<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36396_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening Vlissingen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-08-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2009, I.11</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening Vlissingen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-03-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-03-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraakverordening Vlissingen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colwidth="71*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>inspraak:</al></entry><entry colname="col3"><al>het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                            voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>inspraakprocedure:</al></entry><entry colname="col3"><al>de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>beleidsvoornemen:</al></entry><entry colname="col3"><al>het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen
                                            of wijzigen van beleid<cursief>;</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>interactief beleid<cursief>:</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al>het zo vroeg mogelijk betrekken van maatschappelijke
                                            organisaties, bedrijven, instellingen, belanghebbenden
                                            of bewoners bij het voorbereiden of bepalen van het
                                            beleid in een open en evenwichtige samenwerking.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid.</al></li><li nr="2."><al>Indien inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                                beleid wordt dit bekend gemaakt.</al></li><li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving.</al></li><li nr="g."><al>indien het beleid is voorbereid met toepassing van de
                                        procedure voor interactief beleid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van
                            de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op inspraakprocedures die aanhangig zijn op 14 maart 2009 blijft de
                        Inspraakverordening, vastgesteld op 24 juni 2004, van toepassing tot het
                        moment dat deze inspraakprocedures zijn afgerond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Inspraakverordening Vlissingen, vastgesteld op 24 juni 2004,
                                wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Inspraakverordening
                                Vlissingen 2009’ en treedt in werking op 15 maart 2009. </al></li></lijst><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Vlissingen op 5 maart
                        2009. de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>mr. F. Vermeulen drs. W.J.A. Dijkstra </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting </titel></kop><al/><al><onderstreept>Deregulering</onderstreept></al><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De gemeente
                    heeft gekozen voor een sobere regeling mede met het oog op het door haar
                    ondersteunde dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van
                    toepassing verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb is de
                    verordening gedereguleerd. Nu resteert een bondige en goed leesbare verordening.
                    Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers. </al><al/><al><onderstreept>Alternatieven voor inspraak</onderstreept></al><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen (via het Reglement van orde voor de raad). Andere
                    mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het
                    bezoeken van spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, enz. Inspraak
                    is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de
                    beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en beroep. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting </titel></kop><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="col1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><colspec colname="col3" colwidth="71*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>a.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inspraak:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de
                                        in dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de
                                        tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een
                                        onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het
                                        gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds
                                        wordt aan ingezetenen en belanghebbenden de mogelijkheid
                                        geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te
                                        maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een
                                        belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de
                                        beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging.
                                        Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet
                                        'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen
                                        gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. Het
                                        tweezijdige element van gedachtewisseling is zo mogelijk wel
                                        onder de inspraakprocedure gebracht, omdat hiermee een derde
                                        doel kan worden gediend, te weten het creëren van draagvlak
                                        voor beleidsvoornemens.</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>b.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Inspraakprocedure:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over
                                        inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij
                                        de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in
                                        de verordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard.
                                        Artikel 4, tweede lid, geeft het bestuursorgaan ruimte om
                                        een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers
                                        verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en
                                        organisatie van de inspraak.</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>c.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Beleidsvoornemen:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                                        voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of
                                        wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij
                                        niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                                        maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze
                                        kunnen worden gebaseerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>d.</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Interactief beleid:</al></entry><entry colname="col3" morerows="0" rotate="0"><al>Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name
                                        bedoeld voor complexe beleidsprocessen waarbij meerdere
                                        actoren betrokken zijn, waarbij een overheidsorganisatie in
                                        een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                                        organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid
                                        betrekt om zo in een open en evenwichtige wisselwerking of
                                        samenwerking met hen tot de voorbereiding, bepaling,
                                        uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                                        beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van
                                        betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan het bestuursorgaan
                                        op voorhand niet weet - of nog niet wil bepalen - hoe deze
                                        opgelost zullen worden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn
                        eigen bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding
                        van gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in
                        artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en
                        burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen
                        beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023,
                        nummer 3, blz. 20) is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de
                        gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt
                        verleend. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                        inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij
                        raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de
                        mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                        van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen
                        is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden
                        gemaakt. </al><al>In het tweede lid is opgenomen dat, indien inspraak wordt verleend bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid, dit bekend wordt gemaakt. Publicatie
                        via plaats in een huis-aan-huisblad en op de gemeentelijke website
                        www.vlissingen.nl . Dat sluit aan bij het bepaalde in artikel 3:12, eerste
                        lid, Awb (ontwerpbesluit ter inzage). </al><al>In het derde lid opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend. Het gaat
                        daarbij om onderwerpen die van ondergeschikt algemeen belang zijn of die
                        zich naar hun aard en karakter niet lenen voor inspraak. </al><al/><al><cursief>Bijzondere wetten </cursief></al><al>·<onderstreept>Inspraak en vooroverleg Wet ruimtelijke
                            ordening</onderstreept></al><al>Op 1 juli 2005 is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling
                        3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden. Op die
                        datum is ook het verlenen van inspraak op de voorbereiding van een
                        bestemmingsplan niet meer vereist. Met het schrappen van artikel 6a WRO
                        (oud) is de verplichting komen te vervallen, maar niet inspraak als zodanig.
                        Het is nu een afweging van het gemeentebestuur om wel of niet inspraak te
                        verlenen op een ruimtelijk plan op grond van de Inspraakverordening.</al><al>In de praktijk wordt in de bestemmingsplanprocedure eerst een
                        voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd. Hierop kunnen
                        inspraakreacties worden ingediend. De Wro zelf kent het begrip voorontwerp
                        echter niet. In artikel 3:11 van de Awb spreekt men slechts van het ter
                        inzage leggen van een ontwerp van het te nemen besluit, waartegen
                        schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren kunnen worden
                        gebracht.</al><al>De figuur van het voorontwerp-bestemmingsplan is in de loop der tijd
                        ontstaan om tegemoet te komen aan de toenmalige wettelijke verplichting om
                        inspraak te verlenen bij ruimtelijke plannen. De procedures inzake inspraak
                        op het voorontwerpbestemmingsplan en het indienen van zienswijzen op het
                        ontwerp-bestemmingsplan lopen synchroon, zodat geen tijdverlies optreedt. Op
                        1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke
                        ordening (Bro) met een bijbehorend complex van wet- en regelgeving in
                        werking getreden. In artikel 3.1.6, onder e, van het Bro is vastgelegd dat
                        burgers worden betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen.
                        Volgens het Bro kan een termijn worden gesteld aan het indienen van reacties
                        uit het vooroverleg. Daarvoor is na regionaal overleg een uniforme termijn
                        van twee maanden gesteld.</al><al/><al>·<onderstreept>Inspraak en milieubeleidsplan:</onderstreept></al><al>Bij de totstandkoming van het milieubeleidsplan is de inspraakprocedure van
                        toepassing. In artikel 4.17 van de Wet milieubeheer is opgenomen dat het
                        college de ingezetenen en de in de gemeente belanghebbende natuurlijke en
                        rechtspersonen betrekt bij de voorbereiden van het milieubeleidsplan, op de
                        wijze zoals aangegeven in de inspraakverordening. Concreet houdt dit in dat
                        voor de toepassing van de inspraakprocedure een afzonderlijk besluit moet
                        worden genomen en dat de u.o.v. van toepassing is </al><al>·<onderstreept>Inspraak en Afvalstoffenverordening:</onderstreept></al><al>Artikel 10.26, tweede lid, van de Wet milieubeheer heeft betrekking op de
                        volgende besluiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Een besluit van de gemeenteraad om huishoudelijk restafval en
                                gft-afval in te zamelen nabij elk perceel. </al></li><li nr="-"><al>Een besluit van de gemeenteraad om huishoudelijk restafval en
                                gft-afval niet wekelijks in te zamelen (maar bijvoorbeeld
                                alternerend, de ene week gft en de andere week restafval).</al></li><li nr="-"><al>Een besluit van de gemeenteraad dat gft-afval in de gemeente niet
                                gescheiden wordt ingezameld.</al><al>·<onderstreept>Inspraak ter voorbereiding van een welstandsnota en
                                    van besluiten ter uitsluiting van de welstandtoetsing
                                    (Woningwet):</onderstreept></al></li></lijst><al/><al>Artikel 12a van de Woningwet verplicht de gemeenteraad een welstandsnota
                        vast te stellen, indien zij bouwwerken aan redelijke eisen van welstand wil
                        toetsen. Ingevolge artikel 12a, eerste lid zijn welstandscriteria
                        beleidsregels. Bij de voorbereiding van deze beleidsregels is op grond van
                        artikel 12a, tweede lid Woningwet de inspraakprocedure op grond van artikel
                        150 Gemeentewet van toepassing verklaard. De gemeenteraad kan ingevolge
                        artikel 12, tweede lid onder a en b van de Woningwet respectievelijk
                        gebieden binnen het gemeentelijk grondgebied en categorieën van bouwwerken
                        uitsluiten van de welstandstoetsing. Het vierde lid van artikel 12 Woningwet
                        schrijft bij de voorbereiding van deze besluiten de inspraakprocedure op
                        grond van artikel 150 Gemeentewet voor.</al><al/><al>·<onderstreept>Inspraak en Monumentenwet:</onderstreept></al><al>De inspraak geregeld in de Monumentenwet is alleen verplicht voor de
                        aanvraag om vergunning op Rijksmonumenten. Hiernaast bestaat een
                        gemeentelijk monumenten regime die voortvloeit uit de eigen beleidsvrijheid
                        van de gemeenten en niet, op welke wijze dan ook, uit de Monumentenwet 1988.
                        Daar is derhalve niet de verplichting om Afdeling 3.4 van de Algemene wet
                        bestuursrecht van toepassing te verklaren.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><lijst><li nr="·"><al>Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen
                                van het ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan
                                inspraak onderworpen is geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de
                                afwijkingen ten opzichte van het voorontwerp naar aard en omvang
                                zodanig zijn dat een geheel ander plan is ontstaan, dit aanleiding
                                kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te laten nemen. In dit
                                geval oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                                State (ABRS) dat terecht geen nieuwe inspraak is opengesteld (ABRS
                                22 januari 2003, inzake nummer 200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al></li><li nr="·"><al>Het is niet in strijd met de Inspraakverordening of met artikel 2:4
                                Awb dat de raad eerst zelf de aanvaardbaarheid van de voorgestane
                                ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het voorontwerp van
                                het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling heeft laten
                                blijken, alvorens in het kader van de inspraakprocedure de bevolking
                                daarover te raadplegen. De afdeling concludeert dat de gevolgde
                                Inspraakprocedure correct is (ABRS 31 januari 2000, inzake nummer
                                E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al></li><li nr="·"><al>Het al dan niet schenden van een inspraakverplichting heeft geen
                                gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan (ABRS 16
                                januari 2008, nr. 200700989/1; AB 2008, 69).</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de
                        tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                        voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang
                        hebbende natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het
                        begrip 'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie
                        heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.
                            <cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>·In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                        voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden
                        betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie
                        is dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is
                        verleend, in strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake
                        nummer 200102132/1, LJN-nummer AE6455).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de
                        Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17
                        Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking
                        van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken
                        schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste
                        gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan
                        op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Wanneer
                        het bestuursorgaan de genoemde zeswekentermijn te lang vindt kan deze
                        termijn bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid
                        worden aangepast.. </al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>·Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een
                        bestemmingsplan wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van
                        appellant tegen de beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond.
                        Appellant had hiertegen een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan,
                        aldus de afdeling (ABRS 10 juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer
                        AE5107).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In
                        artikel 3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt
                        gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is
                        gebracht. </al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                        inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                        afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter
                        inzage gelegd enz.? Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig
                        overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke
                        inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag
                        worden gehecht. In de MvT bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan
                        worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte
                        opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren
                        hebben gebracht. Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven
                        dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. </al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                        gebruikelijke wijze openbaar maakt. Wij benadrukken dat de bekendmaking van
                        de resultaten van de inspraak uitermate belangrijk is. Het ligt voor de hand
                        om degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te
                        sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de
                        krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk
                        is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking.
                        Tijdens een inspraakavond wordt duidelijkheid omtrent de communicatie
                        gegeven. </al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                        vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                        aanhef en onder b, van de Gemeentewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Bij de vaststelling van een gewijzigde verordening moet worden nagegaan of
                        het opnemen van overgangsrecht noodzakelijk is. Rekening moet worden
                        gehouden met reeds bestaande rechtsverhoudingen en aangegeven moet worden
                        hoe oude, bestaande situaties beoordeeld gaan worden in verband met de
                        nieuwe normen (rechtszekerheidsbeginsel). Het overgangsrecht kan hierbij
                        uitkomst bieden. Bij het formuleren van overgangsrecht kan worden gekozen
                        voor onmiddellijke werking, uitgestelde werking, eerbiedigende werking of
                        terugwerkende kracht. Op inspraakprocedures die aanhangig zijn op 31
                        december 2008 blijft de Inspraakverordening, vastgesteld op 24 juni 2004,
                        van toepassing tot het moment dat deze lopende inspraakprocedures zijn
                        afgerond.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>