<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR363393_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nuenen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.officielebekendmakingen.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nuenen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-11-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Corsanummer 2015.01273</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nuenen 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nuenen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 februari
                        2015;</al><al/><al>gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs, en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al/><al>gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Beleid;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nuenen
                        2015:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a.<onderstreept>aanvraag: </onderstreept></al><al>verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van
                            een voorbereidingskrediet;</al><al>b.<onderstreept>aanvrager:</onderstreept></al><al>het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al><al>c.<onderstreept>advies Onderwijsraad:</onderstreept></al><al>een advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid
                            van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de
                            expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;</al><al>d.<onderstreept>bevoegd gezag:</onderstreept></al><al>bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op
                            de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde
                            openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is
                            in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al><al>e.<onderstreept>lokaal bewegingsonderwijs:</onderstreept></al><al>ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs;</al><al>f.<onderstreept>minister:</onderstreept></al><al>minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al><al>g.<onderstreept>nevenvestiging:</onderstreept></al><al>deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet
                            op het primair onderwijs of artikel 16, tweede en derde lid van de Wet
                            op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                            gebracht;</al><al>h.<onderstreept>overzicht:</onderstreept></al><al>het overzicht als bedoeld in artikel 96 Wet op het primair onderwijs en
                            artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>i.<onderstreept>permanent gebouw:</onderstreept></al><al>ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie
                            en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het
                            onderwijs kan functioneren;</al><al>j.<onderstreept>programma:</onderstreept></al><al>het programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs en
                            artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>k. <onderstreept>school:</onderstreept></al><al>- <onderstreept>school voor basisonderwijs:</onderstreept></al><al>een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld
                            in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al><al>-<onderstreept>school voor voortgezet onderwijs: </onderstreept></al><al>school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor
                            voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in
                            artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al><al>l.<onderstreept>tijdelijk gebouw:</onderstreept></al><al>al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                            aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaar als volwaardige
                            huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al>m.<onderstreept>tijdelijke nevenvestiging;</onderstreept></al><al>een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van
                            de Wet op het Voortgezet Onderwijs; </al><al>n.<onderstreept>verhuur:</onderstreept></al><al>het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden.</al><al>m.<onderstreept>voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening:</onderstreept></al><al>voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening 10 jaar of langer noodzakelijk is;</al><al>n.<onderstreept>voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening:</onderstreept></al><al>voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, tussen 4 en 10 jaar noodzakelijk
                            is;</al><al>o.<onderstreept>voorziening:</onderstreept></al><al>voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.</al><al>p.<onderstreept>OOGO:</onderstreept></al><al>op overeenstemming gericht overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                    rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw
                                    ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een
                                    school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                    gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                    gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen
                                    ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                    voorziening als bedoeld in 1 tot en met 4 omschreven
                                    voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet
                                    eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking
                                    is gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                                    bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                    gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                    dat al bij een andere school in gebruik is;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al><al/></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of meubilair (po) ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al><al/></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 1 en 2
                            kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen
                            van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                1,2,6,7 en 8 wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in
                                bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt vastgesteld op 8% van het geraamde investeringsbedrag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling. Het besluit de aanvraag
                                    niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekend gemaakt binnen
                                    vier weken na ontvangst van de ingediende aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening, bestaande uit:</al><al>1. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                            van de school voor basisonderwijs, de speciale school
                                            voor basisonderwijs, de speciale school voor
                                            basisonderwijs of de school voor voortgezet onderwijs
                                            als het betreft een aanvraag voor een voorziening als
                                            bedoeld in artikel 2, onderdeel 1,2,3,6,7 of 8, onder de
                                            voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is
                                            vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in
                                            samenwerking met de bevoegde gezagsorganen een actuele
                                            prognose is vastgesteld, welke door het bevoegd gezag
                                            wordt onderschreven;</al><al>2. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of
                                            gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van
                                            een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                            1 of herstel van een constructiefout als bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage die
                                            voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de
                                            gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;</al><al>3. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen
                                            van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                            vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van
                                            de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de
                                            voorziening of als de aanvraag betrekking heeft op het
                                            bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in
                                            artikel 3, een kostenraming.</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel
                                            2, onderdeel a, onder 1 tot en met 5 de aanduiding van
                                            de gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                                            gerealiseerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid
                                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de
                                    vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het
                                    college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is
                                    gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1
                                    oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is
                                    de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren
                                    in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering
                                    Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de
                                    gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de
                                    gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na datum van
                                    ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog
                                    binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag
                                    niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het besluit om ingevolge het tweede en derde lid de aanvraag
                                    niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekend gemaakt binnen
                                    vier weken na het verstrijken van de daarin genoemde
                                    termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen vóór 1 juni een
                                opgave van de ingevolge artikel 6 ingediende aanvragen. Voor zover
                                van toepassing geeft het college daarbij aan welke aanvraag of
                                aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het in behandeling nemen van een aanvraag door het college,
                                    kan de aanvraag vóór 1 juni volgend op de datum als genoemd in
                                    artikel 6, door de aanvrager nader worden toegelicht. De
                                    toelichting kan plaatsvinden op verzoek van de aanvrager of op
                                    verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                    vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel
                                    is dat de door de aanvrager overgelegde kostenraming moet worden
                                    toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht als bedoeld
                                    in paragraaf 2.3,:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                            aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                            overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte
                                            van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al><al/></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats vóór
                                        1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het
                                        vast te stellen programma betrekking heeft.</al><al> De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor
                                        de door het college vastgestelde datum schriftelijk in
                                        kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                        voorgenomen inhoud van het voorstel.</al><al/></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al><al/></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen.</al><al/></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het
                                        advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt
                                        tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het
                                        verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen
                                        worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde
                                        lid.</al><al/></li><li nr="6."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het college
                                        ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig
                                        zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het
                                        schriftelijk verslag van het overleg.</al><al/></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                        overleg.</al><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending
                                        van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="8."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarop het programma betrekking
                                    heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.</al><al> Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college
                                    schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige
                                    bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>indien van toepassing, een andere wijze van uitvoering
                                            van het besluit met inachtneming van het beschikbaar te
                                            stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                            toetst, en of het naar het oordeel van het college
                                            noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                            begroting rekening te houden met feiten en
                                            omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het
                                            moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het
                                            eerder genomen besluit kan worden herzien.</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als
                                            uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese
                                            drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het
                                            Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing zijn;
                                            tevens is het gemeentelijke aanbestedingsbeleid van
                                            toepassing.</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van
                                            het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen
                                            voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8%
                                            van het geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college
                                    binnen vier weken nadat overeenstemming is bereikt een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het
                                    bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    tweede lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mede aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
                                    is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                    voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten,
                                    de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag
                                    houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken,
                                    bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeld het
                                    bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten.
                                    Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting
                                    voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.Het
                                    college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                    vastgesteld op basis van de economische meest voordelige
                                    aanbieding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De aanspraak op bekostiging vervalt als
                                    niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                            onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk
                                            en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                            waarbinnen het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                            inwerkingtreding, als mede de duur van de
                                            overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                            toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager vóór 1 september een schriftelijk
                                            gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als
                                            bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                            ingediend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist vóór 1 oktober op het verzoek tot verlenging
                                    van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in
                                    het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in
                                    het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                dient binnen twee weken te worden ingediend bij het college na het
                                ontstaan van de calamiteit. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een
                                door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                    gegevens in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de
                                    voorziening spoedeisen wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na datum waarop de
                                    aanvraag is ingediend schriftelijke op de hoogte als gegevens
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft
                                    vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als
                                    dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in
                                    behandeling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de
                                    aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                    college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet
                                binnen 3 maanden na de beschikking met betrekking tot de voorziening
                                een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur-, of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 19,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze van uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en
                                    16, tweede tot en vierde lid, is daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn,
                                    genoemd in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn
                                    van drie weken geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld
                                    in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit
                                    hij een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt
                                    hij binnen een termijn van twee weken een afschrift aan het
                                    college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze
                                    verplichtingen wordt voldaan.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 6 of 17 voor medegebruik of uitbreiding heeft
                                        ingediend;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al><al/></li></lijst><al>Ad c: In de periode 2015-2020 (geldend MJP 2015-2020) wordt het
                                tekort en leegstand op basisscholen door het schoolbestuur binnen
                                het eigen ter beschikking staande lokalen opgelost.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig
                                bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit
                                van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                    betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld
                                    in artikel 10;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo
                                    spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1
                                    week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                    college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk
                                    mede dat het gevorderd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal vierkante meters bruto
                                            vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als
                                uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn.
                                Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling
                                overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering overlegt het college met het
                                    bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                    schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan het
                                    bevoegd gezag. Indien het overleg heeft geleid tot afspraken,
                                    bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voor zover het
                                    overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, dan bevat de
                                    mededeling de beslissing van het college over de punten waarover
                                    geen overeenstemming is bereikt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                    toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid van de Wet op
                                    het primair onderwijs of artikel 76s, eerste lid van de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt
                                    gesloten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                    bestemming van de te verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat
                                    voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijke sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft
                                plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door basisonderwijs en voortgezet
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                Inroosteren en gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    10 weken voor einde schooljaar een opgave van de voor het
                                    volgende schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van
                                    een gymnastiekruimte. Grondslag voor het berekenen van het
                                    aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van
                                    het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven.</al><al> Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt
                                            in een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin
                                            het gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                            schoolweek wordt gewenst.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al><al/></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks 6 weken voor einde schooljaar op
                                    basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering
                                    voor het volgend schooljaar vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs van de op
                                    het grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten.</al><al> Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de
                                    beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt
                                    uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per
                                    gymnastiekruimte.</al><al/></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al><al/></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en voortgezet onderwijs de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                            voortgezet onderwijs voor bekostiging door de gemeente
                                            in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                            rekening komen van het bevoegd gezag van de school. </al><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit
                                            lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering
                                            voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat
                                            rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat
                                            voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                            komt.</al><al/></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                    bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een
                                    overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee
                                    weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                    vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                                    gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                                    inroostering.</al><al/></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college 1 week voor einde schooljaar, de definitieve
                                    inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor
                                    het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van
                                    een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar
                                    voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.</al><al/></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>De in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de
                            vergoeding van voorzieningen -op basis van de in bijlage IV opgenomen
                            prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling- worden jaarlijks
                            automatisch geïndexeerd conform de actuele
                            VNG-indexeringspercentages.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                            bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari
                            2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2012 gemeente Nuenen
                            c.a. wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening voorzieningen
                            huisvestingonderwijs gemeente Nuenen 2015’. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Nuenen c.a.d.d. 26 maart 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                        voorzieningen</titel></kop><al><vet>Deel A - Lesgebouwen</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met
                    één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter
                    beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt;</al></li><li nr="B."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, engeen
                            gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is
                            als passende huisvesting voor de school, enhet onmogelijk is om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al/><al><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                            rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of renovatie niet zal leiden
                            tot de gewenste levensduurverlenging;</al></li><li nr="B."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="C."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, en</al></li></lijst><lijst><li nr="D."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="E."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een
                            schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een school voor
                            voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel
                            B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en
                            de ruimtebehoeftevoor een school voor basisonderwijs of een
                            school voor voortgezet onderwijs gelijk of groter is dan de
                            drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="B."><al>daarnaast:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, 2°.
                            als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van
                            de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor
                            ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest, en</al></li></lijst><lijst><li nr="C."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="D."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al> de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                            aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al></li><li nr="B."><al> in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="C."><al> medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300
                            meterhemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="D."><al> het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke
                            kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van
                            een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                            vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                            vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of
                            uitgebreid;</al></li><li nr="B."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht,
                            of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst><lijst><li nr="C."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als pas sende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="D."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="E."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw
                            of uitbreiding.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin
                            een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="B."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school; </al></li><li nr="C."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="D."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke
                            verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening
                            voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het
                    bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De
                    oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                    bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>A.7 Eerste inrichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                            ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de
                            totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze
                            niet voor1 januari 2015 is bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                            van een speellokaal is aanwezigals een speciale school wordt
                            uitgebreid met een speellokaal<cursief>.</cursief></al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf
                            van onderwijsleerpakket, meubilair toegekend als het aantal leerlingen
                            na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                            afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.8 Medegebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, of
                            voortgezet speciaal onderwijs is aanwezig als het verschil tussen de
                            overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de
                            overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:</al><al>A. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III,
                            deel C, en</al><al>B. een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de
                            overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                            ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is.</al></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of
                            ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2 km, gemeten
                            langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg
                            .</al></li><li nr="3."><al>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden. </al><al/><al><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>Deel B - Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al/><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                    ingebruikneming</vet></al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="A."><al>nieuwbouwis aanwezig als de minister de desbetreffende school voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="B."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN
                            2767 op gestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud
                            of renovatie niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging of dit
                            het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="C."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                            oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het
                            effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="D."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                            als:</al><al>1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                            brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                            aanmerking komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende
                            bouw, en </al></li></lijst><lijst><li nr="E."><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                            bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><lijst><li nr="1°."><al>een school voorbasisonderwijs bij noodzakelijk gebruik
                                    van:</al></li><li nr="A."><al>ten minste 20 klokuren binnen afstand 1 km gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg.</al></li><li nr="B."><al>ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de kortste
                                    voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of</al></li><li nr="C."><al>ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste
                                    voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, en een
                                    overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen
                                    waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren
                                    noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.</al></li><li nr="D."><al>een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>B.2 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of
                    onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><vet>B.3 Eerste inrichting</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="A."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                            bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en</al></li><li nr="B."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het
                            basisonderwijsof voortgezet onderwijs nog niet eerder
                            bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                    buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld
                    en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al/><al><vet>B.5 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde
                    aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat
                    moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al/><al><vet>B.6 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden.</al><al/><al><vet>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al/><al/><al/><al><vet>BIJLAGE II – Prognosecriteria</vet></al><al/><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor
                            basisonderwijs of voortgezet onderwijswordt gemaakt voor een
                            periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin
                            de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de
                            analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het
                            indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
                            Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van
                            de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent
                            berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie
                            van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de
                            relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode,
                            een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van
                            de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al><al/></li></lijst><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote
                            deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving
                            van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij voortgezet onderwijs kan, als
                            het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan
                            met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden
                            gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                            beredeneerdaangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                            toegepast.</al><al/></li></lijst><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="A."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="B."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                            leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="C."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="D."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                            leeftijdsgroepen, bedoeld onder B;</al></li><li nr="E."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="F."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool, en</al></li><li nr="G."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al/></li></lijst><al><vet>D. Prognose school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="A."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="B."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="C."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool;</al></li><li nr="D."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen,
                            en</al></li><li nr="E."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al><al/></li></lijst><al/><al/><al><vet>BIJLAGE III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en
                        aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit </vet></al><al><vet>A.1 Uitgangspunten</vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                    vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een
                    school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                    doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al><vet>A.1.1 School voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of
                        voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een
                            school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, wordt
                            vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald
                            overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt
                            afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                            geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de
                            capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en
                            de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage
                            I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90
                            vierkante meter in mindering gebracht.</al></li><li nr="3."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante
                            meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten
                            van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het
                            college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="4."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet
                            onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen
                            bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de
                            oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor
                            de capaciteitsbepaling.</al><al/></li></lijst><al><vet>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                    vastgesteld.</al><al/><al><vet>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                    dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                    gebouw wordt afgestoten.</al><al/><al><vet>A.1.4 Terrein</vet></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het
                    met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen
                    voor basisonderwijs<cursief>, </cursief>of voortgezet speciaal onderwijs in de
                    gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto
                    vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang
                    van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al/><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015wordt geacht voldoende te
                    zijn.</al><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een
                    aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                    van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt
                    voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule
                    onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                    ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b.</al><al>De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de
                    bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine
                    scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).</al><al/><al>a.Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al><vet> G = (A+B+C)/179</vet></al><al>Waarbij:</al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.</al><al>Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                    groepen.</al><al>A= het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande
                    aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al><al>Het verkregen getal A wordt niet afgerond.</al><al>B= het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 6,17.</al><al>Het verkregen getal B wordt niet afgerond.</al><al>C= 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                    jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief is,
                    wordt de factor op 0 bepaald.</al><al>Het verkregen getal C wordt niet afgerond.</al><al/><al>b.Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al><vet> G=(A+B+C+D)/179+E+0,5F</vet></al><al>Waarbij:</al><al>G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.</al><al>Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal
                    groepen.</al><al>A= </al><al>a het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente teldatum
                    van 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldig met 9.</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen</al><al> zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal leerlingen van 4 tot en
                    met 7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 9.</al><al> Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>B= </al><al>a het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest recente teldatum van
                    1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldig met 6,17.</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) het aantal leerlingen van 8
                    jaar en ouder dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.</al><al> Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>C= </al><al>a 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum van 1
                    oktober</al><al> op de school is ingeschreven, vermenigvuldig met 2,06).</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingenzoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) 280 minus (het totaal aantal
                    leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                    ingeschreven, vermenigvuldigt met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening
                    negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal wordt niet
                    afgerond.</al><al>D= </al><al>a som van de gewichten op basis van het totaal aantal leerlingen dat op de meest
                    recente teldatum van 1 oktober op de school is ingeschreven, verminderd met 9%
                    van het totaal aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum van 1 oktober
                    op de school is ingeschreven. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op
                    een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met
                    3,2.</al><al> b (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Formatiebesluit WPO) som van de gewichten op
                    basis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente
                    teldatum op de school is ingeschreven, verminder met 9% van het totaal aantal
                    leerlingen dat op de datumvan de recente telling op de school is ingeschreven.
                    het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit gehele
                    getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.</al><al> Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor D op 0
                    bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond.</al><al>E= aanvullende formatie op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op
                    basis van artikel 120, vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs.</al><al>F= het aantal formatieplaatsen onderwijsachterstandenbestrijding dat door de
                    gemeente wordt bekostigd vanuit de specifieke uitkering.</al><al/><al><sup>1 </sup>in de nieuwe formule voor de tijdelijke ruimtebehoeftebepaling
                    wordt met het gewicht alleen de opslag bedoeld. Het gewicht van een oude 1,7
                    leerling is de nieuwe formule derhalve 0,7. De som van deze gewichten is het
                    totaal van het aantal leerlingen maal het gewicht.</al><al/><al><vet><cursief>B.1.4 School voor voortgezet
                    onderwijs</cursief></vet><sup>2</sup></al><al><cursief>1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                        bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte
                        van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee
                        componenten, te weten:</cursief></al><al><cursief>a. een leerlinggebonden component, en</cursief></al><al><cursief>b. een vaste voet.</cursief></al><al/><al><sup>2 </sup>Op 3 september is zijn het derde, vierde en vijfde (oud) lid
                    aangepast en is een nieuw vijfde lid ingevoegd (waarmee het oude, gewijzigde
                    vijfde lid het zesde lid is geworden).</al><al/><al><cursief>2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a
                        opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het
                        aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat
                        ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                        onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt.</cursief></al><al/><al><cursief>3. De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de
                        hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto
                        vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële
                        beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met
                        spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante
                        meter bruto vloeroppervlakte.</cursief><cursief> Een tijdelijke
                        nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste
                        voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de
                        vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt
                        aangeboden. </cursief></al><al/><al><cursief>4. De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som
                        van:</cursief></al><al><cursief>a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per
                        onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten;</cursief></al><al><cursief>b. de vaste voet per instelling;</cursief></al><al><cursief>c. als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in
                        bruto vierkante meter, en</cursief></al><al><cursief>d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                        praktijkonderwijs.</cursief></al><al/><al><cursief>5. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som
                        van:</cursief></al><al><cursief>a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met
                        de bijbehorende normoppervlakten, en</cursief></al><al><cursief>b. de vaste voet voor praktijkonderwijs.</cursief></al><al/><al><cursief>6. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de
                        toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten
                        binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het
                        ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een
                        orthopedagogisch didactisch centrum. </cursief></al><al/><al><vet><cursief>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                            voortgezet onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Leerweg</cursief><sup/><sup>3</sup></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>BVO/leerling</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>6,18</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw AVO/VWO</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,85</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw theoretische leerweg</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>TLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>6,41</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>7,07</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw techniek</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,98</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,47</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,69</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>8,99</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,44</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>12,72</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw economie</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,95</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>0,89</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,56</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>2,25</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,85</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>3,06</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw zorg/welzijn</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,33</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>2,10</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,71</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,22</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,85</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,53</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw landbouw</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,94</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>0,78</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,37</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>2,34</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>5,03</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,69</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>4,41</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>7,72</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><sup>3 </sup><cursief>TLW = theoretische leerweg</cursief></al><al><cursief>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</cursief></al><al><cursief>GLW = gemengde leerweg</cursief></al><al><cursief>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</cursief></al><al/><al><vet><cursief>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                            ruimtebehoeft</cursief></vet><vet><cursief>voortgezet
                            onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="63*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Ruimtetype</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Vaste voet</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Hoofdvestiging</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>980</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Nevenvestiging met
                                        spreidingsnoodzaak</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>550</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Tijdelijke nevenvestiging </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><cursief>0</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-techniek BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>299</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-economie BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>196</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-zorg/welzijn BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>168</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>VMBO-landbouw BLW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Specifiek</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>117</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Algemeen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>306</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                            vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per groep
                            leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="b."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur
                            per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al><cursief>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de
                                ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden
                                bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren
                                dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend.
                                Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 *
                                </cursief><cursief>vierkante meter</cursief><cursief> bruto
                                vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het
                                leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een
                                aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 *
                                </cursief><cursief>vierkante meter</cursief><cursief> bruto
                                vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷
                            322.</cursief></al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal
                            bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderwijssoort</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Leerweg</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>BVO per leerling</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,66</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw AVO/VWO</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>0,78</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw theoretische leerweg</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>TLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,26</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw techniek</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw economie</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw zorg/welzijn</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bovenbouw landbouw</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>GLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,11</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>BLW</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,38</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>LWOO</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,57</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Praktijkonderwijs</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>-</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>1,99</cursief>]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </vet></al><al><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                    deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens tien jaar blijft
                    bestaan.</al><al/><al><vet>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><al/><al><vet>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                            ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al></li><li nr=""><al>school voor basisonderwijs<cursief> of voortgezet onderwijs</cursief>
                            vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A
                            vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde
                            ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van:</al></li><li nr=""><al>1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening
                            basisonderwijs;</al></li><li nr=""><al>2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening
                            voortgezet onderwijs;</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs bedraagt de bruto
                            vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters
                            bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90 vierkante
                            meter.</al><al/></li></lijst><al><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op
                    dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor
                    minstens vier jaar en maximaal tien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van
                    de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het
                        verschil<cursief>:</cursief></al><al>bij een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs ten minste 40
                    vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen</al><al/><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="A."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                            uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                            noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                            inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien
                            van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D.</al></li><li nr="B."><al>eerste aanschaf van:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                            aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school
                            basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                            voorziening.</al></li></lijst><lijst><li nr="C."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden
                            wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor
                            de voortgang van het onderwijs.</al><al/></li></lijst><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                            nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:</al></li><li nr=""><al>voor een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs vastgesteld
                            op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                            vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid,
                            vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                            bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs of voortgezet
                            onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                            vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                            deel D, onder D.3.</al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van
                            het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de
                            uitbreiding van het lokaal te realiseren.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                            aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als
                            een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere
                            leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt
                            uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten
                            en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                            in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke
                            kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al><al/></li></lijst><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                    </vet></al><al><vet>D.1 Terreinoppervlakte </vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs geldt voor het
                    verharde gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante
                    meter per leerling, met een minimum van 300 vierkante meter netto. Vanaf 200
                    leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al/><al><vet>D.2 Speellokaal </vet></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al/><al><vet>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens
                            252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een
                            was- of douchegelegenheid.</al><al/></li></lijst><al><vet>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte
                        van schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                    2580.</al><al/><al><vet>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.2.1 basisonderwijs en voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                            gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al><al/></li></lijst><al><vet>E.2.2 Voortgezet onderwijs </vet></al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte
                    behoren eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau, en</al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 vierkante meter.</al><al/></li></lijst><al><vet>E.2.2 Uitzonderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                            ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al><al/></li></lijst><al/><al><vet>BIJLAGE IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al><vet>Deel A – Indexering </vet></al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de
                    onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al/><al><vet>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="2*"/><colspec colname="col3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colwidth="2*"/><colspec colname="col5" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar
                                        t,</al><al>tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1,</al><al>bruto investeringen door bedrijven in woningen</al><al>(bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t,</al><al>bruto investeringen door bedrijven in woningen</al><al>(bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar
                                        t-1,</al><al>tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colwidth="3*"/><colspec colname="col3" colwidth="28*"/><colspec colname="col4" colwidth="3*"/><colspec colname="col5" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1
                                        juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers, </al><al>cijfer van de maand juni jaar t)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1</al><al>prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie</al><al>(bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t,</al><al>prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie</al><al>(bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1
                                        juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers, </al><al>cijfer van de maand juni jaar t-1)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al><vet>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard</vet></al><al><vet>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende
                            kostencomponenten:</al></li><li nr=""><al>A. kosten voor terrein;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>B. bouwkosten;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>C. toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr=""><al>D. als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een
                            liftinstallatie].</al></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een
                            gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld
                            in paragraaf B.</al><al/></li></lijst><al><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om
                    niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt
                    aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het
                    programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente
                    een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de
                    in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij
                    vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten
                    voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al/><al><vet>A.3.1 Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr=""><al>A. de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr=""><al>B. de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                            vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig
                            bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden
                            gerealiseerd.</al><al/></li></lijst><al><vet>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                        m<sup>2 </sup>bvo<sup/><sup>4</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 666.689,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><sup>4 </sup>Onder m<sup>2 </sup>bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante
                    meter bruto vloeroppervlakte.</al><al/><al><vet>A.3.3 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                            uitbreiding.</al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 vierkante
                            meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per voorziening en een
                            vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                            worden geen sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten
                            zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten
                            per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al></li><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III, deel C,
                            vastgestelde aantal vierkante meter per type ruimte van de voorziening,
                            vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.784,94</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.059,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.033,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.743,37</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.410,24</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.410,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.116,98</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 1.783,86</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.783,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="b."><al>sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste
                            voet of de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie,
                            afhankelijk van de secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel
                            C, toegekende voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande
                            bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="40*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>€ 112.625,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 221.075,15<sup>5</sup></al></entry><entry colname="col4"><al>€ 308.617,49<sup>6</sup></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>€ 40.877,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="6."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al></li><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie, en</al></li><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al></li><li nr="a."><al>techniek algemeen:</al><al> 1°. Bouwtechniek;</al><al> 2°. Machinale houtbewerking;</al><al> 3°. Meten;</al><al> 4°. Elektrotechniek;</al><al> 5°. installatietechniek;</al><al> 6°. lasserij;</al><al> 7°. Metaal;</al><al> 8°. Motorvoertuigentechniek, en</al><al> 9°. Mechanische techniek;</al></li><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="d."><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.]</al></li></lijst><al/><al><sup>5 </sup>Op 3 september 2014 is dit getal aangepast.</al><al><sup>6 </sup>Op 3 september 2014 is dit getal aangepast.</al><al/><al><vet>A.3.4 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten
                            gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende
                            investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag
                            beschikbaar gesteld:</al></li><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in
                            relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt
                            bepaald op basis van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt;<sup>7</sup> 1000
                            m<vet><sup>2</sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.283,18 + (€ 17,23 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.495,36 + (€ 29,24 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.902,46 + (€ 52,14 * A)</al><al/><al>Uitbreiding &gt;=<sup>8 </sup>1000 m<vet><sup>2</sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 4.009,36 + (€ 6,03 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.229,55 + (€ 15,66 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.941,51</al></li></lijst><al/><al><sup>7 </sup> Op 3 september 2014 is dit getal aangepast.</al><al><sup>8 </sup> Op 3 september 2014 is dit getal aangepast.</al><al/><lijst><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is
                            bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter
                            goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt €
                            11,18 per vierkante meter terrein.</al><al/></li></lijst><al>[<vet>A.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten
                            gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende
                            investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag
                            beschikbaar gesteld:</al></li><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in
                            relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt
                            bepaald op basis van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt;<sup>9</sup> 1000
                            m<vet><sup>2</sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.283,18 + (€ 17,23 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.495,36 + (€ 29,24 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.902,46 + (€ 52,14 * A)</al><al/><al>Uitbreiding &gt;=<sup>10</sup> 10000 m<vet><sup>2</sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 4.009,36 + (€ 6,03 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.229,55 + (€ 15,66 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.941,51 + (€ 31,66 * A)</al><al/><al><sup>9 </sup>Op 3 september is dit teken aangepast.</al><al><sup>10 </sup>Op 3 september is dit teken aangepast.</al><al/></li><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is
                            bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter
                            goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt €
                            11,18 per vierkante meter terrein.</al><al/></li></lijst><al><vet>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al><vet>B.1 Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                    permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter
                    bruto vloeroppervlakte en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                    speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige
                    uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing.</al><al/><al><vet>B.2 Kosten terrein</vet></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                    overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                    uitbreiding benodigde terrein.</al><al/><al><vet>B.3.1 Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="A."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="B."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                            schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                            vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze
                            vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                            vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al><al/></li></lijst><al><vet>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.630,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 65.086,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.300,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.3.3 Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                    omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                    uitbreiding.</al><al/><al><vet>B.3.4 </vet><vet>Toeslag paalfundering school voor voortgezet
                        onderwijs</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                    omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding.</al><al/><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op
                            de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen.
                            Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al></li><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                            hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk
                            gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                            bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een
                            voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                    terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                    A.2.</al><al/><al><vet>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een
                    bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de
                    kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en
                    de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al/><al><vet>C.3.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.966,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.311,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 933,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.3.3 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis
                    van de vergoedingsformule € 567,99 * A + € 39.049,94, waarbij A het
                    overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.]</al><al/><al><vet>C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair
                    </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat
                            uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen
                            zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag
                            voor herstel en inrichting van terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                            hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel
                            en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de
                            leerlingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>C.4.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.341,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                        m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.227,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 977,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                    bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al/><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al><vet>D.1.1</vet><vet> Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                    bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                    toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al/><al><vet>D.1.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.300,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>D.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                            is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, niet zijnde
                            vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde
                            ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op
                            deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door
                            het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt
                            berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende
                            vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te
                            realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van de
                            vergoeding per ruimtetype wordt bepaald op basis van de volgende
                            bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colwidth="55*"/><colspec colname="col3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al> Ruimtetype</al></entry><entry colname="col2"><al> Functie</al></entry><entry colname="col3"><al>m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Algemeen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al> € 158,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Specifiek</al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al> € 369,42</al><al> € 225,99</al><al> € 303,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al> € 387,57</al><al> € 750,55</al><al> € 1.434,94</al><al> € 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al><cursief> Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik
                                van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt
                                inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor
                                medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt
                                is.</cursief>]</al><al/></li></lijst><al><vet>E. </vet><vet>Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>E.1 Bouwkosten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                            bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante
                            meters bedraagt € 700.859,23 als deze op het schoolterrein gerealiseerd
                            kan worden, of € 715.034,52 als deze op een afzonderlijk terrein
                            gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van
                            fundering op staal en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van
                            de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergoeding</al></entry><entry colname="col3"><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.097,01</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.774,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.433,46</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 4.616,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.293,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5.426,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.2 Uitbreiding</vet></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                    van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                    bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140
                    vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Uitbreiding</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Normbedrag</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry colname="col4"><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry colname="col5"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 162.835,79</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6.310,99</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 10.930,99</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 17.870,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 197.949,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.891,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 13.660,22</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 22.338,70</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs </vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                    voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool bedraagt €
                    51.310,54.</al><al/><al><vet>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet
                        onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor
                    een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colwidth="35*"/><colspec colname="col4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Leer- en hulpmiddelen</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> Eerste lokaal</al><al> Tweede lokaal</al><al> Derde lokaal</al><al> Oefenplaats 1</al><al> Oefenplaats 2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.083,67</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 1.083,67</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 64.621,30</al><al>€ 50.409,52</al><al>€ 21.915,70</al><al>€ 14.271,50</al><al>€ 1.647,45</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 65.704,97</al><al>€ 51.393,19</al><al>€ 22.999,37</al><al>€ 14.271,50</al><al>€ 1.647,45]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                    bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                    middel van:</al><lijst><li nr="A."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of</al></li><li nr="B."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><al/><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                    wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met 8
                        procentvoor de kosten van technische advisering,
                    voor zover het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en
                    c.</al><al/><al/><al><vet>BIJLAGE V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                        aangevraagde voorziening</vet></al><al><vet>1. Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde
                    bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in
                    aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis
                    van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen
                    waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna
                    wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is
                    en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                    niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al/><al><vet>2. Onderscheid voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                            voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al></li><li nr="A."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="B."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                            hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al></li><li nr="A."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="B."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="C."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief
                            terrein;</al></li><li nr="D."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="E."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair.</al></li><li nr="F."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                            en</al></li><li nr="G."><al>medegebruik.</al></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                            hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al></li><li nr="A."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="B."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="C."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw
                            valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening
                            gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de
                            vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het
                            criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><al/><al><vet>3. Hoofd- en subprioriteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                            onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste
                            lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld
                            overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de
                            schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet
                            worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het
                            programma te worden geplaatst.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij
                            hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast
                            te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in
                            aanmerking komen:</al></li></lijst><lijst><li nr="A."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="B."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen, en</al></li><li nr="C."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen
                            opheft.</al></li></lijst><tussenkop><vet>TOELICHTING</vet></tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                    gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de
                    gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging,
                    dislocatie). </al><tussenkop>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</tussenkop><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet
                    op het primair onderwijs (WPO) door het bevoegd gezag bij het college kunnen
                    worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat het
                    college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook
                    voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs
                    worden aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in
                    de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de
                    onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit
                    gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister
                    van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv.
                    onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een
                    dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid,
                    onder a, van de WPO.</al><al/><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende
                    voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen
                    doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de
                    wet (artikel 6 van de WPO). </al><tussenkop>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de
                    school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking
                    als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de
                    voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage
                    III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college
                    een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om
                    een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft,
                    maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                    onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of
                    geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een
                    schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch
                    geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in
                    gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie
                    8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van
                    het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke
                    huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk
                    zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en
                    uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de
                    voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair wordt in principe alleen toegekend op het
                    moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een
                    schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is
                    de situatie dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat
                    een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de
                    eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start
                    van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op
                    bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als
                    wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij
                    vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd
                    gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen.
                    Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw die het bevoegd
                    gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het
                    aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van
                    ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan
                    de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal
                    bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd.</al><tussenkop>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een
                    ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is
                    gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan
                    voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.)
                    worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het
                    onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere
                    procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het
                    programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen
                    het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.</al><tussenkop>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</tussenkop><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                    ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                    verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                    aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                    onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college
                    kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                    afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><tussenkop>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</tussenkop><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de
                    investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de
                    feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd
                    gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                    Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt
                    dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het
                    indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het
                    eerstvolgende programma wordt opgenomen. </al><al/><al>Het voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor
                    aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                    plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de
                    feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming
                    resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft
                    voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding
                    plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden
                    nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een voorbereidingskrediet
                    kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde
                    voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en
                    wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.</al><tussenkop>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                    bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van
                    feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis
                    daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al/><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag aanspraak
                    op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de
                    werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn
                    dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het
                    schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een
                    financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                    beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt:
                    investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al/><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                    vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                    artikel 13, eerste lid).</al><tussenkop>Artikel 5. Informatieverstrekking</tussenkop><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                    verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de
                    WPO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als
                    onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft
                    de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                            secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school,
                            telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6. Indienen aanvraag</tussenkop><al>Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het
                    overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma,
                    maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO en toelichting bij
                    artike 13).</al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen
                    een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft
                    vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De
                    reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><tussenkop>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                    behandelen onvolledige aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college
                    de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en
                    school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen
                    huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een
                    bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                    een leerlingenprognose indient.Het college en het bevoegd gezag kunnen
                    overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor alle
                    basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van
                    de aanvraag. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kan dan afzien
                    van het laten opstellen van een leerlingenprognose.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen,
                    als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de
                    in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de
                    hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in
                    behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                    beslissing.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                    nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens
                    aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende
                    aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat
                    ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de
                    aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal
                    leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken
                    over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van
                    1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.
                    Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                    aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                    tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens
                    ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een
                    fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn
                    ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is
                    een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><tussenkop>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</tussenkop><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht
                    beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben
                    alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het
                    bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of
                    niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat
                    vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><tussenkop>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven
                    is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te
                    bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg
                    (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk
                    overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                    aanvragen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                    kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het
                    beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een
                    of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met
                    het bevoegd gezag. </al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming
                    bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het
                    vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de beschikking
                    wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag dat door het
                    bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><tussenkop>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                    Onderwijsraad</tussenkop><tussenkop>Lid 1-4</tussenkop><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld,
                    overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In
                    afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen
                    van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO)
                    is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat
                    het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. Het overleg
                    over de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder
                    gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn.
                    lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg
                    deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die
                    wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte
                    zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg
                    eventueel op kunnen reageren.</al><tussenkop>Lid 5-8</tussenkop><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO. Zowel een
                    bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies vragen over het
                    voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting
                    onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor
                    het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de
                    relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma
                    voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en
                    vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek
                    om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren.
                    Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen)
                    zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De
                    Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier
                    weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die
                    hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt
                    gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor
                    de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al/><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                    noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het
                    advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde
                    gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk
                    overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van
                    toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in
                    de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid,
                    artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede
                    lid, het college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen
                    als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag
                    volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan
                    niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig
                    heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies
                    van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen
                    daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan
                    het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de
                    inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat
                    iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij
                    een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. </al><al>Dit laat uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van
                    het college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners
                    daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                    schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn
                    oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al/><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                    ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de
                    stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><tussenkop>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                    honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van
                    het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde
                    vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma
                    en overzicht<sup>11</sup>.<sup/> Het bekostigingsplafond staat los van het
                    totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                    bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde
                    voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college
                    kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen.
                    Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één
                    bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor
                    andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen
                    van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van
                    voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                    van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                    een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al/><al><sup>11 </sup>LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk
                    is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende
                    kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het
                    programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet
                    dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking
                    komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het
                    college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze
                    situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de
                    termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><tussenkop>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                    programma en overzicht</tussenkop><al>Artikel 95 van de WPO vermeldt de criteria die het college moet hanteren bij het
                    vaststellen van het programma voorziening huisvesting onderwijs. Het
                    uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen
                    in artikel 96 van de WPO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het
                    besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde
                    gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                    ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het
                    programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de
                    onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier
                    weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de
                    voorziening moet plaatsvinden met het college. </al><al/><al>Op grond van artikel 3:43 van de Awb moet het college het besluit meedelen aan
                    degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren
                    hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het
                    bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is in
                    de modelverordening opgenomen dat het besluit aan alle schoolbesturen wordt
                    verzonden. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                    overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                    overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht
                    ter inzage wordt gelegd.</al><tussenkop>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot
                    het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op
                    het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan
                    de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                    misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO is opgenomen dat het college binnen vier
                    weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van
                    het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag worden
                    vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle
                    onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle
                    voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening
                    eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast van
                    mening is dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor
                    een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De
                    onderwerpen die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het bevoegd
                            gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste
                            lid , van de WPO. Het alternatief is dat het college de voorziening tot
                            stand brengt (artikel 103, tweede lid, van de WPO<cursief>. </cursief>
                            In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik
                            wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat de
                            bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een
                            derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die
                            op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment
                            van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                            goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                            nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor
                            het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt
                            vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het
                            college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de
                            kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;
                        </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de
                            besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is
                            grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting
                            artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                            voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te
                            volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de genormeerde
                            vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor het college
                            feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                            normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de feitelijke
                            kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het
                            bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag. </al></li><li nr="-"><al>Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de
                            Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese
                            regelgeving<sup>12</sup>.<sup/> Daarnaast is van toepassing wat de
                            gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid
                            over het opvragen van offertes als er geen Europese regelgeving van
                            toepassing is.</al></li></lijst><al/><al><sup>12 </sup>Enkele relevante begrippen zijn werken, diensten en leveringen.
                    Onder de definitie ‘werken’ vallen bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw,
                    uitbreiding en dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij
                    beslissend. Onder de definitie ‘diensten’ vallen de door opdrachtnemers uit te
                    voeren werkzaamheden als onderhoud en reparatie, vervoer, boekhouding en
                    dergelijke, waarbij een eventuele levering van fysieke producten van bijkomende
                    orde is ten opzichte van de omvang van de uit te voeren werkzaamheden. Bijlage 2
                    van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder de definitie ‘leveringen’
                    vallen de door leveranciers te leveren prestaties bij de aankoop, leasing, huur
                    of huurkoop, met of zonder koopoptie, van fysieke producten, zoals meubilair of
                    onderwijsleerpakket en dergelijke. Het gaat daarbij per definitie om
                    activiteiten of werkzaamheden die niet zijn opgenomen in Bijlage 1 en/of Bijlage
                    2 van richtlijn 2004/18/EG.</al><al/><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het
                    gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en
                    wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten
                    onder het Europese drempelbedrag<sup>13</sup><sup/> kan het college op verzoek
                    van het bevoegd gezag besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken.</al><al/><al><sup>13 </sup>In de richtlijn 2004/18/EG zijn drempelbedragen opgenomen. Deze
                    drempelbedragen worden eenmaal in de twee jaar opnieuw vastgesteld door de
                    Europese Commissie. Is de geraamde waarde van de opdracht exclusief BTW gelijk
                    aan of hoger dan het vastgestelde drempelbedrag dan moet Europees worden
                    aanbesteed. De drempelbedragen voor de jaren 2014 en 2015 zijn vastgesteld en
                    opgenomen in de tabel.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Type opdracht</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al><vet>Uitgangspunten
                                            aanbestedingsprocedure</vet><vet>(genoemde
                                            </vet><vet>bedragen zijn exclusief BTW)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Nationaal</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry colname="col4"><al>Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande selectie</al></entry><entry colname="col5"><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Enkelvoudig</al></entry><entry colname="col3"><al>Meervoudig</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werken</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col4"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leveringen</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B-diensten</al></entry><entry colname="col2"><al>t/m € [<vet>…</vet>]</al></entry><entry colname="col3"><al>vanaf € [<vet>…</vet>] tot de Europese drempel</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>alléén indien de opdracht grensoverschrijdend is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                    overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                    voorgelegd.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                    afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald dat
                    de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager
                    worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend,
                    dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag,
                    dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te
                    bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                    uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen
                    vastgelegd. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                    bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan
                    wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het
                    algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte
                    is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het
                    overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken
                    bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze
                    van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is
                    opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit neemt. Dit
                    besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn
                    opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager
                    gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit
                    in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><tussenkop>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                    bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                    omstandigheden; overleggen offertes</tussenkop><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het
                    college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan
                    naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is
                    kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure
                    van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). </al><al/><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het
                    college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis
                    voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO en heeft een
                    relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte
                    afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college
                    toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe
                    ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld
                            staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de
                            bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond
                            van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking
                            (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                            bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                            afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt
                            het bevoegd gezag aanspraak op:</al><lijst><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal
                                    getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                                    normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het normbedrag
                                    beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                                    inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve
                                    bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De
                                    kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het
                                    programma was namelijk een raming van de kosten. Deze begroting
                                    had toen als functie te komen tot het vaststellen van een bedrag
                                    als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op
                                    het tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het
                                    besluit tot het vaststellen van het programma kan het
                                    definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting
                                    die is ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor
                                    het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens
                                    de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over
                                    van de begroting. </al></li></lijst></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment
                    het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de
                    bekostiging. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet
                    binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te
                    zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals
                    door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het
                    aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk
                    met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de
                    duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het
                    bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging
                    een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO. </al><tussenkop>Lid 3 </tussenkop><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                    prijs maar de economisch meest voordelige aanbieding bepalend is.</al><tussenkop>Artikel 15. Aanvang bekostiging</tussenkop><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO. Het geeft
                    het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het
                    bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk
                    afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte
                    van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn
                    financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. De vergoeding wordt rechtstreeks
                    beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in
                    artikel 13 wordt overeengekomen dat de vergoeding door het college rechtstreeks
                    aan de opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er
                    uitsluitend een relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt
                    is de formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en
                    het bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd
                    gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden
                    aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op
                    het project betrekking hebben, of een accountantsverklaring.</al><tussenkop>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De data van1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment dat de
                    gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                    noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het
                    jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de
                    realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld
                    dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar,
                            dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar
                            gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat
                            de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden
                            aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor
                    het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als het
                    college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op
                    bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een
                    voorziening.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                    voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                    omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de
                    gestelde termijnen te verlengen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                    verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen
                    dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid
                    genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het college dus
                    niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum
                    niet haalbaar.</al><tussenkop>Artikelen 17- 21. Aanvragen met spoedeisend karakter</tussenkop><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                    wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                    aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen.
                    Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet
                    worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het
                    spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van
                    aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een
                            andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                            asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                    voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van
                            de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst
                            wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het
                            bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17. Indienen aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden
                    ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat
                    bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en
                    de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de
                    aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. </al><tussenkop>Artikel 18. Inhoud aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                    grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag
                    verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag
                    moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit
                    die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het
                    aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><tussenkop>Artikel 19. Tijdstip beslissing</tussenkop><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                    beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><tussenkop>Artikel 21. Uitvoeren beslissing</tussenkop><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                    aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I
                    tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                    procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond
                    hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en
                    artikel 100, eerste lid, van de WPO.</al><al/><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikelen 22 - 28. Medegebruik en verhuur</tussenkop><al>De artikelen 22-28 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO. Op
                    grond hiervan moet de gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen
                    voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het
                    nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het
                    gebruik door de eigen school.</al><al/><al>De artikelen 22 t/m 28 worden door het college toegepast als het college een
                    aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                    huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                    aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                    medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><tussenkop>Artikel 22. Aanduiden omstandigheden</tussenkop><tussenkop>Onderdelen a en c</tussenkop><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op
                    het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het
                    bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende
                    nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee
                    zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort
                            aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                    door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte
                    voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de
                    bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><tussenkop>Artikel 23. Omschrijving leegstand</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                    leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                    capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III,
                    deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met
                    de drempelwaarde. </al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                    huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting
                    onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan
                    ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                    andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven.
                    Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft
                    gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                    bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs of
                    voortgezet onderwijskan op basis van het lesrooster per week maximaal
                    26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen
                    buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar
                    een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al/><al>Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs minder dan
                            26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere
                            school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs voor het verschil
                            tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de geldende reële schooltijden.</al><tussenkop>Artikel 24. Nalaten vorderen</tussenkop><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                    medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling
                    hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij
                    het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen
                    accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                    bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college
                    hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het
                    medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd. </al><al/><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt in
                    onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.
                    Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                    schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><tussenkop>Artikel 25. Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen
                    voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een
                    aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor
                    medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het
                    programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het
                    voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de
                    mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt
                    niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het
                    college.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                    voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het
                    overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat
                    een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier
                    het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de
                    nodige maatregelen te treffen.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben
                    tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn
                    waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk
                    gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over
                    dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag.
                    Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om
                    zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                    deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                    worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke
                    de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden
                    gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in
                    het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor
                    medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school
                    noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de
                    verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><tussenkop>Artikel 26. Vergoeding</tussenkop><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken
                    met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde gezagsorganen
                    moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen.
                    Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is
                    redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de
                    eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten
                    zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                    schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is
                    sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd
                    gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de ontvangen
                    rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte
                    van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de
                    activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen.</al><tussenkop>Artikel 27. Overleg en mededeling</tussenkop><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel
                    tijdens als na de schooltijden. </al><al>Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de
                    bestemming van het schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs
                    dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het
                    medegebruik niet in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan
                    betekent dit dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een
                    wijziging van het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in
                    overeenstemming met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het
                    bevoegd gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke
                    wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag
                    kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol spelen.</al><al/><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd gezag
                    minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                    onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt
                    met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg
                    en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                    noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige maatregelen
                    te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding
                    ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om
                    een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de
                    systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al/><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het
                    overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het college.
                    Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet
                    deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten
                    voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door college.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat
                    door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 28. Verzoek toestemming college</tussenkop><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door
                    de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw waarvan het
                    bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging
                    om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                    gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil
                    verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                    toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus
                    nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd
                    gezag het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                    activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur
                    en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast
                    betrekt het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                    ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                    toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                    wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al/><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college het
                    verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de
                    WPO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren
                    als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                            1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al></li></lijst><al/><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                    voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het
                    onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat de
                    risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                    voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                    college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                    gezag.</al><al/><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald
                    worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                    exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                    investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de
                    component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast.
                    In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                    toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur
                    is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt vastgesteld. Dit lid
                    is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding
                    is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag
                    wordt vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent
                    moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de investeringslasten van
                    het schoolgebouw. Aan het verbinden van de voorwaarde tot het betalen van een
                    huurvergoeding zijn voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorberekenen van de
                            huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies
                            aan inkomsten door de gemeente.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 29. Staat van onderhoud</tussenkop><al>In artikel 110 van de WPO is geregeld in welke situatie en hoe moet worden
                    omgegaan met de overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein
                    aan het college. Over het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en
                    -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs)
                    of het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW.
                    Overdracht door het bevoegd gezag van een schoolgebouw en -terrein aan de
                    gemeente vindt uitsluitend plaats als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of
                    verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is
                    van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en
                    -terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en
                    -terrein plaats. Een overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw
                    op een andere locatie is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door
                    het college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte
                    opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het
                    einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en
                    dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant
                    is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk
                    beëindigd moet worden. </al><al/><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van
                    het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door
                    het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft het opmaken van
                    een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van
                    het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een
                    gelijke handelwijze.</al><al/><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd gezag,
                    met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet
                    om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten
                    gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                    plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan
                    wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van
                    onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een
                    beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt
                    van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig
                    adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                    die deze opdracht uitvoert. </al><al>Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q. meningsverschillen
                    ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op
                    grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd
                    worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken
                    dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd).</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken van
                    de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd gezag met
                    deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het
                    bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                            onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                            college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de
                    rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er
                    kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen
                    afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat
                    het college zicht wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat
                    het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden
                    aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                    onderhouden.</al><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om
                    te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen
                    bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                    verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><tussenkop>Artikel 30. Indexering</tussenkop><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks
                    worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel
                    is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de
                    verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure
                    voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit
                    artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                    het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV,
                    deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                    wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                    toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                    mogelijkheid om hierop te reageren.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>