<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362350_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-21761.html">officiële bekendmakingen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, artikel 8, eerste lid, onderdeel d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=29">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 29</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=29">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 29</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/026195 AB/015165</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
            Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 januari
                        2015;</al><al/><al>gelet op:</al><al/><al>artikel 147 van de Gemeentewet, de bepalingen van de Algemene wet
                        bestuursrecht, artikel 8, eerste lid, onderdeel d van de
                        Participatiewet, artikel 29 Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 29 Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende</al><al/><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Beslagvrije voet</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c
                                                tot en met 475<sup>e</sup> van het Wetboek van
                                                Burgerlijke Rechtsvordering;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bezit</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                                diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                                beschikken, met uitzondering van het in de woning
                                                met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in
                                                artikel 50, eerste lid Participatiewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>IOAW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>IOAZ</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Recidiveboete</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                                vijfde lid Participatiewet en artikel 20a, vijfde
                                                lid IOAW en IOAZ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Verrekenen</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid
                                                Participatiewet, artikel 29 IOAW.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het bezit van belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het bezit van belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r
                                Participatiewet en artikel 8, tweede en vijfde lid IOAW.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen als:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid Participatiewet, als en voor zover deze boete nog niet is betaald op
                            het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive WWB,
                                    IOAW en IOAZ 2013 vastgesteld 28 maart 2013 wordt ingetrokken op
                                    de dag van inwerkingtreding als bedoeld in het eerste lid. </al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                                    bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet, IOAW en IOAZ
                                    2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 26 februari 2015</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMEEN</titel></kop><al>Op 1 januari 2013 is de “Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving” in werking getreden. Voor de Participatiewet regelt deze
                            wet de bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht.
                            Het college is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering
                            te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming van
                            de beslagvrije voet in acht worden genomen. Is echter sprake van een
                            bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college besluiten
                            gedurende maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen. </al><al>De Participatiewet verplicht het college in een verordening nadere
                            regels te stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk
                            buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete.
                            Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties
                            of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije
                            voet niet proportioneel wordt geacht.</al><al>De bevoegdheid van het college strekt zich slechts uit over het al dan
                            niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de
                            recidiveboete. Daar waar terugvordering en invordering niet door de
                            wetgever is verplicht, blijft sprake van een bevoegdheid van het
                            college. Het is derhalve aan het college op deze onderdelen nadere
                            (beleids)regels vast te stellen.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                            verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete
                            te verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval
                            aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens
                            de regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de
                            uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek.
                            Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de
                            belanghebbende het college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de
                            beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid
                            Participatiewet is geregeld dat het college die de uitkering verstrekt,
                            de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te
                            komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat
                            verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen verordening zijn
                            vastgelegd.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste
                            behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Bezit</cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij
                            om (de waarde van) alle bezittingen waarover belanghebbende of diens
                            gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen
                            kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in de verordening wordt gebruikt, gaat
                            het nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet. Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en
                            worden dus ook niet op het bezit in mindering gebracht. Ook de
                            vrijlatingen van artikel 34, tweede lid Participatiewet zijn hier niet
                            van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige verrekening
                            met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                            bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken,
                            volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
                            te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                            belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al/><al><cursief>Verrekenen</cursief></al><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek
                            van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een
                            aparte begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                            beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden
                            als belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te
                            kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2. Van
                            voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover
                            belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                            driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending
                            of tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden
                            overbrugd moeten kunnen worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>Heeft belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                            maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen
                            overbruggen, dan verrekent het college slechts één maand zonder
                            inachtneming van de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt
                            weliswaar verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet
                            volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte
                            van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor het percentage van 80%
                            is aansluiting gezocht bij de invorderingsmogelijkheden die de
                            Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers. Onder omstandigheden kan
                            deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke bijstandsnorm)
                            verlagen met 10% op grond van artikel 90, eerste lid Invorderingswet
                            1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                            fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                            herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                            duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden
                            met de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van
                            de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                            consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee
                            zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van
                            artikel 31, tweede lid, onderdelen n of r Participatiewet worden
                            vrijgelaten voor de algemene bijstand. Bij verrekening van de
                            recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter
                            gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing
                            bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende nog over voldoende
                            inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                            inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening
                            met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties
                            komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele
                            omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen. Hiermee kan
                            worden voorkomen dat burgers drie maanden zonder enige vorm van inkomen
                            raken, met alle maatschappelijke consequenties en kosten die daarvan het
                            gevolg kunnen zijn. Met name als het om gezinnen gaat, kan hierdoor
                            worden voorkomen dat kinderen de dupe worden.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking
                            van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                            volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van
                            belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat belanghebbende
                            door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de
                            problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke kosten van
                            dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een
                            dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien.
                            Dat volgt uit het woord ‘anderszins’ in onderdeel b. Ook bij
                            aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                            huisuitzetting, kan het college rekening houden met de bescherming van
                            de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat
                            slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                            waarin belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele
                            andere wijze te verhelpen zijn. Van dringende redenen kan spraken zijn,
                            bijvoorbeeld bij inwoning van een ernstig ziek gezinslid of als het
                            welzijn van kinderen ernstig in gevaar komt. Het enkele feit dat het
                            belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het
                            bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen
                            spreken van dringende redenen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                            om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                            opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening
                            van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht
                            het college die eerdere , nog openstaande boetes, gaan verrekenen, dan
                            regelt artikel 5 dat de bepalingen in deze verordening van
                            overeenkomstige toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>