<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR363450_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening afstemming en handhaving Participatiewet c.a. 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-28450.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dwethouders%2bheumen%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20150421%26epd%3d20150421%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad. 2015, 28450 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Afstemming en handhaving Participatiewet, c.a. 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening afstemming en handhaving Participatiewet c.a. 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 februari
                        2015</al><al>gelet op gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen,</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>VERORDENING AFSTEMMING EN HANDHAVING PARTICIPATIEWET c.a.
                        2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het
                                Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening verstaat onder</al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Participatiewet</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al>Ioaw: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>Ioaz: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>belanghebbende: persoon met recht op een bijstandsuitkering
                                        ingevolge de wet, Bbz, Ioaw of Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>Zelfstandige: een zelfstandige als bedoeld in artikel 78 f
                                        van de wet;</al></li><li nr="g."><al>Jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar;</al></li><li nr="h."><al>Norm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld
                                        onder artikel 5 sub c van de wet of de op belanghebbende van
                                        toepassing zijnde netto grondslag bedoeld in artikel 5,
                                        vierde lid Ioaw/Ioaz;</al></li><li nr="i."><al>Bijstandsuitkering: de bijstand als bedoeld onder artikel 5
                                        sub a van de wet of de uitkering ter hoogte van grondslag
                                        bedoeld in artikel 5, vierde lid Ioaw/Ioaz</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Heumen;</al></li><li nr="k."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="l."><al>oneigenlijk gebruik: het ten onrechte ontvangen van
                                        bijstandsuitkering, als gevolg van het door belanghebbende
                                        handelen in strijd met het doel en de strekking van de wet,
                                        Bbz, Ioaw en Ioaz;</al></li><li nr="m."><al>zeer ernstig misdragen: het door de belanghebbende op een
                                        dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel onder hem
                                        ressorterende personen die belast zijn met de uitvoering van
                                        de wet, dat dezen zich op een fysieke of psychische wijze
                                        dan wel een combinatie van beide, bedreigd voelen, onder
                                        omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                        uitvoering van de wet;</al></li><li nr="n."><al>onverwijld uit eigen beweging mededelingen verstrekken: het
                                        moment waarop een belanghebbende geacht wordt</al><lijst><li nr="·"><al>direct nadat het feit zich heeft voorgedaan;</al></li><li nr="·"><al>dan wel zodra de belanghebbende kennis heeft van
                                                toekomstige feiten;</al></li><li nr="·"><al>doch uiterlijk bij het eerstvolgende
                                                rechtmatigheidsonderzoeksformulier;</al></li><li nr="·"><al>of, indien het rechtmatigheidsonderzoeksformulier
                                                niet van toepassing is, voor de eerste van de dag
                                                van de maand volgend op de maand waarin het feit of
                                                de omstandigheid als bedoeld in artikel 17 van de
                                                wet, artikel 13 Ioaw en artikel 13 Ioaz zich heeft
                                                voorgedaan;</al></li></lijst></li><li nr="o."><al>tegenprestatie: de door het college opgedragen onbeloonde
                                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden;</al></li><li nr="p."><al>maatregelwaardige gedraging: een gedraging die een verlaging
                                        van de norm of bijzondere bijstand op grond van deze
                                        verordening tot gevolg heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de bestrijding van oneigenlijk gebruik
                                van de wet, Bbz, Ioaw en Ioaz.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij oneigenlijk gebruik als bedoeld in het eerste lid legt het
                                college een verlaging op overeenkomstig deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLEN EN TOEPASSEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet, Ioaw, Ioaz of de
                                uit artikel 30c van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                inkomen (Suwi), voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij/zij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging kan niet meer bedragen dan de bijstandsuitkering waarop
                                belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de
                                verlaging betrekking heeft, indien er geen grond voor verlaging zou
                                zijn geweest. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verlaagt de bijstandsuitkering overeenkomstig het
                                bepaalde in deze verordening, onverminderd de eventuele
                                terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de van toepassing zijnde
                                norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 ‘norm’ of ‘bijstandsuitkering’ worden
                                gelezen als ‘norm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 4 en 5 ‘norm’ of ‘bijstandsuitkering’ worden gelezen
                                als ‘de verleende bijzondere bijstand’.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college werkzaamheden
                                        in het kader van de bijstandsuitkering heeft uitbesteed, om
                                        binnen een gestelde termijn medewerking te verlenen als
                                        bedoeld in artikel 17 van de wet, artikel 13 Ioaw en artikel
                                        13 Ioaz; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li><li nr="e."><al>Belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende inmiddels geen bijstandsuitkering meer
                                        ontvangt, tenzij de belanghebbende binnen een periode van 12
                                        maanden opnieuw een bijstandsuitkering gaat ontvangen. In
                                        dat geval wordt een besluit genomen over het alsnog
                                        toepassen dan wel afzien van een verlaging op dat moment;
                                        of</al></li><li nr="d."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is,
                                wordt de norm verlaagd gedurende de eerstvolgende maand(en) nadat
                                aan belanghebbende binnen 12 maanden na de beëindigingsdatum van de
                                bijstandsuitkering opnieuw een bijstandsuitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verlaging wordt over één maand uitgevoerd. Het college kan als
                                bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen de uitvoering van de
                                verlaging te spreiden over meerdere maanden met inachtneming van
                                artikel 18 vijfde lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de bijstandsuitkering nog niet is uitbetaald, wordt de
                                verlaging toegepast op de nabetaling van de betreffende
                                bijstandsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt, voor zover het een
                                zelfstandige betreft die algemene bijstand in de vorm van een
                                geldlening op grond van het Bbz heeft ontvangen, de verlaging met
                                terugwerkende kracht betrokken bij de definitieve vaststelling van
                                die bijstandsuitkering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging
                            100 procent van de norm gedurende één maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SCHENDING VAN DE OVERIGE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT
                            ARBEIDSINSCHAKELING EN TEGENPRESTATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden die schending opleveren van in de wet,
                            Bbz, Ioaz en Ioaw genoemde verplichtingen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen, dan wel de registratie niet of
                                            niet tijdig laat verlengen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in
                                            verband met de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
                                            scholing, opleiding of sociale activering;</al></li><li nr="d."><al>het niet verrichten van de door het college opgedragen
                                            tegenprestatie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                            artikel 9a, eerste lid, van de wet.</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Ioaw of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de Ioaz niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de Ioaw of artikel 38,
                                            eerste lid, van de Ioaz.</al></li><li nr="c."><al>Indien een jongere in de 4 weken na melding geen of
                                            onvoldoende inspanningen heeft verricht om regulier
                                            bekostigd onderwijs te verkrijgen en recht heeft op een
                                            bijstandsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor
                                            zover het gaat om een jongere, gedurende vier weken na
                                            een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde
                                            lid, van de wet, voor zover deze verplichtingen niet
                                            worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                                            wet.</al></li><li nr="e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de Ioaw of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Ioaz</al></li><li nr="f."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor
                                            zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld
                                            in artikel 18, vierde lid, van de wet</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                            terwijl aanspraak wordt gemaakt wordt op een uitkering
                                            op grond van de Ioaw of Ioaz;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste
                                            lid, onder a of b, van de Ioaw of artikel 20, tweede
                                            lid, onder a of b, van de Ioaz;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                                gedraging</titel></kop><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                    categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                    categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Administratie zelfstandige</titel></kop><al>Indien een zelfstandige de administratie, als bedoeld in artikel 45 lid
                            2 Bbz,</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet naar behoren heeft gevoerd; of</al></li><li nr="b."><al>niet uit eigen beweging binnen zes maanden na afloop van het
                                    boekjaar heeft overgelegd; of</al></li><li nr="c."><al>op verzoek van het college niet binnen de daartoe door het
                                    college gestelde termijn heeft overgelegd, wordt een verlaging opgelegd van 20% gedurende één maand.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt de norm
                            verlaagd:</al><lijst><li nr="a."><al>met 100% gedurende één maand, indien belanghebbende door de
                                    gedraging verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een
                                    uitkering krachtens een sociale verzekering of een daarmee naar
                                    aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private
                                    verzekering;</al></li><li nr="b."><al>met 100% gedurende de periode die belanghebbende niet op
                                    bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoordelijke
                                    wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon
                                    beschikken zou hebben aangewend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende één of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 55 en 57 van de wet, artikel 20, tweede lid Ioaw,
                            artikel 20, eerste lid Ioaz en art. 38, eerste lid Bbz 2004, zijn
                            opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een
                            verlaging opgelegd van 20% gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in
                            artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die
                            zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37,
                            eerste lid, onder g,</al><al>van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de
                            uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                            van die wet, wordt een verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de norm gedurende één maand, bij het uitoefenen van
                                    fysiek geweld tegen de genoemde personen;</al></li><li nr="b."><al>50% van de norm gedurende één maand, bij het uitoefenen van
                                    fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of
                                    schriftelijke bedreigingen gericht tegen de genoemde
                                    personen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde
                                verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van
                                de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging
                                waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een
                                afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden
                                gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde
                                verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet genoemde
                                verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die
                                schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet
                                genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de wet
                                genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden
                                opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                                opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 9 of 14 van deze verordening,
                                opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de wet, opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel
                                18, vierde lid, van de wet, bedraagt de verlaging honderd procent
                                van de norm gedurende twee maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien toepassing ervan tot kennelijke onbillijkheid
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2015 onder gelijktijdige
                            intrekking van de Verordening Afstemming en handhaving Wet werk en
                            bijstand c.a. 2013’, vastgesteld op 20 december 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Afstemming en
                            handhaving Participatiewet c.a. 2015‘.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>MH</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 26 maart 2015</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand of een uitkering is
                    altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden
                    van de bijstandsuitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstandsuitkering en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de bijstandsuitkering en de
                    daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij
                    moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    bijstandsgerechtigden: het recht op een bijstandsuitkering is altijd verbonden
                    aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    bijstandsuitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    bijstandsuitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke (uitkerings)norm en
                    de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin
                    de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de
                    bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een
                    rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                    bijstandsuitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                    verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het
                    college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de
                    vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden
                    en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een
                    verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig
                    acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstandsuitkering in beginsel moet worden
                    verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening
                    de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar
                    oordeel van het</al><al>ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake
                    is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel
                    18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als
                    belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan de bijstandsuitkering kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. </al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op een
                    bijstandsuitkering omdat het recht op een bijstandsuitkering niet kan worden
                    vastgesteld. Het verlagen van de bijstandsuitkering is in dat geval niet aan de
                    orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te
                    verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen
                    aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen
                    voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet
                    verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
                    Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in
                    artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige
                    gedraging op te nemen in deze verordening.</al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17
                    eerste lid van de wet of artikel 13 van de Ioaw/Ioaz..</al><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In deze verordening wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen
                    uit de Participatiewet, Bbz, Ioaw, Ioaz en Awb.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Bestrijding oneigenlijk gebruik</tussenkop><al>Dit artikel legt de verantwoordelijkheid bij het college neer om te zorgen voor
                    het bestrijden van</al><al>oneigenlijk gebruik. De gemeenteraad moet een verordening opstellen die de
                    handhaving of fraudebestrijding regelt (artikel 8a van de wet, artikel 35, lid 1
                    sub c Ioaw/Ioaz). Deze verordening mag onderdeel zijn van de
                    Afstemmingsverordening. Aan de inhoud van het beleid worden geen eisen gesteld,
                    doch de gemeente moet een goed handhavingsbeleid voeren in het kader van het
                    financiële beheer. Dit financieel beheer brengt met zich mee dat er voortdurend
                    aandacht blijft bestaan voor de bestrijding van oneigenlijk gebruik.</al><al>Van oneigenlijk gebruik is sprake indien een belanghebbende in strijd met het
                    doel en de strekking van een regeling handelt, waardoor de gemeente ten onrechte
                    bijstand of een uitkering verstrekt. Belanghebbende heeft bijvoorbeeld de
                    bijstand inzake inrichtingskosten (gedeeltelijk) uitgegeven aan iets anders dan
                    aan de (volledige) inrichting van zijn huis.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2. VASTSTELLEN EN TOEPASSEN VERLAGING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3. Het toepassen van een verlaging</tussenkop><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, dan wordt een verlaging
                    opgelegd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting.
                    Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af
                    van zo’n verlaging. De hoofdregel is dat het college een verlaging dient af te
                    stemmen op:</al><lijst><li nr="·"><al>de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="·"><al>de mate van verwijtbaarheid;</al></li><li nr="·"><al>de persoonlijke omstandigheden.</al></li></lijst><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke verlaging van de
                    bijstand zal moeten nagaan op welke wijze deze afgestemd dient te worden. Een
                    afwijking van de richtlijn kan zowel een verzwaring als een matiging van de
                    verlaging betekenen. De belanghebbende dient, alvorens een verlaging opgelegd
                    wordt, altijd in de gelegenheid gesteld te worden zijn zienswijze te geven (zie
                    art 5)..</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Berekeningsgrondslag</tussenkop><al>De praktische uitvoering van een verlaging is vastgelegd in dit artikel:
                    uitgangspunt is dat een verlaging wordt toegepast op de van toepassing zijnde
                    norm. De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat een verlaging van de
                    bijzondere bijstand op grond van artikel 18 lid 2 van de wet ook mogelijk is
                    (zie o.a. CRvB 02-03-2010, nr. 08/3397 Wwb). Toevoeging van deze mogelijkheid is
                    met name van belang voor die gevallen, waarin de op belanghebbende van
                    toepassing zijnde norm niet toereikend is, maar de bijzondere bijstand wel en de
                    gevallen, waarin belanghebbende uitsluitend bijzondere bijstand ontvangt, maar
                    belanghebbende bijvoorbeeld tekort schiet in zijn besef van verantwoordelijkheid
                    voor de voorziening in het bestaan.</al><al>Bij een zelfstandige wordt de verlaging uitgevoerd op de algemene bijstand voor
                    het levensonderhoud en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                    woonkosten. Zie voor het begrip ‘jaarnorm’ artikel 1, sub g Bbz.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt
                    toegepast in</al><al>beginsel voorgeschreven. De reden hiervan is dat het college, voordat het een
                    officieel besluit neemt,</al><al>zoveel mogelijk eenduidigheid moet verkrijgen over de feitelijke juistheid van
                    de vermeende verwijtbare gedraging in verband met de beoordeling van de ernst
                    van het feit, de mate van</al><al>verwijtbaarheid, eventuele verschoonbare omstandigheden en eventuele
                    persoonlijke</al><al>omstandigheden. Het vooraf horen van een belanghebbende over zijn/haar
                    zienswijze over de</al><al>vermeende niet-nakoming van zijn/haar verplichtingen kan hieraan bijdragen. De
                    hoorplicht kan in die</al><al>zin tevens bijdragen aan het voorkomen van bezwaar- en beroepsprocedures.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b staan ook</al><al>genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het uitgangspunt is dat de toepassing van verlagingen als een algemene
                    verplichting geldt voor het</al><al>college. De beleidsvrijheid die de wet aan het college laat, betreft de duur en
                    de hoogte van de</al><al>verlaging en nadrukkelijk niet de overweging óf een verlaging toegepast dient te
                    worden bij een</al><al>verwijtbare gedraging van een belanghebbende.</al><al>In sub b van het tweede lid van dit artikel is een andere reden aangegeven om af
                    te zien van het</al><al>toepassen van een verlaging, namelijk wanneer de gedraging te lang geleden heeft
                    plaatsgevonden</al><al>(verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik-op-stuk’) is het nodig dat een
                    verlaging spoedig nadat de</al><al>gedraging heeft plaatsgevonden wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b
                    geregeld dat het</al><al>college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben</al><al>plaatsgevonden.</al><al>In tweede lid onderdeel d. wordt geregeld dat het college kan afzien van het
                    toepassen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                    Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                    niet op voorhand worden vastgelegd. Uitgangspunt hierbij is een analoge uitleg
                    van het begrip 'dringende redenen' aan die in de Participatiewet- jurisprudentie
                    van de Centrale Raad van Beroep.</al><al>De rode draad in deze jurisprudentie is:</al><lijst><li nr="·"><al>dat dringende redenen zien op de gevolgen die een bepaald besluit heeft
                            voor een belanghebbende, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden.
                            Dringende redenen zien dus nadrukkelijk niet op omstandigheden die
                            betrekking hebben op de oorzaak en de verwijtbaarheid van niet-nakoming
                            van een verplichting;</al></li><li nr="·"><al>dat met redelijke mate van objectiviteit vastgesteld dient te kunnen
                            worden dat de dringende redenen zien op de onaanvaardbaarheid van de
                            sociale en/of financiële consequenties van een besluit voor
                            belanghebbende. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende
                            financieel zwaar getroffen wordt door een besluit is niet als dringende
                            reden aan te merken;</al></li><li nr="·"><al>evenmin is het bestaan van (problematische) schulden aan te merken als
                            dringende reden;</al></li><li nr="·"><al>dat verklaringen van hulpverlenende instanties van een belanghebbende
                            hierbij een rol kunnen spelen. Tegelijkertijd behoudt het college de
                            bevoegdheid om hiernaar een nader zelfstandig onderzoek in te
                            stellen.</al></li></lijst><al>Het onderzoek naar dringende redenen tot het afzien van het toepassen van een
                    verlaging vindt door het college plaats indien door een belanghebbende
                    aantoonbaar een begin van bewijs van de aanwezigheid van dringende redenen is
                    overlegd dan wel wanneer daarvan anderszins uit concrete feiten en
                    omstandigheden als gevolg van het voorgenomen besluit, is gebleken.</al><al>Het in het derde lid beschreven doen van een schriftelijke mededeling dat het
                    college afziet van het</al><al>toepassen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                    met eventuele</al><al>recidive. Deze bepaling maakt tevens duidelijk dat indien zich een omstandigheid
                    voordoet als bedoeld in het eerste lid, te weten het ontbreken van elke
                    verwijtbaarheid dan wel het verlopen van een verjaringstermijn, dat in dat geval
                    het afzien van toepassing van een verlaging door het college niet schriftelijk
                    behoeft te worden kenbaar gemaakt aan belanghebbende. Dit is ook logisch omdat
                    een</al><al>dergelijk besluit, in tegenstelling tot het afzien van toepassing van een
                    verlaging wegens dringende</al><al>redenen, rechtens niet betrokken dient te worden bij de beoordeling van recidive
                    in de toekomst.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><al>Lid 1 en 2. Het toepassen van een verlaging op de bijstand of uitkering die in
                    de nabije toekomst wordt verstrekt, is een eenvoudige methode en sluit tevens
                    aan bij lik-op-stuk beleid. De verlaging wordt bij voorkeur uitgevoerd met
                    ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor
                    die maand geldende norm.</al><al>Lid 3. De verlaging wordt over één maand uitgevoerd, tenzij dit in verband met
                    omstandigheden niet billijk is. De mogelijkheid bestaat om het bedrag dat in
                    eerste instantie gekort dient te worden over een maand te spreiden over meerdere
                    maanden. Gelet op artikel 18 vijfde lid van de wet kan dit over maximaal 3
                    maanden: “Het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van
                    oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over
                    de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt
                    verrekend”.</al><al>Lid 4. Wanneer bijstand of uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald, kan het
                    praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden
                    uitbetaald.</al><al>Lid 5. Bij een zelfstandige die een uitkering voor het levensonderhoud heeft
                    ontvangen op grond van het Bbz, wordt de verlaging betrokken bij de definitieve
                    vaststelling van die bijstand.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met
                    betrekking tot de arbeidsinschakeling</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 8. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>Dit artikel betreft de geüniformeerd arbeidsverplichting als bedoeld in artikel
                    18 vierde lid van de wet.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 4. SCHENDING VAN DE OVERIGE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT
                    ARBEIDSINSCHAKELING EN TEGENPRESTATIE</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën</tussenkop><al>Met de invoering van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen in de wet beperken
                    de gedragingen die verband houden met de overige verplichtingen met betrekking
                    tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie tot nog maar vier categorieën. Hierbij
                    is de ernst van de gedragingen het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt
                    ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet
                    verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al>De wet volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de situatie van de individuele
                    uitkeringsgerechtigde en de gevolgen die de gedragingen heeft voor het
                    re-integratietraject.</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de bijstandsuitkering.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                    gedraging</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan arbeidsinschakeling.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 5. OVERIGE GEDRAGINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 11. Administratie zelfstandige</tussenkop><al>Een zelfstandige is verplicht zijn administratie naar behoren te voeren, en deze
                    uit eigen beweging binnen 6 maanden danwel binnen een door het college bepaalde
                    termijn, na afloop van het boekjaar waarover de uitkering (als bedoeld in
                    hoofdstuk II, par. 4 Bbz) is verleend of aanspraak kan worden gemaakt op
                    bijstand (als bedoeld in artikel 21 Bbz), aan het college te overleggen. Het
                    niet of niet naar behoren nakomen van een van deze verplichtingen is een
                    maatregelwaardige gedraging.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Belanghebbende heeft de verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid
                    te tonen voor de voorziening in het bestaan. Deze verplichting geldt zowel in de
                    periode voor als in de periode tijdens</al><al>bijstand of een uitkering. Dit betekent dat wanneer belanghebbende een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet
                    beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als
                    gevolg daarvan afhankelijk wordt of blijft van bijstand of een uitkering, het
                    college een verlaging kan opleggen.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>het onverantwoord interen op het vermogen;</al></li><li nr="·"><al>het niet afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zodat bij
                            arbeidsongeschiktheid geen verzekering is, maar een beroep gedaan moet
                            worden op bijstand (zie onderdeel a);</al></li><li nr="·"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="·"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen (let op: geldt niet voor de
                            Ioaw’er, wel voor de Ioaz’er, zie art. 20 lid 1 Ioaz jo art. 8 lid 2
                            Ioaz) / geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                            voorziening;</al></li><li nr="·"><al>bedrijfsbeëindiging wegens wanbeleid, waardoor een beroep op bijstand
                            gedaan moet worden;</al></li><li nr="·"><al>onverantwoorde bedrijfsinvesteringen, zoals een te dure bedrijfswagen of
                            bedrijfsruimte, waardoor financiële problemen ontstaan.</al></li></lijst><al>In onderdeel b. is de hoogte van de verlaging de norm, maar de duur van de
                    verlaging is afhankelijk van de periode dat belanghebbende onafhankelijk van
                    bijstand of uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid had getoond.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Nadere verplichtingen</tussenkop><al>Op grond van de artikel 55 en 57 van de wet, artikel 20 tweede lid IOAW, artikel
                    20 eerste lid Ioaz en artikel 38 lid 1 Bbz kan het college, naast de in
                    respectievelijk de wet, Ioaw, Ioaz en Bbz (voor de zelfstandige:) opgesomde
                    verplichtingen, bepaalde andere verplichtingen aan belanghebbende opleggen die
                    strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van de
                    bijstand of die het college (voor de zelfstandige) nodig acht voor een
                    doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening. Het niet nakomen van deze nadere
                    verplichting(en) levert een maatregelwaardige gedraging op.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de
                    betreffende personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.
                    Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten. Het is anders als
                    betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus
                    op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ. Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie waarin belanghebbende
                    zich ernstig heeft misdragen, zal vanzelfsprekend gekeken moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden.</al><al>Het vaststellen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Het college kan de verlaging opleggen, terwijl de functionaris tegen
                    wie de agressie zich richtte, aangifte kan doen bij de politie.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 15. Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><tussenkop>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere verplichtingen
                    worden geschonden </tussenkop><al>Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die
                    schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor
                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden
                    in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                    Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor
                    moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging
                    wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is.</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.</al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen.</al><tussenkop>Eenzelfde gedraging Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 14) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 9, eerste lid onderdeel
                    a), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging"
                    betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan
                    het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, tweede lid onderdeel a) en
                    vervolgens een opgedragen tegenprestatie</al><al>niet verricht (artikel 7, tweede lid onderdeel d). Ook dan is geen sprake van
                    eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn
                    geschonden.</al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 17. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 18. Nadere regels</tussenkop><al>De uitvoering van de wet, het Bbz, de Ioaw en Ioaz is geattribueerd aan het
                    college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad machtigt het college
                    voor het opstellen van nadere (beleids)regels.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Inwerkingtreding en intrekking </tussenkop><al>Deze verordening wordt toegepast met ingang van 1 maart 2015 onder gelijktijdige
                    intrekking van de verordening 2013. </al><al/><tussenkop>Artikel 20. Citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>