<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362343_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-21755.html">officiële bekendmakingen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/026195 AB/015242</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 februari
                        2015;</al><al/><al>gelet op:</al><al/><al>artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en tweede lid
                        Participatiewet;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende</al><al/><al><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet
                        2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Inkomen</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                                Participatiewet en de algemene bijstand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Peildatum</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Datum waartegen een persoon individuele
                                                inkomenstoeslag aanvraagt en aan de voorwaarden
                                                voldoet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Referteperiode</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Periode van 3 jaar voorafgaand aan de
                                                peildatum.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid Participatiewet, moet
                            worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder
                            overlegging van de benodigde bewijsstukken, of – als dit naar het
                            oordeel van het college doelmatiger is – in overeenstemming met een
                            hiervoor door het college vastgestelde werkwijze.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitsluitingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon komt niet in aanmerking voor een individuele
                                inkomenstoeslag, als aan deze gedurende het jaar voorafgaande aan de
                                peildatum een maatregel is opgelegd wegens een schending van een
                                arbeids- of re-integratieverplichting als bedoeld in de
                                Participatiewet en/of de Afstemmingsverordening Participatiewet,
                                IOAW en IOAZ of een maatregel is opgelegd door het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon welke uit ’s-Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                                tijdens de referteperiode heeft gevolgd, komt niet in aanmerking
                                voor een individuele inkomenstoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                            aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm zoals bedoeld in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de
                            Participatiewet, welke norm bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met
                            20% van de norm voor gehuwden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 385,- voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>€ 495,- voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>€ 550,- voor gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                                overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden
                                naar boven afgerond op hele euro’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><al>In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>De verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2014,
                                    vastgesteld op 20 februari 2014 wordt ingetrokken op de dag van
                                    inwerkingtreding als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                    inkomenstoeslag Participatiewet 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 26 februari 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                            bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel
                            toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig
                            op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er
                            na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen
                            uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van
                            de Wet werk en bijstand (WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het
                            leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                            gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                            bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand.</al><al>De rechtvaardiging van de toeslag is dat mensen die langdurig van het
                            sociaal minimum afhankelijk zijn, over het algemeen geen mogelijkheden
                            meer hebben om te reserveren voor (onverwachte) hoge kosten, zoals voor
                            vervangingsuitgaven die na verloop van tijd onvermijdelijk zijn. Per 1
                            januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                            langdurigheidstoeslag. Het college kan een individuele inkomenstoeslag
                            verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor.</al><al/><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening</cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten.
                            Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die
                            langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden
                            van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel
                            36, eerste lid Participatiewet). Bij verordening moeten regels
                            vastgesteld worden over het verlenen van een individuele
                            inkomenstoeslag. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op
                            de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en
                            ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een
                            laag inkomen bij een inkomen hoger dan 120% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al><al>Daarnaast moet de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bij
                            verordening bepaald worden, en kan het college bij verordening of in
                            beleidsregels aangeven wanneer sprake is van ‘geen uitzicht op
                            inkomensverbetering’. Bij de beoordeling van het criterium ‘geen
                            uitzicht op inkomensverbetering’ moet rekening worden gehouden met de
                            omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid Participatiewet
                            is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
                            gerekend:</al><lijst><li nr="·"><al>De krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="·"><al>De inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                    inkomensverbetering te komen.</al></li></lijst><al>Het college kiest ervoor in deze verordening aan te geven welke groepen
                            niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke
                            gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Dit is
                            uitgewerkt in artikel 3 Uitsluitingsgronden van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                            langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                            overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                            langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z Participatiewet voorziet in
                            algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                            Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                            Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De
                            individuele inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden
                            immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren
                            hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op
                            een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke
                            verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort,
                            ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn
                            gesteld in artikel 36 Participatiewet en deze verordening. Toekenning
                            van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op
                            of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                            artikel 36 Participatiewet en deze verordening opgenomen
                            voorwaarden.</al><al/><al><cursief>Wijziging leefvorm</cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde) van een
                            persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het
                            geval als gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over
                            een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden
                            aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode
                            aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in
                            aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als
                            afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                            gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                            toepassing op deze verordening.</al><al/><al><cursief>Inkomen</cursief></al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                            Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                            beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in
                            aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen
                            in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een
                            vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen
                            dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing
                            moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet
                            wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in
                            aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan
                            hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag
                            heet omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode
                            vanwege een eerder verwerkte toeslag. Wat voor een eerder verstrekte
                            individuele inkomenstoeslag geldt, geldt ook voor een eerder verstrekte
                            langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                            januari 2015.</al><al/><al><cursief>Peildatum</cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele
                            inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om
                            de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in
                            aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                            uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen
                            met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de
                            dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag
                            aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt
                            uit artikel 44, eerste lid van de Participatiewet en de jurisprudentie
                            rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al/><al><cursief>Referteperiode</cursief></al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een
                            periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting
                            bij artikel 4 onder ‘langdurig’. De referteperiode is hetzelfde als in
                            de Verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2014.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid van de
                            Participatiewet dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot
                            verlening van individuele inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de
                            langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag
                            wordt verstaan: op een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                            (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag moet in beginsel
                            schriftelijk worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheden te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet
                            worden ingediend, bepaalt artikel 2 dat het verzoek moet worden gedaan
                            middels een daartoe bestemd aanvraagformulier. Een verzoek wordt dan
                            gezien als een aanvraag zoals bedoel in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het
                            gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die
                            wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres
                            van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de
                            beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid van de Awb). De
                            aanvrager verschaft ook de gegevens en bewijsstukken die voor de
                            beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                            beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid van de Awb). Een
                            mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek
                            om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                            Participatiewet.</al><al>In ambtshalve toekenning is wettelijk niet voorzien. Door gerichte
                            voorlichting worden belanghebbenden uitgenodigd een aanvraag in te
                            dienen, en op de mogelijkheden gewezen. De aanvraagprocedure wordt zo
                            eenvoudig mogelijk gehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitsluitingsgronden</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Een belanghebbende aan wie in de referteperiode een maatregel is
                            opgelegd wegens een schending van een arbeids- of
                            re-integratieverplichting heeft in beginsel geen zicht op
                            inkomensverbetering. Het college beoordeelt in dergelijke gevallen
                            niettemin telkens het uitzicht op inkomensverbetering van belanghebbende
                            als hij zijn verplichtingen niet zou hebben geschonden. Dit is
                            bijvoorbeeld het geval als belanghebbende een (goede) baan heeft laten
                            lopen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het is toegestaan – nog voordat de verdere toetsing plaatsvindt – de
                            wettelijke doelgroep nader af te bakenen en bijvoorbeeld bepaalde
                            groepen, zoals studenten uit te sluiten. Het gaat hier om personen van
                            wie gesteld kan worden dat een recht op de toeslag niet overeen zou
                            komen met de aard en doelstelling ervan.</al><al>Van studenten kan in het algemeen worden gesteld dat zij een (goed)
                            perspectief hebben op inkomensverbetering. Om te voorkomen dat degene
                            met een baan met een minimum inkomen, die zijn positie middels
                            avondstudie probeert te verbeteren, niet in aanmerking zou komen, is
                            bepalend of de studerende in de referteperiode studiefinanciering heeft
                            genoten. Studiefinanciering is immers alleen mogelijk bij een
                            voltijdstudie en bij studenten beneden een bepaalde leeftijd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat
                            onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.</al><al/><al><cursief>Langdurig</cursief></al><al>De door het college vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                            peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                            vastgesteld in artikel 1 van deze verordening op 3 jaar.</al><al/><al><cursief>Laag inkomen</cursief></al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 120% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al><al/><al><cursief>Alleenstaande ouders</cursief></al><al>Vanaf 1 januari 2015 is de uitkering voor een alleenstaande ouder gelijk
                            aan die van een alleenstaande (70% van de bijstandsuitkering voor
                            gehuwden). Tot 1 januari werd de uitkering van een alleenstaande ouder
                            verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 20%. Deze toeslag vervalt. In
                            plaats daarvan ontvangt een alleenstaande ouder, zonder toeslagpartner,
                            een aangepast kindgebonden budget van de Belastingdienst, de zogenaamde
                            alleenstaande ouder kop. Dit hogere kindgebonden budget compenseert het
                            verlies aan inkomen niet helemaal. Alleenstaande ouders in de bijstand
                            hebben vanaf 1 januari een lager inkomen dan in 2014. </al><al>Door de hervorming van kind regelingen vervalt ook de alleenstaande
                            ouder norm als aparte uitkeringsnorm binnen de bijstand. Bij bepaling
                            van het recht op bijzondere bijstand wordt het inkomen afgezet tegen
                            (een bepaald percentage van) de bijstandsnorm. Doordat de bijstandsnorm
                            voor alleenstaande ouders met ruim (€ 220,- per maand daalt zou het
                            hanteren van de bijstandsnorm voor alleenstaanden bij de berekening van
                            het recht op bijzondere bijstand en minimaregelingen voor alleenstaande
                            ouders hen onevenredig benadelen.</al><al>We kunnen dit ‘landelijk probleem’ alleen oplossen door vast te leggen
                            dat de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders bij berekening van het
                            recht op bijzondere bijstand en minimaregelingen verhoogd wordt met een
                            bedrag gelijk aan 20% van de gehuwdennorm, net als voor 1 januari
                            2015.</al><al/><al><cursief>Marginale inkomensoverschrijding</cursief></al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                            hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te
                            rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit
                            lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een persoon
                            gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke
                            bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5,- of meer te boven, dan is
                            geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm
                            die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg
                            staat. Er is dan immers geen sprake van een incidentele geringe
                            overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van
                            enkele eurocenten</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid
                            gemaakt tussen een alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden.</al><al>Voor 2015 worden de volgende bedragen aangehouden:</al><al>Gehuwden/samenwonenden € 550,-</al><al>Alleenstaande ouder € 495,-</al><al>Alleenstaande € 385,-</al><al>Deze bedragen sluiten aan bij de huidige bedragen (40% van de
                            toepasselijke bijstandsnorm) en worden ook regionaal gehanteerd.</al><al/><al><cursief>Gehuwden</cursief></al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op
                            individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden
                            personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide
                            gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid van de
                            Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan
                            bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden
                            van artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, dan komt de
                            rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele
                            inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in
                            artikelen 11 of 13, eerste lid van de Participatiewet genoemde gronden
                            geen recht heeft op bijstand, zoals bijvoorbeeld het geval is bij
                            verblijf in detentie of in het buitenland. Als daardoor slechts één
                            partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze
                            rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag
                            naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou
                            gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen voor de inkomenstoeslag
                            vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de
                            verordening niet voorziet. Dit artikel bepaalt dat het college in
                            dergelijke situaties beslist in afwijking van de verordening. Dit past
                            bij de individualiseringsgedachte van de Participatiewet. Redelijkheid
                            is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming wordt in de geest van
                            de wet en de verordening gehandeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>