<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362746_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilvarenbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilvarenbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, week 42, 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 147, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-10-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-08-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling naar aanleiding van de Wet Passend Onderwijs</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Artikelen over Eigen Bijdragen door ouders (artikel 14 en 15) zijn buiten werking gesteld</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a) aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi,
                            taxibus, treintaxi of bustaxi;</al><al>b) afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de
                            kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al><al>c) begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de
                            leerling tijdens het vervoer te begeleiden;</al><al>d) commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41, tweede
                            lid, van de Wet op de expertisecentra;</al><al>e) commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel 40b
                            van de Wet op de expertisecentra; </al><al>f) eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of (brom)fiets;</al><al>g) inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder
                            e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld
                            in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>h) leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel;</al><al>i) ondersteuningsplan:</al><al>1°. voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in
                            artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair
                            onderwijs; of 2°. voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als
                            bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><al>j) opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel
                            17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>k) openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per bus,
                            trein, metro, tram, veerdienst of auto;</al><al>l) opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                            leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al><al>m) ouders: ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al><al>n) regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 10g
                            van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>o) reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning
                            en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10
                            minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met
                            bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids
                            aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de
                            schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een
                            eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 15 minuten bij
                            gebruikmaking van aangepast vervoer;</al><al>p) samenwerkingsverband:</al><al>1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in
                            artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair
                            onderwijs; of 2°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband
                            als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><al>q) school: </al><al>1°.basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de
                            Wet op het primair onderwijs;</al><al>2°. school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de
                            expertisecentra; of</al><al>3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;</al><al>r) stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;</al><al>s) toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de
                            verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de
                            openbare school;</al><al>t) vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen
                            de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in
                            aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de
                            schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige
                            leerling die aansluiting onmogelijk maakt;</al><al>u) vervoersvoorziening: </al><al>1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer
                            voor de leerling en zo nodig diens begeleider; </al><al>2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                            verzorgen; of</al><al>3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college
                            noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens
                            begeleider;</al><al>v) woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                            verblijft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten
                                vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de
                                woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de
                                leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken
                                van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan
                                een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts
                                aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als
                                door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende
                                bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de
                                richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort
                                waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn
                                gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een
                                vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld
                                door het samenwerkingsverband na overleg met het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de
                            wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling,
                            alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door
                                indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door
                                        de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum
                                        niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met
                                        ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de
                                        ouders verzochte datum.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al>1.De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                            de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van
                            wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen aan het college. </al><al/><al>2. Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                            toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het
                            college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. </al><al/><al>3. Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                            het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                            waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt,
                            vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het
                            college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college
                            deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders. </al><al/><al>4. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                            teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw
                            verstrekte vervoersvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 11
                            is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar
                            waarop de voorziening betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling
                            betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering
                            gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor primair onderwijs</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op leerlingen van scholen
                                    voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die voortgezet
                                    onderwijs volgen.</al></li><li nr="3."><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een
                                    vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning
                                    dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                                            speciale school voor basisonderwijs in het
                                            samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de
                                            leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het
                                            onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het
                                            vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten
                                            met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de
                                            speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder
                                            a.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag
                            voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die
                            voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning
                                naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste
                                lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet
                                onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets,
                                verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten
                                van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per
                                fiets ten behoeve van een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 9 bezoekt bekostiging op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling
                                en een begeleider indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 10
                                        en de leerling jonger dan tien jaar is, en door de ouders
                                        ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat
                                        de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar
                                        vervoer of de fiets gebruik te maken, of</al></li><li nr="b."><al>de leerling door een structurele lichamelijke,
                                        verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van
                                        het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals
                                bedoeld onder artikel 9 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                        artikelen 10 of 11 en de leerling met gebruikmaking van
                                        openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf
                                        uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                                        of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                                        teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de
                                        artikelen 10 of 11 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de
                                        leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder
                                        begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                        fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11
                                        en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                                        wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door
                                        henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige
                                        benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing
                                        niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                        handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van
                                        openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het
                                college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden
                                zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast
                                vervoer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college
                                de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te
                                vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid; of</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college
                                desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik
                                kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de
                                ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op
                                het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer
                                bedraagt dan € 24.300,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor
                                zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het
                                openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand te boven
                                gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een
                                eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer
                                over de in artikel 10 bepaalde afstand, indien het inkomen van de
                                ouders meer bedraagt dan € 24.300,-.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de
                                OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende
                                OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 10 bepaalde afstand
                                redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van
                                openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen
                                van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de
                                leerling binnen het systeem kunnen gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van € 24.300,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt
                                met ingang van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                                heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van € 24.300,-.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun
                                structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op
                                ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege
                                een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik
                                kunnen maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de
                                    Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de
                                    vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële
                                    draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de
                                    ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage
                                    tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin
                                    en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de
                                    ouders.</al></li></lijst><al>Zij bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Inkomen in euro’s</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Eigen bijdragen in euro’s</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0-32.500 </al></entry><entry colname="col2"><al>Nihil</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32.500-39.500</al></entry><entry colname="col2"><al>135</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39.500-45.500</al></entry><entry colname="col2"><al>570</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45.500-51.500</al></entry><entry colname="col2"><al>1060</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51.500 en verder</al></entry><entry colname="col2"><al>1060</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="4."><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang
                                    van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                    ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                                    en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.</al></li><li nr="5."><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 2015 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.</al></li><li nr="6."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens
                                    hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                    handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen,
                                    dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van
                                    openbaar vervoer gebruik kunnen maken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor voortgezet onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder school:</al><lijst><li nr="a."><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet
                                        op het voortgezet onderwijs; of</al></li><li nr="b."><al>een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of
                                        een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                        de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die
                                voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en
                                vervoer per fiets met begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt bekostiging op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider of
                                van de kosten van het vervoer per fiets van de leerling en een
                                begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke,
                                verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van
                                aangepast vervoeraan de ouders van de leerling die een school
                                zoals bedoeld onder artikel 16 bezoekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17
                                        en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets;</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17
                                        en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam
                                        wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door
                                        henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige
                                        benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing
                                        niet mogelijk is; of</al></li><li nr="d."><al>de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn
                                        structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                                        handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van
                                        openbaar vervoer gebruik te maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt
                                het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden
                                zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste
                                vervoer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college
                                de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te
                                vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college
                                desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik
                                kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de
                                ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                aan in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Met inachtneming van artikel 3 kent het college desgewenst een
                            vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in
                            de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het
                            volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een
                            internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze
                            paragraaf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het
                                weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het
                                vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie
                                van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het
                                pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders
                                en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de
                                school die de leerling bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 2 en 3 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                                toepassing, met uitzondering van artikel 12, eerste lid, aanhef en
                                onder a, en artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Gedragsregels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college gebruik maakt van de bevoegdheid om het vervoer
                                zelf te verzorgen dan wel te doen verzorgen, stelt het gedragsregels
                                op ter bevordering van een ordelijk en veilig verloop van het
                                vervoer en informeert daarover de ouders vooraf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het niet-naleving van de gedragsregels door de leerling doet de
                                aanspraak (tijdelijk) vervallen op elke bekostiging van
                                leerlingenvervoer, tenzij hem dit vanwege de verstandelijke
                                beperking niet is toe te rekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan het verstrekken van vervoerskosten voorwaarden
                                verbinden, die verband houden met de aard en het doel van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit dat is genomen op grond van deze
                                verordening intrekken indien niet aan de gestelde voorwaarden wordt
                                voldaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude regeling en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek 2012 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek 2012 blijft
                                van toepassing ten aanzien van aanvragen die zijn ingediend voor het
                                tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een krachtens de Verordening leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek
                                2012 toegekende vervoersvoorziening geldt als vervoersvoorziening
                                toegekend krachtens deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking 8 dagen na bekendmaking en
                                    werkt terug tot 1 augustus 2014.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek 2014.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al><cursief>b)</cursief><cursief>afstand</cursief></al><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke
                            afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. </al><al><cursief>g)</cursief><cursief>inkomen</cursief></al><al>Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4,
                            zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan
                            het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de
                            vervoerskosten wordt gevraagd, begint.</al><al><cursief>h)</cursief><cursief> leerling</cursief></al><al>Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat
                            kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling
                            te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde
                            lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en
                            tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de
                            basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in
                            de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op
                            een vervoersvoorziening.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders
                            van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een
                            vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de
                            gemeentelijke verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling
                            is hierbij niet van belang.</al><al>Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen
                            bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers
                            (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen
                            die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een
                            vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze
                            leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de
                            materiële instandhouding van die scholen.</al><al><cursief>i)</cursief><cursief>
                            ondersteuningsplan</cursief></al><al>Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke
                            rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken
                            ontwikkelingsproces kunnen doormaken, en dat leerlingen die extra
                            ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs
                            krijgen. Ook wordt het basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor
                            elke school geldt. </al><al>Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de
                            verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en –
                            voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria
                            voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs
                            in het samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria
                            voor terug- of overplaatsing naar reguliere scholen.</al><al>Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de
                            gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient
                            eerst op overeenstemming gericht overleg (hierna: OOGO) te hebben
                            plaatsgevonden met het college van de gemeenten die binnen het gebied
                            van het samenwerkingsverband zijn gelegen (artikel 18a, negende lid, van
                            de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO).</al><al><cursief>j)</cursief><cursief>opdc</cursief></al><al>Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als
                            ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs.</al><al><cursief>k)</cursief><cursief> openbaar vervoer</cursief></al><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij
                            de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet
                            personenvervoer 2000. In de verordening is de begripsomschrijving
                            uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al><cursief>l)</cursief><cursief>opstapplaats</cursief></al><al>Een van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor
                            goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen,
                            van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een
                            dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur
                            opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de
                            ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. Een
                            reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten achtte
                            deABRvS alleszins redelijk (26 februari 1992, nr.
                            R03.89.0419/83-107).</al><al><cursief>m)</cursief><cursief>ouders</cursief></al><al>De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee
                            onder het begrip ‘ouders’.</al><al><cursief>o)</cursief><cursief>reistijd</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die
                            een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken
                            met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer
                            naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met
                            gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan
                            anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                            of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                            komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 12,
                            eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 18, eerste lid, aanhef en
                            onder a).</al><al>De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de
                            afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van
                            de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd
                            uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar
                            vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer
                            een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de
                            school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval
                            dan ook redelijk enige tijd (vijftien minuten) op te tellen bij de
                            berekende duur van de rit. </al><al><cursief>p)</cursief><cursief>samenwerkingsverband</cursief></al><al><cursief>Onder </cursief><cursief>1°</cursief>: Een samenwerkingsverband
                            primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een
                            bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen,
                            speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en
                            scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover
                            daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en
                            cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het
                            bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet
                            speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen
                            vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen
                            toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het
                            samenwerkingsverband.</al><al><cursief>Onder </cursief><cursief>2°</cursief>: Een samenwerkingsverband
                            voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen
                            een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor
                            voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en
                            scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover
                            daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot
                            cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen
                            waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk
                            samenwerkingsverband. </al><al>Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en
                            voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die
                            geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband,
                            kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.</al><al>Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het
                            samenwerkingsverband.</al><al><cursief>q)</cursief><cursief>school</cursief></al><al><cursief>Speciaal onderwijs:</cursief> In de WEC gaat het om onderwijs
                            aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige
                            spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk
                            gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende
                            kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte
                            kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                            instituten.</al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al>Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel
                            meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs
                            aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige
                            spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van
                            deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met
                            een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer
                            moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met
                            een van deze handicaps en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke
                            kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk
                            opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                            instituten.</al><al>Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen.
                            Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.</al><al><cursief>Voortgezet onderwijs:</cursief> In de WVO gaat het om scholen
                            voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger
                            algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar
                            beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs (hierna: pro). </al><al>Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft
                            extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.</al><al><cursief>r)</cursief><cursief> stage</cursief></al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor
                            voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                            arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal
                            onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten
                            hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van
                            de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te
                            merken als ‘school’.</al><al><cursief>t)</cursief><cursief>toegankelijke
                            school</cursief></al><al>Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand
                            zijn aangewezen op een bepaalde school.</al><al>In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs
                            beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor
                            basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs
                            van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het
                            samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.</al><al>De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet
                            onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet
                            speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de WVO). Ook hier geldt
                            dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door
                            deskundigen.</al><al>Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de toelaatbaarheid
                            tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de WVO) en beslist of een
                            leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen (artikel 10e
                            van de WVO). Met ingang van 1 augustus 2015 is het praktijkonderwijs en
                            het leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs
                            geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een leerling
                            toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op
                            leerwegondersteunend onderwijs. </al><al>Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende
                            procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek
                            beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de
                            instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling
                            dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de
                            WEC).</al><al><cursief>t)</cursief><cursief>vervoer</cursief></al><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, is dit in de verordening
                            opgenomen. Zie ook de toelichting op artikel 1 onder
                            ‘opstapplaats’.</al><al>Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de
                            schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de
                            leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel
                            van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval
                            tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden,
                            lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond
                            voor het vervoer tijdens schooltijd.</al><al>Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet
                            onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De
                            vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met
                            leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en
                            -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een
                            bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.</al><al><cursief>u)</cursief><cursief>vervoersvoorziening</cursief></al><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan
                            wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit
                            nader uitgewerkt.</al><al><cursief>v)</cursief><cursief>woning</cursief></al><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de
                            leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet
                            relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan
                            ingeschreven.</al><al>Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft,
                            bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag
                            voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden.
                            Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke
                            opvang van de leerling elders.</al><al>Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop
                            van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in
                            beginsel niet onder het begrip ‘woning’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De door het college noodzakelijk te achten
                                vervoersvoorziening</titel></kop><al>Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het
                            van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                            vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het
                            vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid). De hoogte van deze
                            eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen
                            die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs
                            bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand
                            tussen de woning en de te bezoeken school (zie artikelen 14 en 15).
                            Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn
                            leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel,
                            indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot
                            stopzetting van het vervoer. </al><al>In het tweede lid van artikel 2 komt ook tot uitdrukking dat het
                            drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger
                            kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de
                            Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde lid
                            van artikel 2 is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet
                            vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
                            overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de
                            gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de
                            ouders.</al><al>Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat een leerling die meerderjarig
                            en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan
                            indienen, in plaats van de ouders/verzorgers. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school</titel></kop><al>In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de
                            gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of
                            levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te
                            eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de
                            verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder
                            onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van
                            de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de
                            openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school
                            van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn
                            lichamelijke of geestelijke toestand. In de verordening zijn deze
                            bepalingen verankerd in artikel 3.</al><al>Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar
                            afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de
                            leerling voldoende begaanbare, veilige weg. </al><al>Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een
                            vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de
                            woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe
                            beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst
                            bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in
                            dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan besluiten om in het
                            geheel geen bekostiging te verstrekken, als vervoer aanwezig is waarvan
                            de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de
                            leerling van dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de
                            gemeente busjes laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.</al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de
                            woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de
                            gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan
                            het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling
                            naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt
                            hetzelfde. </al><al><cursief>RICHTING </cursief></al><al>Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms)
                            katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd,
                            hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk
                            (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs;
                            voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het
                            hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal
                            bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag
                            (vrijescholen).</al><al>Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip
                            ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld:
                            Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen etc.</al><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief> Op grond van artikel 3, tweede
                            lid, dienen ouders van een leerling die een school bezoekt die op grote
                            afstand is gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling
                            passende scholen bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening
                            schriftelijk te verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het
                            openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen
                            bijzondere scholen. Deze verklaring van bezwaar dient zich te richten
                            tegen de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar
                            onderwijs, en niet tegen de onderwijskundige methode die op de school
                            gehanteerd wordt. Het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders
                            tegen een bepaalde richting inhoudelijk te verifiëren. </al><al><cursief>PASSEND ONDERWIJS</cursief></al><al><cursief>Rol samenwerkingsverband</cursief> De zorgplicht van de school
                            waar de leerling wordt aangemeld is een van de kernpunten van het
                            passend onderwijs. Wanneer de school waar de leerling is aangemeld niet
                            zelf in de benodigde onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de
                            verantwoordelijkheid van deze school om een andere school te vinden die
                            wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de
                            leerling binnen het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod
                            op het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan. Bij de beoordeling
                            of een school zelf in de benodigde ondersteuning kan voorzien vormt het
                            schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt
                            aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden. </al><al>Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin - onder
                            meer – wordt aangegeven welk niveau van basisondersteuning voor elke
                            school geldt, hoe de scholen met elkaar een samenhangend geheel aan
                            ondersteuningsvoorzieningen hebben gecreëerd, op welke wijze verwijzing
                            naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders
                            informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen bepaalde
                            ondersteuning kunnen bieden. </al><al><cursief>Instellingen voor cluster 1 en cluster 2</cursief> Voor
                            instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: De
                            instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat
                            ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de
                            commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de hand van
                            criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of
                            op begeleiding vanuit de instelling. Als de leerling niet toelaatbaar is
                            tot de instelling, kunnen ouders hun kind inschrijven bij een reguliere
                            school of, als daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen
                            daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling.
                            Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft
                            op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de
                            instelling.</al><al><cursief>De school is vol</cursief> Het spreekt voor zich dat op een
                            voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn
                            en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is
                            heeft geen zorgplicht voor de leerling. Indien de dichtstbijzijnde
                            school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is,
                            wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende
                            dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar
                            deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst
                            is voor de dichtstbijzijnde school. Als de wachtlijst is opgelost en de
                            leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school - de
                            gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de
                            vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school,
                            aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of
                            de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde
                            school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van
                            hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer
                            hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde,
                            toegankelijke school te worden verstrekt.</al><al><cursief>Dislocaties en nevenvestigingen</cursief> Als een school die
                            een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of
                            slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in
                            de zin van de verordening moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de
                            regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding geldt dat
                            de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden
                            aangemerkt als ‘school’. </al><al><cursief>Stage </cursief></al><al>Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor
                            voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het
                            arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal
                            onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten
                            hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van
                            de WEC).</al><al>Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te
                            merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een
                            vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan
                            bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het
                            stageadres.</al><al><cursief>Symbiose</cursief></al><al>Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een
                            basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                            voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC
                            en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een
                            overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat
                            geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in
                            aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat
                            ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op
                            leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee
                            gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de
                            verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en
                            einde van de schooldag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening</titel></kop><al>Om enige beleidsruimte te creëren is in artikel 4 bepaald, dat het
                            college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn
                            van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn
                            aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4 geeft de
                            ruimte om per geval de termijn te bepalen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in
                            aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De
                            gemeente stelt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar. </al><al><cursief>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</cursief> Onder
                            gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen
                            (bewijsstukken), bijv. een medische verklaring, werkgeversverklaring,
                            verklaring van de rijksinspecteur der belasting of een verklaring van
                            overwegende bezwaren. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of
                            gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier
                            terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde
                            gegevens binnen een door het college te bepalen termijn aan te vullen of
                            te verbeteren. </al><al> Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende
                            beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel
                            onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling
                            mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is,
                            zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is. Zie
                            hiervoor een uitspraak van de ABRvS (9 november 1989, nr.
                            R03.89.5831/S6535). </al><al><cursief>Ingangsdatum</cursief> Een toegekende vervoersvoorziening kan
                            bestaan uit een bekostiging aan de ouders, óf aanbieding van aangepast
                            vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van
                            busvervoer of een taxi(busje). In het geval van een bekostiging zal de
                            ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het
                            aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen
                            vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen
                            (artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a). Er vindt dus geen
                            bekostiging met terugwerkende kracht plaats. Wanneer de leerling
                            aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente
                            zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de
                            ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum
                            waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient
                            rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of
                            contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten (artikel 5, vijfde
                            lid, aanhef en onder b). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al><vet>Artikel 6. Doorgeven van wijzigingen</vet> Ouders zijn verplicht
                            wijzigingen die van directe invloed zijn op de toegekende
                            vervoersvoorziening door te geven aan het college. Ouders dienen dit zo
                            snel mogelijk te doen. Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder
                            andere:</al><lijst><li nr="-"><al>wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door
                                    verhuizing;</al></li><li nr="-"><al>verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                                    voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de schooltijden;</al></li><li nr="-"><al>verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in
                                    het openbaar vervoer;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet
                                    kunnen begeleiden van leerlingen.</al></li></lijst><al>Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de
                            verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al dan niet
                            opnieuw een vervoersvoorziening toe (artikel 6, tweede lid). Van ouders
                            van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school
                            voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van
                            het inkomen, een bijdrage worden gevraagd; zie artikelen 14 en 15. Deze
                            bijdrage kan worden verrekend met de eventuele bekostiging. Een
                            wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed
                            op de bekostiging van de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien
                            echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders
                            kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de bekostiging
                            aanpassen. Het college kan, zonder dat ouders iets hebben doorgegeven,
                            zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de
                            vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ouders ten onrechte
                            bekostiging (hebben) ontvangen. Artikel 6, vierde lid, biedt in
                            dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging
                            terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te
                            verstrekken bekostiging. <vet>Artikel 7. Peildatum leeftijd
                                leerling</vet>In artikel 11 is het
                            leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de – wettelijk
                            toegestane – volumebeperkende middelen opgenomen om al dan niet in
                            aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Dan verdient het
                            aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Om
                            administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt
                            voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is
                            van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen. De bepaling
                            houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar
                            negen jaar is, hij in het kader van de verordening het gehele schooljaar
                            als negen jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het
                            schooljaar tien jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het
                            gehele schooljaar te worden afgegeven. Het recht op leerlingenvervoer
                            staat overigens in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens.
                            Toelating en inschrijving bij een school volstaat. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al><vet>Artikel 8. Andere vergoedingen</vet>Als kan
                            worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere
                            weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten
                            van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken
                            van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de
                            verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als
                            bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat
                            dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het bovenstaande geldt
                            echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van
                            schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op
                            basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze
                            vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en
                            is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze
                            vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor primair onderwijs</titel></kop><al>Hoofdstuk 2betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij
                            een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen van
                            instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs volgen.
                                <cursief>Dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het
                                samenwerkingsverband </cursief>Het derde lid van artikel 9
                            is een aanvulling op artikel 3. Voor alle onderwijssoorten geldt de
                            hoofdregel van artikel 3, eerste lid: een vervoersvoorziening wordt
                            toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke
                            school. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer
                            het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de
                            dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband worden bekostigd.
                            Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn
                            soort te zijn. Het is mogelijk dat er een speciale school voor
                            basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de
                            woning is gelegen. Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het
                            samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs
                            aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband
                            (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de WPO). Een
                            ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor
                            basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een
                            leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40,
                            achtste lid, van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers
                            gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van
                            basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn. In
                            het derde lid van artikel 9 wordt gesproken van de basisschool waarvan
                            de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 3 de
                            dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. In dat geval is artikel 9
                            van toepassing. Daarnaast geldt, als gevolg van de verwijzing naar
                            artikel 3, bij toepassing van artikel 9, derde lid, aanhef en onderdeel
                            b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders. </al><al><cursief>Adviezen van deskundigen</cursief>Om te kunnen
                            beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een
                            vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type voorziening
                            de leerling dan in aanmerking komt, is in een aantal gevallen advies van
                            deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een
                            leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer
                            gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan
                            maken, of wellicht – al dan niet onder begeleiding – naar school kan
                            fietsen. Adviezen kunnen worden gegeven door: - de commissie voor de
                            begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4; - de commissie van
                            onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen van cluster 1 en
                            cluster 2; - de ambulante begeleider van de leerling; - de directeur van
                            de school; - het samenwerkingsverband. </al><al>Als de genoemde personen en instanties geen advies ten aanzien van het
                            vervoer hebben gegeven, of als het advies onduidelijk of onvolledig is,
                            kan de gemeente zo nodig zelf advies inwinnen bij de door haar
                            gecontracteerde sociaal-medische adviesdienst.</al><al>De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente.</al><al>Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang
                            gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren.
                            Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer – bijvoorbeeld
                            over de vraag of de route veilig is - kan dit worden ingewonnen bij
                            deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect,
                            bijvoorbeeld de (verkeers)politie. <vet>Artikel 10. Bekostiging van de
                                kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets</vet> In artikel 10
                            zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd waaronder ouders van leerlingen
                            die scholen bezoeken die onder paragraaf 2 vallen, aanspraak kunnen
                            maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als
                            uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de
                            kosten van het vervoer per fiets. <cursief>Afstandscriterium</cursief>
                            Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid, van de WEC
                            stellen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op
                            bekostiging bestaat op grond van de afstand. Artikel 4, zevende lid, van
                            de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand
                            wordt in de verordening als criterium aangehouden. De afstand moet per
                            route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald. Een
                            combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van
                            de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en
                            artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een
                            voor de hand liggend onderscheid in afstand tussen jongere en oudere
                            kinderen is niet toegestaan. <cursief>Kosten openbaar vervoer</cursief>
                            De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar
                            vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of
                            eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende
                            betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die
                            voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
                                <cursief>Fietsvergoeding</cursief> Het tweede lid van artikel 10
                            bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient
                            dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding,
                            gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren
                            als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de
                            afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor
                            de wintermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor
                            de overige maanden toe te kennen.| <vet>Artikel 11. Bekostiging van de
                                kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een
                                begeleider</vet> In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een
                            leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te
                            reizen. <cursief>Leerling is jonger dan tien jaar</cursief>In
                            artikel 10 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair
                            onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten,
                            als de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer is.
                            Als daarbij de leerling jonger dan tien jaar is, en de ouders op een
                            voor het college bevredigende wijze kunnen aantonen dat het kind niet in
                            staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken, komen de
                            ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een
                            begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties: - de
                            leerling moet een of meerdere malen overstappen; - de route van het
                            uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten. In dit
                            verband is artikel 7 van belang. Indien de leerling op 1 augustus van
                            het schooljaar negen jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de
                            leerling als negen jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in de
                            loop van het schooljaar tien jaar. VNG hanteert in haar modelverordening
                            een grens van 9 jaar. Deze grens baseert de VNG op onderzoek (2001).
                            Over het algemeen, zo bleek, kan een kind van negen jaar zonder
                            begeleiding alleen met de fiets over straat. <cursief>Structurele
                                handicap</cursief> Ouders van leerlingen die door hun structurele
                            handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen
                            in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én
                            een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school. De
                            vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is
                            hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn
                            handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
                            maken. Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een
                            bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het openbaar
                            vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk
                            zijn, waarbij de leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen,
                            om leert gaan met de OV-chipkaart en dergelijke. Bij de aanvraag dienen
                            ouders verklaringen van deskundigen te overleggen. Het college kan ook
                            advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Zie de toelichting op
                            artikel 9. </al><al> Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een
                            gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de
                            verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een
                            groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld -
                            herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met
                            het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een
                            vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van drie
                            maanden worden aangehouden. Toen de Wet Rea nog van kracht was werd ook
                            een termijn van drie maanden aangehouden vóórdat er sprake kon zijn van
                            een vervoersvergoeding. <cursief>Begeleiding</cursief> Begeleiding in
                            het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat
                            zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te
                            zorgen Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de
                            buren, een ouder van een andere leerling of een klassenassistent de
                            leerling begeleiden. Met de begeleiding van een jongere leerling door
                            een oudere leerling moet uiteraard heel omzichtig worden omgegaan. Een
                            en ander hangt af van factoren als leeftijd, verkeerssituaties en
                            dergelijke. Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats
                            aan de ouders van de leerling. Als een begeleider meer dan een leerling
                            tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts één maal bekostigd.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer</titel></kop><al> Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in
                            principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze
                            uitzonderingen zijn in artikel 12 vastgelegd. <cursief>Eerste lid,
                                onderdeel a: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur
                                en kan met aangepast vervoer tot 50% of minder worden
                                teruggebracht</cursief> Bij een reisduur tot anderhalf uur met het
                            openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde
                            school te kiezen niet in de knel, zo oordeelde de ABRvS. Van belang is
                            hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op
                            artikel 1. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop
                            zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien à vijftien minuten
                            vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor
                            de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. </al><al>De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de
                            schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast
                            vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de
                            taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk om de tijd
                            die hiervoor nodig is (vijftien minuten) niet op te tellen bij de
                            berekende duur van de rit. Het kan voorkomen dat voor de heenreis
                            (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer
                            overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of
                            vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast
                            vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van
                            openbaar vervoer. Overigens kunnen ouders, als zij op basis van het
                            criterium reistijd aanspraak op aangepast vervoer maken, niet van het
                            college eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder
                            wordt teruggebracht.</al><al><cursief> Eerste lid, onderdeel b: Openbaar vervoer ontbreekt</cursief>
                            In een aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo
                            weinig frequent dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor
                            het vervoer van de woning naar de school of terug. In dat geval kan het
                            college allereerst het volgende overwegen:</al><lijst><li nr="-"><al>de vervoersonderneming verzoeken om wijzigingen aan te brengen
                                    in de dienstregeling, zodat het openbaar vervoer bruikbaar wordt
                                    voor het reizen naar de school en terug; </al></li><li nr="-"><al>het bevoegd gezag van de school verzoeken de schooltijden
                                    (beter) af te stemmen op de dienstregeling van het openbaar
                                    vervoer.</al></li></lijst><al>Overigens biedt artikel 12, het eerste lid, aanhef en onderdeel b, het
                            college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag
                            worden geacht met de fiets naar school te gaan; zie ook de toelichting
                            op artikel 10. <cursief>Eerste lid, onderdeel c: Begeleiding van de
                                leerling in het openbaar vervoer is niet
                            mogelijk</cursief>De ouders dienen op een voor de gemeente
                            bevredigende wijze aan te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in
                            het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige
                            benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat
                            zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van
                            hun kinderen, wanneer dit nodig is. Zie ook de toelichting op artikel
                            11, onder het kopje ‘Begeleiding’. In de toelichting op het amendement
                            van de Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier van 5 maart 2012, dat tot een
                            wetswijziging heeft geleid, staat een en ander als volgt omschreven: “De
                            inzet die van ouders wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van ouders mag
                            uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet
                            mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir
                            wordt.” Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast
                            vervoer’ bedoeld zijn. Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college
                            moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is. <cursief>Eerste
                                lid, onderdeel d: Leerling kan door zijn handicap niet van het
                                openbaar vervoer gebruik maken </cursief>Als de leerling door zijn
                            structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van
                            het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een
                            voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag of een leerling
                            al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van
                            belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan
                            niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie verder
                            de toelichting op artikel 11, onder het kopje ‘Structurele handicap’.
                                <cursief>Tweede lid: Kosten van de begeleiding</cursief> Soms is
                            begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer
                            een leerling verzorging nodig heeft, of in het geval een leerling
                            bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval worden alleen de kosten
                            van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed. Ook kan
                            de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer.
                            Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het
                            vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Artikel 13 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen
                            vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school
                            vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto,
                            bromfiets, etc.), of wanneer een leerling gebruikmaakt van de fiets. Als
                            ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van
                            het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan
                            zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente
                            goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in
                            aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer,
                            en er is plaats in een busje dat toch al rijdt. De bekostiging van het
                            eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in
                            principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in aanmerking
                            komen: <cursief>a. Openbaar vervoer</cursief> Als ouders aanspraak maken
                            op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en zij de
                            leerling, met toestemming van het college, zelf vervoeren, dan keert het
                            college bekostiging uit op basis van de kosten van het openbaar vervoer.
                            Het college gaat na wat voor de te overbruggen afstand betaald zou
                            moeten worden, wanneer de leerling gebruik zou maken van het openbaar
                            vervoer. Hierbij wordt het meest goedkope tarief als uitgangspunt
                            genomen. <cursief>b. Aangepast vervoer</cursief> Als ouders in
                            aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                            vervoer en zij met toestemming van het college de leerling zelf
                            vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. De hoogte van
                            deze kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling binnenland. Het
                            volledige bedrag wordt uitgekeerd voor de kilometers die de leerling
                            aflegt. Wanneer zowel de heen- als de terugreis tweemaal worden vergoed
                            kunnen gemeenten rekenen met het gehalveerde bedrag. In het geval
                            gemeenten het zogenaamde schijvenmodel hanteren wordt de heen- en
                            terugreis tweemaal vergoed. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de
                            leerling ook tussen de middag wordt vervoerd. <cursief>Ouders vervoeren
                                meer dan één leerling</cursief>Artikel 13, derde lid,
                            bepaalt dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een
                            kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan
                            één leerling tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in
                            principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten
                            van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en
                            wordt niet per leerling verstrekt. Wanneer ouders toestemming vragen
                            meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college bij
                            wijze van uitzondering op grond van artikel 23 (de zogenaamde
                            hardheidsclausule) een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan
                            goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling. <cursief>Vervoer per
                                (brom)fiets</cursief> Ouders van een leerling kunnen het wenselijk
                            vinden dat hun kind gebruik maakt van de fiets, bijvoorbeeld ter
                            bevordering van de zelfredzaamheid. Wanneer de ouders op basis van de
                            bepalingen in de verordening voor een vervoersvoorziening in aanmerking
                            komen, kan het college – na toestemming te hebben gegeven – een
                            kilometervergoeding voor de fiets toekennen. De hoogte van deze
                            kilometervergoeding is afgeleid van de Reisregeling binnenland.
                            </al><al/><al><vet>Artikel 14. Drempelbedrag</vet> Artikel 4, zevende lid, van de WPO
                            biedt gemeenten de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening
                            te brengen. In de verordening is gebruik gemaakt van deze optie. De
                            wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een
                            bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de
                            zogenaamde drempel. </al><al> Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Als een leerling
                            slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt
                            toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening
                            gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een
                            vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.
                                <cursief>Kilometergrens</cursief> Bij het drempelbedrag is de
                            ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde
                            kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school
                            waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Invoering
                            van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer
                            tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. Artikel
                            4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als
                            bovengrens. Deze afstand wordt in de verordening aangehouden.
                                <cursief>Doelgroep</cursief> Doelgroep voor het drempelbedrag zijn
                            de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale
                            scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat
                            boven een bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen
                            die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar
                            vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet
                            zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders
                            mag geen drempelbedrag gevraagd worden. </al><al>Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor
                            een vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden
                            opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet biedt.
                                <cursief>Inkomen</cursief> Onder inkomen moet worden verstaan: het
                            inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de
                            Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens
                            voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in
                            artikel 4, zevende lid, van de WPO. Als peiljaar moet worden aangemerkt
                            het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het
                            schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd,
                            begint (zie artikel 1). Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk
                            inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit
                            bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een
                            voorgeschreven wijze. In de verordening is de grenswaarde van het
                            gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het
                            schooljaar 2013-2014 (dus voor het peiljaar 2011) vastgesteld op €
                            24.300,-. <cursief>Hoogte drempelbedrag</cursief>Als een
                            drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de
                            hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een
                            fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar vervoer die
                            zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente
                            vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De kosten van het openbaar
                            vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een
                            andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden
                            worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling
                            binnen het systeem kunnen gelden. </al><al> Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van
                            belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar
                            vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of
                            wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten
                            van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente
                            gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van
                            de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met
                            een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied. </al><al><cursief>Aantonen van het inkomen</cursief> Als de gemeente zelf geen
                            inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie
                            van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders
                            kunnen ook een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst. Wanneer
                            ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken,
                            wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort
                            tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld,
                            of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste
                            geval kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                            nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
                            Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het
                            derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig
                            uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen
                            van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden
                            gemaakt. <cursief>Structurele daling van inkomen</cursief> Wanneer het
                            inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                            peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een
                            structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de
                            ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                            afwijkingsmogelijkheid van artikel 23. Om te bepalen in welk geval het
                            redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet
                            studiefinanciering als richtsnoer dienen.
                            <cursief>Pleegouders</cursief>Pleegouders kunnen als ‘ouders’
                            in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie de toelichting op
                            artikel 1). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in
                            aanmerking komen voor een vervoervoorziening. Volgens een uitspraak van
                            de ABRvS (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is het
                            redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het
                            drempelbedrag in rekening gebracht kan worden. <cursief>Invordering
                                drempelbedrag</cursief>Artikel 2 geeft de regels voor de
                            invordering van het drempelbedrag. Wanneer het college zelf het vervoer
                            verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking
                            komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders
                            in gebreke blijven vervalt de aanspraak en wordt het vervoer stopgezet.
                                <vet>Artikel 15. Financiële draagkracht</vet> Artikel 4, elfde lid,
                            van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de
                            kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde
                            toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen
                            worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs
                            betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de
                            ouders. Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen
                            die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar
                            vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet
                            zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De
                            draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in
                            tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt
                            gebracht. In artikel 15 is gekozen voor een systeem waarin met een
                            aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde
                            draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de
                            bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden
                            geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de
                            WPO. Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een
                            structurele daling van het inkomen, een aanvraag door pleegouders en de
                            invordering wordt verwezen naar de betreffende kopjes van de toelichting
                            op artikel 14. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor
                            voortgezet onderwijs</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van
                                scholen voor voortgezet onderwijs</titel></kop><al><vet>Artikel 16. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen
                                van scholen voor voortgezet onderwijs</vet> Hoofdstuk 3betreft
                            leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband
                            voortgezet onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en
                            cluster 2 die voortgezet onderwijs volgen. Volgens artikel 4, het vierde
                            lid, van de WEC en artikel 4, eerste lid, van de WVO komen leerlingen
                            slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun
                            handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel
                            vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik
                            kunnen maken. <cursief>Adviezen van
                            deskundigen</cursief>Artikel 16, tweede lid,is identiek aan
                            artikel 9, vierde lid. Zie voor een toelichting daarom de toelichting op
                            artikel 9 onder het kopje ‘Adviezen van
                                deskundigen’.<vet>Artikel 17. Bekostiging van de
                                kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets
                                </vet><vet>met begeleiding</vet> Ouders van leerlingen die door hun
                            structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen
                            reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor
                            de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de
                            school. <cursief>Structurele handicap</cursief> De vraag of een leerling
                            al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van
                            belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan
                            niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie voor
                            verdere toelichting de toelichting op artikel 11 onder het kopje
                            ‘Structurele handicap’<cursief>.</cursief><cursief>Begeleiding</cursief>
                            Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij
                            niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een
                            oplossing te zorgen Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas,
                            een van de buren, een ouder van een andere leerling of een
                            klassenassistent de leerling begeleiden. Zie voor verdere toelichting de
                            toelichting op artikel 11 onder het kopje ‘Begeleiding’. <vet>Artikel
                                18. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                            vervoer</vet>Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast
                            vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden
                            versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 18 vastgelegd. Artikel 18
                            is identiek aan artikel 12, dat geldt voor leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel 18 daarom de
                            toelichting op artikel 12. Wanneer daar ‘artikel 12’ staat dient er in
                            dit geval ‘artikel 18’ te worden gelezen. <vet>Artikel 19. Bekostiging
                                op basis van de kosten van eigen vervoer</vet> Artikel 19 is
                            identiek aan artikel 13, dat geldt voor leerlingen van scholen voor
                            primair onderwijs. Zie voor een toelichting op artikel 19 daarom de
                            toelichting op artikel 13. Wanneer daar ‘artikel 13’ staat dient er in
                            dit geval ‘artikel 19’ te worden gelezen. <vet>Hoofdstuk 4 Bepalingen
                                omtrent weekeinde- en vakantievervoer</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie
                                aan in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening bepalingen
                            op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In paragraaf 4 van
                            de verordening wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 20 bevat twee
                            belangrijke componenten: 1. Een vervoersvoorziening voor het weekeinde
                            en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling
                            in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het
                            volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in
                            de WEC. Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een
                            internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een
                            school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college
                            geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als
                            de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die
                            redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt
                            kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar
                            de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of
                            sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de
                            buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden
                            een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst. Ouders
                            van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het
                            regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een
                            vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie. 2. Het college
                            van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening
                            voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in
                            aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de
                            gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft
                            heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor
                            dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en
                            terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het
                            internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</titel></kop><al><vet>Artikel 21. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie</vet>
                            Artikel 21 bepaalt dat een vervoersvoorziening kan worden toegekend voor
                            de reizen van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders
                            en terug in het weekeinde en in de vakanties. Het college van de
                            gemeente waar de ouders wonen bepaalt welke vervoersvoorziening wordt
                            toegekend. Artikel 21, derde lid, geeft aan dat de bepalingen van
                            paragraaf 2 en 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn
                            op de toekenning van een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                            vakantie, op enkele uitzonderingen na. Dit houdt het volgende in: -
                            Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in
                            aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de
                            vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan
                            openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het
                            openbaar vervoer gebruik kunnen maken. - Voor de toekenning is
                            bekostiging van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. - Het
                            college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een
                            begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd
                            niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
                            Zie artikelen 11 en 17. - Het college verstrekt een vervoersvoorziening
                            in de vorm van aangepast vervoer als:</al><lijst><li nr="a."><al>openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is -
                                    ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te
                                    maken.</al></li></lijst><al>Zie artikelen 12 en 18.</al><al><onderstreept>Nota bene</onderstreept>: Een vervoersvoorziening in de
                            vorm van aangepast vervoer wordt in dit geval niet verstrekt als de
                            leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur
                            onderweg is. - Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf
                            vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de
                            vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. Zie
                            artikelen 13 en 19. De algemene bepalingen van paragraaf 1 van de
                            verordening zijn uiteraard ook van toepassing, evenals de slotbepalingen
                            van paragraaf 5. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Gedragsregels</titel></kop><al>De gedragsregels worden aan de ouders meegedeeld voor de aanvang van het
                            schooljaar. Als de leerling zich niet gedraagt overeenkomstig de
                            gedragsregels dan wordt de leerling uitgesloten van enig vorm van
                            leerlingenvervoer voor een kortere of langere periode, afhankelijk van
                            de ernst van de gedraging. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al><vet>Artikel 24. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</vet> In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de
                            bekostiging van het leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter
                            concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Te
                            denken valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met andere
                            gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer,
                            varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 24 bepaalt dat
                            het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het
                            uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de
                            verordening gehandeld te worden. <vet>Artikel 25. Afwijken van
                                bepalingen</vet> Artikel 23 stelt dat het college slechts in voor
                            ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling
                            wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel 4,
                            tiende lid, van de WEC en artikel 4, zevende lid, van de WVO. Van een
                            afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij
                            toekenning van bekostiging van openbaar vervoer voor een begeleider,
                            toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer,
                            bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of
                            toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen
                            school. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een
                            bijzondere situatie.</al><al>Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten
                            behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een
                            medische behandeling bijvoorbeeld.</al><al>De ABRvS heeft in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven voor de
                            toepassing van de hardheidsclausule:</al><al>-Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard,
                            die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de
                            bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De
                            toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten
                            en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld
                            medische, pedagogische en sociale factoren (12 mei 1989, nr.
                            R03.88.7057/Sp347/26-41). - Door middel van toepassing van de
                            hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden
                            afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag (2 april 1990
                            R03.87.7147/58-43). <cursief>Advies van deskundigen</cursief> In artikel
                            23 wordt bepaald dat het college zo nodig advies vraagt van deskundigen
                            ter zake. Zie hiervoor de toelichting op artikel 9, onder het kopje
                            ‘Adviezen van deskundigen’. <cursief>Precedentwerking</cursief> Ter
                            voorkoming van - ongewenste - precedentwerking moet de toepassing van de
                            hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke,
                            concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude regeling en overgangsrecht</titel></kop><al>De Verordening leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek 2012 wordt
                            ingetrokken. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek 2012
                            blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen die zijn ingediend voor
                            het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Een krachtens de Verordening leerlingenvervoer gemeente Hilvarenbeek
                            2012 toegekende vervoersvoorziening geldt als vervoersvoorziening
                            toegekend krachtens de Verordening leerlingenvervoer gemeente
                            Hilvarenbeek 2014.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 17 oktober 2014 en werkt terug tot
                            1 augustus 2014.</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer
                            gemeente Hilvarenbeek 2014.</al></divisie><divisie><kop><titel>Besluit</titel></kop><al>De gemeenteraad stelt vast de Verordening leerlingenvervoer gemeente
                            Hilvarenbeek 2014.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van .</al><al>de griffier, </al><al/><al>de voorzitter,</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>