<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR36297_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Winterswijkse Weekkrant, 8-11-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden, art. 1 en art. 6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005, nr. X-6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum bekendmaking is bij benadering. Het kan een andere dinsdag in die periode zijn geweest.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kleinschalige nevenactiviteiten</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2005, nr. X-6.</al><al/><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>overwegende dat: </al><al>gelet op de artikelen 1 en 6, onder c van de Wet stankemissie veehouderijen
                        in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>een dergelijke verordening, kleinschalige nevenactiviteiten uitsluit van de
                        stankbeoordeling;</al><al/><al>hierdoor de reguliere landbouw niet hoeft te vrezen dat kleinschalige
                        nevenactiviteit in de omgeving hun eigen ontwikkelingsruimte zal
                        beperken;</al><al/><al>een dergelijke verordening niet bepaalt of een kleinschalige nevenactiviteit
                        ook planologisch goedkeuring krijgt;</al><al/><al>gelezen het voorstel van van 17 oktober 2005, nr. X-6;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>vast te stellen de ‘<vet>Verordening kleinschalige
                        nevenactiviteiten</vet>’.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>a wet: </al><al>Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en
                        verwevingsgebieden</al><al>b kleinschalige nevenactiviteit:</al><al>Bij gemeentelijke verordening als zodanig aangewezen activiteit, die een
                        organisatorische binding heeft met een agrarisch bedrijf en binnen de
                        inrichting, of in de onmiddellijke nabijheid daarvan plaatsvindt. </al><al>Deze activiteiten zijn in artikel 4a van deze verordening opgesomd</al><al>c agrarisch bedrijf:</al><al>Veehouderij of andere inrichting die tot een krachtens artikel 1.1 derde lid
                        van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en uitsluitend of in
                        hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouw- of
                        tuinbouwproducten.</al><al>d veehouderij:</al><al>Inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet
                        milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken,
                        fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. </al><al>e dezelfde persoon of rechtspersoon:</al><al>Bloedverwanten tot in de eerste graad, aangetrouwden en-of partners die over
                        de veehouderij en kleinschalige nevenactiviteiten zeggenschap hebben
                        krachtens een zakelijk of persoonlijk recht </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 </label></kop><al>Op grond van artikel 6, onder c van de wet wordt een kleinschalige
                        nevenactiviteit en een zodanige activiteit gelijkgesteld met een gevoelig
                        object, behorende tot dezelfde categorie als een bij een veehouderij
                        behorende woning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3</label></kop><al>Een <vet>kleinschalige nevenactiviteit</vet> in de zin van artikel 4a van
                        deze verordening kan slechts worden gelijkgesteld met een gevoelig object,
                        behorende tot dezelfde categorie als een bij de veehouderij behorende
                        woning, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager van de nevenactiviteit dient te beschikken over een
                                agrarisch bedrijf met een positieve agrarische bestemming</al></li><li nr="2."><al>de aanvrager van de nevenactiviteit dient te beschikken over een
                                geldige milieuvergunning of het bedrijf dient te vallen onder het
                                Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit
                                akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit glastuinbouwbedrijven
                                milieubeheer of Besluit landbouw milieubeheer;</al></li><li nr="3."><al>de nevenactiviteit moet plaatsvinden op het bedrijf (bouwblok en/of
                                gebouwen) of direct aangesloten op het bedrijf en worden uitgeoefend
                                door dezelfde persoon of rechtspersoon en mag niet meer dan 40 % van
                                de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen uitmaken (met een maximum
                                van 350 vierkante meter), de woning uitgezonderd. </al></li><li nr="4."><al>de nevenactiviteit dient te vallen onder categorie 1 of 2, en onder
                                voorwaarden onder categorie 3 van de SBI-codes zoals opgenomen in de
                                Standaard bedrijfsindeling 1993 editie 2002 van de VNG;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4a</label></kop><al>De volgende activiteiten worden als kleinschalige nevenactiviteiten
                        aangemerkt:</al><al>(<cursief>Deze opsomming is niet limitatief)</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet><onderstreept>Thema</onderstreept></vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet><onderstreept>Activiteit </onderstreept></vet><vet>
                                                (* 1)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Landbouwverwante /agrarische functies</al></entry><entry colname="col2"><al>Agrarische hulpbedrijven</al><al>-landbouwmechanisatie </al><al>-loonbedrijf</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Toeleverende bedrijven</al><al>-spermabank </al><al>-fouragehandel </al><al>-zaaizaad en pootgoed </al><al>-hoefsmederij</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bedrijven gebonden aan het landelijk gebied</al></entry><entry colname="col2"><al>-hoveniersbedrijven </al><al>-boomverzorgingsbedrijven </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Agrotoerisme/Recreatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Verblijven:</al><al>-kampeerterrein met meer dan 15 en minder dan 30
                                            kampeerplaatsen</al><al>-vakantiewoning/bungalow</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Dagrecreatie:</al><al>-horeca </al><al>-terras/thee-tuin </al><al>-ijsjesverkoop </al><al>-bezoekerscentrum</al><al>-(wijn)proeverij </al><al>-paardenpension </al><al>-verhuur van fietsen, kano’s </al><al>-ijsmakerij</al><al>-zalenverhuur</al><al>-hondenkennel</al><al>-speeltuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige dienstverlening</al></entry><entry colname="col2"><al>-dierenarts </al><al>-atelier </al><al>-(para)medische praktijk </al><al>-kapper </al><al>-kantoor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>“</al></entry><entry colname="col2"><al>-privékliniek </al><al>-kuuroord </al><al>-dierenkliniek </al><al>-groepspraktijk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>“</al></entry><entry colname="col2"><al>-kinderopvang</al><al>-kinderboerderij</al><al>-landbouw &amp; zorg (dagopvang)</al><al>-zorg met woonvoorziening </al><al>-cursuscentrum </al><al>-adviesbureau </al><al>-kunsthandel</al><al>-museum </al><al>-dierenasiel </al><al>-verkoop aan huis (zuivelproducten e.d.)</al><al>-vergaderaccommodatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ambachtelijke landbouwproductverwerkende bedrijven</al></entry><entry colname="col2"><al>-zuivelverwerking + verkoop</al><al>-slachterij</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige bedrijven</al></entry><entry colname="col2"><al>-rietdekkersbedrijf</al><al>-bouwbedrijf </al><al>-pallethandel </al><al>-riet- en vlechtwerk</al><al>-assemblage (fietsen, speelgoed, kleding)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alle qua aard en hinder vergelijkbare activiteiten</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* 1 Alleen activiteiten die stankgevoelig zijn en activiteiten die in
                        bepaalde omstandigheden stankgevoelig zouden kunnen zijn, zijn
                        opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4b</label></kop><al>Bij stapeling van meerdere activiteiten kan niet op voorhand worden
                        uitgegaan van het optellen van de verschillende oppervlaktes. De maximaal
                        toelaatbare hoeveelheid m<sup>2</sup> moet voor elke afzonderlijke situatie
                        bepaald worden, waarbij het kleinschalige karakter behouden blijft
                        (maatwerk).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel ‘Verordening
                        kleinschalige nevenactiviteiten’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in</ondertekening><ondertekening>zijn openbare vergadering gehouden op 26 oktober 2005,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING VERORDENING KLEINSCHALIGE NEVENACTIVITEITEN</titel></kop><al>,vastgesteld door de raad van de gemeente Winterswijk bij besluit van 26 oktober
                    2005 (2005, nr. X-6).</al><al/><al><vet>Inhoud</vet></al><al>1. Inleiding</al><al>2. Stankwet en verordening</al><al>3. Reikwijdte verordening</al><al>4. Definitie begrip stankgevoelige activiteit</al><al>5. Definitie begrip kleinschalige nevenactiviteit</al><al>6. Relatie ruimtelijke ordening – stankhinder</al><al>7. Onderscheiden praktijksituaties</al><al/><al><vet>1.Inleiding</vet></al><al>Het landelijk gebied is in beweging. De land- en tuinbouwsector ontwikkelt zich
                    langs verschillende sporen. Eén van deze sporen is verbreding. Ook op voormalige
                    agrarische bedrijven worden tal van kleinschalige activiteiten ontplooid. Het
                    sturingsmechanisme voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten vindt via het
                    spoor van de ruimtelijke ordening (bestemmingsplan e.d.) plaats. Daarnaast vormt
                    bij vergunningverlening voor deze activiteiten stankhinder (naast andere
                    milieuhygiënische items) een belangrijk toetsingskader. </al><al>Het huidige stankbeleid leidt ertoe dat kleinschalige (neven)activiteiten de
                    omliggende agrarische bedrijven beperken in hun bedrijfsontwikkeling. Het nieuwe
                    stankbeleid neemt –onder voorwaarden– deze beperkingen weg. Hiertoe dienen
                    gemeenten een “verordening kleinschalige nevenactiviteiten” als bedoeld in de
                    wet Stankemissie Veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
                    vast te stellen<vet>.</vet></al><al/><al><vet>2. Stankwet en verordening</vet></al><al>Op 1 mei 2003 is de Wet “Stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en
                    verwevings gebieden” (kortweg “Stankwet”) in werking getreden. </al><al>Deze wet geldt voor reconstructiegebieden en heeft betrekking op veehouderijen
                    gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, een verwevingsgebied of een
                    extensiveringsgebied met het primaat natuur. Deze gebieden worden in het kader
                    van de reconstructie aangewezen. De wet is van toepassing zodra het
                    reconstructieplan bekend is gemaakt door de Ministers van VROM en LNV. Naar
                    verwachting zal dit in het voorjaar van 2005 gebeuren. </al><al/><al>De Stankwet biedt gemeenten de mogelijkheid om een “Verordening kleinschalige
                    nevenactiviteiten” (kortweg stankverordening) voor haar gemeente vast te
                    stellen. Kleinschalige activiteiten die in deze verordening zijn opgenomen
                    worden dan –onder voorwaarden– voor de stankhinder gelijkgesteld met de bij een
                    veehouderij behorende woning. Door zo’n verordening vast te stellen wordt
                    duidelijk welke nevenactiviteiten uit het oogpunt van stank geen belemmering
                    vormen voor de –uitbreiding van– omliggende agrarische bedrijven. Hierdoor wordt
                    ook helder welke nevenactiviteiten op basis van de stankwetgeving mogelijk zijn
                    in het buitengebied.</al><al/><al><vet>3. Reikwijdte verordening</vet></al><al>De stankverordening is opgesteld in het kader van de nieuwe Stankwet en is niet
                    bedoeld om de toelaatbaarheid van dergelijke activiteiten in het buitengebied in
                    het algemeen te regelen vanuit planologisch oogpunt. Daar is het bestemmingsplan
                    voor: de beoordeling in het kader van stankhinder laat de toetsing in het
                    ruimtelijke ordeningspoor dus onverlet. Dit heeft zijn eigenstandige
                    beoordelingskader. Het kan dus voorkomen dat een kleinschalige (neven)activiteit
                    wel is opgenomen in de bovengenoemde verordening maar dat het bestemmingsplan
                    deze activiteit op die plaats niet of in beperktere mate toestaat. En daarnaast
                    kan het betekenen dat een kleinschalige (neven)activiteit welke opgenomen is in
                    de verordening en vanuit planologische oogpunt toegestaan is, bij stopzetten van
                    de agrarische activiteit, opnieuw aan een RO-toets wordt onderworpen.</al><al/><al>De verordening richt zich op kleinschalige nevenactiviteiten op agrarische
                    bedrijven en op vergelijkbare kleinschalige activiteiten op voormalige
                    agrarische bedrijven. De verordening richt zich niet op het bepalen van de
                    omgevingscategorie (vanuit stankoogpunt) voor niet-agrarische bedrijvigheid in
                    vrijkomende agrarische gebouwen in het algemeen.</al><al/><al>Algemeen geldt dat de milieubelasting van de activiteiten niet te groot mag
                    zijn. Er wordt in de eerste plaats getoetst aan de bedrijvenlijst van de VNG.
                    Alle in Nederland voorkomende bedrijvigheid is in vijf milieucategorieën
                    ingedeeld, van categorie 1 (weinig milieubelasting) tot categorie 5 (zeer zware
                    milieubelasting). In deze verordening gaat het om bedrijvigheid die in de
                    milieucategorie 1 of 2 en onder voorwaarden in categorie 3 geplaatst kan
                    worden.</al><al/><al><vet>4. Definitie begrip stankgevoelige activiteit</vet></al><al>Het doel van deze paragraaf is om aan te geven wanneer een activiteit als
                    stankgevoelig object moet worden aangemerkt. Het is namelijk niet altijd
                    noodzakelijk een (neven- ) activiteit als zodanig aan te merken. Of een
                    (neven-)activiteit als een stankgevoelige moet worden aangemerkt dat tegen
                    geurhinder beschermd moet worden is afhankelijk van meerdere factoren.
                    Namelijk:</al><lijst><li nr="·"><al>Er is sprake van een object als het een gebouw of een duidelijk begrensd
                            terreingedeelte betreft waar een bepaalde activiteit plaatsvindt.</al></li><li nr="·"><al>Er moeten gedurende meerdere uren per dag (meerdere) mensen verblijven.
                            Het is daarbij dus niet noodzakelijk dat de personen de gehele dag
                            aanwezig moeten zijn (ABRS 6 augustus 2003, nr. 200303316/1 en 2
                            Veghel).</al></li><li nr="·"><al>Uit de jurisprudentie kan afgeleid worden dat meerdere mensen in het
                            object aanwezig moeten zijn voordat het aangemerkt moet worden als een
                            voor stank gevoelig object. De verordening is echter alleen van
                            toepassing voor kleinschalige nevenactiviteiten. Er kan dan ook van
                            uitgegaan worden dat in de meeste gevallen slechts een klein aantal
                            personen of slechts een klein aantal personen of slechts één persoon
                            aanwezig zijn. Daarom wordt er geen ondergrens gesteld aan het aantal
                            mensen dat minimaal aanwezig moet zijn.</al></li><li nr="·"><al>Als de nevenactiviteit ook bestaat uit het bedrijfsmatig of in een
                            omvang alsof zij bedrijfsmatig is houden van dieren wordt het object
                            waarin de nevenactiviteit plaatsvindt niet aangemerkt als een voor stank
                            gevoelig object. </al></li></lijst><al/><al>Op basis van de huidige jurisprudentie is het nu al mogelijk om een
                    (neven)activiteit, waarbij meerdere mensen in een gebouw verblijven, aan te
                    merken als een voor stank gevoelig object dat een lagere bescherming behoeft dan
                    een eengezinswoning in het buitengebied, categorie III (ABRS, 7 mei 2003, nr
                    200201354/1). Dit komt overeen met hetgeen in de verordening wordt beoogd.</al><al/><al>In situaties waarbij geen sprake is van een object of duidelijk begrenst
                    terreingedeelte waarin de nevenactiviteit plaatsvindt is er geen aanleiding een
                    gebied aan te merken als een voor stank gevoelig object. </al><al/><al><cursief>Voorbeelden hiervan zijn een trimbaan en een plek zonder voorzieningen
                        of afrastering die als speelplek gebruikt wordt.</cursief></al><al/><al>In situaties waarbij mensen zowel medewerkers of bezoekers maar een korte tijd
                    aanwezig zijn en er dus sprake is van korte verblijftijden, wordt het object
                    waarin de nevenactiviteit plaatsvindt niet aangemerkt als een voor stank
                    gevoelig object.</al><al/><al><cursief>Voorbeelden hiervan zijn ijs- en kaasverkoop, verhuur van kano's,
                        fietsen en caravanstalling.</cursief></al><al/><al>In situaties waarbij de nevenactiviteit bestaat uit het bedrijfsmatig of in een
                    omvang alsof zij bedrijfsmatig is houden van (huis-)dieren wordt het object
                    waarin de nevenactiviteit plaatsvindt niet aangemerkt als een voor stank
                    gevoelig object.</al><al/><al><cursief> Voorbeelden hiervan zijn paardenpension, hondenkennel, kattenpension
                        en kinderboerderij, met dien verstande dat hierin geen verblijfruimten waar
                        mensen langdurig verblijven zijn gesitueerd. </cursief></al><al/><al><vet>5.Definitie begrip kleinschalige nevenactiviteit</vet></al><al>Het begrip nevenactiviteit houdt in dat er sprake is van een aanvullende,
                    ondergeschikte activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit. Het agrarisch
                    bedrijf vormt hierbij altijd de hoofdactiviteit.</al><al/><al>Wanneer kan men spreken van een nevenactiviteit? De definities uit, en
                    toelichting op de Stankwet geven al een aardige richting voor de bepaling van de
                    definitie nevenactiviteit. Het blijkt echter zeer lastig om meer objectieve
                    maatstaven te benoemen voor de nevenactiviteit; het onderscheid is moeilijk te
                    objectiveren. </al><al>Er zijn meerdere criteria mogelijk om te kunnen beoordelen of er sprake is van
                    een hoofd- of nevenactiviteit. De beoordeling van deze criteria roepen in de
                    praktijk de nodige problemen op vooral omdat er zoveel verschillende vormen van
                    nevenactiviteiten mogelijk zijn. Voor een goede beoordeling van hoofd- of
                    nevenactiviteit zou een beoordeling van zowel de arbeidsbehoefte, financiële
                    opbrengst, ruimtebeslag en milieuhinder een goed criterium zijn. Dit roept
                    echter veel uitvoeringsproblemen op en het is ook niet mogelijk hiervoor op
                    voorhand eenduidige objectieve criteria te ontwikkelen. Zo is beoordeling van
                    arbeidsbehoefte moeilijk uitvoerbaar. Er bestaan bijvoorbeeld grote verschillen
                    in de mechanisatiegraad en inzet van werk door derden. Een vergelijking tussen
                    financiële opbrengsten van hoofd- en neventak is vaak minder geschikt. Zo zullen
                    de meest grote varkenshouderijbedrijven al meerdere jaren, als gevolg van de
                    lage opbrengstprijzen, een zeer laag inkomen hebben. Milieuhinder (zoals stank,
                    ammoniak en geluid) van de agrarische activiteiten zullen in vrijwel alle
                    gevallen relatief groot zijn in vergelijking met de milieuhinder van de
                    nevenactiviteiten. Het oppervlaktecriterium is een eenvoudig criterium maar ook
                    hier is het moeilijk bepaalde activiteiten onderling te vergelijken. Het ligt
                    ook voor de hand het aantal bezoekers en werknemers bij de beoordeling te
                    betrekken. Ook hier doet zich het probleem voor dat soort nevenactiviteit
                    onderling sterk van elkaar verschillen en dat een en ander ook in relatie moet
                    worden gezien met de verblijfstijden waardoor de beoordeling weer omslachtig
                    wordt. </al><al/><al>Voor een inkadering van het begrip nevenactiviteit is in deze verordening
                    gekozen voor een oppervlaktecriterium. Dit omdat het oppervlaktecriterium garant
                    staat voor een eenvoudige beoordeling, zowel in vergunningprocedures als in de
                    handhaving. Het oppervlakte criterium wordt gebruikt in combinatie met de
                    overige criteria: onderdeel van agrarisch bedrijf, uitgeoefend door zelfde
                    (rechts-)persoon en de nevenactiviteit moet plaatsvinden op of direct
                    aansluitend aan de inrichting. Door een beoordeling van het percentage
                    vloeroppervlakte dat voor de nevenactiviteit gebruikt wordt met daarnaast een
                    absoluut maximum, wordt een invulling gegeven aan de beoordeling of een
                    activiteit als kleinschalig kan worden aangemerkt. Bij de beoordeling worden de
                    bedrijfsgebouwen betrokken de vergunde rechten, of te wel de situatie waarvoor
                    een milieuvergunning is afgegeven, een melding 8.19 Wet milieubeheer is
                    geaccepteerd of die gemeld zijn binnen een AMvB Besluit melkrundveehouderij
                    milieubeheer, Besluit akkerbouw milieubeheer, Besluit glastuinbouw milieubeheer
                    en Besluit landbouw milieubeheer. Dit laatste besluit wordt naar verwachting de
                    opvolger van de drie eerder genoemde besluiten. </al><al>De nevenactiviteit mag: </al><lijst><li nr="1."><al>niet meer dan 40% van de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen
                            uitmaken, de woning uitgezonderd. </al></li><li nr="2."><al>De nevenactiviteit mag daarnaast de oppervlakte van 350 vierkante meter
                            niet overschrijden. </al></li></lijst><al/><al>Het eerste criterium (percentage) is gebaseerd op het feit dat er sprake moet
                    zijn van een nevenactiviteit. </al><al/><al>Het tweede criterium (vierkante meters) is gebaseerd op het gegeven dat er
                    sprake moet zijn van een kleinschalige nevenactiviteit.</al><al/><al><vet>6. Relatie ruimtelijke ordening-stankhinder</vet></al><lijst><li nr="-"><al>De vraag of een bepaalde activiteit ook daadwerkelijk mag worden
                            uitgevoerd, hangt in de eerste plaats af van planologische aspecten. Bij
                            de aanvraag voor een kleinschalige (neven)activiteit dient altijd een
                            ro-toets plaats te vinden.</al></li><li nr="-"><al>Ook als er een wijziging optreedt in de situatie (bijv. agrarisch
                            bedrijf wordt geheel of gedeeltelijk beëindigd) moet er weer een
                            ro-toets plaats vinden.</al></li><li nr="-"><al>Indien de voorgenomen activiteit op grond van deze verordening kan
                            worden aangemerkt als een kleinschalige nevenactiviteit of zodanige
                            activiteit kunnen daaraan geen rechten worden ontleend voor het
                            verkrijgen van de benodigde toestemming op het planologisch gebied.
                        </al></li><li nr="-"><al>De verordening is geen statisch document, maar kan worden aangepast als
                            gewijzigd planologisch beleid dat zou vereisen (als blijkt dat de
                            ro-discussie voortschrijdt).</al></li></lijst><al/><al><vet>7. Onderscheiden praktijksituaties</vet></al><al>De verordening kleinschalige nevenactiviteiten heeft betrekking op de volgende
                    vijf situaties:</al><al/><al>1.een kleinschalige nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf (zie artikel 1 b
                    van de verordening)</al><al><cursief>voorbeeld:</cursief><cursief>Melkveebedrijf met varkenstak wil starten
                        met kinderdagopvang voor 12 kinderen (op de deel). Als de ro-toets positief
                        is dan valt de kinderopvang in categorie 4 of 5, afhankelijk van de
                        categorie van het agrarisch bedrijf</cursief></al><al/><al>2.een activiteit (begonnen als kleinschalige nevenactiviteit) die na het
                        <vet>gedeeltelijk </vet>buiten werking stellen van het agrarisch bedrijf op
                    of na 19 maart 2000 wordt <vet>voortgezet.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld: Melkveebedrijf met varkenstak en met kinderopvang voor 12
                        kinderen stopt met de koeien, varkenstak blijft, kinderopvang blijft (zelfde
                        omvang als voorheen)</cursief></al><al><cursief>Officieel moet er opnieuw een ro-toets plaatsvinden. Is deze positief
                        dan blijft de activiteit categorie 4 of 5.</cursief></al><al/><al>3.een activiteit (begonnen als kleinschalige nevenactiviteit) die na het
                        <vet>geheel </vet>buiten werking stellen van het agrarisch bedrijf op of na
                    19 maart 2000 wordt <vet>voortgezet.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld: Melkveebedrijf met varkenstak en met kinderopvang voor 12
                        kinderen stopt zowel met zijn melkveebedrijf als zijn varkenstak,
                        kinderopvang blijft (zelfde omvang als voorheen</cursief>)</al><al><cursief>Er moet opnieuw een ro-toets plaatsvinden: Als die positief uitvalt is
                        er vanuit stank geen belemmering: de kinderdagopvangactiviteit blijft gewoon
                        categorie 4 of 5.</cursief></al><al/><al>4.een activiteit (vergelijkbaar met een kleinschalige nevenactiviteit) die na
                    het <vet>gedeeltelijk</vet> buiten werking stellen van het agrarisch bedrijf op
                    of na 19 maart 2000 is <vet>opgestart.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld: Melkveebedrijf met varkenstak is in 2001 gestopt met de
                        koeien en gaat in de voormalige kalverstal of zo een kinderdagopvang voor 12
                        kinderen beginnen (varkenstak is nog steeds aanwezig, tot 19 maart 2000 was
                        er ook nog een melkveehouderijtak aanwezig). Als de ro-toets positief
                        uitvalt, valt de activiteit in categorie 4 of 5.</cursief></al><al/><al>5.een activiteit (vergelijkbaar met een kleinschalige nevenactiviteit) die na
                    het <vet>geheel</vet> buiten werking stellen van het agrarisch bedrijf op of na
                    19 maart 2000 is <vet>opgestart.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld. Melkveebedrijf met varkenstak is in 2001 gestopt met zijn
                        agrarisch bedrijf (geen agrarisch bouwperceel meer, geen amvb of
                        milieuvergunning meer) en gaat in de voormalige agrarische gebouwen van
                        start met kinderopvang voor 12 kinderen.</cursief></al><al><cursief>Bij de aanvraag voor deze kinderdagopvang vindt –net als altijd- een
                        ro-toets plaats. Is deze positief (aanvrager zit bijv. in
                        extensiveringsgebied) en de aanvrager kan de voormalige agrarische
                        activiteit aantonen (zie artikel 4b) dan is de activiteit categorie 4 of
                        5.</cursief></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>