<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362827_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Diemen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemernieuws 2 april 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Diemen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, Monumentenwet, Wabo</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15-12</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Monumentenzorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Diemen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><titel>Ruimtelijke ontwikkeling</titel></kop><structuurtekst><al><vet>maart 2015</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk onroerend monument aangewezen: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk beschermd dorpsgezicht: groep van onroerende zaken,
                                    die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn
                                    onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn
                                    wetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarde en die
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                                    gemeentelijk dorpsgezicht is aangewezen en geregistreerd;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="d."><al>gemeentelijke lijst beschermde stads- of dorpsgezichten: de
                                    lijst waarop zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening
                                    aangewezen beschermde gemeentelijke dorpsgezichten bedoeld in
                                    onderdeel b;</al></li><li nr="e."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="f."><al>monumentencommissie: de op basis van artikel 15 Monumentenwet
                                    1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of
                                    uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;;</al></li><li nr="g."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Diemen. </al></li><li nr="i."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht. </al></li><li nr="j."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing VAN gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en de registratie als bedoeld
                            in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 4 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 16 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 32 weken na de
                                datum van de aanvraag tot aanwijzing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt
                                medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                                kadastrale legger bekend staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt onverwijld opgenomen in de openbare registers
                                zoals bedoeld in de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
                                en onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college, kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikelen 4, 5 en 6 eerste
                                lid zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een aanwijzing tot gemeentelijk monument intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                    of aan de monumentenverordening van de provincie Noord-Holland.
                                </al></li><li nr="4."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    aangetekend.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning
                                van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen
                                verbinden in het belang van het gemeentelijk monument. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 wordt ingediend bij het bevoegd
                            gezag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een monument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen de termijn vastgesteld door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>De omgevingsvergunning kan worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De omgevingsvergunning kan geheel of gedeeltelijk door het bevoegd gezag
                            worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="1."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="2."><al>blijkt dat de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden
                                    voorschriften of beperkingen niet naleeft;</al></li><li nr="3."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten (rijksmonumenten)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen de termijn vastgesteld door het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Aanwijzing VAN gemeentelijke dorpsgezichten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16. De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                                dorpsgezicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd
                                    dorpsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, lid 2 tot en met 3 en artikelen 4 tot en met 9 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats
                                    van monument gelezen moet worden beschermd dorpsgezicht en in
                                    plaats van monumentenlijst, lijst beschermde
                                    dorpsgezichten.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                    aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of
                                    dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Beschermende bestemmingsplannen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter bescherming van een op de lijst geplaatst dorpsgezicht stelt
                                    de raad een</al><al> bestemmingsplan of een beheersverordening vast als bedoeld in
                                    de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van
                                    een gemeentelijk dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden
                                    gesteld. </al></li><li nr="2."><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht
                                    wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen of
                                    beheersverordeningen als beschermend plan in de zin van het
                                    vorige lid kunnen worden aangemerkt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel><vet>HOOFDSTUK 6. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE
                                DORPSGEZICHTEN</vet></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
                                    zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het
                                    bevoegd gezag een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te
                                    breken.</al></li><li nr="2."><al>De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien naar het
                                    oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de
                                    plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal
                                    worden gebouwd.</al></li><li nr="3"><al>De artikelen 11 tot en met 14 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="4"><al>Een omgevingsvergunning is niet vereist voor de activiteit
                                    slopen ingevolge een aanschrijving van het college als bedoeld
                                    in hoofdstuk II, afdeling 2 van de Woningwet.</al></li><li nr="5"><al>Ingeval een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend voor
                                    een activiteit binnen een beschermd dorpsgezicht, zendt het
                                    bevoegd gezag onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                    aanvraag aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="6."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen de termijn vastgesteld door het college.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7. Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19. Tegemoetkoming in schade</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
                                    of zal lijden, die redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort
                                    te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                                    billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in
                                    relatie staat tot:</al></li><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de door het bevoegd gezag nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10, vierde lid; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met artikel 10 derde lid van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast: de inspecteur
                                    bouwregelgeving van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de
                                    gemeente Diemen.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening Diemen 2008, vastgesteld bij besluit van de raad
                            op 27 november 2008, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Erfgoedverordening
                                Diemen 2008 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten,
                                worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al><vet>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op 13 april 2015.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Erfgoedverordening Diemen
                            2015'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in de openbare raadsvergadering van
                        19 maart 2015</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>A Algemene toelichting</tussenkop><al>De Erfgoedverordening Diemen 2015 is de opvolger van de Erfgoedverordening
                    Diemen 2008. De actualisatie houdt vooral verband met de inwerkingtreding van de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht, het Besluit Omgevingswet (Bor) en de Regeling
                    omgevingswet (Mor).</al><al>Het is noodzakelijk dat de nieuwe procedure- en vergunningregels die hieruit
                    voortvloeien, in de Erfgoedverordening worden verwerkt. Van deze gelegenheid
                    wordt gebruik gemaakt om de verordening ook op andere punten te actualiseren. </al><al>De VNG-modelverordening is leidend geweest bij het opstellen van de
                    monumentenverordening Diemen 2015. Alleen waar daar aanleiding voor was, is de
                    Diemense verordening aangevuld en aangepast. Meest in het oog lopende afwijking
                    van de Modelverordening heeft betrekking op de archeologische monumentenzorg.
                    Waren in de Verordening van 2008 nog wel regels opgenomen ter bescherming van
                    archeologische waarden, in de verordening 2015 is dit niet meer noodzakelijk.
                    Sinds 2008 is deze bescherming namelijk anderszins verzekerd, t.w. in de
                    bestemmingsplannen. Nu de actualisering van de bestemmingsplannen in Diemen is
                    afgerond, zijn in alle bestemmingsplannen alsmede in de beheersverordening
                    regels opgenomen omtrent de archeologische monumentenzorg. Dientengevolge is de
                    (vangnet)regeling in de verordening niet meer nodig. De overige afwijkingen van
                    de Modelverordening zijn ondergeschikt van aard. Waar inhoudelijk relevant wordt
                    hierop in de artikelsgewijze toelichting nader ingegaan. </al><al>De verordening bevat met name de mogelijkheid van aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten en gemeentelijke dorpsgezichten. Verder is in de verordening het
                    inhoudelijk toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake gemeentelijke
                    monumenten bepaald. </al><al>Voor gebieden die als gemeentelijk dorpsgezicht wordt aangewezen, geldt de
                    verplichting dat een beschermend bestemmingsplan of beheersverordening door de
                    raad moet zijn of worden vastgesteld. </al><tussenkop> Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op
                    de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in de modelverordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Zaken die naar hun aard onroerend (kunnen)
                    zijn, zoals een kerkorgel, wandschildering of interieurinrichting kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. De
                    verordening maakt het niet mogelijk om ook roerende zaken als monument aan te
                    wijzen. Dergelijke roerende zaken bevinden zich immers altijd in een bepaalde
                    setting, waarbij die setting bepalend is voor de waarde van het roerend
                    monument. Aangezien roerende monumenten eenvoudig kunnen worden verplaatst en
                    daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de
                    verordening worden gebracht, is het effectueren van een bescherming als
                    gemeentelijk monument een illusie. Dat betekent dat met dergelijke regels alleen
                    de schijn van bescherming wordt gewekt. Met het opnemen van regels die niet
                    handhaafbaar zijn, wordt o.i. geen enkel doel gediend. Daarmee sluiten wij aan
                    bij de rijksoverheid die ook geen roerende zaken als rijksmonument
                    aanwijst.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten dienen groepen van onroerende zaken te
                    betreffen, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge
                    ruimtelijke- of structurele samenhang, en/of hun wetenschappelijke- of
                    cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten en/of
                    beeldbepalende zaken bevinden, die geregistreerd zijn op de rijks-, provinciale
                    of gemeentelijke monumentenlijst of een gemeentelijke lijst van beeldbepalende
                    zaken.</al><al>Met het beschermen van dorpsgezichten wordt beoogd die structuren in stand te
                    houden die in hun samenhang ondersteund door een of meerdere monumenten van
                    algemeen belang zijn. </al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. </al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>De gemeentelijke lijst beschermde dorpsgezichten is de lijst waarop zijn vermeld
                    de overeenkomstig deze verordening aangewezen beschermde gemeentelijke
                    dorpsgezichten (zie verder sub c).</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing.</al><tussenkop>Sub f</tussenkop><al>In artikel 15 van de Monumentenwet is bepaald dat de gemeente in een verordening
                    de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het college
                    over aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet.
                    In Diemen is de Adviescomissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aangewezen als
                    monumentencommissie.</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    erfgoedverordening, de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de Wabo te adviseren aan het college, is voldaan aan het
                    vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><tussenkop>Artikel 2. Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier vooral de (legale) gebruiksmogelijkheden die de
                    eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan
                    op de constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik
                    van het object zelf.</al><tussenkop>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire
                    bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot
                    aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                    opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd
                    in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht
                    op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                    het bestaande gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen
                    voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal
                    object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een
                    vergunning (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels
                    (zie art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                    onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning is
                    vereist. </al><al>Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de
                    aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel
                    en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt
                    aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                    Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                    bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                    wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument is vereist maar
                    bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub f. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats. In de verordening
                    is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een aanwijzing een
                    besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is
                    namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorbescherming</tussenkop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument
                    niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                    wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                    motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                    monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan
                    maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat
                    uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te
                    betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake
                    van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                    mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel
                    besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving)van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                    en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><tussenkop>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig (lid 2). Lid 3 regelt dat monumenten niet dubbel
                    aangewezen en geregistreerd kunnen zijn: in het geval dat het object ook als
                    rijks- of provinciaalmonument wordt aangewezen en geregistreerd, vervalt de
                    gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument. Monumenten op de
                    gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van
                    de monumentenlijst gehaald.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2 eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het derhalve alleen
                    over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag
                    voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningvereisten voor
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningvereisten er gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningvereisten af te wijken. </al><al>Specifiek in het kader van de deregulering is in lid 3 van artikel 10 de
                    mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die in de
                    plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de
                    vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en
                    ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom
                    buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke
                    monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere
                    onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor
                    relatief eenvoudige wijzigingen worden geconfronteerd met een
                    vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen expliciet die situaties worden
                    benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Deze nadere eisen
                    zijn vergelijkbaar met het door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg opgestelde
                    Algemeen Positief Advies (APA) voor rijksmonumenten; bepaalde –eenvoudige en
                    vastomlijnde- wijzigingen aan een rijksmonument mogen op grond hiervan worden
                    uitgevoerd zonder een instandhoudingbepaling te overtreden.</al><al>In lid 5 is een bepaling opgenomen betreffende religieuze monumenten. Is er
                    sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen
                    eigenaar en vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen
                    overigens uitsluitend de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                    religieuze monument. Dit betekent dat deze bepaling in ieder geval niet geldt
                    voor bijvoorbeeld de pastorie of catechisatieruimte.</al><tussenkop>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                    voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                    Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de
                    gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                    project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. In het geval van een gemeentelijk monument is dat in ieder geval
                    de gemeentelijke monumentencommissie</al><al>Van belang is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies
                    uit te brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze
                    gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van
                    een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                    gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Gelet op de
                    beslistermijn (ingeval van een reguliere procedure 8 weken, te verlengen met ten
                    hoogste 6 weken) dient het uitbrengen van het advies door de monumentencommissie
                    parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. </al><tussenkop>Artikel 13. Weigeringgronden</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaar weegt ten opzichte van andere belangen (bijvoorbeeld het
                    economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang
                    van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten.</al><tussenkop>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN (Rijksmonumenten)</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</tussenkop><al>De term beschermd monument is van toepassing op monumenten die door het Rijk
                    zijn aangewezen. De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de
                    vergunning voor deze beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en
                    afdeling 3.4 van de Awb. Hierop is –anders dan op gemeentelijke monumenten-
                    vaker de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing.. </al><al>Waar de werkzaamheden niet vallen onder het Algemeen Positief Advies (zie ook
                    toelichting art. 10) moet de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed binnen 8
                    weken (art. 6.4 Bor) na verzending van de adviesaanvraag adviseren. Indien het
                    beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W
                    verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de
                    adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot
                    advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. </al><al>Ten slotte moet ook de monumentencommissie bij de aanvragen om vergunning voor
                    rijksmonumenten worden ingeschakeld. Dit gebeurt op dezelfde wijze als bij
                    gemeentelijke monumenten. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 5. AANWIJZING VAN GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                    dorpsgezicht</tussenkop><al>Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders beschermde
                    dorpsgezichten aanwijzen. De aanwijzingsprocedure is gelijk aan die van
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>Net als bij monumenten geldt ook hier dat stads- en dorpsgezichten die al door
                    Rijk of provincie worden beschermd, niet voor aanwijzing door de gemeente in
                    aanmerking komen.</al><tussenkop>Artikel 17. Beschermende bestemmingsplannen</tussenkop><al>Ingeval van een aanwijzing is het noodzakelijk aan te geven welke de
                    ontwikkelingsmogelijkheden in het gebied zijn.</al><al>Het geëigende middel daartoe is de opstelling van een bestemmingsplan, dat
                    uitgaat van de bescherming van de beschreven cultuurhistorische waarden </al><al>In de verordening is daarom de verplichting tot het opstellen van een dergelijk
                    plan opgenomen. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 6. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel</tussenkop><al><vet>18. </vet> I<vet>nstandhoudingbepaling</vet></al><al>Bovengenoemd beschermend bestemmingsplan dient als toetsingskader voor
                    vergunningen in een beschermd dorpsgebied. </al><al>Daarnaast bevat de verordening een specifiek sloopverbod met als doel het
                    voorkomen van ongewenste sloop van gebouwen, waardoor het ensemble geweld wordt
                    aangedaan. Zo kan sloop worden voorkomen indien, naar het oordeel van het
                    college, onvoldoende verzekerd is dat er passende vervangende bebouwing kan en
                    zal worden opgericht. </al><al>Verder is geregeld dat de aanvragen om omgevingsvergunning, die betrekking
                    hebben op activiteiten binnen een beschermd gebied, worden voorgelegd aan de
                    monumentencommissie. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 7. OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Tegemoetkoming in schade</tussenkop><al>De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                    ‘buitenproportioneel’ is. Het veroorzaker-betaalt-principe staat daarbij voorop. </al><al>In deze modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin
                    de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                    mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden
                    toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te
                    maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure.</al><tussenkop>Artikel 20. Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning is geregeld in de Wet
                    economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of
                    in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch
                    delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in
                    de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 21. Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen. Het aanwijzen van nieuwe
                    toezichthouders kan door het college dan wel de burgemeester geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 22. Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat niet twee
                    verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een
                    beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door
                    een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 23. Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. In het
                    eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. In voorkomend geval zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere
                    regelgeving. Bij een aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit
                    de Wabo.</al><tussenkop>Artikel 24. Inwerkingtreding</tussenkop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van bekendmaking van de verordening.
                    Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><tussenkop>Artikel 25. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>