<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362786_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Twenterand 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Twenterand</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Twenterand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 16 februari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet en Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-07-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BIS 015.038.0004</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Twenterand 2015 -2018</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Twenterand 2014 wordt gelijktijdig met de vaststelling van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Twenterand 2015 ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG GEMEENTE TWENTERAND 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet, en de algemene bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt.</al></li><li nr="3."><al>Referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                peildatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het
                            in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de
                            toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid heeft een alleenstaande ouder een
                            langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                            Participatiewet indien gedurende de referteperiode het in aanmerking te
                            nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm
                            verhoogd met het bedrag van de verhoging van het kindgebonden budget,
                            als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden
                            budget.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien de
                            alleenstaande ouder niet in aanmerking komt voor een verhoging van het
                            kindgebonden budget, als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op
                            het kindgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels vaststellen wanneer er sprake is van
                            ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de
                            belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de Wet
                            tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, dan wel een studie
                            volgt als genoemd in de Wet studiefinanciering 2000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de
                            belanghebbende met een verordening vanwege uitkeringsfraude.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor gehuwden: 40% van de bijstandsnorm voor gehuwden;</al></li><li nr="b."><al>Voor alleenstaande ouders: 37% van de bijstandsnorm voor
                                    gehuwden;</al></li><li nr="c."><al>Voor alleenstaanden: 28% van de bijstandsnorm voor
                                    gehuwden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Twenterand 2012 wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Nadere regels en hardheidclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin de
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening kan het
                            college in beleidsregels nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de rechthebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Aanvragen ingediend na 1 januari 2015 en voor inwerkingtreding van deze
                        verordening, worden afgehandeld volgens de Verordening langdurigheidstoeslag
                        gemeente Twenterand 2012, behalve als de belanghebbende hierdoor wordt
                        benadeeld. In dat geval worden de aanvragen aangehouden tot inwerkingtreding
                        van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                            bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag gemeente Twenterand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt toegekend voor de geldigheidsduur van de indicatie
                        met een maximum van 12 maanden.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>___</ondertekening><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 10
                        februari 2015.</ondertekening><ondertekening>Vriezenveen</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>drs. R.J.M. Ros</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>ir. C.L. Visser</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid.</al><al>Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als
                    een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor.</al><al>Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen
                    voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben
                    op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen wie
                    in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een
                    arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit ’s
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 110% van het bestaansminimum. Bij de bepaling van dit
                    percentage is aangesloten bij het percentage als genoemd in het
                    minimabeleidsplan 2015 t/m 2018. </al><al>Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag
                    bepaald worden.</al><al>Het college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake
                    is van ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening.</al><al>Bij de beoordeling van het criterium ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ moet
                    het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36,
                    tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in
                    ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="1."><al>De krachten en bekwaamheden van de persoon, en.</al></li><li nr="2."><al>De inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Binnen het overgangsrecht is er in voorzien dat aanvragers niet worden benadeeld
                    t.o.v. de langdurigheidstoeslag door de latere vaststelling. De verordening
                    treedt met terugwerkende kracht in werking.</al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. De hoogte van de
                    toeslag wordt bepaald door de leefvorm op de peildatum. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omgeschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening.</al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waarop een persoon een individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met een meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat over de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Bij de keuze voor deze periode is
                    aangesloten bij de huidige regeling langdurigheidstoeslag. Zie ook de
                    toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.</al><tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop><al>Artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat een persoon een
                        <vet>verzoek</vet> tot verlening van individuele inkomenstoeslag kan
                    indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op <vet>aanvraag</vet>
                    verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een
                    besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in
                    beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3 Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.</al><tussenkop>Langdurig</tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening.</al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm inclusief eventueel verhoogd bedrag kindgebonden budget. </al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet
                    al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage
                    inkomen moet worden genegeerd<sup/>. Gaat het inkomen van een persoon gedurende
                    (een deel van) de referteperiode de toepasselijk bijstandsnorm maandelijks met
                    ongeveer € 5,- of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale
                    overschrijding van de bijstandsnorm/bestaansminimum die niet aan toekenning van
                    een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van
                    een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te
                    verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten<sup/>.</al><tussenkop>Artikel 4 Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande en een alleenstaande ouder, gehuwden. Bij de
                    langdurigheidstoeslag was de hoogte nog gebaseerd op de toepasselijke
                    beleidsnorm maar met de invoering van de kostendelersnorm en de verlaging van de
                    norm voor alleenstaande ouders zou dit onevenredige gevolgen kunnen hebben voor
                    alleenstaande ouders.</al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag<sup/>. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op
                    individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de
                    rechthebbende partner wel in aanmerking voor individuele inkomenstoeslag. Het
                    gaat hier om een partner die op één van de in artikelen 11 of 13, eerste lid van
                    de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>