<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR364262_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Gouda 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-28891.html">Gemeenteblad, 2015, nr. 28891</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Gouda 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artt. 6, lid 2, 8a, lid 1 en 2, 10b, lid 4.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>935955</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Re-integratieregeling Gouda 2015</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16134</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Gouda 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Gouda;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        februari 2015 met kenmerk 931638;</al><al>gelet op de artikelen 6, tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d
                        en e, en tweede lid en artikel 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al>gezien het advies van de Cliëntenadviesraad WWB van 27 januari 2015;</al><al/><al>besluit: de Re-integratieverordening Gouda 2015 vast te stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, van de Participatiewet.</al></li><li nr="b."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar.</al></li><li nr="c."><al>lange afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar.</al></li><li nr="d."><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                    beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien
                                    van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                    personen bestaande sociale relatie, en die niet wordt verleend
                                    in het kader van een hulpverlenend beroep.</al></li><li nr="e."><al>startkwalificatie: een diploma op Havo-, Vwo- of MBO
                                    2-niveau.</al></li><li nr="f."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><al>Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                            voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Evenwichtige verdeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning bij
                                de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden tot ondersteuning en aanbieden van
                                voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het
                                college een afweging gemaakt of de voorziening, gelet op de
                                mogelijkheden, capaciteiten en wensen van een persoon, het meest
                                doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met inachtneming
                                van hetgeen daarover in de Participatiewet en deze verordening is
                                bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de omvang en duur van de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>de weigeringsgronden bij het aanvragen van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over
                                        loonkostensubsidies en werkgeverspremies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;
                                    </al></li><li nr="f."><al>de intrekking of wijziging van de beschikking inzake de
                                        subsidieverlening of – vaststelling;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en
                                        37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en </al></li><li nr="b."><al>een lange afstand tot de arbeidsmarkt heeft, of langer dan
                                        12 maanden een uitkering heeft, of die nog niet actief is
                                        geweest op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van (specifieke)
                                werkervaring, uitbreiden van kennis of het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel en de duur van de werkervaringsplaats, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college vergoedt de naar zijn oordeel noodzakelijke reis- en of
                                onkosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon uit de doelgroep een proefplaatsing
                                aanbieden bij een werkgever die schriftelijk heeft bevestigd
                                voornemens te zijn een dienstbetrekking van minimaal zes maanden,
                                zonder proeftijd, met hem aan te gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een proefplaatsing is om te onderzoeken of een persoon
                                geschikt is voor de functie, of als een kortdurende periode waarin
                                de loonwaarde van een persoon met een arbeidsbeperking - zoals
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid, van deze verordening - wordt
                                vastgesteld</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De proefplaatsing is met behoud van uitkering. De proefplaatsing
                                duurt maximaal 2 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Sociale activering heeft tot (eind-)doel personen met een lange
                                afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of
                                als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat
                                personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk
                                leven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Het college kan arbeidsbeperkten met arbeidsvermogen en personen
                                met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een dienstverband
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en de inlenende
                                organisatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Begeleiding naar en tijdens werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep begeleiding
                                naar en tijdens werk aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening heeft betrekking op doelgerichte werk- of
                                re-integratietrajecten dan wel diagnose-instrumenten, of ter zake te
                                maken kosten ter ondersteuning van die trajecten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van 27 jaar
                                of ouder en niet beschikt over een startkwalificatie of die in
                                aanmerking is gebracht voor een Participatieplaats ex artikel 10a,
                                vijfde lid, van de Participatiewet, een scholingstraject
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>het bevordert de arbeidsinschakeling en de (duurzame)
                                        uitstroom naar werk;</al></li><li nr="b."><al>het sluit aan bij de capaciteiten van de persoon;</al></li><li nr="c."><al>de persoon heeft geen recht op studiefinanciering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet
                                onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een persoon die in aanmerking is gebracht voor het verrichten
                                van additionele werkzaamheden niet beschikt over een
                                startkwalificatie, biedt het college, zes maanden na aanvang van de
                                werkzaamheden op de participatieplaats, scholing of opleiding aan
                                die gericht is op het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt,
                                tenzij naar het oordeel van het college dergelijke scholing of
                                opleiding de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan
                                of als naar het oordeel van het college de scholing of opleiding
                                niet bijdraagt aan vergroting van de kans op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet
                                bedraagt 50 euro per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende
                                is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Participatievoorziening Beschut Werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening Beschut Werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend
                                in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                                mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert
                                voor deze beoordeling uitsluitend personen met een lange afstand tot
                                de arbeidsmarkt die geen perspectief hebben om regulier te werken,
                                zoals is gebleken uit voorgaande traject(en) vanwege in de persoon
                                gelegen factoren geen doorstroom naar dienstbetrekking bij een
                                reguliere werkgever mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken kan het college voorzieningen zoals
                                bedoeld in deze verordening inzetten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod Beschut Werk, legt vast
                                voor hoeveel personen de gemeente Beschut Werk beschikbaar stelt en
                                draagt zorg voor het beheer van een wachtlijst Beschut Werk die
                                regelt in welke volgorde personen van de wachtlijst in aanmerking
                                kunnen komen voor beschikbare plekken Beschut Werk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Aanpassing werkplek en vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkplekaanpassing aanbieden aan een werkgever
                                die een werknemer met een handicap in dienst neemt voor wie die
                                aanpassing naar het oordeel van het college noodzakelijk is om aan
                                het werk te komen dan wel te blijven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder werknemer met een handicap wordt conform Verordening (EU) Nr.
                                651/2014, L187, 57<sup>e</sup> jaargang, 26 juni 2014 verstaan: een
                                persoon die volgens het nationale recht als werknemer met een
                                handicap is erkend of die een langdurige fysieke, mentale,
                                intellectuele of zintuiglijke beperking heeft die haar/hem in
                                wisselwerking met diverse drempels kan beletten volledig, effectief
                                en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de
                                samenleving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De werkplekaanpassing wordt niet verstrekt aan een onderneming ten
                                aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge
                                een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun
                                onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan een vervoersvoorziening voor woon-werkverkeer
                                toekennen aan een persoon met een lichamelijke, verstandelijke of
                                psychische beperking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitsplitsing van taken</titel></kop><al>Het college kan een persoon uit de doelgroep met een lichamelijke,
                            verstandelijke of psychische beperking en een lange afstand tot
                            arbeidsmarkt aanbieden om met een werkgever de mogelijkheden tot
                            functiecreatie door uitsplitsing van taken te onderzoeken om zijn kans
                            naar toeleiding naar de arbeidsmarkt te vergroten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep met een lange afstand tot
                            de arbeidsmarkt kan het college persoonlijke ondersteuning (c.q.
                            jobcoaching) op de werkplek in de vorm van systematische begeleiding
                            aanbieden bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>No-risk polis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-risk polis
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de
                                            werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                                            10d van de Participatiewet ontvangt met inachtneming van
                                            artikel 18, vijfde lid van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="d."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente;
                                            en</al></li><li nr="e."><al>indien er geen sprake is van een voorliggende
                                            voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De no-risk polis dekt ziekteverzuim gedurende de duur van het
                                    dienstverband van eenwerknemer bij dezelfde werkgever, tot een
                                    maximum van 24 maanden.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De no-risk polis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot maximaal 120% van het
                                            wettelijk minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                            werkgeverslasten.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>UWV voert de no-risk polis namens gemeenten uit. De begunstigde
                                    is de werkgever.</al></li><li nr="5."><al>De no-risk polis betreft een tijdelijke voorziening die geldt
                                    totdat een wettelijke basis voor de no-risk polis tot stand is
                                    gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Werkgeverspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgeverspremie verstrekken aan werkgevers die
                                met een kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer een
                                arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder kwetsbare werknemer wordt conform Verordening (EU) Nr.
                                651/2014, L187, 57<sup>e</sup> jaargang, 26 juni 2014 verstaan de
                                persoon die:</al><lijst><li nr="a."><al>in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde
                                        betrekking heeft gevonden; of</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>geen startkwalificatie bezit; of</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>tussen 18 en 24 jaar, of ouder is dan 50 jaar is; of</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>alleenstaande ouder is; of</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>in de afgelopen twee jaar zijn opleiding in het voltijds
                                        onderwijs heeft voltooid en die zijn eerste reguliere,
                                        betaalde betrekking nog niet heeft gevonden; of</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>die behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en
                                        van wie het profiel met betrekking tot talenkennis,
                                        beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om
                                        zijn vooruitzichten op het verkrijgen van vast werk te
                                        verbeteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt conform Verordening (EU) Nr.
                                651/2014, L187, 57<sup>e</sup> jaargang, 26 juni 2014 verstaan de
                                persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten
                                minste 24 maanden werkloos is geweest of gedurende ten minste twaalf
                                maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad en behoort
                                tot één van de categorieën b t/m e vermeld onder de definitie van
                                kwetsbare werknemer in het voorgaande lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> De werkgeverspremie wordt aan werkgevers, niet zijnde
                                        uitzendbureaus, verstrekt bij een dienstverband van minimaal
                                        zes maanden met een inzet van minimaal 32 uur per week, en
                                        heeft een duur van ten hoogste 12 maanden.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>De werkgeverspremie wordt aan uitzendbureaus verstrekt bij
                                        een uitzendovereenkomst van minimaal 8 uur per week werk
                                        voor een periode van minimaal 26 weken, en heeft een duur
                                        van ten hoogste 12 maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van de werkgeverspremie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Er wordt geen werkgeverspremie verstrekt aan een werkgever die de
                                uitkeringsgerechtigde al in dienst heeft genomen voorafgaand aan de
                                aanvraag van de werkgeverspremie.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de werknemer langer dan één maand voorafgaand aan de
                                overeenkomst bij dezelfde werkgever heeft gewerkt met behoud van
                                uitkering, komt de werkgever niet in aanmerking voor een
                                werkgeverspremie.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Er wordt niet binnen één jaar een werkgeverspremie verstrekt voor
                                eenzelfde functie die niet werd gecontinueerd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De werkgeverspremie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen
                                verdringing plaats vindt. De vacature mag niet zijn ontstaan door
                                afvloeiing.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De werkgeverspremie wordt niet verstrekt aan een onderneming ten
                                aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge
                                een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun
                                onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne
                                markt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de
                                loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een arbeidsdeskundige adviseert met behulp van de Dariuz-methodiek
                                het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van
                                een persoon. De arbeidsdeskundige neemt daarbij de in de bijlage
                                omschreven methode in acht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Vanaf het moment dat een persoon voor wie het college
                                        loonkostensubsidie aan een werkgever toekent ziek wordt, en
                                        de werkgever een uitkering op grond van de no-risk polis
                                        zoals bedoeld in artikel 16 van deze verordening ontvangt,
                                        wordt het recht op loonkostensubsidie opgeschort voor de
                                        duur van de uitkering van de no-risk polis.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Teveel betaalde loonkostensubsidie wordt aan het einde van
                                        de arbeidsovereenkomst vastgesteld en dit wordt terugbetaald
                                        door de werkgever aan gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het recht op loonkostensubsidie vervalt indien de werkgever geen
                                salaris voor de persoon die behoort tot de doelgroep is
                                verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag eenmalig een uitstroompremie toekennen
                                aan een langdurig werkloze van ouder dan 27 jaar die in een
                                dienstverband van minimaal zes maanden uitstroomt naar algemeen
                                geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een langdurig werkloze, genoemd in het eerste lid, is een persoon
                                die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of
                                langer op een gemeentelijke uitkering aangewezen is of is
                                geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie kan worden aangevraagd vanaf de eerste maand tot en met de
                                twaalfde maand na de indiensttreding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van de uitstroompremie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Re-integratieverordening Gouda 2012 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond
                            van de Re-integratieverordening Gouda 2012, behoudt die voorziening. De
                            voorziening wordt geacht een voorziening te zijn op grond van
                            voorliggende Re-integratieverordening Gouda 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking één dag na bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Gouda
                            2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 1 april 2015.</al></slotformulering><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Gouda/i253020.pdf">Beschrijving methodiek van Dariuz loonwaardebepaling</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Algemeen</al><al>De raad heeft de opdracht gekregen om bij verordening regels stellen waarin het
                    beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd.
                    Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet
                    onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit
                    leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere
                    situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                    afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval
                    een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid
                    gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de
                    Participatiewet en artikel 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen bepalendat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op
                    ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. In de
                    verordening wordt vastgelegd welke voorzieningen het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><al>• onder welke voorwaarden welke personen in aanmerking komen voor de
                    voorzieningen die worden omschreven in de re-integratieverordening (art. 7,
                    eerste lid, onderdeel a en art. 10, eerste lid van de Participatiewet); dit
                    staat in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a</al><al>• hoe de re-integratievoorzieningen evenwichtig worden verdeeld over deze
                    personen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden zoals
                    zorgtaken, het feit dat iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort,
                    gebruik maakt van de voorziening beschut werk; of een structurele functionele
                    beperking heeft (art. 10, eerste lid van de Participatiewet); dit staat in
                    artikel 8a, tweede lid, onderdeel a</al><al>• voor welke vergoedingen een werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of voor wie
                    die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt (de no-risk polis, art. 8a, tweede
                    lid, onderdeel b van de Participatiewet); en</al><al>• welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding bij
                    participatieplaatsen (bedoeld in art. 10a lid 5 van de Participatiewet) en voor
                    de premie bij participatieplaatsen (bedoeld, in artikel 10a
                    Participatiewet);</al><al>• welke regels gelden voor de participatievoorziening Beschut Werk (zoals
                    bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet).</al><al>• Welke regels gelden voor de doelgroep loonkostensubsidie en de wijze waarop de
                    loonwaardebepaling wordt vastgesteld (artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet).</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2,
                    van de Participatiewet, </al><al>te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, lid 5, onderdeel b, 35 lid 4,
                            onderdeel b en 36 lid 3, onderdeel b van de Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                            dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="-"><al>niet-uitkeringsgerechtigden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2. Budgetplafonds</tussenkop><al>De gemeenteraad kan, om financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken
                    van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college kan binnen deze
                    verdeling een budgetplafond per voorziening vaststellen. </al><al/><al>Het college moet naar aanleiding van een aanspraak op ondersteuning altijd een
                    individuele afweging maken of zij die aanspraak noodzakelijk acht en kan
                    honoreren. Het ontbreken van financiële middelen, vanwege het budgetplafond, kan
                    geen reden zijn om aanvragen om ondersteuning in het algemeen af te wijzen. In
                    dat geval moet worden gekeken of andere voorzieningen mogelijk zijn. Het is
                    immers de opdracht van het college om te beoordelen of er ondersteuning
                    noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel
                    van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.</al><tussenkop>Artikel 3. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Het college biedt voorzieningen en ondersteuning aan zoals bedoeld in deze
                    verordening aan personen die behoren tot de doelgroep. Het college draagt zorg
                    voor voldoende diversiteit in het aanbod van voorzieningen en ondersteuning en
                    biedt maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt of de
                    voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de
                    belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de
                    arbeid.</al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen
                    vastleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                    functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                    gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen
                    van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag
                    inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag
                    is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                    personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op
                    voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente
                    waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Artikel 4. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                    werk).</al><tussenkop>Beëindiging(sgronden)</tussenkop><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 4, tweede lid , van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b , 35, vierde lid,
                    onderdeel c en 36, derde lid, onderdeelen b en c, van de WIA. Voor deze
                    doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet
                    bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende
                    twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van
                    die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                    van de Participatiewet is verstrekt. </al><al/><al>Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan
                    een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een
                    detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend
                    de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                    rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al>Bij de beëindiging van een voorziening heeft het college beoordelingsruimte als
                    men onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling of wanneer men niet
                    naar behoren gebruik maakt van de geboden voorziening. De wijze waarop het
                    college hieraan invulling geeft kan nader worden uitgewerkt in
                    uitvoeringsvoorschriften.</al><al/><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. </al><tussenkop>Artikel 5. Werkervaringsplaats</tussenkop><al>Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.
                    Een werkervaringsplaats is gericht op het uitbreiden kennis en ervaring. De Hoge
                    Raad heeft bepaald dat er bij werkervaringsplaatsen weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkervaringsplaats in de regel geen sprake van beloning. Een
                    werkervaringsplaats is werken met behoud van uitkering. Terughoudend zijn met
                    het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er
                    kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is
                    van vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al>Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                    toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                    arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                    gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                    bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De
                    rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                    overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden
                    </cursief><cursief>werkervaringsplaats</cursief>Het college kan een
                    persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats aanbieden voor
                    zover hij een lange afstand tot de arbeidsmarkt heeft, of langer dan 12 maanden
                    een uitkering heeft, of nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt. . </al><tussenkop>Doel van de werkervaringsplaats</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan wat het doel is van de werkervaringsplaats, om het
                    verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De
                    werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. In de eerste plaats kan het gaan om
                    het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. In de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkervaringsplaats kan een
                    persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken
                    met collega’s. Er kan een persoonlijk ontwikkelplan worden opgesteld.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin wordt in ieder geval expliciet het doel van
                    de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een
                    werkervaringsplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Artikel 6. Proefplaatsing</tussenkop><al>De voorziening van proefplaatsing kan worden ingezet voor personen uit de
                    doelgroep om te onderzoeken of de functie een geschikte functie is voor de
                    kandidaat. </al><al>De proefplaatsing vindt plaats met behoud van uitkering. </al><al>De voorziening van proefplaatsing kan ook worden ingezet als een kortdurende
                    periode waarin de loonwaarde van een persoon met een arbeidsbeperking - zoals
                    bedoeld in artikel 18, tweede lid, van deze verordening - wordt vastgesteld, met
                    als uiteindelijk doel in diensttreding bij de werkgever met
                    loonkostensubsidie.</al><tussenkop>Artikel 7. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al><cursief>Begrip sociale activering</cursief></al><al>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot (eind-)doel personen met een lange afstand tot de
                    arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk
                    is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan
                    het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                    arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te
                    verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering.</al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop>Artikel 8. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al/><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.</al><tussenkop>Artikel 9. Begeleiding naar en tijdens werk</tussenkop><al>Dit is een breed inzetbare voorziening, die ook onderdeel uitmaakt van het
                    basispakket reintegratie-instrumenten dat onder regie van het Regionaal
                    Werkbedrijf is ingericht om de ondersteuning van arbeidsbeperkten vorm te geven.
                    Deze voorziening kan eveneens worden ingezet voor andere doelgroepen. </al><al>Doelgerichte werk- en re-integratietrajecten zijn onder andere: individuele
                    (vakgerichte) opleidingstrajecten, arbeidsfittrainingen, sollicitatietrainingen,
                    het begeleid verrichten van werkzaamheden, het ontwikkelen van een gezonde
                    levensstijl door beweging of sport, vaardigheidstrainingen, personal coaching,
                    taalles, speeddates. Diagnose-instrumenten omvatten onder andere:
                    belastbaarheidsonderzoeken, indicaties banenafspraak (UWV), indicaties doelgroep
                    beschut werken (UWV), advisering medisch urenbeperkten (UWV), algemeen
                    arbeidsmedisch adviezen.</al><al>Ter zake te maken kosten kunnen bijvoorbeeld reiskosten zijn, of kosten voor
                    kinderopvang. Hierbij geldt dat wanneer aanspraak kan worden gedaan op
                    voorliggende voorzieningen, deze kosten niet worden vergoed. Daarnaast bestaan
                    er raakvlakken met de bijzondere bijstand, waaruit dergelijke kosten in bepaalde
                    situaties ook uit vergoed kunnen worden.</al><tussenkop>Artikel 10. Scholing</tussenkop><al>Deze voorziening voorziet in het (kunnen) behalen van een startkwalificatie en
                    mogelijk aanvullende scholing, waardoor de kansen op de arbeidsmarkt worden
                    vergroot.</al><al/><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden
                    hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012
                    geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). [<cursief>Dit is
                        voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.</cursief>]</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de
                    Participatiewet dat het college aan deze persoon scholing of opleiding dient aan
                    te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                    participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting
                    van de kansen op de arbeidsmarkt. </al><al>Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te
                    bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                    bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of
                    opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces van de persoon. </al><al>Zie ook artikel 11 van deze verordening over de voorziening participatieplaats. </al><tussenkop>Artikel 11. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Het college kan dan ook alleen aan personen van 27 jaar of
                    ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal, maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet, dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Binnen 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                    beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert
                    dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen
                    factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                    participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een
                    andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de
                    Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats
                    (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    In uitvoeringsvoorschriften wordt nadere duiding gegeven aan wanneer sprake is
                    van voldoende meewerken aan het vergroten van kansen op de arbeidsmarkt.</al><al>De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. </al><tussenkop>Artikel 12. Participatievoorziening Beschut Werk</tussenkop><al>De voorziening Beschut Werk is bedoeld voor mensen die door een lichamelijke,
                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                    aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat ze (nog) niet in een reguliere baan
                    kunnen werken, en voor wie van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan
                    worden verwacht dat hij deze in dienst neemt. Met (structurele) ondersteuning
                    zijn deze mensen wel in staat om arbeid te verrichten (m.a.w. het gaat om mensen
                    die niet voor de garantiebanen in aanmerking komen / (nog) niet bij een
                    reguliere werkgever kunnen werken).</al><al>Het gaat uitsluitend om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    (d.w.z. redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt).</al><al>Het UWV heeft de wettelijke taak tot het stellen van de indicatie Beschut Werk.
                    Gemeenten kunnen een voorselectie doen.</al><al/><al>Ten behoeve van de participatievoorziening Beschut Werk voert het college een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor Beschut Werk, en op welk moment. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat het college uitsluitend personen selecteert met
                    een <onderstreept>lange</onderstreept> afstand tot de arbeidsmarkt die geen
                    perspectief hebben om regulier te werken, zoals is gebleken doordat bij een
                    voorafgaand traject vanwege in de persoon gelegen factoren geen doorstroom naar
                    een dienstbetrekking bij een reguliere werkgever mogelijk is.</al><al/><al>Nadat het college gekozen heeft voor de inzet van de voorziening Beschut Werk,
                    draagt het college deze persoon voor aan het UWV voor een beoordeling of de
                    geselecteerde persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot
                    de doelgroep Beschut Werk behoort. Het UWV voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>Op basis van het advies van het UWV beslist het college of iemand tot de
                    doelgroep 'Beschut Werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                    totstandkoming van het advies van het UWV, kan het college besluiten het advies
                    niet te volgen.</al><al/><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'Beschut Werk' behoort, zorgt
                    het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van het college. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Het college
                    bepaalt de omvang van het aanbod Beschut Werk, legt vast hoeveel plekken voor
                    Beschut Werk de gemeente beschikbaar stelt, en zorgt voor het beheer van een
                    wachtlijst Beschut Werk die regelt in welke volgorde personen van de wachtlijst
                    in aanmerking kunnen komen voor beschikbare plekken Beschut Werk.</al><tussenkop>Artikel 13. Aanpassing werkplek en vervoersvoorziening</tussenkop><al>De bepaling is opgesteld in overeenstemming met de AGGV (Europese Verordening
                    nr. 651/2014, L187, 57<sup>e</sup> jaargang, 26 juni 2014).</al><al>Met het derde lid (de zogenaamde Dessendorfclausule) wordt uitvoering gegeven
                    aan artikel 1, vierde lid, sub a van de AGGV. Zonder dit lid zou de verordening
                    niet van toepassing zijn, zoals staat bepaald in zojuist genoemd artikel.</al><tussenkop>Artikel 14. Uitsplitsing van taken </tussenkop><al>Bij functiecreatie gaat het om het afsplitsen of ‘opknippen’ van taken. Gekeken
                    wordt of uit bestaande taken eenvoudige taken kunnen worden afgesplitst en deze
                    als nieuwe functie wordt opgenomen in een werkproces. Nieuw ontstane functies
                    zijn dan geschikt gemaakt werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt. Er
                    zijn geen specifieke voorwaarden om functiecreatie in te zetten anders dan
                    committment en medewerking van een bedrijf/organisatie om mensen met een afstand
                    tot de arbeidsmarkt te willen plaatsen via deze methode.</al><tussenkop>Artikel 15. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning op de werkplek
                    nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zijnde een jobcoach, die op vaste
                    tijden en gedurende een langere periode de werknemer bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 16. No-risk polis</tussenkop><al>De no-risk polis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-risk polis
                    is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de werknemer, die een
                    structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie die
                    werkgever een loonkostensubsidie ontvangt, in aanmerking komt voor de no-risk
                    polis. De polis is gebonden aan de werknemer en aan het bedrijf en is dus niet
                    overdraagbaar.</al><al/><al>De no-risk polis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg
                    te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis
                    zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer
                    een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. De verzekering keert uit totdat
                    de werknemer volledig is hersteld of tot aan het einde van de looptijd van de
                    verzekering.</al><al>Een werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van
                    de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b
                    Participatiewet). </al><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer behoort tot
                    de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening), hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft, of ten behoeve van wie de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><al>De in de verordening opgenomen voorziening betreft een tijdelijke, centrale
                    voorziening gebaseerd op de afspraken tussen VNG en UWV van 19 januari 2015. </al><al>Het ministerie van SZW heeft inmiddels het wetsvoorstel harmonisering
                        <cursief>instrumenten Participatiewet</cursief> in voorbereiding. Daarin
                    wordt onder andere voorzien in een uniforme no risk polis via UWV voor gemeenten
                    en werkgevers. </al><al>Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel in 2015 wordt behandeld in de Tweede en
                    Eerste Kamer, zodat de uniforme no risk polis ingaat per 1 januari 2016. De no
                    risk polis verloopt dan ook via UWV.</al><tussenkop>Artikel 17. Werkgeverspremie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al>Iedere werkgever komt onder de in het artikel vermelde voorwaarden in aanmerking
                    voor een werkgeverspremie (ook de uitzendbureaus).</al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief>Het doel van de werkgeverspremie is het
                    bieden van financiële compensatie aan een werkgever voor het feit dat voor een
                    persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de
                    werkgever deze persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Het college verstrekt
                    de werkgever een werkgeverspremie om tijdelijk het verschil in
                    arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. </al><al>De bepaling is opgesteld in overeenstemming met de AGGV (Europese Verordening
                    nr. 651/2014, L187, 57<sup>e</sup> jaargang, 26 juni 2014).</al><al>Met het tiende lid (de zogenaamde Dessendorfclausule) wordt uitvoering gegeven
                    aan artikel 1, vierde lid, sub a van de AGGV. Zonder dit lid zou de verordening
                    niet van toepassing zijn, zoals staat bepaald in zojuist genoemd artikel. </al><tussenkop>Artikel 18. Loonkostensubsidie</tussenkop><al>De Participatiewet introduceert per 1 januari 2015 een specifieke vorm van
                    loonkostensubsidie om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om mensen die
                    door een arbeidsbeperking niet volledig productief zijn in dienst te nemen. </al><al>Het college kan deze vorm van loonkostensubsidie inzetten voor mensen voor wie
                    de gemeente verantwoordelijk is om hen te ondersteunen bij het vinden van werk
                    en die niet het Wettelijk Minimumloon (WML) kunnen verdienen. Dat kan dus gaan
                    om mensen die bijstand ontvangen, mensen die een IOAW- of IOAZ-uitkering
                    ontvangen, mensen die met behulp van een andere voorziening van de gemeente al
                    aan het werk zijn, maar ook om zogenaamde niet-uitkeringsgerechtigden: mensen
                    zonder uitkering: personen zoals bedoeld in artikel 7,eerste lid, onderdeel a
                    Participatiewet die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is
                    vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen
                    van het WML (artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de Participatiewet).</al><al>Ook maakt de Participatiewet expliciet dat deze vorm van loonkostensubsidie een
                    oneindige constructie betreft. De Participatiewet begrenst de hoogte van de
                    loonkostensubsidie op maximaal 70% van het wettelijk minimumloon plus
                    werkgeverslasten. Het is wettelijk niet toegestaan om naast deze maximale
                    loonkostensubsidie een andersoortige subsidie ter dekking van de loonkosten te
                    verstrekken.</al><al>De loonkostensubsidie compenseert de werkgever voor het verlies aan
                    productiviteit. Wanneer iemand bijvoorbeeld 40% loonwaarde heeft, is hij in
                    staat om 40% van het voor hem geldende loon te verdienen, afgezet tegen dat van
                    iemand die zonder beperking diezelfde functie verricht: de normfunctie. </al><al>De loonkostensubsidie is inclusief de werkgeverslasten en de door een werkgever
                    aan de werknemer verschuldigde vakantiebijslag. Werkgeverslasten zijn per sector
                    CAO verschillend. Het ministerie van SZW heeft hiervoor een gemiddeld percentage
                    werkgeverslasten vastgesteld op 23% (ministeriele regeling van 5 december
                    2014)</al><al>Om in aanmerking te kunnen komen voor loonkostensubsidie moeten colleges
                    vaststellen dat deze mensen niet het WML kunnen verdienen als zij voltijds
                    zouden werken) maar dat zij wel mogelijkheden hebben om te werken.</al><al>De Participatiewet koppelt de loonkostensubsidie verplicht aan een
                    loonwaardemeting, én de financiering aan het I-deel (BUIG-budget). Bij een
                    loonwaarde hoger dan 100% WML is financiering van de loonkostensubsidie uit het
                    I-deel niet mogelijk.</al><al/><al>Artikel 18 geeft uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de Participatiewet.
                    Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij verordening regels vast
                    te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en wijze waarop de loonwaarde
                    wordt vastgesteld. </al><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Bij de beoordeling van de mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie wordt het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet in acht
                    genomen. Het college maakt hiervoor een integrale beoordeling van wat iemand
                    nodig heeft; dit is maatwerk. </al><al>Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie
                    aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet.</al><al>Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar
                    kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument
                    compenseert de gemeente werkgevers voor de verminderde productiviteit van de
                    werknemer (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60)</al><al/><al>De Participatiewet stelt dat, om de hoogte van de loonkostensubsidie te bepalen,
                    de loonwaarde van de betreffende persoon bepalend is. Om deze vast te stellen
                    moet de loonwaarde gemeten te worden. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De
                    vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel
                    de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen
                    instellen. </al><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde
                    van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). </al><al/><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie -
                    verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in
                    die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                    ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6,
                    eerste lid , onderdeel g Participatiewet).</al><al>De loonwaarde wordt elk jaar opnieuw vastgesteld. Bij een verhoging van de
                    productiviteit vermindert de subsidie. Zo worden de middelen ingezet waar ze
                    nodig zijn.</al><al>De loonwaarde meting vindt plaats op het moment dat iemand een arbeidscontract
                    heeft (of aangaat) met een werkgever.</al><al/><al>In het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet van 6 oktober 2014 worden drie
                    minimumeisen benoemd die landelijk moeten gelden voor elke loonwaardebepaling,
                    te weten </al><al>• loonwaardebepaling door of onder verantwoordelijkheid van een deskundige
                    (bijvoorbeeld gecertificeerde arbeidsdeskundige),</al><al>• op de werkplek met inbreng van de werkgever, </al><al>• op basis van een beschreven objectieve methode. </al><tussenkop>methode van loonwaardebepaling</tussenkop><al>De Participatiewet bepaalt dat de methode van loonwaardebepaling waarvoor wordt
                    gekozen in de gemeentelijke verordening wordt vastgelegd.</al><al>Gekozen is voor de methodiek van Dariuz.</al><al>Dariuz adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de
                    loonwaarde van een persoon. In de bijlage bij deze verordening wordt de methode
                    die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven. </al><al/><al>Stapeling van subsidies is niet mogelijk. Kabinet en sociale partners zijn
                    overeengekomen dat de compensatie aan de werkgever via één instrument verloopt,
                    namelijk via loonkostensubsidie, en dat de werkgever bijvoorbeeld niet ook deels
                    via de mobiliteitsbonus wordt gecompenseerd. </al><tussenkop>Artikel 19. Uitstroompremie</tussenkop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die
                    algemene bijstand ontving, uitstroomt. In de Participatiewet is geregeld dat
                    jaarlijks een eenmalige premie kan worden verstrekt (artikel 31, tweede lid,
                    onderdeel j, van de Participatiewet) voor personen van 27 jaar of ouder. </al><al>De premie is bedoeld voor financiering van allerlei onkosten als iemand aan het
                    werk gaat (reiskosten, kinderopvang, eerste kosten kleding, etc.).</al><tussenkop>Artikel 21. Overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 21 is het overgangsrecht neergelegd. </al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Het college houdt rekening met al gesloten overeenkomsten en lopende
                    voorzieningen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>