<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR364312_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Drenthe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.middendrenthe.nl">Gemeenteblad nr. 490336 d.d. 10-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening gemeente Midden-Drenthe 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 147, art. 149 en art. 154 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Cameratoezicht</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>490336</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Midden-Drenthe;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. ;</al><al/><al>gelet op de bepalingen van de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht,
                        het Activiteitenbesluit en de Drank- en Horecawet;</al><al/><al><vet>besluit</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de volgende </al><al/><al><vet>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bebouwde kom: </cursief>het gebied binnen de grenzen
                                    die door de gemeenteraad zijn vastgesteld op grond van artikel
                                    20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bevoegd gezag: </cursief>bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    tot het nemen van een besluit ten aanzien van een
                                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.4 van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al
                                    verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk: </cursief>hetgeen in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al><cursief>college: </cursief>het college van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebouw:</cursief> hetgeen in artikel 1, eerste lid,
                                    onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al><cursief>handelsreclame:</cursief> iedere openbare aanprijzing
                                    van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                                    commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="-"><al><cursief>openbaar water: </cursief>wateren die voor het publiek
                                    bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="-"><al><cursief>openbare plaats: </cursief>hetgeen in artikel 1 van de
                                    Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al><cursief>rechthebbende: </cursief>degene die over een zaak
                                    zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk
                                    recht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>weg: </cursief>hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder
                                    b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:5, vierde lid of
                                een vergunning als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze
                            verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn; of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="1."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="2."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="3."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="4."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Openbare orde</vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan; </al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                            toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                            dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                            samenscholing;</al></li></lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Verblijfsverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde of
                                    veiligheid, een verbod opleggen aan degene die de openbare orde
                                    of veiligheid heeft verstoord of één of meer van de wettelijke
                                    bepalingen overtreedt die genoemd worden in de door de
                                    burgemeester vastgestelde feiten en termijnentabel, om zich
                                    gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak te bevinden op in
                                    dat verbod aangewezen plaatsen in een gebied, dat door de
                                    burgemeester met het oog op het kunnen opleggen van een
                                    verblijfsverbod is vastgesteld. Dit verbod geldt gedurende de in
                                    de bekendmaking van het verbod genoemde periode die ten hoogste
                                    twaalf weken kan bedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing van gebieden
                                    waarvoor een verblijfsontzegging kan gelden, of tot omschrijving
                                    van overtredingen (feiten en termijnen tabel), die tot een
                                    verblijfsontzegging kunnen leiden, dan na overleg met de
                                    Officier van Justitie, bedoeld in artikel 14 van de Politiewet
                                    1993.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en
                                    ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt; </al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging; </al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging; </al></li><li nr="e."><al> voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en
                                        </al></li><li nr="f."><al> maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                            treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaat vóór 12.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Voorwerpen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken
                                    dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de
                                            weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan
                                            belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen
                                            voor het beheer of onderhoud van de weg; of </al></li><li nr="b."><al>het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van
                                            welstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder
                                    geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1.00
                                    meter wordt gelaten op voetpaden en van 2.50 meter op de rijbaan
                                    voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon-
                                    en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen,
                                    uitstallingen en reclameborden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het
                                    verbod in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in de Festiviteiten- en
                                            evenementenverordening; </al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en </al></li><li nr="c."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                            regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is
                                            verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden in een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of </al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de
                                    waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een
                                    uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een
                                    bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al> als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden in een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit; of </al></li><li nr="b."><al> door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
                                        </al></li><li nr="b."><al>dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats; </al></li><li nr="c."><al>het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze
                                            wordt aangetast; of </al></li><li nr="d."><al>er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door
                                            een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze
                                            tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats of het openbaar groen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: </al><lijst><li nr="a."><al>te roken gedurende een door het college aangewezen
                                            periode; </al></li><li nr="b."><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende of
                                            smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of
                                            te laten liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                    onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    van gemeentewege op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of
                                    voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare
                                    verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                    objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan
                                    twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                    elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                    toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                            beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                            verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                            gevaar te brengen; </al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                            veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten
                                            te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige
                                            andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te
                                            belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht of een provinciale
                                    verordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li></lijst><al>dat, wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot
                                    uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt
                                    uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van die
                                    rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verstrekken van alcoholhoudende drank op bijeenkomsten van
                                    persoonlijke aard is alleen toegestaan als deze verband houden
                                    met de doelstelling van de rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van die rechtspersoon betrokken
                                    zijn als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het maken van reclame voor bijeenkomsten van persoonlijke aard
                                    die niet verband houden met de doelstelling van een
                                    paracommercieel rechtspersoon is verboden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder <cursief>speelgelegenheid</cursief>
                                    verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de
                                    mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld
                                    of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                    verloren en waarop de Wet op de kansspelen niet van toepassing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen
                                            vergunning is verleend; </al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of
                                            de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                            verlenen; en </al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder
                                            a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid; of </al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Wet:</cursief> de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al><cursief>speelautomaat</cursief>: automaat als bedoeld
                                            in artikel 30, onder a van de Wet</al></li><li nr="c."><al><cursief>kansspelautomaat: </cursief>automaat als
                                            bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet;</al></li><li nr="d."><al><cursief>hoogdrempelige inrichting:</cursief> inrichting
                                            als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; </al></li><li nr="e."><al><cursief>laagdrempelige inrichting: </cursief>inrichting
                                            als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten
                                    toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten
                                    toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                    geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is dan wel op personen die daarvoor toestemming
                                    hebben van de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al> een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; </al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                    gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het
                                    aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan
                                    een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter
                                    inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water enig
                                    aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                    verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:19.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van
                                    winkels tassen of andere voorwerpen te vervoeren of bij zich te
                                    hebben, die er kennelijk toe zijn uitgerust om winkeldiefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing indien de in die leden bedoelde werktuigen,
                                    voorwerpen en middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in
                                    die leden bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                    ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de
                                    gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                    plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                    gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op gedragingen die passen
                                    binnen het daartoe bestemde gebruik van de in het eerste lid
                                    genoemde gronden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al> zonder redelijk doel te klimmen of zich te bevinden op
                                            een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair; </al></li><li nr="b."><al> zich op te houden op een wijze die aan andere
                                            gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats
                                            gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                            berokkent.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al> een terras dat behoort bij een horecabedrijf als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en
                                        </al></li><li nr="b."><al> een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een trapportaal, portiek of
                                            poort op te houden; </al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                    flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                    meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk
                                    is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor
                                    gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtruimten voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                                rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: </al><lijst><li nr="1."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="2."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: </al><lijst><li nr="a."><al> op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats; </al></li><li nr="b."><al> binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                            aangelijnd; of </al></li><li nr="c."><al> op de weg indien die hond niet is voorzien van een
                                            halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar
                                            of houder duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet
                                    van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: </al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of </al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op eigen terrein dan wel het terrein van een
                                    ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: </al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen; </al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en </al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare
                                    gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al> aanwezig te hebben; </al></li><li nr="b."><al> aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde
                                            regels; </al></li><li nr="c."><al> aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven; of </al></li><li nr="d."><al> te voeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet
                                van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Verontreiniging door rij- en trekdieren</titel></kop><al>De eigenaar of houder van een rij- of trekdier is verplicht ervoor
                                te zorgen dat uitwerpselen van dit rij- of trekdier niet terecht
                                komen op dan wel direct worden verwijderd van een voor het openbaar
                                verkeer openstaande weg of pad met inbegrip van de daarin liggende
                                bruggen en duikers en met uitzondering van een ruiterpad.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder <cursief>handelaar</cursief>: </al><al>een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van
                                bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen: </al><lijst><li nr="a."><al> het volgnummer van de aantekening met betrekking tot
                                            het goed; </al></li><li nr="b."><al> de datum van verkoop of overdracht van het goed; </al></li><li nr="c."><al> een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                            voor dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                            goed; </al></li><li nr="d."><al> de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; en </al></li><li nr="e."><al> de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van deze verplichtingen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al><al> 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                        vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn
                                        onderneming behorende vestiging; </al><al>2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen;</al><al> 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; </al><al>4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van
                                        een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren
                                        is gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Vuurwerk, carbid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                    <cursief>consumentenvuurwerk</cursief>: </al><al>hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002,
                                houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is te allen tijde verboden consumentenvuurwerk te gebruiken
                                    binnen een afstand van 50 meter van een gebouw voorzien van een
                                    rieten dak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Bij zich hebben van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden carbid (calciumcarbid) op of aan de weg of op
                                    een voor het publiek toegankelijke plaats bij zich te hebben,
                                    dat ertoe kan dienen de openbare orde te verstoren of aanleiding
                                    kan geven tot hinder of overlast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien het
                                    carbid niet bestemd is of gebruikt wordt voor de in dat lid
                                    bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Bezigen van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met
                                    vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te
                                    verbranden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod gesteld in het eerste lid geldt niet indien: </al><lijst><li nr="a."><al>Gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of vergelijkbare
                                            voorwerpen met een maximale inhoud van 40 liter. </al></li><li nr="b."><al>Het gebruik plaatsvindt in de periode van 31 december
                                            vanaf 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur. </al></li><li nr="c."><al>De plaats van het in sub 1 genoemde gebruik is gelegen: </al><al>1. op een afstand van tenminste 75 meter van
                                            woonbebouwing; </al><al>2. op een afstand van tenminste 300 meter van
                                            inrichtingen van intramurale zorg; </al><al>3. op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik
                                            zijnde voorzieningen voor het houden van dieren. </al></li><li nr="d."><al>De richting van de explosie tegengesteld is aan de
                                            richting waarin de dichtstbijzijnde bebouwing als
                                            bedoeld in lid 2 sub c is gelegen. </al></li><li nr="e."><al> Binnen een afstand van 75 meter in de richting van de
                                            explosie zich geen openbare wegen of paden
                                            bevinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, Wet
                                    wapens en munitie, Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet vervoer
                                    gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:2, 2:22,
                                2:23, 2:24, 2:25, 2:26, 2:39, 2:41, 2:42, 3:9, 5:30 en 5:31 van deze
                                Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera's voor
                                    een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid
                                    eveneens ten aanzien van alle andere voor een ieder
                                    toegankelijke plaatsen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>prostitutie:</cursief> het zich beschikbaar stellen
                                        tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander
                                        tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>prostituee</cursief>: degene die zich beschikbaar
                                        stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief>seksinrichting</cursief>: de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                        worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                        aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
                                        geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                        waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>escortbedrijf</cursief>: de natuurlijke persoon,
                                        groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                        die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al><cursief>sekswinkel</cursief>: de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                        van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al><cursief>exploitant</cursief>: de natuurlijke persoon of
                                        personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel
                                        exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon
                                        of personen;</al></li><li nr="g."><al><cursief>beheerder</cursief>: de natuurlijke persoon of
                                        personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent,
                                        dan wel uitoefenen in een seksinrichting of
                                        escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bezoeker</cursief>: degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van: </al><al>1. de exploitant; </al><al>2. de beheerder; </al><al>3. de prostituee; </al><al>4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; </al><al>5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                        6.2 van deze verordening; </al><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder <cursief>bevoegd
                                    bestuursorgaan</cursief>: </al><al>het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met
                                betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan. Het aantal seksinrichtingen binnen de gemeente
                                    Midden-Drenthe is niet hoger dan één. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al> de persoonsgegevens van de exploitant; </al></li><li nr="b."><al> de persoonsgegevens van de beheerder; en </al></li><li nr="c."><al> de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
                                        </al></li><li nr="d."><al> het aantal werkzame prostituees; </al></li><li nr="e."><al> de plaatselijke en kadastrale ligging van het
                                            prostitutiebedrijf door middel van een situatietekening
                                            met een schaal van tenminste 1: 1000;</al></li><li nr="f."><al> de plattegrond van het prostitutiebedrijf door middel
                                            van een tekening met een schaal van tenminste 1: 100;
                                        </al></li><li nr="g."><al> bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                            Kamer van Koophandel; en </al></li><li nr="h."><al> bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                            tot het gebruik van de ruimte bestemd voor het
                                            prostitutiebedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al> staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en
                                        </al></li><li nr="c."><al> hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet: </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld; </al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten; </al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van: </al><al>- bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen; </al><al>- de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot
                                            en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303,
                                            416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek
                                            van Strafrecht; </al><al>- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994; </al><al>- de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                            de Wet op de kansspelen; </al><al>- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; </al><al>- de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                            munitie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning; </al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Openingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan de openingstijden en het verplichte
                                    sluitingsuur van een prostitutiebedrijf vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een prostitutiebedrijf voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin toe te laten of te laten verblijven buiten de
                                    toegestane openingstijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een prostitutiebedrijf voor bezoekers geopend te
                                    hebben zonder dat de ingevolge artikel 3:1 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in het prostitutiebedrijf
                                    aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is bezoekers van een prostitutiebedrijf verboden zich daarin
                                    te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid dan wel krachtens artikel 3:7 gesloten
                                    dient te zijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer
                                    gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking openingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            derde lid, geldende openingstijden vaststellen; </al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit
                                    bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van artikel 3:42,
                                    tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Toezicht door exploitant en beheerder</titel></kop><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                                seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al> geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                        geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen
                                        de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                        vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                        (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht,
                                        in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en </al></li><li nr="b."><al> geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de
                                    diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te
                                    lokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden; </al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste
                                    lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan
                                    personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende
                                    de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                    zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de
                                    belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan wie
                                    ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde
                                    lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in
                                    een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen
                                    of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder
                                    b.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn: weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                    beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                                    dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen; </al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan,
                                            voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening; of </al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven
                                    kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de
                                    aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                    achterwege gelaten, in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al> het voorkomen of beperken van overlast; </al></li><li nr="b."><al> het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat; </al></li><li nr="c."><al> de veiligheid van personen of goederen; </al></li><li nr="d."><al> de verkeersvrijheid of -veiligheid; </al></li><li nr="e."><al> de gezondheid of zedelijkheid; of </al></li><li nr="f."><al> de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig
                                    artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan
                                    binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
                                    het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het
                                    moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                    besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                                uiterlijk aanzien van de gemeente </vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit algemene regels voor
                                    inrichtingen milieubeheer van 19 oktober 2007
                                    (Activiteitenbesluit) op een zodanige wijze toestellen of
                                    geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale
                                    milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is ook niet van toepassing op het gebruik van
                                    schoolpleinen, openbare sport- en speelvoorzieningen en
                                    –terreinen, voor zover het betreft de uitoefening van school,
                                    sport- en speelactiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Geluidshinder onversterkte muziek in buitenruimten van
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de buitenruimten van een inrichting in de zin
                                    van artikel 1:2 van het Activiteitenbesluit onversterkte muziek
                                    ten gehore te brengen voor zover dit deel uitmaakt van de
                                    bedrijfsvoering waarvoor de melding als bedoeld in artikel 1.10
                                    van het Activiteitenbesluit is gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tweede lid geldt niet voor zover voor de activiteit een
                                    melding is gedaan in de zin van artikel 2.21, lid 1 aanhef en
                                    onder b van het Activiteitenbesluit, dan wel voor het openbaar
                                    gebied onmiddellijk grenzend aan de inrichting een collectieve
                                    festiviteit is aangewezen in de zin van artikel 2.21, lid 1
                                    aanhef en onder a van het Activiteitenbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Geluidshinder onversterkte muziek in binnenruimten van
                                    inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de binnenruimte van een inrichting in de zin
                                    van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit onversterkte muziek
                                    ten gehore te brengen van 23.00 uur ’s avonds tot 7.00 uur ’s
                                    ochtends.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende het ten gehore brengen van onversterkte muziek dienen
                                    ramen en deuren zoveel mogelijk gesloten te blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid geldt niet voor zover voor de festiviteit een
                                    melding is gedaan in de zin van artikel 2.21, lid 1 aanhef en
                                    onder b van het Activiteitenbesluit, dan wel voor het openbaar
                                    gebied onmiddellijk grenzend aan de inrichting een collectieve
                                    festiviteit is aangewezen in de zin van artikel 2.21, lid 1
                                    aanhef en onder a van het Activiteitenbesluit.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van
                                straatveegwerkzaamheden door of vanwege de gemeente aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al> onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;
                                        </al></li><li nr="b."><al> fietsen, bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan; </al></li><li nr="c."><al> kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:9 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel; of </al></li><li nr="d."><al> mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens een provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder <cursief>kampeermiddel</cursief>
                                verstaan: </al><al>een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor
                                het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of
                                opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor
                                recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                    beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit
                                    is bestemd of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al> de bescherming van natuur en landschap; of </al></li><li nr="b."><al> de bescherming van een dorpsgezicht; of</al></li><li nr="c."><al>de openbare orde; of</al></li><li nr="d."><al>het voorkomen of beperken van overlast; of</al></li><li nr="e."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen; of</al></li><li nr="f."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen, waarvoor het verbod in
                                    artikel 4:10, eerste lid niet geldt, dan wel tijdelijk niet
                                    geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd artikel 4:10, vierde lid, onder a tot en
                                    met f.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
                            </vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>voertuigen</cursief>: voertuigen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens
                                        zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al><cursief>parkeren</cursief>: parkeren als bedoeld in artikel
                                        1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens (RVV 1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder <cursief>verhuren</cursief> als bedoeld in dit artikel
                                    wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen; </al></li><li nr="b."><al> het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; </al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van tien meter met als middelpunt één van
                                            deze voertuigen; </al></li><li nr="b."><al> de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                            gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al> langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                            of te hebben op een door het college aangewezen weg,
                                            waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog
                                            op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                            schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                            gemeente; </al></li><li nr="b."><al> op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid, aanhef en onder a.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het provinciaal wegenreglement of de
                                    provinciale landschapsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer
                                    dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen
                                    plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan zes meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het vijfde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stank verspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stank verspreidende stoffen te
                                    parkeren daar waar bewoners of gebruikers van nabij gelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan overlast of hinder kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer daarin voorziet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al> op de weg; </al></li><li nr="b."><al> op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid; en </al></li><li nr="c."><al> op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                plaatsen fietsen, snor/bromfietsen of scooters onbeheerd buiten de
                                daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een <cursief>inzameling van geld of goederen</cursief>
                                    wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe
                                    ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij
                                    het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                    indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt
                                    dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel
                                    doel is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder <cursief>venten</cursief> verstaan:
                                    het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                    verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder <cursief>venten</cursief> wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                            exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van
                                            de Winkeltijdenwet; </al></li><li nr="b."><al> het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
                                        </al></li><li nr="c."><al> het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te
                                    venten op de dagen en tijden genoemd in artikel 2 van de
                                    Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                    toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken
                                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> op door het college aangewezen openbare plaatsen; of
                                        </al></li><li nr="b."><al> op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                        <cursief>standplaats</cursief>: het vanaf een vaste plaats
                                    op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten,
                                    gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen
                                    of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onder <cursief>standplaats</cursief> wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al> een vaste plaats op een evenement als bedoeld in de
                                            Festiviteiten- en evenementenverordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand; </al></li><li nr="b."><al> indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li><li nr="c."><al>indien het innemen van de standplaats buitensporig is
                                            met het oog op de beschikbare parkeerruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of een provinciale
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet
                                    van toepassing op bouwwerken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                        <cursief>snuffelmarkt</cursief>: een markt in een voor het
                                    publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en
                                    incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                                    aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een <cursief>snuffelmarkt</cursief> wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in de Festiviteiten – en
                                            evenementenverordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water, ligplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de
                                    Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet, een provinciale regeling, de Telecommunicatiewet of de
                                    daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college met een
                                    vaartuig permanent een ligplaats in te nemen of te hebben dan
                                    wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of een provinciale
                                    regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Nadere regels permanente ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan het permanent innemen, hebben of beschikbaar
                                    stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig: </al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente; </al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of een provinciale
                                    regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken,
                                    wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing,
                                    bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen,
                                    aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente
                                    in beheer zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of een provinciale
                                    regeling</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>motorvoertuig</cursief>; hetgeen daaronder wordt
                                        verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement
                                        verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bromfiets</cursief>: hetgeen daaronder wordt
                                        verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast; </al></li><li nr="b."><al> in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al> in het belang van de veiligheid van de deelnemers van
                                            de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of
                                            van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproduktie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen voor: </al><lijst><li nr="a."><al> het voorkomen van overlast; </al></li><li nr="b."><al> de bescherming van natuur- of milieuwaarden; </al></li><li nr="c."><al> de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: </al><lijst><li nr="a."><al> ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de bevoegde minister aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten; </al></li><li nr="b."><al> die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld; </al></li><li nr="c."><al> die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; </al></li><li nr="d."><al> van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld; </al></li><li nr="e."><al> voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al> op wegen en daartoe bestemde paden die gelegen zijn
                                            binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of
                                            terreinen; </al></li><li nr="b."><al> binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al> verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke; </al></li><li nr="b."><al> sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand; </al></li><li nr="c."><al> vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of een provinciale verordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder <cursief>incidentele
                                    asverstrooiing</cursief>: </al><al>het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="a."><al> verharde delen van de weg; </al></li><li nr="b."><al> gemeentelijke begraafplaatsen met uitzondering van de
                                            daartoe aangewezen plaatsen op de begraafplaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op
                                    andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                    plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr></kop><structuurtekst><al><vet>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast: toezichthouders handhaving
                                Algemeen, Bouw en Milieu.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen
                                met dit toezicht belasten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening gemeente Midden-Drenthe (2007)
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die
                            golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en
                            waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als
                            besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “<cursief>Algemene plaatselijke
                                verordeninggemeente Midden-Drenthe 2014</cursief>”.</al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad,</ondertekening><ondertekening>gehouden op:</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1</titel></kop><tussenkop><vet>Aanpassingen/wijzigingen APV 2007</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 APV 2007 &gt; artikel 1.1 APV 2014</tussenkop><al>Aan de begripsomschrijvingen is overeenkomstig de model APV van de VNG het
                    begrip “openbare plaats” toegevoegd. Hierbij is aangehaakt bij de Wet openbare
                    manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats
                    is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor
                    het publiek. Deze omschrijving is duidelijker en praktischer dan de uitgebreide
                    omschrijving van het begrip “weg” in de oude APV.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2.1 t/m 2.1.2.3 &gt; artikel 2:1</tussenkop><al>Voor de leesbaarheid zijn deze artikelen in één artikel 2:1 ondergebracht.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4.1 &gt; artikel 2:5</tussenkop><al>In lid 2 is voor de duidelijkheid opgenomen in wanneer in ieder geval sprake is
                    van belemmering van de weg.</al><al>Daarnaast is het wenselijk om in lid 3 het college de bevoegdheid te geven
                    nadere regels te stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.</al><al>Tenslotte is in verband met de invoering van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo) in lid 5 de omgevingsvergunning opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4.2 &gt; 2:6</tussenkop><al>In lid 5 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd. Voor een
                    nadere uitleg van dit begrip wordt verwezen naar de Algemene toelichting op p.
                    45.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4.3 &gt; artikel 2:7</tussenkop><al>In de APV 2007 was geen vergunningplicht, maar een meldingsplicht opgenomen. Op
                    grond van artikel 2.2, lid 1, sub e van de Wabo is dit een vergunningplicht
                    geworden. Voordeel daarvan is dat er weer leges kan worden geheven, dit in
                    tegenstelling tot bij de meldingsplicht. Opmerkelijk is dat in de praktijk de
                    meldingsprocedure evenveel werkdruk met zich meebracht als de
                    vergunningprocedure.</al><al>In lid 5 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 2:14 en 2:15</tussenkop><al>In verband met de wijziging van de Drank- en Horecawet zijn deze artikelen
                    toegevoegd. Zie voor een nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting op p.
                    50.</al><tussenkop>Artikel 2.1.5.1</tussenkop><al>Geschrapt, omdat artikel 427 Wetboek van Strafrecht voldoende (strafrechtelijke)
                    handhavingsmogelijkheden biedt.</al><tussenkop>Artikel 2.2.1.1 t/m 2.2.1.4 &gt; artikel 4:9 t/m 4:11</tussenkop><al>Deze artikelen zijn verplaatst naar Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu, en
                    het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. </al><al>Artikel 2.2.1.4 is daarbij geschrapt, omdat het college bij het aanwijzen van
                    tijdelijke kampeerplaatsen, zoals TT-campings voorwaarden kan stellen met
                    betrekking tot het gebruik van de kampeerplaats. </al><tussenkop>Artikel 2.2.2.1 &gt; artikel 2:16</tussenkop><al>In lid 4 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 2.3.3 &gt; artikel 2:21</tussenkop><al>Op verzoek van de politie is uit doelmatigheidsoverwegingen de tijdsbeperking
                    geschrapt. Inbrekers verrichten ook overdag hun activiteiten.</al><tussenkop>Artikel 2.3.8 &gt; artikel 2.26</tussenkop><al>Artikel 2.3.8 is geschrapt, omdat artikel 2.26 voldoende waarborgen biedt om
                    hinderlijk gedrag tegen te gaan.</al><tussenkop>Artikel 2.3.10, 2.3.10a en 2.3.11</tussenkop><al>Geschrapt, omdat deze gedragingen niet als probleem worden ervaren.</al><tussenkop>Artikel 2.3.12 &gt; artikel 4:1 </tussenkop><al>Dit artikel is verplaatst naar Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu, en het
                    natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 2.3.13 en 2.3.13a &gt; 2:31</tussenkop><al>Voor de leesbaarheid zijn deze artikelen in één artikel ondergebracht.</al><tussenkop>Artikel 2.3.16 &gt; artikel 2:30</tussenkop><al>Dit artikel is voor de leesbaarheid aangepast.</al><tussenkop>Artikel 2.3.17 en 2.3.18</tussenkop><al>Deze artikelen zijn geschrapt. Artikel 2;31 biedt voldoende waarborgen tot
                    handhaving.</al><tussenkop>Artikel 2:34 t/m 2:26</tussenkop><al>Deze artikelen zijn op verzoek van de politie toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 4:8</tussenkop><al>Dit artikel is toegevoegd, omdat in de praktijk gebleken is dat hieraan behoefte
                    bestaat.</al><tussenkop>Artikel 5.1.2 &gt; artikel 5.2</tussenkop><al>Dit artikel is tekstueel aangepast. Daarnaast is in lid 5 de toepassing van de
                    Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.1.3 &gt; artikel 5:3</tussenkop><al>In lid 3 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.1.6 &gt; artikel 5:6</tussenkop><al>Dit artikel is tekstueel aangepast. Daarnaast is in lid 4 de toepassing van de
                    Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.1.7 &gt; artikel 5:7</tussenkop><al>In lid 3 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.1.8 &gt; artikel 5:8</tussenkop><al>In lid 6 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.1.11 &gt; artikel 5:11</tussenkop><al>In lid 4 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.2.1 &gt; artikel 5:13</tussenkop><al>In lid 4 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5:16 </tussenkop><al>Dit artikel is toegevoegd om regels te kunnen stellen met betrekking tot de
                    vrijheid van meningsuiting.</al><tussenkop>Artikel 5.3.2.3 &gt; artikel 5:18</tussenkop><al>In lid 3 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.2.4 &gt; artikel 5: 23</tussenkop><al>In lid 4 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.3.2 &gt; artikel 5:25</tussenkop><al>In lid 3 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.4.2 &gt; artikel 5:32</tussenkop><al>In lid 6 is de toepassing van de Lex silencio positivo toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 5.6.2 &gt; artikel 5:34</tussenkop><al>Dit artikel is tekstueel aangepast overeenkomstig het VNG-model onder toevoeging
                    van de toepassing van de Lex silencio positivo.</al><tussenkop>Artikel 6.5 &gt; artikel 6:5</tussenkop><al>Dit artikel is tekstueel aangepast overeenkomstig het VNG-model.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2</titel></kop><tussenkop>FEITEN EN TERMIJNENTABEL BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2.2 ALGEMENE PLAATSELIJKE
                    VERORDENING (APV)</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Feiten waarvoor de ontzegging wordt opgelegd</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Maximale termijn ontzegging</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Categorie 1:</cursief></al><al>- Samenscholing en ongeregeldheden, art. 2.1 APV</al><al>- Hinderlijk gedrag, art. 2.23, 2.25, 2.26 APV</al><al>- Hinderlijk drankgebruik, art. 2.24 APV</al><al>- Openbare dronkenschap, art. 426 en 453 Wetboek van
                                        Strafrecht (Sr)</al><al>- Baldadigheid, artikel 424 Sr</al></entry><entry colname="col2"><al>4 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Categorie 2:</cursief></al><al>- Bezit van meer dan een gebruikershoeveelheid drugs en/of
                                        gebruik van harddrugs in het openbaar, Opiumwet</al><al>- overtreding van Wet wapens en munitie: traangas,
                                        boksbeugels, wapenstokken, steekwapens e.d.</al><al>- Vernieling of beschadiging, art. 350 Sr en openlijke
                                        geweldpleging in vereniging art. 141 Sr</al><al>- Eenvoudige mishandeling. Art. 300 Sr</al><al>- Diefstal met braak in een auto, art, 311, lid 5 Sr</al><al>- Belediging ambtenaar in functie, art. 267 Sr</al><al>- Bedreiging, art. 285 Sr</al><al>- Negeren bevoegd gegeven ambtelijk bevel, art. 184 Sr</al><al>- Wederspannigheid, art. 180, 181, 182 Sr</al></entry><entry colname="col2"><al>6 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Categorie 3:</cursief></al><al>- 2<sup>e</sup> recidive van hinderlijk gedrag, hinderlijk
                                        drankgebruik of openbare dronkenschap, art. . 2.23, 2.24,
                                        2.25, 2.26 APV</al><al>- 2<sup>e</sup> recidive fietsendiefstal, 310 Sr</al><al>- Overtreding Wet wapens en munitie:
                                        vuurwapens/schietwapens</al><al>- Dealen harddrugs, Opiumwet</al><al>- Zware geweldsmisdrijven: zware mishandeling, art. 320 Sr;
                                        (poging tot) doodslag, art. 287 Sr; openlijke geweldpleging
                                        uitsluitend tegen personen, art. 141 Sr; afpersing, art. 317
                                        Sr; afdreiging, art. 318 Sr</al><al>- Overtreding verblijfsontzegging, art. 2.2 APV</al></entry><entry colname="col2"><al>12 weken</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop><vet>Algemeen</vet></tussenkop><al>De huidige Algemene plaatselijke verordening (APV) dateert van 2007. In de
                    tussenliggende tijd is er nieuwe wetgeving en jurisprudentie tot stand
                    gekomen.</al><al>Zo moet op grond van de Drank- en Horecawet de raad een regeling vast te stellen
                    om ongewenste mededinging door paracommerciële rechtspersonen te voorkomen. </al><al>Ook heeft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gevolgen voor de APV.</al><al>In bijlage 1 treft u een overzicht aan van de wijzigingen.</al><al>In de APV worden zowel het ontheffingsstelsel als het vergunningsstelsel
                    gehanteerd. Bij een ontheffing is een handeling of gedraging
                        <onderstreept>verboden</onderstreept>, <onderstreept>tenzi</onderstreept>j
                    de aanvrager aan bepaalde voorwaarden voldoet. Bij een vergunning zijn bepaalde
                    handelingen of gedragingen <onderstreept>toegestaan</onderstreept>,
                        <onderstreept>mits</onderstreept> de aanvrager aan bepaalde voorwaarden
                    voldoet.</al><al>Daarnaast biedt de zogenaamde <onderstreept>Lex silencio positivo</onderstreept>
                    (= positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) de mogelijkheid om
                    de van rechtswege verleende vergunning in de APV op te nemen door paragraaf
                    4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren. Het
                    toepassen van dit principe past binnen de doelstelling van het verbeteren van de
                    dienstverlening. Het effect is dat een beschikking van rechtswege positief luidt
                    als een bestuursorgaan niet binnen de wettelijke beslistermijn een besluit op
                    een aanvraag heeft genomen. De verwachting is dat dat effect een stimulans zal
                    zijn voor het bestuursorgaan om tijdig een besluit te nemen. Voor alle
                    duidelijkheid een van rechtswege verleende vergunning is niet anders dan een
                    “gewone” vergunning. Dit geldt voor de bezwaar- en beroepsmogelijkheden, het
                    kunnen intrekken van de vergunning door het bevoegd gezag, maar ook voor de
                    mogelijkheden tot handhaving. Als gemeentelijk wetgever is de raad bevoegd te
                    besluiten voor welke vergunningen/ontheffingen in de APV de Lex silencio
                    positivo van toepassing kan worden verklaard. Daarbij moet het maatschappelijk
                    risico van een van rechtswege verleende vergunning (gevaar, schade, hinder,
                    belangen van derden, onomkeerbaarheid van de vergunde situatie) worden afgewogen
                    tegen de maatschappelijke baten daarvan. Deze afweging dient bij elk
                    vergunning-/ontheffingstelsel in de APV gemaakt te worden.</al><al>Als de Lex silencio positivo niet van toepassing wordt verklaard, dan geldt het
                    reguliere wettelijke regiem van de Algemene wet bestuursrecht. Overschrijding
                    van de beslistermijn geeft de aanvrager dan de mogelijkheid om het
                    bestuursorgaan in gebreke te stellen en vervolgens een dwangsom te vorderen.
                    Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij de rechtbank in beroep te gaan tegen
                    het uitblijven van een beslissing. </al><al>Tenslotte heeft de tendens om te komen tot vermindering van regeldruk er toe
                    geleid dat we de APV in zijn geheel nog eens onder de loep hebben genomen om
                    overbodige regels te schrappen en andere regels te vereenvoudigen. Daarbij is
                    zoveel mogelijk de tekst van de Model-verordening van de VNG aangehouden.
                    Hieronder volgt een summiere artikelsgewijze toelichting. Voor een zeer
                    uitgebreide toelichting wordt verwezen naar het VNG-model.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>-<cursief>bouwwerk</cursief></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening: “elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren”.</al><al>-<cursief>gebouw </cursief></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijke
                    met wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al>-<cursief>handelsreclame</cursief></al><al>Handelsreclame valt niet onder de bescherming van het grondrecht van vrije
                    meningsuiting, zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Onder een
                    “commercieel belang te dienen” moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot
                    koop en verkoop. Reclame voor ideële doeleinden valt niet onder het begrip
                    handelsreclame.</al><al>-<cursief>openbaar water</cursief></al><al>Openbaar, d.w.z. feitelijk voor het publiek toegankelijk (Boek 5 Burgerlijk
                    Wetboek).</al><al>-<cursief>openbare plaats</cursief></al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (WOM) wordt openbare plaats
                    gedefinieerd als een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat
                    voor publiek. Het gaat daarbij om voor het publiek toegankelijke wegen, straten,
                    pleinen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, natuurterreinen, ijsvlakten.
                    Daaronder is niet begrepen een gebouw of een besloten plaats als een kerk. Ook
                    zijn stadions, postkantoren, restaurants en de hal van het gemeentehuis geen
                    openbare plaatsen in de zin van de WOM. Deze plaatsen staan in principe alleen
                    maar open voor de “klanten” en niet voor iedereen.</al><al>-<cursief>weg</cursief></al><al>Artikel 1 van de Wegenverkeerswet verstaat onder weg: alle voor het openbaar
                    verkeer openstaande wegen en paden met in begrip van de daarin liggende bruggen
                    en duikers en de tot die wegen behorende paden, bermen en zijkanten. Dit is dus
                    beperkter dan het begrip openbare plaats.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop><al>De beslistermijn voor alle vergunningen of ontheffingen is gesteld op acht
                    weken, zoals de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) wordt gesteld. Het merendeel van de aanvragen zal binnen
                    deze termijn afgehandeld kunnen worden. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die
                    waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd.</al><tussenkop>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Aan een vergunning of ontheffing mogen voorschriften en beperkingen worden
                    verbonden. Deze mogen echter uitsluitend strekken ter bescherming van de
                    belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is
                    gesteld. Niet-nakoming van de voorschriften kan grond opleveren voor intrekking
                    van de vergunning of ontheffing dan wel handhaving door middel van
                    bestuursdwang. Daarnaast is overtreding van de voorschriften strafbaar gesteld
                    in de algemene strafbepaling van artikel 6:1.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>Dat wil zeggen, de vergunning is niet overdraagbaar. Het zou bijvoorbeeld
                    onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden
                    overgedragen aan een ander terwijl een groot aantal gegadigden op de wachtlijst
                    staan.</al><tussenkop>Artikel 1:7 Termijnen</tussenkop><al>Onder de oude APV werden vergunningen vaak voor bepaalde tijd verleend. Het
                    streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij a. de vergunning automatisch wordt verlengd; b. het aantal
                    beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen
                    belang, waarbij met wachtlijsten wordt gewerkt; c. een beperkte duur
                    gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd, zoals bijvoorbeeld de standplaats voor een oliebollenkraam rond de
                    jaarwisseling.</al><tussenkop>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>De weigeringsgronden spreken voor zich. Een weigering dient vanzelfsprekend
                    voldoende gemotiveerd te zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. Deze samenscholingsregeling is
                    een aanvulling op de artikelen 184 en 186 van het Wetboek van Strafrecht. Onder
                    omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van een
                    betoging als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Betogingen zijn dan ook
                    uitgezonderd van de werking van dit artikel en worden geregeld in artikel 2:3.
                    Daarbij is sprake van een groep personen, al dan niet in beweging, die er op uit
                    is een mening uit te dragen. De VNG acht de toepassing van de Lex silentio
                    positivo niet gewenst wegens de openbare orde en veiligheid.</al><tussenkop>Artikel 2.2 Verblijfsverbod</tussenkop><al>Met deze bevoegdheid van de burgemeester beschikt de politie over een instrument
                    om preventief op te kunnen treden tegen personen die frequent de openbare orde
                    verstoren in bijvoorbeeld een uitgaansgebied. De praktijk heeft geleerd dat dit
                    positief werkt op de handhaving van de openbare orde.</al><tussenkop>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop><al>Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als
                    een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in
                    beweging, om daarbij een mening uit te dragen. Betogingen vallen onder de
                    bescherming van de Grondwet en kunnen in die zin niet zonder meer beperkt
                    worden. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Uit de jurisprudentie blijkt dat onwettig gedrag van derden
                    tegenover de deelnemers van een betoging, zware belasting van het politiekorps
                    en ernstige hindering van het verkeer onvoldoende zwaarwegende omstandigheden
                    zijn om het betogingsrecht te beperken.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                    of afbeeldingen</tussenkop><al>Ook dit artikel heeft betrekking op het in de Grondwet verankerde recht op
                    vrijheid van meningsuiting. Dat betekent dat dat recht door de gemeentelijke
                    wetgever niet dusdanig beperkt mag worden dat er geen gebruik van enige
                    betekenis meer overblijft. Ook mag de gemeentelijke wetgever niet beperkend
                    optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken.</al><tussenkop>Artikel 2:5 Voorwerpen op of aan de weg</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college dan wel de burgemeester de mogelijkheid greep te
                    houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                    veranderen van een weg</tussenkop><al>Dit artikel is gehandhaafd, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en
                    bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen
                    aanleggen, beschadigen of veranderen.</al><al>In lid 5 is de Lex silencio positivo van toepassing verklaard. Het
                    maatschappelijk risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 2:7 (Omgevings)vergunning voor het maken, veranderen van een
                    uitweg</tussenkop><al>In januari 2014 heeft het college beleid geformuleerd met betrekking tot de
                    vergunningverlening.</al><al>De reactietermijn van vier weken moet voor het college voldoende zijn om te
                    kunnen beoordelen of de aanleg van een uitweg binnen het beleid past.</al><tussenkop>Artikel 2:8 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp </tussenkop><al>Indien door planten of bomen het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt heeft het college de bevoegdheid om op
                    grond van artikel 125 Gemeentewet bestuursdwang toe te passen, waarbij de last
                    wordt opgelegd om de beplanting of bomen weg te halen dan wel te snoeien.</al><tussenkop>Artikel 2:12 Objecten onder hoogspanningslijn</tussenkop><al>Hier is ervoor gekozen om de Lex silencio positivo niet van toepassing te
                    verklaren, omdat het maatschappelijk risico van ongelukken te groot mag worden
                    verondersteld. Daarnaast is er advies nodig van de energieleverancier.</al><tussenkop>Artikel 2:13 Veiligheid op het ijs</tussenkop><al>Gelet op de vele kilometers kanaal is het gewenst deze verbodsbepaling in de APV
                    te handhaven.</al><tussenkop>Artikel 2:15 Regulering paracommerciële rechtspersonen</tussenkop><al>De gewijzigde Drank-en Horecawet (DHW) verplicht gemeenten bij verordening
                    regels te stellen ter voorkoming van oneerlijke mededinging, waaraan
                    paracommerciële rechtspersonen ( sportverenigingen, dorpshuizen,
                    kerkgenootschappen etc., die in eigen beheer horecafaciliteiten exploiteren)
                    zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Deze regels
                    zijn op zich geen nieuw fenomeen. Onder de oude wet werden dergelijke regels in
                    de vorm van voorschriften en beperkingen verbonden aan de vergunning die
                    paracommerciële rechtspersonen nodig hebben overeenkomstig artikel 3 van de DHW
                    om een horecabedrijf te mogen uitoefenen. De voorschriften en beperkingen worden
                    dus overgeheveld van de vergunning (die blijft bestaan) naar een algemene regel
                    (de APV).</al><al>Het standpunt van de regering is dat, gelet ook op hun belangrijke
                    maatschappelijke functie,</al><al>er geen onnodige beperkingen moeten worden opgelegd aan de paracommerciële
                    instellingen daar waar geen mededinging in het geding is en er geen sprake is
                    van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. </al><al>In artikel 2:15 lid 1 is de oude regeling opgenomen dat het schenken van
                    alcoholhoudende drank in bijvoorbeeld sportkantines beperkt is vanaf één uur
                    voor de aanvang van de wedstrijden tot één uur na afloop van de
                    wedstrijden.</al><al>Lid 2 staat toe dat in het dorpshuis wel het afscheid van de beheerder van het
                    dorpshuis met alcohol gevierd mag worden, maar niet diens verjaardag. Op grond
                    van lid 3 is dit laatste wel toegestaan als er geen sprake is van mededinging.
                    Dit is bij voorbeeld het geval in Nieuw-Balinge, waar wel een dorpshuis is, maar
                    geen café of zalencentrum dat daardoor oneerlijke concurrentie zou kunnen
                    ondervinden.</al><tussenkop>Artikel 2:16 Speelgelegenheden </tussenkop><al>In de Wet op de kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd t.a.v.
                    kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en
                    speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van
                    behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te
                    winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie spelen is dit artikel bedoeld. Het
                    gaat dus om spelen, zoals bepaalde kaartspelen, waarop de Wet op de Kansspelen
                    geen betrekking heeft. Er moet dan sprake zijn van een gelegenheid waarin
                    bedrijfsmatig, of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid
                    wordt geboden om enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. </al><al>Het doel van dit artikel is het beschermen van de openbare orde en het woon- en
                    leefklimaat en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Deze
                    laatste heeft als oogmerk het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de
                    consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en waarbij criminaliteit
                    moet worden tegengegaan.</al><al>In lid 4 is de Lex silencio positivo van toepassing verklaard. Het
                    maatschappelijk risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde vergunning wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 2:17 Kansspelautomaten </tussenkop><al>De jurisprudentie over het verschil tussen hoogdrempelige en laagdrempelige
                    inrichtingen en dan met name in samengestelde inrichtingen zoals een
                    sportkantine in een sporthal is voortdurend in beweging en tamelijk casuïstisch.
                    Het hangt van de feitelijke situatie af van welke inrichting er gesproken kan
                    worden. Uit de jurisprudentie van het College van beroep voor het bedrijfsleven
                    (CBB) is het volgende stappenplan af te leiden, dat dient te worden doorlopen
                    bij de beantwoording van de vraag wanneer er sprake is van hoog- of
                    laagdrempelige inrichtingen en van samengestelde inrichtingen.</al><al>a.Bij één afgesloten ruimte:</al><lijst><li nr="1."><al>is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet ?</al></li><li nr="2."><al>staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf ?</al></li><li nr="3."><al>zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht personen ouder dan 18
                            jaar ?</al></li></lijst><al>Is aan alle vereisten voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan één van de
                    eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</al><al>b.Bij meerdere ruimten in een gebouw:</al><lijst><li nr="1."><al>is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan
                            wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt
                            uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw
                            ?</al></li><li nr="2."><al>wordt de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van de
                            lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de
                            stappen onder a. ?</al></li></lijst><al>Is aan alle eisen voldaan, dan is sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>c.Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1,lid 1 van de Drank- en
                    Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting:</al><lijst><li nr="1."><al>worden de stappen onder a. bevestigend beantwoord ?</al></li><li nr="2."><al>zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</al></li><li nr="3."><al>zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelig inrichting mogelijk
                            door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit ?</al></li><li nr="4."><al>zo ja: er géén sprake van een hoogdrempelige inrichting als bedoeld in
                            de Wet op de kansspelen: kansspelautomaten zijn niet toegestaan.</al></li><li nr="5."><al>Zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                            Wet op de kansspelen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:19 Plakken en kladden </tussenkop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten
                    van de mens. Een voorwaarde moet wel zijn dat de gemeente zorgt voor voldoende
                    plakplaatsen voor vrije meningsuiting.</al><tussenkop>Artikel 2:22 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>In lid 3 is de Lex silencio positivo van toepassing verklaard. Het
                    maatschappelijk risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 2:24 Verboden drankgebruik </tussenkop><al>Het is niet mogelijk het grondgebied van de gehele gemeente aan te wijzen. Er
                    moet namelijk wel een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied
                    aangewezen wordt. Dit kan als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van
                    de openbare orde, of de openbare orde al aangetast is.</al><tussenkop>Artikel 2:31 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</tussenkop><al>Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare
                    gezondheid dreigt als gevolg van dieren buiten een agrarisch bedrijf. Een
                    kraaiende haan kan in een woonwijk onaanvaardbare overlast veroorzaken. Dit
                    artikel biedt de mogelijkheid om daartegen op te treden. Daarbij moet er wel een
                    zorgvuldige belangenafweging plaats vinden. Bij een kraaiende haan zal er
                    bijvoorbeeld een goede geluidmeting moeten plaats vinden.</al><al>Hier is van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral
                    omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen
                    leeft in de buurt over de ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane
                    ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede
                    komen.</al><tussenkop>Artikel 2:33 Verontreiniging door rij- en trekdieren</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling is opgenomen om te voorkomen dat het overig wegverkeer op
                    de openbare weg en fietspaden overlast ondervindt van de uitwerpselen. Dit geldt
                    dus niet voor ruiterpaden.</al><tussenkop>Artikel 2:35 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</tussenkop><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijke
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</al><al>In lid 3 is de Lex silencio positivo van toepassing verklaard. Het
                    maatschappelijk risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 2:38 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    verkoopdagen </tussenkop><al>Op deze vergunning is de Lex silencio positivo niet van toepassing verklaard
                    vanwege het zwaar maatschappelijk risico.</al><tussenkop>Artikel 2:39 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop><al>Deze regeling is een aanvulling op het Vuurwerkbesluit, een rijksregeling voor
                    o.a. consumentenvuurwerk. Dit besluit regelt o.a. dat alleen op 29, 30 en 31
                    december consumentenvuurwerk verkocht mag worden aan een particulier. Ook mag
                    het alleen maar worden afgestoken op 31 januari vanaf 10.00 uur tot 1 januari
                    2.00 uur.</al><al>De APV-regeling biedt het college de mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen waar
                    geen vuurwerk mag worden afgestoken.</al><al>Artikel 2:41 Bezigen van carbid</al><al>Het carbidschieten is een plattelands traditie die niet onder het
                    Vuurwerkbesluit valt. Uit een oogpunt van openbare orde behoeft deze traditie
                    wel een regeling. Daarbij is aansluiting gezocht bij het Vuurwerkbesluit.</al><tussenkop>Artikel 2:42 Drugshandel op straat</tussenkop><al>In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van
                    drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk een
                    artikel inde APV op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare
                    orde tot doel heeft.</al><tussenkop>Artikel 2:43 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van artikel 154a van de Gemeentewet om bij
                    ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een
                    door de burgemeester aangewezen plaats. De bevoegdheid is van toepassing
                    verklaard op artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden<vet>)</vet>, 2:2
                    (betogingen), 2:22 (betreden van plantsoenen e.d), 2:23 (hinderlijk gedrag op
                    openbare plaatsen), 2:24 (drankgebruik), 2:25 (verboden gedrag op of in
                    gebouwen), 2:26 (hinderlijk gedrag in voor publiek openstaande ruimten), 2:39
                    (bezigen van vuurwerk), 2:41 (bezigen van carbid), 2:42 (drugshandel op straat),
                    5:30 en 5:31 (crossen in natuurterreinen).</al><tussenkop>Artikel 3:1 e.v. Seksinrichtingen</tussenkop><al>Het exploiteren van prostitutie is niet langer meer strafbaar. Er is geen nadere
                    formele wetgeving vastgesteld over de vormen van exploitatie van prostitutie. De
                    enige manier om dat te regelen is dan via de APV. Dat gebeurt via een
                    vergunningstelsel met allerlei voorschriften. Op grond van artikel 3:4, lid 1 is
                    er slechts één seksinrichting zoals bedoeld in artikel 3:1 sub c toegestaan
                    binnen de gemeentegrenzen. Een algeheel verbod is niet toegestaan. Vanwege de
                    grote maatschappelijke impact is de Lex silencio positivo niet van toepassing
                    verklaard op de vergunning.</al><tussenkop>Artikel 4:1 Geluidhinder</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op vormen van geluidhinder, waarin andere
                    regelingen niet voorzien. Te denken valt daarbij aan luidsprekers op voertuigen,
                    achtergrondmuziek in winkelstraten, bouwmachines, knalapparaten voor het
                    verjagen van vogels. Daarbij is het stemgeluid van spelende kinderen op
                    schoolpleinen en speelvoorzieningen en van sporters op sportvoorzieningen van
                    het verbod uitgezonderd. In lid 4 is de Lex silencio positivo van toepassing
                    verklaard. Het maatschappelijk risico is gering. Binnen de beslistermijn kan
                    gemakkelijk een inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt
                    als de gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 4:2 en 4:3 Geluidshinder onversterkte muziek in buitenruimten en
                    binnenruimten In van inrichtingen</tussenkop><al>Artikel 2.17 Activiteitenbesluit geeft een algemene regeling voor het
                    geluidsniveau dat van een inrichting mag uitstralen. Daarbij mogen bepaalde
                    geluidsbronnen niet meegeteld worden, zoals het stemgeluid van bezoekers, maar
                    ook het geluid van onversterkte muziek. </al><al>De reden voor deze uitsluiting is dat de geluidsemissie van onversterkte muziek
                    niet te beperken is, maar dat er, als de plaatselijke situatie daarom vraagt,
                    wel mogelijkheden zijn om bij gemeentelijke verordening regels te stellen. Dit
                    kunnen logischerwijs geen regels zijn ter beperking van de geluidsemissie, maar
                    wel ter bepaling van frequentie en tijdstip.</al><al>In de Festiviteiten- en evenementenverordening wordt onversterkte muziek niet
                    geregeld simpelweg omdat dat buiten het onderwerp van die verordening valt. Uit
                    het oogpunt van openbare orde en ter bescherming tegen geluidsoverlast is een
                    regeling toch gewenst. </al><al>De onderhavige regeling kent een algeheel verbod op het maken van onversterkte
                    muziek op terrassen. Voor het organiseren van een activiteit met onversterkte
                    muziek op een terras kan dan gebruik worden gemaakt van de meldingsmogelijkheid
                    van de 12-dagen-regeling van het Activiteitenbesluit. Voor
                    milieu/omgevingsvergunningplichtige inrichtingen is de milieuvergunning zelf van
                    toepassing.</al><al>Over het algemeen zal onversterkte muziek in de binnenruimte van een inrichting
                    amper geluidsoverlast geven als de ramen en deuren gesloten blijven. Om op
                    excessen te kunnen handhaven, is een algemeen verbod tussen 23.00 uur en 7.00
                    uur in de onderhavige regeling opgenomen. Voor activiteiten die na 23.00 uur
                    eindigen kan dan gebruik worden gemaakt van de meldingsmogelijkheid van de
                    12-dagen-regeling van het Activiteitenbesluit.</al><tussenkop>Artikel 4:9 e.v. kamperen buiten kampeerterreinen</tussenkop><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchrecreatie is het gewenst
                    deze regeling in de APV op te nemen om ongewenste situaties te voorkomen.</al><al>In artikel 4:11 heeft het college de mogelijkheid om tijdelijk terreinen aan te
                    wijzen waarop gekampeerd mag worden. Dat doet zich in de praktijk voornamelijk
                    voor in de TT-week.</al><al>In lid 5 is de Lex silencio positivo van toepassing verklaard. Het
                    maatschappelijk risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:1 e.v. parkeerexcessen</tussenkop><al>Deze regeling is opgenomen om o.a. te voorkomen dat onevenredig beslag wordt
                    gelegd op de beschikbare parkeerruimte met name in woonwijken. Verder heeft de
                    regeling tot doel om overlast (uitzichtbelemmering) voor omwonenden te beperken
                    en om het uiterlijk aanzien van de omgeving te beschermen.</al><al>Deze regeling bestaat uit een aantal verboden, waarvan ontheffing kan worden
                    verleend. Het verlenen van een ontheffing zal in zijn algemeenheid op zijn
                    plaats zijn ingeval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aangenomen dat bijvoorbeeld de garagehouder geen andere mogelijkheid
                    ten dienste staan dan auto’s op de openbare weg te stallen. Dit kan het geval
                    zijn bij een reeds lang bestaand bedrijf dat door nieuwe ontwikkelingen in de
                    feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein stallingsruimte te creëren.
                    Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden met betrekking
                    tot tijd, plaats en aantallen.</al><al>Op de ontheffing is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Er is geen sprake van een onomkeerbare situatie bij een van
                    rechtswege verleende ontheffing. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen </tussenkop><al>Er wordt een doorlopende vergunning verstrekt aan landelijke instellingen die
                    voor komen op het landelijk collecterooster, zoals de Hartstichting, het
                    Koningin Wilhelminafonds. Voor instellingen die niet op het collecterooster
                    voorkomen, wordt een vergunning voor bepaalde tijd verleend. De lokale
                    sportclub, die huis-aan-huis wil collecteren voor de bouw van een nieuw clubhuis
                    zal een vergunning worden verleend in een collectevrije periode.</al><al>Op de vergunning is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een inschatting worden
                    gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de gevraagde vergunning wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop><al>Er is volstaan met een ventverbod indien de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het
                    vergunningstelsel is al eerder afgeschaft. De praktijk van vergunningverlening
                    was dat de vergunning altijd verleend werd onder dezelfde voorwaarden. Er was
                    dan ook geen goede reden, waarom een vergunningstelsel noodzakelijk en
                    proportioneel was. Overlast kan ook achteraf worden aangepakt. Het risico van
                    achteraf controleren is niet veel groter dan het vooraf vaststellen van
                    voorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting </tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking, zoals het venten met
                    gedrukte stukken. Er mogen beperkingen worden gesteld mits die niet betrekking
                    hebben op de inhoud van de stukken en niet resulteren in een algeheel verbod.
                    Het college mag openbare plaatsen en dagen en uren aanwijzen, waarop het
                    verboden is met gedrukte stukken te venten.</al><al>Op de ontheffing is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Er is geen sprake van een onomkeerbare situatie bij een van
                    rechtswege verleende ontheffing. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een
                    inschatting worden gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de
                    gevraagde ontheffing wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden </tussenkop><al>Het vergunningstelsel voor een standplaats is noodzakelijk om te voorkomen dat
                    de openbare orde wordt verstoord en om overlast tegen te gaan, zoals
                    geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder.</al><al>Onder c. is als weigeringsgrond opgenomen de aantasting van een redelijk
                    voorzieningenniveau in een deel van de gemeente. Deze situatie zal zich alleen
                    maar in de kleinere buitendorpen kunnen voordoen. Wil het college op basis
                    hiervan een standplaatsvergunning weigeren, dan moet worden aangetoond, mede aan
                    de hand van de boekhouding van de (enige) plaatselijke winkelier, dat het
                    voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde
                    goederen worden aangeboden.</al><al>De bepalingen uit de Winkeltijdenwet zijn ook van toepassing voor de verkoop van
                    goederen vanaf een standplaats.</al><al>Op de vergunning is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een inschatting worden
                    gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de gevraagde vergunning wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop><al>Het komt steeds vaker voor dat particulieren markten organiseren in leegstaande
                    gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar ongeregelde zaken verkocht. Dat wil zeggen
                    goederen die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het publiek
                    bereiken, zoals beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten
                    en zaken van een te liquideren onderneming. Deze bepaling is niet van toepassing
                    op braderieën, vlooienmarkten in de openbare ruimte en vrijmarkten op
                    Koningsdag.</al><al>Op de ontheffing is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een inschatting worden
                    gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de gevraagde ontheffing wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:24 e.v. Openbaar water, ligplaatsen </tussenkop><al>Voor Drentse begrippen is onze gemeente tamelijk waterrijk: de Drentsche
                    Hoofdvaart, Beiler Vaart, Linthorst Homankanaal, Westerborker-/Beiler Stroom,
                    Verlengde Middenraai. Deze wateren zijn in beheer bij provincie of waterschap.
                    Het enige openbaar water, dat in beheer is bij de gemeente, is de havenkom in
                    Beilen.</al><al>Uit het oogpunt van openbare orde en uiterlijk aanzien van de gemeente en om
                    verrommeling tegen te gaan, is het wel gewenst hiervoor het één en ander te
                    regelen. </al><al>In artikel 5:24 is uit een oogpunt van deregulering gekozen voor een
                    meldingsplicht voor het plaatsen van steigers e.d. Op die manier kan de gemeente
                    vooraf toetsen en met de melder overleggen of het onderhoud van de oevers of
                    kaden daardoor niet in het geding komt.</al><al>Hoewel de havenkom in Beilen op dit moment over water niet bereikbaar is voor
                    woonboten en andere vaartuigen (met uitzondering van kano’s) is er toch voor
                    gekozen om het permanent innemen van een ligplaats te binden aan een vergunning.
                    Het is immers mogelijk om een woonboot over de weg te transporteren naar de
                    havenkom. </al><al>Op de vergunning is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een inschatting worden
                    gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de gevraagde vergunning wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:30 Crossterreinen </tussenkop><al>Op grond van artikel 10 Wegenverkeerswet (WVW) is het verboden op een weg
                    wedstrijden met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Dit APV-artikel
                    is daarop een aanvulling. Het verbiedt het houden van wedstrijden op enig
                    terrein, geen weg zijnde. Het verbod is niet van toepassing op terreinen, die
                    daarvoor door het college zijn aangewezen, zoals het motorcrossterrein bij
                    Westerbork.</al><tussenkop>Artikel 5:31 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop><al>Gelet op het grote aantal natuurgebieden in onze gemeente en de toenemende druk
                    van recreanten daarop is het gewenst de toegankelijkheid met motorvoertuigen,
                    bromfietsen, mountainbikes en paarden te reguleren. </al><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich
                    te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. Er
                    zijn een aantal uitzonderingsgronden. Zo is het verbod niet van toepassing op
                    wegen en daartoe bestemde paden. Het is mogelijk om ontheffing van het verbod te
                    verlenen in voorkomende gevallen. Op deze ontheffing is niet de Lex silencio
                    positivo van toepassing verklaard, omdat het maatschappelijk belang bij
                    voorkomen van overlast, bij bescherming van natuur- of milieuwaarden en bij het
                    waarborgen van de veiligheid van het publiek zwaar weegt.</al><tussenkop>Artikel 5:32 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te stoken</tussenkop><al>Op grond van artikel 10.63 Wet milieubeheer kan het college ontheffing verlenen
                    van het verbod van verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, indien het
                    belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Daarnaast
                    biedt dit artikel ook de mogelijkheid ontheffing te verlenen voor vreugdevuren,
                    zoals paas-en oudejaarsvuren. Dat brengt met zich mee dat de Wet milieubeheer
                    geen mogelijkheid biedt om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en
                    veiligheid in het geding is. Artikel 5:32 APV biedt die mogelijkheid wel.
                    Daarbij heeft het college de mogelijkheid om aan de ontheffing voorschriften te
                    verbinden. </al><al>Op de ontheffing is de Lex silentio positivo van toepassing. Het maatschappelijk
                    risico is gering. Binnen de beslistermijn kan gemakkelijk een inschatting worden
                    gemaakt of er schade, gevaar of hinder dreigt als de gevraagde ontheffing wordt
                    verleend.</al><tussenkop>Artikel 5:33 e.v. Verstrooiing van as</tussenkop><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name op
                    stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Op basis van dit artikel mag as dus
                    verstrooid worden op de zogenaamde strooivelden op begraafplaatsen en verder
                    overal in de gemeente met uitzondering van de verharde delen van de weg. Het
                    verstrooien mag geen hinder of overlast veroorzaken. Verstrooiing vanaf
                    bijvoorbeeld een balkon richting een kinderspeelplaats vol met kinderen is dus
                    niet toegestaan.</al><tussenkop>Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop><al>Een boete van de tweede categorie bedraagt maximaal €3900,-. Boetes kunnen
                    jaarlijks door de Minister van Justitie verhoogd worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>