<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR362341_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-21774.html">officiële bekendmakingen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid, onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/026195 AB/015099</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.13 januari
                        2015</al><al/><al>gelet op:</al><al/><al>artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende</al><al/><al><vet>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Belanghebbende</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Persoon die behoort tot de doelgroep van de
                                                Participatiewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Langdurige zorg die niet in het kader van een
                                                hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                                hulpbehoevende door personen in diens directe
                                                omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                                                voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                                gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                                overstijgt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Uitkering</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een uitkering op grond van de Participatiewet, de
                                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en van
                                                de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                                (IOAZ).</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inhoud van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college motiveert de inzet van de tegenprestatie, waarbij
                                tegemoet wordt gekomen aan het individueel en collectief
                                belang.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan belanghebbenden met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        belanghebbende;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie kan het college rekening
                                houden met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij dringende redenen in individuele gevallen een
                                tijdelijke ontheffing verlenen van de verplichting om een opgedragen
                                tegenprestatie te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de
                                individuele omstandigheden van belanghebbende met een maximale duur
                                van 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omvang van de tegenprestatie wordt bepaald op basis van de
                                individuele omstandigheden van belanghebbende met een maximum van 30
                                uur per week.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geen tegenprestatie opdragen</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op als belanghebbende mantelzorg
                            of vrijwilligerswerk verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                            of vrijwilligerswerk naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                            voldoende, noodzakelijk of wenselijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op als geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    tegenprestatie Participatiewet 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Boekel, gehouden op 26 februari 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al>De wet maatregelen WWB, die tegelijkertijd met de Participatiewet op 1
                            januari 2015 in werking treedt, legt de gemeenteraad de verplichting op
                            bij verordening regels te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering. Een belanghebbende
                            van 18 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is
                            vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te
                            verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c
                            Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar
                            vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                            en die niet leiden tot verdringen op de arbeidsmarkt.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een tegenprestatie
                            vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven
                            van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor belanghebbende immers
                            duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt (zie
                            Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Als daarvoor dringende redenen – zoals zorgtaken – aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid
                            Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op
                            een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als
                            bedoeld in artikel 4 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel
                            9, vijfde lid Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts
                            niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van
                            een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid Participatiewet
                            (artikel 9, zevende lid Participatiewet).</al><al><cursief>Afstemmen</cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de
                            tegenprestatie dat de bijstand wordt afgestemd overeenkomstig de
                            Afstemmingsverordening.</al><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om belanghebbende te verplichten naar
                            vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012.
                            De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een
                            gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een
                            sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens
                            de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de
                            arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratie instrument</cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                            ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft
                            niet primair tot doel de re-integratie van belanghebbende te bevorderen,
                            maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar
                            zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet
                            bedoeld als re-integratie instrument. Voorts mag een tegenprestatie het
                            accepteren van passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet
                            belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven uitkering.</al><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                            verordening regels vast te stellen ver het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsopdracht is neergelegd in
                            artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de
                            gemeente om de duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen
                            (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).</al><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college</cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                            verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig
                            de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel c Participatiewet.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening.</al><al><cursief>Belanghebbende</cursief></al><al>In beginsel heeft iedere uitkeringsgerechtigde de verplichting ‘iets
                            terug te doen’ voor de uitkering in de vorm van een tegenprestatie. Dit
                            betekent dat alleen aan mensen die een uitkering ontvangen een
                            tegenprestatie kan worden opgelegd. De tegenprestatie kan niet worden
                            opgelegd aan niet- uitkeringsgerechtigden die door gemeenten worden
                            ondersteund bij het zoeken naar werk.</al><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) (artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder
                            mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een
                            hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen
                            uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip ‘mantelzorg’ is van
                            belang omdat artikel 5 van deze verordening bepaalt dat het college geen
                            tegenprestatie opdraagt als belanghebbende mantelzorg verricht voor
                            zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college
                            redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip ‘mantelzorg’ zoals
                            neergelegd in de Wmo volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van
                            mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                    zorgverlener;</al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd
                                    verband;</al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie “De mantelzorger in beeld”) en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wmo
                            hanteren gemeenten veelal het Protocol Gebruikelijke Zorg van het
                            Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of sprake is van
                            gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijk zorg wordt
                            verstaan kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg
                            in het Protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                            protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners
                            of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden
                            omdat ze als leefeenheid een gezamenlijke huishouden voeren en op die
                            grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren
                            van dat huishouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inhoud van de tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te legen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Het college moet maatwerk toe te
                            passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden
                            gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder
                            leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                            omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar
                            vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de
                            werkzaamheden te verrichten (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013,
                            nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Artikel 2, eerste lid van deze verordening bevat regels omtrent de
                            inhoud van de tegenprestatie. Deze omvat een kaderstellende omschrijving
                            van de werkzaamheden die door het college kunnen worden ingezet als
                            tegenprestatie. Binnen de in het eerste lid gestelde kaders, kan het
                            college in een beleidsplan vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval
                            als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 2, tweede lid van deze
                            verordening). De kaderstellende omschrijving heeft als voordeel at het
                            college niet is beperkt in het aanwijzen van werkzaamheden die als
                            tegenprestatie kunnen worden ingezet. Hierdoor kan het college snel
                            inspelen op nieuwe activiteiten die als tegenprestatie kunnen worden
                            ingezet.</al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 2, eerste lid van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie moeten zich
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet</cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2, eerste lid van deze
                            verordening genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de
                            belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de
                            parlementaire geschiedenis (TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).</al><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals:
                            welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of
                            sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat contacten
                            worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. </al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratie instrument. Het betreffen werkzaamheden die worden
                            verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen
                            leiden tot verdringen op de arbeidsmarkt. </al><al>Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden
                            ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratie inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                            uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c
                            Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (TK 2010-2011, 32 815,
                            nr. 3, p. 14).</al><al><cursief>Gemotiveerde inzet</cursief></al><al>In artikel 2, tweede lid, wordt de tegenprestatie gemotiveerd ingezet,
                            waarbij tegemoet gekomen wordt aan het individuele en het collectieve
                            belang. </al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie wordt rekening gehouden met de
                            eigen inbreng van belanghebbende. Belanghebbende wordt gemotiveerd eigen
                            ideeën aan te dragen. De communicatie over de tegenprestatie richting
                            belanghebbende moet zorgvuldig verlopen, zodat helder is wat er van
                            hem/haar verwacht kan worden. Het individuele belang van belanghebbende
                            wordt gediend met de bijdrage die de tegenprestatie levert aan het
                            verminderen van de kwetsbare positie waarin hij/zij zich bevindt.
                            Daarnaast moet de tegenprestatie een bijdrage leveren aan het sociale
                            leefklimaat en de leefbaarheid in de gemeente. Met het opdragen van de
                            tegenprestatie wordt dus zowel een individueel als een collectief belang
                            gediend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49). </al><al>De onbeloonde werkzaamheden mogen het accepteren van passende arbeid of
                            van re-integratie inspanningen niet belemmeren: werk gaat boven
                            uitkering. Binnen deze groep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de
                            situatie waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door
                            belanghebbende. In dat geval bestaat er ruimte voor het opleggen van
                            onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten.</al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>In artikel 3, tweede en derde lid, van deze verordening is neergelegd
                            met welke factoren het college rekening moet en/of kan houden bij het
                            opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hierna
                            toegelicht.</al><al><cursief>Tweede lid, o</cursief><cursief>nderdeel a: tegenprestatie
                                ‘naar vermogen’</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door belanghebbende verricht kunnen worden. De term ‘naar
                            vermogen’ heeft betrekking op de mogelijkheden waarover belanghebbende
                            beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle
                            onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 30).</al><al><cursief>Tweede lid, onderdeel b: persoonlijke situatie en individuele
                                omstandigheden belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van belanghebbende,
                            waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het
                            fysieke en psychische vermogen van belanghebbende. Bij het opdragen van
                            de tegenprestatie moet het college maatwerk leveren. Voorts wordt bij
                            opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                            omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                            belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al><cursief>Derde lid, persoonlijke wensen en kwaliteiten
                                belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie kan het college
                            rekening houden met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                            belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat
                            belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën
                            aandragen voor de al tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het
                            college kan in beleidsregels bepalen wanneer belanghebbende zijn keuze
                            voor het verrichten van een maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar
                            maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende
                            zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                            belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                            tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde
                            bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid
                            beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen
                            van belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen.
                            Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college
                            belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn.</al><al><cursief>Dringende redenen: Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Artikel 3, derde lid, regelt dat als daarvoor dringende redenen – zoals
                            zorgtaken – aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk
                            ontheffing kan verlenen van de plicht tot het verrichten van een
                            tegenprestatie (artikel 9, tweede lid Participatiewet).</al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                            toepassing op:</al><lijst><li nr="·"><al>belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is,
                                    als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar
                                    arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid Participatiewet);</al></li><li nr="·"><al>Op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                                    ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid Participatiewet
                                    (artikel 9, zevende lid Participatiewet).</al></li></lijst><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college moet bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie
                            te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur
                            van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 29).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 4 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de
                            tegenprestatie.</al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van
                            de werkzaamheden en de uur in de tijd moeten in de regel beperkt zijn.
                            Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de
                            situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 30).</al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in dagen</cursief></al><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor
                            een maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de
                            maximale duur van 12 maanden. Binnen de genoemde termijn van een jaar is
                            het mogelijk voor de gemeente om de onbeloonde werkzaamheden te wijzigen
                            naar aard of omvang.</al><al/><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in uren</cursief></al><al>Voor de omvang is gekeken naar de maximale inzet van een vrijwilliger.
                            Gemiddeld is dat voor een Nederlander 5 uur per week. Iemand zonder werk
                            of re-integratieverplichtingen kan een grotere prestatie leveren. De
                            maximale inzet bij een tegenprestatie is 30 uur per week.</al><al>Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de
                            tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet
                            beperkt in duur en in omvang. Qua omvang moet de tegenprestatie
                            nadrukkelijk minder dan 32 uur per week zijn. Uit jurisprudentie blijkt,
                            gelet op de bedoeling van de wetgever zoals deze blijkt uit de
                            kamerstukken, dat een aanbod om werkzaamheden voor 32 uur per week te
                            verrichten in ieder geval niet aangemerkt kan worden als tegenprestatie.
                            De rechtbank is van oordeel dat door te verlangen dat een
                            uitkeringsgerechtigde nagenoeg een volle werkweek werkzaamheden moet
                            verrichten, de grens van een tegenprestatie wordt overschreden. Het gaat
                            dan immers niet meer om werkzaamheden van beperkte omvang (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geen tegenprestatie opdragen</titel></kop><al>Artikel 5 bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen als
                            belanghebbende mantelzorg of vrijwilligerswerk verricht en het college
                            het verrichten hiervan redelijkerwijs noodzakelijk vindt. De regering
                            heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging
                            met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24,
                            p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van
                            het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                            verordening. Verricht belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                            verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                            redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college belanghebbende geen
                            tegenprestatie op.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college
                            houdt bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het
                            eventuele gegeven dat belanghebbende al vrijwilligerswerk verricht. Als
                            belanghebbende al vrijwilligerswerk verricht, kan het college ook
                            besluiten vrijwilligerswerk aan te merken als tegenprestatie. Hierbij
                            moet wel rekening worden gehouden met de maximale duur van de
                            tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 4 van deze verordening.
                            Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen.</al><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig
                            verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor andere of de
                            samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2).
                            Vrijwilligerswerk heeft een onverplicht karakter. Men kan zelf tijdsduur
                            en frequentie bepalen van wat men doet en voor wie of welke organisatie
                            de inspanning wordt geleverd. Men bepaalt zelf waarom de werkzaamheden
                            worden gedaan zonder dat hier een geldelijke beloning tegenover
                            staat.</al><al>De VNG verwijst bij de begripsomschrijving van vrijwilligerswerk naar de
                            zogenaamde draaischijf van Movisie. Movisie heeft een draaischijf
                            ontwikkeld waaraan een gemeente aan de hand van acht onderdelen de
                            definitie kan bepalen. Zie hiervoor: www.movisie.nl/draaischijf.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 6, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen
                            tegenprestatie wordt opgedragen als geen onbeloonde maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de
                            gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie wordt opgedragen als geen
                            maatschappelijke nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen
                            voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten
                            de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht met ingang
                            van 1 januari 2015. Vanaf die datum is in artikel 8a, eerste lid,
                            onderdeel b Participatiewet de verordeningsopdracht voor het college
                            neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen
                            van een tegenprestatie.</al><al>In het tweede lid is de citeertitel van deze verordening
                            neergelegd.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>