<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362930_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Rijk van Nijmegen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.overheid.nl">Gemeenteblad op Overheid.nl en website gemeente Beuningen, 30 maart 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Rijk van Nijmegen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">MGR Rijk van Nijmegen, artikel 6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid en artikel 10 b, vierde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gedelegeerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de Midulaire Gemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Re-integratieverordening Participatiewet Rijk van Nijmegen
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het Algemeen Bestuur van de Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Rijk van
                        Nijmegen (MGR);</al>
          <al>gelet op artikel 6 van de MGR en artikel 8a eerste lid, aanhef en onder a,
                        c, d en e, en tweede lid en</al>
          <al>artikel 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al>
          <al>gelezen het voorstel van de Bestuurscommissie Werk van 3 februari 2015</al>
          <al>besluit vast te stellen de</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>RE-INTEGRATIEVERORDENING PARTICIPATIEWET RIJK VAN NIJMEGEN</vet>
          </al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begrippen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschrevenhebben dezelfde betekenis als in de
                            Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li>
              <li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>AB: algemeen bestuur van de Modulaire Gemeenschappelijke
                                            Regeling Rijk van Nijmegen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle (tijdelijke) arbeid
                                            die maatschappelijk aanvaard is en die niet indruist tegen de integriteit van de persoon; het verrichten
                            van werkzaamheden alszelfstandige valt ook onder algemeen geaccepteerde
                            arbeid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>college: alle colleges van burgemeester en wethouders van de aan de
                            Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen deelnemende
                            gemeenten;</al></li>
                  <li nr="d."><al>DB: dagelijks bestuur van de Modulaire Gemeenschappelijke
                                    Regeling Rijk van Nijmegen;</al></li>
                  <li nr="e."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a
                                    van de wet;</al></li>
                  <li nr="f."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: het verrichten van betaalde
                                    arbeid is redelijkerwijsmogelijk binnen één half tot twee
                                    jaar;</al></li>
                  <li nr="g."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: het verrichten van betaalde arbeid
                            is redelijkerwijsmogelijk binnen één half jaar;</al></li>
                  <li nr="h."><al>MGR: Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen. Hiervan
                            maken deel uitde gemeenten Nijmegen, Wijchen, Beuningen, Druten, Heumen,
                            Groesbeek en Mook enMiddelaar;</al></li>
                  <li nr="i."><al>wet: de Participatiewet (Staatsblad 2014, nummer 270) zoals deze
                            nadien is of wordtgewijzigd;</al></li>
                  <li nr="j."><al>Wsw: Wet sociale werkvoorziening zoals deze gold op 31 december
                            2014.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Beleid en financiën</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Inzet voorzieningen, evenwichtige verdeling en
                                financiering</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan alleen – met uitzondering van artikel 10d achtste lid
                            van de wet - ondersteuningbij de arbeidsinschakeling geven en daarbij
                            voorzieningen aanbieden aan of ten behoeve vanpersonen uit de doelgroep
                            voor zover deze personen woonachtig zijn binnen één van dedeelnemende
                            gemeenten zoals bedoeld in artikel 40, eerste lid van de wet.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan indien een persoon uit de doelgroep verhuist naar een
                            gemeente buiten het Rijkvan Nijmegen besluiten de voorziening voort te
                            zetten. Hierover stelt het DB nadere regels vast.</al></li>
              <li nr="3."><al>De ondersteuning bij de arbeidsinschakeling is gericht op de kortste
                            weg naar algemeengeaccepteerde arbeid waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                            van een voorziening. Bij de afwegingof bij de arbeidsinschakeling een
                            voorziening noodzakelijk is en welke voorziening aangebodenwordt,
                            betrekt het college in ieder geval de afstand tot de arbeidsmarkt, de
                            motivatie, de zelfredzaamheid en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende
                            en de behoeftevan de werkgever.</al></li>
              <li nr="4."><al>De persoonlijke omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op
                            zorgtaken van debelanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie ofgebruik maakt van de voorziening beschut
                            werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li>
                  <li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="5."><al>Indien de belanghebbende zijn dienstbetrekking als
                                            bedoeld in artikel 10b van de wet dooreigen toedoen
                                            verliest, wordt de eerste 12 maanden na beëindiging van
                                            deze dienstbetrekking of voor zolang belanghebbende in zijn gedrag volhardt geen nieuwe
                            dienstbetrekking alsbedoeld in 10b van de wet aangeboden.</al></li>
              <li nr="6."><al>Het DB kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de
                            voorzieningengenoemd in deze verordening. Het college weigert de inzet
                            van een voorziening als het plafondis bereikt. Indien een ingesteld
                            plafond bereikt wordt, biedt het college een andere voorziening als alternatief aan, indien dit noodzakelijk wordt geacht.</al></li>
              <li nr="7."><al>Indien door het college een subsidie wordt verstrekt, is hierop tevens
                            de NijmeegseKaderverordening subsidies van toepassing, voor zover in
                            onderhavige verordening of op basisvan deze verordening nader vast te
                            stellen regels, daarvan niet afgeweken is.</al></li>
              <li nr="8."><al>Het DB zendt één maal per twee jaar aan het AB een verslag over de
                            doeltreffendheid van hetbeleid. Het verslag bevat in ieder geval het
                            oordeel van de kandidatenraad werkbedrijf regio Rijkvan Nijmegen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Voorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan in ieder geval de voorzieningen aanbieden die in
                                    deze verordening staan.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het DB stelt ten aanzien van de voorzieningen en de overige
                                    vergoedingen als bedoeld in artikel 15, nadere regels vast. Deze regels kunnen in ieder geval
                            betrekking hebben op:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden:</al></li>
                  <li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het verstrekken van subsidies;</al></li>
                  <li nr="d."><al>criteria ter voorkoming van onverantwoorde beïnvloeding van de
                                    concurrentieverhoudingenen verdringing van reguliere
                                    arbeid.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9,55 en 17 van
                                            de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere engedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            13 en 37 van de Wetinkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            nietnakomt;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardtwaarbij geen gebruik wordt gemaakt
                                    van een in deze verordening genoemde voorziening,tenzij het
                                    betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, onder 2°,vande wet;</al></li>
                  <li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt
                            aan een snellearbeidsinschakeling;</al></li>
                  <li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is
                            voor de persoon diegebruik maakt van de voorziening;</al></li>
                  <li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik
                            maakt van deaangeboden voorziening;</al></li>
                  <li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de
                            voorwaarden die indeze verordening worden gesteld om in aanmerking te
                            komen voor die voorziening;</al></li>
                  <li nr="h."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt fraude pleegt voor
                            zover die fraudebetrekking heeft op een toegekende bijstandsuitkering of
                            een aangeboden voorziening.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Werkgeversbonus</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan werkgevers een werkgeversbonus verstrekken met als
                            doel werkgevers testimuleren een reguliere dienstbetrekking of een
                            dienstbetrekking met loonkostensubsidie aante gaan met personen uit de
                            doelgroep.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De werkgeversbonus is een eenmalige subsidie van maximaal € 2000 netto
                            en is een(gedeeltelijke) tegemoetkoming in door de werkgever te maken
                            begeleidings- ofscholingskosten voor de personen uit de doelgroep die
                            aangenomen worden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Proefplaatsing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan personen uit de doelgroep met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt eenproefplaatsing aanbieden.</al></li>
              <li nr="2."><al>Een proefplaatsing kan tot doel hebben:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>te bezien of de belanghebbende kan voldoen aan de door
                                            de werkgever gestelde functieeisen,</al><al>of</al></li>
                  <li nr="b."><al>om overeenkomstig artikel 10d, derde lid van de wet de reële
                            loonwaarde van debelanghebbende vast te kunnen stellen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>De proefplaatsing duurt maximaal drie maanden.</al></li>
              <li nr="4."><al>Het college draagt er zorg voor dat de proefplaatsing wordt
                                    vastgelegd in een schriftelijkeovereenkomst die door het
                                    college, de werkgever als de belanghebbende getekend wordt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Tijdelijke loonkostensubsidie</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan ter compensatie van (tijdelijk) productieverlies een
                            loonkostensubsidieverstrekken aan werkgevers die met personen uit de
                            doelgroep met een grote afstand tot de</al>
            <al>arbeidsmarkt een dienstbetrekking aangaan.</al>
            <al>2.De loonkostensubsidie bedraagt ten hoogste 50% van het wettelijk
                            minimumloon, vermeerderdmet een vergoeding van werkgeverslasten,
                            gedurende een periode van maximaal 12 maanden.</al>
            <al>3.De vergoeding van werkgeverslasten als bedoeld in het tweede lid is
                            een percentage van deloonkosten waarover loonkostensubsidie wordt
                            verstrekt en wordt door het DB vastgesteldovereenkomstig artikel 1,
                            tweede lid van de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet.</al>
            <al>4.De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                            concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing van reguliere
                            arbeid plaatsvindt.</al>
            <al>5.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond
                            van een andere regelingaanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in
                            verband met de indiensttreding van dewerknemer.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Ontwikkelingsbaan</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon uit de
                            doelgroep met een grote afstandtot de arbeidsmarkt naar een
                            dienstverband met een werkgever met als doel via detachering
                            dearbeidsinschakeling te bevorderen.</al>
            <al>2.De werknemer wordt door de betreffende werkgever voor het verrichten
                            van arbeidgedetacheerd bij een bedrijf of instelling. De detachering
                            wordt vastgelegd in een schriftelijkeovereenkomst tussen de betrokken
                            partijen.</al>
            <al>3.De ontwikkelingsbaan wordt aangegaan voor de duur van maximaal 24
                            maanden en kanbinnen deze periode van 24 maanden maximaal twee keer
                            verlengd worden.</al>
            <al>4.Het college draagt er zorg voor dat een werknemer alleen wordt
                            geplaatst indien hierdoor deconcurrentieverhoudingen niet onverantwoord
                            worden beïnvloed en er geen verdringing vanreguliere arbeid
                            plaatsvindt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>No-riskpolis</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Een werkgever komt voor 2015 in aanmerking voor een door het college
                            met het UWVafgesloten no-riskpolis als:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de werkgever voor de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in
                            artikel 10d vande wet ontvangt, en</al></li>
                  <li nr="b."><al>de werknemer op een garantiebaan als bedoeld in het wetsvoorstel Wet
                            banenafspraaken quotum arbeidsbeperkten (nr. 33981 ingediend op 1 juli
                            2014) is geplaatst, en</al></li>
                  <li nr="c."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt bij ziekte van de in het eerste
                                            lid bedoelde werknemer een bedragovereenkomstig 29b
                                            Ziektewet.</al></li>
              <li nr="3."><al>De werkgever heeft in ieder geval de volgende
                                    verplichtingen:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de werknemer ziek- en hersteld te melden bij het UWV
                                            overeenkomstig de Ziektewet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de door het UWV gevraagde bewijsstukken toe te
                                            sturen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="4."><al>Gedurende de periode dat de werkgever een uitkering krijgt op
                                    basis van deze no-risk polis ofop basis van 29b Ziektewet, heeft
                                    de werkgever geen recht op de loonkostensubsidie alsbedoeld in
                                    artikel 10d van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Persoonlijke ondersteuning</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan een persoon uit de doelgroep persoonlijke
                            ondersteuning aanbieden in de vormvan structurele begeleiding bij het
                            verrichten van de aan die persoon opgedragen taken. Ookindien de
                            belanghebbende reguliere, niet gesubsidieerde, arbeid aanvaardt kan
                            persoonlijkeondersteuning worden ingezet.</al>
            <al>2.Deze ondersteuning kan alleen aangeboden worden als het college
                            geconstateerd heeft dat debelanghebbende zonder persoonlijke
                            ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragentaken te verrichten.
                            Bij de beoordeling of deze ondersteuning nodig is, betrekt het college
                            hetoordeel van de werkgever waar de belanghebbende zijn werkzaamheden
                            verricht.</al>
            <al>3.Het DB kan nadere regels stellen met betrekking tot de duur van de
                            persoonlijke ondersteuning.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Leerwerkplek</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een
                            leerwerkplekaanbieden.</al>
            <al>2.Een leerwerkplek duurt maximaal zes maanden en heeft als doel het
                            ontwikkelen vanvaardigheden, het oriënteren op de arbeidsmarkt en het
                            opdoen van werkervaring.</al>
            <al>3.Indien er sprake is van het verrichten van onbeloonde additionele
                            werkzaamheden draagt hetcollege er zorg voor dat de afspraken
                            schriftelijk worden vastgelegd.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Beschut werken</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep diedoor een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate vanbegeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgeverredelijkerwijs niet
                            kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.</al>
            <al>2.Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie en
                            wint bij hetUitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies in voor
                            de beoordeling of zij uitsluitend ineen beschutte omgeving onder
                            aangepaste omstandigheden mogelijkheden totarbeidsparticipatie hebben.
                            Het college selecteert in 2015 voor deze beoordeling uitsluitendpersonen
                            die:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>beschikken over een indicatie als bedoeld in artikel 11 van de
                                    Wsw, en</al></li>
              <li nr="b."><al>geen Wsw-dienstbetrekking meer aangeboden kunnen krijgen vanwege
                                    de invoeringvan de Participatiewet.</al></li>
            </lijst>
            <al>3.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden
                            mogelijk te maken zethet college de volgende ondersteunende
                            voorzieningen in: fysieke aanpassingen van dewerkplek of de
                            werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze
                            vanwerkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al>
            <al>4.Het DB bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Scholing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholing of cursus aanbieden.</al></li>
              <li nr="2."><al>Een scholing duurt in de regel niet langer dan één jaar en
                                    wordt, met uitzondering van desituaties als bedoeld in artikel
                                    9a van de wet, alleen in combinatie met een andere
                                    voorzieningingezet.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Diagnose</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan een persoon uit de doelgroep een onderzoek aanbieden ter
                            vaststelling van dearbeidsmogelijkheden van de belanghebbende dan wel
                            ter bepaling van de (verdere) geschiktheidvan een voorziening. Een
                            onderdeel van het onderzoek kan zijn, dat onderzocht wordt of
                            debelanghebbende in staat is tot scholing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Premie voor het werken op een participatieplaats</titel>
            </kop>
            <al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt:</al>
            <al>a.€ 600,00 per zes maanden bij een participatieplaats met een
                            arbeidsduur van 24 uur ofmeer per week,</al>
            <al>b.€ 420,00 per zes maanden bij een participatieplaats met een
                            arbeidsduur van 16 tot 24 uurper week,</al>
            <al>c.€ 210,00 per zes maanden bij een participatieplaats met een
                            arbeidsduur van 8 tot 16 uurper week.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Overige vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan vergoedingen verstrekken voor kosten die naar het
                            oordeel van het collegenoodzakelijk dienen te worden gemaakt in het
                            kader van de arbeidsinschakeling en dieredelijkerwijs niet voor rekening
                            van de belanghebbende kunnen komen. Dit kunnen ookvergoedingen zijn voor
                            kosten zijn die de werkgever noodzakelijkerwijs moet maken om een belanghebbende met loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            wet in dienst tenemen en die redelijkerwijs niet voor rekening van de
                            werkgever kunnen komen.</al>
            <al>2.Het DB stelt nadere regels ten aanzien van welke kosten voor
                            vergoeding in aanmerking komenalsmede de hoogte en de voorwaarden
                            waaronder deze kosten kunnen worden vergoed.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel>
            </kop>
            <al>1.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                            afwijken van debepalingen in deze verordening indien toepassing daarvan
                            tot onbillijkheden van overwegendeaard leidt.</al>
            <al>2.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <al>1.Het besluit d.d. 11 juli 2014 van het AB waarbij bepaald is, dat de
                            toenmalige verordeningen vande deelnemende gemeenten van kracht blijven
                            zolang er geen gemeenschappelijke verordeningvoor de MGR is vastgesteld,
                            wordt ingetrokken.</al>
            <al>2.Voorzieningen die op basis van de gemeentelijke
                            Re-integratieverordeningen als bedoeld in heteerste lid van dit artikel,
                            vóór de datum van publicatie van onderhavige verordening zijn
                            ingezet, kunnen tot aan 1 januari 2016 uiterlijk voortgezet worden. In afwijking
                            van het eerste lid blijvende gemeentelijke Re-integratieverordeningen
                            van toepassing op deze voorzieningen. Hetcollege draagt er zorg voor dat
                            deze voorzieningen met ingang van 1 januari 2016 inovereenstemming zijn
                            gebracht met de op dat moment geldende Re-integratieverordening Participatiewet van het Rijk van Nijmegen. Dit geldt niet voor vormen
                            van gesubsidieerde arbeidwaarvoor reeds een afbouw is afgesproken
                            waaronder de gesubsidieerde banen in het kadervan het besluit In- en
                            Doorstroombanen, de Wet Inschakeling Werkzoekenden en voor degemeente
                            Nijmegen de zogenaamde participatiebanen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18 </nr>
              <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie op de
                                    voorgeschreven wijze.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet Rijk vanNijmegen</al></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het Algemeen Bestuur
                        van de ModulaireGemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen op 11
                        februari 2015,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De Voorzitter, De Secretaris,</ondertekening>
        <ondertekening>drs. H.M.F. Bruls drs. W.G.R.J. van der Linden</ondertekening>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting</label>
          <nr/>
          <titel>Algemene Toelichting</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>Per 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. De
                            Participatiewet geeft het college deopdracht personen als bedoeld in
                            artikel 7, eerste lid onder a van de wet te ondersteunen bij
                            dearbeidsinschakeling. Het gaat hierbij om:</al>
        <al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al>
        <al>personen als bedoeld in de artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35,
                            vierde lid, onderdeel b, en</al>
        <al>36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen (hierna:WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende tweeaaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van diepersoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend;</al>
        <al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Anw;</al>
        <al>personen met een uitkering ingevolgde de IOAW- of IOAZ;</al>
        <al>personen zonder uitkering die ingeschreven staan bij het UWV als
                            werkloos werkzoekend.</al>
        <al/>
        <al>De Participatiewet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening
                            op te stellen waarin hetbeleid ten aanzien van haar re-integratietaak
                            wordt neergelegd. Deze verordenende taak is door dedeelnemende gemeenten
                            aan het bestuur van de MGR gedelegeerd. Dat wil zeggen dat niet
                            meer</al>
        <al>de gemeenteraden maar het bestuur van de MGR bevoegd is de verordening
                            vast te stellen. Hetbestuur van de MGR laat zich hierbij leiden door het
                            strategisch beleidskader <cursief>Werk is de Uitkomst</cursief>dat door
                            de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten is vastgesteld.</al>
        <al/>
        <al>Het bestuur van de MGR heeft gekozen voor een algemene, globale
                            verordening. Dit heeft temaken met de aard van de opdracht. Die leent
                            zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regelsdie op iedere
                            situatie van toepassing zijn. Re-integratie is immers maatwerk. Wat in
                            het concrete</al>
        <al>geval een geschikte voorziening is, is afhankelijk van meerdere factoren
                            waaronder iemandsmogelijkheden en beperkingen, iemands opleiding en
                            arbeidsverleden, iemands motivatie etc.Daarom wordt aan het college de
                            bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingente maken.
                            Hoewel in de verordening nog gesproken wordt over de bevoegdheid van het
                            college omvoorzieningen aan te bieden, is deze bevoegdheid door de
                            colleges van de deelnemendegemeenten gemandateerd aan het DB van de MGR
                            (zie hiervoor de mandaatsbesluiten van dedeelnemende gemeenten) . Dus in
                            de uitvoeringspraktijk bepaalt het DB of iemand een
                            voorzieningaangeboden krijgt en welke voorziening dat dan is. Dit
                            gebeurt zo veel mogelijk in samenspraak metde persoon in kwestie. Het
                            behandelen van bezwaren is overigens niet gemandateerd. Daarvoorkan de
                            belanghebbende zich richten tot het college van de gemeente die de
                            voorziening financierten dat is doorgaans de woongemeente.</al>
        <al/>
        <al>De inzet van de voorzieningen is gericht op zo snel mogelijke uitstroom
                            naar reguliere, nietgesubsidieerde arbeid. Voor personen met een
                            verminderde loonwaarde, onder wie ook degenenmet een UWV-advies beschut
                            werk, is dit (nog) niet haalbaar. Bij deze personen, al dan niet meteen
                            arbeidsbeperking, richt de ondersteuning zich op het vinden van een
                            geschikte werkplek met</al>
        <al>behulp van de inzet van een (tijdelijke) loonkostensubsidie, dat kan ook
                            een ontwikkelingsbaan zijn.</al>
        <al/>
        <al>Verder is het uitgangspunt om de meest lichte adequate voorziening in te
                            zetten. Door eenefficiënte en effectieve inzet van middelen kan namelijk
                            zoveel mogelijk mensen perspectiefgeboden worden en dat is een van de
                            ambities geformuleerd in het strategisch beleidskader.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                            binnen de kaders van deRe-integratievoorziening aanspraak hebben op
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door</al>
        <al>het college noodzakelijk geachte voorziening. Daarom is ervoor gekozen
                            in de verordening devoorzieningen vast te leggen die het college in
                            ieder geval kan aanbieden.</al>
        <al/>
        <al>Een aanbod van een voorziening is niet vrijblijvend. Indien iemand
                            weigert gebruik te maken vaneen voorziening, wordt dit door de MGR
                            doorgegeven aan de woongemeente. Het is vervolgens aandie gemeente om te
                            bepalen of en in welke mate dit gevolgen heeft voor de hoogte van de
                            uitkering.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                            behandeld.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <label/>
            <nr>Artikelsgewijze toelichting</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <al/>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Begrippen</titel>
          </kop>
          <al>De Participatiewet is de basis van deze verordening en daarom wordt ook
                            voor debegripsbeschrijvingen aangehaakt bij de Participatiewet.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Inzet voorzieningen, evenwichtige verdeling en
                                financiering</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt aangegeven voor welke personen het college de
                            re-integratietaak heeft. Via deverwijzing naar artikel 40 lid 1 wordt
                            aangegeven dat alleen inwoners van de woongemeentebehoren tot de
                            doelgroep. Een verhuizing binnen het Rijk van Nijmegen heeft geen
                            gevolgen voor de inzet van een voorziening maar een verhuizing naar een gemeente
                            buiten dit gebied kan welgevolgen hebben, behalve indien het een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wetbetreft want
                            daarvan bepaalt de wet dat de oorspronkelijke woongemeente de
                            loonkostensubsidie blijft financieren. Het college wordt de mogelijkheid geboden om bij
                            verhuizing de ondersteuning ende inzet van voor voorzieningen toch voort
                            te zetten. Het DB zal hierover nadere regels vastleggen.</al>
          <al/>
          <al>Indien er verhuisd wordt naar het buitenland, ook al is dat net over de
                            grens in Duitsland, wordt devoorziening beëindigd, ook indien het een
                            loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet</al>
          <al>betreft.</al>
          <al/>
          <al>Het doel van het beleid is, waar mogelijk, personen die tot de doelgroep
                            behoren te helpen via dekortste weg regulier werk te vinden en daar waar
                            dat (nog) niet kan alles in het werk te stellen ombelemmeringen weg te
                            nemen en uitstroomkansen te vergroten. Het is aan het college om
                            tezorgen voor een voldoende aanbod van voorzieningen, waarbij zij te
                            maken krijgt met beperkte financiële middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is
                            van een veelheid aansociaaleconomische factoren.</al>
          <al/>
          <al>Voorzieningen worden alleen ingezet indien dit noodzakelijk wordt geacht
                            voor het vinden vanreguliere, niet gesubsidieerde, algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Daarnaast moet de inzet vanvoorzieningen er wel
                            toe kunnen leiden dat binnen afzienbare tijd het verkrijgen van
                            algemeengeaccepteerd al dan niet met de inzet van een loonkostensubsidie
                            mogelijk wordt. Bovendien moet er gekozen worden voor die voorziening die de kortste weg naar reguliere
                            arbeid biedt. Dat kangezien de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, ook
                            zijn een voorziening gericht op het werken alszelfstandige. Of een
                            voorziening noodzakelijk is en welke voorziening ingezet wordt, is
                            afhankelijkvan meerdere factoren. Rekening wordt in ieder geval gehouden
                            met de omstandigheden en defunctionele beperkingen van personen met een
                            handicap. Dit is in overeenstemming met het VNverdraginzake de rechten
                            van personen met een handicap.</al>
          <al/>
          <al>Om de financiële risico's te beheersen, heeft de MGR ervoor gekozen een
                            verdeling te maken vande schaarse middelen over de verschillende
                            voorzieningen. Om het mogelijk te maken dat hetuitgeput zijn van een
                            begrotingspost een reden is een voorziening te weigeren, wordt het
                            college de mogelijkheid gegeven budget- of subsidieplafonds in te stellen. Indien
                            het plafond van een bepaaldevoorziening wordt bereikt, zal het college
                            indien zij dit noodzakelijk acht, ervoor zorgen dat depersoon uit de
                            doelgroep een andere voorziening aangeboden krijgt als alternatief.</al>
          <al/>
          <al>Zoals in de algemene toelichting uitgelegd, heeft de MGR gekozen voor
                            een globale algemeneverordening, die gebaseerd is op de Participatiewet
                            en het Strategisch beleidskader Werk is deUitkomst!. De verordening
                            wordt uitgewerkt in nadere (beleids)regels. De colleges van de deelnemende gemeenten hebben de bevoegdheid beleidsregels op te stellen
                            gedelegeerd aan hetDB. Het DB kan bepalen deze bevoegdheid plus de bij
                            verordening gekregen bevoegdheid nadereregels vast te stellen, te
                            mandateren aan de Bestuurscommissie Werk. De Bestuurscommissie Werk</al>
          <al>is een orgaan dat de belangen van de deelnemende gemeenten in de MGR
                            behartigt op het domeinvan werk.</al>
          <al/>
          <al>In dit artikel is tevens vastgelegd dat iemand met een voorziening
                            beschut werk geen nieuwedienstbetrekking aangeboden krijgt indien de
                            dienstbetrekking door eigen toedoen is beëindigd. Ditgeldt gedurende een
                            periode van 12 maanden of voor zolang de persoon in het gedrag waardoor
                            de dienstbetrekking is beëindigd, volhardt. De middelen die de MGR heeft om
                            personen voorzieningenaan te bieden dienen zo efficiënt en effectief
                            mogelijk in te worden gezet, wanneer de gerede kansop herhaling bestaat
                            van het ongewenste gedrag, heeft de inzet van opnieuw de
                            voorzieningbeschut werk geen meerwaarde voor de
                            arbeidsinschakeling.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen over ondersteuning en voorzieningen</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel strekt ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met
                            alle voorzieningen, ook dievoorzieningen die niet met name in de
                            verordening zijn opgenomen. Ondersteuning bij dearbeidsinschakeling
                            behoeft niet perse de inzet van een voorziening in te houden. Als dat
                            kan, kanworden volstaan met advies of doorverwijzing naar andere
                            instanties. Indien er een voorziening ingezet wordt, kan dat één van de voorzieningen zijn die genoemd zijn in
                            de verordening maar dathoeft niet per se. De opsomming in de verordening
                            is namelijk niet limitatief.</al>
          <al/>
          <al>Tevens geeft dit artikel aan dat het college een voorziening kan
                            beëindigen en in welke gevallen zijdat kan doen. Onder beëindigen wordt
                            ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan eenwerkgever. Een
                            voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de personen uit de doelgroep als bedoeld in de
                            artikel 34a, vijfde lid,onderdel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36,
                            derde lid, onderdel b, van de WIA wordt hierop vooreen periode van twee
                            jaar een uitzondering gemaakt. De wet bepaalt nl. dat dit deel van
                            de doelgroep nog voor ondersteuning in aanmerking tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid indienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minst het minimumloon bedraagt en tenbehoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                            is</al>
          <al>verleend</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Werkgeversbonus</titel>
          </kop>
          <al>Een werkgever kan als hij een reguliere dienstbetrekking of een
                            dienstbetrekking metloonkostensubsidie aangaat met personen uit de
                            doelgroep in aanmerking komen voor eeneenmalige subsidie van maximaal €
                            2000,00. Net zoals bij alle andere voorzieningen bepaalt hetcollege of
                            de inzet van een werkgeversbonus noodzakelijk is. Indien de potentiële
                            werknemer in staat wordt geacht zonder deze bonus reguliere arbeid of arbeid met
                            loonkostensubsidie teverkrijgen, dan wordt geen bonus aan de werkgever
                            verstrekt. Het is een tegemoetkoming voorverwachte begeleidings- of
                            scholingskosten. Het DB zal nadere regels vaststellen die zien op
                            het toekennen van deze subsidie. Bovendien is, voor zover het DB hier niet
                            vanaf afwijkt, de NijmeegseKaderverordening Subsidieverstrekking op de
                            subsidieverstrekking van toepassing. Daarnaast isook de Algemene Wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Proefplaats</titel>
          </kop>
          <al>Via de inzet van een proefplaatsing kan een werkgever bezien of de
                            betreffende persoon uit dedoelgroep in staat is te voldoen aan de
                            gestelde functie-eisen. Tevens kan hiermee bij een persoonmet een
                            indicatie loonkostensubsidie een reële loonwaarde worden bepaald. Een
                            proefplaatsing wordt slechts ingezet als er een reëel uitzicht is op betaalde
                            werkzaamheden bij de betreffendewerkgever. De proefplaatsing is slechts
                            van korte duur en met name bedoeld om de werkgeverover de streep te
                            trekken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Tijdelijke loonkostensubsidie</titel>
          </kop>
          <al>De in artikel 6 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet
                            worden onderscheiden vande loonkostensubsidie zoals bedoeld in de
                            artikelen 10c en 10d van de wet. De laatstgenoemdeloonkostensubsidie is
                            geïntroduceerd in de wet door de Invoeringswet Participatiewet en is
                            specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 6
                            opgenomen loonkostensubsidie isniet noodzakelijk gericht op personen met
                            een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen meteen grote afstand op
                            de arbeidsmarkt, dit kunnen bijvoorbeeld 55plussers zijn zonder
                            recente werkervaring, alleenstaande ouders met kinderen of personen zonder
                            startkwalificatie of personendie wel gehandicapt zijn maar niet in
                            aanmerking komen voor een indicatie loonkostensubsidie.</al>
          <al/>
          <al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor
                            het feit dat voor eenpersoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                            worden betaald, terwijl de werkgever eenpersoon (nog) niet ten volle kan
                            inzetten en daarmee voor deze personen met een grote afstand totde
                            arbeidsmarkt een gelijk speelveld te creëren<cursief>.</cursief></al>
          <al/>
          <al>Er wordt maximaal 50% van het wettelijk minimumloon vergoed, waarbij ook
                            een bepaaldpercentage wordt vergoed van de werkgeverslasten en wel over
                            het deel waarvoorloonkostensubsidie wordt verstrekt. Hierbij wordt
                            aangesloten bij het percentage uit de Regelingloonkostensubsidie
                            Participatiewet. Bij het inwerking treden van de verordening gaat het
                            hierbij omeen percentage van 23,5 procent.</al>
          <al/>
          <al>Subsidie verstrekken is alleen toegestaan als de betreffende vacatures
                            niet leiden tot verdringing opde arbeidsmarkt. Dat wil zeggen dat
                            subsidiëring van de dienstbetrekking alleen is toegestaanindien de
                            betreffende vacatures niet zijn ontstaan door ontslag vanwege
                            economische redenenbinnen een periode van 26 weken vóór aanvang van de
                            dienstbetrekking. Bij ontslag vanwege eigeninitiatief van de werknemer,
                            handicap, ouderdomspensioen, vermindering van werktijd op initiatiefvan
                            de werknemer, of gewettigd ontslag om dringende redenen is subsidiëring
                            dus wel mogelijk, ookbinnen de periode van 26 weken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Ontwikkelingsbaan</titel>
          </kop>
          <al>Deze voorziening kan alleen ingezet worden voor personen uit de
                            doelgroep met een grote afstandtot de arbeidsmarkt. Omdat er sprake is
                            van werkzaamheden in een dienstbetrekking moeten dekandidaten reeds
                            beschikken over basale werknemersvaardigheden. Zij krijgen een
                            tijdelijk dienstverband van maximaal twee jaar aangeboden door een nader aan te
                            wijzen organisatie. Zijworden daarbij gedetacheerd bij inleners. Dit
                            wordt in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd.</al>
          <al/>
          <al>Het plaatsen bij inleners is alleen toegestaan als de betreffende
                            vacatures niet zijn ontstaan doorontslag vanwege economische redenen
                            binnen een periode van 26 weken voor plaatsing. Bijontslag vanwege eigen
                            initiatief van de werknemer, handicap, ouderdomspensioen,
                            verminderingvan werktijd op initiatief van de werknemer, of gewettigd
                            ontslag om dringende redenen is plaatsingdus wel mogelijk ook binnen de
                            periode van 26 weken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>No-riskpolis</titel>
          </kop>
          <al>De no-risk polis kan in 2015 worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a,tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet) en wordt ten behoeve van de gemeente uitgevoerd</al>
          <al>door het UWV. Dit is landelijk afgesproken met de Vereniging van
                            Nederlandse gemeenten en hetUWV.</al>
          <al/>
          <al>De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij
                            werkgevers weg te nemen ommensen met arbeidsbeperkingen in dienst te
                            nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgevercompensatie ontvangt
                            voor de loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen
                            ziek wordt. Een werkgever komt echter niet in aanmerking voor een no-risk
                            polis als artikel 29b van deZiektewet van toepassing is (artikel 8a,
                            tweede lid, onderdeel b Participatiewet), in dat geval wordtde werkgever
                            immers al gecompenseerd voor de loonkosten tijdens ziekte. Voor de inzet
                            van de noriskpolisis tevens vereist dat de werknemer werkzaam is met een
                            loonkostensubsidie als bedoeldin artikel 10d van de Participatiewet en
                            dat de baan een garantiebaan is als bedoeld in het SociaalAkkoord en de
                            op datum van vaststelling van deze verordening nog in behandeling zijnde
                            Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten</al>
          <al/>
          <al>De werkgever moet ten opzichte van het UWV aantonen dat de persoon uit
                            de doelgroep werkzaamis met behulp van een loonkostensubsidie als
                            bedoeld in artikel 10d van de wet en zich ook aan deoverige
                            verplichtingen houden. . Over de periode dat de werknemer ziek is krijgt
                            de werkgever geen loonkostensubsidie. Het is immers niet de bedoeling dat de werkgever
                            zowel op basis van artikel10d als op basis van deze verordening een
                            vergoeding krijgt voor de loonkosten.</al>
          <al/>
          <al>De hoogte en de duur van de uitkering is conform artikel 29
                            Ziektewet.</al>
          <al>Het rijk streeft naar harmonisatie met ingang van 2016 van het
                            instrumentarium voor WAJONGuitkeringsgerechtigden</al>
          <al>en personen met een indicatie loonkostensubsidie. Dit heeft tot gevolg
                            dat ook personen met een indicatie loonkostensubsidie, werkzaam op een baan
                            met loonkostensubsidieals bedoeld in artikel 10d van de wet onder 29b
                            Ziektewet gaan vallen. Vandaar dat deze noriskpolisalleen in 2015 kan
                            worden ingezet.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9.</nr>
            <titel>Persoonlijke ondersteuning</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Het gaat dan om eenvoorziening zoals een jobcoach, die op vaste
                            tijden en gedurende een langere periode eenmedewerker ondersteunt bij
                            het verrichten van zijn taken. De ondersteuning moet noodzakelijk zijnin
                            die zin, dat de medewerker zonder die ondersteuning in redelijkheid niet
                            zijn werkzaamheden zoukunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                            heeft tot doel dat een medewerker wordt begeleidnaar een situatie dat
                            hij uiteindelijk zonder deze begeleiding bij een werkgever regulier
                            werkzaamkan zijn. Het kan zijn dat deze ondersteuning zo vorm wordt
                            gegeven dat de werkgever gecoacht wordt bij het begeleiden van de persoon op de werkplek. Het DB kan in
                            nadere regels de duur vande persoonlijke ondersteuning beperken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10.</nr>
            <titel>Leerwerkplek</titel>
          </kop>
          <al>Een leerwerkplek kan ingezet worden voor personen met een grote afstand
                            tot de arbeidsmarkt.Een leerwerkplek duurt in totaal maximaal zes
                            maanden. Er kan gedurende deze periode onderandere gewerkt worden aan de
                            randvoorwaarden in de sociale omgeving (kinderopvang, schulden, arbeidritme en structuur, etc.), aan arbeidsmotivatie, aan
                            werknemersvaardigheden en tevens kande belanghebbende zich oriënteren op
                            een bepaalde beroepsrichting. Indien onbeloonde werkzaamheden deel uitmaken van deze leerwerkplek zijn deze
                            werkzaamheden additioneel. Nietde arbeid die verricht wordt staat
                            centraal, maar het leren werken.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11.</nr>
            <titel>Beschut werk</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die dooreen lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op enaanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            nietkan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (10b, eerste
                            lid).</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Stap 1: voorselectie</cursief>
          </al>
          <al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert het
                            college een voorselectie uit.Tijdens de voorselectie bepaalt het college
                            welke mensen in aanmerking kunnen komen voorbeschut werk, en op welk
                            moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij
                            dezevoorselectie uitvoeren. Het AB heeft ervoor in 2015 zich bij deze
                            voorselectie te beperken tot</al>
          <al>personen met een Wsw-indicatie die nog geen Wsw-baan hebben.Dit omdat
                            het aannemelijk is datjuist deze personen uit de doelgroep, aangewezen
                            zouden kunnen zijn op de voorziening beschutwerk.</al>
          <al/>
          <al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onderaangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, vande
                            Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig.
                            Het college maakt uit depersonen uit de doelgroep een voorselectie. Het
                            college moet bij het Uitvoeringsinstituutwerknemersverzekeringen advies
                            inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personenuitsluitend in
                            een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                            tot</al>
          <al>arbeidsparticipatie hebben.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen</cursief>
          </al>
          <al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot hetoordeel of een persoon tot de doelgroep beschut
                            werk behoort. Het Uitvoeringsinstituutwerknemersverzekeringen voert op
                            basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b,tweede
                            lid, van de Participatiewet).</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief>
          </al>
          <al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist het college ofiemand tot de doelgroep
                            'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een
                            onzorgvuldigetotstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, kan hetcollege besluiten het advies niet te
                            volgen.</al>
          <al/>
          <al>
            <cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief>
          </al>
          <al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt het Werkbedrijf ernamens de deelnemende gemeente voor dat deze
                            persoon in een dienstbetrekking onder beschutteomstandigheden aan de
                            slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Het kan dan
                            gaan</al>
          <al>om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking
                            (artikel 6, eerste lid, onderdeel f,van de Participatiewet).</al>
          <al/>
          <al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn, is
                            in deze verordeningvastgelegd welke voorzieningen voor
                            arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekkingmogelijk te
                            maken (derde lid). Tevens is bepaalt dat het DB de omvang van het aanbod
                            beschutwerk vaststelt.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12.</nr>
            <titel>Scholing</titel>
          </kop>
          <al>Bij de inzet van scholing wordt gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie
                            en de duur ervan. Gekozenwordt voor die scholing die het snelst leidt
                            tot het beoogde doel. In beginsel zal er geen scholingingezet worden die
                            langer dan 12 maanden in beslag neemt. Bovendien wordt de
                            scholinggecombineerd met een andere voorziening, doorgaans met een
                            voorziening waarbij er</al>
          <al>werkzaamheden worden verricht, behalve bij alleenstaande ouders die
                            ontheven zijn van deverplichting tot arbeidsinschakeling en daarvoor in
                            de plaats een scholingsplicht hebben (artikel 9avan de wet).</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>13.</nr>
            <titel>Diagnose</titel>
          </kop>
          <al>Dit onderzoek kan zowel voor de inzet van een voorziening als
                            tussentijds worden ingezetbijvoorbeeld als het noodzakelijk is om te
                            bepalen of een reeds ingezette voorziening nog geschiktis. Het doel van
                            dit onderzoek is dat er een goede indicatie wordt verkregen en
                            erarbeidinschakeling op maat kan worden aangeboden. Vooral bij
                            lichamelijke en psychischebeperkingen is een dergelijk onderzoek van
                            belang. De resultaten van het onderzoek kunnen er ooktoe leiden dat er
                            voorlopig geen voorziening wordt geboden en er een zorgtraject wordt
                            opgestartdoor de deelnemende gemeente.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>14.</nr>
            <titel>Premie participatieplaats</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de premie voor uitkeringsgerechtigden werkzaam op een
                            participatieplaats alsbedoeld in artikel 10a van de wet. De hoogte van
                            de premie is afhankelijk van het aantal uren en deduur dat er gewerkt
                            wordt. Pas nadat er zes volledige maanden zijn gewerkt kan de
                            premie uitgekeerd worden. Bovendien dient er dan in deze periode voldoende
                            meegewerkt te zijn aan dearbeidsinschakeling. Indien de
                            participatieplaats reeds stopt voordat er zes volle maanden zijngewerkt,
                            wordt er over de gewerkte maanden geen premie verstrekt.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>15</nr>
            <titel>Overige vergoedingen</titel>
          </kop>
          <al>Bij het verrichten van activiteiten gericht op arbeidsinschakeling kan
                            de uitkeringsgerechtigde of dewerkgever die een persoon met
                            loonkostensubsidie in dienst neemt geconfronteerd worden metbepaalde
                            noodzakelijke kosten. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld
                            reiskosten, vervoerskosten, werkplekaanpassingen en kosten voor tussenschoolse opvang. Het DB stelt
                            hierover nadere regelsvast.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>23</nr>
            <titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>24</nr>
            <titel>Intrekking en overgangsbepalingen</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel wordt het overgangsrecht geregeld. Voorzieningen die vóór
                            datum publicatie van dezeverordening zijn ingezet, kunnen nog
                            gecontinueerd worden in 2015 met toepassing van de totdatum publicatie
                            geldende Re-integratieverordeningen van de deelnemende gemeenten.
                            Metingang van 1 januari 2016 dienen deze voorzieningen aangepast te zijn
                            aan de regels van de ReintegratieverordeningParticipatiewet van de MGR
                            behalve voor de “oude” vormen vangesubsidieerde arbeid.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>25</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>