<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR361644_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Albrandswaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-05-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Albrandswaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-76625.html">Elektronisch gemeenteblad, 2014, 76625</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0034925&amp;artikel=2.9">Jeugdwet, art. 2.9</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0034925&amp;artikel=2.12">Jeugdwet, art. 2.12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0034925&amp;artikel=8.1.1">Jeugdwet, art. 8.1.1, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0034925&amp;artikel=12.4">Jeugdwet, art. 12.4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Albrandswaard;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van de gemeente Albrandswaard met
                        kenmerk 84967 d.d. 16 september 2014;</al><al/><al>Gelet op artikel 2.9, 2.12, 8.1.1, vierde lid, en 12.4, tweede lid, van de
                        Jeugdwet en op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>Gelezen het advies van de commissie Beraad en Advies van 7 oktober
                        2014;</al><al/><al>Overwegende dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door
                        het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen,
                        de wijze van afstemming met andere voorzieningen, de wijze waarop een
                        persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, de bestrijding misbruik en
                        oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede
                        verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering
                        van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die
                        worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen:</al><al/><al><vet>Verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>andere voorziening: een voorziening niet vallend onder de wet,
                                    op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al>gesprek: het gesprek als bedoeld in artikel 4 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: de behoefte van een jeugdige of een ouder aan
                                    jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>individuele voorziening: de via een verleningsbeschikking
                                    toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden
                                    jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of bij pgb
                                    wordt verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>ondersteuningsplan: het hulpverleningsplan als bedoeld in
                                    artikel 1.1 van de wet;</al></li><li nr="-"><al>overige voorzieningen: de overige voorzieningen als bedoeld in
                                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen
                                    verleningsbeschikking van het college vereist is;</al></li><li nr="-"><al>pgb: het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1
                                    van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                    jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die
                                    in de vorm van een individuele voorziening is toegekend van
                                    derden te betrekken;</al></li><li nr="-"><al>wet: Jeugdwet;</al></li><li nr="-"><al>jeugd en gezinsteam: op wijkniveau georganiseerd
                                    multidisciplinair team dat de hulpvraag van jeugdigen of hun
                                    ouders afhandelt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De volgende overige (vrij-toegankelijke) voorzieningen zijn
                                    beschikbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>Basishulp:</al><lijst><li nr="-"><al>ambulante opvoedhulp</al></li><li nr="-"><al>begeleiding jeugdigen met verstandelijke
                                                  beperking</al></li><li nr="-"><al>bemoeizorg</al></li><li nr="-"><al>kortdurende generalistische basis-ggz bij
                                                  enkelvoudige problematiek</al></li><li nr="-"><al>gebiedsgerichte hulp bij jeugdcriminaliteit en
                                                  jeugdoverlast</al></li><li nr="-"><al>gezinscoaching</al></li><li nr="-"><al>gezinsondersteuning</al></li><li nr="-"><al>jongerentrajecten</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Informatie en (opvoed)advies</al></li><li nr="c."><al>Intensief casemanagement</al></li><li nr="d."><al>Jeugdgezondheidszorg</al></li><li nr="e."><al>Jongerencoaching en participatiebevordering</al></li><li nr="f."><al>Online hulpverlening</al></li><li nr="g."><al>Schoolmaatschappelijk werk</al></li><li nr="h."><al>Voorlichting, cursussen en trainingen</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De volgende individuele (niet-vrij toegankelijke) voorzieningen
                                    zijn beschikbaar:</al></li></lijst><al>Specialistische hulp:</al><lijst><li nr="-"><al>crisisopvang</al></li><li nr="-"><al>forensische hulp</al></li><li nr="-"><al>gesloten jeugdhulp</al></li><li nr="-"><al>langdurige specialistische ggz bij complexe problematiek</al></li><li nr="-"><al>medische kinderdagbehandeling</al></li><li nr="-"><al>pleegzorg</al></li><li nr="-"><al>residentiële hulp</al></li><li nr="-"><al>specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe
                                    problematiek</al></li><li nr="-"><al>specialistische dagbehandeling en verzorging verstandelijk
                                    beperkte jeugd</al></li><li nr="-"><al>verzorging van jeugd met een lichamelijke en zintuiglijke
                                    beperking</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp, indiening hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen het college verzoeken
                                om toeleiding naar een overige voorziening of toekenning van een
                                door het college bij besluit te verlenen individuele
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de
                                behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een
                                individuele voorziening. Indien de jeugdige of zijn ouders hierom
                                verzoeken, legt het college de beslissing omtrent de inzet vast in
                                een beschikking als bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de
                                gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een
                                kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar
                                ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de
                                directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de
                                uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de
                                gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van
                                jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking
                                als bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                                passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een
                                spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3
                                juncto artikel 6.1.8 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders die menen een beroep te kunnen doen op een
                                overige voorziening, niet zijnde basishulp, kunnen zich rechtstreeks
                                hiertoe wenden. Ook de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of
                                andere betrokken instanties kunnen hen rechtstreeks verwijzen naar
                                een overige voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanvraag individuele voorzieningen en gespreksprocedure</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels met betrekking tot de procedure voor de
                            aanvraag van een individuele voorziening, te rekenen vanaf de ontvangst
                            van een hulpvraag of een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3 , tweede
                            lid. Het college geeft hierbij aan welke eisen worden gesteld aan de
                            registratie en gespreksvoorbereiding, het gesprek met de jeugdige of
                            zijn ouders voor zover dit noodzakelijk wordt geacht, de verslaglegging
                            en, voorzover van toepassing, het ondersteuningsplan. Tevens wordt
                            aangegeven hoe een aanvraag om een individuele voorziening moet worden
                            ingediend en in welke gevallen het college een aanvraag als compleet
                            beschouwt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>–Afweging en voorwaarden individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Toekenning individuele voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in
                                    het voor akkoord ondertekende onderzoeksverslag, gespreksverslag
                                    of ondersteuningsplan wordt vastgesteld dat de jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen
                                            uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn
                                            hulpvraag kan vinden;</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al
                                            dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige
                                            voorziening, of</al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al
                                            dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere
                                            voorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe in de
                                    gevallen als bedoeld in artikel 3, tweede en vierde lid.</al></li><li nr="3."><al>Conform artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college alleen
                                    een individuele voorziening in de vorm van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>als de jeugdige of zijn ouders, al dan niet met hulp uit
                                            hun sociale netwerk dan wel van een curator,
                                            bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is / zijn
                                            de aan een pgb verbonden taken zoals verbonden aan het
                                            ondersteuningsplan op verantwoorde wijze uit te
                                            voeren;</al></li><li nr="b."><al>als de jeugdige of zijn ouders overtuigend kan / kunnen
                                            motiveren waarom zij de individuele voorziening die door
                                            een aanbieder wordt geleverd, niet passend achten;</al><al>Ingeval van doorverwijzing door een huisarts, jeugdarts
                                            of medisch specialist kan dientengevolge alleen een pgb
                                            vertrekt worden wanneer de toekenning van de individuele
                                            voorziening, na overlegging van een door de jeugdige of
                                            zijn ouders ingediend plan met begroting over hoe zij
                                            het pgb gaan besteden, bekrachtigd middels een
                                            verleningsbeschikking;</al></li><li nr="c."><al>als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                                            de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders willen
                                            betrekken van een aanbieder of een persoon die behoort
                                            tot het sociale netwerk, van goede kwaliteit is en
                                            bijdraagt aan het gewenste resultaat;</al></li><li nr="d."><al>als de kosten van het pgb ten hoogste 90% van de
                                            kostprijs bedragen van de in de betreffende situatie
                                            goedkoopste adequate voorziening in natura, tenzij de
                                            jeugdige of zijn ouders de kosten die uitstijgen boven
                                            de kostprijs van deze voorziening in natura, zelf willen
                                            bekostigen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van het
                                    door de jeugdige of zijn ouders ingediende plan met begroting
                                    over hoe zij het pgb gaan besteden.</al></li><li nr="5."><al>Degene aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de individuele
                                    voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort
                                    tot zijn sociale netwerk indien deze persoon: </al><lijst><li nr="a."><al>voor zijn diensten niet meer krijgt betaald tot maximaal
                                            60% van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                            goedkoopste adequate individuele voorziening in
                                            natura;</al></li><li nr="b."><al>niet heeft aangegeven dat de zorg aan de ontvanger van
                                            het pgb hem te zwaar valt; </al></li><li nr="c."><al>het pgb niet zal gebruiken voor de betaling van
                                            tussenpersonen of belangbehartigers en</al></li><li nr="d."><al>op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb
                                            heeft uitgeoefend bij diens besluitvorming.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het college kan in bijzondere gevallen ook voorzieningen die
                                    geen individuele voorziening voor een jeugdige of ouders zijn,
                                    in de vorm van een pgb verstrekken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te treffen voorziening en het beoogde resultaat
                                        is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en de uitvoeringsperiode van de
                                        verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van
                                        jeugdhulp de voorziening verstrekt, en indien van
                                        toepassing,</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de
                                beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke individuele voorziening het pgb kan worden
                                        aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend;</al></li><li nr="d."><al>hoe de feitelijke betaling ten laste van het verstrekte pgb
                                        plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld,</al></li><li nr="f."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage wordt hierover
                                informatie in de beschikking opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de volgende gevallen verstrekt het college altijd een
                                beschikking:</al><lijst><li nr="a."><al>bij verstrekking van een pgb;</al></li><li nr="b."><al>bij weigering van een aanvraag voor een individuele
                                        voorziening, waarbij onder een aanvraag mede wordt begrepen
                                        een niet voor akkoord ondertekend onderzoeksverslag,
                                        gespreksverslag of ondersteuningsplan dat door de jeugdige
                                        of zijn ouders als aanvraag is bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>bij een verzoek van de jeugdige of zijn ouders om een
                                        beschikking te ontvangen, binnen 6 weken na het voor akkoord
                                        ondertekenen van een onderzoeksverslag, gespreksverslag of
                                        ondersteuningsplan.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Conform artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling
                                van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs
                                duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot
                                heroverweging van een beslissing aangaande een individuele
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Conform artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit,
                                genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken
                                indien het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                        hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere besluit zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                        voorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn
                                        aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb
                                        niet meer toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden
                                        van het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening niet
                                        of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                        bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder
                                a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of
                                onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                                onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten
                                pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien
                                blijkt dat het pgb binnen zes weken na het klaarzetten van het
                                budget bij de Sociale Verzekeringsbank, niet is aangewend voor de
                                bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg, en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt er voor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een
                                beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders er op dat zij zich desgewenst
                                kunnen laten bijstaan door een onafhankelijk vertrouwenspersoon.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><al>Het college behandelt klachten van jeugdigen of ouders die betrekking
                            hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als
                            bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de
                            Klachtenregeling BAR–organisatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntengroepen
                                vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
                                betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te
                                kunnen vervullen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college rapporteert periodiek, middels de Tussenrapportages, de
                                Voorjaarsnota en de Begroting, over de beleidsinhoudelijke en
                                financiële voortgang van het door het gemeentebestuur gevoerde
                                beleid, voortvloeiend uit de bevoegdheden zoals die krachtens de
                                Jeugdwet en deze verordening bij het gemeentebestuur zijn
                                neergelegd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minstens eenmaal
                                per drie jaar geëvalueerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of
                            zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het
                            college nadere regels stellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Jeugdhulp
                            Albrandswaard 2015” </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Albrandswaard in zijn
                        openbare vergadering van17 november 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Mr. Renske van der Tempel drs. Hans-Christoph Wagner</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting Verordening jeugdhulp Albrandswaard 2015</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al><vet>Aanleiding</vet></al><al>De verordening Jeugdhulp Albrandswaard 2015 (hierna: de verordening) is
                    gebaseerd op de “Wet houdende regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid
                    voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei-
                    en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen”, kortweg de Jeugdwet. </al><al/><al><vet>Wijze van totstandkoming verordening</vet></al><al>Deze verordening is primair gericht op de situatie zoals beschreven in het
                    Meerjarenbeleidskader Jeugdhulp gemeente Albrandswaard. Ze komt in voorts in
                    belangrijke mate overeen met de VNG-modelverordening en de verordening jeugdhulp
                    van de gemeente Rotterdam. Er vond afstemming plaats met de gemeentelijke
                    verordening WMO 2015.</al><al/><al><vet>Aanvullende bepalingen</vet></al><al>De verordening bevat een uitwerking van alle bepalingen die volgens de wet
                    verplicht zijn (zie de artikelen 2.9, 2.12, 8.1.1 vierde lid, en 12.4, tweede
                    lid, van de wet). Daarnaast zijn ook aanvullende bepalingen opgenomen ten einde
                    een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van jeugdigen en
                    ouders, mede gelet op de specifieke lokale praktijk.</al><al>Voorts zijn ter verduidelijking in de artikelsgewijze toelichting een aantal
                    relevante passages uit de wet en de Memorie van Toelichting bij de wet
                    opgenomen. </al><al/><al><vet>Totstandkoming van de Jeugdwet</vet></al><al>Op 18 mei 2010 presenteerde de Parlementaire werkgroep Toekomstverkenning
                    jeugdzorg haar rapport ‘Jeugdzorg dichterbij’. De werkgroep concludeerde dat de
                    jeugdzorg gebaat zou zijn bij één financiële regeling en één bestuurslaag, de
                    gemeentelijke overheid, naast de rijksoverheid als stelselverantwoordelijke. Op
                    30 september 2010 werden de aanbevelingen van de werkgroep overgenomen.
                    Vervolgens is op 29 oktober 2012 in het regeerakkoord van VVD en PvdA ‘Bruggen
                    slaan’ opgenomen dat de jeugdzorg per 2015 gedecentraliseerd wordt naar
                    gemeenten:</al><al><cursief>De decentralisatie omvat alle onderdelen: de jeugdzorg die nu een
                        verantwoordelijkheid is van de provincie, de gesloten jeugdzorg onder regie
                        van Volksgezondheid Welzijn en Sport, de jeugd-GGZ die onder de ZVW valt, de
                        zorg voor lichtverstandelijk gehandicapte jongeren op basis van de AWBZ en
                        de jeugdbescherming en jeugdreclassering van Veiligheid en Justitie. Deze
                        decentralisatie wordt gecoördineerd op het ministerie van VWS. Ouders zijn
                        er voor verantwoordelijk hun kinderen veilig en gezond te laten opgroeien.
                        Wanneer de ontwikkeling van kinderen ernstig in gevaar komt, moet de
                        overheid tijdig ingrijpen. Dat is in het verleden ondanks toenemende
                        budgetten niet altijd gebeurd. De jeugdzorg zal daarom de komende jaren
                        sterk worden verbeterd. Tegelijkertijd zullen de fors gestegen uitgaven voor
                        jeugdzorg en geestelijke gezondheidszorg voor de jeugd worden
                        teruggebracht.</cursief></al><al/><al>Niet alleen de jeugdzorg gaat overigens naar gemeenten. Ook via de
                    Participatiewet en de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) krijgen
                    gemeenten nieuwe taken. Uitgangspunt bij deze drie decentralisaties in het
                    sociaal domein is volgens het akkoord ‘één gezin, één plan, één regisseur’. Er
                    komt een einde aan de praktijk waarbij vele hulpverleners langs elkaar heen
                    werken bij de ondersteuning van één gezin. </al><al>Het wetsontwerp Jeugdwet is van 19 juli tot 18 oktober 2012 onderwerp geweest
                    van internetconsultatie. Na verwerking van de (vele) commentaren is het
                    wetsontwerp aangeboden aan de Raad van State, die op 31 mei 2013 zijn advies
                    vaststelde. Op 1 juli 2013 is het wetsontwerp Jeugdwet aangeboden aan de Tweede
                    Kamer. Op 18 oktober 2013 stemde de meerderheid van de Tweede Kamer in met het
                    wetsontwerp. Vervolgens stemde ook de meerderheid van de Eerste Kamer op 18
                    februari 2014 in met het wetsontwerp. </al><al/><al><vet>Opdrachten Jeugdwet aan de gemeente</vet></al><al>De Jeugdwet draagt gemeenten via een beleidsplicht op het opvoedkundig klimaat
                    in gezinnen en wijken, buurten, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen te
                    versterken. Ook vraagt de wet gemeenten beleid te maken gericht op vroege
                    signalering van en vroegtijdige interventie bij opvoed- en opgroeiproblemen,
                    psychische problemen en stoornissen (preventie). De wet stelt geen nadere eisen
                    aan deze beleidsopdrachten. </al><al>Wel moet het aanbod van jeugdhulp kwalitatief en kwantitatief toereikend zijn. </al><al>Daarnaast regelt de Jeugdwet de jeugdhulp. Hieronder vallen de volgende
                    functies, gedefinieerd in art. 1.1:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>ondersteuning van en hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders
                                bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of
                                omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                                psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke
                                beperking van de jeugdige of opvoedingsproblemen van
                                ouders;</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer
                                en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een
                                verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke beperking, een chronisch
                                psychisch of een psychosociaal probleem;</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het
                                gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van
                                een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke,
                                lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of
                                psychiatrische aandoening of beperking.</cursief></al></li></lijst><al><vet><cursief>Niet </cursief></vet>onder de werking van de Jeugdwet vallen:</al><lijst><li nr="·"><al>Het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg dat onder verantwoordelijkheid
                            van gemeenten aan ouders en kinderen wordt aangeboden op grond van de
                            Wet publieke gezondheid.</al></li><li nr="·"><al>Onderwijsgebonden leerlingenzorg in school<sup/>. </al></li><li nr="·"><al>Huisartsenzorg aan jeugdigen, praktijkondersteuning huisartsen aan
                            jeugdigen en extramurale psychofarmaca verstrekt aan jeugdigen
                            (minderjarigen), vallende onder de basisverzekering in het kader van de
                            Zorgverzekeringswet. </al></li><li nr="·"><al>Zorg verleend op basis van ‘romp-AWBZ’, d.w.z. de AWBZ-zorg die
                            overblijft na decentralisatie taken naar gemeenten, te weten de
                            intramurale zorg voor gehandicapten en ouderen met een zware zorgvraag.
                        </al></li></lijst><al/><al>Bovendien is artikel 1.2 van de wet van belang, waarin ingegaan wordt op
                    samenloop met andere wetten die een recht op een voorziening regelen. Dit
                    artikel luidt als volgt:</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze
                                wet te treffen:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief> indien er met betrekking tot de problematiek een
                                        aanspraak bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de
                                        Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet
                                        justitiële jeugdinrichtingen of een recht op zorg als
                                        bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,
                                        of</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief> indien naar het oordeel van het college met betrekking
                                        tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening
                                        op grond van een andere wettelijke bepaling, met
                                        uitzondering van een voorziening op het gebied van
                                        maatschappelijke ondersteuning die de jeugdige in staat
                                        stelt dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het
                                        persoonlijk leven te structureren en daarover regie te
                                        voeren.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief> Indien er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de
                                betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op
                                grond van een aanspraak op zorg als bedoeld bij of krachtens de
                                Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een recht op zorg als
                                bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, als een
                                soortgelijke voorziening op grond van deze wet kan worden verkregen,
                                is het college gehouden deze voorziening op grond van deze wet te
                                treffen</cursief>.</al></li><li nr="3."><al><cursief>In afwijking van het eerste lid is het college gehouden een
                                voorziening op grond van deze wet te treffen, indien jeugdhulp
                                voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing</cursief>.</al></li></lijst><al/><al><vet>Rechtsbescherming</vet></al><al>In de verordening is aandacht besteed aan de rechtsbescherming van jeugdigen en
                    ouders zodra deze met de gemeente te maken krijgen in het kader van de wet. Dat
                    begint al vanaf het eerste moment dat een hulpvraag zich aandient: de gemeente
                    dient dan in het belang van een zorgvuldige procedure te zorgen voor registratie
                    van relevante gegevens en betrokkenen hierover goed te informeren.</al><al>Hierover zullen door het college nog aanvullende regels worden vastgesteld, op
                    basis van een beleidsvisie ten aanzien van de verwerking van gegevens in het
                    sociale domein. </al><al/><al>Er is een BAR 3D-werkgroep van start gegaan, met het doel het opstellen van een
                    privacydocument.In dit document zal ingegaan worden op vragen als: Welke
                    persoonsgegevens mag de gemeente registreren? Wat zijn de uitzonderingen op het
                    uitgangspunt dat voorafgaande toestemming van betrokkene is vereist? Hoe kan
                    betrokkene zijn privacyrechten goed uitoefenen? Welke waarborgen zijn er ten
                    aanzien van de beveiliging van persoonsgegevens? Voor burgers die met wijkteams
                    (JGT en sociale teams) te maken krijgen zal een folder privacy worden opgesteld.
                    Verder zullen ten behoeve van de professionals van de wijkteams instructies en
                    protocollen worden opgesteld (dan wel worden aangepast / verbeterd) en
                    cursussen/trainingen worden gegeven om hun deskundigheid en vaardigheden bij het
                    omgaan met vraagstukken op het gebied van privacy te bevorderen. </al><al/><al><vet>Wat is het concrete aanbod van voorzieningen om te voldoen aan hulpvragen
                        van jeugdigen</vet></al><al>De wet gaat ervan uit dat de gemeente via de verordening helder maakt wat
                    concreet het aanbod is aan voorzieningen dat wordt ingezet om te voldoen aan de
                    hulpvragen van jeugdigen en ouders. Dat aanbod is op te maken uit de opsomming
                    in artikel 2, waarbij ook de in de wet genoemde ‘overige voorzieningen’ vermeld
                    zijn. Deze overige voorzieningen zijn in principe vrij toegankelijk en worden
                    zonder beschikking aangeboden. De gemeente kan overigens wel behulpzaam bij het
                    toeleiden van een jeugdige of zijn ouders naar een overige voorziening. Dat is
                    dan dus niet in het kader van een ‘aanvraag’ in de zin van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Die aanvraag is immers uitsluitend gericht op het toekennen van
                    een individuele voorziening. </al><al/><al>Mocht uit de contacten met een jeugdige of zijn ouders blijken dat deze vinden
                    dat er meer nodig is dan een overige voorziening, dan wordt dat vastgelegd en
                    kan die vastlegging desgewenst alsnog als een aanvraag voor een individuele
                    voorziening in behandeling worden genomen. Bij een weigering is er dan de
                    mogelijkheid van bezwaar en beroep. In de artikelsgewijze toelichting wordt op
                    deze situatie nader ingegaan. </al><al>Bezwaar en beroep is uitgesloten bij jeugdhulp die wordt ingezet in het
                    gedwongen kader, dus bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering. Dan geeft de gemeente ook geen beschikking af. De gemeente is
                    niettemin wel verantwoordelijk voor het leveren van de jeugdhulp. Welke dat is,
                    wordt door de gecertificeerde instelling bepaald. De wet eist wel dat deze
                    daarover overlegt met de gemeente. </al><al/><al>Deze verordening gaat verder niet in op de procedure in het gedwongen kader,
                    waarbij vooral dwingende bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (in
                    verband met kinderbeschermingsmaatregelen) en uit het Wetboek van Strafrecht (in
                    verband met reclassering) van belang zijn. De verantwoordelijkheid van de
                    gemeente is beperkt tot de verplichting om in voorkomende gevallen de nodig
                    geachte inzet van jeugdhulp te bieden. Overigens is de insteek van de gemeente
                    wel om het jeugd- en gezinsteam ook bij afwegingen over maatregelen in het
                    gedwongen kader een rol te laten vervullen. Dit op basis van de positieve
                    ervaringen die opgedaan zijn bij de pilot Jeugdbeschermingsplein in
                    Rotterdam-Zuid. </al><al/><al>Toegang tot het gemeentelijk aanbod aan voorzieningen kan lopen via de jeugd- en
                    gezinsteams in de gemeente, maar ook via in de wet en verordening genoemde
                    verwijzers: huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Om dat proces goed
                    te kunnen stroomlijnen is het noodzakelijk dat de gemeente in kennis wordt
                    gesteld van de verwijzingen die leiden tot een aanspraak op het gemeentelijke
                    hulpaanbod. Een goede inkoop van jeugdhulp door de gemeente zal in principe
                    moeten voorkomen dat er verwezen wordt naar een voorziening die de gemeente niet
                    (meteen) beschikbaar heeft. Goede afspraken tussen gemeente en verwijzers zoals
                    voorgeschreven in art. 2.7, vierde lid, van de wet, zijn hiervoor natuurlijk ook
                    van belang. Verder kan het ook nog zijn dat gekozen wordt voor het toekennen van
                    een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget. Ingeval
                    van doorverwijzing door de huisarts, jeugdarts of medisch specialist kan dit
                    alleen na het afgeven van een verleningsbeschikking en na overlegging van een
                    door de jeugdige of zijn ouders ingediend plan met begroting over hoe zij het
                    pgb gaan besteden.</al><al>Gedurende de procedure zoals in de verordening beschreven, zijn er –
                    onafhankelijk van de duur van de procedure – verschillende momenten te bepalen
                    waarbij vastlegging met het oog op de rechtsbescherming van belang is. Een
                    onderzoeks- of gespreksverslag of een ondersteuningsplan zijn de in de
                    verordening genoemde documenten die met het oog op de aanvraag voor een
                    individuele voorziening relevant kunnen zijn en daarom ter ondertekening dienen
                    te worden aangeboden. </al><al>Indien uit het ‘niet-voor-akkoord’ ondertekenen blijkt dat de jeugdige of zijn
                    ouders het niet eens zijn met de inhoud van deze documenten, zal het college dit
                    desgewenst formaliseren door het verstrekken van een beschikking. Hiertegen kan
                    betrokkene vervolgens bezwaar maken. </al><al>Uit oogpunt van rechtsbescherming is het van belang dat er <cursief>geen
                        onredelijke doorlooptijden</cursief> ontstaan. Dat hangt sterk samen met de
                    mate van complexiteit van de hulpvraag. Om die reden zijn er geen concrete
                    termijnen in de verordening opgenomen. Wel zijn hierna in de artikelsgewijze
                    toelichting <cursief>streeftermijnen opgenomen. Deze gelden als richtsnoer voor
                        de werkinstructies voor de jeugd en gezinsteam. </cursief>Ook wordt in de
                    artikelsgewijze toelichting nog nader verduidelijkt waartoe de gemeente
                    verplicht is volgens de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht met
                    betrekking tot de beslistermijn. </al><al>Het klachtrecht en de medezeggenschap van belanghebbenden tegenover de
                    aanbieders (jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen c.q. uitvoerders
                    van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering) is geregeld in de wet
                    (paragraaf 4.2, ‘rechtspositie jeugdigen en ouders’). </al><al>Voor zover het de gemeente betreft, gelden reeds bestaande algemene regelingen.
                    Voor klachtrecht geldt hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                    voor inspraak geldt artikel 150 van de Gemeentewet. Niettemin is voor de
                    duidelijkheid in deze verordening een bepaling omtrent het klachtrecht
                    opgenomen, die verwijst naar de klachtregeling BAR-organisatie. De medewerkers
                    van de gemeente zijn immers sinds 1 januari 2014 niet meer in dienst van de
                    gemeente, doch in dienst van de BAR-organisatie. De Nationale Ombudsman is in de
                    Klachtregeling gepositioneerd als tweedelijns instantie. </al><al/><al><vet>Leeswijzer</vet></al><al>Overal waar in de verordening wordt gesproken over de jeugdige of zijn ouders,
                    moet tevens de jeugdige en zijn ouders worden gelezen. Er is dan sprake van een
                    en/of-situatie. </al><al/><al><vet>Wettelijk overgangsrecht</vet></al><al>Hoofdstuk 10 van de wet bevat bepalingen omtrent het overgangsrecht. In de
                    Memorie van Toelichting, artikelsgewijze deel, onder artikel 10.1 tot en met
                    10.4, staat hierover onder andere het volgende vermeld: </al><al><cursief>Uitgangspunt bij de decentralisatie van alle jeugdhulp is dat gemeenten
                        vanaf de inwerkingtreding van deze wet verantwoordelijk zijn voor alle
                        jeugdigen en ouders die een beroep doen op jeugdhulp. Wel is ervoor gekozen
                        om een overgangsjaar in te bouwen met betrekking tot die jeugdigen en hun
                        ouders die op het moment van inwerkingtreding reeds een verwijzing in de zin
                        van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een indicatiebesluit in de zin van de
                        Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Wet op de jeugdzorg (Wjz)
                        hebben. Deze verwijzingen en indicatiebesluiten blijven nog een jaar na
                        inwerkingtreding van de onderhavige wet gelden, met dien verstande dat de
                        gemeente vanaf het moment van inwerkingtreding de financieel
                        verantwoordelijke partij wordt.</cursief></al><al/><al><vet>Nieuwe gemeentelijke taken: </vet></al><al>Tot 1 januari 2015 hebben ouders en jeugdigen recht op hulp en zorg bij de
                    provinciale en stadsregionale jeugdzorg, ziektekostenverzekering en AWBZ. Vanaf
                    1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor alle jeugdhulptaken. Hieraan
                    is een jeugdhulpplicht verbonden. De gemeente dient daar waar een jeugdige of
                    zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid
                    of maatschappelijke participatie, een voorziening te treffen op het gebied van
                    jeugdhulp. Uitgangspunt hierbij blijft de eigen kracht van de jeugdige en zijn
                    ouders. Het college is alleen gehouden een voorziening te treffen als de
                    jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens beslist de
                    gemeente of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft. </al><al/><al>In het meerjarenbeleidskader Jeugdhulp heeft de gemeente uiteengezet hoe zij
                    haar nieuwe taken gaat uitvoeren. Met dit beleid beoogt de gemeente de volgende
                    doelstellingen te realiseren:</al><al>Zoveel mogelijk jeugdigen groeien kansrijk en veilig op, ontwikkelen hun
                    talenten en participeren naar vermogen in de samenleving. Binnen het eigen gezin
                    wordt hiervoor een sterke basis gelegd</al><al>In de directe leefomgeving van gezinnen (buurt, wijk, gemeente) komt een
                    pedagogische civil society tot ontwikkeling, die effectieve ondersteuning biedt
                    bij alledaagse vraagstukken rondom de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van
                    jeugdigen.</al><al/><al>Door een gebiedsgerichte aanpak waar alle disciplines in vertegenwoordigd zijn
                    kan snel de juiste hulp –van licht tot zwaar- bepaald en ingezet worden</al><al>Gewerkt wordt met één plan en er wordt één casusregisseur ingezet, zo nodig voor
                    alle gezinsleden </al><al>De integrale benadering wordt vanaf het eerste contact bij de toegang al
                    ingezet</al><al/><al>De in te zetten jeugdhulp is afgestemd met andere interventies in of rondom het
                    gezin op het gebied van veiligheid, (passend) onderwijs, werk en inkomen,
                    maatschappelijke ondersteuning en (jeugd)gezondheidszorg </al><al>Bij de in te zetten jeugdhulp is de vraag het uitgangspunt. Bij deze vraag wordt
                    het juiste aanbod gezocht of zo nodig gecreëerd. Daar waar van toepassing wordt
                    gewerkt met arrangementen.</al><al/><al>Het behandelplan wordt in principe altijd met de ouder/jeugdige opgesteld en zij
                    hebben een rol in het monitoren van de uitvoering</al><al>Bij niet-alledaagse problemen (meervoudige of complexe problematiek) krijgen
                    jeugdigen en hun ouders zo snel mogelijk de informele of professionele hulp die
                    ze nodig hebben waarbij het uitgangspunt één gezin, één plan is. Waar mogelijk
                    wordt deze verleend door de Jeugd- en Gezins Coach, waar nodig schuiven
                    specialisten aan.</al><al/><al>Hulpverleners participeren zoveel mogelijk in het dagelijks leven van het gezin.
                    Behandeling en opvang buiten deze setting vindt alleen plaats als de
                    problematiek en/of de veiligheidssituatie dat nadrukkelijk vereisen </al><al>Tijdige en adequate signalering van (dreigende) problemen zorgt er voor dat in
                    de meeste gevallen kan worden volstaan met preventieve interventies en lokale
                    vormen van professionele hulp. Het gebruik van specialistische en gedwongen
                    vormen van jeugdhulp neemt daardoor af.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJS</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd die cruciaal zijn voor het
                        begrip van deze verordening.</al><al>In de Jeugdwet worden drie typen voorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>overige voorzieningen</al></li><li nr="·"><al>individuele voorzieningen</al></li><li nr="·"><al>andere voorzieningen.</al></li></lijst><al>Individuele voorzieningen en overige voorzieningen als genoemd in artikel
                        2.9, onder a. van de wet zijn centrale begrippen. Omdat de wet hiervoor de
                        ruimte biedt, zijn zij in deze verordening nader gedefinieerd.</al><al>De definitie van ‘andere voorziening’ betreft de voorziening als bedoeld in
                        artikel 2.9, onder b. van de wet. Het gaat om voorzieningen op grond van
                        andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg die door
                        jeugdartsen en verpleegkundigen wordt geboden op scholen en het Centrum voor
                        Jeugd en Gezin in het kader van de Wet publieke gezondheid.</al><al>De definities van ‘gesprek’ en ‘hulpvraag’ zijn nodig omdat deze begrippen
                        niet zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                        spraakgebruik. In de gemeente is het gesprek het mondelinge contact waarin
                        de jeugd- en gezinscoach met degene die jeugdhulp vraagt, zijn hulpvraag
                        bespreekt. In de verordening wordt in enkelvoud gesproken over het gesprek,
                        maar het kan ook meerdere gesprekken betreffen. De ‘hulpvraag’ is in termen
                        van deze verordening, ongeacht feitelijk eerder contact met het gezin, het
                        contact van jeugdigen of ouders met het college (in de praktijk is dit
                        degene die namens het college optreedt) op basis waarvan zij toegang tot
                        jeugdhulp verzoeken. Het ‘ondersteuningsplan’ is een hulpverleningsplan als
                        bedoeld in de wet. Het familiegroepsplan is een afgeleide vorm hiervan. </al><al/><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het
                        spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden
                        budget’.</al><al/><al>Het jeugd en gezinsteam is de spil in het gemeentelijke jeugdstelsel voor de
                        behandeling van hulpvragen van jeugdigen en ouders en wordt daarom hier ook
                        benoemd en omschreven. De deelnemers aan het multidisciplinair team zijn
                        breed kijkende, goed opgeleide professionals uit onder andere de
                        pedagogische en psychologische disciplines.Het college borgt hiermee dat de
                        binnen deze disciplines opgebouwde en te koesteren professionele
                        deskundigheid optimaal wordt benut. </al><al/><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, omdat de wet een aantal
                        definities kent die bindend zijn voor deze verordening. Daarom zijn deze
                        wettelijke definities niet opgenomen in deze verordening. </al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent diverse begripsbepalingen die voor
                        deze verordening van belang zijn.</al><al>Zo is een ‘aanvraag’ een verzoek van een belanghebbende om een besluit te
                        nemen. Onder ‘besluit’ wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een
                        bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een
                        ‘beschikking’ is een besluit dat niet van algemene strekking is (en dus op
                        een individueel persoon gericht), met inbegrip van de afwijzing van een
                        aanvraag daarvan. Een beslissing op een aanvraag om een individuele
                        voorziening kan dus zowel met het begrip ‘besluit’ als ‘beschikking’ worden
                        aangeduid.</al><al/><al>Verder regelt artikel 7:1 van de Awb dat een belanghebbende eerst bezwaar
                        moet maken (bij het college) alvorens beroep in te stellen (bij de
                        bestuursrechter). Artikel 8:1 vermeldt vervolgens dat een belanghebbende
                        tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Hierbij is
                        tevens vermeldenswaard dat artikel 9.1 van de Awb regelt dat een ieder het
                        recht heeft om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde
                        aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te
                        dienen bij dat bestuursorgaan. Hierbij wordt een gedraging van een persoon,
                        werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, aangemerkt
                        als een gedraging van dat bestuursorgaan. </al><al>Voor de duidelijkheid zijn alle wettelijke definities uit de Jeugdwet in een
                        aparte bijlage bij deze toelichting weergegeven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a. van de
                        wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over
                        de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                        (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de onderstaande passage uit de Memorie van
                        Toelichting (MvT) bij artikel 2.9 komt naar voren dat de burger recht heeft
                        op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente: </al><al/><al><cursief>Dit artikel geeft de gemeente de opdracht om een aantal zaken te
                            regelen bij verordening. Allereerst dient de gemeente regels te stellen
                            over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                            overige voorzieningen. Het gaat dan om regels omtrent het aanbod, de
                            voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening, de wijze
                            van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij de verlening van een
                            individuele voorziening. Op deze manier wordt het voor de burger niet
                            alleen inzichtelijk welke vormen van jeugdhulp door de gemeente worden
                            geboden aan eenieder en welke vormen alleen na een besluit van de
                            gemeente toegankelijk zijn, maar ook hoe hij deze vormen van
                            ondersteuning, hulp en zorg kan verkrijgen. Ook kan er op deze wijze
                            horizontale verantwoording plaatsvinden. Het verdient natuurlijk
                            aanbeveling als gemeenten de door hen geboden vormen van jeugdhulp in
                            onderlinge afstemming zoveel mogelijk uniform zouden regelen. Op die
                            manier kunnen alle jeugdigen ervan uit gaan dat ze kunnen rekenen op
                            dezelfde vormen van jeugdhulp, bij gelijkluidende opgroei- en
                            opvoedproblemen, binnen de verschillende gemeenten. De burger kan hier
                            rechtszekerheid aan ontlenen en willekeur wordt hierdoor vermeden. Dit
                            wil overigens niet zeggen dat elke gemeente hetzelfde aanbod in stand
                            hoeft te houden, de behoefte aan bepaalde vormen van jeugdhulp zal
                            immers per gemeente verschillen en zelfs binnen een gemeente in de tijd
                            kunnen variëren. Het gaat dus niet om het standaard ‘in huis hebben’ van
                            een bepaald aanbod, maar het kunnen bieden van bepaalde vormen van
                            jeugdhulp bij gelijkluidende problemen. Hierdoor wordt
                            rechtsongelijkheid voorkomen.</cursief></al><al/><al>Het begrip ‘voorziening’ is op zich een lastig te vatten begrip. De wetgever
                        geeft in de MvT de volgende handvatten:</al><al><cursief>De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene,
                            vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een
                            individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer
                            gespecialiseerde zorg.</cursief></al><al/><al><cursief> De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke
                            niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst
                            beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze
                            ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Deze niet vrij toegankelijke
                            voorzieningen veronderstellen altijd een verleningbeslissing op basis
                            van een beoordeling door de gemeente van de persoonlijke situatie en
                            behoeften van de aanvrager. De gemeente geeft daartoe een beschikking af
                            met de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Daarmee is tevens de
                            rechtsbescherming van de burger gewaarborgd</cursief>.</al><al/><al>Artikel 2 van deze verordening biedt een zo compleet mogelijk overzicht van
                        het palet aan overige en individuele voorzieningen dat het college ter
                        beschikking staat. Bij de toepassing hiervan maakt het JGT mede gebruik van
                        de productencatalogus die het voorzieningenaanbod nader inkleurt.</al><al>Omdat het aanbod van overige en individuele voorzieningen zich naar
                        verwachting in de praktijk zal ontwikkelen, biedt artikel 14 het college de
                        mogelijkheid om desgewenst ten behoeve van de uitvoering nadere regels te
                        stellen. In nadere regels kunnen onderwerpen uit de verordening nader worden
                        uitgewerkt. </al><al/><al>De in artikel 2, eerste lid, onder a. genoemde basishulp is vrij
                        toegankelijk en kan daarom beschikkingsvrij worden aangeboden.</al><al>Ook de aan het tweede lid van artikel 2 verbonden hulpvoorzieningen met een
                        meer specialistisch karakter zullen zonder beschikking worden verstrekt. Er
                        zal alleen nog een beschikking voor deze voorzieningen worden verstrekt
                        indien een van de in artikel 6, vijfde lid genoemde uitzonderingsgevallen
                        aan de orde is. Hiermee beogen wij het in de MvT genoemde
                        beschikkingsvoorschrift te combineren met een maximale beperking van de
                        administratieve lasten. </al><al/><al>Voor zover er crisisopvang aan de orde is, geldt dat deze in regionaal
                        verband wordt georganiseerd en 24 uur / 7 dagen per week beschikbaar is om
                        doorleiding naar alle benodigde vormen van jeugdhulp te realiseren.</al><al>Het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg valt niet onder de werking van het
                        Jeugdwet. Een aantal onderdelen van het voorheen als maatwerk aangemerkte
                        deel van de jeugdgezondheidszorg, valt wel onder de omschrijving van
                        jeugdhulp in de zin van ‘overige voorziening’. Het gaat om producten die
                        nauw aansluiten bij de specifieke behoeften van (groepen) jeugdigen of hun
                        ouders. Hierbij kan worden gedacht aan opvoedcursussen, trainingen tegen
                        bedplassen of methodieken ter beperking van overgewicht. Via een wijziging
                        van het Besluit publieke gezondheid zal nog worden geregeld welke onderdelen
                        per 1 januari 2015 onder het basistakenpakket in het kader van de Wet
                        publieke gezondheid blijven vallen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp, indiening hulpvraag</titel></kop><al>Voor de toeleiding naar een overige voorziening of het verkrijgen van een
                        individuele voorziening geldt de vanaf artikel 3 beschreven procedure. </al><al>Artikel 3 is de eerste bepaling ter invulling van de verplichting van
                        artikel 2.9, onder a. van de wet. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad
                        bij verordening in ieder geval regels stelt over de door het college te
                        verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen met betrekking
                        tot de voorwaarden voor toekenning van, de wijze van beoordeling van, en de
                        afwegingsfactoren voor toekenning van een individuele voorziening.</al><al/><al>Het college is het wettelijk bevoegde orgaan om deze vormen van jeugdhulp te
                        verlenen. De jeugd- en gezinscoaches hebben de bevoegdheid afspraken vast te
                        leggen in onderzoeks- en gespreksverslagen en ondersteuningsplannen en deze
                        documenten te ondertekenen. De bevoegdheid om namens het college
                        beschikkingen te verlenen is gemandateerd aan de procesregisseur. </al><al/><al>Lid 1 van dit artikel regelt de start van het toegangstraject voor jeugdigen
                        en ouders met een hulpvraag. Hierbij zij nog gewezen op het in de wet
                        geformuleerde uitgangspunt dat voor het verlenen van jeugdhulp toestemming
                        van betrokkene is vereist, tenzij het jeugdhulp is in het kader van een
                        machtiging gesloten jeugdhulp, een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, of
                        een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel zoals bedoeld
                        in lid 3. </al><al/><al>Opgemerkt wordt dat de wet wat betreft dit toestemmingsvereiste een
                        onderscheid maakt tussen een aantal gevallen, afhankelijk van de leeftijd
                        van de jeugdige. Dit betekent concreet dat de volgende personen een
                        hulpverzoek bij het college kunnen indienen:</al><lijst><li nr="a."><al>deouder of wettelijk vertegenwoordiger van een verzoeker
                                jonger dan twaalf, of;</al></li><li nr="b."><al>de verzoeker die tussen twaalf en zestien is, samen met zijn ouder
                                of wettelijk vertegenwoordiger, of;</al></li><li nr="c."><al>de verzoeker die zestien of ouder is, of;</al></li><li nr="d."><al>deouder of wettelijk vertegenwoordiger van de verzoeker
                                van zestien of ouder, die niet in staat kan worden geacht tot een
                                redelijke waardering van zijn belangen en die niet eerder heeft
                                aangegeven toestemming te weigeren.</al></li></lijst><al>In de onder b. vermelde situatie zal het wijkteam de desbetreffende ouders
                        moeten informeren dat hun kind een aanvraag heeft gedaan. Hun aanvullende
                        toestemming is echter wettelijk niet vereist indien hun kind weloverwogen
                        blijft verzoeken om jeugdhulp en door toekenning hiervan ernstig nadeel voor
                        de jeugdige kan worden voorkomen.</al><al/><al>Onder ‘ouder’ wordt volgens de wet verstaan de gezaghebbende ouder (dit kan
                        ook een co-ouder zijn), adoptieouder, stiefouder of een ander die een
                        jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een
                        pleegouder. </al><al/><al><vet>Woonplaatsbeginsel</vet></al><al>De jeugdige dient zijn woonplaats in de gemeente te hebben, met dien
                        verstande dat hierbij artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek van
                        toepassing is verklaard. Het eerste lid van dit artikel luidt: ‘Een
                        minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent,
                        de onder curatele gestelde die van zijn curator. Oefenen beide ouders
                        tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet
                        dezelfde woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie
                        het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.’<cursief>De
                            toeleiding naar individuele voorzieningen verloopt in de regel via het
                            Jeugd en gezinsteam</cursief>. </al><al>Er kunnen zich drie bijzondere toeleidingssituaties voordoen. Deze worden
                        beschreven in lid 2 tot en met 4:</al><al/><al>-<onderstreept>Verwijzingen</onderstreept></al><al>Lid 2 regelt de wijze waarop het college omgaat met de toegang na verwijzing
                        via de huisarts, medisch specialist en jeugdarts zoals geregeld in artikel
                        2.6, eerste lid, onder g. van de wet. De jeugdhulpaanbieder handelt een
                        dergelijke verwijzing in principe zonder tussenkomst van het college af,
                        mits hij van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is en hij dit kan
                        realiseren binnen het voorzieningenpakket waarvoor hij door het college
                        gesubsidieerd of gecontracteerd is. Het voordeel is dat de feitelijke
                        hulpverlening hierdoor meteen kan starten en zo bureaucratie tot een minimum
                        wordt beperkt. Bovendien geldt dat het college niet op de stoel mag gaan
                        zitten van de verwijzer en/of de jeugdhulpverlener. De inhoudelijke aspecten
                        van verwijzing en diagnose dienen te worden gerespecteerd. </al><al/><al>Niettemin kan het zo zijn dat de hulp die ingezet wordt als onvoldoende
                        wordt ervaren door betrokkene, om redenen die te maken hebben met
                        beperkingen die door de gemeente zijn veroorzaakt. Er kan bijvoorbeeld
                        gedacht worden aan de situatie dat er te weinig volume is ingekocht waardoor
                        er een wachtlijst is ontstaan en betrokkene niet meteen goed geholpen kan
                        worden. Indien de cliënt een beschikking omtrent de inzet van de jeugdhulp
                        heeft verzocht, kan hij desgewenst bezwaar maken tegen de inhoud van deze
                        beschikking. Hiermee borgt het college diens rechtsbescherming.</al><al/><al>Overigens dient in gevallen waarbij het uitvoeren van een verwijzing om
                        capaciteitsredenen niet (meteen) mogelijk is, de jeugdhulpaanbieder dit op
                        basis van de inkoopvoorwaarden aan het college te melden. Hierdoor houdt het
                        college, naast het reguliere monitoringproces, zicht op het beslag op de
                        gemeentelijke hulpcapaciteit die voortvloeit uit de verwijzingen door de
                        huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Zo nodig kunnen op basis hiervan
                        wijzigingen in het hulpaanbod worden doorgevoerd. Het college maakt met de
                        verwijzers goede afspraken over de wijze waarop de respectievelijke
                        bevoegdheden in samenhang kunnen worden uitgeoefend. </al><al/><al>-<onderstreept>Kinderbeschermingsmaatregelen,
                            strafrechtelijke</onderstreept></al><al><onderstreept>beslissingen of jeugdreclassering </onderstreept></al><al>Lid 3 regelt de uitvoering van de verplichting van het college om jeugdhulp
                        in te zetten die nodig wordt geacht in situaties waarbij de uitvoering van
                        kinderbescherming en jeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal
                        de inzet in eerste instantie bestaan uit het beschikbaar stellen van het
                        voorzieningenpakket dat door de gemeente is ingekocht via subsidies dan wel
                        contracten. Maar mocht hierin een leemte bestaan, dan zal het college
                        anderszins in de op haar rustende verplichting moeten voldoen. Omdat het
                        college in deze situaties geen beschikking verstrekt, bestaat voor de
                        betrokken jeugdige of ouders geen mogelijkheid om bij de gemeente bezwaar
                        aan te tekenen tegen hen ongevallige beslissingen. Wat betreft het de door
                        de gecertificeerde instelling gevolgde beleid ten aanzien van beschikkingen,
                        streven wij er naar om afspraken te maken om de inhoud hiervan zoveel
                        mogelijk te laten aansluiten op het door ons gehanteerde beleid
                        dienaangaande. </al><al/><al>-<onderstreept>Crisissituaties</onderstreept></al><al>Lid 4 ziet op acute crisissituaties waarbij al jeugdhulp dient te worden
                        verleend zonder dat de toekenning van de individuele voorziening is
                        vastgelegd in een beschikking als bedoeld in artikel 6. Het behoort tot de
                        professionele deskundigheid van de aanbieders om te bepalen welke situaties
                        als acute crisissituaties moeten worden aangemerkt en welke als ‘reguliere
                        situaties’ waarvoor de procedure van lid 4 niet geldt. Hiernaast moeten
                        nadere afspraken met de jeugdhulpaanbieders worden gemaakt om de procedure
                        bij acute crisissituaties concreet in te vullen. Deze op regionaal niveau te
                        maken afspraken dienen er in ieder geval toe te strekken dat de aanbieder de
                        gegevens van de jeugdige direct na aanvang van de crisishulp naar het
                        wijkteam stuurt, waarna het wijkteam vervolgens zo spoedig mogelijk een
                        gespreksverslag of ondersteuningsplan aan de jeugdige en zijn ouders ter
                        ondertekening kan aanbieden. Dit is nodig om het hulptraject te kunnen
                        formaliseren. De jeugdige of zijn ouder kan desgewenst achteraf om een
                        beschikking verzoeken. In het geval het om gesloten jeugdhulp gaat, dient de
                        gemeente hiervoor wel eerst toestemming van de kinderrechter te krijgen via
                        een spoedmachtiging.</al><al/><al>In lid 5 van dit artikel is geregeld dat onder andere de jeugdige en ouders
                        die een beroep doen op een overige voorziening zoals een opvoedcursus, zich
                        hier direct toe kunnen wenden zonder de procedure vanaf artikel 3 te hoeven
                        doorlopen. Zij hoeven dus geen verplichte gang langs het wijkteam te maken.
                        In dit opzicht is er geen verschil met de situatie van vóór de
                        inwerkingtreding van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanvraag individuele voorzieningen en gespreksprocedure</titel></kop><al>Met het oog op de ambitie om op termijn stapsgewijs met integrale wijkteams
                        voor van 0 tot 100 jaar te gaan werken, is het van belang om zoveel mogelijk
                        uniformiteit te realiseren bij de regels voor aanvraag van individuele c.q.
                        maatwerkvoorzieningen voor jeugdigen (Jeugdwet) en volwassenen (nieuwe Wmo).
                        Hetzelfde geldt voor de regels met betrekking tot de gesprekken tussen de
                        wijkteams en de jeugdigen of volwassenen (keukentafelgesprekken). Voor deze
                        onderdelen van de verordeningen Jeugdhulp en Wmo is daarom een gezamenlijk
                        implementatietraject voorzien.</al><al/><al>Om het college in staat te stellen deze ambitie nader in te vullen,
                        delegeert de raad in dit artikel de bevoegdheid tot het stellen van regels
                        met betrekking tot de voorwaarden voor de aanvraag van een individuele
                        voorziening jeugdhulp aan het college. Hierdoor wordt het college bevoegd,
                        met het oogmerk tot nadere specificatie in werkinstructies, om op een later
                        tijdstip doch ruim voor 2015, zelfstandig eisen te stellen aan de
                        registratie en gespreksvoorbereiding, het gesprek met de jeugdige of zijn
                        ouders (voor zover noodzakelijk) en de verslaglegging. Dit geldt ook voor
                        het in de regel door het wijkteam en cliënt te maken ondersteuningsplan.
                        Tevens dient het college regels te stellen voor het indienen van een
                        aanvraag om een individuele voorziening. Hierin dient onder andere te worden
                        bepaald in welke situaties een aanvraag als compleet wordt beschouwd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Toekenning individuele voorzieningen</titel></kop><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college
                        hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen, inclusief het pgb.
                        Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het
                        al of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige of andere
                        voorziening, goed te beoordelen. Dit is vastgelegd in lid 1.</al><al/><al>Lid 2 ziet op verwijzingen en acute crisissituaties waarin meteen
                        hulpverlening is gestart. Alleen als de jeugdige of zijn ouders hiervoor
                        later een verleningsbeschikking verlangen, volgt alsnog een
                        verleningsbeschikking van het college. </al><al/><al>In het derde lid van dit artikel zijn specifieke bepalingen over het pgb
                        opgenomen, onder andere over de kwaliteit van de in te kopen hulp: deze moet
                        van goede kwaliteit zijn. Dat wil zeggen dat deze aan de gangbare
                        kwaliteitsmaatstaven moet voldoen. Deze kwaliteitsmaatstaven gelden voor
                        alle aanbieders, dus ook voor kleine aanbieders zoals zzp-ers. Zie in dit
                        verband ook de toelichting bij artikel 6. Tevens is in het derde lid onder
                        letter d. een bepaling opgenomen om de kosten van het pgb zoveel mogelijk te
                        beperken: deze mogen hoogstens 90% van de kostprijs bedragen van de in de
                        betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in natura.
                        Dit tenzij de cliënt bereid is om het verschil zelf bij te betalen.
                        Opgemerkt wordt dat bij de berekening van de kostprijs van een pgb alle
                        relevante kostencomponenten moeten worden meegenomen, zoals salaris,
                        vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.</al><al/><al>De in het derde lid opgenomen bepalingen gelden naast elkaar en zijn dus
                        cumulatief. Aangesloten is op artikel 8.1.1 van de wet, dat voor het pgb is
                        aangepast aan de verwante regelgeving met betrekking tot de maatschappelijke
                        ondersteuning als geregeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning
                        (Wmo).</al><al/><al>In artikel 8.1.1, vijfde lid, onderdeel a. van de jeugdwet is bepaald dat
                        het college een pgb kan weigeren <cursief>voor zover de kosten van het
                            betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de
                            individuele voorziening. </cursief>Zo wordt voorkomen dat
                        inkoopvoordelen zouden wegvallen als te veel personen zelf ondersteuning
                        willen inkopen met een pgb. </al><al>De formulering in artikel 8.1.1 maakt nog wel mogelijk dat jeugdigen of hun
                        ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste
                        aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Deze uit
                        het amendement Bisschop en Voortman voortvloeiende mogelijkheid is expliciet
                        vastgelegd in lid 3, onder letter d. Het college kan het pgb slechts
                        weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college
                        voorgesteld aanbod. Dit aanbod zal nooit hoger zijn dan de kostprijs van de
                        in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening in
                        natura.</al><al/><al>Met de in lid 3 genoemde taakbehartiging binnen het sociale netwerk wordt
                        met name mantelzorg bedoeld, maar ook respijtzorg waarbij sprake is van
                        tijdelijke en volledige overname van de zorg van de mantelzorger om deze een
                        adempauze te geven. Dit voorkomt opname of verkort de opnameduur omdat de
                        zorg plaatsvindt in de thuissituatie. Een regelmatige adempauze voorkomt
                        bovendien dat mantelzorgers overbelast raken. Ze kunnen de zorg voor hun
                        naaste langer volhouden als ze af en toe tijd voor zichzelf hebben.Logeren
                        is een van de vele vormen van respijtzorg. Andere vormen zijn bijvoorbeeld
                        overname van de zorg aan huis of overdag. Ook vormen van dagbesteding geven
                        de mantelzorger respijt.</al><al/><al>Lid 4 van dit artikel geeft expliciet invulling aan artikel 2.9 van de
                        Jeugdwet waarin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op
                        welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld</al><al/><al>In lid 5 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 8.1.1, vierde
                        lid, van de wet om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de
                        persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp
                        kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al><al/><al>Deze voorwaarden strekken er onder andere toe om een lager kostentarief - in
                        casu 60% van de goedkoopste adequate individuele voorziening in natura - van
                        toepassing te verklaren dan in de situatie waarin een professionele
                        zorgverlener wordt ingeschakeld. Voornoemd percentage ligt boven het
                        percentage van 48,4% dat is gebaseerd op een uitspraak van De Centrale Raad
                        van Beroep inzake een redelijk uurtarief voor een pgb voor een informele
                        hulp. </al><al/><al>Tevens moet worden verhinderd dat een pgb wordt verstrekt aan een jeugdige
                        die hier onder druk van mensen in zijn omgeving om heeft verzocht en bij wie
                        een werkelijke hulpbehoefte niet aantoonbaar is, of bij wie de hulpvraag
                        ondergeschikt is aan financieel gewin.</al><al>Ten slotte biedt lid 6 het college de mogelijkheid om bijvoorbeeld ook het
                        verzoek om een pgb voor langdurige basishulp (een overige voorziening) te
                        honoreren.</al><al/><al>Er is geen aparte bepaling opgenomen voor een gewenste beslistermijn rond de
                        toekenning of weigering van een individuele voorziening opgenomen. Wij
                        houden de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde
                        ‘redelijke termijn’ als beslistermijn aan, welke op grond van artikel 4:14
                        Awb verlengd kan worden. Artikel 4:13 stelt:<cursief> 1. Een beschikking
                            dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde
                            termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke
                            termijn na ontvangst van de aanvraag.</cursief><cursief> 2. De in het
                            eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken
                            wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de
                            aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld
                            in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.</cursief></al><al/><al>Opgemerkt wordt dat de onder lid 2 van de Awb bedoelde termijn een
                        maximumtermijn is. Het streven is om altijd zo snel mogelijk een individuele
                        voorziening te verstrekken, gerekend vanaf het moment dat sprake is van een
                        afgeronde aanvraagprocedure. De start van de feitelijke hulpverlening dient
                        zo spoedig mogelijk hierna te volgen. Dit is evenwel primair de
                        verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders. Het college zal wel
                        monitoren dat deze verantwoordelijkheid voortvarend wordt ingevuld.</al><al>In complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldige
                        besluitvorming een langere beslistermijn nodig zijn. Bijvoorbeeld in
                        gevallen dat er een langer durend diagnosetraject benodigd is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouder een voorziening in
                        ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouder, bestaat
                        echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. </al><al>De bepaling in lid 1 is opgenomen om een zo compleet mogelijk beeld te geven
                        van rechten en plichten van burgers. </al><al/><al>Lid 2 geeft aan welke elementen de beschikking voor een voorziening in
                        natura dient te bevatten. De omvang van de hulp kan bijvoorbeeld worden
                        vormgegeven als een x-aantal uur per week. En de uitvoeringsperiode als een
                        vooraf bepaald tijdsbestek binnen de periode vanaf datum y. De keuze voor
                        een jeugdhulpaanbieder zoals bepaald onder c. wordt in het gesprek tussen de
                        jeugd- en gezinscoach en de jeugdige of zijn ouder besproken en bepaald. Dit
                        strekt ertoe om de relatie met het door de gemeente gesubsidieerde of
                        gecontracteerde hulpaanbod te leggen.</al><al/><al>Lid 3 vermeldt de inhoudseisen voor de pgb-beschikkingen. De te stellen
                        kwaliteitseisen hoeven niet per se een verplichting tot het hebben van een
                        bepaald certificaat in te houden. Anders zouden op voorhand pgb’s binnen het
                        sociale netwerk (mantelzorg, respijtzorg) worden uitgesloten. Niettemin
                        zullen ook kleine aanbieders en zzp-ers die vaak binnen het sociale netwerk
                        actief zullen zijn, een acceptabele vorm van bekwaamheid moeten kunnen
                        aantonen.</al><al/><al>In lid 4 is bepaald dat in de beschikking informatie wordt opgenomen over de
                        wettelijk geldende regels terzake van de eventuele verschuldigdheid van een
                        ouderbijdrage. Deze dient reeds in de gespreksfase onder de aandacht te
                        worden gebracht. De vaststelling en inning van deze bijdrage geschiedt in
                        ieder geval door het bestuursorgaan dat met de inning is belast namens de
                        gemeente.</al><al/><al>Lid 5 regelt dat het college op een aanvraag voor een individuele
                        voorziening alleen een beschikking verstrekt als het gaat om verstrekking
                        van een pgb, een weigering om een individuele voorziening te verlenen, of in
                        gevallen waarbij de jeugdige of zijn ouders binnen 6 weken na
                        akkoordverklaring (de ‘bedenktijd’) toch een beschikking wenst. In alle
                        andere gevallen volgt geen beschikking en wordt de aanvraag als afgehandeld
                        beschouwd. De consequentie van deze praktische oplossing dient in duidelijk
                        in het gespreksverslag te worden vastgelegd, zodat de cliënt zich hier
                        nadrukkelijk van bewust is. Zijn er zes weken verstreken en heeft de cliënt
                        bezwaren tegen de verleende zorg waarvoor hij aanvankelijk voor akkoord
                        heeft getekend, dan kan hij ook nog een beschikking vragen. Formeel gezien
                        is dit de vastlegging van een nieuw besluit.</al><al/><al>Als extra rechtswaarborg wordt de jeugdige of zijn ouders overigens ook via
                        Nadere regels de mogelijkheid geboden om door middel van het niet voor
                        akkoord tekenen van een onderzoeksverslag, gespreksverslag of
                        ondersteuningsplan een beschikking te ontlokken. Aldus kan een
                        bezwaarprocedure worden gestart waarop de in de Awb opgenomen bepalingen van
                        toepassing zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij Nota van Wijziging (NvW)
                        ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de
                        wet. Hierbij is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt
                        voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                        voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. De
                        bepaling beoogt het standaardiseren van de regelgeving met betrekking tot de
                        aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke
                        ondersteuning. </al><al/><al>In de toelichting op de NvW is voorts vermeld <cursief>dat het immers tot de
                            gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden
                            voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht
                            gebruik van individuele voorzieningen of pgb’s. Een zorgvuldig gebruik
                            van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak
                            daarvan.</cursief></al><al>Lid 1 van deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de
                        wet. </al><al>De bepaling in lid 2 is geënt op artikel 8.1.4 van de wet en is in de
                        verordening opgenomen op grond van de verplichting van artikel 2.9, onder d,
                        van de wet<cursief>.</cursief> Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte
                        van artikel 8.1.4 uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. </al><al/><al>Lid 3 en lid 4 hebben betrekking op respectievelijk de terugvordering van de
                        geldswaarde van een ten onrechte genoten individuele voorziening en de
                        mogelijkheid van intrekking van een besluit tot verlening van een pgb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                            kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel
                        2.12 van de wet. Deze bepaling is bij amendement Ypma en Leijten (TK 33684,
                        nr. 107) in de wet ingevoegd en luidt:</al><al/><al><cursief>Met het oog op gevallen waarin ten aanzien van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering artikel 2.9a (thans:
                            2.12), eerste lid, wordt toegepast, worden bij verordening regels
                            gesteld ter waarborging van een </cursief><cursief>goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of
                            de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering
                            en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt
                            rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                            toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</cursief></al><al/><al>De indieners van het amendement hebben hier ter toelichting aan
                        toegevoegd dat gemeenten hierbij ten minste een inschatting dienen te maken
                        van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen
                        laten uitvoeren. Welke invloeden daarbij worden meegewogen, is ter
                        beoordeling aan de gemeenten. Uitgangspunt is, dat de aanbieder personeel
                        inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.
                        De gemeente zal zich dus ten minste een beeld moeten vormen van de vereiste
                        activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Hiermee wordt
                        voorkomen dat een gemeente alleen de laagste prijs voor de uitvoering van de
                        opdracht beschouwt. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun
                        werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><al>In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                        ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders een beroep kunnen doen
                        op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris
                        bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid,
                        beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke
                        vereisten) voor een goede invulling van deze functie. </al><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                        verordening een regeling op te stellen. Niettemin is de bepaling uit de wet
                        toch in deze verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening
                        een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te
                        geven. Zie lid 1 en 2.</al><al>Bij de Algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal
                        nog nadere uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de
                        vertrouwenspersoon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><al>De gemeente is reeds op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                        behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over
                        gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar
                        verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb wordt verder
                        een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling gegeven. De Klachtregeling
                        BAR organisatie, waarnaar in dit artikel wordt verwezen, vormt de uitwerking
                        van genoemde bepalingen in de Awb. </al><al>De klachtmogelijkheid tegenover de hulpaanbieders is al geregeld in artikel
                        4.2.1 van de wet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap
                        bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover
                        de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. </al><al/><al>Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel
                        2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de jeugdwet
                        van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij
                        verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken
                        bij de uitvoering van deze wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Na aanvaarding van het amendement Bergkamp (Kamerstukken II 2013/14 33 684,
                        nr. 30) is in artikel 12.2 van de wet opgenomen dat binnen drie jaar na de
                        inwerkingtreding een evaluatie moet plaatsvinden over de doeltreffendheid en
                        de effecten van deze wet in de praktijk. De in dit artikel bedoelde
                        evaluatie is echter niet dezelfde als de evaluatie die op centraal niveau
                        zal plaatsvinden. Bij de gemeentelijke evaluatie kunnen wel de centraal
                        verzamelde gegevens worden benut.Als termijn voor evaluatie houden wij een
                        overeenkomstige interval van drie jaar aan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument
                        voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het kan noodzakelijk zijn om nadere regels te stellen op het gebied van
                        onderwerpen die niet expliciet als onderwerp van nadere regelgeving zijn
                        aangemerkt of die nog niet in andere algemeen verbindende regels zijn
                        uitgewerkt. Dit artikel biedt de grondslag voor een dergelijke nadere
                        uitwerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Op grond van artikel 12.4, tweede lid, van de wet dient de verordening voor
                        1 november 2014 te worden vastgesteld om op 1 januari 2015 in werking te
                        kunnen treden. De vaststelling door de gemeenteraad dient dus voor 1
                        november 2014 plaats te vinden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De citeertitel geeft aan onder welke benaming deze verordening kan worden
                        aangehaald. Het vermelde jaartal geeft het jaar van vaststelling aan, niet
                        de geldingsduur. Deze is in beginsel onbeperkt vanaf de datum van
                        inwerkingtreding. </al><al>Artikel 1.1 van de wet:</al><lijst><li nr="1."><al>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="-"><al>accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van een
                                        bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein,
                                        waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een
                                        jeugdhulpaanbieder;</al></li><li nr="-"><al>advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling:
                                        advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling
                                        als bedoeld in artikel 12a van de Wet maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding: activiteiten waarmee een jeugdige wordt
                                        ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse
                                        levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van
                                        structuur in en regie over het persoonlijk leven;</al></li><li nr="-"><al>burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Wet algemene bepalingen
                                        burgerservicenummer;</al></li><li nr="-"><al>calamiteit: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die
                                        betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot
                                        een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een
                                        jeugdige of een ouder heeft geleid;</al></li><li nr="-"><al>college: college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde
                                        gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan
                                        een jeugdige of ouder of de uitvoering van een
                                        kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;</al></li><li nr="-"><al>familiegroepsplan: ondersteuningsplan of plan van aanpak
                                        opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten,
                                        aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de
                                        jeugdige behoren;</al></li><li nr="-"><al>gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit
                                        is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld
                                        in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of
                                        jeugdreclassering uitvoert;</al></li><li nr="-"><al>gekwalificeerde gedragswetenschapper: gedragswetenschapper
                                        behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen
                                        categorie;</al></li><li nr="-"><al>gesloten accommodatie: bouwkundige voorziening of deel van
                                        een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende
                                        terrein, waar gesloten jeugdhulp wordt verleend;</al></li><li nr="-"><al>gesloten jeugdhulp: opname, verblijf en jeugdhulp in een
                                        gesloten accommodatie op basis van een machtiging als
                                        bedoeld in artikel 6.1.2;</al></li><li nr="-"><al>geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van
                                        een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering:
                                        lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een
                                        jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand
                                        die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een
                                        gecertificeerdeinstelling, of door iemand die werkzaam is
                                        voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of
                                        gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een
                                        andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder
                                        gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder
                                        verblijft;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1 van de
                                Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>ondersteuningsplan: plan betreffende de verlening van jeugdhulp als
                                bedoeld in artikel 4.1.3 en hoofdstuk 6;</al></li><li nr="-"><al>inspectie: inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel 9.1;</al></li><li nr="-"><al>jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door
                                het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke
                                Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst
                                ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg;</al></li><li nr="-"><al>jeugdgezondheidszorg: jeugdgezondheidszorg als bedoeld in artikel 1
                                van de Wet publieke gezondheid;</al></li><li nr="-"><al>jeugdhulp:</al></li></lijst><al>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen
                        en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van
                        of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                        psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking
                        van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde
                        problemen;</al><al>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                        het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische,
                        verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch
                        psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van
                        achttien jaar nog niet hebben bereikt, en</al><al>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van
                        de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                        zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                        zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                        beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met
                        dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor
                        jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht;</al><al>-jeugdhulpaanbieder:</al><al>1°. natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de
                        rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder
                        verantwoordelijkheid van het college;</al><al>2°. solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het
                        college;</al><lijst><li nr="-"><al>jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp
                                verleent;</al></li><li nr="-"><al>jeugdige: persoon die:</al></li></lijst><al>1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,</al><al>2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op
                        grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan
                        overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van
                        Strafrecht, of </al><al>3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig
                        jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in
                        onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken
                        van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het
                        gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van
                        jeugdhulp die was aangevangenvóór het bereiken van de leeftijd van achttien
                        jaar, binnen een termijn van een halfjaar hervatting van de jeugdhulp
                        noodzakelijk is;</al><lijst><li nr="-"><al>jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel
                                77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding,
                                genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het
                                begeleiding van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan
                                een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de
                                Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de
                                aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de
                                overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde
                                instellingen zijn opgedragen;</al></li><li nr="-"><al>kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en de voorlopige voogdij op
                                grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de
                                ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 254, eerste lid, Boek 1
                                van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige ondertoezichtstelling,
                                bedoeld in artikel 255 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="-"><al>kindermishandeling: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende
                                of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard,
                                die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de
                                minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid
                                staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt
                                berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige</al></li></lijst><al>in de vorm van fysiek of psychisch letsel;</al><lijst><li nr="-"><al>maatschappelijke ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>machtiging gesloten jeugdhulp: de machtiging, bedoeld in artikel
                                6.1.2.</al></li><li nr="-"><al>medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist is
                                ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van
                                de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de
                                Geneeskunst ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de Wet
                                op de beroepen in de individuele</al></li></lijst><al>gezondheidszorg;</al><lijst><li nr="-"><al>Onze Ministers: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                                en Onze Minister van Veiligheid en Justitie tezamen;</al></li><li nr="-"><al>opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                                stoornissen:</al></li></lijst><al>1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,
                        gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige,
                        opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;</al><al>2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in
                        verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke
                        beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem
                        bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,
                        en</al><al>3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke,
                        lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische
                        aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar
                        nog niet heeft bereikt;</al><lijst><li nr="-"><al>ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander
                                die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt,
                                niet zijnde een pleegouder;</al></li><li nr="-"><al>persoonsgegevens, verwerking, bestand, onderscheidenlijk
                                verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
                                bescherming persoonsgegevens;</al></li><li nr="-"><al>plan van aanpak: plan betreffende de uitvoering van een
                                kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als bedoeld in
                                artikel 4.1.3;</al></li><li nr="-"><al>pleegouder: persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind
                                is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een
                                pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft gesloten
                                met een pleegzorgaanbieder;</al></li><li nr="-"><al>pleegoudervoogd: pleegouder die tevens belast is met voogdij als
                                bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="-"><al>pleegzorgaanbieder: jeugdhulpaanbieder die pleegzorg biedt;</al></li><li nr="-"><al>preventie: op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met of
                                jeugdigen met een risico op psychische problemen en stoornissen,
                                psychosociale problemen,</al></li></lijst><al>gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders met of met
                        een risico op opvoedingsproblemen;</al><lijst><li nr="-"><al>strafrechtelijke beslissing: beslissing van de officier van justitie
                                of de strafrechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste
                                Boek van het Wetboek van Strafrecht of een beslissing als bedoeld in
                                artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering;</al></li><li nr="-"><al>vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op
                                hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de
                                wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de
                                jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en
                                meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;</al></li><li nr="-"><al>verwijsindex: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in artikel
                                7.1.2.1;</al></li><li nr="-"><al>woonplaats:</al></li></lijst><al>1°. woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijk
                        Wetboek;</al><al>2°. ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een instelling als
                        bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: de plaats van
                        het werkelijke verblijf van de jeugdige;</al><al>3°. ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is dan wel
                        buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige
                        op het moment van de hulpvraag.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>