<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36411_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen Vlissingen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2011, IX.25</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening parkeerbelastingen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 216</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 225</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 10 en de tarieventabel</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De 'Verordening parkeerbelastingen 1992 van 28 november 1991, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 26 juni 2008, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen
            2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="71*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>parkeren:</al></entry><entry colname="col3"><al>het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                                            staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die
                                            nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in-
                                            of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk
                                            laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen
                                            voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of
                                            weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet
                                            ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>motorvoertuigen:</al></entry><entry colname="col3"><al>hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met
                                            inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1
                                            onder ia van het RVV 1990; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>houder:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven
                                            kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in
                                            het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden
                                            register van opgegeven kentekens; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>parkeerapparatuur:</al></entry><entry colname="col3"><al>parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van
                                            verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke
                                            opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt
                                            verstaan; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>college:</al></entry><entry colname="col3"><al>burgemeester en wethouders van Vlissingen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen
                        geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij,
                                dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen
                                door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats,
                                tijdstip en wijze;</al></li><li nr="b."><al>een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning
                                voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning
                                aangegeven plaats en wijze. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , wordt geheven van de degene die het voertuig
                            heeft geparkeerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of
                                    heeft gegeven de belasting te willen voldoen;</al></li><li nr="b."><al>zolang geen voldoening van de belasting genoemd in , heeft
                                    plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande
                                    dat:</al><lijst><li nr="·"><al>als een voor ten hoogste drie maanden aangegane
                                            huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten
                                            tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de
                                            huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar
                                            de huurder wordt aangemerkt als degene die het
                                            motorvoertuig heeft geparkeerd; </al></li><li nr="·"><al>als blijkt dat een ander in het kentekenregister had
                                            moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt
                                            als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , wordt niet geheven van degene die op de voet
                            van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft
                            geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde
                            van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik
                            gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen
                            voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , wordt geheven van degene die de vergunning
                            heeft aangevraagd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak</titel></kop><al>De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn
                        vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende
                        tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , wordt geheven bij wege van voldoening op
                            aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang
                            van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de
                            daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van
                            burgemeester en wethouders gestelde voorschriften. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , wordt geheven bij wege van voldoening op
                            aangifte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , is verschuldigd bij de aanvang van het
                            parkeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , is verschuldigd op het tijdstip waarop de
                            vergunning wordt verleend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , moet overeenkomstig de aangifte worden betaald
                            bij de aanvang van het parkeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belasting bedoeld in , moet overeenkomstig de aangifte worden betaald
                            op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen</titel></kop><al>De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen
                        betaling van de belasting bedoeld in , mag worden geparkeerd geschiedt in
                        alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de
                            belasting bedoeld in , kan aan het voertuig ook een wielklem worden
                            aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt
                            weggereden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de
                            terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het
                            motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b,
                            van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden
                            overgebracht en in bewaring worden gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in
                            artikel 2, onderdeel a, bedragen € 56,-.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van het aanbrengen en verwijderen van de wielklem bedragen €
                            99,-.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor de overbrenging van het voertuig bedragen € 261,- terwijl
                            die voor het bewaren ervan € 18,20 per etmaal bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding
                        verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                        invordering van de parkeerbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De datum van ingang van heffing is 1 januari 2013.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Vlissingen d.d. 20 december 2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Mr. F. Vermeulen Drs. R.H. Roep</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORDENING PARKEERBELASTINGEN
                        2010</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>I.</nr><titel>Tarieven incidenteel parkeren.</titel></kop><al>a. Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel
                        1, onderdeel d van de Verordening parkeerbelastingen 2010, bedraagt per
                        voertuig, binnen de grenzen van het exploitatiegebied bij parkeerapparatuur
                        € 1,90 per 60 minuten, dan wel € 0,10 per 3 minuten en 9 seconden of
                        minder.</al><al>b. In afwijking van het gestelde in het voorgaande lid bedraagt het tarief
                        voor het parkeren bij parkeerapparatuur voor voertuigen die voorzien zijn
                        van een geldige gehandicaptenparkeerkaart € 0,- (het zogenaamde
                        nultarief)</al><al>c. In afwijking van het gestelde in onderdeel a bedraagt het maximale tarief
                        per dag voor het parkeren bij parkeerapparatuur per voertuig op de
                        parkeerplaatsen gelegen aan de President Rooseveltlaan (Nollebos), de
                        Koningsweg (Koudenhoek), de Aagje Dekenstraat (voormalig Alditerrein) en de
                        gehele Kenau Hasselaarstraat € 8,00.</al><al>d. In afwijking van het gestelde in onder a en c bedraagt het tarief voor
                        het parkeren bij parkeerapparatuur per voertuig op zon- en feestdagen en van
                        18.00 uur tot 09.00 uur de daaropvolgende dag € 0 (zogenaamd 0-tarief), met
                        die verstande dat op de parkeerlocaties President Rooseveltlaan (Nollebos),
                        de 3 boulevards en de gehele Kenau Hasselaarstraat op de zon- en feestdagen
                        gelegen in de periode 1 april tot en met 31 oktober parkeerbelasting
                        verschuldigd is tussen 9.00 uur en 18.00 uur conform het gestelde onder a en
                        c.</al><al>e. Het tarief voor het parkeren in een gemeentelijke parkeergarage bedraagt
                        van maandag tot en met zaterdag tussen 09.00 uur en 18.00 uur en op zondag
                        tussen 12.00 uur en 18.00 uur € 1,70 per 60 minuten, dan wel € 0,10 per 3
                        minuten en 32 seconden met een minimum tariefberekening van € 0,50.</al><al>f. In afwijking van het gestelde onder e bedraagt het tarief voor het
                        parkeren in een gemeentelijke parkeergarage tussen 18.00 uur en 09.00 uur en
                        op zondagen tot 12.00 uur € 0,80 per 60 minuten, dan wel € 0,10 per 7
                        minuten en 30 seconden met een minimum tariefberekening van € 0,50 en een
                        maximum tarief van € 4,00 gedurende deze periode.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>II.</nr><titel>Abonnement parkeergarage.</titel></kop><al>Het tarief voor het parkeren in de parkeergarage door middel van een
                        abonnement bedraagt € 50,00 per maand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>III.</nr><titel>Tarieven vergunningparkeren.</titel></kop><al>Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b,
                        van de Verordening parkeerbelasting 2010, in relatie met de
                        Parkeerverordening 1992, bedraagt per voertuig:</al><lijst><li nr="1."><al>voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a,
                                onder I en II van de Parkeerverordening 1992, uitgezonderd het
                                parkeren op parkeerapparatuurplaatsen € 48,00 per jaar;</al></li><li nr="2."><al>voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a,
                                onder I en II van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op
                                parkeerapparatuurplaatsen € 63,50 per maand;</al></li><li nr="3."><al>voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a,
                                onder III van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op
                                parkeerapparatuurplaatsen en/of belanghebbendenplaatsen € 126,00 per
                                jaar;</al></li><li nr="4."><al> voor een vergunning op grond van artikel 3, tweede lid, letter a,
                                onder IV van de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op
                                parkeerapparatuurplaatsen en/of belanghebbendenplaatsen € 126,00 per
                                jaar;</al></li><li nr="5."><al>voor dagkraskaarten op grond van artikel 3, tweede lid, letter b van
                                de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op
                                belanghebbendenplaatsen € 15,90 per set van 6 kaarten;</al></li><li nr="6."><al>voor kraskaarten met een beperkte parkeerduur op grond van artikel
                                3, tweede lid, letter b van de Parkeerverordening 1992, voor het
                                parkeren op belanghebbendenplaatsen € 13,20 per set van 10
                                kaarten;</al></li><li nr="7."><al>voor een vergunning op grond van artikel 3, vierde lid, letter a van
                                de Parkeerverordening 1992, voor alle parkeerapparatuurplaatsen
                                en/of belanghebbendenplaatsen: € 8,45 per dag of dagdeel of € 32,00
                                per week of € 502,00 per jaar;</al></li><li nr="8."><al>voor een vergunning op grond van artikel 3, vierde lid, letter b van
                                de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op belanghebbende
                                plaatsen € 48,00 per jaar;</al></li><li nr="9."><al>voor een vergunning op grond van artikel 3, vierde lid, letter c van
                                de Parkeerverordening 1992, voor het parkeren op
                                parkeerapparatuurplaatsen en/of op belanghebbende plaatsen € 126,00
                                per jaar.</al></li></lijst><al/><al>Behorend bij de Verordening parkeerbelasting 2010</al><al>Vlissingen d.d. 20 december 2012 </al><al/><al>de griffier, </al><al/><al>mr. F. Vermeulen </al><al/><al><vet>Toelichting op de tarieventabel</vet></al><al>Parkeerbelastingen worden geheven in het kader van de parkeerregulering. In
                        het achtste lid van artikel 225 van de Gemeentewet is vastgelegd van welke
                        factoren het tarief afhankelijk kan worden gesteld. Dit zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de parkeerduur;</al></li><li nr="2."><al>de parkeertijd; </al></li><li nr="3."><al>de ingenomen oppervlakte; </al></li><li nr="4."><al>de ligging van de terreinen of weggedeelten. </al></li></lijst><al><cursief>Ad : </cursief>Wanneer de verschuldigde belasting afhankelijk wordt
                        gesteld van de parkeerduur, is het bijvoorbeeld mogelijk om langdurig
                        parkeren te ontmoedigen door het duurder te maken dan kortdurend
                        parkeren.</al><al><cursief>Ad 2: </cursief>Door de verschuldigde belasting afhankelijk te
                        stellen van het tijdstip waarop geparkeerd wordt, kan de druk op
                        parkeerplaatsen op tijdstippen waarop het autoverkeer intensief is, worden
                        verminderd.</al><al><cursief>Ad 3: </cursief> Uit de memorie van toelichting: 'Met de
                        afhankelijkheid van de ingenomen oppervlakte is bedoeld aan te geven, dat
                        bijvoorbeeld voor grote voertuigen of combinaties van voertuigen met
                        aanhangers (denk aan caravans, aanhangers of opleggers) een ander tarief kan
                        gelden.'.</al><al><cursief>Ad 4: </cursief>Als laatste factor wordt genoemd de ligging van de
                        terreinen of weggedeelten. Bepaalde plaatsen binnen een gemeente zullen nu
                        eenmaal meer in trek zijn bij parkeerders, te denken valt aan winkelcentra,
                        musea etc. Gemeenten kunnen in hun verordeningen voor iedere aangewezen
                        plaats een bepaald tarief vaststellen. Op deze wijze kunnen zij enige
                        invloed uitoefenen op de druk op bepaalde parkeerplaatsen binnen de
                        gemeente.</al><al>Afhankelijk van de situatie ter plaatse kan uit deze vier factoren een
                        optimale combinatie van heffingsgrondslagen in de tarieventabel worden
                        verwerkt. Wanneer een kaart wordt gebruikt, dan dient daarop te worden
                        aangegeven bij welke verordening hij hoort. De kaart wordt gewaarmerkt door
                        de griffier.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>·Hof Amsterdam, 11 juni 1999, nr. 97/21708, Belastingblad 1999, blz. 958,
                        LJN: AA7999. Het is toegestaan om bij het vaststellen van de tarieven te
                        differentiëren tussen bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Het Hof
                        overweegt: 'dat geoordeeld moet worden dat de gemeente Hoorn verschillende
                        soorten vergunningen in het leven heeft geroepen om een effectieve
                        parkeerregulering mogelijk te maken. Deze vergunningen hebben, hoewel zij
                        alle beogen de nagestreefde parkeerregulering mogelijk te maken, ten doel
                        verschillende groepen personen te beïnvloeden in hun parkeergedrag. Daarmee
                        is in overeenstemming en de gemeente Hoorn heeft dat in redelijkheid dan ook
                        kunnen doen, dat bij de onderscheiden vergunningen al dan niet betekenis is
                        toegekend aan de in voornoemd artikel 225, achtste lid, Gemeentewet bedoelde
                        factoren. Eveneens is daarmee in overeenstemming dat het tarief van de
                        onderscheiden vergunningen - soms aanmerkelijk - van elkaar verschilt. De
                        door belanghebbende gesignaleerde tariefverschillen zijn niet zodanig groot,
                        en de tarieven zijn in absolute bedragen niet zodanig dat op grond daarvan,
                        en bij de op dit punt aan het hof slechts toekomende marginale toetsing,
                        geoordeeld kan worden dat die tarieven willekeurig zijn vastgesteld en dus
                        onverbindend zouden zijn.'</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de Verordening
                        parkeerbelasting 2010 voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving
                        opgenomen in artikel 1. Zo is betrekkelijk uitvoerig gedefinieerd wat wordt
                        verstaan onder het parkeren van een motorvoertuig. Gesproken wordt over
                            <cursief>motor</cursief>voertuigen. Onder motorvoertuigen wordt verstaan
                        hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van
                        brommobielen.</al><al>Het begrip motorvoertuigen omvat ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve
                        bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen,
                        bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. Een brommobiel is
                        in het RVV 1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan
                        twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus
                        niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990
                        is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn
                        op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen.
                        Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een
                        ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel.
                        Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en de Verordening
                        parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op brommobielen.</al><al>Het begrip motorvoertuig is enger dan het begrip voertuig. Zo vallen
                        bijvoorbeeld caravans, aanhangwagens en opleggers niet onder het begrip
                        motorvoertuig. Deze zijn dus niet zelfstandig te belasten. Voor het parkeren
                        van andere voorwerpen dan motorvoertuigen is de heffing van
                        parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan mogelijk
                        precariobelasting geheven worden, mits er in de gemeente een
                        precarioverordening geldt die daarin voorziet.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>·Van parkeren is geen sprake gedurende de tijd dat het voertuig nodig is
                        voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van zaken (Hof
                        's-Gravenhage 28 april 1993, nr. 921 361 en nr. 921 700, Belastingblad 1993,
                        blz. 585 en 586, Hof Arnhem 16 september 1993, nr. 920 866, Belastingblad
                        1994, blz. 207 en Hof Amsterdam 12 november 1993, nr. 2108/92, Belastingblad
                        1994, blz. 208). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 mei 1999 , nr.
                        33286, Belastingblad 1999, blz. 566 een definitie gegeven van het begrip
                        onmiddellijk laden en lossen: 'Onder het onmiddellijk laden en lossen (...)
                        dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand
                        is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige
                        omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.'</al><al>Voor de houder van motorvoertuigen wordt gekeken naar degene die naar de
                        omstandigheden beoordeeld als houder van het motorvoertuig moet worden
                        beschouwd.</al><al>Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het
                        kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat
                        motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven.
                        In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor.
                        Dit is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een
                        kenteken moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen
                        over parkeren zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit
                        is op zich verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide
                        begrippen goeddeels overeen. Verder is nog een definitie opgenomen van het
                        begrip parkeerapparatuur. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>In artikel 2 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden.
                        Het gaat dan om de belasting terzake van het parkeren van een voertuig op
                        een bepaalde aangewezen plaats en om een belasting terzake van het
                        vergunningparkeren. Een ontheffing om bij een parkeermeter te mogen staan
                        zonder dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, merken wij aan als
                        een vergunning.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Over de vraag of al of niet terecht een naheffingsaanslag is opgelegd door
                        de gemeente is de nodige jurisprudentie verschenen:</al><lijst><li nr="·"><al>Hof 's-Gravenhage 20 januari 1993, nr. 920626-E-7, Belastingblad
                                1993, blz. 710. Het verweer dat de parkeermeter defect was gaat niet
                                op, omdat op de parkeermeter staat aangegeven wat te doen bij
                                defecten. Op de betreffende avond zijn bovendien geen klachten
                                binnengekomen over een defect aan de parkeermeter. Zie voor een
                                vergelijkbaar geval Hof Amsterdam 20 november 1992, nr. 92/0626 E
                                VII, Belastingblad 1993, blz. 147; </al></li><li nr="·"><al>Hof Arnhem 13 juli 1993, nr. 930034, E I, Belastingblad 1993, blz.
                                610. De parkeerkaart zat niet achter de ruit maar was op de grond
                                gevallen. Belanghebbende is met het kaartje naar de parkeerwachter
                                gelopen. Deze heeft toegezegd dat de zaak bij indiening van een
                                bezwaarschrift zou worden hersteld. Nu de parkeerwachter bevoegd is
                                deze toezegging te doen, handelt de gemeente in strijd met het
                                vertrouwensbeginsel door de toezegging niet na te komen; </al></li><li nr="·"><al>Hof Arnhem 29 december 1992, nr. 912357, Belastingblad 1993, blz.
                                312. Het feit dat de auto was ingebouwd doet niet af aan de
                                verplichting parkeerbelasting te voldoen. De naheffingsaanslag is
                                terecht opgelegd. </al></li><li nr="·"><al>Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 657, Belastingblad 1997, blz. 173.
                                Voor de vraag of een naheffingsaanslag kan worden opgelegd, is niet
                                van belang of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Voor
                                het opleggen van een naheffingsaanslag is slechts plaats indien de
                                verschuldigde belasting niet is betaald. Het geval betrof een niet
                                achter de voorruit van het voertuig geplaatst, maar achteraf getoond
                                parkeerkaartje waaruit van betaling van de parkeerbelasting bleek.
                                Uit latere jurisprudentie blijkt dat het achteraf tonen van een
                                (kopie van een) geldig parkeerkaartje niet in alle gevallen hoeft te
                                leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Dit is afhankelijk
                                van de waardering van de bewijsmiddelen. Vergelijk in dit verband
                                Hof Arnhem 7 oktober 1997, nr. 95/1025, Belastingblad 1998, blz.
                                581, en Hof Arnhem 19 maart 1998, nr. 97/21317, Belastingblad 1998,
                                blz. 583). </al></li><li nr="·"><al>Hoge Raad 17 december 1997, nr. 32.834, Belastingblad 1998, blz.
                                239. Volgens de Hoge Raad is het stelsel van de parkeerbelasting zo
                                dat geen 'a-belasting' is verschuldigd indien geparkeerd wordt met
                                een vergunning waarvoor de 'b-belasting' is voldaan. Indien niet
                                wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn
                                verbonden, is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Indien
                                een van die voorschriften is dat de vergunning 'op een van buitenaf
                                duidelijk leesbare plaats' achter de voorruit van het voertuig moet
                                worden geplaatst en aan dat voorschrift wordt niet voldaan, kan een
                                naheffingsaanslag worden opgelegd. </al></li><li nr="·"><al>Hoge Raad 3 december 2004, nr. 38407, LJN: AR6881. Voor het voldoen
                                van de belasting ter zake van het parkeren op het b-plein heeft
                                belanghebbende een parkeerkaart gekocht aan de a-straat. Omdat de
                                a-straat blijkens het Aanwijzingsbesluit niet tot het parkeerterrein
                                B behoort (tot welk parkeerterrein het b-plein behoort), heeft
                                belanghebbende met het kopen van een kaart aan de a-straat niet de
                                belasting voldaan voor het parkeren op het parkeerterrein B. De
                                naheffingsaanslag is terecht opgelegd. </al></li><li nr="·"><al>Rb. Zwolle 24 september 2007, nr. 07/151, LJN: BB4142. In de auto
                                van belanghebbende lag een parkeervergunning waarvan het kenteken
                                niet overeenkwam met het kenteken van zijn auto. Noch in de
                                parkeerverordening, noch in de verordening parkeerbelasting of de
                                krachtens die verordeningen genomen besluiten, is bepaald dat als
                                geparkeerd wordt met een vergunning met een ander kenteken, er geen
                                sprake is van parkeren met een vergunning. De naheffingsaanslagen
                                moeten terug zijn te voeren op ondubbelzinnige regels, die op de
                                juiste wijze en door de bevoegde organen tot stand zijn gebracht.
                                Het ontbreken van duidelijke regelgeving brengt de rechtbank tot de
                                conclusie dat met vergunning is geparkeerd en parkeerbelasting is
                                betaald bij de afgifte van de vergunning. De naheffingsaanslagen
                                zijn ten onrechte opgelegd. </al></li></lijst><al>Inmiddels is ook uit de nadien verschenen jurisprudentie gebleken dat niet
                        in alle gevallen waar belastingplichtige achteraf een (afschrift van het)
                        parkeerkaartje kan tonen, de naheffingsaanslag parkeerbelastingen door de
                        rechter vernietigd wordt. De rechter komt tot zijn beslissing op grond van
                        een waardering van de bewijsmiddelen. Indien een gemeente in redelijkheid
                        twijfelt aan de verklaring van belastingplichtige en dit ook aannemelijk kan
                        maken, is er geen aanleiding af te zien van een beroepsprocedure.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In artikel 3 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die
                        zijn genoemd in artikel 2, onderdelen a en b. Hoofdregel is dat de belasting
                        die wordt genoemd in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die
                        het motorvoertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 1,
                        onderdeel b, wordt echter geheven van degene die de vergunning heeft
                        aangevraagd. Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de
                        belastingplichtige geen keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is
                        het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige
                        niet nodig. Zie ook aantekening 4 van de algemene toelichting op de
                        model-beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een
                        keuzesituatie, opgenomen achter het tabblad 'B2 Modelbeleidsregels
                        aanwijzing belastingplichtige' in band 2.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 3 wordt aangegeven wie als degenen die het
                        motorvoertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt. Als degene die het
                        motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene die de
                        belasting voldoet, dat is dus degene die geld werpt in de meter, dan wel
                        degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven
                        de belasting te willen voldoen. Zolang die belasting echter niet is voldaan
                        is de houder van het motorvoertuig tevens aangemerkt als degene die het
                        motorvoertuig heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het
                        kenteken staat ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het
                        aanmerken van de houder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd is
                        te vinden in het tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een voor ten hoogste
                        drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan
                        blijken, en dat is een zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren
                        de huurder van het motorvoertuig was dan wordt niet de houder maar de
                        huurder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Zie in
                        dit verband Hof Arnhem 12 januari 1993, nr. 92 1633, Belastingblad 1993,
                        blz. 639.</al><al>Zo is er ook nog een tweede uitzondering. Indien namelijk blijkt dat een
                        ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die
                        ander als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan
                        bijvoorbeeld blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringsbewijs
                        overlegt.</al><al>De regeling van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet, beoogt niet uit
                        te sluiten dat de naheffingsaanslag kan worden opgelegd aan degene die het
                        voertuig feitelijk heeft geparkeerd. De regeling dient zo te worden gelezen
                        dat naast de houder ook degene die in artikel 225, derde lid, van de
                        Gemeentewet in de eerste plaats als belastingplichtige is aangewezen als
                        zodanig blijft aangemerkt, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 14 juli
                        2000, nr. 35 314, Belastingblad 2000, blz. 980, LJN: AA6519.</al><al>Wanneer een naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de houder van het
                        motorvoertuig, heeft ook de feitelijke parkeerder de mogelijkheid om bezwaar
                        te maken. Dit heeft de Hoge Raad uitgemaakt in zijn arrest van 14 juli 2000,
                        nr. 34 578, Belastingblad 2000, blz. 934, LJN: AA6508. Wanneer de
                        naheffingsaanslag niet is opgelegd aan degene die het motorvoertuig
                        feitelijk heeft geparkeerd, maar aan de houder van het voertuig, heeft de
                        feitelijk parkeerder strikt genomen geen mogelijkheid om uit eigen hoofde
                        bezwaar te maken tegen die naheffingsaanslag. De Hoge Raad constateert dat
                        er sprake is van een leemte in de wet en oordeelt: 'Daarom moet worden
                        aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een
                        ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze
                        laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd, en, ingevolge art. 225,
                        vierde lid, naast degene die de belasting heeft voldaan, het recht heeft
                        tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen. Met betrekking
                        tot de daarbij in acht te nemen termijn voor het maken van bezwaar geldt het
                        volgende. Indien op de voet van artikel 234, achtste lid, Gemeentewet, voor
                        de uitreiking van het aanslagbiljet is volstaan met het aanbrengen van het
                        aanslagbiljet op of aan het voertuig, moet worden aangenomen dat de termijn
                        voor het indien van het bezwaarschrift als bedoeld in art. 22a (thans 22j)
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen aanvangt met ingang van de dag na die
                        van de dagtekening van het aanslagbiljet. Indien niet vaststaat dat het
                        aanslagbiljet op deze wijze is uitgereikt, vangt de termijn voor het
                        instellen van bezwaar eerst aan op de dag na dagtekening van een "duplicaat"
                        van het aanslagbiljet waarin naast het daarin reeds vermelde kenteken van
                        het voertuig ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn
                        vermeld, aan de hand waarvan kan worden geconstateerd of het "duplicaat" op
                        de juiste wijze is verzonden. Een en ander geldt ook indien na toepassing
                        van art. 234, achtste lid, en toezending van een "duplicaat" het
                        bezwaarschrift wordt ingediend door degene die stelt dat hij niet de houder
                        van het voertuig of degene die de belasting heeft voldaan is, maar degene
                        die ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over
                        het betrokken voertuig had. In die situatie dient in voorkomend geval met
                        het oog op de toepassing van art. 6:11 Algemene wet bestuursrecht rekening
                        te worden gehouden met de omstandigheid dat het "duplicaat" van het
                        aanslagbiljet aanvankelijk is verzonden aan de houder van het
                        voertuig.'</al><al>Wij wijzen er op dat het essentieel is dat uit de kopie van het
                        naheffingsaanslagbiljet blijkt dat het om een kopie gaat, aangezien het niet
                        mogelijk is ter zake van hetzelfde belastbare feit twee aanslagen op te
                        leggen. Daarom spreekt de Hoge Raad in zijn arrest zo nadrukkelijk van
                        "duplicaat" van het aanslagbiljet.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 3 staat van wie de belasting niet wordt
                        geheven. Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden
                        aangemerkt indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een
                        ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel
                        aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft
                        kunnen voorkomen. Het is de bedoeling dat de houder niet als parkeerder
                        wordt aangemerkt indien er met zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden
                        of als het voertuig op het moment van constateren als gestolen geregistreerd
                        staat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak</titel></kop><al>In artikel 4 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing
                        verwezen naar een bij de verordening behorende tarieventabel. Wij hebben een
                        tarieventabel achter de verordening opgenomen. Ten aanzien van de mogelijke
                        heffingsmaatstaven voor de parkeerbelastingen is in artikel 225, achtste
                        lid, van de Gemeentewet een limitatieve opsomming weergegeven. Het tarief
                        van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de
                        parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de
                        ligging van de terreinen of weggedeelten. Voor een meer algemene toelichting
                        wordt verwezen naar de aan het begin van deze losbladige uitgave opgenomen
                        algemene toelichting, onderdeel B, onder 5 (Maatstaf van de heffing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel
                        2, onderdeel a - dat is de belasting voor het parkeren op
                        parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven door
                        voldoening op aangifte.</al><al>Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als
                        voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking van de
                        parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met
                        de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen
                        mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Ook het via de telefoon inloggen
                        bij de centrale computer van het bedrijf waarmee de gemeente een
                        overeenkomst heeft gesloten (zie artikel 1, onderdelen c en d) wordt als het
                        in werking stellen van parkeerapparatuur aangemerkt. In feite wordt de
                        voldoening op aangifte gestart op het moment dat wordt ingelogd en voltooid
                        op het moment dat wordt uitgelogd.</al><al>Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het
                        parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt ook geheven
                        door voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte
                        bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking
                        stellen van de parkeerapparatuur).</al><al>Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is geen bezwaar
                        mogelijk tegen voldoening van parkeerbelasting op aangifte. Zie ook Hof
                        ’s-Hertogenbosch, 5 oktober 2007, nr. 05/00120, LJN: BC0988. Alleen als de
                        wettekst niet duidelijk is kunnen doel en strekking, zoals deze uit de
                        wetsgeschiedenis blijkt, bij de beoordeling worden betrokken. Bezwaren tegen
                        voldane parkeerbelasting zijn niet-ontvankelijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><al>In artikel 6 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor
                        de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, is geregeld dat deze is
                        verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting
                        genoemd in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de
                        vergunning wordt verleend (tweede lid).</al><al>Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een parkeervergunning kan
                        een afzonderlijk bedrag aan leges worden gevraagd. Het gevorderde
                        legesbedrag heeft betrekking op de kosten van afgifte van de vergunning. De
                        belasting als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet heeft betrekking op
                        de parkeerbelasting die voor een verleende vergunning mag worden
                        gevorderd.</al><al>Dit kan afwijken van de omschrijving van het belastbaar feit zoals die
                        voorkomt in de Legesverordening. In de Legesverordening is omschreven dat de
                        belastingschuld ontstaat bij het indienen van de aanvraag. Het belastbare
                        feit is daar ook omschreven als het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        een vergunning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling voor de belasting bedoeld in
                        artikel 2, onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op
                        parkeerapparatuurplaatsen. Zowel bij de heffing door voldoening op aangifte
                        als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door het inwerpen
                        van geld in de parkeerapparatuur. Bij de fiscale afhandeling vallen aangifte
                        en betaling dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR
                        moet overeenkomstig de aangifte worden betaald. Voor het tijdstip van
                        betaling is met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij
                        wege van voldoening op aangifte) van de Gemeentewet een van artikel 19 van
                        de AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                        afwijkende betalingsregeling getroffen.</al><al>Indien het in de gemeente mogelijk is bij het betaald parkeren te kiezen
                        voor het via de (mobiele) telefoon in werking stellen van de centrale
                        computer voor het registreren van parkeerbewegingen, dient een afwijkende
                        bepaling te worden opgenomen. Hierin voorziet het (facultatieve) tweede lid.
                        Aangezien de belastingschuld 'in het tijdvak van parkeren verschuldigd
                        wordt', kan deze pas na het einde van het parkeren worden betaald. De
                        betaling is afhankelijk van wat de gemeente heeft afgesproken met het
                        bedrijf dat op dit gebied zijn diensten aan de gemeente verleent. Wij hebben
                        opgenomen dat de belasting in dat geval binnen een maand na het einde van
                        het parkeren moet worden betaald. Als de mogelijkheid van het tweede lid
                        zich in de gemeente niet voordoet, moeten de navolgende leden worden
                        vernummerd tot tweede en derde lid.</al><al>Als geen betaling heeft plaatsgevonden - of als niet via de telefoon is
                        ingelogd op de centrale computer en ook geen betaling in de fysiek aanwezige
                        parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden - kan bij fiscale afhandeling een
                        naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden
                        aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de
                        artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag
                        moet ingevolge het laatste lid van artikel 7 onmiddellijk worden betaald.
                        Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet.
                        De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een bepaalde
                        termijn betaald moet worden.</al><al>Voor de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel b, is in het derde lid
                        bepaald dat deze overeenkomstig de aangifte moet worden betaald op het
                        moment dat de vergunning wordt verleend(vergelijk artikel 5, tweede lid).
                        Dit tijdstip zal meestal zijn gelegen vóór aanvang van het tijdvak waarvoor
                        de vergunning geldt. Voor vervolgaangiften wordt doorgaans gebruik gemaakt
                        van een optisch leesbare acceptgiro. Door ondertekening van de
                        betalingsopdracht doet men aangifte voor het volgende tijdvak. Voor dat
                        tijdvak wordt ook een nieuwe vergunning verleend. Dit laat onverlet dat
                        bijvoorbeeld kan worden bepaald dat de vergunning (het strookje) alleen
                        geldig is in combinatie met een 'stamkaart'.</al><al>Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een
                        vergunning mag, is een overtreding. In dat geval zal er geen
                        naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook een
                        parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven. Is
                        dat niet het geval, dan moet het parkeren zonder vergunning op een
                        vergunningplaats gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel
                        strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 7 en artikel 10 van de
                        Parkeerverordening 1992). Het spreekt voor zich dat als de parkeerbelasting
                        voor de vergunning zelf niet wordt betaald - als overeenkomstig ons model
                        wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte - deze belasting wel kan
                        worden nageheven. Ook voor deze naheffingsaanslag geldt dat deze
                        onmiddellijk moet worden betaald. Dit is op grond van artikel 250, eerste
                        lid, van de Gemeentewet in afwijking van de termijn genoemd in artikel 9,
                        tweede lid, van de Invorderingswet 1990. Wij tekenen hierbij aan dat in dit
                        geval geen kostenopslag kan worden berekend. Wel achten wij verdedigbaar dat
                        een bestuurlijke boete op grond van artikel 67c (verzuimboete) of artikel
                        67f (vergrijpboete) kan worden opgelegd. Het bepaalde in artikel 234, vijfde
                        lid, van de Gemeentewet ziet immers alleen op de parkeerbelasting voor het
                        parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. De hoogte van de boete moet worden
                        afgestemd op de hoogte van de niet-betaalde belasting en is afhankelijk van
                        het door de gemeente geformuleerde beleid ter zake. In de praktijk zal het
                        waarschijnlijk niet zover komen, omdat de belasting voor de vergunning
                        doorgaans vooruitbetaald wordt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen</titel></kop><al>In artikel 8 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om de plaats
                        waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag
                        worden geparkeerd aan te wijzen. Op grond van artikel 225, eerste lid, van
                        de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke
                        gevallen het college die aanwijzing kan doen.</al><al>Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit
                        kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere
                        malen geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat
                        na intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe
                        verordening geen nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft
                        echter bepaald dat men er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de
                        bedoeling is geweest dat het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van
                        de nieuwe verordening zou blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad evenwel
                        vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit
                        geacht zou worden voortaan te berusten op de nieuwe verordening. Daar een
                        besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen
                        waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een
                        verordening inzake parkeerbelastingen completeert, en de vaststelling van
                        een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte
                        om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen
                        en wijzen, zal doorgaans gerede aanleiding bestaan om te veronderstellen dat
                        de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die
                        omschreven is aan het slot van de vorige volzin.". Voor de praktijk betekent
                        dit dat de parkeerder aannemelijk zal moeten maken dat de gemeenteraad bij
                        het intrekken van een oude verordening niet heeft beoogd om het
                        aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het aanwijzingsbesluit
                        verbindende kracht kunnen worden ontzegd; zie Hoge Raad 9 augustus 2002, nr.
                        36624, LJN: AE6373 en Hoge Raad 14 juni 2002, nr. 37053, LJN: AD7779.</al><al>In het verleden is discussie geweest over de vraag of bezwaar en beroep
                        mogelijk is tegen een aanwijzing indien deze is vervat in een afzonderlijk
                        besluit, dat gebaseerd is op de verordening, maar er geen deel van uitmaakt.
                        In een uitspraak van 12 april 1999 (nr. H01.98.1361) heeft de afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat dat niet mogelijk is.
                        Een op grond van de verordening parkeerbelastingen genomen
                        aanwijzingsbesluit berust namelijk op een wettelijk voorschrift inzake
                        belastingen (artikel 225 Gemeentewet). Op grond van artikel 8:4, aanhef en
                        onder g, van de Awb staat daartegen geen voorziening open.</al><al>Het college kan niet volstaan met het aanwijzen van de betaald-parkeren
                        plaatsen, maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd
                        dat het betaald-parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt
                        (bijvoorbeeld van 9.00-18.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden
                        én de extra koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd
                        mag worden (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet
                        liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat.
                        Ontbreekt een dergelijk besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag
                        niet in stand blijven (Hof Amsterdam 8 september 1993, nr. 2674/92,
                        Belastingblad 1994, blz. 37).</al><al>De aanwijzingsbevoegdheid gaat niet zover dat het college de begrenzing van
                        de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan vaststellen. Die
                        bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college kan wel binnen
                        deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom voor gekozen
                        de begrenzing te regelen via de bij de verordening behorende tarieventabel
                        of via een bij de verordening behorende kaart. De bevoegdheid de gebieden
                        aan te wijzen waar tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo worden
                        uitgelegd dat het college gehouden zou zijn elke individuele parkeerplaats
                        aan te wijzen. Voldoende is de parkeerplaatsen in ruime zin aan te wijzen.
                        Hieronder kan worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te wijzen
                        waar parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge
                        Raad van 9 juli 1999, nr. 34615, Belastingblad 1999, blz. 734, LJN:
                        AA2821.</al><al>Sinds 4 juli 2001 kan het college bepalen dat het in werking stellen van een
                        parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan
                        geschieden (Besluit van 20 juni 2001, Stb. 303; artikel 1a Besluit
                        gemeentelijke parkeerbelastingen). Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende
                        praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op
                        die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit
                        rekening gebonden chipkaart en niet-rekeninggebonden chipkaart met
                        landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie).
                        Volgens de Hoge Raad is het op grond van deze wettelijke regeling toegestaan
                        te eisen dat alleen met chipknip kan worden betaald (Hoge Raad 7 augustus
                        2005, nr. 40298, LJN: AR8903 en nr. 40375, LJN: AR8934.</al><al>Met betrekking tot parkeerapparatuur die zowel betaling met de chipknip als
                        betaling door het inwerpen van geld mogelijk maken (duale parkeermeters)
                        heeft Hof Arnhem bepaald dat de parkeerder met muntgeld moet betalen als de
                        parkeerapparatuur de chipknip weigert (Hof Arnhem 7 maart 2002, nr.
                        01/01831, LJN: AE2106, Belastingblad 2002, blz. 1157 (Almere)). In dezelfde
                        lijn heeft Hof Amsterdam beslist dat indien de gemeente weliswaar een
                        voorziening heeft getroffen voor het betalen met chipknip, maar deze nog
                        niet operationeel is, dit niet afdoet aan de verplichting om de
                        parkeerbelasting te voldoen door het inwerpen van geld (Hof Amsterdam 11
                        april 2003, nr. 02/05531, LJN: AF8284, Belastingblad 2004, blz. 91
                        (Hilversum)).</al><al><cursief>Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting</cursief></al><al>In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid
                        van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de
                        belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de
                        verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan.</al><al>In de uitspraak van Hof Arnhem van 26 april 1996, nr. 95/1626, Belastingblad
                        1997, blz. 128 oordeelde het Hof dat belastingplichtige onvoldoende in de
                        gelegenheid was zijn verplichtingen te kennen. Bij de parkeermeter was
                        vermeld: 'parkeren alleen toegestaan met gebruik van de parkeerautomaat van
                        maandag t/m zaterdag van 08:00-18:00 uur en bovendien op koopavonden'. Het
                        hof overweegt: 'Volgens art. 8 van de Verordening parkeerbelastingen 1991
                        geschiedt de aanwijzing van de plaats waar, van het tijdstip en de wijze
                        waarop tegen betaling van de onderhavige belasting mag worden geparkeerd in
                        alle gevallen door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.
                        In het verlengde van deze openbaarmaking mag uit het oogpunt van kenbaarheid
                        voor belastingplichtige parkeerders die ter plaatse niet (goed) bekend zijn,
                        in redelijkheid voorts de eis worden gesteld dat tenminste de tijden
                        gedurende welke tegen betaling mag worden geparkeerd, op (borden bij) de
                        parkeerapparatuur worden vermeld.' Het hof vernietigt de naheffingsaanslag
                        op grond van het feit dat het belanghebbende, als niet ter plaatse bekend,
                        onvoldoende duidelijk kon zijn dat de avond dat hij parkeerde een koopavond
                        was, en dat hij derhalve parkeerbelasting verschuldigd was. Daarbij neemt
                        het hof ook in aanmerking dat het belanghebbende niet op een andere manier
                        kenbaar had kunnen zijn dat het koopavond was, aangezien het gebied waar hij
                        heeft geparkeerd niet temidden van winkels lag. Enig eigen onderzoek mag
                        derhalve van een belanghebbende worden verwacht. Dit blijkt ook uit de casus
                        van Hof Amsterdam van 7 november 1997, nr. 96/3025, Belastingblad 1997, blz.
                        358. Ook hier was de kenbaarheid van de koopavond in het geding. Niet in
                        geschil is dat op koopavonden parkeerbelasting verschuldigd is.
                        Belanghebbende betwist echter dat het voor hem kenbaar kon zijn dat de
                        bewuste vrijdagavond ook een koopavond was, nu de reguliere koopavonden in
                        Haarlem op donderdagavond vallen. Volgens het hof dient de verplichting om
                        parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaald tijdstip parkeren van
                        een voertuig kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de
                        verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het op dat tijdstip parkeren
                        redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van geval tot geval dient te
                        worden beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan. Het hof oordeelt dat de
                        inspecteur in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente er, door
                        middel van posters en in streekkranten geplaatste aankondigingen, voldoende
                        informatie heeft verstrekt omtrent de extra koopavonden in de dagen voor
                        kerst. Mitsdien kon er bij belanghebbende, als inwoner van de omgeving van
                        Haarlem, omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de bewuste
                        avond geen misverstand bestaan. Wanneer er onduidelijkheid is met betrekking
                        tot de vraag voor welke parkeerplaatsen belasting verschuldigd is, komt deze
                        onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan. In Hof Arnhem
                        6 oktober 1998, nr. 97/22445 Belastingblad 1999/294 en Hof 's-Gravenhage, 9
                        februari 2000, nr. 98/05401, FED 2000/372 was de bebording zo onduidelijk,
                        dat geen belasting geheven kon worden. In laatstgenoemde uitspraak overwoog
                        het hof: 'Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij
                        parkeerbelasting heft, het rijdende publiek duidelijk maakt waar
                        parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze
                        onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die
                        onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.'</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling</titel></kop><al>In artikel 9 is opgenomen de regeling voor de naheffingsaanslag en de
                        wielklem die tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag aan het
                        motorvoertuig kan worden aangebracht. Het aanbrengen van een wielklem met
                        het oogmerk om herhaling van het niet op aangifte voldoen van
                        parkeerbelasting te bestraffen, is in strijd met de beginselen van
                        behoorlijk bestuur, aldus Hof Arnhem, 23 maart 2000, nr. 98/157,
                        Belastingblad 2000, blz. 981.</al><al>In het tweede lid is opgenomen dat het college bij openbaar te maken besluit
                        in alle gevallen de terreinen en weggedeelten kan aanwijzen waar de wielklem
                        wordt toegepast. Zijn deze terreinen of weggedeelten niet aangewezen dan kan
                        de wielklem daar ook niet worden toegepast. Met de regeling in deze
                        verordening is voorzien dat het college dat overigens in alle gevallen zelf
                        kunnen bepalen. </al><al>In het derde lid is opgenomen dat het motorvoertuig naar een door de
                        heffingsambtenaar aan te wijzen plaats kan worden overgebracht als na het
                        aanbrengen van de wielklem tenminste 24 uur zijn verstreken. Het aantal uren
                        mag, mits met inachtneming van het minimumaantal, zelf door de gemeenteraad
                        worden bepaald.</al><al>Met betrekking tot de tijd waarbinnen een aangebrachte wielklem moet worden
                        verwijderd na betaling van de naheffingsaanslag en de kostenbeschikking, kan
                        uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt dat de wetgever ervan is uitgegaan
                        dat de gemeenten hun organisatie zodanig zouden inrichten dat verwijdering
                        van de wielklem binnen een redelijke termijn mogelijk zou zijn en dat die
                        termijn in de praktijk één uur zou zijn. </al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>·De Hoge Raad heeft op 29 april 1998 een duidelijk arrest gewezen (nr.
                        32535, Belastingblad 1998/528). Hij oordeelt dat, gelet op deze
                        wetsgeschiedenis, ervan mag worden uitgegaan en ook moet worden verlangd dat
                        gemeenten inmiddels hun organisatie zodanig hebben ingericht dat onder
                        normale omstandigheden de wielklem binnen de nog aanvaardbaar geachte tijd
                        van één uur na het betalen van de kosten verwijderd kan worden, zodat
                        behoort te worden afgezien van het toepassen van de wielklem dan wel het
                        geven van een beschikking tot het verhaal van de kosten daarvan indien op
                        het desbetreffende tijdstip al is te voorzien dat het verwijderen niet
                        tijdig zal kunnen geschieden. Anders zou de gemeente immers handelen in
                        strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zou er op die grond
                        aanleiding zijn voor vernietiging van de beschikking. Voor gevallen waarin
                        de wielklem binnen één uur na betaling van de kosten is verwijderd, brengt
                        het voorgaande met zich dat het tijdsverloop tussen de betaling van de
                        kosten en de verwijdering van de wielklem geen grond oplevert voor
                        vernietiging van de beschikking, ook niet indien eerdere verwijdering
                        mogelijk zou zijn geweest maar een aan de gemeente toe te rekenen oorzaak
                        tot vertraging heeft geleid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kosten</titel></kop><al>In artikel 10 worden alle in rekening te brengen kosten, indien niet op
                        reguliere wijze wordt betaald, geregeld. In het eerste lid hebben de kosten
                        van de naheffingsaanslag een plaats gekregen. De hoogte hiervan moet worden
                        bepaald met inachtneming van het Besluit parkeerbelastingen. De gemeente kan
                        alleen kosten in rekening brengen indien een naheffingsaanslag wordt
                        opgelegd (Hof Arnhem 7 juni 2004, nr. 03/00225, LJN: AP3289 (Raalte)).Voor
                        het aanbrengen en verwijderen van een wielklem wordt één bedrag berekend. Op
                        grond van artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet is het opnemen van een
                        bestuurlijke boete niet toegestaan.</al><al>Het in rekening brengen van de kosten van een naheffingsaanslag is niet in
                        strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten
                        van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De kosten van de
                        naheffingsaanslag zijn niet aan te merken als een boete (Hoge Raad 18
                        oktober 1995, nr. 30208, Belastingblad 1995, blz. 793).</al><al>In het derde lid heeft de regeling over de kosten van de overbrenging van
                        het voertuig en de bewaring daarvan een plaats gekregen. Hier wordt
                        uitgegaan van een basisbedrag, verhoogd met een bedrag per gereden kilometer
                        voor het overbrengen en van een basisbedrag voor het bewaren. In de tweede
                        volzin van het derde lid is geregeld dat voor het overbrengen op werkdagen,
                        maar buiten kantooruren het basisbedrag wordt verhoogd. Geschiedt het
                        overbrengen op een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag dan
                        wordt het bedrag ook verhoogd.</al><al>Tot slot is een regeling opgenomen dat in geval het overbrengen meer tijd in
                        beslag neemt dan een te bepalen aantal uren, het bedrag voor het overbrengen
                        bovendien wordt verhoogd met een bedrag per uur waarbij een gedeelte van een
                        uur voor een vol uur wordt gerekend. In het vierde lid is opgenomen dat het
                        bedrag van de in rekening te brengen kosten wordt geconcretiseerd in een
                        beschikking. Dit is zo geregeld in verband met het bieden van een
                        rechtsgang.</al><al>Het maximumbedrag dat voor een naheffingsaanslag aan kosten in rekening mag
                        worden gebracht wordt jaarlijkse geïndexeerd plaats aan de hand van de
                        procentuele wijziging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over
                        de maand april ten opzichte van de maand april van het jaar daarvoor.
                        Jaarlijks zal vóór 1 september het maximale kostenbedrag voor het volgende
                        kalenderjaar worden vastgesteld, zodat aanpassing van de verordening
                        parkeerbelastingen desgewenst meegenomen kan worden in de
                        begrotingsvoorstellen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>·De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2002, nr. 36855, LJN: AD6867,
                        bepaald dat de kosten niet jaarlijks opnieuw door de raad behoeven te worden
                        vastgesteld. Wel moet de gemeente desgevraagd kunnen aantonen dat de hoogte
                        van het bedrag aan kosten in overeenstemming is met het bepaalde in het
                        besluit.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Beleidsmatig zal het in weinig gevallen gewenst zijn om van
                        parkeerbelastingen kwijtschelding te verlenen. Ook de heffing door
                        voldoening op aangifte maakt het verlenen van kwijtschelding
                        uitvoeringstechnisch moeilijk. Bovendien bevat de ministeriële regeling voor
                        deze wijze van heffing geen duidelijke regeling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke
                        belastingen (algemene toelichting) op deze website, onderdeel 14, en de
                        toelichting op de Modeluitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen,
                        eveneens op deze site.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke
                        belastingen (algemene toelichting) op deze website, onderdeel 15.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>