<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR361794_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-21224.html">Gemeenteblad, 2015, 21224</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015_158</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg die op 15 december 2014 door de raad is vastgesteld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27044</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Tilburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Tekst van de regeling</al><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>-gelet op artikel 149 Gemeentewet;</al><al><vet>Besluit</vet></al><lijst><li nr="A."><al>Ten opzichte van de huidige Algemene Plaatselijke Verordening voor
                                de gemeente Tilburg de volgende artikelen aan te passen: 45 a, 45 c,
                                45 e en 45 j en voor zover noodzakelijk de Toelichting, zoals
                                opgenomen in de geconsolideerde verordening genoemd onder C.</al></li><li nr="B."><al>In te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente
                                Tilburg, zoals vastgesteld op 15 december 2014.</al></li><li nr="C."><al>Vast te stellen de nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening gemeente
                                Tilburg.</al></li></lijst><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</al><al>Artikel 1.</al><al>Begripsomschrijvingen.</al><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Weg:</al><lijst><li nr="1."><al>de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                        Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                        toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                        speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                        aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                        portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend
                                        tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en
                                        niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                        afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                                        galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij
                                        niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk
                                        recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft
                                krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="C."><al>Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en
                                onder a 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
                                met uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li><li nr="D."><al>Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                gebezigd of tot woning bestemd.</al></li><li nr="E."><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct
                                of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond.</al></li><li nr="F."><al>Gebouw: elke bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte,
                                geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="G."><al>Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens.</al></li><li nr="H."><al>Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen.</al></li><li nr="I."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen en
                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                                dienen.</al></li><li nr="J."><al>Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten
                                bij hun desbetreffende besluit de grenzen hebben vastgesteld
                                overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet.</al></li></lijst><al>Artikel 2. </al><al>Te late indiening aanvraag.</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft kan het bevoegde
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen,
                                indien het van mening is, dat de aard van de gevraagde vergunning of
                                ontheffing zodanig is, dat voor een verantwoorde beoordeling van de
                                aanvraag onvoldoende tijd aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt het daarin
                                gestelde voor vergunningen als bedoeld in artikel 26 van deze
                                verordening, indien deze niet minmaal twaalf weken voor het
                                tijdstip, waarop het evenement plaatsvindt, zijn aangevraagd.</al></li></lijst><al>Artikel 3. </al><al>Voorschriften en beperkingen.</al><lijst><li nr="1."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></li></lijst><al>Artikel 4. </al><al>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing.</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                        ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of
                                        wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                        bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                                        vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                        gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit
                                        verzoekt.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5. </al><al>Persoonlijke karakter van vergunning of ontheffing.</al><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                        deze verordening anders is bepaald.</al><al>Artikel 6. </al><al>Termijnen.</al><al>Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van
                        een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur,
                        een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden die
                        termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen
                        zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.</al><al>Artikel 6.a </al><al>Vergunning van rechtswege</al><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de
                        vergunning- dan wel ontheffingaanvragen op grond van de artikelen 13, eerste
                        lid, voor zover het betreft de aanvraag om een terrasvergunning, artikel 32,
                        zesde lid, artikel 92 en artikel 126.</al><al>Artikel 6.b </al><al>Uitsluiting lex silencio beginsel</al><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing
                        op vergunningaanvragen op grond van de artikelen 26, 38 en 97.</al><al>Hoofdstuk 2. Openbare orde.</al><al>Afdeling 1. Orde en veiligheid op de weg.</al><al>Artikel 7. </al><al>Samenscholing en ongeregeldheden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven naar
                                of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Een ambtenaar van Politie is bevoegd om een ieder, die op een
                                openbare plaats aanwezig is bij enig voorval, waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing het bevel te geven
                                zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                verwijderen. Een ieder aan wie dit bevel gegeven wordt is verplicht
                                dit op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen
                                of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in
                                het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                wanordelijkheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten
                                als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></li></lijst><al>Artikel 8. </al><al>Bestuurlijke ophouding</al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot
                        het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op
                        een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in artikel
                        7, 13, 14, 19, 23, 27, 61, 62, 63, 69, 71, 72, 73, 93 en 134
                        overtreden.</al><al>Artikel 9. </al><al>Preventief fouilleren</al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij
                        verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                        ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van
                        daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                        erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><al>Artikel 9a. </al><al>Cameratoezicht</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. </al></li><li nr="2."><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
                                eveneens ten aanzien van de volgende andere voor een ieder
                                toegankelijke plaatsen:</al><lijst><li nr="·"><al>Parkeerplaatsen, die niet zijn aan te merken als openbare
                                        plaatsen als bedoeld in de Wet Openbare Manifestaties.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 10 Vervallen.</al><al>Artikel 11. </al><al>Openbare manifestaties.</al><lijst><li nr="1."><al>Degene, die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging dan
                                wel een vergadering of betoging te houden moet daarvan voor de
                                openbare aankondiging ervan en tenminste 48 uur voordat deze
                                gehouden zal worden schriftelijk kennisgeven aan de
                                burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden met een melding op
                                een kortere termijn dan de in het eerste lid genoemde genoegen
                                nemen.</al></li><li nr="4."><al>Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de samenkomst, vergadering of
                                        betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de samenkomst, vergadering of betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de samenkomst, vergadering of betoging wordt
                                        gehouden en het tijdstip van aanvang en van
                                        beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de samenkomst, vergadering of
                                        betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te
                                        bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li></lijst><al>Artikel 12. </al><al>Beperking aanbieden gedrukte of geschreven stukken e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen aan
                                te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden of donateurs te
                                werven, producten of monsters daarvan uit te delen dan wel personen
                                staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of
                                een onderzoek op of aan door het college aangewezen wegen of
                                gedeelten daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het aan
                                huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken of
                                afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Artikel 13. </al><al>Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of wanneer het
                                gaat om het gebruik van de weg of weggedeelte ten behoeve van een
                                terras bij een horeca-inrichting, van de burgemeester, de weg of een
                                weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar
                                        of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet
                                        voor commerciële doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                        kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden
                                        of lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht
                                        of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het
                                        beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
                                        voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg
                                        daarvan gereinigd is;</al></li><li nr="c."><al>voertuigen met uitzondering van voertuigen bestemd voor
                                        bewoning;</al></li><li nr="d."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard;</al></li><li nr="e."><al>staanplaatsen als bedoeld in de
                                        Staanplaatsenverordening;</al></li><li nr="f."><al>evenementen als bedoeld in artikel 25.</al></li><li nr="g."><al>civieltechnische werkzaamheden, die in opdracht van de
                                        gemeente in openbaar gebied worden verricht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                                waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg,
                                gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg
                                verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                verstaat.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden
                                geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                        gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor
                                het houden van buurtfeesten, straatspeeldagen en/of het plaatsen van
                                objecten in het kader van een buurtactiviteit.</al></li><li nr="7."><al>Degene, die het voornemen heeft activiteiten als bedoeld in het
                                zesde lid te organiseren, dient daarvan minstens vier weken voordat
                                de activiteit zal plaatsvinden kennis te geven aan het college.</al></li><li nr="8."><al>Het college kan de activiteiten verbieden dan wel daaraan
                                voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het
                                vijfde lid genoemde belangen.</al></li><li nr="9."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor
                                :</al><lijst><li nr="a."><al>bouwactiviteiten, die minder tijd in beslag zullen nemen dan
                                        vier weken en minder ruimte in beslag zullen nemen dan 15 m²
                                        en de plaatsing van gedenktekens. </al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, stoepborden dan wel uitstallingen .</al></li><li nr="c."><al>reclameborden, voorzover deze niet op of in de weg worden
                                        geplaatst.</al></li><li nr="d."><al>automaten.</al></li><li nr="e."><al>verplaatsbare voorwerpen, die beogen weggebruikers te
                                        attenderen op gewenst verkeersgedrag.</al></li><li nr="f."><al>Het aanleggen van geveltuintjes en/of het beplanten van
                                        boomspiegels.</al></li></lijst></li><li nr="10."><al>De in het negende lid onder a. bedoelde activiteiten dienen
                                uiterlijk vier weken voordat deze zullen plaatsvinden gemeld te
                                worden bij het college. Het college kan aan de uitvoering van die
                                activiteiten voorschriften verbinden dan wel de activiteiten
                                verbieden, indien dit noodzakelijk is met het oog op de in het elfde
                                lid van dit artikel beschreven belangen.</al></li><li nr="11."><al>Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken ten behoeve
                                van de in het negende lid onder b.,c.,d. e. of f. bedoelde
                                zaken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                        gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig of veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg.</al></li><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                        met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand.</al></li><li nr="c."><al>het beoogde gebruik strijdig is met door het college met het
                                        oog op de onder a) en b) genoemde belangen vastgestelde
                                        algemene regels.</al></li></lijst></li><li nr="12."><al>a.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Noord Brabant.</al><lijst><li nr="a."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid onder a. geldt niet
                                        voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 5 Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid onder b. geldt niet
                                        voor bouwwerken.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c. geldt niet
                                        voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Wet Milieubeheer.</al></li></lijst></li><li nr="13."><al>De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een aanvraag om een
                                terrasvergunning.</al></li><li nr="14."><al>De in het dertiende lid bedoelde vergunning vervalt, wanneer de
                                verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van
                                eerstbedoelde vergunning, van kracht geworden is."</al></li></lijst><al>Artikel 14. </al><al>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te
                                leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of
                                te spitten, in of onder de weg kabels of leidingen met toebehoren
                                aan te leggen, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of
                                anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een
                                weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat,
                                alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                werkzaamheden, die in opdracht van het rijk, de provincie, de
                                gemeente, het waterschap of een openbaar nutsbedrijf in het kader
                                van het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak worden
                                uitgevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                in het geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                Wegenverordening Noord-Brabant , de Waterschapskeur of de
                                Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening gemeente Tilburg.</al></li><li nr="5."><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de veiligheid en
                                bruikbaarheid van de weggebruiker in het geding is.</al></li></lijst><al>Artikel 15. </al><al>Maken en veranderen van een uitweg.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een
                                uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te
                                brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de
                                weg.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat
                                artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en
                                een foto van de bestaande situatie overlegd.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aan de aanleg c.q. verandering van de uitweg
                                voorschriften verbinden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan de aanleg c.q. verandering van de uitweg verbieden,
                                indien er een gevaarlijke situatie voor het verkeer zou ontstaan dan
                                wel het belang van de bescherming van groenvoorzieningen of de
                                bruikbaarheid van de weg dit vordert en hieraan niet voldoende
                                tegemoet gekomen kan worden door het stellen van voorschriften.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na
                                ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als
                                bedoeld in het vierde lid of van het verbod bedoeld in het vijfde
                                lid.</al></li><li nr="7."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening
                                Noord Brabant</al></li></lijst><al>Artikel 16. </al><al>Veroorzaken gladheid.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder
                                4<sup>e</sup> van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het college kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                opgenomen verbod.</al></li></lijst><al>Artikel 17. </al><al>Winkelwagentjes.</al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend
                                publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van
                                het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te
                                voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander
                                herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het
                                publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                                verwijderen of te doen verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 18. </al><al>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp.</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                        zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                        daarvoor op ander wijze hinder of gevaar oplevert.</al><al>Artikel 19. </al><al>Openen straatkolken en dergelijke.</al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                        rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een
                        openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
                        dekken.</al><al>Artikel 20. </al><al>Rookverbod in natuurgebieden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide- en veengronden dan wel
                                in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan
                                gedurende de door burgemeester aangewezen periode.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in
                                duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor
                                zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen
                                te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                artikel 429, aanhef en onder 3<sup>e</sup>, van het Wetboek van
                                Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin
                                ingerichte, erven.</al></li></lijst><al>Artikel 21. </al><al>Sneeuwruimen.</al><al>De hoofdbewoner of hoofdgebruiker, en bij gebreke van deze, de eigenaar van
                        een binnen de bebouwde kom gelegen gebouw of grondstuk - een erf daaronder
                        begrepen - is verplicht de sneeuw en het ijs weg te ruimen van het openbaar
                        voetpad, gelegen langs het bij hem in gebruik zijnde of aan hem toebehorende
                        gebouw of grondstuk, binnen twee dagen nadat die sneeuw en/of dat ijs zich
                        op het voetpad bevinden, alsmede dat weggedeelte op voldoende en doelmatige
                        wijze bestrooid te hebben en te houden met een middel, dat geschikt is voor
                        een doelmatige bestrijding van gladheid.</al><al>Artikel 22. </al><al>Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid
                        e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                                openbaar verkeer, de openbare verlichting en/of de openbare orde en
                                veiligheid dan wel brandkraanbordjes worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt tevoren aan de rechthebbenden als bedoeld in het
                                eerste lid hun besluit bekend.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 23. </al><al>Verwijdering en dergelijke voorzieningen voor verkeer en verlichting.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden voorwerpen,
                                borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de
                                openbare verlichting en/of de openbare orde en veiligheid,
                                brandkraanbordjes dan wel met toepassing van artikel 6 van de
                                Verordening straatnaamgeving en huisnummering aangebrachte
                                aanduidingen te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking
                                ervan te beletten of te belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste bepaalde geldt voorts niet voor de rechthebbende
                                op een bouwwerk, die met inachtneming van het door college
                                vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm
                                wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels
                                stellen.</al></li></lijst><al>Artikel 24. </al><al>Veiligheid op het ijs.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere
                                wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst
                                op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te
                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te
                                verijdelen of te belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van
                                politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar
                                voor personen of goederen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                Strafrecht.</al></li></lijst><al>Afdeling 2. Toezicht op evenementen.</al><al>Artikel 25.</al><al>Begripsomschrijving.</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Wet op de
                                filmvertoningen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid sub h. van de
                                Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>activiteiten welke plaatsvinden in de besloten ruimte van een</al><al> inrichting als bedoeld in de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="e."><al>de jaarlijkse kermis als bedoeld in de Verordening houdende
                                vaststelling van de plaatsen en tijden van de kermis.</al></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan een
                                herdenkingsplechtigheid.</al></li></lijst><al>Artikel 26.</al><al>Evenementen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement
                                te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan geweigerd worden in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid;</al></li><li nr="e."><al>de vergunning kan tevens worden geweigerd, indien de organisator van
                                het evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is."</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid genoemde vergunningsplicht geldt niet voor
                                rommelmarkten, waar uitsluitend tweedehands goederen worden
                                verkocht.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde activiteiten dienen uiterlijk zes
                                weken, voordat deze zullen plaatsvinden, te worden gemeld bij de
                                burgemeester.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan de rommelmarkt verbieden dan wel daaraan
                                voorschriften verbinden met het oog op de in het tweede lid genoemde
                                belangen of gezondheid.</al></li></lijst><al>Artikel 27.</al><al>Ordeverstoring.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen door uitdagend
                                gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden
                                te veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden bij evenementen, messen, knuppels en slagwapens of
                                andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt op een
                                zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in
                                gevaar komt of kan komen.</al></li><li nr="4."><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                ambtenaren van politie en brandweer en de gemeente in het belang van
                                de openbare orde of veiligheid stipt en terstond op te volgen.</al></li></lijst><al>Artikel 28.</al><al>Meldingsplicht.</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator
                                verstaan:</al></li><li nr="a."><al>de betaald voetbalorganisatie Willem II, indien het betreft een
                                voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald
                                voetbalorganisatie Willem II als thuisspelende ploeg betrokken is,
                                uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een
                                amateur voetbalorganisatie;</al></li><li nr="b."><al>de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een
                                voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de
                                gemeente Tilburg, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie
                                is betrokken en indien het betreft een A-interland;</al></li><li nr="c."><al>degene die buiten de gevallen, genoemd onder a en b een
                                voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald
                                voetbalorganisatie is betrokken.</al></li><li nr="2."><al>a. De organisator is verplicht ten minste dertig dagen voor de
                                vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd als bedoeld in het
                                eerste lid daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de
                                burgemeester.</al></li><li nr="b."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de onder a bepaalde
                                termijn.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het
                                tweede lid bedoelde kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De voorgeschreven kennisgeving wordt geacht eerst dan gedaan te zijn
                                wanneer het in het derde lid bedoelde formulier volledig en naar
                                waarheid ingevuld, ingeleverd is ter plaatse op dat formulier
                                vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving bedoeld in het tweede lid kan meerdere wedstrijden
                                betreffen.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de
                                organisator voorschriften opleggen in het belang van de openbare
                                orde en veiligheid.</al></li><li nr="7."><al>De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd
                                verbieden:</al></li><li nr="a."><al>uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare
                                orde;</al></li><li nr="b."><al>indien de krachtens het zesde lid opgelegde voorschriften niet
                                worden nageleefd;</al></li><li nr="c."><al>indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als
                                bedoeld in het tweede lid.</al></li><li nr="8."><al>Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een
                                verbod, als bedoeld in het zevende lid, is uitgevaardigd.</al></li><li nr="9."><al>De burgemeester kan, onverminderd zijn bevoegdheid ingevolge het
                                zesde lid, een voetbalwedstrijd openbare orde en veiligheid.</al></li><li nr="10."><al>Het is verboden op de dag waarop een voetbalwedstrijd zal worden
                                gespeeld, die door de burgemeester ingevolge het negende lid als
                                risicowedstrijd is aangewezen, ongeacht het eventueel daarbij te
                                bezigen middel van vervoer, zich te begeven, respectievelijk zich te
                                bevinden buiten de door de politie aangewezen routes, indien men
                                zich blijkens feiten en/of omstandigheden als voetbalsupporter
                                manifesteert;</al></li></lijst><al>Artikel 29.</al><al>Omgevingsverbod.</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan een persoon schriftelijk het verbod opleggen
                                zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 2 uur voor
                                het vastgestelde begin tot 2 uur na afloop van de voetbalwedstrijden
                                van de organisator.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige
                                lid bedoelde verbod, nadat vast is komen te staan dat de persoon de
                                openbare orde in de omgeving van het stadion in ernstige mate heeft
                                verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator werd
                                gespeeld.</al></li></lijst><al>Artikel 30.</al><al>Verwijderingsbevel</al><al>Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als
                        voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs
                        voor de voetbalwedstrijd dan wel ten aanzien van wie het vermoeden bestaat,
                        dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een
                        daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van
                        diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten
                        de gemeentegrenzen te begeven.</al><al>Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen.</al><al><vet>Paragraaf 1. Toezicht op de horeca</vet></al><al>Artikel 31.</al><al>Begripsomschrijvingen.</al><lijst><li nr="1."><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte:</al></li><li nr="1)"><al>waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan in ieder geval
                                behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van
                                alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt
                                uitgeoefend;</al></li><li nr="2)"><al>waar al dan niet bedrijfsmatig, eetwaren of alcoholvrije dranken
                                voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert of daarin de
                                feitelijke leiding heeft;</al></li><li nr="c."><al>horecaconcentratiegebied: het gebied dat als zodanig door de
                                gemeenteraad is aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438
                                van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>dienstdoend personeel van de houder van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 32.</al><al>Sluitingsuur.</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een
                                inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, sub 1,
                                verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en
                                met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en
                                zondag van 03.00 tot 06.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een
                                inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a, sub 1,
                                welke inrichting geheel is gelegen in het horecaconcentratiegebied
                                als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder c, verboden deze voor
                                bezoekers geopend te houden van 04.00 uur tot 06.00 uur. Het is
                                verboden bezoekers nog toe te laten na 03.00 uur.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een
                                inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a sub 2,
                                verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en
                                met donderdag van 02.00 tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en
                                zondag van 03.00 tot 06.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 5 is het de houder van een
                                inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder a sub 2,
                                welke inrichting geheel is gelegen in het horecaconcentratiegebied
                                als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder c, verboden deze voor
                                bezoekers geopend te houden van 05.00 tot 06.00 uur.</al></li><li nr="5."><al>Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 31,
                                eerste lid, onder a, die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is
                                bij een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 36 a
                                verboden deze voor bezoekers geopend te houden: op maandag tot en
                                met donderdag van 00.00 uur tot 06.00 uur en op vrijdag, zaterdag en
                                zondag van 01.00 tot 06.00 uur.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester is bevoegd in bijzondere gevallen dan wel bij
                                bijzondere gebeurtenissen van tijdelijke aard onder door hem te
                                bepalen voorschriften, ontheffing te verlenen van de verboden
                                ingevolge het eerste tot en met het vijfde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het in het eerste tot en met vierde lid gestelde geldt niet: </al></li><li nr="a."><al>voor de nacht van 31 december op 1 januari; </al></li><li nr="b."><al>tot 04.00 uur : op de zondag tot en met de dinsdag waarop de
                                openbare carnavalsviering plaatsvindt; op tweede paasdag; op
                                Koningsdag en de dag daarna; op Hemelvaartsdag; op tweede
                                Pinksterdag en op de dag na tweede Kerstdag. </al></li><li nr="c."><al>ingeval bij verlening van een vergunning ingevolge de Wet
                                milieubeheer een voorschrift is opgenomen krachtens welk het
                                gedurende een bepaalde tijdsperiode niet toegestaan is de inrichting
                                voor het publiek geopend te hebben.</al></li><li nr="8."><al>Het in het eerste tot en met vierde lid gestelde geldt voorts niet
                                tot 04.00 uur voor de periode van zondag tot en met de
                                daaropvolgende zondag waarin de jaarlijkse kermisviering
                                plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Artikel 33.</al><al>Toegang ambtenaren van politie.</al><al>De houder van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren
                        van politie vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben
                        tot zijn inrichting: a. gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers
                        geopend is; dan wel b. gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te
                        zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.</al><al>Artikel 34.</al><al>Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting.</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid
                                of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner
                                beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan
                                de krachtens artikel 32 geldende sluitingsuren vaststellen.\</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de tijdelijke sluiting bevelen van een
                                inrichting, indien:</al></li><li nr="a."><al>daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de
                                Kansspelen.</al></li><li nr="b."><al>daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden
                                zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen.</al></li><li nr="c."><al>daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie
                                aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof
                                is verleend.</al></li><li nr="d."><al>zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en
                                de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt
                                dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd.</al></li><li nr="e."><al>zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting
                                wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert
                                voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid.</al></li><li nr="3."><al>Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voorzover artikel 13b
                                Opiumwet van toepassing is.</al></li></lijst><al>Artikel 35.</al><al>Aanwezigheid in gesloten inrichting.</al><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge artikel 32 of
                        krachtens een op grond van artikel 34 door de burgemeester genomen besluit
                        voor publiek gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar als bezoeker te
                        bevinden.</al><al>Artikel 36.</al><al>Ordeverstoring.</al><al>Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.</al><al><vet>paragraaf 1A</vet></al><al>Artikel 36a </al><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="o"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="o"><al>inrichting,</al></li><li nr="o"><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li></lijst><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al><al>Artikel 36 b </al><al>Regulering paracommerciële rechtspersonen</al><lijst><li nr="1."><al>een paracommerciële rechtspersoon mag onverminderd het bepaalde in
                                artikel 32 omtrent het sluitingsuur van inrichtingen uitsluitend
                                alcoholhoudende dranken verstrekken vanaf één uur vóór de tijd,
                                waarop zij haar in artikel 1 eerste lid van de Drank en Horecawet
                                bedoelde hoofdactiviteit uitoefent.</al></li><li nr="2."><al>het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting
                                bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen,
                                te houden.</al></li><li nr="3."><al>het is een paracommerciële rechtspersoon verboden in de inrichting
                                bijeenkomsten te houden, die gericht zijn op personen die niet of
                                niet rechtstreeks betrokken zijn bij de hoofdactiviteit van de
                                betreffende rechtspersoon.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2: Exploitatievergunning</vet></al><al>Artikel 37.</al><al>Begripsomschrijvingen.</al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 31, eerste lid sub
                                a van deze verordening.</al></li><li nr="b."><al>leidinggevende: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen,
                                die algemene of onmiddellijke leiding geven aan een inrichting.</al></li></lijst><al>Artikel 38.</al><al>Vergunning.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de
                                burgemeester een inrichting te exploiteren.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift voor
                                een of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden
                                vaststellen dan de in artikel 32 genoemde.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een
                                vergunningaanvraag.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor inrichtingen, waarin
                                horeca-activiteiten worden uitgeoefend, die uitsluitend zijn aan te
                                merken als additionele horeca-activiteiten.</al></li><li nr="6."><al>Van additionele horeca-activiteiten is slechts sprake, als voldaan
                                wordt aan de volgende eisen :</al></li><li nr="a."><al>de horeca-activiteit is ondergeschikt aan een andere activiteit, die
                                betrekking heeft op detailhandel of dienstverlening en die in
                                hetzelfde pand wordt uitgeoefend. De horeca-activiteit mag inclusief
                                een eventueel terras maximaal 33% van het totale
                                verkoopvloeroppervlak van het betreffende pand in beslag nemen.</al></li><li nr="b."><al>de horeca-activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend gedurende de
                                openingstijden van de hoofdactiviteit en de ruimte, waarin de
                                horeca-activiteit plaatsvindt is niet los van de hoofdactiviteit
                                toegankelijk. Ook wordt deze niet aan derden verhuurd of anderszins
                                in gebruik gegeven.</al></li><li nr="c."><al>Voor de horeca-activiteit wordt geen reclame gemaakt.</al></li><li nr="d."><al>Er worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt.</al></li><li nr="e."><al>er is geen sprake van een terras op de openbare weg.</al></li></lijst><al>Artikel 39.</al><al>Gedragseisen.</al><lijst><li nr="1."><al>Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38,
                                voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden
                                verstrekt, moet worden voldaan aan het in het volgende lid
                                bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>De leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen :</al></li><li nr="a."><al>zij dienen te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen
                                zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde
                                van de aanvraag;</al></li><li nr="b."><al>zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke
                                macht of voogdij ontzet te zijn;</al></li><li nr="c."><al>zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te
                                zijn;</al></li><li nr="d."><al>zij dienen de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van
                                het tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Bij uitbreiding van het aantal leidinggevenden alsook bij wijziging
                                van de persoon van de leidinggevende dient de exploitant hiervan
                                melding te doen aan de burgemeester. Voor de nieuwe
                                leidinggevende(n) geldt het bepaalde in het tweede lid.</al></li></lijst><al>Artikel 40.</al><al>Inrichtingseisen.</al><lijst><li nr="1."><al>Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 38,
                                voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden
                                verstrekt, dient te worden voldaan aan de inrichtingseisen zoals
                                opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet,
                                zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, met uitzondering van de
                                eis met betrekking tot de vloeroppervlakte van de
                                horecalokaliteit.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid geldt,
                                dat tenminste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte dient te
                                hebben van 25 m².</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het
                                eerste lid.</al></li></lijst><al>Artikel 41.</al><al>Weigering vergunning.</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel
                                38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in
                                strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende
                                Leefmilieuverordening.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel
                                of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden
                                aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het
                                horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig
                                wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het
                                horecabedrijf.</al></li><li nr="3."><al>Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond
                                houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de
                                wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de
                                aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu
                                ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van
                                het horecabedrijf.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 38,
                                voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden
                                verkocht, eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in
                                artikel 39 en 40 genoemde eisen. </al></li><li nr="5."><al>De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een
                                inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, eveneens
                                als de leidinggevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van
                                een vergunning als bedoeld in artikel 3 Drank- en Horecawet.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 eveneens
                                weigeren, indien één of meer leidinggevenden van een inrichting
                                binnen drie jaar voor de indiening van de vergunningaanvraag een
                                horeca-inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft
                                gegeven, die wegens het aantasten van de openbare orde, de
                                aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten
                                is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is
                                ingetrokken.</al></li></lijst><al>Artikel 42.</al><al>Opheffing vergunningplicht</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan bepalen, dat het bepaalde in artikel 38 niet
                                geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten
                                horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in één of meer daarin
                                aangewezen gedeelten van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De exploitatie van een horecabedrijf, waarop een besluit als bedoeld
                                in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden, dat
                                daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting
                                of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                beïnvloed.</al></li></lijst><al>Artikel 43.</al><al>Intrekking vergunning.</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4 kan een eenmaal verleende
                                vergunning voor een inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken
                                worden verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan
                                wordt aan één of meer van de in de artikelen 39 en 40 gestelde eisen
                                of het bepaalde in artikel 44 APV niet in acht wordt genomen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien:</al></li><li nr="a."><al>aannemelijk is dat de exploitant of de beheerder betrokken is of
                                ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als
                                bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in
                                artikel 34 van deze verordening</al></li><li nr="b."><al>dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde,
                                de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de vergunning ingetrokken is in het belang van de openbare
                                orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen,
                                kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde
                                inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van
                                ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.</al></li></lijst><al>Artikel 44.</al><al>Aanwezigheid leidinggevende</al><al>Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat
                        een op de vergunning vermelde leidinggevende in de inrichting aanwezig
                        is.</al><al>Artikel 45.</al><al>Wijziging vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er
                                een wijziging in de vergunning dient te komen, dient de exploitant
                                onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen.</al></li><li nr="2."><al>Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de
                                verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende
                                vergunning intrekken.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning,
                                strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht
                                geworden is.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2a: Exploitatievergunning smart- en headshops</vet></al><al>Artikel 45a.</al><al>Begripsomschrijvingen</al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder :</al><al>a.<cursief><onderstreept>inrichting</onderstreept></cursief>: Een smart- dan
                        wel headshop.</al><al>Onder een <onderstreept>smartshop </onderstreept>wordt een voor het publiek
                        toegankelijke ruimte verstaan, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                        zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet smart-,ecodrugs, smartproducts
                        en of nieuwe psychoactieve stoffen, gerelateerde literatuur en accessoires
                        worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of
                        voorhanden zijn.</al><al>Onder een <onderstreept>headshop</onderstreept> wordt verstaan een voor
                        publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij
                        bedrijfsmatig was of anders dan om niet, substanties, voorwerpen of
                        gegevens, die gebruikt kunnen worden voor het gebruik van een middel als
                        bedoeld in Lijst I of II van de Opiumwet en die verwant zijn aan de
                        drugscultuur, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden,
                        verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn.</al><al>b.<cursief><onderstreept>leidinggevende</onderstreept></cursief>: de
                        exploitant alsmede andere natuurlijke personen, die algemene of
                        onmiddellijke leiding geven aan een inrichting.</al><al>Artikel 45b.</al><al>Vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de
                                burgemeester een inrichting te exploiteren.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester beschikt binnen dertien weken op een
                                vergunningaanvraag.</al></li></lijst><al>Artikel 45c.</al><al>Maximumstelsel</al><al>Vergunning kan worden verleend voor een beperkt aantal inrichtingen, waarbij
                        het maximum wordt bepaald door het aantal inrichtingen, dat op het moment
                        van inwerkingtreding van deze verordening daadwerkelijk met een vergunning
                        wordt geëxploiteerd.</al><al>Artikel 45d.</al><al>Gedragseisen</al><lijst><li nr="1."><al>Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 45b
                                moet worden voldaan aan het in het volgende lid bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>Leidinggevenden dienen aan de volgende eisen te voldoen:</al><lijst><li nr="a."><al>zij dienen niet onder curatele te staan dan wel uit de
                                        ouderlijke macht of voogdij te zijn ontzet.</al></li><li nr="b."><al>zij dienen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te
                                        zijn.</al></li><li nr="c."><al>zij dienen de leeftijd van éénentwintig jaren bereikt te
                                        hebben.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 45e.</al><al>Weigering vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester weigert de vergunning, indien het in artikel 45 c
                                bedoelde maximum is bereikt.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester weigert de vergunning, indien de vestiging of
                                exploitatie van de inrichting in strijd is met het geldende
                                bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel
                                moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig
                                wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                inrichting. </al></li><li nr="4."><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de leidinggevenden niet
                                voldoen aan de in artikel 45d opgenomen eisen.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien de
                                exploitant van een inrichting na inwerkingtreding van dit artikel
                                binnen drie jaar voor indiening van de vergunningaanvraag een
                                inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven,
                                die wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het
                                woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van
                                artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de
                                vergunning om die reden is ingetrokken. </al></li></lijst><al>Artikel 45f.</al><al>Verplaatsing inrichting</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een exploitant zijn inrichting wenst te verplaatsen, dient
                                hij hiervoor een nieuwe vergunning aan te vragen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester verleent deze vergunning alleen, indien het algemeen
                                belang dat naar zijn oordeel vordert en zich overigens geen van de
                                in artikel 45 e, tweede tot en met vijfde lid genoemde
                                weigeringsgronden voordoet.</al></li></lijst><al>Artikel 45g.</al><al>Intrekking vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4 wordt een eenmaal verleende
                                vergunning ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in
                                artikel 45d gestelde eisen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat de exploitant of andere leidinggevenden
                                        betrokken zijn bij of ernstige nalatigheid kan worden
                                        verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 3
                                        Opiumwet.</al></li><li nr="b."><al>dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare
                                        orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder
                                        begrepen.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 45h.</al><al>Aanwezigheid leidinggevende</al><al>Het is verboden de inrichting geopend te hebben zonder dat een op de
                        vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is.</al><al>Artikel 45i.</al><al>Wijziging vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er
                                een wijziging in de vergunning dient te komen, dient de exploitant
                                onverwijld een wijzigingsaanvraag in te dienen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag niet is ingediend binnen een maand na de
                                verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende
                                vergunning intrekken.</al></li></lijst><al>Artikel 45j.</al><al>Vervallen.</al><al><vet>Paragraaf 3. Overige inrichtingen</vet></al><al>Artikel 46 t/m50.</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 51.</al><al>Speelautomaten</al><al>Het aantal kansspelautomaten, dat in een inrichting als bedoeld in artikel
                        30c onder a. van de Wet op de kansspelen, mag worden geplaatst bedraagt
                        twee.</al><al>Artikel 52.</al><al>Innemen standplaats kermis.</al><al>Het is verboden anders dan overeenkomstig de aanwijzingen van de
                        burgemeester een standplaats in te nemen op een kermis.</al><al>Artikel 53.</al><al>Openstelling inrichting.</al><al>Het is verboden kermisinrichtingen open te stellen op andere tijden dan
                        waarop zulks door de burgemeester bij middels openbare kennisgeving bekend
                        gemaakt besluit is toegestaan.</al><al>Afdeling 4. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid.</al><al>Artikel 54.</al><al>Betreden gesloten woning of lokaal.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten
                                woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die
                                woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning,
                                een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of
                                dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of
                                bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning
                                of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid
                                bedoelde verbod ontheffing te verlenen.</al></li></lijst><al>Artikel 55.</al><al>Plakken en kladden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op de weg of
                                op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar
                                is:</al></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan
                                te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of
                                te laten aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding,
                                letter, cijfer of teken aan te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li></lijst><al>Artikel 56. </al><al>Vervoer plakgereedschap.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen des avonds 10 uur en des morgens 6 uur op de
                                weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of
                                verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien
                                de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn
                                gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in
                                artikel 55.</al></li></lijst><al>Artikel 57.</al><al>Vervoer inbrekerswerktuigen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                vervoeren of bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet
                                zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang
                                tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te
                                openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te
                                vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></li></lijst><al>Artikel 58.</al><al>Bedelverbod</al><al>Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk
                        gebouw om geld of andere zaken te bedelen.</al><al>Artikel 59.</al><al>Geprepareerde tassen</al><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels een tas of ander
                        voorwerp bij zich te hebben, die er kennelijk toe uitgerust zijn om het
                        plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al><al>Artikel 60.</al><al>Betreden van plantsoenen en dergelijke.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen
                                wegen of paden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Artikel 61.</al><al>Schieten.</al><al>In andere gevallen dan die, waarin het bepaalde in een der artikelen 424 of
                        431 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is het verboden, zonder
                        daartoe bevoegd te zijn, aan de weg met een luchtgeweer of een dergelijk
                        voorwerp te schieten.</al><al>Artikel 62.</al><al>Hinderlijk gedrag op of aan de weg.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                monument, overkapping, constructie, voertuig, hekheining of andere
                                afsluiting, straat- of verkeersmeubilair, indien daardoor overlast
                                kan worden veroorzaakt;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of
                                aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of
                                hinder veroorzaakt wordt.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het
                                onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het
                                Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                1994.</al></li></lijst><al>Artikel 63.</al><al>Afwijking route</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem
                                aangewezen route af te wijken.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Artikel 64.</al><al>Nachtverblijf in voertuig.</al><al>Het is verboden nachtverblijf in een voertuig te houden op of aan de
                        openbare weg, buiten een kampeerterrein, indien daardoor overlast kan worden
                        veroorzaakt.</al><al>Artikel 65.</al><al>Hinder in verband met harddrugs dan wel een andere bedreiging van de
                        openbare orde.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn
                                aangewezen omdat het belang van de bescherming van de openbare orde
                                dit naar zijn oordeel nodig maakt in verband met het gebruik van
                                en/of de handel in harddrugs, of herhaaldelijk aangetoonde overlast,
                                deel te nemen aan een verzameling van meer dan drie personen,
                                waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat deze verzameling
                                een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing van wegen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt
                                gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn telkenmale kan
                                worden verlengd.</al></li><li nr="3."><al>Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid
                                bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                                ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de
                                door hem aangegeven richting te verwijderen.</al></li></lijst><al>Artikel 66.</al><al>Gebruik harddrugs</al><al>[Vervallen per 23-09-2012]</al><al>Artikel 67.</al><al>Voorbereidingshandelingen (ver)koop drugs</al><al>[Vervallen per 23-09-2012]</al><al>Artikel 68.</al><al>Weggooien van spuiten</al><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan op of aan de
                        openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel
                        om afstand te doen van het voorwerp.</al><al>Artikel 69.</al><al>Hinderlijk gebruik alcoholhoudende drank e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is personen, die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt
                                verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank, te gebruiken
                                of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                drank bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met gedragingen,
                                die de openbare orde verstoren dan wel anderszins overlast
                                veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>Het is personen, die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt
                                ,verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het
                                college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank, te gebruiken of
                                aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                bij zich te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als
                                        bedoeld in artikel 31, lid 1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a,
                                        waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 38, tweede
                                        lid, van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het is verboden op de weg die deel uitmaakt van een door het college
                                aangewezen gebied gedurende een in het aanwijzingsbesluit bepaalde
                                periode drinkglazen of flessen bij zich te hebben, die kennelijk
                                bestemd zijn voor het nuttigen van drank op de weg.</al></li></lijst><al>Artikel 69a</al><al>Openlijk drugsgberuik</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek
                                toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw
                                middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op of aan de weg of op een ander voor het publiek
                                toegankelijke plaats middelen als bedoeld in artikel 3 Opiumwet te
                                gebruiken, indien dit gepaard gaat met gedragingen, die de openbare
                                orde verstoren dan wel anderszins overlast veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied, middelen als bedoeld in artikel
                                3 van de Opiumwet te gebruiken.</al></li></lijst><al>Artikel 70.</al><al>Verblijfsontzegging.</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene,
                                die zich gedraagt in strijd met de openbare orde en/of een aan de
                                openbare orde gerelateerd delict pleegt bevelen zich te verwijderen
                                en verwijderd te houden uit een door de burgemeester aangewezen
                                gebied gedurende de tijd in het bevel genoemd met een maximum van
                                twaalf weken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op personen,
                                die zich in het aangewezen gebied bevinden in een middel van
                                openbaar vervoer.</al></li><li nr="3."><al>In het in het eerste lid bedoelde bevel kan de burgemeester wegen
                                aanwijzen, waarvoor het verbod niet geldt, in verband met het feit,
                                dat degene tot wie het bevel gericht is, in het gebied woonachtig of
                                werkzaam is.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester gegeven bevel als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><al>Artikel 71.</al><al>Meevoeren wapens</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan
                                gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen,
                                messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen als wapen kunnen
                                worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                behorende tot de categorie I, II, III en IV Wet Wapens en Munitie en
                                voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare
                                orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.</al></li></lijst><al>Artikel 72.</al><al>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een gevel, inclusief daarin aanwezige deuren, ramen
                                en andere voorzieningen te hangen, zitten of liggen voor zover
                                daardoor overlast kan worden veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></li></lijst><al>Artikel 73.</al><al>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten.</al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke
                        wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
                        telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage,
                        rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke
                        ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel
                        dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.</al><al>Artikel 74.</al><al>Straatartiesten</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de openbare weg als straatartiest overlast te
                                veroorzaken voor voorbijgangers, omwonenden of bezoekers van een
                                terras.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder, die overlast veroorzaakt als bedoeld in het eerste lid
                                dient zich op daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie
                                in een door deze aangegeven richting te verwijderen.</al></li></lijst><al>Artikel 75.</al><al>Spelen om geld.</al><al>Het is verboden op de openbare weg gelegenheid te geven tot het deelnemen
                        aan spelen om geld of geldwaarden, niet zijnde spelen in de zin van de Wet
                        op de Kansspelen.</al><al>Artikel 76.</al><al>Neerzetten van fietsen en dergelijke.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan, indien daardoor overlast veroorzaakt kan
                                worden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                                bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op door het college in
                                het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming
                                of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                                openbare gezondheid aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                verkeren op de weg te laten staan.</al></li></lijst><al>Artikel 77.</al><al>Bespieden van personen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een
                                gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></li></lijst><al>Artikel 78.</al><al>Loslopende honden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond alsmede hij die
                                een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen</al></li><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg en op door college aangewezen
                                uitlaatstroken zonder dat die hond aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide, adoptieveld of op
                                een andere door college als zodanig aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder a mag een hond
                                onaangelijnd worden uitgelaten op door college aangewezen
                                renvelden.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor hulphonden,
                                die speciaal voor deze taak door een officieel erkende hondenschool
                                zijn opgeleid en als hulphond zijn geregistreerd.</al></li></lijst><al>Artikel 79.</al><al>Verontreiniging door honden.</al><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar, houder of verzorger van een hond alsmede degene die een
                                hond onder zijn hoede heeft, is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al></li><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor
                                het verkeer van voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijk en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of
                                adoptieveld;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door het college als zodanig aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar, houder of
                                verzorger van de hond alsmede degene die de hond onder zijn hoede
                                heeft, er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                verwijderd.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor hulphonden,
                                die speciaal voor deze taak door een officieel erkende hondenschool
                                zijn opgeleid en als hulphond zijn geregistreerd</al></li></lijst><al>Artikel 80.</al><al>Gevaarlijke honden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond alsmede hij die
                                een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van
                                een ander:</al></li><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd, nadat het college de eigenaar, houder of
                                verzorger van een hond dan wel hem, die een hond onder zijn hoede
                                heeft schriftelijk heeft meegedeeld, dat het die hond gevaarlijk of
                                hinderlijk acht en het een aanlijngebod in verband met het gedrag
                                van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het
                                college de eigenaar, houder of verzorger van een hond dan wel hem,
                                die een hond onder zijn hoede heeft, schriftelijk heeft meegedeeld,
                                dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en het een aanlijn-
                                en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                vindt.</al></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>[Vervallen per 23-09-2012]</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte,
                                gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                meter.</al></li><li nr="3."><al>[Vervallen per 23-09-2012]</al></li></lijst><al>Artikel 81.</al><al>Loslopend vee en pluimvee.</al><al>De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg
                        liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                        deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                        maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al><al>Artikel 82.</al><al>Schade door duiven.</al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een
                                door het college te bepalen tijdvak gelegen tussen 1 maart en 1
                                juni.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gesteld gebod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Verordening ophokplicht
                                duiven Noord-Brabant.</al></li></lijst><al>Artikel 83.</al><al>Voederverbod</al><al>Het is verboden om duiven of watervogels te voederen of voor hen etensresten
                        achter te laten op plaatsen, die het college ter voorkoming van overlast,
                        heeft aangewezen.</al><al>Artikel 84.</al><al>Bijen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden: </al></li><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar
                                overdag mensen verblijven; </al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als
                                noodzakelijk is om het laag- en invliegen van bijen te
                                voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde geldt niet voor
                                zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als
                                bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b gestelde verbod geldt niet
                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                Wegenverordening Noord-Brabant.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst><al>Afdeling 5. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen.</al><al>Artikel 85.</al><al>Begripsomschrijvingen.</al><lijst><li nr="A."><al>Handelaar<cursief>:</cursief> de handelaar als bedoeld in artikel 1
                                van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="B."><al>Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijzen overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen
                                door de handelaar.</al></li></lijst><al>Artikel 86.</al><al>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister.</al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te
                        houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                        andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                        burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; </al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed; </al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat
                                mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; </al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
                            </al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.</al></li></lijst><al>Artikel 87.</al><al>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                        Strafrecht.</al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen:</al></li><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn
                                woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende
                                vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf
                                afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register
                                ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop
                                zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                zijn;</al></li></lijst><al>Artikel 88.</al><al>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen.</al><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door
                        opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen dat het onder zijn
                        berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij
                        deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.</al><al>Artikel 89.</al><al>Handel in horeca-inrichtingen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een inrichting verboden toe te laten dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                overdraagt.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare
                                verkopingen en veilingen.</al></li><li nr="3."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: a.
                                    inrichting<cursief>:</cursief> de inrichting als bedoeld in
                                artikel 31,eerste lid, onder a, sub 1, 2 en 3; b.
                                    houder<cursief>:</cursief> de houder als bedoeld in artikel 31,
                                eerste lid , onder b.</al></li></lijst><al>Afdeling 6. Gevaarlijke stoffen.</al><al>Artikel 90.</al><al>Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of bestuurder van een voertuig, dat in
                                gebruik is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, genoemd in
                                artikel 1, lid 1, onder b, van de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen,
                                verboden dit voertuig te parkeren op andere plaatsen dan die welke
                                bij besluit van het college zijn aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet:</al></li><li nr="a."><al>gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
                                onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het
                                onmiddellijk laden of lossen van goederen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gedurende een periode van ten hoogste een
                                half uur;</al></li><li nr="c."><al>voor gevallen, waarin de Wet milieubeheer of de Wet Vervoer
                                Gevaarlijke Stoffen van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst><al>Afdeling 7. Vuurwerk.</al><al>Artikel 91. </al><al>Begripsomschrijving.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                        consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe
                        regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                        (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><al>Artikel 92.</al><al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden zonder vergunning van het
                                college.</al></li><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in
                                het belang van de openbare orde en veiligheid en in het belang van
                                het voorkomen of beperken van overlast.</al></li></lijst><al>Artikel 93.</al><al>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door college
                                in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast
                                aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor
                                het publiek toegankelijke plaats te bezigen, indien zulks gevaar,
                                schade of overlast kan veroorzaken. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen en dergelijke.</al><al>Artikel 94. </al><al>Begripsomschrijvingen.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>a.prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee : degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; </al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar; </al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; </al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; </al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert
                                of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; </al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;
                            </al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 138 ;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 95. </al><al>Bevoegd bestuursorgaan.</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college
                        of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                        behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                        burgemeester.</al><al>Artikel 96. </al><al>Nadere regels.</al><al>Met het oog op de in artikel 104, tweede lid, genoemde belangen, kan het
                        college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere
                        regels vaststellen.</al><al>Artikel 97.</al><al>Seksinrichtingen en dergelijke. </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant; </al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; </al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst><al>Artikel 98.</al><al>Gedragseisen exploitant en beheerder. </al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al></li><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                macht of de voogdij; </al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; </al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. </al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de
                                beheerder niet: </al></li><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een
                                psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a
                                van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door
                                een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; </al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                geldboete van 500 euro of meer of, tot een andere hoofdstraf als
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></li><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197 a t/m c, 240b, 242 tot
                                en met 249, 273a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j* artikel 8 of
                                j* artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                                kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld:</al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                                beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de intrekking van deze vergunning. </al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning, bedoeld in
                                artikel 97, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat
                                hem ter zake geen verwijt treft.</al></li></lijst><al>Artikel 99.</al><al>Sluitingsuur. </al><al>Het bepaalde omtrent het sluitingsuur, de toegang van politieambtenaren en
                        de mogelijkheid om een afwijkend sluitingsuur vast te stellen dan wel tot
                        tijdelijke sluiting over te gaan van een of meer horeca-inrichtingen zoals
                        opgenomen in de artikelen 32, 33 en 34 APV is van overeenkomstige toepassing
                        op seksinrichtingen.</al><al>Artikel 100.</al><al>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder. </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge artikel 97 op de vergunning vermelde
                                exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de
                                seksinrichting:</al></li><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek
                                van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens
                                en munitie; en </al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                bepaalde.</al></li></lijst><al>Artikel 101.</al><al>Straatprostitutie. </al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken dan wel op deze uitnodiging in te gaan.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></li></lijst><al>Artikel 102.</al><al>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
                        goederen, afbeeldingen en dergelijke. </al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt; </al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het
                                belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen,
                                die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld
                                in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.</al></li></lijst><al>Artikel 103.</al><al>Beslissingstermijn. </al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, binnen dertien weken
                                na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                                weken verdagen.</al></li></lijst><al>Artikel 104.</al><al>Weigeringsgronden c.a. </al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, wordt geweigerd
                                indien: </al></li><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 98
                                gestelde eisen; </al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273a van
                                het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. </al></li><li nr="2."><al>De vergunning bedoeld in artikel 97, eerste lid, kan worden
                                geweigerd: </al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde; </al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; </al></li><li nr="c."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van woon-
                                en leefklimaat; </al></li><li nr="d."><al>in het belang van de veiligheid van personen of goederen; </al></li><li nr="e."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; </al></li><li nr="f."><al>in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; </al></li><li nr="g."><al>in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning kan worden geweigerd indien een eerdere vergunning
                                voor de exploitatie van de seksinrichting is ingetrokken dan wel de
                                seksinrichting met toepassing van artikel 99 van deze verordening
                                dan wel artikel 13b van de Opiumwet is gesloten”.</al></li><li nr="4."><al>De vergunning kan onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze
                                verordening worden ingetrokken, indien:</al></li><li nr="a."><al>niet langer wordt voldaan aan de op basis van artikel 96 c.q. in
                                artikel 98 gestelde eisen.</al></li><li nr="b."><al>in de inrichting strafbare feiten plaatsvinden c.q. plaatsgevonden
                                hebben, die een bedreiging vormen voor de orde of veiligheid in de
                                inrichting.</al></li><li nr="c."><al>aldaar een minderjarige prostituee dan wel een prostituee zonder
                                geldige verblijfstitel wordt aangetroffen.</al></li><li nr="d."><al>de openbare orde of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid
                                van de inrichting wordt verstoord of bedreigd.</al></li><li nr="e."><al>personen tegen hun wil in de inrichting worden vastgehouden.</al></li></lijst><al>Artikel 105.</al><al>Beëindiging exploitatie. </al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 97 op de vergunning
                                vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escort bedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li></lijst><al>Artikel 106.</al><al>Wijziging beheer. </al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 97, tweede lid, onder b,
                                het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het
                                bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien
                                het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft
                                besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het
                                beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 104 eerste lid, aanhef
                                en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 4. </al><al>Bescherming van het milieu en het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Afdeling 1. Geluid- en lichthinder.</al><al>Artikel 107.</al><al>Begripsomschrijving.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: een inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit;
                            </al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                                beheerder of anderszins een inrichting drijft; </al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan een of
                                een klein aantal inrichtingen is verbonden; </al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan een of een klein aantal inrichtingen.</al></li></lijst><al>Artikel 108.</al><al>Aanwijzing collectieve festiviteiten.</al><lijst><li nr="1."><al>De waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve
                                festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
                            </al></li><li nr="2."><al>Artikel 3:148, eerste lid van het Besluit geldt niet voor door het
                                college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij
                                aan te wijzen dagen of dagdelen. </al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer
                                in de aanwijzing genoemde delen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer een collectieve festiviteit van maatschappelijk belang
                                redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college deze
                                festiviteit terstond aanwijzen als een collectieve festiviteit als
                                bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking
                                van geluidhinder bij collectieve festiviteiten.</al></li></lijst><al>Artikel 109.</al><al>Aanwijzing incidentele festiviteiten.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de waarden als
                                bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van
                                toepassing zijn, mits de houder van een inrichting tenminste vier
                                weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in
                                kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 2 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij artikel 3:148,
                                eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder
                                van een inrichting tenminste vier weken voor de aanvang van de
                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan gebieden aanwijzen, waarbinnen de in het eerste en
                                tweede lid bedoelde activiteiten niet door iedere inrichting
                                afzonderlijk mogen worden gehouden, maar slechts door de in het
                                gebied gevestigde ondernemers gezamenlijk. Alsdan geldt voor het
                                gehele gebied een maximum van 2 incidentele festiviteiten per
                                kalenderjaar.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving geschiedt schriftelijk en bevat tenminste de
                                volgende gegevens: naam en adres van de inrichting, datum, tijdstip
                                en aard van de festiviteit, contactpersoon tijdens de activiteit.
                                Inrichtingen waar een geluidsbegrenzer verplicht is, dienen tevens
                                te melden of de geluidsbegrenzer tijdens de festiviteit buiten
                                werking wordt gesteld.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan een incidentele festiviteit verbieden, wanneer er
                                sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder of een ontoelaatbare
                                samenloop met festiviteiten die gelijktijdig plaatsvinden, dan wel
                                voorwaarden of beperkingen stellen ter voorkoming van
                                geluidoverlast.</al></li><li nr="6."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit
                                artikel geldt voor het gebied Spoorzone, zoals vastgesteld door de
                                raad, een maximum van 8 incidentele festiviteiten per kalenderjaar,
                                waarbij de waarden als bedoeld in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                Besluit niet van toepassing zijn.</al></li></lijst><al>Artikel 109a</al><al>Geluidhinder door vroege oproepen tot gebed</al><al>Het is verboden om van 23.00 uur tot 07.30 uur door middel van klokgelui dan
                        wel op andere wijze op te roepen tot gebed, in de zin van artikel 10 Wet
                        Openbare Manifestaties, met een geluidsniveau dat meer dan 10dB(A) ligt
                        boven de normen uit het Besluit en meer dan 10 dB(A) boven het
                        referentieniveau van de omgeving.</al><al>Artikel 110.</al><al>Overige geluidhinder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben
                                of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Degene, die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen, dat dit
                                voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                veroorzaakt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de
                                Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de
                                Luchtvaartwet of het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn.</al></li></lijst><al>Afdeling 2. Verontreiniging van de weg.</al><al>Artikel 111. </al><al>Natuurlijke behoefte doen.</al><al> Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke
                        behoefte te doen.</al><al>Afdeling 3. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast.</al><al>Artikel 112.</al><al>Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest,
                        ongebruikte landbouwproducten en dergelijke.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast
                                dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen
                                plaatsen buiten een inrichting als bedoeld in de Wet Milieubeheer in
                                de openlucht of buiten de weg één of meer van de volgende daarbij
                                nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door het
                                college gestelde regels:</al></li><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                gewoonlijk voor recreatieve doeleinden</al></li><li nr="d."><al>gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel
                                doel;</al></li><li nr="e."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;</al></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een door college krachtens het eerste lid
                                aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof:</al></li><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel </al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels.</al></li><li nr="4."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Ruimtelijke Ordening
                                of de Wegenverordening Noord-Brabant.</al></li></lijst><al>Artikel 113.</al><al>Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen.</al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder: </al></li><li nr="a."><al>dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel
                                1 van de Meststoffenwet; </al></li><li nr="b."><al>emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen op de
                                wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen
                                behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a
                                onder 2<sup>e</sup> gelezen moet worden: “tijdens het uitrijden van
                                de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt”; </al></li><li nr="c."><al>grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik dierlijke
                                meststoffen 1998 is het verboden op gronden dierlijke meststoffen
                                uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen
                                op zaterdag, zondag en op de volgende feest- en gedenkdagen:
                                Nieuwjaarsdag, Pasen, Koninginnedag, 5 mei, Hemelvaartsdag,
                                Pinksteren en Kerstmis.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor
                                zover de dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel,
                                wordt aangewend.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                gestelde verboden.</al></li><li nr="5."><al>Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                                verkeren.</al></li></lijst><al>Artikel 114.</al><al>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke.</al><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
                        voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding, waardoor
                        het verkeer in gevaar gebracht wordt, ernstige hinder voor de omgeving
                        ontstaat of wanneer zulks in strijd is met redelijke eisen van welstand dan
                        wel in afwijking van door het college met het oog op die belangen
                        vastgestelde algemene regels.</al><al>Artikel 115.</al><al>Vervallen.</al><al>Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                        gemeente.</al><al>Afdeling 1. Parkeerexcessen.</al><al>Artikel 116.</al><al>Begripsomschrijvingen.</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen en bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                rolstoelen; </al></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende
                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in-
                                of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of
                                lossen van goederen.</al></li></lijst><al>Artikel 117.</al><al>Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte
                                van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te
                                verhuren of te verhandelen, verboden: </al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op
                                de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter
                                met als middelpunt een dezer voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
                            </al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; </al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                                betaling.</al></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:
                            </al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
                            </al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste
                                lid genoemde persoon.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst><al>Artikel 118.</al><al>Defecte voertuigen.</al><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te
                        verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                        achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al><al>Artikel 119.</al><al>Voertuigwrakken.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                verwaarloosde toestand verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></li></lijst><al>Artikel 120.</al><al>Caravans en dergelijke.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, magazijnwagen,
                                keetwagen, aanhangwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan
                                verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al></li><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben
                                op een weg.</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen en vanaf de openbare weg
                                zichtbare plaats te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk
                                is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening
                                of de Landschapsverordening Noord Brabant.</al></li></lijst><al>Artikel 121.</al><al>Parkeren van reclamevoertuigen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                                handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om
                                daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst><al>Artikel 122.</al><al>Parkeren van grote voertuigen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen,
                                dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6
                                meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door
                                het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk
                                is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen,
                                dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6
                                meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit
                                naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>Artikel 123.</al><al>Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig, daaronder begrepen een aanhangwagen,
                                dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter
                                of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een
                                voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige
                                wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins
                                hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd
                                die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 124.</al><al>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen
                                of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 125.</al><al>Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of
                                een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 116 onder a; </al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van
                                werkzaamheden door of vanwege de overheid; </al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst><al><vet>Afdeling 2. Collecteren, venten en uitstallingen.</vet></al><al>Artikel 126.</al><al>Inzameling van geld of goed.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden. </al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte
                                stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten,
                                aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt
                                gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling
                                die in besloten kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor instellingen,
                                die zijn opgenomen in het jaarlijkse collecterooster van het
                                Centraal Bureau Fondsenwerving.</al></li></lijst><al>Artikel 127.</al><al>Venten en dergelijke.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van de handel op of aan de weg of
                                aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan
                                niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                open lucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                verkopen of af te leveren of diensten aan te bieden, indien daardoor
                                de openbare orde, de veiligheid of de volksgezondheid in gevaar
                                komt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan gebieden aanwijzen, waar de in het eerste lid
                                bedoelde handel, zonder meer verboden is.</al></li></lijst><al>Artikel 128.</al><al>Uitstallingen op de weg.</al><al>Vervallen.</al><al>Afdeling 3. Lijkbezorging.</al><al>Artikel 129.</al><al>Tijdvak voor begraven en dergelijke.</al><al>Het is verboden te begraven of asbussen bij te zetten buiten het tijdvak van </al><al>08.00 uur tot 16.00 uur.</al><al>Artikel 130.</al><al>Onbetamelijk gedrag op een begraafplaats.</al><al>Het is verboden op een begraafplaats nodeloos rumoer te maken of zich
                        anderszins onbetamelijk te gedragen.</al><al>Artikel 131. </al><al>Aanwijzingen.</al><al>Eenieder is verplicht de aanwijzingen op te volgen, die door of namens de
                        rechthebbende op een begraafplaats gegeven worden met betrekking tot het
                        uitvoeren van werkzaamheden of in het belang van de orde en rust op de
                        begraafplaats.</al><al>Afdeling 4. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                        natuurgebieden.</al><al>Artikel 132. </al><al>Crossterreinen.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, en een bromfiets
                                als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een
                                motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
                                aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                                gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels
                                stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: </al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het
                                publiek.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het
                                Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></li></lijst><al>Artikel 133. </al><al>Beperking verkeer in natuurgebieden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken,
                                plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen
                                aanwijzen ten aanzien waarvan het verklaart, dat het rijden met een
                                motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld
                                in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken
                                of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen:
                            </al></li><li nr="a."><al>zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het
                                vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel </al></li><li nr="b."><al>zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of
                                een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid
                                tijdstip.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders
                                van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                paarden: </al></li><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en
                                van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer
                                en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; </al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie
                                van de door het college aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk
                                voorschrift moeten worden uitgevoerd; </al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen
                                gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; </al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de
                                onder d. bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: </al></li><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                “Stiltegebieden” aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                motorvoertuigen, die bij of krachtens die verordening zijn
                                aangewezen als “toestel”.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al>Afdeling 5. Verbod vuur te stoken.</al><al>Artikel 134. </al><al>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te
                        stoken.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college in de
                                open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin
                                van de Wet Milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken
                                of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het
                                betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke,
                                sfeervuren zoals terrashaarden, vuurkorven en dergelijke en vuur
                                voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor
                                de omgeving.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde melding dient uiterlijk zes weken,
                                voordat de voorgenomen activiteit plaats zal vinden te worden gedaan
                                bij het college.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan de activiteit verbieden dan wel daaraan
                                voorschriften verbinden met het oog op de openbare orde en
                                veiligheid, de bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de
                                bescherming van flora en fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429 aanhef en
                                onder 1. of 3 van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                Milieuverordening Noord Brabant.</al></li></lijst><al>Afdeling 6. Overig</al><al>Artikel 135. </al><al>Het aanbrengen van tatoeages.</al><lijst><li nr="1."><al>Degene die er een beroep van maakt handelingen te verrichten,
                                waarbij de huid van degene die zich tot hem wenden, wordt
                                gepenetreerd, is verplicht ervoor te zorg te dragen dat deze
                                handelingen op een zodanige wijze plaatsvinden dat overdracht van
                                ziektekiemen daarbij wordt voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>De in lid 1 genoemde verplichting geldt ook voor de exploitant van
                                een inrichting, waar bedoelde handelingen verricht worden.</al></li><li nr="3."><al>De in lid 2 bedoelde exploitant alsook de in lid 1 genoemde persoon
                                is verplicht om aan personen die door het college zijn belast met
                                het toezicht op de naleving van het in lid 1 bepaalde, toegang te
                                verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan terzake van de in lid 1 bedoelde handelingen
                                aanwijzingen geven ten aanzien van het voorkomen van overdracht van
                                ziektekiemen. Deze aanwijzingen worden schriftelijk gegeven en
                                dienen te worden opgevolgd.</al></li></lijst><al>Artikel 136.</al><al>Openbaar water.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de bestuurder, eigenaar of houder van een motorvaartuig
                                verboden dit aanwezig te hebben dan wel er mee te varen op een door
                                het college bij openbare kennisgeving aangewezen waterplas.</al></li><li nr="2."><al>Het is de eigenaar of houder tevens verboden het motorvaartuig te
                                plaatsen of geplaatst te houden binnen een afstand van tien meter
                                van een krachtens het bepaalde in het eerste lid aangewezen
                                waterplas.</al></li><li nr="3."><al>Onder motorvaartuig wordt verstaan een vaartuig, dat bestemd is om
                                te worden voortbewogen uitsluitend of mede door mechanische kracht
                                op of aan het vaartuig zelf aanwezig.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor vaartuigen,
                                die worden gebruikt voor baggerwerkzaamheden of ten behoeve van de
                                openbare dienst.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                en tweede lid.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen.</al><al>Artikel 137.</al><al>Strafbepaling.</al><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde alsmede van
                        de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften wordt gestraft met hechtenis
                        van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                        bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                        uitspraak.</al><al>Artikel 138.</al><al>Toezichthouders.</al><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de ambtenaren van de afdeling
                                Veiligheid en Wijken, ieder voor zover het betreft zaken, die aan
                                hun toezicht zijn toevertrouwd.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij het besluit van het college
                                dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li><li nr="3."><al>Tevens zijn met het toezicht belast de in de artikelen 141 en 142
                                van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtaren.</al></li></lijst><al>Artikel 139.</al><al>Binnentreden woningen.</al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een
                        overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften
                        welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of
                        bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot
                        het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al><al>Artikel 140.</al><al>Inwerkingtreding.</al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2015.</al></li><li nr="2."><al>Met ingang van die dag vervalt de Algemene Plaatselijke Verordening
                                Tilburg zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg bij
                                besluit van 15 december 2014 .</al></li></lijst><al>Artikel 141.</al><al>Overgangsbepaling.</al><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 140, tweede lid blijven indien en
                                voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover
                                zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken, van kracht tot de
                                tijd waarvoor zij werden verleend is verstreken of totdat zij worden
                                ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 140, tweede lid, blijven, indien en voor zover de
                                bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn
                                opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken van kracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                grond van een verordening bedoeld in artikel 140, tweede lid is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de
                                overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip bedoeld in artikel 140, eerste lid, is ingekomen binnen
                                de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                van de verordening bedoeld in artikel 140, tweede lid.</al></li></lijst><al>Artikel 142.</al><al>Aanhalingstitel.</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke
                        Verordening gemeente Tilburg.</al></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><vet> Bijlage 1. Gebied Spoorzone</vet></al><al>Zie kaart. </al><al><extref doc="/cvdr/images/Tilburg/i251987.pdf">kaart Spoorzone</extref></al><al/></bijlage><nota-toelichting><al>Toelichting bij de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Tilburg
                    2005.</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al><cursief>A. Weg</cursief></al><al>Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen, heeft betrekking op
                    (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De omschrijving van "weg" is ruimer
                    dan die van de Wegenwet en die van de Wegenverkeerswet 1994 (en die van de
                    verschillende provinciale wegenreglementen).</al><al>Te onderscheiden zijn de volgende definities van het begrip "weg":</al><lijst><li nr="-"><al>De "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de
                            wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte;</al></li><li nr="-"><al>de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de
                            voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als
                            gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en
                            het in stand houden van de weg, in te grijpen;</al></li><li nr="-"><al>de voor het publiek toegankelijke open plaatsen: een begrip dat - onder
                            uiteenlopende formuleringen - voorkomt in verschillende artikelen van
                            het Wetboek van Strafrecht en in de algemene plaatselijke verordeningen.
                            De volgorde is die van eng naar ruim: "openbare wegen" zijn ook "wegen
                            die voor het openbaar verkeer open staan", maar niet alle voor het
                            openbaar verkeer openstaande wegen zijn openbaar. Tot de "voor het
                            publiek toegankelijke plaatsen" kunnen de "openbare wegen" en de overige
                            "voor het openbaar verkeer openstaande wegen" gerekend worden, maar het
                            begrip is daarmee niet uitgeput.</al></li></lijst><al>Het begrip “weg” in de APV komt het meest overeen met het hiervoor onder c
                    beschreven begrip, zij het dat het nog iets ruimer is. Daaronder vallen ook voor
                    het publiek toegankelijke trappen, portieken e.d. die toegang geven tot voor
                    bewoning bestemde ruimten, voorzover deze trappen etc. niet afsluitbaar zijn.
                    Andere trappen, portieken, galerijen e.d. vallen ook onder het begrip weg,
                    ongeacht of deze afsluitbaar zijn, maar alleen op het moment dat ze niet
                    afgesloten zijn. Daarbij moet b.v. gedacht worden aan afsluitbare
                    winkelpassages. Gedurende de tijd, dat deze niet daadwerkelijk afgesloten zijn,
                    maken zij deel uit van de weg als bedoeld in de APV en zijn dus tal van
                    bepalingen uit de APV van toepassing.</al><al>B.Rechthebbende</al><al>Het gaat hier om de rechthebbende naar burgerlijk recht. Veelal is dat de
                    eigenaar en/of huurder van een goed.</al><al><cursief>C. Voertuigen</cursief></al><al>In artikel 1 onder a en onder a 1 van het Reglement Verkeersregels en
                    Verkeerstekens (RVV) worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen,
                    invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, aanhangwagens, trams en wagens. De APV
                    zondert van deze voertuigen uit a. treinen en trams en b. kruiwagens,
                    kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al><al><cursief>E. Bouwwerk</cursief></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model)Bouwverordening.</al><al><cursief>F. Gebouw</cursief></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet.</al><al><cursief>I. Handelsreclame</cursief></al><al>Dit begrip is van belang, omdat artikel 7 van de Grondwet, dat de vrijheid van
                    meningsuiting garandeert, niet van toepassing is op handelsreclame. Met andere
                    woorden het is mogelijk een vergunningstelsel in het leven te roepen voor
                    handelsreclame. Het begrip komt o.a. terug in artikel 114 APV.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al><vet>Te late indiening aanvraag</vet></al><al>Dit artikel geeft de bevoegdheid om aanvragen, die later zijn ingediend dan tien
                    weken (voor evenementen twaalf weken) voor het tijdstip, waarop de aanvrager de
                    vergunning of ontheffing nodig heeft, niet in behandeling te nemen. Bedoeling is
                    dat van deze bevoegdheid alleen gebruik gemaakt wordt, als de beoordeling van de
                    aanvraag redelijkerwijs niet meer mogelijk is binnen de resterende termijn.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al><vet>Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd
                    dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is
                    in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing
                    ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een
                    oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze
                    bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan
                    vergunning of ontheffing wordt verleend. </al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 4 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al><vet>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De in dit artikel genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter, blijkende uit het woord "kan".</al><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt
                    overgegaan.</al><al>Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot
                    toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. </al><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken
                    of te wijzigen, zal het veelal gehouden zijn om de belanghebbende in de
                    gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen conform het bepaalde in
                    artikel 4:8 Awb.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al><vet>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een
                    rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die
                    vergunning of ontheffing.</al><al>Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging
                    uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager
                    (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs
                    van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet
                    overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend
                    hiertoe de mogelijkheid biedt.</al><al>Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het
                    object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de
                    aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet
                    gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins
                    zakelijk gerechtigde. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die
                    van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over
                    krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in
                    diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer enz.
                    Uitgangspunt in de APV is de persoonsgebondenheid van de vergunning. Overigens
                    kan een vergunning wel degelijk een zakelijk karakter hebben, ook al staat de
                    vergunning op naam van een persoon.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al><vet>Termijnen</vet></al><al>In artikel 145 van de Gemeentewet is bepaald dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Voorzover de APV termijnen bevat die
                    in uren worden uitgedrukt, bepaald door terugrekening vanaf een tijdstip of een
                    gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Artikel 6 bevat
                    daartoe een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of
                    zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet
                    plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling
                    en besluitvorming te beschikken.</al><al>In de artikelen 6a en 6b wordt geregeld voor welke vergunning wel en voor welke
                    niet het lex silencio beginsel geldt. Dit beginsel houdt in, dat bij
                    overschrijding van de wettelijke beslistermijn de vergunning geacht wordt van
                    rechtswege te zijn verleend. De gevolgen hiervan zijn geregeld in paragraaf
                    4.1.3.3 van de Awb.</al><al><vet> Hoofdstuk 2 Openbare orde</vet></al><al><vet>Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg</vet></al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al><vet>Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al>Onder “samenscholing” is in dit verband te verstaan “het groepsgewijs bij elkaar
                    komen van mensen, die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen
                    hebben” (Van Dale). Met andere woorden: dit begrip heeft een negatieve
                    betekenis.</al><al>Het is uiteraard niet de bedoeling op te treden tegen een verzameling van
                    personen, die niets kwaads in de zin heeft (samenscholing in de neutrale
                    betekenis).</al><al>Toepassing van dit artikel zal dan ook slechts in het uiterste geval, ter
                    voorkoming van ongeregeldheden, plaats mogen vinden.</al><al>[Wijziging per 10-09-2012] Door de nieuwe formulering van dit artikel wordt aan
                    een politieambtenaar expliciet de bevoegdheid gegeven om bevelen te geven ter
                    voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden. Dit is nodig op grond van een
                    uitspraak van de Hoge Raad en daarop gebaseerde lagere rechtspraak, die
                    personen, die vervolgd werden op basis van het oude tweede lid - waarin die
                    bevoegdheid slechts impliciet was opgenomen - hebben vrijgesproken.</al><al>Een ieder, die het bevel niet opvolgt is strafbaar op grond van het bepaalde in
                    artikel 137 APV</al><al>(strafbepaling).</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Bestuurlijke ophouding</al><al>Artikel 154a Gemeentewet geeft de burgemeester onder bepaalde voorwaarden de
                    bevoegdheid om groepen van personen wat genoemd wordt “bestuurlijk op te
                    houden”. Hieronder wordt verstaan, dat deze naar een daartoe aangewezen plaats
                    kunnen worden overgebracht en gedurende maximaal 12 uur aldaar kunnen worden
                    vastgehouden. De plaats dient te voldoen aan een aantal in een algemene
                    maatregel van bestuur opgenomen eisen (Besluit plaatsen bestuurlijke ophouding
                    van 28 april 2000).</al><al>Deze bevoegdheid mag de burgemeester gebruiken, indien er sprake is van een
                    groepsgewijze overtreding van lokale regels, die ter handhaving van de openbare
                    orde zijn gesteld, en deze overtreding tot gevolg heeft, dat er ernstige
                    wanordelijkheden ontstaan c.q. dat er ernstige vrees bestaat, dat die zullen
                    ontstaan.</al><al>Te denken is daarbij aan situaties als relletjes rond voetbalwedstrijden of uit
                    de hand lopende betogingen.</al><al>Voordat wordt overgegaan tot effectuering van de ophouding moeten de personen
                    uit de groep in de gelegenheid worden gesteld de ophouding te voorkomen door
                    alsnog de overtreding van de voorschriften te staken. In concreto betekent dit,
                    dat de ophouding eerst kan worden toegepast, nadat de personen zijn gewaarschuwd
                    en zij hun gedrag niet hebben aangepast.</al><al>Het bestuurlijk ophouden heeft ten doel in dat soort situaties relschoppers
                    gedurende enige tijd te kunnen vasthouden en van de plek des onheils vandaan te
                    kunnen halen en houden. Daarbij hoeft niet vastgesteld te worden, dat de
                    individuele persoon zich schuldig heeft gemaakt aan bepaalde strafbare feiten,
                    maar is het voldoende, dat deze persoon van een groep deel uitmaakt, die zich
                    daaraan schuldig maakt. </al><al>Het besluit tot ophouding is een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede
                    lid, Awb. Tegen de beschikking kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de
                    rechtbank en tevens kan een voorlopige voorziening worden gevraagd. De
                    Gemeentewet bevat aangepaste procedurevoorschriften voor deze rechtsgang,
                    gericht op een snelle behandeling.</al><al>De bevoegdheid dient aan de burgemeester gegeven te zijn in een expliciete
                    bepaling in een verordening, in dit geval de APV. Tevens dient deze bepaling een
                    opsomming te bevatten van de artikelen uit de APV, die, bij groepsgewijze
                    overtreding daarvan, aanleiding kunnen vormen tot het toepassen van het middel
                    van bestuurlijke ophouding. In artikel 8 is dit nader uitgewerkt. Voorbeelden
                    van artikelen, bij overtreding waarvan bestuurlijke ophouding aan de orde kan
                    zijn, zijn het artikel, dat het beschadigen van de weg verbiedt (gooien met
                    stoeptegels) of het artikel dat verbiedt met messen, knuppels e.d. rond te
                    lopen.</al><al>Bestuurlijke ophouding kan ook worden toegepast bij overtreding van noodbevelen
                    of van een noodverordening. Dit hoeft niet in de APV te worden geregeld, maar
                    vloeit rechtstreeks voort uit artikel 176 a Gemeentewet.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Preventief fouilleren</al><al>Artikel 151b Gemeentewet bepaalt, dat de raad de burgemeester de bevoegdheid kan
                    geven “veiligheidsrisicogebieden” aan te wijzen bij verstoring van de openbare
                    orde door de aanwezigheid van wapens in dat gebied dan wel bij ernstige vrees
                    voor het ontstaan daarvan. In zo’n gebied kan de Officier van Justitie
                    vervolgens de politie gelasten over te gaan tot het preventief fouilleren op het
                    bezit van wapens.</al><al>De aanwijzing van het gebied kan slechts geschieden voor beperkte duur en moet
                    ingetrokken worden zodra de (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare
                    orde niet meer aanwezig is. Vooraf dient de burgemeester te overleggen met de
                    Officier van Justitie.</al><al>De beslissing tot aanwijzing van zo’n gebied dient op schrift te worden gesteld
                    en zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad gebracht te worden.</al><al>Een dergelijk besluit is niet vatbaar voor bezwaar en beroep, in die zin, dat
                    krachtens de jurisprudentie niemand als belanghebbende bij zo’n besluit kan
                    worden aangemerkt. Het besluit van de burgemeester heeft formeel namelijk nog
                    geen gevolgen, het heeft pas effect als vervolgens de Officier van Justitie
                    besluit ook daadwerkelijk tot preventieve fouillering over te gaan.</al><al>Artikel 9 verleent de burgemeester de hierboven toegelichte bevoegdheid. Van
                    deze is al een aantal malen gebruik gemaakt. </al><al><vet>Artikel 9 a</vet></al><al><vet>Cameratoezicht</vet></al><al>Door vaststelling van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid verleend
                    te besluiten tot het plaatsen van camera’s op openbaar toegankelijke plaatsen.
                    Artikel 151 c Gemeentewet bevat de verdere eisen, waaraan het cameratoezicht
                    moet voldoen.</al><al>Zo is bepaald, dat daadwerkelijke plaatsing geschiedt in overleg met de officier
                    van justitie en dat voor het publiek kenbaar moet zijn dat er op een bepaalde
                    plaats sprake is van cameratoezicht.</al><al>Het cameratoezicht mag uitsluitend ingesteld worden als dit noodzakelijk is ter
                    handhaving van de openbare orde. Dat neemt niet weg, dat de beelden wel gebruikt
                    mogen worden, als dat nodig is voor de opsporing van strafbare feiten.</al><al>Het begrip openbare plaatsen is verder omschreven in artikel WOM. De
                    eigendomssituatie is niet doorslaggevend voor de vraag of een plaats openbaar
                    is, maar uitsluitend de mate van feitelijke openbare toegankelijkheid van de
                    plaats, dus ook in particuliere eigendom zijnde plaatsen kunnen onder
                    omstandigheden openbaar zijn (b.v. winkelpassages).</al><al>Tot slot zij er op gewezen, dat de bepaling de plaatsing van vaste camera’s
                    regelt. De plaatsing van mobiele camera’s valt niet onder deze bepaling en ook
                    niet onder artikel 151 c Gemeentewet. Plaatsing van dat soort camera’s kan
                    geschieden op basis van artikel 2 Politiewet.</al><al>In aanvulling op de regels in wet en APV kan de burgemeester beleidsregels
                    vaststellen. Van belang hierbij is artikel 4:81 Algemene Wet Bestuursrecht: </al><al>" … een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem
                    toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende danwel door hem
                    gedelegeerde bevoegdheid." Over de door de burgemeester voorgenomen
                    beleidsregels is met de raad overleg gevoerd aan de hand van het raadsvoorstel
                    waarvan ook de voorgestelde wijziging van de APV, zoals hierboven weergeven,
                    deel uitmaakt.</al><al>Conform deze voorgenomen beleidsregels wordt de raad op de hoogte gebracht van
                    instelling, verlenging en opheffing van cameratoezicht, waarbij de burgemeester
                    inzicht geeft in de overwegingen die tot zijn besluit hebben geleid</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al><vet>Openbare manifestaties</vet></al><al>De Wet openbare manifestaties bevat een eenvormige regeling voor de activiteiten
                    die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet vallen. Het
                    gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van
                    godsdienst of levensovertuiging, voor zover die op openbare plaatsen gehouden
                    worden. </al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt onder “openbare plaats”
                    verstaan: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor
                    het publiek. </al><al>Duidelijk zal zijn, dat het gaat om collectieve uitingen. Bij een betoging gaat
                    het er met name om, om met zoveel mogelijk mensen uiting te geven aan gevoelens
                    en wensen op maatschappelijk en politiek gebied.</al><al>De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de uitoefening van de
                    grondrechten uit de artikelen 6 en 9 van de Grondwet opgedragen aan de gemeente.
                    Dit hangt samen met het gegeven dat met name het houden van een betoging een
                    directe relatie heeft met de plaatselijke openbare orde.</al><al>Vanuit het oogpunt van deregulering, maar ook om zo weinig mogelijk barrières op
                    te werpen tegen de uitoefening van onderhavige grondrechten, is niet gekozen
                    voor een vergunning-, maar voor een kennisgevingsstelsel. Dat brengt met zich
                    mee, dat de organisator van een openbare manifestatie vóór de openbare
                    aankondiging ervan en tenminste 48 uur, voordat de manifestatie gehouden wordt,
                    een schriftelijke kennisgeving dient te verstrekken aan de burgemeester. In de
                    kennisgeving moeten bepaalde gegevens opgenomen worden, o.a. over het doel van
                    de samenkomst en de maatregelen die de organisator genomen heeft om een ordelijk
                    verloop van de manifestatie te bevorderen.</al><al>Artikel 12</al><al><vet>Beperking aanbieding gedrukte en geschreven stukken e.d.</vet></al><al>Dit artikel opent de mogelijkheid de aanbieding van drukwerk, maar ook een
                    aantal andere activiteiten op de openbare weg, zoals het werven van leden of het
                    uitdelen van producten voor een bepaald gebied en of gedurende een bepaalde tijd
                    te verbieden. Dergelijke activiteiten hebben namelijk met name in winkelgebieden
                    op drukke tijden een zeer negatieve invloed op de doorstroming van het
                    (voetgangers)verkeer en daarmee op de bruikbaarheid van de weg. Om het artikel
                    “operationeel” te maken, dient het college op grond van het tweede lid een
                    uitvoeringsbesluit te nemen. Overwogen wordt dit te doen voor het
                    kernwinkelgebied gedurende de drukke dagen c.q. dagdelen.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al><vet>Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester een
                    wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een
                    exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een
                    weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in
                    artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het
                    toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. </al><al>Het artikel geldt niet voorzover het betreft rijks- of provinciale wegen. Dit
                    vloeit voort uit het bepaalde in het zesde lid. Op grond van ditzelfde lid kan
                    een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis
                    van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van
                    de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel
                    leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de
                    APV-vergunning.</al><al>Dit artikel is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten
                    gevolge van dit besluit is komt de verplichting om een vergunning te hebben om
                    van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen,
                    stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. Tevens komt
                    de vergunning te vervallen voor reclameborden, voorzover deze niet op of in de
                    openbare weg worden geplaatst.</al><al>In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten
                    engedenktekens een meldingsplicht. Voor de in het negende lid onder b., c. en d.
                    genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen,
                    die gevaar oplevert etc. Daarnaast kan het college algemene regels stellen,
                    waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en
                    kan het in dat kader b.v. ook bepalen, dat plaatsing van uitstallingen in een
                    bepaald gebied niet is toegestaan. Momenteel is dit het geval in het
                    Kernwinkelgebied. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit
                    op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de
                    toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.</al><al>Het aanbrengen van reclameborden aan een onroerend goed is geregeld in artikel
                    114 APV (zie aldaar). Artikel 114 ziet op borden aan de gevel, op het dak van
                    een pand, op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare
                    weg.</al><al>Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen, die vallen
                    onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan ander dan
                    woongebouwen op grond van de Woningwet wel een bouwvergunning vereist
                    blijft.</al><al>Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande
                    pinautomaten.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Door deze toevoeging komt de vergunningplicht voor
                    deze voorwerpen te vervallen. Te denken is hierbij aan voorwerpen als het
                    "Victor Veilig mannetje".</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al><vet>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Lid 1: Door deze toevoeging staat buiten kijf dat ook
                    voor de aanleg van kabels en leidingen onder de weg - voor andere dan
                    nutsbedrijven - een vergunning nodig is.</al><al>Zoals uit de leden 3 en 4 blijkt, geldt er een behoorlijk aantal uitzonderingen
                    op de vergunningplicht, zoals omschreven in het eerste lid. </al><al>In lid 3 gaat het behalve over de rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid,
                    ook over nutsbedrijven, zoals TWM en Essent. </al><al>In lid 4 wordt gesproken over de Telecommunicatiewet. In deze wet is voor de
                    gemeenten een gedoogplicht vastgelegd voor werkzaamheden die verband houden met
                    de aanleg van telecommunicatiekabels en daarmee samenhangende voorzieningen. De
                    APV kan dus geen regels meer bevatten die de aanleg van die kabels en
                    voorzieningen kunnen belemmeren en de aanleg vergunningplichtig kunnen maken.
                    Verder wordt nog verwezen naar Telecommunicatieverordening, zoals die op 21 juni
                    1999 door de raad is vastgesteld.</al><al>In de praktijk geldt de vergunningplicht dus met name voor bedrijven die kabels
                    naar hun vestiging willen laten aanleggen en daarvoor de barrière van een weg
                    moeten nemen.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al><vet>Maken en veranderen van een uitweg</vet></al><al>In dit artikel is geen sprake meer van een vergunningstelsel maar van een
                    meldingsplicht. Omdat geen vergunning meer nodig is, komt ook de verplichting om
                    leges te betalen te vervallen.</al><al>Omdat het van belang blijft om te beoordelen of de aanleg van een uitrit geen
                    gevaar voor het verkeer oplevert of een onaanvaardbare aantasting van een
                    groenvoorziening dan wel de bruikbaarheid van de weg, blijft er wel sprake van
                    een beoordeling door de gemeente. Tevens blijft het mogelijk om aan de
                    uitvoering van de uitrit voorschriften te verbinden. Dit is nodig omdat er
                    sprake is van uitwegen op de openbare weg en de gemeente aansprakelijk is, als
                    er een gevaarlijke situatie zou ontstaan voor het verkeer.</al><al>Om diezelfde reden en in het belang van een kwalitatief goede openbare ruimte,
                    zal het aan de melder in het algemeen niet toegestaan worden om, indien er
                    werkzaamheden in het openbaar gebied moeten plaatsvinden, deze zelf te
                    verrichten, maar zullen deze door een door de gemeente aan te wijzen aannemer
                    onder regie van de gemeente, maar opkosten van de melder, verricht worden. Tot
                    aanleg van de uitrit wordt niet overgegaan dan nadat de melder zich hiermee
                    akkoord heeft verklaard.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al><vet>Veroorzaken gladheid</vet></al><al>De verbodsbepaling van het eerste lid spreekt voor zich.</al><al>In het tweede lid wordt gewezen op artikel 427, aanhef en onder 4<sup>e</sup>
                    van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 5 van de Wegenverkeerswet. </al><al>Het eerstgenoemde artikel heeft betrekking op het verbod om iets uit een gebouw
                    te werpen of te gieten, op een zodanige wijze dat tengevolge hiervan iemand, die
                    van de openbare weg gebruikt maakt, daarvan nadeel ondervindt.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet houdt het verbod in zich zodanig te gedragen
                    dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de
                    weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. </al><al>Is dus sprake van gedrag dat valt onder één van beide genoemde artikelen, dan is
                    artikel 16 niet van toepassing.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al><vet>Winkelwagentjes</vet></al><al>De verantwoordelijkheid voor het voorkomen van het rondslingeren van
                    winkelwagentjes op of langs de weg ligt bij de rechthebbende op een
                    winkelbedrijf. Indien het winkelend publiek winkelwagentjes op of langs de weg
                    achterlaat, dan rust op de eigenaar van het winkelbedrijf dan ook de plicht deze
                    op te halen en deze op zijn terrein ordelijk op te stellen. </al><al>De omschreven “ophaalplicht” is de winkelier opgelegd, omdat hij het ook in zijn
                    macht heeft een dusdanig systeem te hanteren, dat het euvel van het
                    rondslingeren wordt voorkomen, bijvoorbeeld door de hantering van een
                    muntmechanisme.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al><vet>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 125 van de
                    Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te
                    snoeien.</al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al><vet>Rookverbod in natuurgebieden</vet></al><al>Bij raadsbesluit van 13 november 2000 is de bevoegdheid tot het instellen van
                    het rookverbod in natuurgebieden toegekend aan de burgemeester. Voorheen
                    berustte die bevoegdheid bij het college. </al><al>Aanleiding tot deze wijziging van bevoegdheidstoedeling vormde de vaststelling
                    door het bestuur van de Regionale Brandweer Midden Brabant van een “Procedure
                    rookverbod natuurgebieden”. Onderdeel van dit rapport vormde een lijst van 8
                    natuur- en bosgebieden, waarvoor een rookverbod ingesteld zou moeten kunnen
                    worden. Voor Tilburg ging het om het waterwingebied van TWM. </al><al>In het rapport wordt verder aangegeven dat de noodzaak tot het instellen van een
                    rookverbod binnen enkele uren kan ontstaan, weshalve het van belang is dat zo’n
                    verbod binnen 24 uur kan worden genomen. In dat kader past het die bevoegdheid
                    bij de burgemeester neer te leggen. </al><al>Het spreekt verder voor zich dat het doel van het rookverbod is bosbranden te
                    voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan.</al><al>In lid 3 wordt nog gesproken over het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder
                    3<sup>e</sup> van het Wetboek van Strafrecht. In concreto gaat het over de
                    strafbaarstelling van de persoon, die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                    voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al><vet>Sneeuwruimen</vet></al><al>In de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan handhaving van de verplichting tot
                    sneeuwruimen, zodat in voorkomende gevallen ook een optreden mogelijk is tegen
                    nalatige burgers.</al><al>Een vergelijkbare bepaling komt in de model APV van de VNG overigens niet (meer)
                    voor.</al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al><vet>Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid
                        e.d.</vet></al><al>In dit artikel wordt aan de rechthebbende op een bouwwerk een gedoogplicht
                    opgelegd. Deze gedoogplicht kan echter niet zo ver gaan dat er sprake is van een
                    beperking van het gebruiksrecht van de eigenaar van het bouwwerk.</al><al>Dit artikel gaat overigens verder dan het vergelijkbare artikel uit de model
                    APV. Deze kent niet het onderdeel: en/of openbare orde en veiligheid. Dat deel
                    is bij raadsbesluit van 13 maart 2000 toegevoegd aan het opschrift en opgenomen
                    in de tekst. Dit had te maken met het voornemen om videocamera’s aan te brengen
                    in het horecaconcentratiegebied. Deze zijn inmiddels ook aangebracht. Hiermee
                    kan toezicht uitgeoefend worden, dat preventief optreden kan vergemakkelijken.
                    Ook kan echter met behulp van verkregen beeldmateriaal de opsporing van stafbare
                    feiten bevorderd worden. Ook repressief optreden is er dus beter mee
                    mogelijk.</al><al>In lid 2 is bepaald dat het college, alvorens de voorzieningen worden
                    aangebracht, de rechthebbenden van het betreffend besluit op de hoogte stelt.
                    Dit besluit is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb en is dus
                    vatbaar voor bezwaar en beroep.</al><al><vet>Artikel 23</vet></al><al><vet>Verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer en openbare
                        verlichting</vet></al><al>Dit artikel hangt direct samen met artikel 22. Daar waar een gedoogplicht
                    bestaat, geldt strikt genomen immers ook een verbod tot verwijdering,
                    beschadiging etc. van betreffende voorzieningen.</al><al>In de model APV ontbreekt een soortgelijke bepaling.</al><al><vet>Afdeling 2 Toezicht op evenementen</vet></al><al>Artikel 25</al><al><vet>Begripsomschrijving</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip evenement is de zgn. negatieve
                    benaderingsmethode toegepast. Uitgaande van een algemeen geldend criterium: elk
                    voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, wordt vervolgens enige
                    evenementen genoemd die niet onder de definitie vallen. </al><al>Ook de jaarlijkse Tilburgse kermis, die van gemeentewege georganiseerd wordt,
                    valt niet onder het begrip: evenement. Voor deze kermis is een aparte
                    verordening in het leven geroepen. Daarnaast zijn er in de APV echter nog twee
                    specifieke artikelen die de publiekrechtelijke regeling van de kermis betreffen.
                    Het gaat om artikel 52 (innemen standplaats) en artikel 53 (openstellingstijden
                    attracties). Deze artikelen richten zich tot de kermisexploitanten. </al><al><vet>Artikel 26</vet></al><al><vet>Evenementen</vet></al><al>Voor het houden van een evenement is een vergunning noodzakelijk. De
                    burgemeester is het bestuursorgaan om zo’n vergunning al dan niet te verlenen.
                    Hij toetst de aanvraag tegen de achtergrond van vier nader aangegeven belangen.
                    In dat verband kan hij ook nadere voorschriften verbinden aan een vergunning tot
                    het houden van een evenement. Die voorschriften moeten in het verlengde liggen
                    van deze belangen.</al><al>In het derde lid worden van het vergunningsvereiste uitgezonderd de zogenaamde
                    kleinschalige rommelmarkten. Voor rommelmarkten met randactiviteiten zoals
                    optredens, uitgebreide horeca-activiteiten etc, die vaak een grotere
                    publiekaantrekkende werking hebben, blijft de vergunningplicht van kracht.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Artikel 26 bevat de weigeringsgronden voor een
                    evenementenvergunning. Naar aanleiding van slechte ervaringen elders met de
                    organisatie van vechtsportgala's wordt als extra weigeringsgrond opgenomen, dat
                    de vergunning kan worden geweigerd, als de organisator van slecht levensgedrag
                    is. Deze weigeringsgrond is ontleend aan de Drank- en horecawet. Artikel 26
                    maakt toetsing mogelijk voor aanvragen van een evenementenvergunning. Vooralsnog
                    is het de bedoeling deze bepaling uitsluitend te gebruiken voor aanvragen voor
                    vechtsportevenementen. </al><al><vet>Artikel 27</vet></al><al><vet>Ordeverstoring</vet></al><al>Het verbod de orde bij een evenement te verstoren, spreekt voor zich.</al><al>De leden 2 en 3 geven nog extra verboden in relatie met het plaatsvinden van
                    evenementen. Deze hebben betrekking op ongewenst gedrag en ongewenst bezit van
                    messen en wapens.</al><al>Lid 4 bevat de verplichting gevolg te geven aan aanwijzingen die de politie of
                    de brandweer geeft in het belang van de openbare orde of veiligheid.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Verzuimd was in dit artikel op te nemen, dat ook
                    aanwijzingen van gemeenteambtenaren bij evenementen dienen te worden opgevolgd.
                    Deze omissie wordt hiermee hersteld.</al><al><vet>Artikel 28</vet></al><al><vet>Meldingsplicht</vet></al><al>Strikt genomen valt ook een betaald voetbalwedstrijd onder het begrip:
                    evenement. Gezien de speciale problematiek die met zo’n wedstrijd kan
                    samenhangen, is er echter voor gekozen een aparte bepaling op te nemen. Deze is
                    in overeenstemming met de model-bepaling van het Landelijk Overleg
                    Voetbalvandalisme (L.O.V.). Het is immers van belang dat er op dit terrein
                    zoveel mogelijk dezelfde regels gelden.</al><al>Uit het artikel blijkt dat er voor het spelen van een betaald voetbalwedstrijd
                    geen vergunning nodig is. Voor de organisator geldt een verplichting tot een
                    kennisgeving/melding. Daarvoor moet hij gebruik maken van een formulier dat de
                    burgemeester daartoe heeft vastgesteld.</al><al>Lid 6 maakt het mogelijk dat de burgemeester bij een wedstrijd met een verhoogd
                    risico een </al><al>alcoholverbod of iets dergelijk oplegt.</al><al>Lid 7 bevat de bevoegdheid van de burgemeester om het spelen van een
                    voetbalwedstrijd zelfs te verbieden. Dat doet zich o.a. voor indien er vrees
                    bestaat voor ernstige verstoring van de openbare orde.</al><al>In lid 9 is bepaald dat de burgemeester een wedstrijd ook als een
                    risicowedstrijd kan aanwijzen, indien aan die wedstrijd een verhoogd risico is
                    verbonden voor de openbare orde en veiligheid. </al><al>In dat geval gelden voor supporters duidelijke verplichtingen voor het volgen
                    van door de politie aangewezen routes naar en van het stadion. </al><al><vet>Artikel 29</vet></al><al><vet>Omgevingsverbod</vet></al><al>Tegen supporters die ordeverstorend gedrag vertonen in een stadion van een
                    betaald voetbalorganisatie, kan worden opgetreden door zowel clubs als de KNVB.
                    Dit kan leiden tot een civiel stadionverbod voor de betreffende supporter. Soms
                    heeft dat niet het gewenste resultaat en begeeft de betreffende persoon zich dan
                    naar de omgeving van het stadion met de bedoeling daar de openbare orde te
                    verstoren. Het is van belang deze persoon dan ook uit de omgeving van het
                    stadion te kunnen weren. De burgemeester kan daartoe dan een bestuursrechtelijk
                    omgevingsverbod opleggen. Vooraf moet wel duidelijk vaststaan dat dat de
                    betreffende persoon herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord en tevens
                    dient aannemelijk te zijn dat hij dat in de toekomst weer zal doen.</al><al><vet>Artikel 30</vet></al><al><vet>Verwijderingsbevel</vet></al><al>In het kader van de ordehandhaving rond voetbalwedstrijden doen zich van tijd
                    tot tijd problemen voor met voetbalsupporters die niet in het bezit zijn van een
                    geldig toegangsbewijs. Omdat zij niet bij de wedstrijd worden toegelaten,
                    verspreiden zij zich in de omgeving van het stadion of verder de stad in en
                    zorgen daar voor overlast of vormen een bedreiging voor de openbare orde. Met
                    deze bepaling kan tegen deze supporters worden opgetreden. </al><al><vet>Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Toezicht op de Horeca </vet></al><al><vet>Artikel 31</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>De begripsomschrijvingen bepalen de reikwijdte van de bepalingen uit paragraaf
                    1, die met name betrekking hebben op het verplichte sluitingsuur.</al><al>Onder het begrip “inrichting” vallen alle horecabedrijven, dus zowel de “natte”
                    horeca, dat wil zeggen waar alcoholhoudende dranken worden geschonken, als de
                    “droge” horeca, zoals b.v. cafetaria’s, maar ook coffeeshops. Verder vallen
                    onder het begrip ook inrichtingen als sportkantines, sociëteiten en
                    verenigingsgebouwen. </al><al>Het horecaconcentratiegebied is door de raad vastgesteld bij besluit van 26 juni
                    1995 (1995/130), uitgebreid bij besluit van 23 april 2001 (2001/70) en nogmaals
                    uitgebreid bij besluiten van 12 december 2005 en 4 juli 2011. Binnen dit gebied
                    gelden ruimere openingstijden dan die gelden voor de andere delen van de stad.
                    Het begrip horecaconcentratiegebied speelt overigens niet alleen een rol in het
                    kader van de APV, maar is ook van betekenis voor de geluidsnormen. Binnen dit
                    gebied gelden minder strenge geluidsnormen. Dit is echter niet geregeld in de
                    APV, maar in het kader van de milieuwetgeving.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Definiëring van het begrip “bezoekers” is noodzakelijk, omdat artikel 32 bepaalt
                    dat er na sluitingstijd geen “bezoekers” meer aanwezig mogen zijn in een
                    inrichting. Eén van de uitgezonderde categorieën zijn personen, die voorkomen in
                    het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van Strafrecht. Dit
                    artikel verplicht namelijk exploitanten van een hotel e.d. een register bij te
                    houden van personen, die aldaar nachtverblijf krijgen. De in het register
                    voorkomende personen gelden op grond van het tweede lid niet als bezoekers van
                    de inrichting.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Door het vervallen van het bepaalde onder a. worden
                    onder bezoekers van een horeca-inrichting mede verstaan gezins- en familieleden
                    van de exploitant. Dit vergemakkelijkt de controle op de naleving van de
                    bepalingen met betrekking tot het sluitingsuur.</al><al><vet>Artikel 32</vet></al><al><vet>Sluitingsuur</vet></al><al>Op basis van het eerste lid mogen (horeca-)inrichtingen in de nachten van zondag
                    op maandag tot en met die van woensdag op donderdag tot 02.00 uur geopend zijn.
                    In de nachten van donderdag op vrijdag tot en met die van zaterdag op zondag
                    mogen ze tot 03.00 uur geopend zijn.</al><al>Voor inrichtingen binnen het horecaconcentratiegebied geldt dat deze gedurende
                    de gehele week tot 04.00 uur geopend mogen zijn, mits zij na 03.00 uur geen
                    nieuwe bezoekers meer toelaten. Droge horeca-inrichtingen mogen in dat gebied
                    tot 05.00 uur geopend zijn. Voor inrichtingen, die meer een sociaal-culturele
                    functie hebben gelden op grond van het vierde lid beperktere
                    openingstijden.</al><al>De regeling van het sluitingsuur heeft ten doel de openbare orde te beschermen,
                    zoveel mogelijk overlast te voorkomen en het woon- en leefklimaat te beschermen. </al><al>De genoemde sluitingstijd in het vijfde lid geldt zowel in het geval de
                    paracommerciële rechtspersoon zelf de horeca-exploitatie verzorgt als wanneer
                    deze is uitbesteed aan een commerciële partij.</al><al>De regeling geldt op grond van het zesde lid onder c. niet voor inrichtingen,
                    die op grond van de Wet milieubeheer vergunningplichtig zijn én in wier
                    vergunning één of meer bepalingen zijn opgenomen omtrent het in acht te nemen
                    sluitingsuur. Dit is namelijk soms het geval, indien dit noodzakelijk is uit een
                    oogpunt van milieubescherming.</al><al>In het zesde en zevende lid is een afwijkende regeling getroffen voor bijzondere
                    evenementen zoals carnaval en de jaarlijkse kermis.</al><al><vet>Artikel 33</vet></al><al><vet>Toegang ambtenaren van politie</vet></al><al>Dit artikel beoogt te voorkomen, dat houders van inrichtingen politieambtenaren
                    kunnen hinderen, indien deze toegang wensen tot de inrichting.</al><al><vet>Artikel 34</vet></al><al><vet>Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting</vet></al><al>De bevoegdheid om afwijkende sluitingsuren vast te stellen of inrichtingen
                    tijdelijk te sluiten vindt zijn grondslag in artikel 174 Gemeentewet. Op grond
                    van dit artikel is de burgemeester belast met het toezicht op openbare
                    samenkomsten, maar ook op “voor het publiek openstaande gebouwen”, zoals
                    horeca-inrichtingen.</al><al>De burgemeester kan zijn in artikel 34 neergelegde bevoegdheid gebruiken in het
                    belang van de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid of in bijzondere
                    omstandigheden.</al><al>Op basis van het eerste lid kan de burgemeester voor één of meer
                    horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen dan de
                    geldende. Te denken is b.v. aan de situatie, dat er bij een bepaalde inrichting
                    sprake is van een overlastpatroon, dat zich met name na twaalf uur ‘s nachts
                    manifesteert. De burgemeester kan dan gedurende een bepaalde periode de
                    sluitingstijd vaststellen op 24.00 uur.</al><al>Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid inrichtingen gedurende een
                    bepaalde tijd volledig te sluiten. Onder a t/m c. is een aantal concrete feiten
                    opgesomd, die, als zij zich in de inrichting voordoen, kunnen leiden tot
                    sluiting van de inrichting voor bepaalde tijd. Met het bepaalde onder d. is
                    aangegeven, dat van de exploitant van een horeca-inrichting verwacht wordt, dat
                    deze zijn volledige medewerking verleent aan de opsporing van ernstige strafbare
                    feiten, zoals b.v. zware mishandeling, als die in de inrichting hebben
                    plaatsgevonden. Indien onvoldoende medewerking wordt verleend of zaken worden
                    verdoezeld, duidt dit er op, dat de inrichting op een wijze wordt geëxploiteerd,
                    die een gevaar voor de openbare orde en de veiligheid met zich meebrengt. </al><al>Het bepaalde onder e. maakt sluiting mogelijk in alle andere gevallen, waarin de
                    openbare orde in gevaar is, zonder dat zich specifiek één van de onder a. t/m d.
                    genoemde feiten heeft voorgedaan.</al><al>De beleidsregels, die de burgemeester hanteert bij het gebruik maken van zijn
                    bevoegdheid, zijn vastgelegd in de zogenaamde Handhavingsmodule Horeca.</al><al>Het derde lid verwijst naar artikel 13 b Opiumwet. Dit artikel geeft de
                    burgemeester de bevoegdheid een inrichting te sluiten, indien daar middelen als
                    bedoeld in artikel 2 of artikel 3 Opiumwet (hard- dan wel softdrugs) worden
                    verkocht, afgeleverd of verstrekt. Deze bevoegdheid staat dus naast de
                    sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 31. </al><al>Artikel 13 b Opiumwet is bedoeld om op te kunnen treden tegen inrichtingen, waar
                    drugs worden verkocht etc., waar dat niet wordt gedoogd. Indien zich openbare
                    orde problemen (niet specifiek gekoppeld aan de verkoop van drugs) voordoen in
                    een inrichting, waar de verkoop van soft drugs gedoogd wordt (coffeeshops) is
                    niet artikel 13 b maar artikel 34 APV het aangewezen artikel om toe te
                    passen.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Dit artikel heeft betrekking op de sluiting van een
                    horeca-inrichting. De term inrichting geeft beter weer dat het om de sluiting
                    van het pand gaat.</al><al><vet>Artikel 35</vet></al><al><vet>Aanwezigheid in gesloten inrichting</vet></al><al>De in de voorgaande artikelen opgenomen bepalingen richten zich tot de houder
                    van de inrichting. Dit artikel richt zich op de bezoeker van de inrichting.</al><al><vet>Paragraaf 1A</vet></al><al><vet>Artikel 36 a en b</vet></al><al>Artikel 4 van de Drank-en Horecawet verplicht de gemeente om ter voorkoming van
                    oneerlijke mededinging regels te stellen, waaraan paracommerciële rechtspersonen
                    gebonden zijn bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Onder een
                    paracommerciële rechtspersoon wordt een rechtspersoon verstaan, die naast
                    activiteiten op sportief, recreatief, educatief, sociaal-cultureel,
                    levensbeschouwelijk of religieus gebied in eigen beheer een horeca-inrichting
                    exploiteert. </al><al>De regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de tijden waarop alcohol
                    houdende drank mag worden geschonken en op de in de inrichting te houden
                    bijeenkomsten. Artikel 36 b geeft aan deze verplichting invulling.</al><al><vet>Paragraaf 2 Exploitatievergunning</vet></al><al><vet>Artikel 37</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Voor de exploitatie van inrichtingen als bedoeld in deze paragraaf is een
                    exploitatievergunning nodig.</al><al>Uit de beschrijving van het begrip “inrichting” volgt, dat dit vergunningstelsel
                    van toepassing is op zowel “natte” als “droge” horeca-inrichtingen, [Wijziging
                    per 23-09-2012] In de huidige artikelen is hier een definitie gegeven van het
                    begrip "exploitant". Gebleken is dat die aanleiding geeft tot misverstand.
                    Daarom wordt deze geschrapt, te meer daar er ook geen behoefte meer bestaat aan
                    definiëring van dit begrip.</al><al><vet>Artikel 38</vet></al><al><vet>Vergunning</vet></al><al>De burgemeester is het vergunningverlenende orgaan, omdat de vergunningsplicht
                    betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174
                    Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast.</al><al>In het derde lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voor één of meer
                    afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vast te stellen dan die in
                    artikel 32 zijn opgenomen. Deze bevoegdheid moet onderscheiden worden van de
                    bevoegdheid van artikel 34. Laatstgenoemd artikel geeft de burgemeester de
                    bevoegdheid om <onderstreept>tijdelijk</onderstreept> andere sluitingstijden
                    vast te stellen. Artikel 38 geeft hem de bevoegdheid voor één of meer
                    inrichtingen <onderstreept>permanent</onderstreept> anderesluitingstijden vast
                    te stellen bij wege van vergunningvoorschrift. De burgemeester kan voor het
                    gebruik van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Hierin kan b.v. het
                    beleid worden opgenomen om voor een bepaalde categorie inrichtingen aparte
                    sluitingstijden vast te stellen. Dit moet dan wel zijn reden vinden in het
                    belang van de openbare orde en/of het voorkomen van overlast c.q. de bescherming
                    van het woon- en leefklimaat. Door de burgemeester zijn in september 2005
                    beleidsregels vastgesteld omtrent de sluitingstijden van coffeeshops </al><al>In het vierde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag
                    dient te worden beslist. Deze termijn komt overeen met de termijn die voor het
                    beslissen op aanvragen voor een drank- en horecavergunning is opgenomen in de
                    Drank- en Horecawet. De praktijk leert dat deze termijn veelal ook nodig
                    is.</al><al>Door het bepaalde in het vijfde en zesde lid komt de verplichting om over een
                    exploitatievergunning te beschikken te vervallen voor inrichtingen, waarin
                    uitsluitend horeca-activiteiten plaatsvinden, die
                        <onderstreept>cumulatief</onderstreept> voldoen aan de in het zesde lid
                    gestelde eisen. Wordt niet aan één of meer van deze eisen voldaan, dan blijft de
                    vergunningplicht bestaan.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Artikel 38 zesde lid bevat de eisen waaraan voldaan
                    moet worden, wil er sprake van ondersteunende horeca. Voor deze vorm van horeca
                    is geen exploitatievergunning vereist. Uitgangspunt voor ondersteunende horeca
                    is dat deze ondergeschikt is aan het hoofdgebruik van het pand waarin deze
                    plaats vindt. Daarin past niet, dat wel een terras zou worden toegestaan, omdat
                    dit afbreuk doet aan het (louter) ondersteunende karakter van de horeca.</al><al><vet>Artikel 39</vet></al><al><vet>Gedragseisen</vet></al><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op exploitanten van droge
                    horeca-inrichtingen (inclusief Qat). Voor exploitanten van natte
                    horeca-inrichtingen gelden al gedragseisen op grond van de drank- en Horecawet
                    en het daarop berustende “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet
                    1999”.</al><al>Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren, dat de exploitant en
                    de beheerder(s) van voldoende “kaliber” zijn om de inrichting op een goede wijze
                    te exploiteren. Door het bepaalde in het tweede lid onder a. worden de eisen die
                    krachtens de Drank- en Horecawet gelden voor exploitanten van alcoholschenkende
                    inrichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard op exploitanten van droge
                    horeca-inrichtingen.</al><al>In het “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999” is bepaald, dat
                    een exploitant of beheerder zich niet schuldig gemaakt mag hebben aan een aantal
                    in het besluit opgesomde strafbare feiten. Indien de exploitant of beheerder
                    zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt en hij terzake is veroordeeld tot
                    een in het besluit aangegeven straf , dan voldoet hij niet aan de eisen en dient
                    de vergunning geweigerd te worden.</al><al>Bij wijziging van beheerder dient dit gemeld te worden. Iedere nieuwe beheerder
                    dient uiteraard ook aan de eisen van artikel 39 te voldoen.</al><al><vet>Artikel 40</vet></al><al><vet>Inrichtingseisen</vet></al><al>Ook dit artikel is uitsluitend van toepassing op droge horeca-inrichtingen
                    (incl. Qat). Voor natte horeca-inrichtingen gelden inrichtingseisen op grond van
                    het “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet”.</al><al>Op grond van dit artikel worden eisen gesteld aan de inrichting, zoals
                    afmetingen, hoeveelheid licht, ventilatievoorzieningen e.d. Door het van
                    overeenkomstige toepassing verklaren van de eisen zoals opgenomen in het
                    “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet” worden de eisen zoals die
                    gelden voor de natte en de droge horeca geharmoniseerd. Uitzondering geldt voor
                    de minimumvloeroppervlakte van de horecalokaliteit. Voor droge
                    horeca-inrichtingen geldt een minimum van 25 m², voor de natte horeca van 35
                    m².</al><al><vet>Artikel 41</vet></al><al><vet>Weigering vergunning</vet></al><al>De vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat)) dient geweigerd te
                    worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en
                    inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40.</al><al>Voor alle inrichtingen geldt al weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met
                    het bestemmingsplan of de Leefmilieuverordening.</al><al>Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de
                    vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de
                    voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon en
                    leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald
                    soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van beide een
                    maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te
                    liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient
                    gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen
                    redenen het maximum wordt gesteld.</al><al>Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops. In de “Eindnota
                    koffieshop-problematiek” van september 1992 is het vestigingsbeleid voor
                    coffeeshops opgenomen. Deze nota is een tweetal malen aangevuld en wel door de
                    “Nota lokaal drugsbeleid 1997” en de “Nota aanpassing vestigingsbeleid
                    koffieshops”, die is vastgesteld op 14 juni 2001. Op basis hiervan geldt een
                    maximum voor het aantal in Tilburg te vestigen koffieshops van twaalf.</al><al>Ook voor inrichtingen, waarin Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse zal
                    van deze mogelijkheid gebruik gemaakt worden.</al><al>Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen
                    worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare
                    gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen.
                    Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit
                    artikel.</al><al>Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien
                    er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende
                    exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt
                    hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een
                    exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet
                    in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Op grond van artikel 41 was de burgemeester verplicht
                    een exploitatievergunning voor een horecainrichting te weigeren, indien er
                    sprake is van strijd met het bestemmingsplan. In de praktijk doet zich wel eens
                    de situatie voor, dat een inrichting al lang ergens gevestigd is, maar wel in
                    strijd met het bestemmingsplan, zonder dat daartegen is opgetreden. De
                    verplichting tot het beschikken over een exploitatievergunning is pas enkele
                    jaren geleden in de APV opgenomen. Bestaande inrichtingen zijn aangeschreven om
                    een vergunning aan te vragen. Het is niet reëel om een exploitatievergunning te
                    weigeren voor bestaande inrichtingen op grond van strijdigheid met het
                    bestemmingsplan als deze inrichtingen reeds geruime tijd ter plaatse gevestigd
                    zijn. De aangepaste formulering geeft de burgemeester de ruimte om in dat geval
                    toch vergunning te verlenen.</al><al>Het is niet de bedoeling om in die gevallen via een postzegelplan het
                    bestemmingsplan ook te herzien. </al><al>Bij nieuwvestiging, die strijdig is met het bestemmingsplan, zal geen
                    exploitatievergunning verleend worden, tenzij tegelijkertijd een herziening van
                    het bestemmingsplan wordt geïnitieerd.</al><al><vet>Artikel 42</vet></al><al><vet>Opheffing vergunningplicht</vet></al><al>Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid te bepalen, dat bepaalde
                    soorten inrichtingen dan wel bepaalde delen van de gemeente niet onder de
                    vergunningplicht vallen.</al><al>Voor dit soort inrichtingen geldt op grond van het tweede lid wel een algemene
                    zorgplicht ten aanzien van openbare orde en het woon- en leefklimaat.</al><al><vet>Artikel 43</vet></al><al><vet>Intrekking vergunning</vet></al><al>Intrekking van de vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat) is
                    mogelijk, als niet meer voldaan wordt aan één of meer van de op grond van de
                    artikelen 39 en 40 gestelde eisen. Daarnaast is voor alle inrichtingen
                    intrekking mogelijk als aannemelijk is, dat de exploitant betrokken is bij of
                    ernstige nalatigheid verweten kan worden ten aanzien van overtreding van de
                    Opiumwet of een aantal andere strafbare feiten, zoals genoemd in artikel 34 APV
                    (b.v. verboden wapenbezit). Intrekking is ook mogelijk als dit anderszins
                    noodzakelijk is het belang van de openbare orde of ter bescherming van het woon-
                    en leefklimaat. </al><al>De gronden voor intrekking van de vergunning zijn (nagenoeg) gelijk aan de
                    gronden om een inrichting tijdelijk te sluiten op grond van artikel 34. In welke
                    gevallen van welke bevoegdheid gebruik gemaakt zal worden is uitgewerkt in de
                    “Handhavingsmodule horeca”.</al><al>Op grond van het derde lid kan bij intrekking van de vergunning bepaald worden,
                    dat gedurende een alsdan te bepalen termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe
                    vergunning verleend zal worden voor dezelfde inrichting. Deze bevoegdheid komt
                    overeen met een soortgelijke bevoegdheid die is opgenomen in artikel 27, tweede
                    lid, van de Drank- en Horecawet. Gebruikmaking van deze bevoegdheid is b.v. aan
                    de orde als er in een inrichting gehandeld is in harddrugs. Voorkomen moet
                    worden, dat na intrekking van de vergunning direct een nieuwe vergunning moet
                    worden verleend, omdat dan te vrezen is, dat deze handel zal worden voortgezet.
                    Door het pand op deze wijze enige tijd als het ware aan zijn horecabestemming te
                    onttrekken wordt beoogd de bekendheid van het pand als adres waar harddrugs te
                    verkrijgen zijn weg te nemen en op die manier “de loop” er uit te halen.</al><al><vet>Artikel 44</vet></al><al><vet>Aanwezigheid leidinggevende</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder
                    dat daar een bevoegde (= op de vergunning vermelde) leidinggevende aanwezig is.
                    Deze bepaling komt overeen met artikel 24 Drank- en Horecawet (voor de natte
                    horeca) en met artikel 100 APV (voor seksinrichtingen). Bedoeling is te
                    verzekeren dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is.</al><al>Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden is geregeld in de
                    “Handhavingsmodule horeca”.</al><al>Artikel 45</al><al><vet>Wijziging vergunning</vet></al><al>Dit artikel legt de verplichting op de exploitant om wijzigingen tijdig door te
                    geven. Voldoet hij niet aan deze verplichting dan kan de vergunning ingetrokken
                    worden. Als een nieuwe vergunning verleend wordt ter vervanging van een
                    bestaande vergunning vervalt laatstgenoemde van rechtswege op grond van het
                    bepaalde in het derde lid.</al><al><vet>Paragraaf 2a Exploitatievergunning smart- en headshops</vet></al><al><vet>Artikel 45a</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip "inrichting" is zo ruim mogelijk gehouden. </al><al>Smartshops zijn winkels en groothandelsbedrijven die smart- of ecodrugs
                    (truffels, cactussoorten, herbals, energizers, stackers, happy caps, afrodisiaca
                    en extacy-vervangers ), smartproducts verkopen (smartdrinks, voedingssupplement,
                    energydranken , stimulerende, hallucinogene, euforiserende en ontspannende
                    middelen, etc). tegenwoordig komen daar ook de zogenaamde nieuwe psychoactieve
                    stoffen (NPS) bij, ook wel designerdrugs, legal higs en research chemicals
                    genoemd. Het betreft legale middelen, die niet voorkomen op lijst I (harddrugs)
                    of lijst II (softdrugs) van de Opiumwet, maar zijn ontworpen om de effecten van
                    illegale drugs na te bootsen. </al><al>Een headshop is een winkel of groothandel, die zich kenmerkt doordat zij
                    benodigdheden verkoopt voor het gebruik van soft- dan wel harddrugs. Te denken
                    is aan zaken als waterpijpjes, bongs, shisha's, screens, jointvloeitjes,
                    wietpijpen, grinders, vaporizers, tipjes weegschalen en gripzakjes. Een headshop
                    verkoopt ook aanverwante artikelen zoals boeken, kleding, sierraden, beeldjes
                    van sprookjesfiguren en psychodelische posters. </al><al>Indien het assortiment van een inrichting niet uitsluitend maar in overwegende
                    mate bestaat uit de in het derde lid bedoelde artikelen, wordt een inrichting
                    aangemerkt als een smart- of headshop, indien er een redelijk vermoeden bestaat
                    dat de inrichting als zodanig wordt geëxploiteerd. Dit kan blijken uit de
                    inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel of uit feiten en
                    omstandigheden, zoals (niet limitatief): naam van de inrichting, veelal
                    gerelateerd aan de drugscultuur, presentatie en inrichting van de inrichting en
                    reclame-uitingen.</al><al><vet>Artikel 45b</vet></al><al><vet>Vergunning</vet></al><al>De burgemeester is het vergunning verlenende orgaan, omdat de vergunningplicht
                    betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174
                    Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast.</al><al>In het derde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag
                    dient te worden beslist. Deze termijn spoort met de termijn, die geldt voor
                    vergunningverlening op grond van de Drank- en Horecawet en met die voor de
                    exploitatievergunning voor de horeca. Deze termijn is nodig, omdat een
                    BIBOB-onderzoek onderdeel uitmaakt van de toetsing van de aanvraag.</al><al><vet>Artikel 45c</vet></al><al><vet>Maximumstelsel</vet></al><al>Uit een inventarisatie, die indertijd bij de invoering van het vergunningstelsel
                    voor grow- en smartshops is uitgevoerd, bleek, dat er in Tilburg 22 growshops
                    (in twee gevallen gecombineerd met een smartshop) en 2 (zuivere) smartshops
                    actief waren. Inmiddels zijn er daarvan nog drie growshops met vergunning
                    overgebeleven. Deze vergunningen komen te vervallen. Er is nog éen smartshop
                    annex headshop met vergunning actief. Wel worden er af en toe shops zonder
                    vergunning geopend, waartegen handhavend wordt opgetreden. Het maximumstelsel is
                    derhalve een effectief middel gebleken om tot de afbouw van dit soort
                    inrichtingen te komen.</al><al>Het maximumstelsel voor nu nog smart- en headshops wordt gehandhaafd. Zou dit
                    losgelaten worden dan is te vrezen, dat het aantal shops zal worden uitgebreid,
                    te meer nu de aan deze shops verwante growshops niet meer legal kunnen worden
                    geëxploiteerd.</al><al><vet>Artikel 45d</vet></al><al><vet>Gedragseisen</vet></al><al>Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren dat de exploitant en
                    de andere leidinggevenden van voldoende "kaliber" zijn om de inrichting op een
                    goede wijze te leiden.</al><al><vet>Artikel 45<sup/>e</vet></al><al><vet>Weigering vergunning</vet></al><al>De weigeringsgrond van het eerste lid is het sluitstuk van het maximumstelsel.
                    Concreet betekent dit, dat zich geen nieuwe growshops en smartshops in Tilburg
                    meer kunnen vestigen en dat het aantal bestaande shops geleidelijk af zal
                    nemen.</al><al>De grond, genoemd in het vijfde lid, beoogt te voorkomen, dat vergunning
                    verleend moet worden aan een exploitant, van wie het verleden heeft aangetoond,
                    dat hij niet in staat is op een juiste wijze een inrichting te exploiteren.
                    Daarnaast geldt uiteraard dat de vergunning geweigerd kan worden op basis van de
                    wet BIBOB.</al><al><vet>Artikel 45 f</vet></al><al><vet>Verplaatsing inrichting</vet></al><al>Vanwege het systeem van een maximumstelsel is vestiging van en nieuwe inrichting
                    niet meer mogelijk. Hetzelfde geldt voor verplaatsing van een bestaande
                    inrichting, daar hiervoor een nieuwe vergunning moet worden afgegeven, wat niet
                    mogelijk is vanwege het systeem van het afnemend maximum.</al><al>Onder omstandigheden kan het juist ter bevordering van het woon- en leefklimaat
                    in een wijk echter gewenst zijn, dat een inrichting verplaatst wordt naar een
                    andere locatie. Artikel 45f opent voor de burgemeester de mogelijkheid om in dat
                    geval toch vergunning te verlenen.</al><al><vet>Artikel 45 g</vet></al><al><vet>Intrekking vergunning</vet></al><al>Daarnaast geldt uiteraard dat de vergunning ingetrokken kan worden op basis van
                    de wet BIBOB.</al><al><vet>Artikel 45 h</vet></al><al><vet>Aanwezigheid leidinggevende</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder
                    dat daar een bevoegde leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met
                    de regels, die gelden voor horeca- en sexinrichtingen. Bedoeling is te
                    verzekeren, dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is.</al><al>Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden, is geregeld in de
                    Handhavingsmodule growshops en smartshops.</al><al><vet>Artikel 45 i</vet></al><al><vet>Wijziging vergunning</vet></al><al>Bij een verandering van omstandigheden is met name te denken aan een wisseling
                    van leidinggevenden.</al><al><vet>Paragraaf 3 Overige inrichtingen</vet></al><al><vet>Artikel 51</vet></al><al><vet>Speelautomaten</vet></al><al>In artikel 30 c, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen is bepaald, dat de
                    gemeente in een verordening dient te regelen hoeveel speelautomaten in een
                    inrichting mogen worden geplaatst. Speelautomaten worden onderscheiden in
                    behendigheidsautomaten (keren geen geld uit, uitkomst is grotendeels afhankelijk
                    van de behendigheid van de speler) en kansspelautomaten (keren geld uit,
                    uitkomst is kwestie van geluk). Op grond van artikel 30 c mogen in
                    laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten worden geplaatst en in
                    hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten.</al><al>Onder hoogdrempelige inrichtingen verstaat artikel 30 sub d van de wet een
                    inrichting als bedoeld in artikel 1 Drank- en Horecawet, waar het café- en
                    restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten
                    plaatsvinden, die zelfstandige betekenis hebben; verder geldt dat de
                    activiteiten zich in belangrijke mate moeten richten op personen ouder dan 18
                    jaar. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan dan is er sprake van een
                    laagdrempelige inrichting.</al><al>Er is veel jurisprudentie over de uitleg van deze begrippen. Zo is b.v. een
                    bowlingcentrum een laagdrempelige inrichting (er vinden activiteiten plaats, die
                    los staan van de activiteiten die hun basis vinden in de Drank- en horecawet) en
                    is een sportkantine veelal een hoogdrempelige inrichting, omdat daar uitsluitend
                    café- en/of restaurant-activiteiten plaatsvinden, die zich vaak veelal richten
                    op personen, die 18 jaar en ouder zijn.</al><al>De wetgever heeft het dus aan de gemeente over gelaten te bepalen hoeveel
                    speelautomaten in een inrichting geplaatst mogen worden; maar wel heeft hij
                    daarbij een grens gesteld aan het aantal toe te laten kansspelautomaten.</al><al>Rekening houdend met die grens en met het bestaande beleid is in artikel 51 het
                    aantal toegelaten speelautomaten als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="§"><al>Voor hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, waarvan
                            maximaal twee kansspelautomaten.</al></li><li nr="§"><al>Voor laagdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, niet
                            zijnde kansspelautomaten.</al></li></lijst><al>[Wijziging per 23-09-2012] In het oude artikel 51 was naast het aantal
                    toegestane kansspelautomaten per (horeca)inrichting ook het aantal toegestane
                    behendigheidsautomaten geregeld. Door een wijziging van de Wet op de kansspelen
                    is voor het hebben van behendigheidsautomaten geen vergunning meer vereist.
                    Daarom dient artikel 51 te worden aangepast en dient uitsluitend nog een
                    regeling te worden getroffen omtrent kansspelautomaten. Op grond van de wet
                    mogen deze automaten uitsluitend geplaatst worden in hoogdrempelige
                    inrichtingen.</al><al><vet>Artikel 52 </vet></al><al><vet>Innemen standplaats</vet></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174 Gemeentewet o.a. belast met het
                    toezicht op openbare vermakelijkheden. Vanuit deze verantwoordelijkheid is in
                    artikel 52 bepaald, dat hij aanwijzingen kan geven over het innemen van
                    standplaats op de kermis. </al><al>Bij niet naleving van deze aanwijzingen kan bestuursrechtelijk worden opgetreden
                    door de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Eén en
                    ander is voor wat betreft de jaarlijkse kermis in de binnenstad nader geregeld
                    in de Handhavingsnota “Veiligheid op en rond de kermis”.</al><al><vet>Artikel 53 </vet></al><al><vet>Openstelling inrichting</vet></al><al>Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid tijden vast te stellen
                    gedurende welke de kermisinrichtingen geopend mogen zijn. Van deze bevoegdheid
                    is nog geen gebruik gemaakt. Praktijk is, dat voor de jaarlijkse kermis de
                    sluitingstijden worden vastgesteld via de Kermisvoorwaarden, derhalve op
                    privaatrechtelijke basis.</al><al><vet>Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al><vet>Artikel 54</vet></al><al><vet>Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a Gemeentewet bevoegd een woning te
                    sluiten van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien de Gemeentewet
                    niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, dat wil zeggen niet bepaalt, dat
                    het betreden van zo’n woning strafbaar is, is in dit artikel het
                    betredingsverbod opgenomen.</al><al>Op grond van artikel 13 b Opiumwet heeft de burgemeester een zelfde bevoegdheid
                    ten aanzien van alle woningen, lokalen of voor het publiek toegankelijke
                    inrichtingen en daarbij horende erven, waar drugs worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt dan wel daartoe aanwezig</al><al>zijn. Ook de Opiumwet regelt de rechtsgevolgen niet en daarin voorziet nu het
                    tweede lid van artikel 54.</al><al>Gezien de grote persoonlijke gevolgen, die aan het sluiten van een woning
                    verbonden zijn, is in het vierde lid een mogelijkheid van ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    Opiumwet kan ontheffing verleend worden, b.v. voor de exploitant zelf of zijn
                    gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</al><al><vet>Artikel 55</vet></al><al><vet>Plakken en kladden</vet></al><al>Eerste lid </al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de grondwet, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten
                    van de Mens (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake
                    Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) </al><al>Tweede lid</al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien. </al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 55 van de
                    APV maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde
                    verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van
                    dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders
                    recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent van of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid. </al><al>Artikel 55 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien
                    de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de
                    toepassing van artikel 55 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in
                    een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</al><al>Vierde lid</al><al>Ingevolge het bepaalde in het vierde lid geldt het plakverbod niet voor het
                    aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden
                    en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels. Er zijn tot op
                    heden de volgende locaties aangewezen: de locatie in de Veemarktstraat, op het
                    Koningsplein, het hoekpand Willem II straat - Tuinstraat, 5 plaatsen op het
                    NS-plein, en in de Spoorlaan. In een later stadium zijn hierbij nog de locaties
                    op het Verdiplein, de winkelcentra Heyhoef en Westermarkt, en de locatie op het
                    Pater van de Elzenplein toegevoegd. </al><al><vet>Artikel 56</vet></al><al><vet>Vervoer plakgereedschap</vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in artikel 55 opgenomen
                    aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te worden
                    verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen en
                    voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd worden voor handelingen, welke
                    ingevolge artikel 55 APV zijn verboden, een rechtvaardigingsgrond oplevert. </al><al>Bij de redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de
                    hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet
                    sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid. </al><al><vet>Artikel 57</vet></al><al><vet>Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><al>Het verbod tot het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming
                    van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 gemeentewet.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] Dit artikel stond al in de APV, maar de tijden waarop
                    het verbod gold waren begrensd van 22.00 tot 06.00 uur. In de praktijk bestaat
                    er behoefte aan het verbod ook op andere tijden van kracht te doen zijn. De
                    tekst van het artikel komt nu overeen met die van het vergelijkbare artikel in
                    de model-APV van de VNG.</al><al><vet>Artikel 58</vet></al><al><vet>Bedelverbod</vet></al><al>Dit verbod stond tot voor enkele jaren in het Wetboek van Strafrecht. In de
                    praktijk brengt met name het bedelen in winkelgebieden overlast met zich mee. Om
                    die reden is besloten dit verbod op te nemen. De afschaffing van deze bepaling
                    in het Wetboek van Strafrecht staat hier niet aan in de weg. </al><al><vet>Artikel 59</vet></al><al><vet>Geprepareerde tassen</vet></al><al>Het gebruik van voorwerpen als hier bedoeld neemt de laatste tijd sterk toe.
                    Naast tassen worden ook jassen, paraplu’s, schoendozen etc. geprepareerd met
                    lood en/of aluminiumfolie met het oogmerk winkeldiefstal te plegen zonder dat
                    het elektronisch alarm afgaat. Het verbod op deze voorwerpen vergemakkelijkt het
                    politieoptreden en kan in een aantal gevallen winkeldiefstal voorkomen.</al><al><vet>Artikel 61</vet></al><al><vet>Schieten</vet></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) regelt de mogelijkheid om op
                    te treden tegen baldadigheid tegen personen of goederen op of aan de openbare
                    weg of op enig voor het publiek toegankelijke plaats (straatschenderij). Artikel
                    431 WvSr heeft betrekking op het verstoren van de nachtrust door rumoer of
                    burengerucht. Kan de gedraging niet worden ondergebracht bij een van deze twee
                    bepalingen dan kan mogelijk nog een beroep worden gedaan op artikel 61 APV. </al><al><vet>Artikel 62 </vet></al><al><vet>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</vet></al><al>Op grond van deze bepaling kan er tegen vormen van onnodige hinder of overlast
                    worden opgetreden. </al><al>Tweede lid</al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds “straatschenderij”
                    strafbaar. Van straatschenderij is sprake als iemand op of aan de openbare weg
                    of op enige voor het publiek toegankelijke plaats tegen personen of goederen
                    enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht. </al><al>In artikel 426bis wordt voorts het belemmeren van anderen op de openbare weg met
                    straf bedreigt. Het eveneens genoemde artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht
                    strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. Artikel
                    5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich
                    zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 49 gaat verder dan het
                    begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeersweg 1994, (zie daarvoor de toelichting
                    op artikel 1 van de APV). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de
                    weg en daarbij leidt tot verkeershinder, als omschreven in artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, is artikel 49 niet van toepassing. Werd dit niet
                    uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen
                    ontstaan. </al><al><vet>Artikel 63</vet></al><al><vet>Afwijking route</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om in gevallen van mogelijke ongeregeldheden groepen
                    mensen langs een bepaalde route te laten manoeuvreren. Hierbij valt onder andere
                    te denken aan betogingen of de geleiding van voetbalfans na afloop van een
                    voetbalwedstrijd. </al><al><vet>Artikel 64</vet></al><al><vet>Nachtverblijf in voertuig</vet></al><al>Dit artikel beoogt een handvat te geven om op te kunnen treden tegen het
                    overnachten in voertuigen op of aan de openbare weg, wanneer daardoor overlast
                    wordt veroorzaakt. </al><al>Weliswaar verbiedt artikel 15 van de Wet op de Openluchtrecreatie het plaatsen
                    van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein,
                    maar dit artikel is niet van toepassing op andere objecten dan kampeermiddelen.
                    Daaronder worden verstaan tenten, caravans, kampeerauto’s e.d.</al><al><vet>Artikel 65</vet></al><al><vet>Hinder in verband met harddrugs dan wel een andere bedreiging van de
                        openbare orde</vet></al><al>Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid een gebied aan te wijzen,
                    waarbinnen het verboden is om deel te nemen aan een verzameling van meer dan
                    drie personen, waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat deze
                    verzameling een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt. Dit wordt
                    ook wel een samenscholingsverbod genoemd. </al><al><vet>Artikel 66</vet></al><al><vet>Gebruik harddrugs</vet></al><al>[Vervallen per 23-09-2012]</al><al><vet>Artikel 67</vet></al><al><vet>Voorbereidingshandelingen (ver)koop harddrugs</vet></al><al>[Vervallen per 23-09-2012]</al><al><vet>Artikel 68</vet></al><al><vet>Weggooien van spuiten</vet></al><al>Het artikel verbiedt het weggooien van attributen, die bij het gebruik van
                    (hard)drugs worden gehanteerd. Aangezien deze objecten een gevaar kunnen
                    opleveren, is gekozen voor een algemeen verbod om deze op de openbare weg achter
                    te laten. Ook het weggooien in (openbare) afvalbakken is niet toegestaan vanwege
                    de risico’s voor derden b.v. voor de gezondheid.</al><al>Zo’n verbod kan ter bescherming van de openbare orde opgelegd worden, als er
                    sprake is van voortdurende overlast ten gevolge van het gebruik van en/of de
                    handel in harddrugs dan wel ten gevolge van andere oorzaken (b.v. overlast ten
                    gevolge van het op luidruchtige wijze samenscholen van groepen jongeren).</al><al>Het verbod kan voor maximaal zes maanden worden opgelegd, maar deze termijn kan
                    wel worden verlengd. </al><al>Er is voor een beperkte termijn gekozen, omdat het om een ingrijpend middel
                    gaat, dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid, wat met zich meebrengt dat
                    dit niet lichtvaardig dient te worden toegepast en periodiek geëvalueerd dient
                    te worden. Om diezelfde reden is er ook een beleidskader opgesteld, waarin is
                    aangegeven wanneer instelling van een samenscholingsverbod eventueel in
                    combinatie met andere verboden is geïndiceerd. Dit kader is door de raad
                    geaccordeerd op 13 oktober 2003 (2003/120).</al><al><vet>Artikel 69</vet></al><al><vet>Hinderlijk gebruik van genotmiddelen</vet></al><al>Het eerste lid van dit artikel bevat een algemeen verbod om op of aan de weg
                    alcoholhoudende te gebruiken, aanwezig te hebben of te verhandelen, als dit
                    leidt tot verstoring van de openbare orde, aantasting van het woon- en
                    leefklimaat of aanleiding geeft tot overlast.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen, waar het op voorhand
                    verboden is dergelijke middelen überhaupt te gebruiken, aanwezig te hebben of te
                    verhandelen. Als zo’n gebied is aangewezen is degene, die in het bezit is van
                    die middelen dus zonder meer strafbaar, ook al veroorzaakt hij wellicht op dat
                    moment geen overlast. Een dergelijk preventief verbod is slechts gerechtvaardigd
                    in bijzondere gevallen, waarin er sprake is van grote overlast in een gebied,
                    omdat het om een ingrijpend middel gaat, dat inbreuk maakt op de persoonlijke
                    vrijheid. Mede om die reden is er een beleidskader opgesteld, waarin is
                    aangegeven, wanneer instelling van een dergelijk verbod, mogelijk in combinatie
                    met andere verboden, is geïndiceerd. Dit kader is door de raad geaccordeerd op
                    13 oktober 2003 (2003/120).</al><al>De in de eerste twee leden opgenomen verboden gelden niet voor terrassen bij een
                    horeca-inrichting en ook niet voor plaatsen, waar een vergunning ex artikel 35
                    Drank- en Horecawet geldt voor het schenken van zwak alcoholhoudende dranken bij
                    b.v. evenementen.</al><al><vet>Artikel 70</vet></al><al><vet>Verblijfsontzegging</vet></al><al>Op grond van het eerste lid van dit artikel kan de burgemeester personen in het
                    belang van de openbare orde schriftelijk verbieden om gedurende een bepaalde
                    termijn in een in dat verbod aangeduid gebied te verblijven. Deze termijn kan
                    ten hoogste 12 weken duren. Overigens heeft de burgemeester beleid vastgesteld
                    in welke gevallen hij overgaat tot oplegging van een verblijfsverbod. Daarbij
                    moet vaststaan dat de betreffende persoon strafbare feiten heeft begaan, welke
                    een aantasting van de openbare orde opleveren.</al><al>Ook zal de burgemeester een bepaalde procedure volgen. Daartoe behoort dat hij
                    een waarschuwing geeft dat verblijfsontzegging volgt, indien binnen een bepaalde
                    periode wederom een overtreding begaan wordt. Verder zal hij ten aanzien van het
                    voornemen om daadwerkelijk een verblijfsontzegging op te leggen toepassing geven
                    aan artikel 4:8 van de Awb, dit wil zeggen dat hij de betrokken persoon in de
                    gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de
                    voorgenomen verblijfsontzegging. </al><al><vet>Artikel 71</vet></al><al><vet>Meevoeren wapens </vet></al><al>De verbodsbepaling tot het openlijk bij zich dragen van wapens op door het
                    college aangewezen wegen en daaraan gelegen openbare gebouwen en terreinen is
                    bij raadsbesluit van 22 mei 2000 in de APV opgenomen. Dit geschiedde in het
                    kader van de regeling van de bestuurlijke ophouding. Hiermee wordt gedoeld op de
                    bevoegdheid van de burgemeester om groepen ordeverstoorders op een bepaalde
                    plaats onder te brengen en daar vast te houden, dit met inbegrip van het
                    overbrengen naar die plaats.</al><al>Van de bevoegdheid tot aanwijzing van wegen c.a. waar de verbodsbepaling geldt,
                    heeft het college tot heden geen gebruik gemaakt.</al><al>Voor een meer uitgebreide toelichting op het fenomeen bestuurlijke ophouding,
                    wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8.</al><al><vet>Artikel 72 </vet></al><al><vet>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al>Dit artikel beoogt evenals de artikelen 62 en 73 a een handvat te geven om op te
                    kunnen treden tegen personen, die zich hinderlijk gedragen. Artikel 62 is van
                    toepassing op de openbare weg, artikel 72 op (woon)gebouwen en artikel 73 op
                    meer algemeen toegankelijke gebouwen als parkeergarages.</al><al><vet>Artikel 73</vet></al><al><vet>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 72.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte, omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht (huis, lokaal, of erfvredebreuk) slechts opgetreden kan
                    worden, indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan op basis van dat artikel niet zonder tussenkomst van de rechthebbende
                    ingrijpen, terwijl dit soms wel wenselijk is uit een oogpunt van handhaving van
                    de openbare orde.</al><al><vet>Artikel 74</vet></al><al><vet>Straatartiesten</vet></al><al>Voor het optreden als straatartiest is geen vergunning vereist. </al><al>Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat er (groepen) straatartiesten
                    zijn die irritant en opdringerig gedrag vertonen bij met name terrassen en in
                    het winkelgebied. Dit kan leiden tot problemen met de openbare orde.</al><al>Dit artikel beoogt de politie een handvat te bieden om op te treden in
                    situaties, waarin er sprake is van overlast.</al><al><vet>Artikel 75</vet></al><al><vet>Spelen om geld</vet></al><al>Deze bepaling richt zich op het gokken op de openbare weg met kaarten, geld,
                    dobbelstenen of andere voorwerpen (b.v. “balletje-balletjespel”) en heeft ten
                    doel verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan.</al><al><vet>Artikel 76</vet></al><al><vet>Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het eerste lid verbiedt het hinderlijk neerzetten van fietsen.</al><al>Op grond van het tweede lid kan het college plaatsen aanwijzen, waar het
                    verboden is fietsen te stallen buiten de aanwezige stallingsvoorzieningen. Reden
                    voor een dergelijke aanwijzing kan o.a. gelegen zijn het belang van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente en/of het voorkomen van overlast. </al><al>Het college heeft bij besluit van 24 mei 2005 (Nr.17) een deel van de binnenstad
                    aangewezen als een gebied in de zin van het tweede lid.</al><al>[ijziging per 23-09-2012] In het bestaande tweede lid was geregeld, dat het
                    college plaatsen kon aanwijzen, waar het verboden was fietsen e.d. buiten de
                    stallingsvoorzieningen te plaatsen. De rechtbank in den Haag heeft geoordeeld,
                    dat nu in deze formulering geen expliciet door de raad vastgesteld verbod was
                    opgenomen om op die plaatsen fietsen te stallen, de overtreder van dit artikel
                    niet strafbaar was. Om die reden is artikel 76, tweede lid nu opnieuw
                    geformuleerd, zodat buiten kijf staat, dat overtreding van dit nieuw
                    geformuleerde artikel wel een strafbaar feit oplevert. Het artikel bevat nu een
                    expliciet verbod.</al><al><vet>Artikel 77</vet></al><al><vet>Bespieden van personen</vet></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Deze bepaling kan als aanvulling gezien
                    worden op artikel 285b. van het Wetboek van Strafrecht inzake stalking. In dit
                    artikel is het inbreuk maken op eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen
                    iets te doen, niet te doen, te dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar
                    gesteld.</al><al><vet>Artikel 78</vet></al><al><vet>Loslopende honden</vet></al><al>Regel is dat de eigenaar etc. van een hond deze aangelijnd moet uitlaten.</al><al>Kinderspeelplaats, zandbak, speelweide en adoptieveld zijn voor honden verboden
                    gebied. Zij mogen er ook niet aangelijnd verblijven. Het college kan overigens
                    ook nog andere plaatsen als verboden gebied aanwijzen. Van die bevoegdheid heeft
                    het echter nog geen gebruik gemaakt.</al><al>Een adoptieveld is een speelweide, die door de buurt is geadopteerd. Zoals
                    gezegd, heeft een hond daar geen toegang en zeker mag hij er zijn behoefte niet
                    doen.</al><al>Een renveld – in de wandeling ook wel aangeduid als: losloopveld of losloopzone
                    - is een afgescheiden gedeelte van een plantsoen, waar honden los mogen lopen en
                    hun behoefte kunnen doen. De uitwerpselen dienen echter wel opgeruimd te worden.
                    Het college heeft meerdere ren-/losloopvelden aangewezen.</al><al><vet>Artikel 79</vet></al><al><vet>Verontreiniging door honden</vet></al><al>Het artikel houdt voor de eigenaar etc. van de hond de plicht in ervoor te
                    zorgen dat de hond zich op de aangegeven plaatsen niet van zijn uitwerpselen
                    ontdoet. Doet de hond dat toch, dan dient degene die de hond uitlaat, de
                    hondenpoep onmiddellijk op te ruimen. Het bij zich hebben van een hulpmiddel is
                    daarbij niet verplicht, maar dit vergemakkelijkt wel het verwijderen van de
                    poep. Door de uitwerpselen daadwerkelijk op te ruimen, wordt de strafbaarheid
                    opgeheven.</al><al><vet>Artikel 80</vet></al><al><vet>Gevaarlijke honden</vet></al><al>Dit artikel richt zich tot eigenaren etc. van gevaarlijke en agressieve honden.
                    Te denken valt daarbij aan honden van het type pitbullterriër. De eigenaar etc.
                    van zo’n gevaarlijke en agressieve hond dient bij het college bekend te zijn,
                    alvorens het college hem het gebod tot kort aanlijnen dan wel kort aanlijnen
                    plus muilkorven kan opleggen. Dit gebod geldt, zoals uit het artikel blijkt, op
                    het moment dat hij die hond wil laten verblijven of wil laten lopen op of aan de
                    weg of op het terrein van een ander.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] In dit artikel werd nog verwezen naar de Regeling
                    agressieve dieren. Deze is in 2011 vervallen.</al><al><vet>Artikel 81</vet></al><al><vet>Loslopend vee en pluimvee</vet></al><al>Dit artikel is mede gericht op de verkeersveiligheid. Het komt namelijk wel eens
                    voor dat een koe of een ander dier uit de wei is gebroken en zich op de weg
                    bevindt. Een verplichting om dit te voorkomen, is daarom op zijn plaats.</al><al>Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid
                    dient, is opgenomen in artikel 78. </al><al><vet>Artikel 82</vet></al><al><vet>Schade door duiven</vet></al><al>Verwilderde duiven kunnen in het voorjaar schade berokkenen aan jonge gewassen
                    doordat zij akkerbouwgebieden als foerageerplaats gebruiken.</al><al>Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart en 1 juni een
                    periode aan te wijzen, waarin de eigenaren of bezitters van duiven verplicht
                    zijn de duiven binnen te houden. Dit geeft jagers de mogelijkheid om het
                    verwilderde duivenbestand enigszins terug te dringen.</al><al>Overigens kan vermeld worden dat het college een dergelijk tijdvak totnogtoe
                    niet aangewezen heeft.</al><al><vet>Artikel 83</vet></al><al><vet>Voederverbod</vet></al><al>Een van de oorzaken van overlast van duiven of watervogels is het grote
                    voedselaanbod dat voor deze vogels beschikbaar is. Dit aanbod wordt nog vergroot
                    doordat burgers deze vogels regelmatig voederen. Het gevolg hiervan is de
                    toename van het aantal vogels in een bepaald gebied en een verstoring van het
                    biologisch evenwicht in dat gebied met alle gevolgen van dien. </al><al>Vermeld kan nog worden dat dit artikel bij raadsbesluit van 20 januari 2003 in
                    de APV is opgenomen.</al><al>Van de mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen, waarvoor het voederverbod geldt,
                    heeft het college overigens nog geen gebruik gemaakt.</al><al><vet>Artikel 84</vet></al><al><vet>Bijen</vet></al><al>Het vliegen van bijen kan, indien de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen, gevaar
                    voor de veiligheid van de weg opleveren.</al><al>Dit gevaar kan tot geringe omvang worden teruggebracht door de aanvliegroute te
                    verleggen door het plaatsen van een afscheiding.</al><al>Het komt ook voor dat omwonenden op hun erf of zelfs in hun huis overlast van
                    bijen ondervinden. Door de gestelde verbodsbepaling wordt de kans op deze
                    overlast zoveel mogelijk beperkt.</al><al>Het derde lid is bij raadsbesluit van 13 maart 2000 opgenomen. Het maakt het de
                    bijenhouder mogelijk om korven en kasten te plaatsen op minder dan 30 meter van
                    zijn eigen woning of gebouwen. De afstand van 30 meter tot omliggende woningen,
                    andere gebouwen of wegen blijft vanzelf gelden.</al><al><vet>Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</vet></al><al><vet>Artikel 85</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In de artikelen 416 en 417 van het Wetboek van Strafrecht wordt het misdrijf van
                    heling strafbaar gesteld.</al><al>Artikel 437 van datzelfde wetboek stelt de handelaar strafbaar die geen
                        <onderstreept>inkoop</onderstreept>register bij houdt. Hieruit dient de
                    herkomst te blijken van de goederen, die hij heeft verworven en onder zich
                    heeft. Op welke handelaren die verplichting rust en aan welke eisen het
                    inkoopregister dient te voldoen is geregeld in een op dit artikel gebaseerde
                    Algemene Maatregel van Bestuur (KB 06-01-1992).</al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt: opkopers en handelaren in gebruikte en
                    ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s motorfietsen, bromfietsen, foto, film, radio en
                    videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.</al><al>Artikel 437ter stelt de handelaar strafbaar, die bepalingen overtreedt, die in
                    een gemeentelijke verordening ter bestrijding van heling zijn opgenomen. Dit
                    artikel vormt de basis voor de bepalingen van afdeling 5.</al><al><vet>Artikel 86</vet></al><al><vet>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</vet></al><al>Zoals hiervoor aangegeven regelt het Wetboek van Strafrecht al, dat bepaalde
                    handelaren een inkoopregister moeten bijhouden. Artikel 86 voegt daar de
                    verplichting aan toe om ook een verkoopregister, dat wil zeggen een register,
                    waarin is aangegeven aan wie gebruikte en ongeregelde goederen zijn verkocht,
                    bij te houden. Deze aanvullende wetgevende bevoegdheid is gebaseerd op artikel
                    437 ter Wetboek van Strafrecht. </al><al>De bepaling heeft ten doel de bestrijding van heling te vergemakkelijken.</al><al>De eisen, die aan het verkoopregister worden gesteld, zijn analoog aan de eisen,
                    die gelden voor het inkoopregister.</al><al><vet>Artikel 87</vet></al><al><vet>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                        Strafrecht</vet></al><al>Op grond van artikel 437 ter van het Wetboek van Strafrecht dient iemand, die
                    van het opkopen een beroep of gewoonte maakt hiervan melding te maken bij de
                    burgemeester of een door hem aangewezen ambtenaar. Artikel 87 bevat in dat kader
                    een aantal aanvullende verplichtingen. </al><al><vet>Artikel 88</vet></al><al><vet>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</vet></al><al>Artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht bepaalt onder f., dat de
                    burgemeester een last kan geven aan een handelaar bepaalde goederen gedurende
                    maximaal veertien dagen te bewaren of in bewaring te geven. Artikel 88 gaat
                    verder en bevat een verbod door inkoop verkregen gebruikte of ongeregelde
                    goederen van de hand te doen gedurende de eerste drie dagen nadat deze verkregen
                    zijn. Bedoeling is daarmee de opsporing van gestolen goederen te
                    vergemakkelijken en anderzijds, door hantering van een termijn van drie dagen,
                    de handel van (legaal verkregen) goederen niet te zeer te belemmeren.</al><al><vet>Artikel 89</vet></al><al><vet>Handel in horeca-inrichtingen</vet></al><al>Artikel 14 van de Drank en Horecawet verbiedt de kleinhandel in
                    horeca-inrichtingen. Hieronder vallen uitsluitend verkoophandelingen. Artikel 89
                    verbiedt ook het verwerven en het op andere wijze dan door verkoop overdragen
                    van goederen in die inrichtingen. Het richt zich op de exploitant van de
                    inrichting. Het is dan ook geen nadere regeling als bedoeld in artikel 437
                    Wetboek van Strafrecht, dat zich richt op de handelaar, maar is een autonome
                    bepaling gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet.</al><al>Het artikel is opgenomen, omdat bekend is, dat in sommige cafés regelmatig
                    gestolen goederen verhandeld worden.</al><al><vet>Afdeling 6 Gevaarlijke stoffen</vet></al><al><vet>Artikel 90 </vet></al><al><vet>Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen</vet></al><al>Voor de bekendmaking van het in het eerste lid genoemde besluit van algemene
                    strekking dient te worden voldaan aan het gestelde in artikel 3:42 Awb. Artikel
                    90 APV geldt als aanvulling op hetgeen staat geregeld in de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (WVGS). Deze wet stelt geen nadere regels met betrekking tot
                    het plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen maar concentreert zich op
                    het vervoeren van de stoffen en het laden en lossen ervan. Van de in het eerste
                    lid genoemde bevoegdheid is door het college gebruik gemaakt. Op de
                    parkeerplaats, ingesloten tussen de Gebroeders Deprezstraat en de H.
                    Blomjousstraat, is het toegestaan een voertuig dat in gebruik is voor het
                    vervoer van gevaarlijke stoffen te parkeren. </al><al><vet>Afdeling 7 Vuurwerk</vet></al><al><vet>Artikel 91</vet></al><al><vet>Begripsomschrijving</vet></al><al>Het Vuurwerkbesluit heeft betrekking op zowel professioneel vuurwerk als ook op
                    consumentenvuurwerk. Dit besluit heeft als doel om een betere waarborging te
                    scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de effecten die het
                    opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken. </al><al><vet>Artikel 92 </vet></al><al><vet>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                        verkoopdagen</vet></al><al>Sinds 22 mei 1993 worden er, met betrekking tot het vuurwerk, landelijke regels
                    gesteld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen. Die zien er in het
                    kort als volgt uit:</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit Wet Milieugevaarlijk Stoffen
                            verbiedt vuurwerk af te leveren aan de particuliere gebruiker, behalve
                            op 29, 30 of 31 december (als een van deze dagen een zondag is, mag het
                            ook op 28 december);</al></li><li nr="-"><al>Aan de eisen van de Wet milieubeheer moet zijn voldaan;</al></li><li nr="-"><al>Er mag geen hoeveelheid van meer dan 10 kg per keer worden afgeleverd
                            (zie artikel 2.3.3);</al></li><li nr="-"><al>Het is verboden af te leveren aan personen die jonger zijn dan 16 jaar
                            (zie artikel 2.3.5);</al></li><li nr="-"><al>Het is verboden vuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen
                            31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur (zei artikel 2.3.6);</al></li><li nr="-"><al>Het is verboden vuurwerk op een voor publiek toegankelijke plaats
                            voorhanden te hebben. </al></li></lijst><al>Het vaststellen van een periode voor het afsteken van vuurwerk komt de
                    veiligheid van het product als ook van de toepassing ervan ten goede.
                    Vuurwerkgebruik in het bijzijn van volwassenen wordt op deze wijze zo veel
                    mogelijk bevorderd en onnodige geluidhinder voor mens en dier wordt zo veel
                    mogelijk beperkt. </al><al>Voor het afsteken van vuurwerk bij evenementen is altijd een landelijke
                    vergunning nodig.</al><al>Het in deze bepaling opgenomen vergunningenstelsel is een aanvulling op het
                    Vuurwerkbesluit. Dit stelsel is in het leven geroepen in het belang van de
                    regulering van het aantal afleveringspunten van consumentenvuurwerk en de
                    spreiding daarvan over de stad uit een oogpunt van openbare orde. Een
                    concentratie van afleveringspunten op bepaalde plaatsen moet worden voorkomen,
                    evenals vestiging op (zeer) druk en door jong en oud bezochte (winkel)locaties.
                    Zie hiervoor de nota Uitvoering Vuurwerkbesluit. In de gemeente worden jaarlijks
                    ongeveer 20 verkooppunten vergunningen verleend. Aan de vergunning kunnen ter
                    verzekering van een goede controle en handhaving voorschriften worden verbonden.
                    De opslag van meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk en de opslag van
                    professioneel vuurwerk is geregeld in de Wet milieubeheer, voor het overige is
                    het college bevoegd gezag. </al><al><vet>Artikel 93</vet></al><al><vet>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</vet></al><al>Met het bezigen van vuurwerk wordt bedoeld het (proberen te) bewerkstelligen van
                    het effect dat wordt beoogd met vuurwerk oftewel het tot ontbranding brengen van
                    vuurwerk. </al><al>Van de in het eerste lid weergegeven bevoegdheid van het college is tot op heden
                    geen gebruik gemaakt. Als voorbeeld voor plaatsen die zouden kunnen worden
                    aangewezen kunnen plaatsen in de buurt van ziekenhuizen, bejaardentehuizen,
                    dierenasiels etc. worden genoemd.</al><al>In lid 3 van deze bepaling wordt verwezen naar artikel 429 van het Wetboek van
                    Strafrecht. Hierin is ondermeer bepaald dat hij die een vuurwerk ontsteekt op zo
                    korte afstand van gebouwen of goederen, dat daardoor brandgevaar kan ontstaan
                    gestraft wordt met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de
                    tweede categorie.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen e.d.</vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 is het exploiteren van prostitutie, behoudens
                    onder bijzondere omstandigheden, niet langer strafbaar. Hierdoor is het voor
                    gemeenten mogelijk geworden een vergunningstelsel in het leven te roepen voor de
                    exploitatie van seksinrichtingen. Deze bevoegdheid is ook opgenomen in de
                    Gemeentewet en wel in artikel 151 a, dat bepaalt, dat de raad een verordening
                    kan vaststellen, “waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het
                    bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen
                    met of voor een derde tegen betaling”. In deze afdeling zijn deze voorschriften
                    opgenomen naast enkele bepalingen, die berusten op de autonome verordenende
                    bevoegdheid van de raad.</al><al>Het prostitutiebeleid, waarop deze afdeling berust, is door de raad vastgesteld
                    bij besluit van 4 september 2000 ( nota lokaal prostitutiebeleid 2000/192). </al><al><vet>Artikel 94</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Onder het begrip “<onderstreept>seksinrichting</onderstreept>” wordt zowel een
                    inrichting verstaan, waar prostitutie bedreven wordt, als een inrichting, waarin
                    uitsluitend vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven (b.v.
                    een seksbioscoop). De voorschriften, waarin deze te onderscheiden vormen dienen
                    te voldoen verschillen echter nogal, met name omdat in laatstgenoemde categorie
                    geen seksuele diensten worden verleend en er dus b.v. geen daarop gerichte
                    hygiënevoorschriften behoeven te worden gesteld. </al><al>Thuiswerkers vallen niet onder het begrip seksinrichting en zijn dus niet
                    vergunningplichtig. Wat onder thuiswerkers dient te worden verstaan is geregeld
                    in hoofdstuk 6.3 van de nota lokaal prostitutiebeleid.</al><al>In de definitie is verder gekozen voor de term “besloten ruimte”, hetgeen
                    inhoudt, dat het niet alleen gaat om gebouwen, maar daaronder ook begrepen
                    worden voer- of vaartuigen. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in
                    de omschrijving genoemd. Het gaat hier om een niet-limitatieve opsomming.</al><al>Onder het begrip “<onderstreept>escortbedrijf</onderstreept>” wordt een bedrijf
                    verstaan, dat bemiddelt tussen klanten en prostituees, maar waarin de
                    daadwerkelijke contacten op een andere plaats plaatsvinden. </al><al><vet>Artikel 95 </vet></al><al><vet>Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Op grond van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht
                    op voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Dat
                    betekent, dat voor seksinrichtingen, die een dergelijk karakter hebben de
                    burgemeester het bestuursorgaan is, dat bevoegd is tot vergunningverlening.</al><al>Voor besloten clubs, waarbij er bijvoorbeeld sprake is van een verplicht
                    lidmaatschap, is het college het bevoegde orgaan. Ook voor escortbedrijven is
                    het college het bevoegde orgaan.</al><al>Om niet steeds in ieder artikel deze tweedeling te hoeven opnemen, wordt in die
                    artikelen steeds gesproken van het “bevoegd bestuursorgaan” en is in artikel 95
                    dit begrip eenmalig gedefinieerd.</al><al><vet>Artikel 96</vet></al><al><vet>Nadere regels</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen met het oog op de in artikel 104 genoemde
                    belangen. Hierbij kan gedacht worden aan de vaststelling van
                    standaardvoorschriften, te verbinden aan te verlenen vergunningen. Hoewel in de
                    nota lokaal prostitutiebeleid van 4 september 2000 werd aangekondigd, dat het
                    college van deze bevoegdheid gebruik zou gaan maken, is dit tot nu toe niet
                    gebeurd. In de praktijk worden overigens wel standaard aan te verlenen
                    vergunningen een aantal voorwaarden verbonden, die in hoofdlijnen overeenkomen
                    met de in paragraaf 3.1.4 van bedoelde nota genoemde.</al><al><vet>Artikel 97</vet></al><al><vet>Seksinrichtingen en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel bevat de vergunningplicht voor seksinrichtingen en escortbedrijven.
                    In de nota lokaal prostitutiebeleid zijn de toetsingscriteria opgenomen voor
                    vergunningaanvragen. Belangrijk criterium waaraan voldaan moet worden is de
                    zogenaamde locatietoets. In hoofdlijnen houdt deze in, dat vestiging niet alleen
                    toegelaten moet zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan, maar dat ook
                    nog aan andere eisen voldaan moet zijn, die als gemeenschappelijke noemer hebben
                    dat zij beogen overlast ten gevolge van de vestiging van een seksinrichting
                    zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarbij speelt de aard van de straat, waaraan het
                    bedrijf zich wil vestigen een belangrijke rol alsmede de afstand tot andere
                    prostitutiebedrijven en scholen. Voor een verdere toelichting zij verwezen naar
                    bedoelde nota.</al><al>De locatietoets geldt niet voor escortbedrijven vanwege de specifieke aard
                    daarvan.</al><al>Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden. Deze betreffen o.a. zaken
                    op het terrein van de bescherming van de openbare orde, hygiënevoorschriften en
                    voorschriften in het belang van de volksgezondheid. Zie voor een nadere
                    uitwerking meergenoemde nota.</al><al><vet>Artikel 98</vet></al><al><vet>Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>Bij aanvraag van de vergunning wordt aan de in dit artikel opgenomen
                    gedragseisen getoetst. Daarnaast wordt periodiek getoetst of aan deze eisen
                    voldaan blijft worden. Is dit niet meer het geval dan kan de vergunning worden
                    ingetrokken conform het bepaalde in het vierde lid van artikel 104.</al><al>De gedragseisen hebben ten doel te verzekeren, dat de exploitant van voldoende
                    kaliber is. Zij komen overeen met de eisen, die gelden voor exploitanten van
                    horeca-inrichtingen, met dien verstande, dat er nog een aantal eisen aan
                    toegevoegd is. Zo mag de exploitant of beheerder ook niet veroordeeld zijn voor
                    zedendelicten of mishandeling of voor delicten, die te maken hebben met
                    mensenhandel.</al><al>De opsomming van strafbare feiten is niet limitatief, in die zin, dat ook in
                    andere gevallen de vergunning geweigerd kan worden, indien de exploitant of
                    beheerder in enig (ander) opzicht van slecht levensgedrag is. Deze aanvullende
                    weigeringsgrond is opgenomen in het eerste lid, onder b. </al><al><vet>Artikel 99</vet></al><al><vet>Sluitingsuur</vet></al><al>Dit artikel verklaart de voor horeca-inrichtingen geldende sluitingstijden en de
                    mogelijkheid om inrichtingen tijdelijk te sluiten, zoals geregeld in de
                    artikelen 32 t/m 34 APV, van overeenkomstige toepassing op seksinrichtingen.
                    Doel hiervan is overlast voor omwonenden zoveel mogelijk te voorkomen.</al><al><vet>Artikel 100</vet></al><al><vet>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</vet></al><al>De aanwezigheidsverplichting beoogt schijnbeheer tegen te gaan. Voor
                    horeca-inrichtingen is een dergelijke plicht opgenomen in artikel 24 Drank- en
                    Horecawet.</al><al>De exploitant en de beheerder dienen er op toe te zien, dat in de inrichting
                    geen strafbare feiten plaatsvinden en tevens, dat er geen prostituees werkzaam
                    zijn zonder geldige verblijfstitel.</al><al><vet>Artikel 101</vet></al><al><vet>Straatprostitutie</vet></al><al>Dit artikel verbiedt straatprostitutie volledig. Achtergrond hiervan is, dat
                    deze vorm van prostitutie per definitie een zeer negatief effect heeft op het
                    woon- en leefklimaat in de omgeving.</al><al>Het verbod richt zich niet alleen tot de prostituee, maar ook tot de potentiële
                    klant.</al><al><vet>Artikel 102</vet></al><al><vet>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
                        goederen, afbeeldingen e.d.</vet></al><al>Voor het tentoonstellen etc. van dergelijke goederen geen geldt geen
                    vergunningplicht, maar op basis van dit artikel kan het college wel de
                    exploitant van een sekswinkel e.d. aanschrijven, als het van mening is, dat de
                    wijze waarop hij zijn artikelen ten toon stelt een gevaar oplevert voor de
                    openbare orde en/of het woon- en leefklimaat. Daarnaast kan het college nadere
                    regels stellen over dit onderwerp. Van deze mogelijkheid is tot nu toe geen
                    gebruik gemaakt.</al><al><vet>Artikel 103</vet></al><al><vet>Beslissingstermijn</vet></al><al>Op grond van artikel 4:13 Awb geldt voor de beslissing op aanvragen, als in de
                    bijzondere regeling geen termijn is opgenomen, een termijn van acht weken. Voor
                    de beoordeling van vergunningaanvragen voor seksinrichtingen is dit een te korte
                    termijn. Om die reden is in dit artikel een termijn van dertien weken opgenomen
                    met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van twaalf weken.</al><al><vet>Artikel 104</vet></al><al><vet>Weigeringsgronden c.a.</vet></al><al>In het eerste lid van dit artikel zijn de gronden opgenomen, die tot weigering
                    van de vergunning <onderstreept>moeten</onderstreept> leiden. Het betreft het
                    niet voldoen aan de gedragseisen, het niet in overeenstemming zijn met het
                    ruimtelijke ordeningsregiem en het bestaan van aanwijzingen, dat er sprake is
                    van mensenhandel of te werk stelling van prostituees zonder geldige
                    verblijfstitel.</al><al>In het tweede lid zijn de gronden opgenomen, die
                        <onderstreept>kunnen</onderstreept> leiden tot weigering van de vergunning.
                    Deze gronden veronderstellen meer dan de in het eerste lid genoemde een afweging
                    van belangen alvorens van de weigeringsgrond gebruik gemaakt wordt. Deze
                    weigeringsgronden zijn nader beleidsmatig ingevuld in de nota lokaal
                    prostitutiebeleid. Te denken is daarbij aan de locatietoets en aan de
                    inrichtingseisen, waaraan voldaan moet zijn.</al><al>Het derde lid maakt weigering van een vergunning mogelijk als een eerdere
                    vergunning voor dezelfde inrichting is ingetrokken of als de inrichting is
                    gesloten in verband met openbare orde problemen dan wel overtreding van de
                    Opiumwet.</al><al>In het vierde lid zijn de gronden opgenomen, die kunnen leiden tot intrekking
                    van een vergunning. Dit is o.a. het geval als niet langer voldaan wordt aan de
                    gedrags- of inrichtingseisen, als er sprake is van verstoring van de openbare
                    orde of aantasting van het woon- en leefklimaat en als in de inrichting
                    strafbare feiten zijn gepleegd.</al><al><vet>Artikel 105</vet></al><al><vet>Beëindiging exploitatie</vet></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid, dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. In dat geval vervalt de
                    vergunning van rechtswege.</al><al>Toch dient de exploitant hiervan op grond van het tweede lid melding te maken,
                    omdat het van belang is een actueel overzicht te hebben van in de gemeente
                    werkzame exploitanten.</al><al><vet>Artikel 106</vet></al><al><vet>Wijziging beheer</vet></al><al>In geval niet de exploitant, maar uitsluitend de beheerder wijzigt dient ook
                    hiervan melding gemaakt te worden. Een nieuwe beheerder mag zijn functie
                    uitoefenen in afwachting van het besluit over de wijziging van de vergunning,
                    mits uiteraard wel een daartoe strekkende aanvraag is ingediend.</al><al><cursief>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het uiterlijk aanzien van de
                        gemeente</cursief></al><al><vet>Afdeling 1 Geluid- en lichthinder</vet></al><al><vet>Artikel 108</vet></al><al><vet>Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Door het college worden de collectieve festiviteiten aangewezen. De bevoegdheid
                    om te bepalen dat de in dit lid genoemde (geluids-)voorschriften niet gelden,
                    vloeit voort uit artikel 2.21 van het "Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (Besluit)". </al><al>Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, Koningsdag, kermis,
                    culturele, sportieve of recreatieve manifestaties.</al><al>In het Besluit wordt geen maximum gesteld aan het aantal collectieve
                    festiviteiten Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te
                    bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Voor zover in verband met de
                    viering van een collectieve festiviteit ook afgeweken wordt van voorschrift
                    3.148 van het Besluit dient er tevens een aanwijzing te geschieden krachtens het
                    tweede lid.</al><al>Tweede lid</al><al>Bij gemeentelijke verordening kan, op grond van voorschrift 3.148 uit het
                    Activiteitenbesluit worden afgeweken van het in het Besluit neergelegde
                    voorschrift over lichthinder. Wordt er in verband met de viering van een
                    collectieve festiviteit afgeweken van dit voorschrift dan dient een aanwijzing
                    te geschieden krachtens het tweede lid. Dit lid is met name bedoeld voor
                    sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden
                    en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van
                    een collectieve festiviteit in het kader van het tweede lid is een sportieve
                    manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. </al><al>Derde lid</al><al>Een dergelijke aanwijzing is een besluit van algemene strekking en de
                    bekendmakingsregels van artikel 3:42 Awb moeten dan ook in acht worden genomen. </al><al>Vierde lid</al><al>Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien heeft het college de
                    bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit
                    waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] De wijzigingen hebben betrekking op de toegelaten
                    geluidproductie bij festiviteiten. In de APV is een regeling getroffen voor de
                    gevallen waarin de normaal op grond van het "Besluit algemene regels voor
                    inrichtingen milieubeheer" toegelaten normen mogen worden overschreden bij
                    collectieve of incidentele festiviteiten. In deze regeling was niet de
                    mogelijkheid opgenomen om in die gevallen weliswaar een grotere geluidproductie
                    toe te laten, maar hier wel enige grens aan te stellen. Aan dat laatste bestaat
                    soms wel behoefte. Om die reden worden de artikelen aangepast.</al><al><vet>Artikel 109</vet></al><al><vet>Aanwijzing incidentele festiviteiten</vet></al><al>Eerste lid</al><al>Het eerste lid komt voort uit 2.21 van het Activiteitenbesluit.</al><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein
                    aantal inrichtingen gebonden is, zoals een optreden met levende muziek bij een
                    café, een jubileum of een straatfeest.</al><al>In het Besluit is het maximum aantal incidentele festiviteiten bepaald op 12.
                    Vooralsnog wordt, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een
                    aantal van 2 voldoende geacht. </al><al>Tweede lid</al><al>Dit lid heeft betrekking op lichthinder en vloeit voort uit voorschrift 4.113
                    van het Activiteitenbesluit. Voor het overige zie de toelichting bij het eerste
                    lid. </al><al>Derde lid</al><al>Op basis van dit lid is het mogelijk te bepalen, dat binnen een bepaald gebied
                    niet iedere inrichting incidenteel ontheffing kan krijgen, maar dat er sprake
                    moet zijn van een gezamenlijke aanvraag, bijvoorbeeld per plein. Bedoeling
                    hiervan is te voorkomen, dat in een gebied, waar veel horeca-inrichtingen
                    gevestigd zijn, iedere weekend wel ergens de geluidsnormen mogen worden
                    overschreden, met alle overlast van dien.</al><al>Vierde lid</al><al>De termijn voor het indienen van een kennisgeving is met name van belang om het
                    college in staat te stellen na te gaan op welke wijze de houder van de
                    inrichting tracht overmatige geluid- of lichthinder te voorkomen. De beoordeling
                    van de wijze waarop de houder van een inrichting overmatige geluid- of
                    lichthinder tracht te voorkomen kan resulteren in het opleggen van nadere
                    eisen.</al><al>Heeft de houder van de inrichting geen kennisgeving gedaan dan gelden alsnog
                    alle voorschriften uit het Besluit. Niet-naleving van laatstgenoemde
                    voorschriften kan leiden tot bestuursrechtelijk (artikel 18.2 Wet milieubeheer)
                    of strafrechtelijk (artikel 18.18 Wet milieubeheer) optreden. </al><al><vet>Artikel 109 a</vet></al><al><vet>Geluidhinder door vroege oproepen tot gebed</vet></al><al>In artikel 6 van de Grondwet is in het eerste lid bepaald dat ieder het recht
                    heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met
                    anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
                    De Wet Openbare Manifestaties (Wom) bevat wettelijke bepalingen betreffende de
                    uitoefening van dit recht tot vrije uitoefening van godsdienst en
                    levensovertuiging.</al><al>Artikel 10 van de Wom luidt als volgt:</al><al>"Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke
                    plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van
                    godsdienst of levensovertuiging, zijn toegestaan. De gemeenteraad is bevoegd ter
                    zake regels te stellen met betrekking tot duur en geluidsniveau."</al><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd van kerkgenootschappen om door
                    middel van klokgelui of op een andere manier op te roepen tot gebed. </al><al>In de Memorie van Toelichting op dit artikel wordt ten aanzien van de
                    bevoegdheid om klokken te luiden het volgende gesteld:</al><al>“Uiteraard dient de uitoefening van deze bevoegdheid binnen redelijke grenzen te
                    blijven. Tegen onverhoopte uitwassen wat betreft duur of geluidsniveau zal,
                    afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden en behoeften, op grond van de
                    tweede volzin door gemeenten regulerend kunnen worden opgetreden.”</al><al>De raad heeft, gelet op het voorgaande, dus de bevoegdheid om regels te stellen
                    met betrekking tot duur en geluidsniveau van oproepen tot gebed.</al><al><vet><cursief>Geluidsnorm voor vroege oproepen tot gebed</cursief></vet></al><al>De periode waarop het in dit artikel opgenomen verbod betrekking heeft is de
                    nacht- en vroege ochtendperiode. Die periode duurt, gelet op het door de raad
                    aanvaarde amendement van 23.00 uur tot 07.30 uur, zijnde de periode waarop de
                    meeste mensen van hun nachtrust genieten. </al><al>Deze nachtrust kan worden verstoord wanneer er op een luide wijze wordt
                    opgeroepen tot gebed. Deze vorm van overlast hoeft op dit vroege uur niet te
                    worden getolereerd.</al><al>In het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna Besluit)
                    zijn geluidsnormen opgenomen.</al><al>Deze normen gelden niet rechtstreeks voor klokgelui of oproepen tot gebed.
                    Volgens artikel 2.18 van het genoemde Besluit wordt bij de bepaling van de
                    geluidsniveaus het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van
                    godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in
                    verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden, buiten
                    beschouwing gelaten. Volgens de toelichting bij dit besluit is het samenstel van
                    de Wet openbare manifestaties en de regels van de gemeenteraad het geëigende
                    kader voor de regulering van klokgelui en oproepen tot gebed.</al><al>Uit de genoemde geluidsnormen blijkt echter wanneer er in objectieve zin
                    gesproken kan worden over geluidsoverlast. Vandaar dat in het onderhavige
                    voorstel, voor de bepaling van de norm die gehanteerd wordt ten aanzien van
                    vroege oproepen tot gebed, is aangesloten bij de in artikel 2.17 van het Besluit
                    opgenomen geluidsgrenswaarden. Voorzover hier van belang luidt dit artikel:</al><al>Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal
                    geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige
                    installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte
                    werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in
                    de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:</al><al>a.de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer
                    bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;</al><al><vet>Tabel 2.17a</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al> 07:00–19:00 uur </al></entry><entry colname="col3"><al> 19:00–23:00 uur </al></entry><entry colname="col4"><al> 23:00–07:00 uur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al> 50 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al> 45 dB(A) </al></entry><entry colname="col4"><al> 40 dB(A) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al> 35 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al> 30 dB(A) </al></entry><entry colname="col4"><al> 25 dB(A) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al> 70 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al> 65 dB(A) </al></entry><entry colname="col4"><al> 60 dB(A) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al> 55 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al> 50 dB(A) </al></entry><entry colname="col4"><al> 45 dB(A) </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uit literatuur volgt dat overlast binnen een woning bij een overschrijding van
                    de genoemde normen met 5-10 dB(A) op de gevel van een woning kan worden
                    gekwalificeerd als "veel overlast". Overschrijding met 10-15 dB(A) kan worden
                    gekwalificeerd als "ernstige overlast" en een overschrijding met 15-20 dB(A)
                    wordt gekwalificeerd als "zeer ernstige overlast". </al><al>Ten aanzien van het oproepen tot gebed moet, ook als dit op een vroeg tijdstip
                    gebeurt, enige overlast geaccepteerd worden, nu het oproepen tot gebed
                    voortvloeit uit de vrijheid van godsdienst. Vandaar dat vroege oproepen tot
                    gebed pas bij ernstige geluidsoverlast niet meer getolereerd hoeven te worden en
                    dat alleen voor die gevallen regels zijn vastgesteld. </al><al>Dit betekent dat, ten aanzien van klokgelui of andere oproepen tot gebed die in
                    de vroege ochtend plaatsvinden, er sprake is van geluidhinder wanneer een
                    geluidsniveau wordt geproduceerd dat meer dan 10 dB(A) ligt boven de normen uit
                    het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en meer dan 10 dB(A)
                    boven het geluid van de omgeving. Er is dan sprake van excessief klokgelui dat
                    niet getolereerd hoeft te worden.</al><al>Van belang om op te merken is dat het luiden van de klok danwel op een andere
                    wijze oproepen tot gebed door deze verbodsbepaling niet onmogelijk wordt
                    gemaakt. Er kan nog steeds op een vroeg tijdstip worden opgeroepen tot gebed,
                    als het geluidsniveau maar niet boven de in het artikel gestelde norm uitkomt.
                    Er is dus geen sprake van de beperking van een grondrecht danwel van het recht
                    tot luiden van de klok: dit recht kan binnen de daartoe gestelde normen ten
                    volle worden uitgeoefend. </al><al><vet>Artikel 110</vet></al><al><vet>Overige geluidhinder</vet></al><al>Deze bepaling vervult de functie van kapstokartikel en heeft betrekking op
                    vormen van hinder waarin de andere artikelen niet voorzien, zoals het vanuit
                    gebouwen ten gehore brengen van muziek in winkelstraten of het draaien van
                    koelaggregaten op vrachtwagens. Dit artikel geldt als algemeen vangnet-artikel
                    voor niet-inrichtingsgebonden geluidsactiviteiten. Voor de inrichtingsgebonden
                    geluidsactiviteiten geldt de Wet milieubeheer. </al><al>Eerste lid</al><al>Naast de gevallen waarin geluidhinder te wijten is aan handelingen kan met
                    behulp van dit artikel ook worden opgetreden indien de oorzaak van geluidhinder
                    is gelegen in het louter in werking zijn van machines. </al><al>Tweede lid</al><al>Of er in concreto sprake is van geluidhinder, waartegen opgetreden dient te
                    worden, hangt af van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld van het soort
                    dier en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder. Het zal duidelijk
                    zijn, dat dit artikel in agrarische gebied niet snel toegepast zal worden,
                    terwijl dit in stedelijk gebied eerder het geval zal zijn. Door middel van
                    bestuursdwang of vervolging met een eventuele boeteoplegging kan worden
                    opgetreden, met name in ernstige overlastsituaties. </al><al>Derde lid</al><al>Ontheffing kan, zo nodig, met voorschriften worden verleend.</al><al>Vierde lid</al><al>Op bedrijfsmatige activiteiten is de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing en
                    hiervoor geldt dus niet artikel 110. Overigens moet het begrip bedrijfsmatige
                    activiteiten, zoals gehanteerd in de Wm niet te stringent worden opgevat.
                    Hieronder vallen namelijk ook beunhazerij of een uit de hand gelopen hobby en
                    ook hiervoor geldt dus niet artikel 110. </al><al>Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</al><al><vet>Artikel 112</vet></al><al><vet>Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest,
                        ongebruikte landbouwproducten en dergelijke</vet></al><al>Deze bepaling heeft geen betrekking op handelingen die plaatsvinden op de “weg”
                    in de zin van de wegenverkeerswetgeving (zie hiervoor: hoofdstuk 5, afdeling 1
                    “Parkeerexcessen”). Indien het activiteiten betreft waarop de Wet milieubeheer
                    van toepassing is dan geldt artikel 112 niet. Is er sprake van
                    niet-inrichtingsgebonden activiteiten dan kunnen de hinderlijke effecten hiervan
                    wel met de artikelen 110 en 112 van de APV worden bestreden. Zie ook de
                    afvalstoffenverordening. </al><al>Vooralsnog is door het college geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid als
                    genoemd in het eerste lid tot het aanwijzen van plaatsen. </al><al><vet>Artikel 113</vet></al><al><vet>Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen</vet></al><al>Het doel van deze bepaling is om stankoverlast op bepaalde dagen tegen te gaan.
                    Het tegengaan van stankoverlast is een belang dat de huishouding van de gemeente
                    betreft, zoals bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet. Artikel 113 is een
                    aanvulling op het Besluit gebruik meststoffen, welk besluit is gebaseerd op de
                    Wet milieubeheer. De hoofdregel in het Besluit gebruik meststoffen is dat
                    meststoffen emissie-arm worden aangewend. De APV geeft de regels ten aanzien van
                    het emissie-arm uitrijden. Wordt tijdens het uitrijden de mest direct
                    ondergewerkt dan geldt het verbod niet omdat er dan immers geen sprake is van
                    stankoverlast, omdat er geen emissie plaatsvindt. </al><al><vet>Artikel 114</vet></al><al><vet>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel ziet op reclameborden, die niet in het openbare gebied worden
                    geplaatst, maar wel vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. Er geldt geen
                    vergunningplicht, maar wel mogen de reclameborden geen gevaar opleveren voor het
                    verkeer of hinder of in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Ook kan
                    het college nadere regels stellen met het oog op die belangen en ook daar mag
                    het reclamebord dan niet mee in strijd zijn. Deze kunnen b.v. betrekking hebben
                    op de hoeveelheid borden en de afmeting daarvan</al><al>Artikel 115</al><al>Vervallen.</al><al>Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</al><al><vet>Afdeling 1 Parkeerexcessen</vet></al><al><onderstreept>Algemeen.</onderstreept></al><al>De in deze afdeling opgenomen bepalingen dienen er in de eerste plaats toe om
                    het excessief in beslag nemen van parkeerruimte te voorkomen. In die zin hebben
                    deze bepalingen een verkeersmotief. Daarnaast geldt dat een aantal vormen van
                    parkeren, zoals hier opgenomen, tevens een negatieve uitwerking heeft op het
                    aanzien van straten en dergelijke. Dit betreft het motief van het uiterlijk
                    aanzien. Mede om die reden is ervoor gekozen deze bepalingen in een apart
                    hoofdstuk op te nemen. </al><al><vet>Artikel 116</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Voor in de begripsomschrijving opgenomen definities van “weg”, “voertuigen” en
                    “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de verkeerswetgeving voor deze
                    begrippen gebruikte definities.</al><al>[Wijziging per 23-09-2012] In dit artikel is bepaald, dat de afdeling over het
                    optreden tegen parkeerexcessen niet van toepassing is op tweewielige fietsen. In
                    de praktijk komen er steeds meer driewielige (bak)fietsen voor. Het is niet
                    de</al><al>bedoeling, dat de afdeling daar wel voor geldt. Derhalve wordt het begrip
                    "tweewielig" geschrapt.</al><al><vet>Artikel 117</vet></al><al><vet>Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</vet></al><al>Deze bepaling maakt optreden mogelijk tegen die autohandelaren en exploitanten
                    van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken
                    als stallingruimte voor auto’s, die hun toebehoren of zijn toevertrouwd.</al><al><vet>Artikel 118</vet></al><al><vet>Defecte voertuigen</vet></al><al>Het gedrag dat hier beschreven wordt, heeft tot gevolg dat de schaarse
                    parkeerruimte gebruikt wordt voor een doel waarvoor die parkeerruimte niet
                    gecreëerd is. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente met zich meebrengen.</al><al><vet>Artikel 119</vet></al><al><vet>Voertuigwrakken</vet></al><al>Een autowrak geeft aanstoot, omdat het een ontsierend element in het straatbeeld
                    vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en andere
                    weggebruikers. </al><al>Zowel het verkeersmotief als het motief van het uiterlijk aanzien spelen bij
                    deze bepaling dus een rol.</al><al>Het verbod richt zich met name tot de burger die een autowrak op de weg plaatst
                    of heeft. Plaatst of heeft een bedrijf autowrakken op de weg, dan zal, indien
                    het samenhangt met de aard van het bedrijf, de Wet milieubeheer van toepassing
                    zijn. De betreffende vergunning zal dan duidelijkheid moeten geven over de
                    toelaatbaarheid van het plaatsen of hebben van de autowrakken op de weg. </al><al><vet>Artikel 120</vet></al><al><vet>Caravans en dergelijke</vet></al><al>Het parkeren gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet
                    verboden. De betrokken persoon heeft zodoende gelegenheid zijn kampeerwagen of
                    caravan in gereedheid te brengen voor de te ondernemen reis, respectievelijk na
                    die reis op te ruimen.</al><al>Indien het aantal van drie dagen wordt overschreden, dan is dat excessief te
                    noemen vanwege </al><al>het buitensporig gebruik dat alsdan van de beperkt beschikbare parkeerruimte
                    gemaakt wordt. Daarnaast is het excessieve gelegen in de ontsiering van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente. </al><al><vet>Artikel 121</vet></al><al><vet>Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degene die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclamevoorschriften, op de weg
                    te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Van zodanige reclame is
                    echter geen sprake, indien op het voertuig de naam vermeld is van het bedrijf,
                    waarbij het voertuig in gebruik is of een vermelding voorkomt van de goederen of
                    diensten die het bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers
                    niet primair gebruikt met het doel om daarmee reclame te maken, maar vooral als
                    vervoermiddel.</al><al><vet>Artikel 122</vet></al><al><vet>Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al>Het eerste lid verschaft het college de mogelijkheid om aantasting van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente tegen te gaan door te bepalen dat op een nader
                    aangewezen plaats een parkeerverbod geldt voor grote voertuigen.</al><al>Het tweede lid maakt het optreden van het college mogelijk tegen het parkeren
                    van grote voertuigen op de weg, omdat dit gepaard gaat met een excessief gebruik
                    van de weg. Zodanig optreden is echter niet mogelijk als het parkeren plaats
                    vindt gedurende de normale werkuren op werkdagen. Dat zou de belangen van het
                    bedrijfsleven te veel kunnen schaden.</al><al>Van de aanwijzingsbevoegdheid van het eerste lid heeft het college gebruik
                    gemaakt bij zijn besluit van 20 oktober 1992. Het gaat om de voor het openbaar
                    verkeer openstaande straten en wegen binnen de bebouwde kom. Enkele wegen en
                    straten, gelegen op enige industrieterreinen, zijn uitgezonderd van het
                    parkeerverbod. </al><al><vet>Artikel 123</vet></al><al><vet>Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</vet></al><al>Dit artikel maakt optreden mogelijk tegen het op de weg parkeren van grote
                    voertuigen, waardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw op
                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan.</al><al><vet>Artikel 124</vet></al><al><vet>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</vet></al><al>Dit artikel wil overlast en hinder voorkomen, die bewoners en gebruikers van
                    nabij gelegen gebouwen en terreinen kunnen ondervinden van het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals bijvoorbeeld vrachtauto’s van
                    destructiebedrijven of vismeelfabrieken. </al><al>De redactie van het artikel is zodanig dat dit ook geldt voor het parkeren van
                    het voertuig buiten de weg. </al><al>Verder geldt dat, indien het parkeren van deze voertuigen geschiedt door een
                    bedrijf, in de meeste gevallen een milieuvergunning verstrekt zal zijn. De Wet
                    milieubeheer is dan dus van toepassing.</al><al><vet>Artikel 125</vet></al><al><vet>Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al>Het komt maar al te veel voor dat groenstroken, plantsoenen en grasperken worden
                    gebruikt voor het parkeren van voertuigen. Met dit artikel kan daartegen worden
                    opgetreden. Het voorkomt daardoor mede de beschadiging van het groen, dat juist
                    tot doel heeft het uiterlijk aanzien van de gemeente te verfraaien.</al><al><vet>Afdeling 2 Collecteren, venten en uitstallingen</vet></al><al><vet>Artikel 126 </vet></al><al><vet>Inzameling van geld of goed</vet></al><al>Toezicht op inzamelingsacties door middel van een vergunningenstelsel wordt een
                    gemeentelijke taak geacht. </al><al>Eerste lid</al><al>Voor de toepasselijkheid van de onderhavige bepaling is het niet nodig dat de
                    inzameling zich naar haar aard en opzet richt tot eenieder zonder onderscheid.
                    Een inzameling wordt als openbaar aangemerkt als deze aan de openbare weg of van
                    daaraf zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plek
                    plaatsvindt. Ook indien een inzameling beperkt is tot de op intekenlijsten
                    voorkomende namen kan dus van een openbare inzameling sprake zijn. </al><al>Tweede lid</al><al>In dit lid is met zoveel woorden aangegeven dat, indien bij een inzameling
                    geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet meebrengt dat voor
                    het houden van de inzameling geen vergunning vereist is. Het komt veelvuldig
                    voor, dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding van
                    gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij dan
                    een beroep wordt gedaan op de charitatieve bestemming van de opbrengst daarvan.
                    Het tweede lid stelt dat uitsluitend het houden van openbare inzamelingen van
                    een vergunning afhankelijk is, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van
                    geschreven of gedrukte stukken. Het eerste lid onderwerpt een openbare
                    inzameling van geld of goederen aan een vergunning. Volgens het tweede lid wordt
                    onder zodanige inzameling mede verstaan het bij het aanbieden van geschreven of
                    gedrukte stukken aanvaarden van geld of goederen. Het aanbieden van geschreven
                    of gedrukte stukken wordt door de bepaling absoluut onverlet gelaten. Wordt
                    bijvoorbeeld een aanvraag om een collectevergunning geweigerd en was de
                    aanvrager voornemens om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden,
                    dan blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. </al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet worden
                    onderscheiden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. In het laatste
                    geval wordt vooral het dekken van de kosten van verspreiding beoogd. Venten of
                    colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, lid 1, van
                    de Grondwet en artikel 126 is hierop dan ook niet van toepassing. </al><al>Derde lid</al><al>De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de
                    inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de
                    achtergrond vormt van de actie. Naast het gemeenschappelijk lidmaatschap moet er
                    eveneens sprake zijn van een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar wil
                    er kunnen worden gesproken van “in besloten kring”. </al><al>Vierde lid</al><al>In dit lid is geregeld wanneer er voor het houden van een collecte geen
                    vergunning nodig is. De (landelijke) instellingen, zoals weergegeven in het
                    collecterooster Centraal Bureau Fondsenwerving, behoeven geen vergunning. In dit
                    rooster zijn onder andere het Koningin Julianafonds opgenomen, de Hartstichting
                    en het Leger des Heils. In beginsel is het gemeentebestuur gebonden aan dit
                    (landelijke) collecteplan. </al><al><vet>Artikel 127</vet></al><al><vet>Venten en dergelijke</vet></al><al>Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen de volgende situaties: </al><lijst><li nr="-"><al>Goederen worden telkens vanaf verschillende plaatsen te koop
                            aangeboden;</al></li><li nr="-"><al>Goederen worden te koop aangeboden vanaf een vaste plaats op de openbare
                            weg;</al></li><li nr="-"><al>Goederen worden gepresenteerd/uitgestald.</al></li></lijst><al>Artikel 127 heeft betrekking op de eerst genoemde situatie.</al><al>Het college kan gebieden aanwijzen waar niet gevent mag worden. In alle andere
                    gebieden mag het wel mits aan een aantal minimumeisen voldaan wordt (zie het
                    tweede lid) en mits de openbare orde, veiligheid of volksgezondheid niet in
                    gevaar gebracht wordt (zie het eerste lid).</al><al><vet>Artikel 128 </vet></al><al><vet>Uitstallingen op de weg</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Afdeling 3 Lijkbezorging</vet></al><al>Artikel 129</al><al><vet>Tijdvak voor begraven en dergelijke</vet></al><al>De Wet op de Lijkbezorging bepaalt, dat bij plaatselijke verordening geregeld
                    moet worden:</al><lijst><li nr="-"><al>het tijdvak van begraven,</al></li><li nr="-"><al>het gedrag en dergelijke op begraafplaatsen.</al></li></lijst><al>Daarnaast bepaalt diezelfde wet, dat ook nog het één en ander geregeld moet
                    worden ten aanzien van het beheer van Algemene begraafplaatsen. Dit laatste is
                    geregeld in de “Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen”.</al><al><vet>Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                        natuurgebieden</vet></al><al><vet>Artikel 132 </vet></al><al><vet>Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto´s,
                    motoren, bromfietsen, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter
                    zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een
                    rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden (zie ook het begrip weg in artikel 1 APV). </al><al>Speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de werking
                    van de Wet milieubeheer (Wm) en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer. Krachtens artikel 8.1 Wm is voor dergelijke inrichtingen een
                    vergunning vereist. Hiervoor is geen APV-vergunning vereist. </al><al>De APV geldt voor die gevallen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g,
                    van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Gedacht kan worden
                    aan een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en
                    terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In
                    onderhavige gevallen dient mogelijk ook gekeken te worden naar het op grond van
                    de Zondagswet (artikel 3, eerste lid) verbod om op zondag zonder strikte
                    noodzaak gerucht te verwekken. Eveneens dient te worden gekeken naar de
                    mogelijke gebruiksvoorschriften die zijn verbonden aan de bestemming die gelegen
                    is op het betreffende terrein. </al><al><vet>Artikel 133 </vet></al><al><vet>Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al>Deze bepaling geldt voor gebieden, die vallen buiten de wegen in de zin van de
                    WVW 1994. </al><al>Er dient te worden bezien of er op het betreffende gebied mogelijk de
                    provinciale milieuverordening van toepassing is die ondermeer verbiedt een
                    aantal toestellen te gebruiken binnen een milieubeschermingsgebied. </al><al><vet>Afdeling 5 Verbod vuur te stoken</vet></al><al><vet>Artikel 134 </vet></al><al><vet>Verbod vuur te stoken</vet></al><al>Artikel 134 heeft een aanvullende werking op de artikel 10.63 tweede lid van de
                    Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer heeft betrekking op de verbranding van
                    afvalstoffen buiten inrichtingen en beperkt zich tot het milieuhygiënische
                    belang. In tegenstelling tot laatst genoemd artikel kan op grond van artikel 134
                    wel het verbranden van afvalstoffen verboden worden, indien de openbare orde en
                    veiligheid in het geding is. Aan de APV ligt dus een ander motief ten grondslag.
                    De APV-bepaling geldt verder ook indien er sprake is van het verbranden van
                    niet-afvalstoffen buiten inrichtingen. In deze laatste situatie wordt door de
                    Wet milieubeheer niet voorzien.</al><al><vet>Afdeling 6 Overig</vet></al><al><vet>Artikel 135</vet></al><al><vet>Het aanbrengen van tatoeages</vet></al><al>Dit artikel legt een verplichting op de exploitant van een tatoeage-inrichting
                    om regels van hygiëne e.d. in acht te nemen. Het college kan terzake nadere
                    aanwijzingen geven. Met het toezicht is de GGD belast.</al><al><vet>Artikel 136 </vet></al><al><vet>Openbaar water</vet></al><al>Het college mag geen algeheel verbod opleggen. Een verbod met een ontheffingen-
                    of vergunningenstelsel is wel toegestaan. Vooralsnog zijn er geen waterplassen
                    aangewezen waar het aanwezig hebben dan wel varen met een motorvaartuig is
                    verboden.</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 137</vet></al><al><vet>Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn
                    verordeningen straf stellen. De maximale hechtenis bedraagt drie maanden en
                    daarnaast kan de raad er voor kiezen een geldboete van de eerste (maximaal €
                    225) dan wel de tweede (maximaal € 2250) categorie op te nemen dan wel per
                    overtreding nog een onderscheid te maken voor welke categorie gekozen
                    wordt.</al><al>In dit geval is er voor gekozen om integraal te kiezen voor een boete van de
                    tweede categorie. De ernst van de overtredingen verschilt niet zodanig, dat dit
                    een verdeling in eerste en tweede categorie nodig zou maken en uiteindelijk is
                    het toch de rechter die afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de
                    hoogte van de geldboete bepaald, waarbij overigens zelden het maximum wordt
                    opgelegd. </al><al><vet>Artikel 138</vet></al><al><vet>Toezichthouders</vet></al><al>Toezichthouders zijn personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig
                    wettelijk voorschrift, zo zegt artikel 5:11 van de Awb. In de betreffende
                    verordening, in dit geval de APV, dient geregeld te worden wie bevoegd is de
                    toezichthouders aan te wijzen. </al><al>Naast de toezichthoudende bevoegdheid staat de opsporingsbevoegdheid.
                    Laatstgenoemde heeft een strafrechtelijk karakter. Soms komt het voor dat een
                    ambtenaar zowel een toezichthoudende bevoegdheid dient te hebben als een
                    opsporingsbevoegdheid. In dat geval dient de betreffende verordening de
                    (categorie) ambtenaren, voor wie dat geldt, met zoveel woorden te noemen als
                    toezichthouder. Om die reden worden in het eerste lid expliciet de ambtenaren
                    van de afdeling Veiligheid en Wijken met het toezicht belast. Het tweede lid
                    voorziet in de mogelijkheid andere ambtenaren aan te wijzen als toezichthouder.
                    Deze laatste hebben dan dus geen opsporingsbevoegdheid.</al><al>De bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in de artikelen 5:15 tot en
                    met 5:19 Awb en betreffen o.a. het betreden van plaatsen en het doorzoeken van
                    vervoermiddelen.</al><al><vet>Artikel 139</vet></al><al><vet>Binnentreden woningen</vet></al><al>Zoals al aangegeven in de toelichting op artikel 138 regelt de Awb de
                    bevoegdheden van toezichthouders. Dit geldt echter niet voor de bevoegdheid om
                    woningen en vergelijkbare plaatsen te betreden, omdat daar een fundamenteel
                    grondrecht in het geding komt. Om die reden bepaalt de wet, dat deze bevoegdheid
                    alleen gebruikt mag worden, als deze met zoveel woorden in de desbetreffende
                    bijzondere wettelijke regeling, in dit geval de APV, is opgenomen. </al><al>De verdere spelregels, die gelden bij het binnentreden van woningen e.d., zoals
                    in acht te nemen vormvoorschriften, zijn opgenomen in de Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi). </al><al><vet>Artikel 140</vet></al><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze bepaling komt overeen met het bepaalde in artikel 142 Gemeentewet.</al><al/><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 maart 2015</al><al>de voorzitter, </al><al>de secretaris,</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>