<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36399_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften Vlissingen 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-08-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2005, I.08</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften Vlissingen 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de "Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften gemeente Vlissingen, vastgesteld op 2 juni 1994.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften Vlissingen 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;</al></li><li nr="c."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                                tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten op grond van een wettelijk
                                voorschrift inzake belastingen of de Wet waardering onroerende
                                zaken.</al></li></lijst><al>(gew. rdbs. 22-12-2005, nr. 9.14)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en
                            ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college benoemt voor ieder lid een plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van haar voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Instellen van kamers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de behandeling
                            van bezwaarschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast
                            welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar zullen worden
                            behandeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorzitter overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de
                                    voorzitter of een van de leden van de commissie, uit haar midden
                                    aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>ten minste twee andere leden, door de commissie aangewezen uit
                                    haar midden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie wijst uit haar midden voor elk lid een eerste en een tweede
                            plaatsvervanger aan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift door de
                            commissie zal geschieden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo
                            veel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie en haar kamers is een door het college
                            aangewezen ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                            aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De secretaris werkt onder verantwoordelijkheid en leiding van de
                            commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van het
                            aftreden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag
                            nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven
                            hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig
                            mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een procedurebeschrijving inzake de behandeling van
                            bezwaarschriften vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                            vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid
                            worden gesteld zich door de commissie te laten horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                            Awb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van
                            het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                            minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                            verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend
                            orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste
                            tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de commissie is openbaar, met uitzondering van die waarin
                            de behandeling plaatsvindt van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen
                            besluiten op grond van sociale wetgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie
                            of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een
                            belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                            zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                            zitting plaats met gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van
                            de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvond,
                            of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in
                            elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                            melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
                            commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld,
                            nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen
                            beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek
                            houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan
                            de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                            door haar uit te brengen advies.</al><lijst><li nr="a."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                    brengen advies.</al></li><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van
                                    de voorzitter.</al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding
                                    gemaakt indien die minderheid dat verlangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter en de secretaris van de commissie ondertekenen het
                            advies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                            artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en
                            nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn
                            van tien weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb,
                            ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en
                            het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig
                            de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                            belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften gemeente Vlissingen,
                        vastgesteld op 2 juni 1994, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening commissie
                        bezwaarschriften Vlissingen 2005'.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 april 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>C.M. Sturm M. Geilenkirchren (loco)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Vlissingen,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>mr. A.L. Pronk A. van Dok- van Weele</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester van Vlissingen,</ondertekening><ondertekening>A.van Dok- van Weele</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening commissie bezwaarschriften Vlissingen
                        2005</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen </vet></al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen één en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college, de
                    burgemeester of een commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de
                    hiervoor genoemde bestuursorganen zijn overgedragen.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 2 Inleidende bepaling
                    commissie</vet></tussenkop><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>Het tweede lid is een facultatieve bepaling. Van de hier geboden mogelijkheid
                    wordt gebruik gemaakt voor die bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo
                    specifieke materie of voor onderwerpen waarover zulke grote aantallen
                    bezwaarschriften te verwachten zijn dat het wenselijk is daarvoor een andere
                    methodiek van horen en adviseren te hanteren. Hierbij kan gedacht worden aan
                    sociale zaken, belastingzaken en WOZ-zaken. Over de twee laatstgenoemde zaken
                    dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ
                    afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en
                    de geheimhouding. In verband hiermee hebben wij ervoor gekozen ze in elk geval
                    uit te zonderen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb. Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college. Voor de samenstelling van een commissie voor
                    bezwaarschriften ex artikel 7:13 Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb
                    (ARRS, 31-5-99, JG 1999/179).</al><al>Jurisprudentie:</al><al>• Ontslag leden bezwaarschriftencommissie wegens vertrouwensbreuk (ABRS
                    22-07-2009, nr. 200808434/1/H2, LJN BJ3410, JB 2009, 213).</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Instellen kamers</tussenkop><al>Als, bijvoorbeeld gelet op het grote aantal te behandelen geschriften of in
                    verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp, daaraan behoefte bestaat,
                    kan de commissie worden opgesplitst in kamers. De commissie kent thans drie
                    kamers, te weten die voor algemene zaken, die voor de sociale aangelegenheden en
                    die voor de rechtspositionele aangelegenheden.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie en haar kamers beschikt over een secretaris ter
                    ondersteuning van de werkzaamheden. Blijkens de jurisprudentie is de secretaris
                    voor de uitoefening van zijn functie slechts verantwoording verschuldigd aan de
                    commissie.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Zittingsduur</tussenkop><al>Deze bepaling kan eventueel worden aangevuld met een lid waarin tot uitdrukking
                    wordt gebracht dat leden van een commissie die daarin zijn benoemd in verband
                    met een bepaalde hoedanigheid, aftreden indien zij deze hoedanigheid verliezen.
                    Uiteraard is het mogelijk voor een ander moment van aftreden te kiezen dan
                    bedoeld in het eerste lid. Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van
                    dat ontslag bepalen. Het kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel
                    nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling
                    van het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden
                    ook feitelijk de functie te blijven vervullen.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Tijdig indienen</al><al>De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel
                    6:7 Awb). Op grond van de Algemene Termijnenwet wordt een in de wet gestelde
                    termijn, die eindigt op zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag,
                    verlengd tot en met de eerstvolgende dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of
                    een algemeen erkende feestdag. Deze termijn begint op de dag gelegen na de dag
                    waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</al><lijst><li nr="a."><al>Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de
                            termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid, Awb). Voor de verzending
                            van een bezwaarschrift per post geldt de zgn. 'verzendtheorie'. Daarbij
                            geldt de dag van verzending als datum van indiening. Bij twijfel over
                            een tijdige verzending is het poststempel bepalend (of een bewijs van
                            aangetekende verzending). Wel geldt de extra eis, dat het bezwaarschrift
                            niet later dan een week na afloop van de termijn moet zijn ontvangen
                            (artikel 6:9 Awb). Dit laatste speelt met name een rol bij de verzending
                            van het bezwaarschrift vanuit het buitenland. Het verdient aanbeveling
                            om bij verzending per post de enveloppe, waarin het bezwaarschrift is
                            verzonden, te bewaren.</al></li><li nr="b."><al>Het wijzen op de bezwaar- en beroepsmogelijkheden bij de bekendmaking
                            van een besluit is dwingend voorgeschreven (artikel 3:45 Awb). Wanneer
                            dit wordt nagelaten kan het te laat indienen van een bezwaarschrift
                            (overigens wel binnen een redelijke termijn) verschoonbaar worden geacht
                            (zie ook artikel 6:11 Awb). Bij de mededeling van een besluit, aan
                            degene die bij de voorbereiding ervan zijn zienswijze naar voren heeft
                            gebracht, dient te worden vermeld wanneer en hoe de bekendmaking van het
                            besluit heeft plaatsgevonden. Dit is van belang omdat de bekendmaking
                            (en niet de mededeling) van het besluit bepalend is voor de aanvang van
                            de bezwaar- of beroepstermijn (artikel 3:43, derde lid Awb).</al></li><li nr="c."><al>Bij voorbarig bezwaar (ingediend voor het begin van de termijn) blijft
                            de niet ontvankelijk verklaring achterwege en kan het bezwaarschrift
                            worden aangehouden indien het besluit ten tijde van de indiening wel
                            reeds tot stand was gekomen of de indiener redelijkerwijs kon menen dat
                            het besluit reeds tot stand was gekomen (artikel 6:10 Awb).</al></li><li nr="d."><al>Indien het bezwaar gericht is tegen het niet tijdig nemen van een
                            besluit is het niet aan een termijn gebonden en kan het worden ingediend
                            zodra het bestuursorgaan in gebreke is. Wel geldt dat het bezwaarschrift
                            niet onredelijk laat mag worden ingediend. (artikel 6:12 Awb). Neemt het
                            bestuursorgaan alsnog een besluit en komt dit besluit niet tegemoet aan
                            het bezwaar, dan wordt het reeds ingediende bezwaar geacht te zijn
                            gericht tegen dit besluit (artikel 6:20, vierde lid Awb).</al></li></lijst><al>Vormvereisten</al><al>Het bezwaarschrift moet zijn ondertekend en ten minste het volgende
                    bevatten:</al><lijst><li nr="1."><al>De naam en het adres van de indiener Wordt een bezwaarschrift ingediend
                            door een rechtspersoon, dan moet het worden ingediend en ondertekend
                            door het bestuur of door de bestuurders die volgens de statuten of het
                            reglement bevoegd zijn de rechtspersoon in rechte te
                            vertegenwoordigen.</al></li><li nr="2."><al>De dagtekening.</al></li><li nr="3."><al>Een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Niet
                            vereist is dat de indiener expliciet in het geschrift aangeeft dat het
                            om een bezwaarschrift handelt. Van belang is of bij hem de intentie
                            aanwezig is bezwaar te maken. Bij twijfel dient het bestuursorgaan de
                            indiener van het geschrift te vragen naar zijn bedoeling. Wordt een
                            bezwaarschrift ingediend tegen een niet appelabel besluit, dan dient in
                            principe toch de bezwaarschriftprocedure te worden doorlopen, doch kan
                            wegens kennelijk niet-ontvankelijkheid, van het horen van de betrokkene
                            worden afgezien.</al></li><li nr="4."><al>De gronden (motivering) van het bezwaar (artikel 6:5 Awb).</al></li></lijst><al>Als aan deze eisen niet is voldaan moet de indiener gelegenheid worden geboden
                    binnen een redelijke termijn dit verzuim te herstellen. Dit schort de termijn
                    voor het beslissen op het bezwaarschrift op (artikelen 6:6 en 7:10, tweede lid,
                    Awb). Als het verzuim niet tijdig is hersteld kan het bezwaarschrift
                    niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat een bezwaarschrift de gronden van het
                    bezwaar moet bevatten houdt niet in dat deze gronden ook 'hout moeten snijden'.
                    De aard of relevantie van de aangevoerde grieven spelen geen rol bij de
                    ontvankelijkheidstoetsing, maar komen pas aan de orde bij de inhoudelijke
                    beoordeling van het (ontvankelijke) bezwaarschrift. De indiener kan in eerste
                    aanleg volstaan met het indienen (binnen de termijn) van een zogenaamd 'pro
                    forma bezwaarschrift'. Dit is een bezwaarschrift waarbij op een later tijdstip
                    en bij een aanvullend geschrift de motivering wordt ingediend. Het is van belang
                    dat het bestuursorgaan hierbij zelf de regie in handen houdt en de indiener van
                    het pro forma bezwaarschrift een redelijke termijn stelt om als nog met de
                    motivering te komen.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd. De in dit artikel aangehaalde artikelen of
                    artikelleden van de Awb luiden als volgt.</al><al>Artikel 2:1, tweede lid</al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al>Toelichting: Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook
                    vrij al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al>Artikel 6:6</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al>Toelichting: De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt
                    vastgesteld door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste
                    termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin
                    voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn.
                    Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de
                    meeste gevallen kan met een termijn van twee weken na het einde van de
                    bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de indiener een reële
                    mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds
                    moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd.
                    Uit jurisprudentie over belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een
                    hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te
                    worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan. Overigens zal niet
                    zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n situatie sprake is van een
                    kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor - ingevolge artikel 7:3 Awb
                    - van het horen kan worden afgezien. Ten slotte wordt hier gewezen op artikel
                    7:10 van de Awb waarin voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen
                    op een ingediend bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt
                    namelijk opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een
                    verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het
                    verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken.</al><al>Artikel 6:17</al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voor zover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter. Het is niet nodig om in de
                    bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers van de belanghebbende toe
                    te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de aanvraag en het primaire
                    besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196). Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe
                    om leges te heffen voor het verstrekken van afschriften van de desbetreffende
                    stukken aan de gemachtigde van een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG
                    2001/30).</al><al>Artikel 7:4, tweede lid</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al>Toelichting: Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een
                    goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe
                    van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er
                    niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte terinzagelegging. </al><al>Jurisprudentie</al><al>• Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om
                    stukken in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van terinzagelegging
                    (Rb. Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al>• Ambtelijk advies kan niet worden aangemerkt als een op de zaak betrekking
                    hebbend stuk (ABRS 24-04-1998, JB 1998, 145; ABRS 5-11-2003, LJN AN7220, AB
                    2004, 176; Voorzieningenrechter CRvB 25-02-2008, AB 2008, 254).</al><al>• Medisch advies behoort wel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken en
                    mag alleen buiten het dossier worden gelaten indien de belanghebbende dat
                    verlangt (CRvB 16-01-2008, AB 2008, 161).</al><al>• Ook het CBB ziet adviezen zonder meer als op de zaak betrekking hebbende
                    stukken, bijv. een advies van de Verzekeringskamer had ter kennisname van de
                    wederpartij moeten worden gebracht (CBB 23-051995, JB 1995, 177). </al><al>• De Hoge Raad oordeelde als belastingrechter dat onder de op de zaak betrekking
                    hebbende stukken alle stukken die van belang zijn geweest bij de besluitvorming
                    moeten worden verstaan (HR 25-04-2008, JB 2008, 123). </al><al>• Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak ter zake (bijv. CRvB 4-11-2003,
                    LJN AN8063, AB 2004, 63 en CRvB 6-09-2007, LJN BB3024) overweegt de Raad dat in
                    de Awb een afzonderlijke regeling is neergelegd voor toezending van stukken in
                    de fase van bezwaar, die afwijkt van die voor toezending van stukken in de fase
                    van beroep bij de rechtbank. In de eerstgenoemde fase is het bestuursorgaan
                    verplicht in ieder geval de vertegenwoordiger van degene die bezwaar maakt de
                    voor de belanghebbende bestemde berichten te doen toekomen die na aanvang van de
                    bezwaarprocedure worden verzonden. Daarnaast bestaat er voor belanghebbenden –
                    behoudens voor zover geheimhouding om gewichtige redenen geboden is – de
                    mogelijkheid van inzage van alle op de zaak betrekking hebben stukken. Ten
                    slotte is er de mogelijkheid tot het verkrijgen van afschriften daarvan tegen
                    vergoeding van ten hoogste de kosten. Gelet op dit in de hoofdstukken 6 en 7 van
                    de Awb neergelegde stelsel, kan naar het oordeel van de Raad niet worden
                    aangenomen dat in artikel 7:4, vierde lid, van de Awb de verplichting voor het
                    bestuursorgaan besloten ligt om in de bezwaarfase ook die stukken aan de
                    vertegenwoordiger van belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de
                    fase tussen de aanvraag en het primaire bestuit (CRvB 19 mei 2009, nr.
                    07/6287WWB, LJN BI6820, AB 2009, 279). </al><al>Artikel 7:6, vierde lid</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...]. Het derde lid van dit artikel luidt:
                    Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de klager in contact te treden om
                    nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de
                    gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de
                    normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere
                    kosten gaat. </al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in deze bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging
                    vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                    toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast. In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin
                    is bepaald dat het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet
                    op verzoek, de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn
                    voor een goede vervulling van diens taak. Uit de hier gebezigde formulering
                    volgt dat het ter beoordeling van het bestuursorgaan blijft welke gegevens dat
                    zullen zijn. Uit de aard van het advies van de commissie vloeit evenwel voort
                    dat dit alle op de zaak betrekking hebbende gegevens zullen zijn. De commissie
                    zal immers geen afgewogen oordeel kunnen uitbrengen indien gegevens worden
                    achtergehouden.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 10 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3. Het bepaalde in het derde
                    lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het uiteindelijk uit te brengen advies
                    hier nogmaals op teruggekomen moeten worden. Dat is noodzakelijk omdat ingevolge
                    artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift, indien van het horen
                    is afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is geschied.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken. Het verdient aanbeveling een termijn vast
                    te stellen die ligt tussen de oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet
                    gedacht worden aan een zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige
                    belanghebbenden voldoende gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting
                    voor te bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om
                    hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd. Gekozen is
                    voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van tien weken
                    waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie artikel
                    7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna). Voorts is een
                    regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip van de
                    zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend. Betrokkene
                    dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen. Een
                    verzoek om uitstel moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd
                    verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt
                    tot een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een
                    te grote vertraging kan ondervinden. De toelichting op dit artikel van deze
                    verordening is ook de plaats om te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8
                    van de Awb. Het verdient aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen bij de
                    uitnodiging van de hoorzitting mededeling te doen. Omdat de inhoud van deze
                    artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst ervan hier integraal op
                    te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><al>Artikel 7:4</al><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
                            betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten
                            minste één week voor belanghebbenden ter inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                            toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover
                            geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van
                            deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voor zover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43). In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                    van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al>Artikel 7:8</al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen
                            en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al>Ingevolge art. 8:58, eerste lid, Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de
                    zitting nadere stukken indienen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen
                    (uitspraak ABRS van 27 mei 2004 in zaak nr. 200403247/1, LJN: AP1280) is, indien
                    een stuk niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, het aan de Rb.
                    Om te beslissen of de goede procesorde zich ertegen verzet dat het
                    desbetreffende stuk bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit wordt
                    betrokken.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in
                    het kader van de bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de
                    adviescommissie, terwijl advisering door de voltallige commissie heeft
                    plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/7119, 3; CRvB 19 december 2006, nr.
                    06/376 WWB, LJN AZ5263, JB 2007, nr. 45).</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb. Ook al is de
                    voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast dat
                    automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is (Rb.
                    Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover
                    niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige bepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in principe in het
                    openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld
                    indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard
                    of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen. De zitting
                    dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die
                    ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.
                    Omdat de commissie adviseert over bezwaren op gebied van sociale wetgeving (Abw,
                    WWB), is het praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit duidelijk wordt dat
                    deze zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Hiermee worden problemen
                    voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare
                    zitting.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet
                    door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen. Het bepaalde in het eerste lid
                    hoeft niet zo ver te strekken dat van al het aanwezige publiek naam en
                    hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag duidelijk moeten blijken
                    wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen naar voren is gebracht.
                    Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188). Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer
                    en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen
                    staken in de adviescommissie, hoeft bij de hernieuwde behandeling in de
                    commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats. Het tweede
                    lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel
                    aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer leden dan wel
                    hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel 12) tijdens de
                    besluitvorming uit een even aantal personen bestaat. Het horen kan plaatsvinden
                    door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de advisering dient plaats te
                    vinden door een commissie die voldoet aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid,
                    onder a. Hoe het advies totstandkomt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke
                    consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5
                    januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621). Advisering
                    door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met artikel
                    7:13, eerste lid, onder a Awb (ABRS19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van
                    dit artikel (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de
                    voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid. Een adviescommissie mag
                    alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen (ABRS
                    06-01-1997).</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Uitbrengen advies</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht. De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van
                    de Awb 10 weken, behoudens in het geval van opschorting of met gebruikmaking van
                    de mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de
                    voorzitter van de commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor
                    bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing
                    op het bezwaar te verdagen. Het besluit tot verdaging is een beschikking.
                    Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze
                    van bekendmaking en mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van
                    toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een
                    besluit niet in werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de
                    hand in verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van het
                    verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al/><tussenkop>Artikel 19 Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. De bekendmaking
                    geschiedt door plaatsing in het gemeenteblad dan wel, bij gebreke daarvan, door
                    opneming in een ander door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave.
                    De bekendgemaakte besluiten treden inwerking met ingang van de achtste dag na
                    die van bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    gekozen.</al><al/><tussenkop>Artikel 21 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>