<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36409_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening interactieve beleidsvorming Bloemendaal 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Bloemendaals Weekblad, 5 oktober 2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening interactieve beleidsvorming Bloemendaal 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel150/">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-10-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006014069</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>interactieve beleidsvorming</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INTERACTIEVE BELEIDSVORMING BLOEMENDAAL 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente</al><al>Bloemendaal</al><al>64</al><al>Nr. 2006014069</al><al>De raad der gemeente Bloemendaal;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 juli
                        2006;</al><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al><onderstreept>b e s l u i t</onderstreept>:</al><al>vast te stellen de:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>interactieve beleidsvorming: het betrekken van ingezetenen en
                                    belanghebbenden bij de vorming van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij
                                    de voorbereiding van een gemeentelijk beleidsvoornemen;</al></li><li nr="c."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                    gegeven;</al></li><li nr="d."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                    vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van interactieve beleidsvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                voorafgaand of de vorming van beleid op interactieve wijze
                                plaatsheeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het bestuursorgaan bepaalt bij deze beslissing de wijze van
                                interactieve beleidsvorming met inachtneming van het bepaalde in
                                artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Regels voor interactieve beleidsvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bestuursorgaan besluit tot toepassing van interactieve
                                beleidsvorming vindt deze plaats in de volgende fasen van het
                                beleidsproces :</al><lijst><li nr="a."><al>beleidsvoorbereiding;</al></li><li nr="b."><al>beleidsontwikkeling;</al></li><li nr="c."><al>beleidsuitvoering;</al></li><li nr="d."><al>beleidsevaluatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Interactieve beleidsvorming heeft niet plaats in de
                                besluitvormingsfase.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Als doelstellingen zullen in ieder geval gelden :</al><lijst><li nr="a."><al>beter beleid</al></li><li nr="b."><al>beter beleidsproces</al></li><li nr="c."><al>meer daadkracht</al></li><li nr="d."><al>betere relaties met externe partijen</al></li><li nr="e."><al>vergroting draagvlak</al></li><li nr="f."><al>beter imago gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als noodzakelijke randvoorwaarden zullen in ieder geval gelden
                                :</al><lijst><li nr="a."><al>voldoende beleidsruimte</al></li><li nr="b."><al>openheid in communicatie</al></li><li nr="c."><al>participanten op één lijn over inrichting beleidsproces</al></li><li nr="d."><al>meerwaarde participatie</al></li><li nr="e."><al>goede relatie tussen gemeente en externe partijen </al></li><li nr="f."><al>geschikte problematiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorgaande moet leiden tot een keuze uit de volgende modellen
                                :</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak;</al></li><li nr="b."><al>consultatie;</al></li><li nr="c."><al>co-productie;</al></li><li nr="d."><al>een mengvorm van de hiervoor onder a, b en/of c genoemde
                                        modellen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Eindverslag interactieve beleidsvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de interactieve beleidsvorming maakt het
                                bestuursorgaan een eindverslag op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de activiteiten in het proces van
                                        interactieve beleidsvorming;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de bijdragen, die mondeling of schriftelijk
                                        tijdens dit proces naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze bijdragen en de gevolgen daarvan op de
                                        besluitvorming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bestuursorgaan besluit tot het inspraakmodel als bedoeld
                                in artikel 3, lid 5, onder a, zijn de artikelen 5, 6, 7 en 8 van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Recht op inspraak bestaat altijd indien de wet daartoe
                                verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op inspraak bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijk-heid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Recht op inspraak bestaat voor ingezetenen en overige
                                        belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens, voorzover
                                de wet dit toelaat, zelf een inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde
                                                  inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de
                                                  inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn
                                                  gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met
                                                  redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten
                                                  al dan niet tot aanpassing van het
                                                  beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr/><al>De Inspraakverordening, vastgesteld door de
                                                gemeenteraad op 18 november 1993, wordt 
                                                ingetrokken op de dag dat deze verordening in
                                                werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr/><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag
                                                na de dag van bekendmaking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr/><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening
                                                interactieve beleidsvorming Bloemendaal 2006.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Bloemendaal,</ondertekening><ondertekening>gehouden op 28 september 2006.</ondertekening><ondertekening>W.H. de Gelder , voorzitter</ondertekening><ondertekening>H.W. de Vries , griffier</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in het Bloemendaals Weekblad d.d. 5
                        oktober 2006.</ondertekening><ondertekening>In werking : 6 oktober 2006.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Hoofdstuk</label><nr/><titel/></kop><divisie><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>TOELICHTING VERORDENING INTERACTIEVE BELEIDSVORMING BLOEMENDAAL 2006</al><al/><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al>Artikel 150 van de Gemeentewet</al><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de
                                    raad de verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te
                                    stellen. De VNG heeft in 1993 daarvoor een
                                    modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                                    model overgenomen. In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig
                                    herzien. De modelinspraakverordening is aangepast aan diverse
                                    wetswijzigingen op nationaal niveau, bijvoorbeeld aan het
                                    klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb is
                                    opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet
                                    dualisering gemeentebestuur) en de inspraak-verplichtingen in
                                    verschillende bijzondere wetten (zoals artikel 118 van de
                                    Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet stedelijke
                                    vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen
                                    voor de decentrale regelgeving (Adr). Aanleiding voor de
                                    aanpassing van de modelinspraak-verordening betreft de Wet
                                    uniforme voorbereidingsprocedure Awb, waarbij afdeling 3:4 van
                                    de Awb gewijzigd is. Deze wet is leidend voor een groot aantal
                                    wettelijk geregelde inspraakprocedures.</al><al><cursief>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</cursief></al><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van
                                    besluiten. Deze afdeling heeft als doelstelling het bevorderen
                                    van eenheid in de wetgeving en het systematiseren en
                                    vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van de Awb
                                    in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet
                                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze
                                    twee procedures ineen te schuiven en tegelijkertijd te
                                    vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in
                                    verschillende bijzondere wetten van toepassing verklaard. In de
                                    wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van toepassing verklaard op de
                                    inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van de nieuwe
                                    afdeling 3.4 Awb alsmede de tekst van het nieuwe artikel 150
                                    Gemeentewet zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.</al><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel
                                    150 van de Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4
                                    Awb zijn toegestaan (zie ook de memorie van antwoord (MvA)
                                    Eerste Kamer, 2000-2001, 27 023, nummer 177b, blz. 3). In de
                                    memorie van toelichting (MvT) op de wet (TK 1999-2000, 27 023,
                                    nummer 3, blz. 31) is te lezen dat in de inspraakverordening
                                    zowel geheel als gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling
                                    3.4 Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden in gevallen
                                    waarin het wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te leggen,
                                    maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren dan via
                                    het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken
                                    met andere termijnen, aldus de MvT.</al><al>Alternatieven voor de wettelijk geregelde inspraak</al><al>De wettelijke geregelde inspraak moet onderscheiden worden van
                                    de andere mogelijkheden die belanghebbenden hebben om zich tot
                                    het gemeentebestuur te wenden. Te denken valt hierbij aan het
                                    spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen (regeling via
                                    het reglement van orde of een commissieverordening). Andere
                                    mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven
                                    van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                                    informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard
                                    ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van
                                    de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en
                                    beroep. Nieuwe alternatieven voor de wettelijk geregelde
                                    inspraak zijn vormen van interactieve beleidsvorming, waarbij de
                                    belanghebbenden zich niet in eerste instantie tot de overheid
                                    wenden, maar de overheid zich wendt tot de belanghebbenden. </al><al><cursief>Interactieve beleidsvorming</cursief></al><al>De modelinspraakverordening regelt wanneer en op welke wijze
                                    bestuursorganen inspraak verlenen op beleidsvoornemens. De
                                    modelinspraakverordening regelt niet op welke wijze ingezetenen
                                    en belanghebbenden betrokken worden bij de vorming van een
                                    beleidsvoornemen: de interactieve beleidsvorming. Interactieve
                                    beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor
                                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn,
                                    waarbij een overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk
                                    stadium burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven of
                                    andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een open en
                                    evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de
                                    voorbereiding, bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te
                                    komen. Interactieve beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis
                                    en steun van betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan de
                                    overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil bepalen - hoe
                                    deze opgelost zullen worden. </al><al>Interactieve beleidsvorming kent verschillende
                                    verschijningvormen, die samen te vatten zijn in drie
                                    hoofdmodellen: inspraak, consultatie en co-productie. De
                                    ervaring leert, dat interactieve beleids-vorming niet in
                                    algemene procedureregels te vatten is. Interactieve
                                    beleidsvorming is maatwerk en de wijze, waarop de gemeente het
                                    beleid interactief vormt is afhankelijk van de inhoud en
                                    belanghebbenden bij dat beleid. Deze verordening verplicht de
                                    raad, het college en de burgemeester van de gemeente Bloemendaal
                                    bij elke vorming van een beleidsvoornemen een besluit te nemen
                                    over de wijze, waarop zij ingezetenen en belanghebbenden daarbij
                                    betrekken. De verordening geeft de kaders aan, waarbinnen
                                    interactieve beleidsvorming op maat kan plaatshebben. Deze
                                    verordening kiest daarbij voor een vormvrije benadering op basis
                                    van een aantal doelstellingen en randvoorwaarden. Dit geldt ook
                                    voor de interactieve beleidsvorming, die op basis van het
                                    inspraakmodel plaatsheeft. </al><al>Deze verordening kiest daarom met betrekking tot de inspraak
                                    voor een sobere regeling door het toepassing verklaren van de
                                    procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) uit de vorige
                                    verordening. Daarmee geeft de verordening ruim baan om
                                    interactief en op maat beleid te vormen.</al></li></lijst></li></lijst><al>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>a.Interactieve beleidsvorming:</al><al>a. Wij verwijzen naar het algemene deel van deze toelichting en
                                    naar de toelichting bij de artikelen 2 en 3.</al><al> b. Inspraak:</al><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in
                                    dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst
                                    van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel
                                    van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid
                                    en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden
                                    de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen
                                    een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de
                                    beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is
                                    overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet 'eenzijdig'
                                    gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het
                                    bestuursorgaan is inbegrepen. </al><al>c.Inspraakprocedure:</al><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over
                                    inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de
                                    raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de
                                    modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard.
                                    Artikel 4, tweede lid, van het model geeft het bestuursorgaan
                                    ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is
                                    immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en
                                    organisatie van de inspraak.</al><al>d. Beleidsvoornemen:</al><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen
                                    van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van
                                    beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de
                                    vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de
                                    vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.</al><al><vet>Artikel 2 Onderwerp van interactieve
                                    beleidsvorming</vet></al><al>Deze bepaling bevat de verplichting voor elk bestuursorgaan een
                                    besluit te nemen over het al dan niet interactief vormen van een
                                    beleidsvoornemen. Het tweede lid verplicht het bestuursorgaan
                                    aan te geven op welke manier de interactieve beleidsvorming
                                    plaatsheeft. </al><al><vet>Artikel 3 Regels voor interactieve
                                    beleidsvorming</vet></al><al><onderstreept>Lid 1 en 2</onderstreept></al><al>Een beleidsproces bestaat uit de volgende fasen :</al><lijst><li nr="a."><al>beleidsvoorbereiding</al></li><li nr="b."><al>beleidsontwikkeling</al></li><li nr="c."><al>besluitvorming</al></li><li nr="d."><al>beleidsuitvoering</al></li><li nr="e."><al>beleidsevaluatie.</al></li></lijst><al>De onder a, b, d en e genoemde fasen lenen zich voor
                                    interactieve beleidsvorming. In fase c kan er slechts sprake
                                    zijn van voorlichting en inspraak. De verantwoordelijkheid voor
                                    de besluitvorming blijft immers te allen tijde bij het
                                    bestuursorgaan. </al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Een beter beleid ontstaat doordat relevante partijen
                                            (hiermee worden deelnemers aan het interactieve proces
                                            bedoeld) kennis inbrengen over de problematiek en de
                                            mogelijke oplossingen. Dit geldt ook voor de
                                            uitvoeringsfase.</al></li><li nr="b."><al>Een beter beleidsproces ontstaat door een constructieve
                                            communicatie met relevante partijen. Daardoor ontstaat
                                            eerder wederzijds begrip, waardoor de kans op
                                            compromissen of overeenstemming wordt vergroot.</al></li><li nr="c."><al>Meer daadkracht ontstaat doordat partijen tijd, geld en
                                            ideeën inbrengen.</al></li><li nr="d."><al>Betere relaties met externe partijen zijn essentieel,
                                            voor zover die niet reeds bestaan.</al></li><li nr="e."><al>Vergroting van het draagvlak voor plannen is een
                                            optelsom van eerder genoemde doelstellingen. Het levert
                                            steun van relevante partijen op voor het beleid en
                                            voorkomt in een later stadium ook bezwaren.</al></li><li nr="f."><al>Een beter imago van de gemeente is maar een
                                            nevendoelstelling, maar de beeldvorming van de gemeente
                                            wordt naar verwachting beter door interactief werken of
                                            door de resultaten daarvan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Lid 4</onderstreept></al><al>a.Voldoende beleidsruimte wil zeggen : er is nog ruimte voor
                                    nieuwe ideeën en/of aanpassingen.</al><al> Wel dienen de kaders al bekend te zijn.</al><lijst><li nr="b."><al>Openheid in communicatie houdt in dat de gemeente in
                                            staat en bereid is in openheid te communiceren met
                                            relevante partijen en vice versa. Alleen goed
                                            geïnformeerde partijen zijn goede gesprekspartners.</al></li><li nr="c."><al>Participanten op één lijn over de inrichting van het
                                            beleidsproces wil zeggen dat als de gemeente en andere
                                            initiatiefnemers niet dezelfde waarde hechten aan de
                                            inbreng van participanten het interactieve proces
                                            gedoemd is te mislukken. Voor de start van een proces
                                            moeten hierover duidelijke afspraken gemaakt
                                            worden.</al></li><li nr="d."><al>Meerwaarde participatie geeft aan dat de gemeente ook
                                            daadwerkelijk meerwaarde verwacht. Interactief beleid
                                            als window-dressing levert alleen maar negatieve
                                            effecten op.</al></li><li nr="e."><al>Een goede relatie tussen gemeente en externe partijen is
                                            voor alle deelnemers van belang. Is men niet on speaking
                                            terms dan is te denken aan inschakeling van een
                                            bemiddelaar.</al></li><li nr="f."><al>Geschikte problematiek wil zeggen :</al></li><li nr="-"><al>voldoende tijd voor het vinden van een oplossing</al></li><li nr="-"><al>voldoende onderhandelingsruimte</al></li><li nr="-"><al>voldoende personeel, tijd en geld beschikbaar voor de
                                            realisatie via interactief beleid</al></li><li nr="-"><al>voldoende deelnemers</al></li><li nr="-"><al>het beleidsprobleem is af te bakenen van ander beleid,
                                            het is niet te moeilijk of te technisch, het is niet al
                                            te gepolitiseerd.</al></li></lijst><al><onderstreept>Lid 5</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Inspraak</onderstreept> Bij keuze voor dit
                                            model is vast komen te staan dat de doelstellingen en/of
                                            randvoorwaarden van interactief beleid niet of
                                            onvoldoende haalbaar waren. De gemeente bepaalt in dit
                                            model het beleid en de communicatie vindt plaats in de
                                            vorm van voorlichting en inspraak. De voordelen zijn een
                                            snelle voortgang en het in eigen hand houden van de
                                            inhoud. De nadelen zijn dat de relatie met de inwoners
                                            ernstig kan worden verstoord en dat er kans is op weinig
                                            draagvlak.</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Consultatie</onderstreept> Bij een keuze
                                            voor dit model ontwikkelt de gemeente de plannen in
                                            interactie met het maatschappelijk middenveld, direct
                                            belanghebbenden en deskundigen. Daarbij is variatie
                                            mogelijk, o.a. afhankelijk van het moment waarop de
                                            consultatie plaatsvindt en de ruimte die er nog is voor
                                            invulling en aanpassing. Dat onderscheid wordt
                                            aangegeven door de termen “toetsen”en “meedenken”. Bij
                                            de laatste term is er meer sprake van een open
                                            vraagstelling.</al></li></lijst><al> De voordelen van dit model zijn een grotere kans op draagvlak
                                    en een inhoudelijke toonzetting van de discussie. Het nadeel kan
                                    zijn het onzekere draagvlak in de fase van de uitwerking.</al><al>c.<onderstreept>Co-productie</onderstreept> Bij keuze voor dit
                                    model werkt de gemeente, op basis van de analyse en gegevens
                                    over het beleidsprobleem, samen met belanghebbenden, betrokkenen
                                    en deskundigen. Hierbij heeft de gemeente niet per definitie het
                                    voortouw. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de probleemanalyse
                                    door de betrokkenen zelf wordt gedaan. Er is vaak meer sprake
                                    van gelijkwaardigheid en het uiteindelijke beleidsresultaat is
                                    een gezamenlijke productie. De voordelen van dit model zijn :
                                    meeste kans op draagvlak, de grootste verzameling van argumenten
                                    en meningen, een gezamenlijk product en een vaak snelle formele
                                    besluitvormingsprocedure. De nadelen zijn : een wellicht
                                    behoudend beleid als resultaat, een moeilijk te sturen discussie
                                    en een arbeidsintensief en langdurig traject.</al><al>Het is ook mogelijk een verschillend model te kiezen in
                                    verschillende fasen. Ook mengvormen zijn denkbaar.</al><al><vet>Artikel 4 Eindverslag interactieve
                                    beleidsvorming</vet></al><al>Dit artikel legt in het eerste lid de verplichting tot het maken
                                    van een eindverslag over interactieve beleidsvorming vast. Het
                                    tweede lid regelt de inhoud van het eindverslag. Onderdeel a
                                    regelt, dat het eindverslag een overzicht moet bevatten van alle
                                    activiteiten in het proces. Onderdeel b betekent dat de
                                    eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van
                                    zowel de mondelinge als de schriftelijke bijdragen in het proces
                                    van interactieve beleidsvorming. De schriftelijke bijdragen
                                    kunnen aan het verslag worden gehecht.</al><al>Onder c wordt het sluitstuk van interactieve beleidsvorming,
                                    waarbij het bestuursorgaan aangeeft hoe het reageert op de
                                    bijdragen en de gevolgen daarvan op het beleid.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het
                                    eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar maakt. Wij willen
                                    hier wel benadrukken dat de bekendmaking van de resultaten van
                                    de interactieve beleidsvorming uitermate belangrijk is. Het ligt
                                    voor de hand om degenen die hebben deelgenomen aan de
                                    interactieve beleidsvorming een exemplaar van het eindverslag te
                                    sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden
                                    gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het
                                    aantal deelnemers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het
                                    volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om
                                    voorafgaand aan de interactieve beleidsvorming al duidelijkheid
                                    over de communicatie te verschaffen.</al><al><vet>Artikel 5 Onderwerp van inspraak</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat indien het bestuursorgaan tot
                                    het inspraakmodel als bedoeld in artikel 3, lid 5, besluit de
                                    voor inspraak geldende artikelen 5 t/m 8 van toepassing zijn.
                                    Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1, eerste
                                    lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en
                                    burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen
                                    beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. In de MvT (TK
                                    1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat het ter
                                    volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van
                                    welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in
                                    bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak
                                    geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij
                                    raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens
                                    een andere wijze van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al
                                    dan niet inspraak te verlenen is een besluit in de zin van de
                                    Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend
                                    indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder
                                    hebben wij opgesomd welke wettelijke verplichtingen gelden. Wij
                                    hebben ervan afgezien om dit op te nemen in de tekst van lid 2
                                    zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke
                                    verplichting direct de verordening moet worden aangepast en in
                                    de tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de
                                    verordening hiermee onoverzichtelijk wordt.</al><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan
                                    thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening
                                            daarvan dan wel bij de toepassing van artikel 19, eerste
                                            lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (artikel 6a
                                            WRO);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing
                                            (artikel 8 Wet op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma
                                            stedelijke vernieuwing (artikel 7a Wet stedelijke
                                            vernieuwing);</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan
                                            (artikel 4.17, derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van
                                            een afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel
                                            10.21 WM (artikel 10.26, tweede lid, WM);</al></li><li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel
                                            1a Wet voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie
                                            en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de
                                            uitvoering van de Algemene bijstandswet (artikel 118),
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42,
                                            eerste lid, onder d) en de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                                            werknemers (artikel 42, eerste lid, onder d);</al></li><li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van
                                            welstandstoetsing als bedoeld in artikel 12, tweede lid,
                                            onder a en b, van de Woningwet (artikel 12, vierde
                                            lid).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt
                                    verleend. Dit lid heeft uiteraard betrekking op zowel de
                                    inspraak als bedoeld in lid 1 als de inspraak als bedoeld in lid
                                    2.</al><al>Jurisprudentie</al><lijst><li nr="-"><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in
                                            procedure brengen van het ontwerpplan af te wijken van
                                            het voorontwerp dat aan inspraak onderworpen is geweest.
                                            Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen ten
                                            opzichte van het voorontwerp naar aard en omvang zodanig
                                            zijn dat een geheel ander plan is ontstaan, dit
                                            aanleiding kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te
                                            laten nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling
                                            bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dat
                                            terecht geen nieuwe inspraak is opengesteld (ABRS 22
                                            januari 2003, inzake nummer 200001851/1, LJN-nummer
                                            AF3164).</al></li><li nr="-"><al>Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan
                                            waarop artikel 6a WRO ziet en is dus inspraakplichtig.
                                            De goedkeuring van een deel van een uitwerkingsplan dat
                                            de bouw van woningen mogelijk maakt, is in strijd met
                                            artikel 6a WRO en de inspraakverordening nu aan
                                            omwonenden geen inspraak is verleend met betrekking tot
                                            dit plandeel (ABRS 2 maart 2000, GS, 151 (2001) 7133,
                                            7).</al></li><li nr="-"><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch
                                            met artikel 6a WRO noch met artikel 2:4 Awb dat de raad
                                            eerst zelf de aanvaardbaarheid van de voorgestane
                                            ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het
                                            voorontwerp van het plan de voorkeur voor een bepaalde
                                            ontwikkeling heeft laten blijken, alvorens in het kader
                                            van de inspraakprocedure de bevolking daarover te
                                            raadplegen. De afdeling concludeert dat de gevolgde
                                            inspraakprocedure correct is (ABRS 31 januari 2000,
                                            inzake nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Inspraakgerechtigden</vet></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks
                                    voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet
                                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden
                                    'in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
                                    rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze
                                    definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al>Jurisprudentie</al><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het
                                    wijkoverlegorgaan voorgelegd. De kring van personen die
                                    ingevolge artikel 6a WRO moeten worden betrokken bij de
                                    voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie is
                                    dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening
                                    is verleend, in strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus
                                    2002, inzake nummer 200102132/1, LJN-nummer AE6455).</al><al><vet>Artikel 7 Inspraakprocedure</vet></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling
                                    3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In
                                    artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb (zie bijalge) is de
                                    inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking
                                    van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes
                                    weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren
                                    brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn
                                    voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid
                                    de inspraakprocedure worden aangepast. Wij kunnen ons
                                    voorstellen dat bijvoorbeeld de genoemde termijn van zes weken
                                    door het bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze termijn zou
                                    kunnen worden aangepast bij besluit van het bestuursorgaan op
                                    grond van het tweede lid.</al><al>In dit kader wordt voor twee punten aandacht gevraagd.</al><lijst><li nr="1."><al>Een inspraakprocedure kan ook het houden van een
                                            facultatief referendum omvatten (uitvoering van de wijze
                                            waarop men zijn zienswijze naar voren kan brengen). Dit
                                            middel zal echter, gezien de daaraan verbonden kosten,
                                            op beperkte schaal worden toegepast. Daarnaast zijn wij
                                            ook van mening dat dit in een afzonderlijke verordening
                                            moet worden vormgegeven. Dit is in Bloemendaal het
                                            geval.</al></li><li nr="2."><al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer)
                                            standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig
                                            kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor artikel 19
                                            WRO-procedures een aparte procedure kunnen worden
                                            ontwikkeld met bijvoorbeeld een standaardtermijn van
                                            twee in plaats van zes weken.</al></li></lijst><al>Jurisprudentie</al><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een
                                    bestemmingsplan wordt door de afdeling niet ingegaan op het
                                    bezwaar van appellant tegen de beperking van de spreektijd
                                    tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen een klacht
                                    kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling
                                    (ABRS 10 juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer
                                    AE5107).</al><al><vet>Artikel 8 Eindverslag over inspraak</vet></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4
                                    Awb. In artikel 3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een
                                    verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                                    mondeling naar voren is gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van
                                    de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de
                                    procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort
                                    toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd
                                    enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig
                                    overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de
                                    schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke
                                    inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de
                                    MvT bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden
                                    volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren
                                    gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun
                                    opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat
                                    het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt
                                    gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het
                                    eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar maakt. Wij willen
                                    hier wel benadrukken dat de bekendmaking van de resultaten van
                                    de inspraak uitermate belangrijk is. Het ligt voor de hand om
                                    degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag
                                    te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden
                                    gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het
                                    aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het
                                    volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om
                                    tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de
                                    communicatie te verschaffen.</al><al><vet>Artikel 9 Intrekking oude verordening</vet></al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening
                                    ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de
                                    datum waarop de verordening in werking treedt.</al><al><vet>Artikel 10 Inwerkingtreding</vet></al><al><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></al><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al><al><vet>Bijlage met wetteksten Wet uniforme openbare
                                        voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54)</vet></al><al>A.De tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet luidt als
                                    volgt:</al><al><vet>Artikel 150</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt een verordening vast waarin regels worden
                                            gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen
                                            en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                            beleid worden betrokken.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend
                                            door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                            bestuursrecht, voorzover in de verordening niet anders
                                            is bepaald.</al></li><li nr="B."><al>De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als
                                            volgt:</al></li></lijst><al><vet><cursief>AFDELING 3.4 UNIFORME OPENBARE
                                            VOORBEREIDINGSPROCEDURE</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:10</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van
                                            besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij
                                            besluit van het bestuursorgaan is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere
                                            besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag
                                            worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze
                                            afdeling.</al><al>Artikel 3:11</al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te
                                                  nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende
                                                  stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een
                                                  beoordeling van het ontwerp, ter inzage.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                                  is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond
                                                  daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden
                                                  gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten
                                                  verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter
                                                  inzage gelegde stukken.</al></li><li nr="4."><al>De stukken liggen ter inzage gedurende de in
                                                  artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.</al></li></lijst><al>Artikel 3:12</al><lijst><li nr="1."><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het
                                                  bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of
                                                  huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
                                                  wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden
                                                  met het vermelden van de zakelijke inhoud.</al></li><li nr="2."><al>Indien het een besluit van een tot de centrale
                                                  overheid behorend bestuursorgaan betreft, wordt de
                                                  kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant
                                                  geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders
                                                  is bepaald.</al></li><li nr="3."><al>In de kennisgeving wordt vermeld:</al></li><li nr="a."><al>waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                                                  liggen;</al></li><li nr="b."><al>wie in de gelegenheid worden gesteld om
                                                  zienswijzen naar voren te brengen;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze dit kan geschieden;</al></li><li nr="d."><al>indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18,
                                                  tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal
                                                  worden genomen.</al></li></lijst><al>Artikel 3:13</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het besluit tot een of meer
                                                  belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het
                                                  bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging
                                                  het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de
                                                  aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige
                                                  toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:14</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde
                                                  stukken aan met nieuwe relevante stukken en
                                                  gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is
                                                  van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:15</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan
                                                  naar keuze schriftelijk of mondeling hun
                                                  zienswijze over het ontwerp naar voren
                                                  brengen.</al></li><li nr="2."><al>Bij wettelijk voorschrift of door het
                                                  bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan
                                                  anderen de gelegenheid moet worden geboden hun
                                                  zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft,
                                                  stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in
                                                  de gelegenheid te reageren op de naar voren
                                                  gebrachte zienswijzen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het een besluit tot wijziging of
                                                  intrekking van een besluit betreft, stelt het
                                                  bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of
                                                  in te trekken besluit is gericht zo nodig in de
                                                  gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte
                                                  zienswijzen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:16</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De termijn voor het naar voren brengen van
                                                  zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als
                                                  bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken,
                                                  tenzij bij wettelijk voorschrift een langere
                                                  termijn is bepaald.</al></li><li nr="2."><al>De termijn vangt aan met ingang van de dag
                                                  waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.</al></li><li nr="3."><al>Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen
                                                  zijn de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige
                                                  toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:17</vet></al><al>Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar
                                            voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.</al><al><vet>Artikel 3:18</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het een besluit op aanvraag betreft,
                                                  neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig
                                                  mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst
                                                  van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of
                                                  omstreden onderwerp betreft, kan het
                                                  bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te
                                                  leggen, binnen acht weken na ontvangst van de
                                                  aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met
                                                  een redelijke termijn verlengen. Voordat het
                                                  bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt,
                                                  stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn
                                                  zienswijze daarover naar voren te brengen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid neemt het
                                                  bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken
                                                  na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het
                                                  een besluit betreft:</al></li><li nr="a."><al>inzake intrekking van een besluit;</al></li><li nr="b."><al>inzake wijziging van een besluit en de aanvraag
                                                  is gedaan door een ander dan degene tot wie het te
                                                  wijzigen besluit is gericht.</al></li><li nr="4."><al>Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht
                                                  doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig
                                                  mogelijk, nadat de termijn voor het naar voren
                                                  brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling
                                                  op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en
                                                  tweede lid. In afwijking van het eerste of derde
                                                  lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat
                                                  geval binnen vier weken nadat de termijn voor het
                                                  naar voren brengen van zienswijzen is
                                                  verstreken.</al></li></lijst></li></lijst></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>