseerde dan wel voorgenomen
                                            activiteiten. Met betrekking tot deze voorwaarden kan
                                            door het college ontheffing worden verleend ten aanzien
                                            van incidentele subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidieverlening kan, naast op de in artikel 4:35 van de wet
                                    genoemde gronden, geweigerd worden als er gegronde redenen
                                    bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>De activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen
                                            zijn op de uitvoering van het gemeentelijke beleid en
                                            niet aanwijsbaar ten goede zullen komen aan de
                                            ingezetenen van de gemeente.</al></li><li nr="b."><al>De instelling niet of niet tijdig alle wettelijk
                                            voorgeschreven dan wel door de subsidieverstrekker
                                            gevraagde informatie verstrekt die naar het oordeel van
                                            de subsidieverstrekker nodig is voor de beoordeling van
                                            het subsidieverzoek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De structurele subsidieverstrekking aan een instelling kan op
                                    grond van algemene financiële of beleidsinhoudelijke
                                    overwegingen worden beëindigd of verminderd op grond van een
                                    door het college te nemen besluit bij vaststelling van het
                                    subsidieprogramma.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de instelling schriftelijk in kennis van het
                                    voornemen zoals genoemd in artikel 7, derde lid, tenminste zes
                                    maanden voorafgaand aan het jaar waarop de beschikking
                                    betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidieverstrekking aan een instelling wordt in ieder geval
                                    beëindigd wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>De instelling bij rechterlijk vonnis wordt
                                            ontbonden.</al></li><li nr="b."><al>Bij de instelling conservatoir beslag is gelegd op het
                                            vermogen of een deel ervan.</al></li><li nr="c."><al>Aan de instelling surséance van betaling is
                                            verleend.</al></li><li nr="d."><al>Het faillissement over de instelling is
                                            uitgesproken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Vaststelling subsidieplafonds</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt, na het door de raad vaststellen van de
                                        begroting, de subsidieplafonds vast conform afdeling 4.2.2
                                        van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de in artikel 8, eerste lid, genoemde
                                        subsidieplafonds wijzigen indien voor de desbetreffende
                                        begrotingspost of het voor het desbetreffende beleidsterrein
                                        ofdeelterrein beschikbare budget:</al><al>a. Tussentijds wordt verhoogd.</al><al>b. Tussentijds wordt verlaagd.</al></li><li nr="5."><al>Het college maakt jaarlijks, in het kader van de
                                        voorbereiding van de begrotingsbehandelingen, zo mogelijk
                                        voor 1 mei voorafgaand aan het jaar waarop de
                                        subsidieaanvragen betrekking hebben, het op de
                                        subsidieverstrekking te hanteren indexpercentage bekend aan
                                        de professionele instellingen en de daaruit voortvloeiende
                                        maximaal te verstrekken subsidies. Een en ander onder
                                        begrotingsvoorbehoud en voorbehoud betreffende de
                                        vaststelling van de subsidieplafonds door de raad.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Deze, onder begrotingsvoorbehoud, maximaal te verstrekken
                                        subsidies gaan uit van:</al><lijst><li nr="a."><al>Het door de raad vastgestelde beleid over het
                                                komende jaar of de komende jaren.</al></li><li nr="b."><al>De activiteitenplannen van de instellingen die
                                                betrekking hebben op de lopende subsidieperiode en
                                                de daarop gebaseerde begrotingen.</al></li><li nr="c."><al>De in de meerjarenbegroting opgenomen financiële
                                                middelen per beleidsterrein.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De instellingen dienen de inhoud van hun activiteitenplan en
                                        het daaruit voortvloeiende subsidiebedrag af te stemmen op
                                        het gestelde in artikel 8, derde lid.</al></li><li nr="6."><al>Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan is artikel
                                        13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vaststelling Subsidieprogramma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt, na vaststelling van de begroting door de raad
                                    en het door haar vaststellen van de subsidieplafonds, het
                                    Subsidieprogramma vast voor het desbetreffende
                                    begrotingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit in het eerste lid genoemde programma bevat een overzicht
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>De beleidsvoornemens op het gebied van welzijn, zorg,
                                            sport, cultuur, vrijwilligersbeleid en mantelzorg in het
                                            jaar waarop het programma betrekking heeft.</al></li><li nr="b."><al>De activiteiten die in dat jaar voor subsidie in
                                            aanmerking komen en het daarvoor maximaal ter
                                            beschikking bestaande subsidiebudget per
                                            instelling.</al></li><li nr="c."><al>De doelen die door middel van de subsidie dienen te
                                            worden nagestreefd.</al></li><li nr="d."><al>De doelgroepen waarop de activiteiten gericht zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Subsidieprogramma wordt jaarlijks vastgesteld op basis van
                                    de door de instellingen ingediende activiteitenprogramma’s en
                                    begrotingen, de door de raad vastgestelde subsidieplafonds en de
                                    door het college vastgestelde subsidiebudgetten op
                                    instellingsniveau.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Subsidiesoorten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als soorten van subsidie worden onderscheiden:</al><al>a. Structurele subsidies:</al><al>• Waarderingssubsidie: een subsidie die gericht is op het
                                        mee in standhouden van een niet professionele instelling
                                        door middel van een nader te bepalen genormeerd
                                        subsidiebedrag. Dit ten behoeve van het uitvoeren van in het
                                        gemeentelijke beleid passende activiteiten. De normbedragen
                                        worden jaarlijks door het college vastgesteld en opgenomen
                                        in het Subsidieprogramma. Deze genormeerde bedragen hoeven
                                        qua hoogte geen relatie te hebben met de aard en omvang van
                                        de activiteiten. Waarderingssubsidies worden bij verlening
                                        vastgesteld.</al><al>• Structurele activiteitensubsidie: een subsidie om
                                        activiteiten van structurele aard uit te voeren. Structureel
                                        van aard houdt in dat de subsidieontvanger voor drie of meer
                                        achtereenvolgende jaren subsidie ontvangt voor dezelfde of
                                        in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten.</al><al>• Budgetsubsidie: een subsidie waarbij de instelling een
                                        bedrag krijgt toegewezen om een tevoren overeengekomen
                                        activiteitenplan uit te voeren. Een en ander kan worden
                                        vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst.</al><al>b. Incidentele subsidies:</al><al>• Incidentele activiteitensubsidie: een subsidie om
                                        activiteiten van eenmalige, incidentele aard uit te voeren.
                                        Tot incidentele activiteiten behoren projecten.</al><al>• Investeringssubsidie: een subsidie als tegemoetkoming in
                                        de kosten die gepaard gaan met het doen van investeringen.
                                    </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De voorwaarden waaronder en de vorm waarin met betrekking
                                        tot de verschillende subsidiesoorten subsidie wordt verleend
                                        zijn opgenomen in de Beleidsregels Subsidieverstrekking
                                        gemeente Vlissingen 2008 en het Subsidieprogramma.</al></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt welke subsidiesoort op welke aanvraag
                                        tot subsidieverlening betrekking heeft en kan per
                                        subsidiesoort door de aanvrager van subsidie te hanteren
                                        subsidieaanvraagformulieren vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de structurele activiteitensubsidies en de
                                    budgetsubsidies worden ten aanzien van de professionele
                                    instellingen de volgende subsidiabele kosten onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>Personeelskosten.</al></li><li nr="b."><al>Huisvestingskosten.</al></li><li nr="c."><al>Organisatie- en materiële kosten.</al></li><li nr="d."><al>Activiteitenkosten.</al></li><li nr="e."><al>Afschrijvingskosten.</al></li><li nr="f."><al>Gemeentelijke belastingen en heffingen.</al></li><li nr="g."><al>Accountantskosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid worden
                                    de volgende baten in mindering gebracht:</al><lijst><li nr="a."><al>Eigen bijdragen van leden of deelnemers.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Ontvangsten van renten en beleggingen.</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Ontvangsten van derden voor verrichte diensten.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Uitkeringen van verzekeringen.</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Andere inkomsten waaronder sponsoring en donaties van
                                            gelieerde organisaties en instellingen.</al></li></lijst><al>De baten worden in mindering gebracht op de kostensoorten waarop
                                    zij betrekking hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Niet in mindering gebracht worden de baten van incidentele
                                    acties die er specifiek op zijn gericht inkomsten te verwerven,
                                    met in achtneming van het gestelde in de artikelen 19 en 20
                                    betreffende de egalisatie- en risicoreserve.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Van toepassingverklaring afdeling 4.2.8 van de wet inzake per
                                    boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afdeling 4.2.8 van de wet is van toepassing op budgetsubsidies.
                                    Het college kan bepalen dat afdeling 4.2.8 van de wet ook op
                                    andere aanvragen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvangers van een structurele subsidie, anders dan
                                    een waarderingssubsidie, behoeven de toestemming van het college
                                    voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 4:76 is van toepassing op het financiële verslag van de
                                    ontvangers van een budgetsubsidie. Het college kan bepalen dat
                                    artikel 4:76 van de wet ook op andere ontvangers van subsidie
                                    van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de wet,
                                            onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan
                                            de subsidie verbonden verplichtingen alsmede in hoeverre
                                            de beoogde doelmatigheid, doeltreffendheid en de
                                            effecten betreffende de subsidies in de praktijk zijn
                                            gerealiseerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Het college stelt een aanwijzing over de reikwijdte en
                                            de intensiteit van de controle, als bedoeld in artikel
                                            4:78, tweede lid van de wet, vast.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>B.</nr><titel>De aanvraag tot subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tijdstip indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> Een aanvraag tot verlening van een waarderingssubsidie
                                            wordt ingediend vóór 1 juni voorafgaand aan het
                                            boekjaar.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Een aanvraag tot verlening van een incidentele
                                            activiteitensubsidie wordt ten minste twaalf weken
                                            voordat de activiteiten beginnen ingediend.</al></li><li nr="c."><al>Een aanvraag tot verlening van een structurele
                                            activiteitensubsidie wordt ingediend vóór 1 juni
                                            voorafgaand aan het boekjaar.</al></li><li nr="d."><al>Een aanvraag tot verlening van een budgetsubsidie wordt
                                            ingediend vóór 1 juni voorafgaand aan het boekjaar
                                            waarvoor subsidie wordt aangevraagd.</al></li><li nr="e."><al>Een aanvraag tot verlening van een investeringssubsidie
                                            wordt ingediend zestien weken voorafgaand aan het moment
                                            waarop bij de gemeente de bouwvergunning wordt
                                            aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een aanvraag tot subsidieverlening niet op de in het
                                    eerste lid genoemde tijdstippen is ingediend zal het college
                                    besluiten deze aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit geldt
                                    eveneens ten aanzien van aanvragen die weliswaar tijdig maar
                                    niet volledig zijn ingediend. Alvorens hiertoe te besluiten
                                    geeft het college de instelling een termijn waarbinnen men het
                                    verzuim kan herstellen. Indien daaraan binnen de gestelde
                                    termijn niet is voldaan, kan het college besluiten de aanvraag
                                    niet in behandeling te nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vereisten aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie bevat naast de in artikel 4:2, eerste
                                    lid van de wet en – indien van toepassing – artikel 4:61 van de
                                    wet genoemde gegevens, ter uitwerking van artikel 4:2, tweede
                                    lid van de wet:</al><lijst><li nr="a."><al>Naam en adres van de instelling.</al></li><li nr="b."><al>Samenstelling van het bestuur en de wijzigingen daarin
                                            ten opzichte van de vorige subsidieaanvraag.</al></li><li nr="c."><al>Voorgenomen en doorgevoerde wijzigingen van de
                                            statuten.</al></li><li nr="d."><al>Een activiteitenplan.</al></li><li nr="e."><al>Een raming van de met de in het activiteitenplan
                                            vermelde activiteiten, samenhangende inkomsten en
                                            uitgaven.</al></li><li nr="f."><al>Een inhoudelijk en financieel verslag van het boekjaar
                                            voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt
                                            ingediend.</al></li><li nr="g."><al>Gegevens over de aard en omvang van het eigen vermogen
                                            van de instelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Extra gegevens aanvraag structurele activiteitensubsidie:</al><al>Naast de in het eerste lid genoemde gegevens bevat een aanvraag
                                    om een structurele activiteitensubsidie een beschrijving van
                                    bestuurlijke, organisatorische dan wel andersoortige
                                    verhoudingen met andere instellingen. Het in het eerste lid
                                    onder f. bedoelde verslag bevat een verslag van het meest
                                    recente boekjaar. Dit verslag bevat ten minste een door het
                                    bestuur van de instelling gewaarmerkte jaarrekening. De
                                    jaarrekening bestaat uit een balans, een staat van baten en
                                    lasten en een toelichting daarop. Daarnaast bevat de aanvraag
                                    tot subsidieverlening een beschrijving van de beoogde resultaten
                                    en effecten van de activiteiten in relatie tot de gestelde
                                    doelen, uitgedrukt in meetbare resultaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Extra gegevens aanvraag budgetsubsidie:</al><al>Naast de in het eerste lid genoemde gegevens bevat een aanvraag
                                    om een budgetsubsidie tevens:</al><lijst><li nr="a."><al>Een beschrijving van de beoogde resultaten en effecten
                                            van de activiteiten in relatie tot de gestelde doelen,
                                            uitgedrukt in meetbare resultaten.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Een begroting van de baten en lasten van het lopende
                                            boekjaar, het volgende boekjaar en een toelichting
                                            daarop.</al></li><li nr="c."><al>Een globaal inhoudelijk en financieel plan voor de
                                            volgende drie boekjaren.</al></li><li nr="d."><al>Een beschrijving van bestuurlijke, organisatorische dan
                                            wel andersoortige verhoudingen met andere instellingen
                                            en de wijze van samenwerking daarbij.</al></li><li nr="e."><al>Een opgave van de subsidiemogelijkheden die de
                                            instelling bij de gemeente of bij derden heeft openstaan
                                            en van de mate waarin hiervan gebruik is of zal worden
                                            gemaakt.</al></li><li nr="f."><al>Een opgave van de met de instelling gelieerde
                                            instellingen, alsmede van de aard van die betrekkingen
                                            met die instellingen, waarbij onder gelieerde
                                            instellingen in ieder geval wordt verstaan:</al><lijst><li nr="i.1."><al>Instellingen waaraan de instelling die subsidie
                                                  aanvraagt in het verleden om niet een bedrag van
                                                  meer dan € 450,- ter beschikking heeft gesteld en
                                                  waarover de instelling op enig moment weer de
                                                  beschikking kan krijgen.</al></li><li nr="i.2."><al>Instellingen ten aanzien waarvan de instelling
                                                  die subsidie aanvraagt een beslissende invloed
                                                  heeft op de besteding van middelen dan wel invloed
                                                  op de benoeming van één of meer
                                                  bestuursleden.</al></li><li nr="i.3."><al>Instellingen die statutaire bepalingen kennen op
                                                  grond waarvan liquidatiegelden aan de instelling
                                                  die subsidie aanvraagt kunnen toevloeien.</al></li><li nr="i.4."><al>Instellingen ten aanzien waarvan statutair is
                                                  bepaald dat deze (mede) tot doel hebben de
                                                  instelling die subsidie aanvraagt financieel te
                                                  ondersteunen.</al></li><li nr="i.5."><al>Instellingen waaraan de instelling die subsidie
                                                  aanvraagt diensten beschikbaar stelt.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Extra gegevens aanvraag incidentele activiteitensubsidie,
                                    inclusief een projectsubsidie:</al><al>Naast de in het eerste lid genoemde gegevens bevat deze aanvraag
                                    tevens:</al><lijst><li nr="a."><al>Een uitgewerkt inzicht in de baten vanuit entreegelden,
                                            deelnemersbijdragen, sponsoring en andere vormen van
                                            inkomsten niet zijnde vanuit subsidie.</al></li><li nr="b."><al>Een risicoanalyse betreffende de inkomsten en
                                            uitgaven.</al></li><li nr="c."><al>De mate waarin de organisatie is verzekerd tegen
                                            calamiteiten die een effect kunnen hebben op het
                                            doorgang vinden de activiteit op zich en de inkomsten
                                            daaruit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Extra gegevens aanvraag investeringssubsidie:</al><al>Aan instellingen, die voldoen aan de voorwaarden van deze
                                    verordening, kan door het college een investeringssubsidie
                                    worden verstrekt voor de kosten die worden gemaakt voor het
                                    verwerven, nieuw bouwen, dan wel verbouwen van opstallen. Dit
                                    onder de voorwaarde dat deze primair zullen worden gebruikt voor
                                    het huisvesten van door de gemeente gewenste en gesubsidieerde
                                    activiteiten.</al><lijst><li nr="a."><al>Aan het verstrekken van investeringssubsidie, dan wel
                                            voor andere kapitaaluitgaven, worden de volgende nadere
                                            voorwaarden gesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>De ondergrond van de accommodatie dient in
                                                  beginsel eigendom te zijn van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ondergrond of de accommodatie geen
                                                  eigendom zijn van de gemeente zullen zekerheden
                                                  moeten worden verkregen ten aanzien van:</al><al>• De continuïteit van het huisvesten van door de
                                                  gemeente gewenste of gesubsidieerde
                                                  activiteiten.</al><al>• Het aanwezig zijn van een sluitende meerjaren
                                                  exploitatie over een periode van tien jaar van de
                                                  (ver)nieuw(d)e accommodatie. Bij het berekenen van
                                                  een sluitende exploitatie mogen niet worden
                                                  meegerekend de inkomsten uit het huisvesten van
                                                  (para-) commerciële activiteiten alsmede feesten
                                                  en dergelijke van persoonlijke aard. </al><al>• De meerjaren exploitatie moet, indien van
                                                  toepassing, sluitend zijn, dit inclusief:</al><al> - Een jaarlijkse dotatie in de voorziening
                                                  groot planmatig onderhoud buitenschil en
                                                  binnenschil op basis van een door het college
                                                  goedgekeurd meerjaren onderhoudsplan. </al><al>- De jaarlijkse bekostiging van het door de
                                                  instelling zelf te financieren aandeel in de
                                                  bouwkosten. Dit door het in de exploitatie opnemen
                                                  van de af te schrijven kapitaallasten en de te
                                                  betalen rente.</al></li><li nr="3."><al>De afschrijvingstermijn dient te worden
                                                  gebaseerd op de functionele of economische
                                                  levensduur van de investering, een en ander ter
                                                  beoordeling en goedkeuring van het college.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Een instelling die in aanmerking wenst te komen voor een
                                            investeringssubsidie, dient, onverminderd het bepaalde
                                            in de artikelen 11 en 17, tezamen met de aanvraag de
                                            volgende gegevens in:</al><al>1. Een materieel (programma van eisen en bestek) en
                                            financieel uitgewerkt.</al><al>2. De door het college goedgekeurde (bouw)tekeningen,
                                            alsmede een kadastrale perceelsaanduiding.</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Een verleende investeringssubsidie bedraagt ten hoogste
                                            eenderde van de totaal geraamde investeringslasten. De
                                            ramingen ten aanzien van deze investeringslasten moeten,
                                            als de aanvraag tot subsidieverlening de € 10.000 te
                                            boven gaat, worden onderbouwd door door twee
                                            ondernemingen ingediende offertes.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>De instelling zal op basis van een door de gemeente te
                                            accorderen meerjaren exploitatieopzet, inclusief de te
                                            verwachten gemeentelijke subsidies, moeten aantonen dat
                                            zij de mogelijkheden hebben tot financiering voor de
                                            periode van tien jaar.</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Het college kan bepalen dat voor de beoordeling van de
                                            subsidieaanvraag inzicht wordt verschaft in de door de
                                            instelling te verkrijgen andere inkomsten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Eerste subsidieaanvraag: indien een instelling voor de eerste
                                    keer subsidie aanvraagt, wordt naast de gegevens die worden
                                    genoemd in het eerste en - voor zover van toepassing - tweede
                                    tot en met derde lid, een exemplaar van de oprichtingsakte,
                                    statuten of reglement overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Instellingen die een waarderingssubsidie ontvangen kunnen
                                    volstaan met een globale omschrijving van de activiteiten en een
                                    eenvoudig ingerichte begroting, exploitatierekening en
                                    balans.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan met betrekking tot de subsidieaanvraag nadere
                                    regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Hersteltermijn</titel></kop><al>Wanneer de aanvraag niet voldoet aan de vereisten zoals die gesteld
                                zijn in en bij deze verordening wordt een hersteltermijn gehanteerd
                                van vier weken na dagtekening van het verzoek om de aanvraag aan te
                                vullen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>C.</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Administratie en verzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als verplichtingen als bedoeld in artikel 4:37 van de wet legt
                                    het college de subsidieontvanger de volgende verplichtingen
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>De instelling verleent aan het college, of de door hem
                                            aangewezen personen, desgevraagd inzage in de
                                            administratie. Daarnaast verstrekt de instelling
                                            inlichtingen die van belang kunnen zijn voor de
                                            beoordeling van de doelmatigheid en de rechtmatigheid
                                            van de besteding van de subsidie en voor het naleven van
                                            de voorschriften die aan de subsidieverstrekking zijn
                                            verbonden.</al></li><li nr="b."><al>De instelling volgt de aanwijzingen op die het college
                                            in het belang van een doelmatig beheer en goede
                                            administratie kan geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De administratie van de instelling wordt op een overzichtelijke
                                    wijze gevoerd en is zodanig ingericht dat op eenvoudige wijze
                                    inzicht wordt verkregen in de bezittingen, reserves,
                                    voorzieningen, vorderingen, schulden en exploitatieresultaten
                                    van de instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De instelling is verplicht de navolgende verzekeringen af te
                                    sluiten:</al><lijst><li nr="a."><al>Een aanvullende verzekering tegen het risico van
                                            aansprakelijkheid ten aanzien van derden.</al></li><li nr="b."><al>Een opstalverzekering, op basis van herbouwwaarde, ten
                                            aanzien van gebouwen die eigendom zijn van de
                                            instelling.</al></li><li nr="c."><al>Een inboedelverzekering, op basis van vervangingswaarde,
                                            ten aanzien van roerende goederen die eigendom zijn van
                                            de instelling.</al></li><li nr="d."><al>Een aanvullende ongevallenverzekering, betrekking hebben
                                            op de vrijwilligers, stagiairs en professionele krachten
                                            die betrokken zijn bij de uitvoering van door de
                                            gemeente gesubsidieerde activiteiten.</al></li><li nr="e."><al>Andere door het college aan te wijzen
                                            verzekeringen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Overige verplichtingen</titel></kop><al>Als verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 van de wet legt het
                                college subsidieontvangers in ieder geval de volgende verplichtingen
                                op:</al><lijst><li nr="1."><al>Een ruimtelijke voorziening dient naar aard, omvang,
                                        inrichting, situering, tariefstelling en openstellingsuren
                                        regelmatig en doelmatig gebruikt te kunnen worden voor het
                                        laten plaatsvinden van subsidiabele activiteiten.</al></li><li nr="2."><al>De instelling dient er zorg voor te dragen, dat waar de
                                        activiteiten plaatsvinden in een ruimtelijke
                                        voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>Deze waar mogelijk en nodig geschikt is voor de in
                                                zijn bewegingen beperkte mens.</al></li><li nr="b."><al>De openstellingen zo veel mogelijk afgestemd zijn op
                                                de wensen, behoeften en mogelijkheden van de
                                                doelgroep(en), de organisatoren en deelnemers van
                                                gesubsidieerde activiteiten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Opheffing en liquidatie:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien een instelling wordt opgeheven dient het
                                                bestuur daarvan onmiddellijk schriftelijk kennis te
                                                geven aan het college. Hetzelfde geldt bij het door
                                                de instelling geheel of gedeeltelijk staken van door
                                                de gemeente te subsidiëren dan wel gesubsidieerde
                                                activiteiten.</al></li><li nr="b."><al>Bij liquidatie zijn de voorschriften omtrent de
                                                verantwoording alsmede die betreffende de
                                                vaststelling van de subsidie van overeenkomstige
                                                toepassing.</al></li><li nr="c."><al>Een met subsidie verworven batig liquidatiesaldo
                                                dient, met toepassing van het bepaalde in artikel
                                                4:41 van de wet, zo spoedig mogelijk aan de gemeente
                                                te worden terugbetaald tot maximaal het bedrag dat
                                                in totaliteit over de laatste vijf jaren aan
                                                subsidie is verstrekt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Goedkeuring</titel></kop><al>Instellingen waarbij de personeelsformatie een van de
                                subsidiegrondslagen is, hebben voor de subsidiabele
                                personeelsformatie, alsmede wijziging daarin, vooraf schriftelijke
                                goedkeuring van het college nodig. Dit zonder daarbij als college te
                                treden in de rechten en verplichtingen van de desbetreffende
                                werkgever. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>D.</nr><titel>Reserves, voorzieningen en afschrijvingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Egalisatie en risicoreserve</titel></kop><al>Artikel 4:41 van de wet is van toepassing. De hoogte van de
                                vergoeding als bedoeld in artikel 4:41, eerste lid, sub b. wordt met
                                toepassing van de artikelen 3:2 en 3:4 van de wet door het college
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een instelling die in structurele zin subsidie ontvangt kan,
                                    wanneer het college daarvoor voorafgaande schriftelijke
                                    toestemming heeft verleend, onder voorwaarden een
                                    egalisatiereserve vormen die (mede) is opgebouwd uit
                                    gemeentelijke subsidiegelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het vormen dan wel het voeden van een egalisatiereserve met
                                    gemeentelijke subsidiegelden, is uitsluitend mogelijk wanneer er
                                    bij de structureel gesubsidieerde instelling sprake is van een
                                    positief jaarresultaat. Dit voor zover dat niet wordt
                                    veroorzaakt door het niet, of slechts gedeeltelijk uitvoeren van
                                    activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het toevoegen van gemeentelijke subsidiegelden aan de
                                    egalisatiereserve, alsmede het onttrekken van gemeentelijke
                                    subsidiemiddelen daaruit kan uitsluitend gebeuren met
                                    voorafgaande schriftelijke toestemming van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maximale hoogte van de egalisatiereserve bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij instellingen die waarderings- en een structurele
                                            activiteitensubsidie ontvangen maximaal 10% van de
                                            structurele subsidiegelden die de instelling in het
                                            betreffende boekjaar van de gemeente heeft ontvangen,
                                            vermeerderd met dat deel van de egalisatiereserve dat
                                            gevormd is door andere inkomsten.</al></li><li nr="b."><al>Bij instellingen die een budgetsubsidie ontvangen een
                                            nader door het college vast te stellen percentage. Dit
                                            percentage is mede gerelateerd aan de hoogte van andere
                                            inkomsten dan subsidie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Bestemmingsreserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 4:41 van de wet is van toepassing. Een instelling die in
                                    structurele zin subsidie ontvangt kan, wanneer het college
                                    daarvoor voorafgaande schriftelijke toestemming heeft verleend,
                                    onder voorwaarden een bestemmingsreserve vormen die (mede) is
                                    opgebouwd uit gemeentelijke subsidiegelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming voor het vormen van een in het eerste
                                    lid genoemde reserve bevat in ieder geval de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>Het doel van de reserve.</al></li><li nr="b."><al>Een onderbouwing van de noodzakelijke maximale hoogte
                                            van de reserve.</al></li><li nr="c."><al>Een motivatie van het tijdstip waarop de organisatie de
                                            middelen nodig heeft.</al><al> Het college kan daarnaast aanvullende gegevens
                                            verlangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vormen van, dan wel het doen van toevoegingen aan, een
                                    bestemmingsreserve met gemeentelijke subsidiegelden is
                                    uitsluitend mogelijk wanneer er bij de structureel
                                    gesubsidieerde instelling sprake is van een positief
                                    jaarresultaat, voor zover dat niet wordt veroorzaakt door het
                                    niet, of slechts gedeeltelijk uitvoeren van activiteiten
                                    waarvoor de subsidie is verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het toevoegen van subsidiegelden of de onttrekking van
                                    subsidiegelden aan de bestemmingsreserve, anders dan voor dit
                                    doel bestemd, is voorafgaande schriftelijke toestemming nodig
                                    van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een instelling die verplichtingen heeft ten aanzien van het
                                    groot planmatig onderhoud van gebouwen, kan, wanneer het college
                                    daarvoor voorafgaande schriftelijke toestemming heeft verleend,
                                    onder voorwaarden een voorziening vormen die (mede) is opgebouwd
                                    uit gemeentelijke subsidiegelden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:41 van de wet is van toepassing. De hoogte van de
                                    vergoeding als bedoeld in artikel 4:41 eerste lid, sub b, wordt
                                    met toepassing van de artikelen 3:2 en 3:4 van de wet door het
                                    college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorziening kan gevormd worden voor toekomstige kosten die
                                    een periode van tenminste twee jaar omvatten en:</al><lijst><li nr="a."><al>Niet binnen de jaarlijkse exploitatie of via de
                                            egalisatiereserve opgevangen kunnen worden, en</al></li><li nr="b."><al>Nu reeds te voorzien zijn, en</al></li><li nr="c."><al>Onvermijdelijk zijn, en</al></li><li nr="d."><al>Hun oorzaak in het verleden hebben, en</al></li><li nr="e."><al>Kwantificeerbaar en berekenbaar zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een voorziening kan in ieder geval niet worden gevormd
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>De kosten samenhangend met ziekte van werknemers.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Reeds ontvangen maar nog niet volledig bestede
                                            subsidiegelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming voor het vormen van een voorziening
                                    bevat een plan waarin in ieder geval de volgende gegevens zijn
                                    opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>Het doel van de voorziening.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>De onderbouwing van de noodzakelijke maximale hoogte van
                                            de voorziening.</al></li><li nr="c."><al>Een planmatige onderbouwing van de meerjarige opbouw van
                                            en onttrekkingen uit de voorziening.</al><al> Het college kan daarnaast aanvullende gegevens
                                            verlangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het toestaan van het vormen van een voorziening, die (mede) is
                                    opgebouwd uit gemeentelijke subsidiemiddelen, gebeurt onder de
                                    voorwaarde dat het onderliggende plan, zoals bedoeld in het
                                    vijfde lid, is goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor het in afwijking van het goedgekeurde plan toevoegen van
                                    subsidiegelden of het in afwijking van het goedgekeurde plan
                                    onttrekken van subsidiegelden aan de voorziening, is voorafgaand
                                    schriftelijke toestemming nodig van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Afschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op professionele
                                        instellingen die een budgetsubsidie ontvangen.</al></li><li nr="2."><al>Het algemeen door gesubsidieerde instellingen te hanteren
                                        uitgangspunt is het gemeentelijk afschrijvingsbeleid.</al></li><li nr="3."><al>Investeringen / aankopen met een individuele aanschafwaarde
                                        van minimaal € 10.000,- moeten worden geactiveerd en over
                                        meerdere jaren afgeschreven.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Investeringen / aankopen van minder dan € 10.000,- moeten
                                        rechtstreeks ten laste van het resultaat van het jaar van
                                        aanschaf worden gebracht.</al></li><li nr="5."><al>De vaste activa worden gewaardeerd op de
                                        aanschafwaarde.</al></li><li nr="6."><al>Afgeschreven wordt er over de aanschafwaarde van goederen,
                                        verminderd met de nog te verwachten restwaarde.</al></li><li nr="7."><al>Voor het afwijken van de richtlijnen vermeld in het eerste
                                        tot en met zesde lid, is voorafgaand schriftelijke
                                        toestemming nodig van het college.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>E.</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Meerjarige subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voor een periode van meer jaren subsidie
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlening geschiedt met toepassing van
                                    begrotingsvoorbehoud.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college gebruik maakt van de in het eerste lid
                                    bedoelde vorm van subsidiëring, dit ter uitvoering van hetgeen
                                    in de subsidiebeschikking is opgenomen, kan jaarlijks een
                                    uitvoeringsovereenkomst worden afgesloten met de
                                    subsidieontvanger van een budgetsubsidie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een uitvoeringsovereenkomst kan slechts sprake zijn bij
                                    budgetsubsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Subsidiebesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op de aanvraag voor subsidieverlening in het
                                    kader van waarderingssubsidie, structurele activiteitensubsidie
                                    en budgetsubsidie voor 1 januari van het jaar waarin de
                                    activiteiten worden uitgevoerd. Deze beslissing houdt tevens een
                                    beoordeling in van alle door de aanvrager te overleggen
                                    bescheiden. De beslissing wordt uiterlijk 31 december van het
                                    jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag
                                    betrekking heeft bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beschikking tot subsidieverlening kan door het college
                                    worden aangegeven welk (deel van het) budget verbonden is aan
                                    welke activiteiten en voor welk tijdvak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een uitvoeringsovereenkomst dient te worden vastgelegd dat de
                                    subsidieontvangende instelling zich verplicht de overeengekomen
                                    activiteiten en de prestaties conform de vastgelegde
                                    kwalitatieve en kwantitatieve eisen te realiseren. Dit volgens
                                    het gestelde in artikel 4:36, tweede lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>In de beschikking tot subsidieverlening wordt opgenomen of en hoe
                                het college met toepassing van artikel 4:55 van de wet voorschotten
                                verleent. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>F.</nr><titel>Vaststelling van de subsidie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Aanvraag tot subsidievaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met toepassing van de artikelen 4:37 eerste lid, sub f, en
                                        4:44, tweede lid van de wet, legt het college
                                        subsidieontvangende instellingen de volgende verplichtingen
                                        op:</al><lijst><li nr="a."><al>Instellingen die een incidentele subsidie ontvangen,
                                                dienen binnen twaalf weken na afloop van de
                                                activiteit een financieel en inhoudelijk verslag in
                                                bij het college.</al></li><li nr="b."><al>Instellingen die een structurele subsidie ontvangen,
                                                dienen vóór 1 juni volgend op het boekjaar een
                                                financieel en inhoudelijk verslag in bij het
                                                college.</al></li><li nr="c."><al>Instellingen die een budgetsubsidie ontvangen dienen
                                                vóór 1 juni volgend op het boekjaar een financieel
                                                en inhoudelijk verslag als bedoeld in artikel 4:75,
                                                eerste lid van de wet in bij het college.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid genoemde financieel verslag
                                        bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>Een exploitatierekening die betrekking heeft op de
                                                gehele instelling.</al></li><li nr="b."><al>Een balans die betrekking heeft op de gehele
                                                instelling.</al></li><li nr="c."><al>Bij een subsidie die een hoger subsidiebedrag dan €
                                                25.000,- betreft: een beoordelingsverklaring
                                                uitgebracht door een accountant naar aanleiding van
                                                diens onderzoek van de jaarstukken en van de
                                                administratie van de organisatie, waarvan expliciet
                                                is vermeld of de verstrekte voorschotten zijn
                                                besteed overeenkomstig het bepaalde in of krachtens
                                                de Algemene subsidieverordening Vlissingen 2008 en
                                                waarin aandacht wordt besteed aan de rechtmatigheid
                                                en doelmatigheid van de besteding van de middelen in
                                                relatie tot de uitgevoerde activiteiten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid onder c genoemde accountantsverslag
                                        hoeft geen deel uit te maken van de financiële
                                        verslaglegging indien de subsidie direct dan wel bij
                                        verlening is vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Indien de begrote kosten van de gesubsidieerde activiteiten
                                        minder bedragen dan € 25.000,- bepaalt het college in de
                                        beschikking tot subsidieverlening de controle die in de
                                        plaats van de accountantscontrole komt.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>De financiële verantwoording c.q. de jaarrekening wordt op
                                        dezelfde wijze ingericht als de begroting.</al></li><li nr="6."><al>In het inhoudelijk jaarverslag wordt, naast een weergave van
                                        de activiteiten en prestaties, verslag gedaan van de
                                        gevolgde werkwijze.</al></li><li nr="7."><al>Het tweede tot en met het zesde lid gelden niet voor
                                        waarderingssubsidies.</al></li><li nr="8."><al>Bij budgetsubsidies en subsidies waarop afdeling 4.2.8. van
                                        de wet van toepassing is verklaard, dient de accountant een
                                        beoordelingsverklaring uit te brengen naar aanleiding van
                                        diens onderzoek van de jaarstukken en de administratie van
                                        de instelling. In deze beoordelingsverklaring moet expliciet
                                        zijn vermeld of de verstrekte voorschotten zijn besteed
                                        overeenkomstig het bepaalde in of krachtens deze verordening
                                        en waarin aandacht wordt besteed aan de rechtmatigheid en
                                        doelmatigheid van de besteding van de middelen in relatie
                                        tot de uitgevoerde activiteiten.</al></li><li nr="9."><al>Het college beslist binnen zes maanden op een volledige
                                        aanvraag om subsidievaststelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Hersteltermijn</titel></kop><al>Wanneer de aanvraag tot vaststelling wat verslaglegging betreft niet
                                voldoet aan de vereisten zoals die gesteld zijn in de wet en wat is
                                opgenomen artikel 27, wordt een hersteltermijn gehanteerd van vier
                                weken na dagtekening van het verzoek om de aanvraag aan te
                                vullen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Vaststelling subsidie bij onvolledige aanvraag</titel></kop><al>Indien na afloop van de termijn zoals genoemd in artikel 28 de
                                aanvraag tot vaststelling nog steeds niet volledig is, stelt het
                                college de subsidie ambtshalve vast.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>G.</nr><titel>Betaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:46,
                                    tweede lid, van de wet aanleiding geven tot een lagere
                                    vaststelling van de subsidie over het betreffende jaar, vindt
                                    verrekening zo mogelijk plaats door inhouding op de
                                    voorschotbetalingen in het jaar waarin het besluit tot
                                    subsidievaststelling wordt genomen. In de beschikking tot
                                    voorschotbetaling wordt steeds een voorbehoud gemaakt dat een
                                    terugvorderingbesluit als bedoeld in dit artikellid kan worden
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waarderingssubsidies worden ineens betaald op een nader door het
                                    college te bepalen tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Incidentele subsidies worden binnen vier weken na de
                                    subsidievaststelling betaald, tenzij in de beschikking tot
                                    verlening anders is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Betaling in gedeelten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidie wordt in gedeelten betaald indien dat door het
                                        college bij beschikking is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Verleende subsidiebedragen betreffende structurele subsidie
                                        en budgetsubsidie die de € 10.000,- te boven gaan, worden in
                                        vier termijnen, één termijn in iedere eerste maand van ieder
                                        kwartaal, bevoorschot. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>H.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd in die gevallen waarin de toepassing van deze
                                verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten
                                gunste van de aanvrager daarvan af te wijken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet of niet voldoende voorziet
                                beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening
                                    zijn verleend blijven de bepalingen van toepassing zoals die
                                    zijn opgenomen in de Algemene Subsidieverordening Vlissingen
                                    1998.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2008 onder
                                    gelijktijdige intrekking van de Algemene Subsidieverordening
                                    Vlissingen 1998 en is voor het eerst van toepassing op de niet
                                    structurele aanvragen tot subsidieverlening 2009 en de
                                    incidentele aanvragen tot subsidieaanvragen 2008.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene Subsidieverordening Vlissingen 1998 en de daarbij
                                    behorende en daarop gebaseerd deelverordeningen blijven evenwel
                                    hun gelding behouden voor de op de datum van de inwerkingtreding
                                    reeds ingediende aanvragen tot subsidieverlening en
                                    -vaststelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangeh Deze verordening wordt aangehaald als
                                ‘Algemene subsidieverordening Vlissingen 2008’.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Vlissingen op
                                20 december 2007.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al/><al>mr. F. Vermeulen drs. W.J.A. Dijkstra (wnd).</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al>Van belang is de definitie van het begrip ‘subsidie’. In artikel 4:21 van de
                    Algemene wet bestuursrecht, de Awb, staat het begrip als volgt gedefinieerd: </al><al>‘ De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het
                    oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan
                    het bestuursorgaan geleverde goederen en diensten’. </al><al>Dat betekent onder andere dat alleen een bestuursorgaan, een rechtspersoon die
                    krachtens publiekrecht is ingesteld (Awb artikel 1:1), in dit geval een raad of
                    een college, subsidie kan verstrekken. Van subsidie is verder alleen sprake als
                    het geld bestemd is voor de uitvoering van door het college benoemde
                    activiteiten. Het niet kostendekkend ter beschikking stellen van accommodaties
                    en dranghekken, om maar enkele voorbeelden te noemen, valt ook niet onder het
                    begrip subsidie omdat er geen ‘direct geld’ mee is gemoeid. Het leveren van
                    goederen en diensten aan het college, zoals computers of adviezen, valt niet
                    onder het begrip subsidie. Je zou kunnen zeggen dat als de activiteiten direct
                    gericht zijn op de bevolking er sprake is van een (bestuursrechtelijke)
                    subsidieverstrekking en als die activiteiten voor de burger lopen via de
                    gemeente er sprake is van een (privaatrechtelijke) inkooprelatie.</al><al>Bij de subsidieverstrekking is er sprake van het ‘eenzijdig’ afgeven van een
                    beschikking (een specifiek besluit) en bij een aan- of inkoop van een tweeledig
                    contractrelatie. Van belang is nog dat op de subsidieverstrekking </al><al>geen heffing van omzetbelasting (BTW) van toepassing is. Dit ook niet als er
                    sprake is van een uitvoeringsovereenkomst conform artikel 4: 36 Awb. Dit mits
                    deze uitvoeringsovereenkomst duidelijk ondergeschikt is gemaakt aan de
                    beschikking tot subsidieverlening. </al><al>In tegenstelling wat vaak wordt gedacht is het geen verplichting om na een
                    aanbestedingsprocedure over te gaan tot een contractrelatie. Een
                    aanbestedingsprocedure is immers niet meer of minder dan een vorm van een
                    selectieprocedure. Daarna kan, in beginsel, gekozen worden voor een
                    bestuursrechtelijke subsidierelatie dan wel een privaatrechtelijke
                    contractrelatie. Omdat het bestuursrecht voor het privaatrecht gaat is het
                    aannemelijk dat het verstrekken van geld aan instellingen om het gemeentelijke
                    beleid uit te voeren waar mogelijk plaatsvindt via de subsidieverstrekking.
                    Gemeenschappelijke regelingen vallen overigens niet onder het subsidiebeleid. </al><al>Binnen de gemeente Vlissingen is er sprake van een specifieke situatie
                    betreffende de sportsubsidies en de subsidie betreffende Kunst en Cultuur. De
                    verstrekking van de sportsubsidies verloopt via een commissie ex artikel 83 van
                    de Gemeentewet. Dat betekent dat daar een rechtsgang volgens de Awb mogelijk is:
                    de subsidie wordt immers verstrekt door een bestuursorgaan. De stichtingen die
                    verantwoordelijk zijn voor de subsidieverstrekking inzake Kunst en Cultuur zijn
                    geen bestuursorganen in de zin van de Awb. In het kader van het nieuwe
                    subsidiebeleid zal aandacht worden besteed aan enerzijds het in standhouden van
                    de thans aanwezige structuur, die immers kan rekenen op een breed draagvlak,
                    maar anderzijds aan het inbouwen van een mogelijkheid van een ‘rechtsgang’: het
                    aantekenen van bezwaar en het in beroep gaan.</al><al>In het kader van de invoering van het nieuwe subsidiebeleid zal een aantal
                    ‘oude’ (deel)verordeningen onder de nieuwe Algemene subsidieverordening
                    Vlissingen 2008 komen te ressorteren. Deze zullen dan de status krijgen van een
                    beleidsregel. Het betreft o.a. de (al enkele tientallen jaren oud </al><al>zijnde) verordening die betrekking heeft op het godsdienstonderwijs binnen het
                    openbaar onderwijs. </al><al>De gemeente is in directe zin nooit verantwoordelijk voor de organisatie van
                    activiteiten. Als , door welke oorzaak dan ook, een ongedekt tekort optreedt, is
                    de gemeente daarvoor nooit aansprakelijk te stellen in de vorm van het moeten
                    verstrekken van een aanvullende subsidie. Eerder zal het tegendeel het geval
                    zijn: als een activiteit geen doorgang vindt heeft het college het recht
                    subsidie terug te vorderen op basis van artikel 4:46 van de Awb. </al><al>Omdat de realisatie van activiteiten centraal staat vervalt de oude vorm van de
                    exploitatiesubsidie waarbij het ontstane tekort de basis vormde voor de hoogte
                    van de subsidie. </al><al>Wachtgeldverplichtingen </al><al>Het betreft een aangelegenheid die niet in de ASV is geregeld maar die wellicht
                    toch van belang kan zijn. Om een breed verbreid misverstand gelijk weg te nemen:
                    een gemeente die niet specifiek anders heeft geregeld in haar wet- en
                    regelgeving is nooit aansprakelijk voor wachtgeldverplichtingen, of uitkeringen
                    die aanvullend zijn op de bij enigerlei wet vastgestelde uitkeringen. Ook niet
                    als die rechtstreeks voortvloeien uit een besluit tot vermindering en / of
                    beëindiging van subsidie. In die gevallen treedt namelijk ‘alleen’ artikel 4:51
                    van de Awb in werking: het verlagen van een structurele subsidie mag alleen met
                    inachtneming van een redelijke termijn. Bij een algehele afbouw geldt (op basis
                    van de jurisprudentie) een maximale afbouwtermijn van 4 à 5 jaar. Bij een minder
                    forse verlaging van de subsidie gelden (veel) kortere termijnen. Het niet
                    indexeren van de subsidiebedragen is formeel geen vorm van bezuinigen, het
                    subsidiebedrag wordt immers niet verlaagd, maar de instelling moet, zeker als er
                    personeel in dienst is, wel maatregelen gaan treffen. Dit om ‘de tering naar de
                    nering te zetten’. Ook kosten die uit een eventueel deeltijdontslag voortvloeien
                    komen niet in aanmerking voor een gemeentelijke tegemoetkoming.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al>Artikel 1.</al><al>Begripsomschrijvingen: alle belangrijke begrippen moeten daarin zijn
                    opgenomen.</al><al>Van belang is dat het college uitvoert wat door de raad op hoofdlijnen is
                    besloten:</al><lijst><li nr="a."><al>Raad: gemeentebegroting en subsidieplafonds.</al></li><li nr="b."><al>College: subsidieprogramma en beschikkingen tot subsidieverlening en
                            –vaststelling.</al></li></lijst><al>Jurisprudentie</al><al>• Bij brief van 16 februari 2005 heeft het college aan [appellant] laten weten
                    dat geen subsidie of bijdrage kan worden verstrekt voor de kosten die </al><al>[appellant] heeft gemaakt in het jaar 2004 voor zijn gondelproject. Bij brief
                    van 17 februari 2005 heeft het college een waarderingsbijdrage verstrekt voor de
                    jaren 2005 tot en met 2007. Zoals ook de rechtbank onder verwijzing naar de
                    parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van titel 4.2 van de Awb
                    (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 700, nr. 3, p. 60 en nr. 5, p. 12 en Handelingen
                    II, 31 januari 1996, p. 3662-3663) heeft overwogen, is voor het antwoord op de
                    vraag of een aanspraak op financiële middelen moet worden aangemerkt als een
                    subsidie niet doorslaggevend of partijen deze als zodanig aanmerken, maar of
                    deze aanspraak valt onder de omschrijving in artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank heeft de tegemoetkoming in de kosten
                    van het doen varen van gondels in de Delftse grachten terecht aangemerkt als een
                    aanspraak op financiële middelen die worden verstrekt met het oog op bepaalde
                    activiteiten van [appellant] en daarmee als een subsidie van het college aan
                    [appellant]. De bevoegdheid daartoe is gelegen in artikel 3 van de verordening.
                    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de
                    brief van 17 februari 2005 verlening van een subsidie in de zin van artikel 4:21
                    van de Awb behelst, waarop ook artikel 4:48 van de Awb van toepassing is. (ABRS
                    8 oktober 2008, AB 2009, 223, LJN: BF7186)</al><al>Artikel 2.</al><al>De ASV is van toepassing op alles subsidieaanvragen. ‘Donaties’ en ‘giften’ zijn
                    niet bekend binnen het bestuursrecht en moeten dan ook worden beschouwd als
                    subsidies en moeten voldoen aan de daaraan gestelde voorwaarden. In dit artikel
                    staan de beleidsterreinen opgenomen waarop de ASV van toepassing is. Het
                    Subsidieprogramma, vastgesteld door het college, omvat onder andere het
                    totaaloverzicht van alle ingediende aanvragen en de besluitvorming daarover door
                    het college.</al><al>Artikel 3.</al><al>Als een subsidieaanvrager geen ‘rechtspersoonlijkheid met volledige
                    rechtsbevoegdheid’ bezit zijn de bestuursleden hoofdelijk aansprakelijk als ‘er
                    iets mis gaat’. Om dat soort ‘ongelukken’ te voorkomen wordt er als uitgangspunt
                    alleen maar subsidie verstrekt aan stichtingen en verenigingen </al><al>die beschikken over statuten die ‘bij de notaris zijn gepasseerd’. Alleen in
                    uitzonderingsgevallen kan een ‘groep van natuurlijke personen’ subsidie
                    ontvangen maar dan zijn die personen zelf persoonlijk aansprakelijk voor het
                    geval een activiteit bijvoorbeeld ‘letterlijk (of figuurlijk) in het water valt’
                    en voor de daaruit voortvloeiende (meestal nadelige) financiële gevolgen. De
                    personen op wier naam een beslissing tot het geheel of gedeeltelijk toekennen
                    van de subsidieaanvraag is gesteld, zijn persoonlijk en hoofdelijk
                    verantwoordelijk en aansprakelijk voor de aan de naleving van de aan het
                    subsidiebesluit verbonden verplichtingen. Zij ondertekenen hiertoe een door het
                    college voor te leggen verklaring voor akkoord.</al><al>Artikel 4.</al><al>Op basis van de ASV kan iemand, zoals al eerder gezegd, niet opmaken of zijn of
                    haar activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Dat kan wel op basis
                    van de verdere uitwerking in de nog op te stellen beleidsregels. De
                    beleidsregels komen in de volgende fase van het hele project aan de orde
                    (voorjaar 2008). </al><al>Artikel 5.</al><al>Alleen activiteiten die passend zijn binnen, in casu het gemeentelijke beleid
                    uitvoeren, komen in aanmerking voor subsidie. De statuten van een organisatie
                    zijn natuurlijk leidend voor de activiteiten die de organisatie wil uitvoeren.
                    Maar of een activiteit in aanmerking komt voor subsidie en zo ja, hoe hoog die
                    zal zijn en onder welke voorwaarden die wordt verstrekt, wordt bepaald door de
                    gemeente. ‘Wie betaalt die bepaalt’ (maar wel binnen de vastgestelde wetten en
                    regels)! Kerkelijke, politieke en levensbeschouwelijke activiteiten (kerkkoren,
                    politieke actiegroepen en zondagschool e.d.) komen dan ook niet in aanmerking
                    voor subsidie. In Nederland is er nu eenmaal sprake van een scheiding tussen
                    kerk en staat! Een uitzonderingspositie wordt, op basis van een specifieke
                    verordening, ingenomen door het godsdienstig en levensbeschouwelijke
                    vormingsonderwijs zoals dat binnen het primair onderwijs wordt aangeboden.
                    Vroeger werden lokale professionele instellingen wel eens beschermd. Als gevolg
                    van de aangescherpte Europese wet- en regelgeving kan dat niet meer: ongeacht de
                    vestigingsplaats mag iemand subsidie </al><al>aanvragen en de plaats van vestiging mag ook geen enkele rol spelen bij de
                    beoordeling van de aanvraag!</al><al>Jaarlijks stelt het college, net zoals nu het geval is, de subsidieplafonds
                    vast: niet alleen de maximale subsidiebudgetten maar ook de basis waarop deze
                    bedragen worden verdeeld.</al><al>Subsidiëren op basis van ledenaantallen is trouwens een lastig punt: de Wet
                    Bescherming Persoonsgegevens legt belemmeringen op. Maar ook in inhoudelijk
                    opzicht valt veel te zeggen voor een ander systeem waarbij de activiteiten
                    centraal staan. Tenslotte staat in dit artikel dat de gemeente niet verplicht is
                    de subsidie ieder jaar aan te passen aan loon- en kostenstijgingen. Dat is een
                    autonoom beleid van iedere gemeente. Het voelt, zeker bij professionele
                    instellingen, uiteraard wel als een soort bezuiniging als lonen en prijzen meer
                    stijgen dan de subsidie, maar formeel is het geen vorm van bezuiniging (dus is
                    artikel 4:51 van de wet niet van toepassing!). Een dergelijke frictie tussen de
                    stijging van baten en lasten zal zeker (een negatief) effect kunnen hebben op de
                    kwaliteit en de kwantiteit van wat voor het beschikbare subsidiebudget kan
                    worden gerealiseerd. Tenslotte is het (facultatieve) artikel 4:24 van de wet
                    vooralsnog niet van toepassing verklaard gezien de aard en omvang van de
                    subsidieverstrekking vanuit de gemeente Vlissingen.</al><al>Artikel 6.</al><al>Geen subsidie wordt verstrekt aan instellingen die uit zijn op het maken van
                    winst door middel van gesubsidieerde activiteiten. En verder kan het college
                    regels stellen op verschillende punten. Dat voor zover het te maken heeft met
                    het bevorderen van het uitvoeren van haar beleid door middel van het verstrekken
                    van subsidie.</al><al>Artikel 7.</al><al>In dit artikel staan wat algemene weigeringsgronden. Van belang is vooral dat er
                    enige zekerheid moet zijn dat de subsidie ook werkelijk aan de bedoelde
                    activiteiten zal worden besteed en dat ‘alles ophoudt’ als er onvoldoende geld
                    beschikbaar is. Verder is hier geregeld dat de gemeente geen financiële
                    garantsteller is als subsidies van ‘hogere overheden’ lager uitvallen dan
                    verwacht.</al><al>Artikel 8.</al><al>Voor vooral professionele instellingen is het belangrijk zo vroeg mogelijk te
                    weten van welk subsidiebedrag zij, natuurlijk onder het voorbehoud van het
                    vaststellen van de begroting door de gemeenteraad, uit kunnen gaan voor het
                    daarop volgende jaar. Het subsidiebudget is vaak toch bepalend m.b.t. welke
                    activiteiten kunnen worden gerealiseerd. Voor de meeste
                    vrijwilligersorganisaties, die meestal geen personeel te betalen hebben, is de
                    hoogte van de indexering van de subsidie van minder belang.</al><al>Jurisprudentie</al><al>• (ESF)-Subsidieplafond; wijziging van de aanvraag en wijziging van het besluit
                    tot subsidieverlening; Awb art. 4:25; ABRS 17 september 2008, AB 2009, 77; LJN
                    BF1012.</al><al>Artikel 9.</al><al>Het college stelt, na de vaststelling van de gemeentebegroting en de
                    subsidieplafonds door de raad, het Subsidieprogramma vast. Het is een
                    totaaloverzicht met beleidsontwikkelingen, de ingediende aanvragen tot
                    subsidieverlening en de subsidiebedragen die zullen worden verleend.</al><al>Artikel 10.</al><al>Er zijn twee soorten subsidies: de structurele en de incidentele. Om een
                    duidelijk verschillende aanpak te kunnen realiseren tussen de
                    vrijwilligersorganisaties en de professionele instellingen, is er binnen de
                    categorie ‘structurele subsidies’ een scheiding aangebracht tussen de
                    waarderingssubsidies, de structurele activiteitensubsidies en de
                    budgetsubsidies. </al><lijst><li nr="1."><al>De waarderingssubsidies zijn gericht op de vele tientallen
                            vrijwilligersorganisaties die een subsidiebedrag ontvangen dat varieert
                            van enkele honderden tot enkele duizenden euro’s. De afhandeling wordt
                            zo sterk mogelijk vereenvoudigd, verlenen en vaststellen van de subsidie
                            kan in één handeling gebeuren, en de subsidie wordt verleend op basis
                            van ‘genormeerde bedragen’: vaste bedragen als tegemoetkoming in de
                            kosten. De aanvraag en de verantwoording worden zo ‘simpel mogelijk
                            gehouden’.</al></li><li nr="2."><al>De structurele activiteitensubsidies zijn grofweg vanaf € 5.000 tot
                            ca.</al></li></lijst><al>€ 50.000. De verlening van de subsidie en de vaststelling er van worden </al><al>gescheiden afgehandeld en de verantwoording is zwaarder dan bij de
                    waarderingssubsidies het geval is. Zo moeten er activiteitenplannen worden
                    opgesteld met bijbehorende begrotingen. Verantwoording op ‘productniveau’ zal
                    niet altijd mogelijk en nodig zijn. Maar ook hier geldt: hoe meer subsidie er
                    wordt verstrekt, des te zwaarder wordt de verantwoording! In veel gevallen zal
                    op deze subsidiesoort ‘individueel maatwerk’ moeten worden toegepast.</al><al>3.De budgetsubsidie is vooral van toepassing op professionele instellingen zoals
                    het Algemeen Maatschappelijk Werk, het welzijnswerk en het Peuterspeelzaalwerk.
                    Met deze instellingen zullen concrete afspraken gemaakt gaan worden betreffende
                    de voor de bevolking te verzorgen Diensten – Activiteiten – Producten, de
                    daaraan verbonden baten en lasten en de daaruit voortvloeiende prestaties en
                    effecten. Kortom: het zijn hoge bedragen waarvoor adequate verantwoording moet
                    worden afgelegd met betrekking tot de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende
                    besteding van de subsidiegelden.</al><al>Tot de incidentele subsidies hoort ook de investerings- en projectsubsidie. Aan
                    de subsidiesoort investeringssubsidie worden relatief hoge eisen gesteld omdat
                    het vaak over respectabele bedragen gaat met een lange doorlooptijd en daaruit
                    voortvloeiende langjarige verplichtingen. </al><al>Artikel 11.</al><al>Niet alle kosten zijn subsidiabel: alleen kosten die direct verband (kunnen)
                    houden me de uitvoering van het gemeentelijke beleid komen voor bekostiging
                    vanuit subsidie in aanmerking. Van belang is dat de opbrengsten van acties
                    (zoals oliebollen- en oud papieracties) niet op de subsidie worden gekort. Dit
                    mits de maximale hoogte van de egalisatie- / risicoreserve niet wordt
                    overschreden.</al><al>Artikel 12.</al><al>Dit artikel bepaalt dat instellingen die een budgetsubsidie ontvangen moeten
                    voldoen aan de eisen zoals die zijn gesteld in afdeling 4.2.8. van de Awb.
                    Vrijwilligersorganisaties hoeven niet te voldoen aan de daarin opgenomen zware
                    eisen. Wel van een bredere toepassing is artikel 4:71 van de Awb. Besluitvorming
                    over zaken als fuseren, het wijzigen van de statuten, het vaststellen van de
                    tarieven die gelden voor gesubsidieerde activiteiten en het opheffen van de
                    organisatie mag alleen maar na toestemming van de gemeente.</al><al>Artikel 13.</al><al>Om tot een goede beoordeling van de aanvragen tot subsidieverlening te kunnen
                    komen én om de beoordeling er van door te kunnen laten werken in de
                    gemeentebegroting, de subsidieplafonds en het subsidieprogramma, moeten de
                    aanvragen ruim voor de zomervakantie in het bezit zijn van de gemeente (voor 01
                    juni). Vergeleken met de ‘oude’ ASV 1998 (voor 01 april) is de indientermijn al
                    met enkele maanden verruimd waardoor instellingen aanzienlijk meer ruimte hebben
                    hun jaarstukken af te ronden en hun aanvragen tot subsidieverlening en
                    –vaststelling voor te bereiden. Deze datum nog verder naar achteren schuiven
                    levert problemen op i.v.m. de vakantieperiode als een aanvraag moet worden
                    aangevuld of hersteld en met het feit dat de gemeente, zeker bij de
                    professionele instellingen, die begrotingen nodig heeft bij het opstellen van
                    haar eigen begroting.</al><al>Ook als men al sinds jaar en dag subsidie ontvangt is het noodzakelijk dat men
                    ieder jaar een schriftelijke aanvraag tot subsidieverlening (en –vaststelling)
                    indient. Dit is zo in de Algemene wet bestuursrecht bepaald en daaraan valt dus
                    niet aan te tornen! Aan de andere kant betekent zo’n jarenlange subsidierelatie
                    niet dat men meer recht op subsidie heeft dan een nieuwkomer: het gaat om de
                    doelstelling van de activiteiten en het al dan niet voldoen aan de verder
                    gestelde voorwaarden. Uit jurisprudentie is gebleken dat ‘te laat inleveren’
                    betekent dat een instelling niet in aanmerking komt voor subsidieverstrekking!
                    Een te laat ingeleverde of onvolledig ingevulde aanvraag betekent in principe
                    dat een aanvraag niet in behandeling mag en kan worden genomen waardoor zo’n
                    instelling ‘naar haar subsidie kan fluiten’. ‘Een beetje te laat’ geldt dan ook
                    niet in het bestuurs- en subsidierecht.</al><al>Artikel 14.</al><al>Een aanvraag tot subsidieverlening moet aan een aantal eisen voldoen. Die eisen
                    variëren sterk per subsidiesoort. Ook hier geldt weer dat de eisen die aan een
                    waarderingssubsidie worden gesteld aanzienlijk lager zijn dan die welke aan
                    andere subsidiesoorten worden gesteld. Waar mogelijk worden deze specifieke
                    eisen ‘vertaald verpakt’ in de subsidieaanvraagformulieren.</al><al>Artikel 15.</al><al>Als de aanvraag onvolledig is wordt een hersteltermijn gehanteerd. Dat betekent
                    dat de aanvrager vier weken de tijd krijgt de aanvraag conform de eisen aan te
                    vullen. Als aan die eis niet wordt voldaan kan een aanvraag niet in behandeling
                    worden genomen met als gevolg dat de aanvrager de subsidie in principe mis
                    loopt.</al><al>Artikel 16.</al><al>Aanvragers van subsidie moeten aan een aantal algemene eisen voldoen. Deze gaan
                    over de toegankelijkheid en de inzichtelijkheid van de administratie. Zelfs kan
                    het college aanwijzingen geven hoe de administratie moet zijn ingericht. Verder
                    zijn gesubsidieerde instellingen verplicht verzekeringen af te sluiten. Dit om
                    te voorkomen dat bij de genoemde calamiteiten de gemeente kans loopt te worden
                    aangesproken om aanvullende subsidie te verlenen.</al><al>Artikel 17.</al><al>Naast een aantal in de Awb opgenomen wettelijke verplichtingen moeten
                    gesubsidieerde instellingen zorgen voor een goede huisvesting van hun
                    activiteiten en voor een zo doelmatig mogelijk gebruik van hun accommodaties.
                    Verder zijn er voorschriften opgenomen die van kracht worden bij het staken van
                    de activiteiten.</al><al>Artikel 18.</al><al>Het kan voorkomen dat de personeelsformatie de basis is voor
                    subsidieverstrekking. In die gevallen mogen de instellingen daarin geen
                    wijzigingen aanbrengen zonder toestemming van het college.</al><al>Artikel 19.</al><al>Instellingen mogen in principe een egalisatie- of risicoreserve vormen.</al><al>Artikel 20.</al><al>Een egalisatie- / risicoreserve is bestemd voor het opvangen van fluctuaties
                    betreffende de inkomsten en de uitgaven. Deze mag niet worden opgebouwd vanuit
                    niet bestede subsidiegelden die het gevolg zijn van het geen doorgang gevonden
                    hebben van activiteiten. In die gevallen moet subsidie worden terugbetaald aan
                    de gemeente. </al><al>In het algemeen mag een egalisatie- / risicoreserve maximaal 10% bedragen van de
                    laatst ontvangen subsidiebedrag. Dit mag worden vermeerderd met bijvoorbeeld de
                    opbrengsten van acties. Bij budgetsubsidies hangt de hoogte die wordt toegestaan
                    samen met de hoogte van inkomsten anders dan vanuit subsidies: hoe hoger de
                    inkomsten vanuit andere bronnen, des te hoger is vaak het risico! Daarbij moet
                    worden gedacht aan bijvoorbeeld het peuterspeelzaalwerk waar ouderbijdragen een
                    belangrijke bron van inkomsten vormen. De te hanteren maximale percentages
                    zullen door het college per individuele professionele instelling (dan wel
                    organisatie per beleidsterrein) worden bepaald.</al><al>Artikel 21.</al><al>In bijzondere gevallen mag een instelling uit de positieve exploitaties vanuit
                    gesubsidieerde activiteiten een bestemmingsreserve opbouwen. Dat wil zeggen dat
                    er geld apart mag worden gezet voor bijzondere activiteiten. Ook hierbij geldt
                    dat het college toestemming moet verlenen voor het, vanuit overgeschoten
                    subsidiemiddelen, sparen voor bepaalde (wellicht niet direct subsidiabele)
                    activiteiten. Te denken valt aan een jubileumvoorstelling, -toernooi of
                    -festival waarvoor een aantal jaren gespaard moet worden.</al><al>Artikel 22.</al><al>Voorzieningen behoren, in tegenstelling tot de reserves, tot de ‘vreemde
                    vermogens’. Onder een voorziening ligt een bestedingsplan over een reeks van
                    twee of meer jaren. De daaraan verbonden kosten zijn niet vanuit de lopende
                    exploitatie of de egalisatiereserve op te vangen. Te denken valt aan de
                    onontkoombare kosten die zijn verbonden aan het verzorgen van het groot
                    planmatig onderhoud van een gebouw, zowel aan de buiten- als de binnenkant.</al><al>Artikel 23.</al><al>Vooral professionele instellingen kopen goederen waarop afgeschreven kan worden.
                    Ook in relatie tot de hoogte van de egalisatiereserve worden
                    afschrijvingstermijnen gehanteerd waardoor de vervanging van goederen, die
                    vanuit subsidiegelden worden bekostigd, gefaseerd plaatsvindt.</al><al>Artikel 24.</al><al>Het college kan besluiten tot subsidieverlening over een periode langer dan één
                    jaar. Als dat gebeurt vindt dat wel plaats onder ‘begrotingsvoorbehoud’: dat wil
                    zeggen dat de raad ieder jaar het laatste woord heeft en dus af kan wijken van
                    de verlening. Het plan is vooral de waarderingssubsidies als meerjarige
                    subsidies te gaan verstrekken. De aanzienlijke en niet voorspelbare financiële
                    risico’s (loon- en prijsontwikkelingen versus de inkomsten vanuit het
                    Gemeentefonds) blijven dan voor zowel de gemeente als de professionele
                    instellingen beperkt.</al><al>Artikel 25.</al><al>Instellingen willen graag zo spoedig mogelijk zekerheid over de hoogte van de
                    subsidie. In de ASV is opgenomen dat instellingen voor 1 januari van het jaar
                    waarop de subsidieverlening betrekking heeft, weten welk subsidiebedrag wordt
                    verleend. Dat is ongeveer binnen acht weken (de wettelijke ‘redelijke termijn’)
                    nadat de gemeentebegroting door de raad is vastgesteld. Een eerdere bekendmaking
                    kan niet zonder ‘begrotingsvoorbehoud’ waardoor een dergelijke verlening maar
                    een beperkte waarde zou hebben. Ook in relatie tot het daarmee ‘wekken van
                    verwachtingen’ wordt gekozen voor een duidelijke lijn. </al><al>Artikel 26.</al><al>Zeker bij professionele instellingen is het, vanuit het oogpunt van liquiditeit,
                    van belang dat er regelmatig subsidie binnenkomt. De manier van bevoorschotting
                    van het verleende subsidiebedrag wordt in de beschikking tot subsidieverlening
                    vermeld. Omdat dit een apart besluit is kan daar apart bezwaar en beroep tegen
                    worden aangetekend!</al><al>Artikel 27.</al><al>Behalve bij de waarderingssubsidie vindt het verstrekken van subsidie plaats in
                    twee fasen: de fase van de subsidieverlening (voorafgaand aan [het jaar waarin]
                    de activiteiten [plaatsvinden]) en de fase van de subsidievaststelling na afloop
                    ervan. Het zijn twee gescheiden trajecten met aparte besluitvorming waarbij in
                    beide fasen sprake is van de mogelijkheid tot het indienen van een bezwaar- of
                    beroepsschrift. De beschikking tot de subsidievaststelling is gebaseerd op de
                    inhoudelijke en financiële verantwoording (jaarverslag en jaarrekening) door de
                    subsidieontvanger.</al><al>De verantwoording moet bij subsidies hoger dan € 25.000 zijn voorzien van een
                    beoordelingsverklaring, opgesteld door een AA-accountant, bij grote instellingen
                    met een budgetsubsidie door een RA-accountant. Aan die laatste groep
                    subsidieontvangers worden weer zwaardere eisen gesteld dan aan de
                    vrijwilligersorganisaties. Een beoordelingsverklaring heeft het college nodig om
                    de rechtmatige besteding van de door haar verstrekte subsidiemiddelen geborgd te
                    zien. Overigens beoogt het college de beoordeling van de aanvragen tot
                    subsidievaststelling binnen enkele maanden af te kunnen ronden. De maximaal
                    daarvoor te hanteren termijn is zes maanden. Als het college deze termijn niet
                    nakomt, is er over enkele jaren, op basis van de inwerkingtreding van de nieuwe
                    4e tranche van de Awb, sprake van (financiële) sancties.</al><al>Artikel 28.</al><al>Ook bij een niet volledige aanvraag tot subsidievaststelling geldt een
                    hersteltermijn van vier weken. </al><al>Artikel 29.</al><al>Als de aanvraag tot subsidievaststelling ook na de hersteltermijn nog niet
                    voldoet aan de eisen wordt de subsidie ‘ambtshalve’ vastgesteld. Dat kan, zo
                    blijkt uit jurisprudentie, leiden tot het volledig moeten terugbetalen van de al
                    ontvangen subsidie.</al><al>Artikel 30.</al><al>De uiteindelijke betaling van de subsidie na de vaststelling ervan gebeurt met
                    verrekening van de verstrekte voorschotten. Waarderingssubsidies worden in één
                    keer betaald.</al><al>Artikel 31.</al><al>Subsidiebedragen die hoger zijn dan € 10.000,- worden per kwartaal bevoorschot.
                    In zeer bijzondere gevallen, bijvoorbeeld in relatie tot de liquiditeitspositie,
                    kan daarvan op basis van de hardheidsclausule worden afgeweken.</al><al>Artikel 32.</al><al>Dit is de zogenaamde ‘hardheidsclausule’: in individuele gevallen kan van de
                    subsidieverordening worden afgeweken.</al><al>Artikel 33.</al><al>Ook onder de hardheidsclausule valt dat het college het recht heeft te beslissen
                    in die gevallen waar de verordening ergens niet, of niet voldoende, in
                    voorziet.</al><al>Artikel 34.</al><al>De overgang van de oude naar de nieuwe ASV wordt hierin geregeld.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>