<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360935_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Voorst 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voorst</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voorst</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 553</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Voorst 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 van de Gemeentewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-46036</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>voorzieningen huisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Voorst 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Voorst</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van </al><al/><al>gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel
                        76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al/><al>besluit :</al><al/><al>in te trekken de “Verordening voorziening huisvesting onderwijs gemeente
                        Voorst 2004” </al><al/><al>en</al><al/><al>vast te stellen de “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Voorst 2015”.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>n deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om
                                    het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="2."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="3."><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                    artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="4."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="5."><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                    bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="6."><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="7."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op
                                    grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de
                                    artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel
                                    16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 94 Wet op de expertisecentra en
                                    artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="9."><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                    volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="10."><al>programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en
                                    artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="11."><al>school:</al></li><li nr="12."><al>school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in artikel 1
                                    van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="13."><al>school voor (voortgezet)speciaal onderwijs: school voor speciaal
                                    onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal
                                    onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een
                                    instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als
                                    bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een
                                    school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
                                    1 van de Wet op de expertisecentra; </al></li><li nr="14."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                    voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                    middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                    beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de
                                    artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="15."><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen minstens 12 jaar als volwaardige huisvesting voor het
                                    onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="16."><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als
                                    bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="17."><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="18."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    van deze verordening minimaal 12 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="19."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    van deze verordening maximaal 12 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="20."><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                                    artikel 2.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                    bestaande uit:</al></li><li nr="2."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een
                                    gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te
                                    vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="3."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li><li nr="4."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand
                                    gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor
                                    het huisvesten van een school; </al></li><li nr="6."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening
                                    als bedoeld in 1 tot en met 4;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen
                                    voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is
                                    bekostigd;</al></li><li nr="8."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het
                                    rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="9."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat
                                    al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal
                                    bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of
                                    bewegingstherapie;</al></li><li nr="10."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="11."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval
                                    van bijzondere omstandigheden; </al></li><li nr="12."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°&amp;
                            2° kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen
                            van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                    1°&amp; 2°,wordt de vergoeding vastgesteld
                                    op de feitelijke kosten echter tot een maximum overeenkomstig de
                                    in bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                    vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in
                                    artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent (bij projecten tot een
                                    brutovloeroppervlakte van 2.500 m2) respectievelijk 5% (bij
                                    projecten &gt; dan 2.500 m2) van het geraamde
                                    investeringsbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding
                                    van een op het programma geplaatste voorziening voor
                                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende
                                    genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding
                                    in mindering gebracht.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere
                                    aanwijzingen worden gegeven.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                    wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet
                                    uiterlijk 31 januari van het jaar waarin het betreffende
                                    programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. </al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college
                                    niet in behandeling.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag;
                                niet behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><al>a. de naam en het adres van de aanvrager;</al><al>b. de dagtekening;</al><al>c. de naam van de school en, als dit van toepassing is, het
                                    gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al><al>d. de voorziening die wordt aangevraagd;</al><al>e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                    voorziening, bestaande uit:</al><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school voor basisonderwijs, de school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het
                                    betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                    2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 6°, 7° of 8°, onder de
                                    voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is
                                    vastgesteld;</al><al>2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of
                                    gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw
                                    als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van
                                    een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een
                                    bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat
                                    de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden
                                    vastgesteld;</al><al>3°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                                    voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de
                                    feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                    voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag
                                    betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet
                                    als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.</al><al>f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening,
                                    en</al><al>g. als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel a, onder 1° tot en met</al><al>5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                    moet worden gerealiseerd.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid
                                    ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de
                                    gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet
                                    gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is
                                    gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1
                                    oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is
                                    de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren
                                    in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering
                                    Onderwijs en de gemeente een kopie van deze registratie te
                                    verstrekken. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de
                                    gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de
                                    gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van
                                    ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog
                                    binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag
                                    niet in behandeling.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt informatief aan de bevoegde gezagsorganen
                                voor15 meieen opgave van de
                            aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij
                            aan welke niet in behandeling worden genomen.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen
                                programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader
                                    toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de
                                    hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                    vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel
                                    is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet
                                    worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in
                                    paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                    aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg
                                    geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde
                                    bedrag.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies
                                Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg of via een
                                    schriftelijke raadpleging in de gelegenheid gesteld hun
                                    zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                    voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg of deze raadpleging vindt plaatst voor 1 oktober van
                                    het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen
                                    programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten
                                    minste 2 weken voor de door het college vastgestelde datum
                                    schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg
                                    en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                    kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                    maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                    overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                    overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                    reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag.
                                    Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden
                                    aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                    verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma.
                                    Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient
                                    betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud
                                    van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het
                                    verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden
                                    opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het
                                    beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in
                                    het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of
                                    meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college
                                    bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd
                                    voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het
                                    college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de
                                    Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het
                                    toezenden van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen
                                    2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde
                                    gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een
                                    verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde
                                    lid.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                                    onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                    voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma
                                    betrekking heeft.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond,
                                    het programma en het overzicht worden door het college binnen 4
                                    weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt
                                    door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de
                                    aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde
                                    gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen
                                    besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                    gelegd.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op
                                    het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit
                                    overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het
                                    uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van
                                    toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra
                                    en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                    aanvrager worden ingediend; </al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                    toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van
                                    het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                    toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk
                                    is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te
                                    houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten
                                    opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld,
                                    waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over het
                                    besteden van de beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het
                                    totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de
                                    kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 procent (bij
                                    projecten tot een brutovloeroppervlakte van 2.500 m2)
                                    respectievelijk 5% (bij projecten &gt; dan 2.500 m2) van het
                                    geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast
                                    in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken
                                    na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het
                                    verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk
                                    van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht
                                    overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college
                                    binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing
                                    over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde
                                    in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                    college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld
                                    schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat
                                    het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                    opgeschort.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is
                                    bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                    voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten,
                                    de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag
                                    houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken,
                                    bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het
                                    bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten.
                                    Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting
                                    voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn
                                    ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en
                                    het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder
                                    mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met
                                    3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt
                                    geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                    begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager
                                    aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2
                                    weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht
                                    wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                    vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                    inschrijving. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                            bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het
                            betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat
                            de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen
                            uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                    heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                    koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor
                                    15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op
                                    bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt
                                    voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de
                                    termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het
                                    werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                    inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden
                                    van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt
                                    door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe
                                    te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd
                                    verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het
                                    college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor15 september op een
                                    verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van
                                    het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de
                                    termijn wordt verlengd.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                            voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2
                            weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                    gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                    waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop
                                    de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens
                                    als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft
                                    vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als
                                    dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in
                                    behandeling.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de aanvraag is
                                    ontvangen of, binnen termijn 6 weken nadat de aanvullende
                                    gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                    gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk
                                    mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de
                                    artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid, is
                                    daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                    eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als
                                    bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of
                                    sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereen-komst af. Hiervan
                                    zendt hij binnen een termijn van twee weken een afschrift aan
                                    het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan
                                    deze verplichtingen wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor
                            een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al> door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                    voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel
                                    C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd
                                    gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6
                                    of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                    andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie
                                    en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die
                                    school of instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van
                                    een school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                    overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                    vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                    vastgestelde ruimtebehoefte. </al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                    basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs, en de som van
                                    het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld
                                    minder is dan 40 klokuren; </al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                    voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel
                                    B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan
                                    40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van
                                    het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                    eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval
                                    is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                    basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet
                                    onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a
                                    en b, minder is dan 40 klokuren. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand
                            van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in
                            gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het
                            onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden
                            in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                    betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld
                                    in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo
                                    spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1
                                    week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                    college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk
                                    mede dat gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt
                                    gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd
                                    wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het
                                    aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat
                                    gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en </al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                            vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                            genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen
                            overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast
                            welke handelswijze wordt gevolgd.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college
                                    met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><al>a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al><al>b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al><al>c. of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het
                                    medegebruik ondervindt;</al><al>d. wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een
                                    redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al><al>e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan
                                    nemen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                    gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                    gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken,
                                    worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als
                                    het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming was bereikt. </al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                    toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op
                                    de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt
                                    gesloten. </al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                    bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat
                                    voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                    gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                    school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                    achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                    onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een
                                    staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                    opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. </al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                    achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk
                                    deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het
                                    bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de
                                    werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te
                                    stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming
                                    wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door basisonderwijs
                                en (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                                inroosteren en gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorlopig vast het aantal
                                    klokuren bewegings-onderwijs waarop een school voor
                                    basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt en
                                    stelt deze ter hand van de <cursief>Stichting Koepel Sport,
                                        Welzijn en Cultuur gemeente Voorst</cursief> die belast is
                                    met de inroostering van het gebruik van de lokalen
                                        bewegingsonderwijs<extref doc="">[1]</extref>. </al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het
                                    aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op
                                    de school staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt <cursief>de
                                    </cursief>Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente
                                    Voorst voor 1 juni een rooster op voor het gebruik van de
                                    lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het rekening houdt met de
                                    volgende uitgangspunten</al><al>a. de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                    onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in
                                    bijlage I, deel B;</al><al>b. een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                    lokaal bewegings- onderwijs wordt voor de school als eerste
                                    ingeroosterd voor het lokaal bewegings- onderwijs, en</al><al>c. het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                    ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="4."><al>De Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst
                                    stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is
                                    vastgesteld, voor 15 juni in kennis van het rooster. Hierbij
                                    worden per school de volgende gegevens vermeld:</al><al>a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                    ingeroosterd;</al><al>b. het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs
                                    is toegewezen, en</al><al>c. de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 21 juni reageren op het
                                    voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan de Stichting Koepel
                                    Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst een overleg over het
                                    voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 21 juni. In het
                                    overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                    gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>De Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst
                                    stelt het rooster voor 1 julidefinitief vast
                                    en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan de Stichting Koepel Sport, Welzijn en
                                    Cultuur gemeente Voorst verzoeken meer klokuren in te roosteren
                                    dan het aantal klokuren dat door het college is
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>De Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst
                                    neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in
                                    behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het
                                    aantal klokuren dat door De <cursief>Stichting Koepel Sport,
                                        Welzijn en Cultuur gemeente Voorst</cursief> extra wordt
                                    ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de
                                    school.</al><al/></li></lijst><al><extref doc="">[1]</extref><cursief>Voor het voortgezet onderwijs bepaalt de wet dat de
                                schoolbesturen onafhankelijk van het college het rooster
                                vaststellen, omdat uitgangspunt is dat de scholen voor voortgezet
                                onderwijs over een eigen lokaal bewegingsonderwijs beschikken.
                                Voorzover dit niet het geval is, of de eigen accommodatie te weinig
                                capaciteit heeft, dan kan een beroep op het college worden
                                gedaan.</cursief></al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening
                                niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet beslist het college. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De “Verordening voorziening huisvesting onderwijs gemeente Voorst 2004”
                            wordt ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking 8 dagen na bekendmaking van
                                    de verordening in het elektronisch gemeenteblad en heeft
                                    terugwerkende kracht tot 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Voorst
                                        2015”<cursief>. </cursief></al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                                voorzieningen</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Deel A - Lesgebouwen</onderstreept></vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1
                            (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een
                            speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een
                            permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na
                            overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college
                            plaatsvinden.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A.1 Nieuwbouw</onderstreept></cursief></al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                                    bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden
                                    verwacht en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 12 jaar kunnen
                                    worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen
                                    wor­den verwacht, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt
                                    te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting
                                    voor de school te realiseren. </al><al/></li></lijst><al><cursief><onderstreept> A.2 Vervangende
                            bouw</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                                    rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of renovatie niet zal
                                    leiden tot de gewenste levensduurverlenging van tenminste 30
                                    jaar;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                    en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 12 jaar
                                    aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar
                                    aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en</al></li><li nr="d."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt
                                    te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting
                                    voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>A.3 Uitbreiding</onderstreept></cursief></al><al><cursief>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</cursief></al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig
                            als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit
                                    van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet
                                    onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                                    vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit
                                    en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een
                                    school (voortgezet) speciaal onderwijs of een voortgezet
                                    onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in
                                    bijlage III, deel C, en daarnaast:</al></li><li nr="b."><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens 12 jaar
                                    kunnen worden verwacht, </al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens 4 jaar
                                    aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het
                                    indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat
                                    aanwezig is niet voor ten hoogste 4 jaar binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt
                                    te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting
                                    voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><cursief>A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal school voor speciaal
                                onderwijs</cursief></al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>tot een school of afdeling van een school voor speciaal
                                    onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                    prognose aantoont dat de school minstens 12 jaar zal blijven
                                    bestaan;</al></li><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs
                                    binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen
                                    redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door
                                    gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de
                                    overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en
                                    de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                    ruimtebehoefte.</al></li></lijst><al/><al><cursief>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</cursief></al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig
                            als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                                    bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet
                                    worden vervangen of uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden
                                    verwacht en:</al><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens 12 jaar kunnen
                                    worden verwacht, of </al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                    betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                    aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens 4 jaar kunnen
                                    wor­den verwacht, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt
                                    te maken is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting
                                    voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van
                                    het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van
                                    vervan­gende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al><cursief>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</cursief></al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig
                            als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                    prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens 4
                                    jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk
                                    gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt
                                    te maken is als passende huisvesting voor de school; </al></li><li nr="c."><al> het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis­vesting
                                    voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in
                                    redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe
                                    tijdelijke voor­ziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor
                                    dezelfde tijdsduur.</al><al/></li></lijst><al><cursief>A.6 Terrein</cursief></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel
                            daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening
                            als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de
                            oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze
                            voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen
                            aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.</al><al/><al><cursief> A.7 Eerste inrichting</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en
                                    meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een
                                    voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale
                                    huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze
                                    niet voor 1 januari 2015 is bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                    meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale
                                    school wordt uitgebreid met een speellokaal.</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste
                                    aanschaf van onderwijsleer-pakket, meubilair of leer‑ en
                                    hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie
                                    groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk
                                    aan de fusie deelnemende scholen.</al><al/></li></lijst><al><cursief> A.8 Medegebruik</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of een school
                                    voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de
                                    overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en
                                    de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                    ruimtebehoefte:</al><al>a. gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage
                                    III, deel C, en</al><al>b. een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont
                                    dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde
                                    aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk
                                    is.</al></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een
                                    gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste
                                    2 km hemelsbreed gemeten.</al></li></lijst><al/><al><cursief>A.9 Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                            bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die
                            hersteld moeten worden.</al><al/><al><cursief> A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval
                                van bijzondere omstandigheden</cursief></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket
                            of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is
                            aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstan­digheid het onderwijs
                            in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Deel B - Voorzieningen voor lichamelijke
                                    oefening</onderstreept></vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding
                                    en ingebruikneming</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school
                                    voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een
                                    overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt
                                    vastgesteld dat onderhoud of renovatie niet zal leiden tot de
                                    gewenste levensduurverlenging van tenminste 30 jaar of dit het
                                    gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                                    oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en
                                    het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt,
                                    of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                    aanwezig als:</al><al>1°.de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                                    aanmerking brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor
                                    vervanging in aanmerking komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel
                                    van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van
                                    vervan­gende bouw, en </al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                                    bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn
                                    beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><al> 1°. een school voor basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik
                                    van</al><al> a. ten minste 20 klokuren binnen 1,0 km hemelsbreed
                                    gemeten;</al><al> b. ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km hemelsbreed
                                    gemeten;</al><al> c. ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km hemelsbreed gten;e</al><al>2°. een school voor ( voortgezet) speciaal onderwijs, bij
                                    noodzakelijk gebruik van:</al><al>a. ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km
                                    hemelsbreed gemeten;</al><al>b. ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2
                                    km hemelsbreed gemeten;</al><al>c. ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km
                                    hemelsbreed gemeten;</al><al>d. ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km
                                    hemelsbreed gemeten of</al><al>3°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 3 km hemelsbreed
                                    gemeten, en </al></li><li nr="f."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    gedurende ten minste 12 jaar de groepen leerlingen waarvoor het
                                    door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is,
                                    aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>B.2 Terrein</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel
                            daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de
                            uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><onderstreept><cursief>B.3 Eerste
                            inrichting</cursief></onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig
                            als:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                                    bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en </al></li><li nr="2."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs
                                    of (voortgezet) speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging
                                    eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de
                                    desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet
                                    eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is
                                    verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><cursief><onderstreept>B.4 Huur van een sportterrein school voor
                                    voortgezet onderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                            buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen
                            sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag
                            onmogelijk is.</al><al/><al><cursief><onderstreept> B.5 Medegebruik</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente
                            vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor
                            binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs
                            geen plaats is.</al><al/><al><cursief><onderstreept> B.6 Herstel
                                constructiefouten</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                            bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die
                            hersteld moeten worden. </al><al/><al><cursief><onderstreept>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                    omstandigheden</onderstreept></cursief></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket
                            of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de
                            opgetreden bijzondere omstan­digheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/></bijlage><bijlage><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria</vet></al><al/><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een
                                    school voor basisonderwijs, een school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt
                                    voor een periode van minstens 12 jaar, met als eerste jaar het
                                    jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de
                                    prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes
                                    jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat
                                    voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet
                                    meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik
                                    gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het
                                    basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal
                                    Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs,
                                    Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder
                                    geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en
                                    prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur
                                    en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is
                                    gebaseerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het
                                    overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. </al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een
                                    beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een
                                    school (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs
                                    kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens
                                    uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                                    die tot het voedingsgebied worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente
                                    wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de
                                    basisgeneratie zijn toegepast.</al></li></lijst><al/><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in
                            het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging
                            waarbij rekening wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="1."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="2."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                                    leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="3."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                                    wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="4."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                                    leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="5."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                                    woningvoorraad;</al></li><li nr="6."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling
                                    voor de basisschool, en</al></li><li nr="7."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al/><al><vet>D. Prognose school voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                            inzicht geven in:</al><lijst><li nr="1."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="2."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al></li><li nr="3."><al>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al></li><li nr="4."><al>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen
                                    betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school
                                    bestemd is.]</al></li></lijst><al/><al><vet>E. Prognose school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven
                            in:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="2."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="3."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling
                                    voor de school;</al></li><li nr="4."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12
                                    jarigen, en</al></li><li nr="5."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al></li></lijst><al/><al/></bijlage><bijlage><al><vet>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en
                                aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>A.1 Uitgangspunten</onderstreept></cursief></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                            vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                            van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande
                            methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende
                            ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele,
                            maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw
                            is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen
                            vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het
                            gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al/><al><cursief>A.1.1 School voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor
                                    basisonderwijs, een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                    of voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto
                                    vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig
                                    bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt
                                    afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat
                                    een eventueel aanwezig speellokaal niet in de
                                    capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal
                                    aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een
                                    speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is,
                                    wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in
                                    mindering gebracht.</al></li><li nr="3."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90
                                    vierkante meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd
                                    voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse
                                    opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf
                                    toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="4."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het
                                    voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto
                                    vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een
                                    bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van
                                    de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het
                                    schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een
                                    fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de
                                    capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al/><al><cursief>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                                bouwaard</cursief></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                            vastgesteld.</al><al/><al><cursief>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</cursief></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging
                            of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld
                            welk gebouw wordt afgestoten.</al><al/><al><cursief>A.1.4 Terrein</cursief></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen
                            waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                            terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie
                            van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met
                            de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen
                            bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><cursief>A.1.5 Inventaris</cursief></al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle
                            scholen voor basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en
                            voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                            onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto
                            vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de
                            omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><cursief>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</cursief></al><al/><al>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40
                            klokuren.</al><al/><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                            Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen
                            bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                            lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015wordt geacht
                            voldoende te zijn.</al><al/><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>B.1 Lesgebouwen</onderstreept></cursief></al><al/><al><cursief>B.1.1 School voor basisonderwijs</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt
                                    bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is inclusief
                                    speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school
                                    met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een
                                    eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het
                                    berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke
                                    school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                                    basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de
                                    gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al> B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto
                                    vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter en</al><al> L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                                    jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn
                                    ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond
                                    op hele vierkante meter en</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt
                                    bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van
                                    alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter
                                    grootte van 6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen,
                                    waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De
                                    uitkomst wordt afgerond op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80
                                    procent van het aantal ingeschreven leerlingen wordt de
                                    gewichtensom vastgesteld op 80 procent van het aantal
                                    ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>B.1.2 School voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</cursief></al><al>1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of
                            voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de
                            categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het
                            aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al> R = V + f * L, waarbij</al><al> R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond
                            op hele vierkante meter ,</al><al> V = Vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke is
                            voor</al><al> - de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO
                            vierkante meter, en</al><al> - de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante meter.</al><al> Voor nevenvestiging geldt geen vaste voet.</al><al> f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling)
                            overeenkomstig waarin is opgenomen een overzicht van f (vierkante meter
                            bruto vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort.</al><al> L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop
                            de prognose </al><al> betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte
                            van 90 vierkante meter.</al><al/><al>Tabel 1 – Ruimtebehoefte (v)so</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al/><al>SO</al></entry><entry><al/><al>VSO</al></entry></row><row><entry><al/><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al/></entry><entry><al/><al>8,8</al></entry><entry><al/><al>12,2</al></entry></row><row><entry><al/><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al><al/></entry><entry><al/><al>8,8</al></entry><entry><al/><al>9,2]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>B.1.3 School voor voortgezet onderwijs</cursief></al><lijst><li nr="1."><al> De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs
                                    wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale
                                    ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is
                                    het totaal van twee componenten, te weten:</al></li><li nr=""><al> a. een leerlinggebonden component, en</al></li><li nr=""><al> b. een vaste voet.</al></li><li nr="2."><al> De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel
                                    2.a opgenomen brutovloeroppervlakten per leerling te
                                    vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor
                                    voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden
                                    component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of
                                    de sector die de leerling volgt.</al></li><li nr="3."><al> De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de
                                    hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto
                                    vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een
                                    ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een
                                    afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto
                                    vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in
                                    aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per
                                    instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de
                                    vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en)
                                    wordt aangeboden. </al></li><li nr="4."><al> De ruimtebehoefte is de som van:</al><al>a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                    leerlingen er onderwijssoort met de bijbehorende
                                    normoppervlakten;</al><al>b. de vaste voet per instelling, en</al><al>c. als dit van toepassing is, een vaste voet per sector,
                                    uitgedrukt in bruto vierkante meter en</al><al>d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                                    praktijkonderwijs.</al></li><li nr="5."><al> De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de
                                    som van:</al><al>a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                    leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                                    normoppervlakten;</al><al> b. de vaste voet.</al></li><li nr="6."><al> Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de
                                    toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in
                                    onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs
                                    worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke
                                    normering voor een orthopedagogisch didactisch cum.</al><al/></li></lijst><al><vet>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                                voortgezet onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref></al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,18</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,41</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>7,07</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,98</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,47</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>8,99</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,44</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>12,72</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,95</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>0,89</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,56</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,25</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>3,06</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,33</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,71</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>4,22</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,53</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,94</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,37</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,34</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,03</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,41</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><extref doc=""><cursief><vet><sup>[1]</sup></vet><sup/></cursief></extref></al><al>TLW = theoretische leerweg</al><al> LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (bais- of kader-)</al><al/><al><vet>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                                ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>voortgezet onderwijs</vet></al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>980</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>550</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke nevenvestiging </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>299</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>196</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>168</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>117</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Legenda: BLW = beroepsgerichte leerweg</cursief></al><al/><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                    vastgesteld:</al><al>a. voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week
                                    per groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al><al>b. voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, op 2,25
                                    klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en</al><al>c. als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op
                                    3,75 klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li><li nr="2."><al> Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de
                                    ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden
                                    bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal
                                    lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel
                                    is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen *
                                    32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs
                                    per leerling) ÷ 460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en
                                    praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd:
                                    (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                                    bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.</al></li></lijst><al><vet>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal
                                bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</vet></al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref></al></entry><entry><al>BVO per leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,66</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,26</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><extref doc=""><cursief><vet><sup>[1]</sup></vet><sup/></cursief></extref>TLW
                            = theoretische leerweg</al><al> LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al> GLW = gemengde leerweg</al><al> BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde
                                    voorzieningen</onderstreept></cursief></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de
                            overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens 12
                            jaar blijft bestaan.</al><al/><al><cursief>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</cursief></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B
                            vastgesteld.</al><al/><al><cursief>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde
                                voorzieningen</cursief></al><lijst><li nr="1."><al> Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                                    gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor
                                    een:</al><al>a. school voor basisonderwijs[, speciaal basisonderwijs,
                                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs] vastgesteld
                                    als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde
                                    capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde
                                    ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde
                                    van:</al><al>1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                    voorziening basisonderwijs;</al><al>2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een
                                    voorziening voor een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs;</al><al>b. school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het
                                    verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit
                                    en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk
                                    of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met
                                    een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt
                                    vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B
                                    vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A
                                    vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%.</al></li><li nr="2."><al> Voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt
                                    de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op
                                    het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste
                                    lid, 90 vierkante meter.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept><cursief>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen</cursief></onderstreept></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor
                            blijvend gebruik bestemde voorziening. Een voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal twaalf
                            jaarnoodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil:</al><al>a. bij een school voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs
                            ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en</al><al>b. bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde
                            onder C.1.2, eerste lid, onder b.</al><al/><al><cursief><onderstreept>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor
                                    tijdelijk gebruik bestemde</onderstreept><onderstreept>
                                    voorzieningen</onderstreept></cursief></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein,
                                    dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te
                                    realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de
                                    minimumnormen, bedoeld in deel D.</al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al><al>1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de
                                    eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor
                                    een school basisonderwijs of een school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs, en</al><al>2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de
                                    eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een
                                    school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van
                                    de toegekende voorziening.</al></li><li nr="c."><al> tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                    meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg
                                    van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke
                                    ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt
                                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de
                                    bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de
                                    te creëren ruimte.</al></li><li nr="d."><al> herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                                    gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang
                                    van het onderwijs.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept><cursief>C.4 Lokalen
                                bewegingsonderwijs</cursief></onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                                    nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs
                                    wordt:</al><al>a. voor een school voor basisonderwijs of een school
                                    voor(voortgezet) speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil
                                    tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde
                                    capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde
                                    ruimtebehoefte, en</al><al>b. voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de
                                    overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als
                                    de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de
                                    overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li><li nr="2."><al> De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een
                                    lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs of
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal
                                    noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen
                                    aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3.</al></li><li nr="3."><al> De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of
                                    uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs
                                    wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke
                                    terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het
                                    lokaal te realiseren.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de
                                    eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage
                                    IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt
                                    genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal
                                    oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van
                                    constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                    omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de
                                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang
                                    van het onderwijs.</al></li></lijst><al/><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                            </vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>D.1
                            Terreinoppervlakte</onderstreept></cursief></al><al>Voor een school voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte (speelplaats) een
                            minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling, met een
                            minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden
                            volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al/><al><cursief><onderstreept>D.2
                            Speellokaal</onderstreept></cursief></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al/><al><cursief><onderstreept>D.3 Lokaal
                                    bewegingsonderwijs</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                    minstens 252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5
                                    meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten
                                    met een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                                vloeroppervlakte van schoolgebouwen</vet></al><al/><al><onderstreept><cursief>E.1 Meetinstructie voor
                                schoolgebouwen</cursief></onderstreept></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens
                            NEN 2580.</al><al/><al><cursief><onderstreept>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de
                                    schoolgebouwen</onderstreept></cursief></al><al/><al><cursief>E.2.1 Basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                                onderwijs</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die
                                    uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de
                                    bruto vloeroppervlakte gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                                    lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het
                                    lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige
                                    lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte
                                    gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.</al><al/></li></lijst><al><cursief>E.2.2 Voortgezet onderwijs</cursief></al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                            vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare
                            binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau
                            langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten
                            omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al> de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en
                                    leidingschachten op elk vloerniveau, en </al></li><li nr="b."><al> de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                    groter dan 0,5 vierkante meter.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>E.2.3
                            Uitzonderingen</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                    omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                                    gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding.
                                    Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte
                                    onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw
                                    worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet
                                    meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet
                                    meegerekend.</al></li></lijst><al/></bijlage><bijlage><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al/><al><vet>Deel A – Indexering </vet></al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming
                            met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al><cursief><onderstreept>A.1 Nieuwbouw en
                                uitbreiding</onderstreept></cursief></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al> 1:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe
                                                woningen, jaar t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                                bouwnijverheid, inclusief btw):</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in
                                                woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen):</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in
                                                woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe
                                                woningen, jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS,
                                                kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief><onderstreept>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                    meubilair</onderstreept></cursief></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per
                                                1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand
                                                juni jaar t:)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                                overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens
                                                collectieve sector):</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                                overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens
                                                collectieve sector)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1,
                                                per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de
                                                maand juni jaar t-1)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al/><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al/><al><vet>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>A.1 Kostencomponenten
                                nieuwbouw</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de
                                    volgende kostencomponenten:</al><al>a. kosten voor terrein;</al><al>b. bouwkosten;</al><al>c. toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw;</al><al>d. als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag
                                    paalfundering;</al><al>e. als het een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk
                                    speellokaal, en</al><al>f. als het een school (voortgezet) speciaal onderwijs betreft,
                                    toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie.</al></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden
                                    van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de
                                    bedragen bedoeld in paragraaf B.</al><al/></li></lijst><al><cursief><onderstreept>A.2 Kosten voor
                                terreinen</onderstreept></cursief></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na
                            aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het
                            juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein
                            worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als
                            in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten
                            voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van
                            waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw op dezelfde
                            plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het
                            oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al/><al><cursief>A.3.1 Bouwkosten</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><al>a. de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al><al>b. de kosten van de aanleg en inrichting van het
                                    schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                                    vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto
                                    vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in
                                    overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                    ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</cursief></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                            volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                                  m<sup>2 </sup>bvo<extref doc="1"><sup>[1]</sup><sup/></extref></al></entry><entry><al>€ 645.888,86</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 1.105,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> Onder m<sup>2 </sup>bvo
                            wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A.3.3 Bouwkosten school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                            vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677
                                                m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen een
                                                eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.007.120,04</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                                begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.157,39</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een
                                                liftinstallatie inclusief een schacht wordt
                                                aangebracht</al></entry><entry><al>€ 97.598,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief><onderstreept>A.3.4 Bouwkosten school voor voortgezet
                                    onderwijs</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                                    uitbreiding. </al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460
                                    vierkante meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                                    voorziening en een vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al> Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto
                                    vloeroppervlakte worden geen sectieafhankelijke kosten per
                                    project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de
                                    bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter
                                    bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al> De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per
                                    vierkante meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per
                                    voorziening.</al></li><li nr="5."><al> Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al><al>a. ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage
                                    III, deel C, vastgestelde aantal vierkante meter per type ruimte
                                    van de voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen
                                    per ruimtesoort:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500
                                                m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al> Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.729,25</al></entry><entry><al>€ 1.026,25</al></entry><entry><al>€ 1.001,67</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.688,97</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.050,93</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>b. sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste
                            voet of de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie,
                            afhankelijk van de secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel
                            C, toegekende voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande
                            bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500
                                                m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 109.111,49</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 214.177,61</al></entry><entry><al>€ 299.040,94</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 39.602,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="6."><al> Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie:
                                            huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging,
                                            mode en commercie, en</al></li><li nr="b."><al> handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                            kantoorpraktijk, etaleren.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al> Tot de werkplaatsen behoren:</al><al>a.  techniek algemeen:</al><al> 1°. Bouwtechniek;</al><al> 2°. Machinale houtbewerking;</al><al> 3°. Meten;</al><al> 4°. Elektrotechniek;</al><al> 5°. installatietechniek;</al><al> 6°. lasserij;</al><al> 7°. Metaal;</al><al> 8°. Motorvoertuigentechniek, en</al><al> 9°. Mechanische techniek</al><al>b. consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al><al>c. grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al><al>d. landbouw: groen-praktijk.</al></li><li nr="8."><al> De overige ruimten behoren tot de categorie algemene
                                    ruimte.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>A.3.5 Toeslag paalfundering school voor
                                    voortgezet onderwijs</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de
                                    normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende
                                    aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een
                                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</al><al>a. paalfundering, en</al><al>b. bemaling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde
                                    paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto
                                    vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de </al><al> volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m<vet><sup>2</sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.180,75 + (€ 16,69 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.386,31 + (€ 28,23 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.780,70 + (€ 50,52 * A)</al><al/><al>Uitbreiding =&gt; 1000 m<vet><sup>2</sup></vet></al><al> Paallengte 1 tot 15 meter € 3.884,27 + (€ 5,94 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.066,39 + (€ 15,17 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.693,73 + (€ 30,67 * A).</al></li><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld
                                    ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag
                                    per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.
                                    De vergoeding bedraagt € 11,18 per vierkante meter terrein.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>A.3.6 Toeslag voor herstel van terrein en
                                    verhuiskosten bij vervangende bouw school voor primair en
                                    speciaal of voortgezet speciaal
                                onderwijs.</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor
                                        basisonderwijsof een school voor
                                    (voortgezet)speciaal onderwijs plaatsvindt op dezelfde plaats,
                                    moet het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond,
                                    worden hersteld en moeten de leerlingen verhuizen naar een
                                    tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor
                                    deze kosten is gebaseerd op een vast bedrag per vierkante meter
                                    bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschoolwordt
                                    vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 44,81</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 30,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal
                                        onderwijswordt vastgesteld op basis van de
                                    volgende bedragen: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 51,39</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 25,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>B.1 Reikwijdte</onderstreept></cursief></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                            permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs tot 1035
                            vierkante meter bruto vloeroppervlakte en van een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig
                            van toepassing.</al><al/><al><cursief><onderstreept>B.2 Kosten terrein</onderstreept></cursief></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                            overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het
                            voor uitbreiding benodigde terrein.</al><al/><al><cursief>B.3.1 Bouwkosten</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><al>a. de bouwkosten van het gebouw, en</al><al>b. kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                    schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al> De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                                    vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze
                                    vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                                    vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden
                                    gerealiseerd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</cursief></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup>
                                                bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 94.583,99</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                                m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 63.055,99</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 1.259,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.3.3 Bouwkosten school voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijswordt bepaald op basis van de volgende
                            bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup>
                                                bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 88.094,85</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96
                                                m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 58.729,90</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet
                                                begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.287,61</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                                m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van
                                                de school</al></entry><entry><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                                m<sup>2</sup> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding
                                                van de school</al></entry><entry><al>€ 208.486,16</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een
                                                liftinstallatie inclusief een schacht wordt
                                                aangebracht</al></entry><entry><al>€ 117.312,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>B.3.4 Toeslag paalfundering school voor voortgezet
                                onderwijs</cursief></al><al>Het bepaalde in A.3.5 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                            van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij
                            uitbreiding.</al><al/><al><cursief>B.3.5 Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten
                                bij vervangende bouw op dezelfde plaats</cursief></al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                            van de omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en
                            verhuizing bij uitbreiding.</al><al/><al/><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al/><al><onderstreept><cursief>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke
                                    voorzieningen</cursief></onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn
                                    afgestemd op de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt
                                    tussen:</al><al>a. nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                    hoofdlocatie;</al><al>b. uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor
                                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al><al>c. uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    gebouwen.</al></li><li nr="2."><al> In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                                    bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur
                                    van een tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>C.2 Kosten voor
                                terreinen</onderstreept></cursief></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het
                            aanwezige terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald
                            overeenkomstig A.2.</al><al/><al><cursief>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                hoofdlocatie</cursief></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een
                            startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn
                            begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van
                            terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op
                            nutsvoorzieningen. </al><al/><al><cursief>C.3.2 Vergoeding basisschool </cursief></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo
                                                of groter</al></entry><entry><al>€ 36.782,32</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80
                                                m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 24.521,55</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 903,92</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>C.3.3 Vergoeding school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of
                                    voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de
                                    volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo
                                                of groter</al></entry><entry><al>€ 38.551,78</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80
                                                m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 26.051,75</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 885,63</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van
                                    de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude
                                    gebouw, herstel van de inrichting van terreinen en voor
                                    tijdelijke verhuizing van de leerlingen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet
                            onderwijs</cursief></al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op
                            basis van de vergoedingsformule € 550,26 * A + € 37.831,59, waarbij A
                            het overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter
                            bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><al/><al><cursief>C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen
                                primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening
                                    bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter.
                                    In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                    paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van
                                    terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van
                                    de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude
                                    gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke
                                    verhuizing van de leerlingen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>C.4.2 Vergoeding basisschool </cursief></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo
                                                of groter</al></entry><entry><al>€ 20.675,64</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                                m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 13.783,76</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 947,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>C.4.3 Vergoeding school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs</cursief></al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                            vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo
                                                of groter</al></entry><entry><al>€ 20.964,26</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                                m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 13.976,17</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 936,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><onderstreept><cursief>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    gebouwen</cursief></onderstreept></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                            bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al/><al/><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al/><al><cursief>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en
                            meubilair</cursief></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te
                            keren bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil
                            tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende
                            vergoeding.</al><al/><al><cursief>D.1.2 Vergoeding basisschool</cursief></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 38.361,60</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 134,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>D.1.3 Vergoeding school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs</cursief></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 103.423,81</al></entry><entry><al>€ 123,07</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 100.951,57</al></entry><entry><al>€ 141,48</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>D.1.4 Vergoeding speellokaal school voor (voortgezet) speciaal
                                onderwijs </cursief></al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting
                            van een speellokaal voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            bedraagt € 7.427,16.</al><al/><al><cursief><onderstreept>D.2 School voor voortgezet
                                    onderwijs</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                    meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening
                                    nieuwbouw, niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                                    ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van
                                    een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de
                                    eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente
                                    is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door
                                    vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding
                                    en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te
                                    realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van
                                    de vergoeding per ruimtetype wordt bepaald op basis van de
                                    volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al> Ruimte type</al></entry><entry><al> Functie</al></entry><entry><al>m2</al></entry></row><row><entry><al> Algemeen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al> € 158,31</al></entry></row><row><entry><al> Specifiek</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al> € 370,01</al><al> € 226,35</al><al> € 303,90</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry><al> € 388,19</al><al> € 751,75</al><al> € 1.437,23</al><al> € 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw
                                            medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt
                                            gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de
                                            inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                                            ontbreekt of niet geschikt is.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al/><al><cursief><onderstreept>E.1 Bouwkosten
                            nieuwbouw</onderstreept></cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                                    bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252
                                    vierkante meters bedraagt € 678.992,42 als deze op het
                                    schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 692.725,44 als deze
                                    op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze
                                    vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en
                                    inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Scholen met zeer moeilijk lerende leerlingen wordt een toeslag
                                    toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van deze
                                    toeslag is € 68.112,76.</al></li><li nr="3."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op
                                    basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Vergoeding</al></entry></row><row><entry><al>1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 13.657,18</al></entry></row><row><entry><al>15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 18.827,13</al></entry></row><row><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry><al>€ 26.441,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief><onderstreept>E.2 Uitbreiding</onderstreept></cursief></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het
                            bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                            bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer
                            van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de
                            oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante
                            meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding</al></entry><entry><al>Normbedrag</al></entry><entry><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>€ 157.755,32</al></entry><entry><al>€ 6.114,09</al></entry><entry><al>€ 10.589,94</al></entry><entry><al>€ 17.313,39</al></entry></row><row><entry><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>€ 191.773,25</al></entry><entry><al>€ 7.645,09</al></entry><entry><al>€ 13.234,02</al></entry><entry><al>€ 21.641,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief><onderstreept>E.3.2 OLP/meubilair school voor
                                    basisonderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of
                            meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool
                            bedraagt € 51.392,63.</al><al/><al><cursief><onderstreept>E.3.3 OLP/meubilair school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of
                            meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                            bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Schoolsoort</al></entry><entry><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 42.271,40</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 51.389,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief><onderstreept>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor
                                    voortgezet onderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en
                            hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor
                            voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                            bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry><al><vet>Leer- en hulpmiddelen</vet></al></entry><entry><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry><al> Eerste lokaal</al><al> Tweede lokaal</al><al> Derde lokaal</al><al> Oefenplaats 1</al><al> Oefenplaats 2</al></entry><entry><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 64.724,70</al><al>€ 50.490,18</al><al>€ 21.950,77</al><al>€ 14.294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry><entry><al>€ 65.810,10</al><al>€ 51.575,58</al><al>€ 23.036,17</al><al>€ 14.294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.</vet><cursief><onderstreept>4 Medegebruik/huur van een
                                    niet-eigen voorziening</onderstreept></cursief></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                            bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs
                            door middel van:</al><lijst><li nr="1."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente,
                                    of</al></li><li nr="2."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><al/><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede
                            lid, wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en
                            verhoogd met5 procentvoor de kosten
                            van technische advisering, voor zover het een voorziening betreft als
                            bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><al/><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                    vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken
                                    per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de
                                    periode van 8 weken € 20,97 per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat
                                    uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet
                                    beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een
                                    sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.</al></li></lijst><al/></bijlage><bijlage><al><vet>Bijlage V – Criteria voor vaststellen van de prioriteit van de
                                aangevraagde voorziening</vet></al><al/><al><vet>1. Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11
                            vastgestelde bekostigings-plafond onvoldoende is om alle aangevraagde
                            voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het
                            programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een
                            rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die
                            voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor
                            welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze
                            voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                            niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht
                            geplaatst.</al><al/><al><vet>2. Onderscheid voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                                    voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><al>a. om capaciteitstekorten op te heffen, en</al><al>b. om een adequaat niveau te handhaven.</al></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen
                                    onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende
                                    voorzieningen:</al><al>a. nieuwbouw, inclusief terrein; uitbreiding, indien van
                                    toepassing, inclusief terrein;</al><al>b. in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                    inclusief terrein;</al><al>c. verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al><al>d. eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of
                                    leer- en hulpmiddelen;</al><al>e. uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                    meubilair of leer- en hulpmiddelen, en</al><al>f. medegebruik.</al></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen
                                    onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende
                                    voorzieningen:</al><al>a. vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                    terrein;</al><al>b. herstel van een constructiefout, en</al><al>c. herstel en vervanging in verband met schade.</al></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende
                                    nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze
                                    voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de
                                    capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat
                                    wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel
                                    A, onder A.2.</al><al/></li></lijst><al><vet>3. Hoofd- en subprioriteit</vet></al><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                            onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al><lijst><li nr="1."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2,
                                    eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte
                                    vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze
                                    voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen
                                    bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="2."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft
                                    plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen in
                                    aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit
                                    vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit.
                                    Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten
                                    gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het
                                    plaatsen op het programma in aanmerking komen:</al><al>a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                    herschikking van schoolgebouwen;</al><al>b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                    herschikking van schoolgebouwen, en</al><al>c. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                    mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en
                                    sportterreinen opheft.</al></li></lijst><al/><al/><al/><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle
                            bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening
                            onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op
                            het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging,
                            tijdelijke nevenvestiging, dislocatie). </al><al/><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de
                            huisvesting</vet></al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond
                            van de Wet op het primair onderwijs (WPO)<cursief>, </cursief>Wet op de
                            expertisecentra (WEC) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) door het
                            bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een
                            limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan
                            inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen
                            bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden
                            aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in
                            de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de
                            onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze
                            verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een
                            vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding
                            materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen
                            cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde
                            voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de
                            WPO, artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k, onder a, van de
                            WVO.</al><al/><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om
                            aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten
                            geen uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand
                            gehouden school dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO en WEC en
                            artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen van de voorzieningen die
                            geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen onderwijshuisvesting moet
                            zodoende een andere juridische basis worden vastgesteld. Voor het
                            bekostigen van deze voorzieningen geldt de verordening materiële
                            financiële gelijkstelling gemeente Voorst.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorzieningen</cursief></al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                            nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen
                            op de school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding
                            in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria
                            (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of
                            groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen
                            van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen
                            en het college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar
                            heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog
                            een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij
                            ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet
                            het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs
                            van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor
                            basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het huisvesten
                            van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van
                            een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de
                            bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het
                            algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is
                            gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan
                            noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij
                            vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is
                            afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de
                            oppervlakte van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt
                            in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste
                            voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat
                            het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een
                            grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de
                            eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf
                            de start van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog
                            aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het
                            aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in
                            bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste
                            inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al
                            bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de
                            toelichting in bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                            bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is,
                            niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de
                            school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik
                            is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III,
                            deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet
                            volledig is ingeroosterd.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b. Herstel van
                            constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten
                            bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie
                            tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het
                            onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de
                            spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van
                            een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel
                            worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat
                            een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht,
                            afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het
                            college vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c. Herstel in verband met
                            schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het
                            begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de
                            verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden
                            zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel
                            en vervanging in verband met schade aan een gebouw’ geldt de
                            aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het
                            kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt
                            belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college kan zich
                            voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering
                            afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al/><al><cursief>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</cursief></al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor
                            voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in
                            bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een
                            schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een
                            vergoeding voor het huren van een sportterrein voor
                            buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet
                            beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een
                            met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie
                            dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op
                            basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het
                            voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten
                            met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het
                            voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de
                            voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na
                            het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op
                            het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet
                            stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding
                            gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                            plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis
                            van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde
                            kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het
                            programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog
                            geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen
                            van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te
                            werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan
                            worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt
                            onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering
                            gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen
                            (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De normbedragen
                            voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn
                            opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al/><al>Bij het beschikbaar stellen van het feitelijke bedrag tot het maximum
                            van het genormeerde bedrag, heeft het bevoegd gezag aanspraak op een
                            gemaximaliseerde (taakstellende) vergoeding. Dit betekent dat als de
                            werkelijke kosten hoger zijn dan het normbedrag (= uitkomst
                            aanbesteding) het bevoegd gezag haar uitvraag zal moeten
                            bijstellen.</al><al>Als de werkelijke kosten lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst
                            aanbesteding) blijft de besteding van het financieel voordeel ter
                            beoordeling van de gemeente (betreft immers inzet
                            gemeenschapsgelden).</al><al/><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                            vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie
                            ook artikel 13, eerste lid).</al><al/><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie
                            te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie
                            artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de
                            WVO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als
                            onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het
                            betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="a"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                                    secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="b"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres
                                    school, telefoonnummer);</al></li><li nr="c"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="d"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="e"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie
                            dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op
                            basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het
                            voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten
                            met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het
                            voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de
                            voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na
                            het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op
                            het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet
                            stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding
                            gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                            plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis
                            van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde
                            kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het
                            programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog
                            geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen
                            van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te
                            werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan
                            worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt
                            onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering
                            gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen
                            (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De normbedragen
                            voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn
                            opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><lijst><li nr="b"><al>Bij het beschikbaar stellen van het feitelijke bedrag tot het
                                    maximum van het genormeerde bedrag, heeft het bevoegd gezag
                                    aanspraak op een gemaximaliseerde (taakstellende) vergoeding.
                                    Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger zijn dan het
                                    normbedrag (= uitkomst aanbesteding) het bevoegd gezag haar
                                    uitvraag zal moeten bijstellen.</al></li><li nr="c"><al>Als de werkelijke kosten lager zijn dan het normbedrag (=
                                    uitkomst aanbesteding) blijft de besteding van het financieel
                                    voordeel ter beoordeling van de gemeente (betreft immers inzet
                                    gemeenschapsgelden). </al></li><li nr="e"><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke
                                    kosten, wordt vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de
                                    zgn. offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid).</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie
                            te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie
                            artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de
                            WVO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als
                            onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het
                            betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="a"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                                    secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="b"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres
                                    school, telefoonnummer);</al></li><li nr="c"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="d"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="e"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend
                            door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door
                            te werken met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een
                            eenduidige wijze ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid
                            van aanvragen. Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De
                            reden is dat op het overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn
                            ingediend voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel
                            96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij
                            artikel 13). </al><al/><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde
                            gezagsorganen een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal
                            Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’)
                            moet een aanvraag wordt ingediend. De reden is dat een IHP geen
                            juridische status heeft.</al><al/><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet
                            bevoegd gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden
                            dezelfde procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere
                            school. In de bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een
                            college bij het eigen orgaan een verzoek indient (voor het realiseren
                            van een gemeentelijk project - bijv. stadhuis - moet het college bij
                            zichzelf een verzoek om een bouwvergunning indienen). Dit betekent dat
                            het college altijd moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook
                            daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de
                            andere aanvragen. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag;
                                niet behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het
                            college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van
                            bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de
                            benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een
                            leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat
                            het bevoegd gezag bij de aanvraag een leerlingenprognose
                                indient.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet
                            stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende
                            gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de
                            ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het
                            college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een
                            voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen
                            (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op
                            de school staat ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn
                            verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs
                            (BRON). Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal
                            leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar
                            dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag
                            voor programma 2016 is opgenomen het aantal leerlingen op de teldatum 1
                            oktober 2014), moet het college tijdig beschikken over het werkelijk
                            aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van 1 oktober,
                            voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld. Met
                            de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder
                            aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in
                            bijlage I tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de
                            laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid
                            opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de
                            gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om de
                            aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep
                            vatbare beslissing.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een
                            overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit
                            overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
                            aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is
                            ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen.
                            Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de
                            aanvragen.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of
                            te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich
                            complete aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd
                            aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting
                            wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door
                            allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de
                            feitelijke kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is
                            het college na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel
                            dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan
                            vindt hierover overleg plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg
                            geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming bepaalt het
                            college de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het vast
                            te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de
                            beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het
                            bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                                Onderwijsraad</vet></al><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt
                            vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het
                            voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg
                            over het vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs artikel 102 van de WPO,artikel 100 van de WEC en
                            artikel 76m van de WVO is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht
                            overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle
                            bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde
                            gezagsorganen kan het college besluiten het overleg in te richten per
                            onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet
                            onderwijs). </al><al>Het overleg kan zowel in mondelinge vorm als via schriftelijke
                            raadpleging plaatsvinden. Het overleg over de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in
                            het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve
                            agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij
                            om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan
                            het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte
                            zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het
                            overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al/><al><cursief>Lid 5-8</cursief></al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de
                                WPO<cursief>, </cursief>artikel 100, zesde lid, van de WEC en
                            artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de
                            Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het vaststellen van
                            het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8
                            vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit
                            advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen
                            het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma
                            voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van
                            richting en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen
                            verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit
                            verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan
                            van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel
                            3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt
                            zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken start
                            vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij
                            relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt
                            gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat
                            hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al/><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle
                            noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college
                            zendt het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de
                            bevoegde gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een
                            nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de
                            Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het
                            verstrekken van adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is vooral
                            het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van
                            belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid, het college het
                            programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen als de
                            Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag
                            volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college
                            gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die
                            de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het
                            college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden op grond van
                            artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering. Het
                            vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid
                            worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een
                            (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen
                            erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een,
                            meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat
                            uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van
                            het college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere
                            overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de
                            schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de
                            Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies
                            ook afwijkende meningen zal willen betrekken.</al><al/><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt
                            ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd
                            aan de stukken die moeten leiden tot een besluit van het college.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor
                            het honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het
                            vaststellen van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk
                            collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden genomen als het
                            besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht.<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> Het bekostigingsplafond staat
                            los van het totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde
                            voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de
                            vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook
                            kunnen worden gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per
                            onderwijssector of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze
                            mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde
                            voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor
                            andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het
                            onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke
                            categorie van voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te
                            leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan
                            uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad
                            vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit
                            noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van
                            het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale
                            termijn. Wordt het programma en overzicht niet voor 31 december
                            vastgesteld dan betekent dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen
                            automatisch voor bekostiging in aanmerking komen. Op grond van Artikel
                            6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het college niet tijdig
                            een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze situatie de
                            procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de
                            termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 95 van de WPO, 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de
                            criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen van het
                            programma voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het
                            overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96
                            van de WPO, 94 van de WEC en 76g van de WVO. In dit artikel wordt
                            bepaald op welke wijze het besluit tot het vaststellen van het programma
                            en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                            ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van vierweken nadat het programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor
                            deze termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen (zie
                            toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het
                            programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening
                            moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de Awb
                            moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de
                            voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
                            Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk
                            overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is in de
                            modelverordening opgenomen dat het besluit aan alle schoolbesturen wordt
                            verzonden. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van
                            het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond,
                            programma en overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het
                            programma als overzicht ter inzage wordt gelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                            overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn
                            om te komen tot het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor
                            de voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van
                            deze afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het
                            project worden onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                            uitvoeringstraject voorkomen.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid , van de
                            WEC en artikel 76n van de WVO is opgenomen dat het college binnen vier
                            weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de
                            uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken
                            moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van
                            toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn
                            opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma
                            zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen
                            bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat het
                            indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor een op het
                            programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen
                            die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="a"><al> het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het
                                    bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in
                                    artikel 103, eerste lid , van de WPO, artikel 101, eerste lid ,
                                    van de WEC en artikel 76n, eerste lid, van de WVO. Het
                                    alternatief is dat het college de voorziening tot stand brengt
                                    (artikel 103, tweede lid, van de WPO, artikel 101, tweede lid,
                                    van de WEC en artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In het
                                    overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik
                                    wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid
                                    dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt
                                    gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="b"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten
                                    zoals die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv.
                                    aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="c"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen
                                    het moment van het vaststellen van het programma en het
                                    aanvragen van de goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming
                                    kan toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben
                                    voorgedaan of voordoen, waardoor het eerder genomen besluit moet
                                    worden herzien. In het overleg wordt vastgelegd of het college
                                    gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het college, na
                                    ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de kostenbegroting
                                    kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien; </al></li><li nr="d"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording
                                    over de besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van
                                    verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het
                                    project (zie ook toelichting artikel 15);</al></li><li nr="e"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                                    voorzieningen is de aanvrager verplicht een
                                    aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de voorziening bekostigd
                                    op basis van de genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de
                                    aanbesteding voor het college feitelijk niet relevant, omdat het
                                    bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de
                                    voorziening bekostigd op basis van de feitelijke kosten dan is
                                    de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het bepalen
                                    voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag.
                                    Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de
                                    Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese
                                        regelgeving.<extref doc=""><sup>[2]</sup><sup/></extref>
                                    Daarnaast wordt aan het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de
                                    gemeente Voorst zoveel mogelijk inhoud gegeven </al><al>(<extref doc="http://www.voorst.nl/uploads/media/Voorst_beleid-30_september_2013.pdf">http://www.voorst.nl/uploads/media/Voorst_beleid-30_september_2013.pdf
                                    </extref>)</al></li><li nr="f"><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar
                                    datgene dat in het gemeentelijke aanbestedingsbeleid is
                                    opgenomen voor het opvragen van offertes en wat is opgenomen in
                                    de Europese richtlijnen.</al><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> LJN BG8296, Raad
                                    van State, 200803033/1.</al><al><extref doc=""><sup>[2]</sup><sup/></extref><sup/>Enkele
                                    relevante begrippen zijn werken, diensten en leveringen. Onder
                                    de definitie ‘werken’ vallen bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw,
                                    uitbreiding en dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is
                                    hierbij beslissend. Onder de definitie ‘diensten’ vallen de door
                                    opdrachtnemers uit te voeren werkzaamheden als onderhoud en
                                    reparatie, vervoer, boekhouding en dergelijke, waarbij een
                                    eventuele levering van fysieke producten van bijkomende orde is
                                    ten opzichte van de omvang van de uit te voeren werkzaamheden.
                                    Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder
                                    de definitie ‘leveringen’ vallen de door leveranciers te leveren
                                    prestaties bij de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of
                                    zonder koopoptie, van fysieke producten, zoals meubilair of
                                    onderwijsleerpakket en dergelijke. Het gaat daarbij per
                                    definitie om activiteiten of werkzaamheden die niet zijn
                                    opgenomen in Bijlage 1 en/of Bijlage 2 van richtlijn
                                    2004/18/EG.</al></li></lijst><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Type opdracht</vet></al></entry><entry><al><vet>Uitgangspunten aanbestedingsprocedure</vet><vet>(genoemde bedragen zijn exclusief
                                                BTW)</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Nationaal</al></entry><entry><al>Europees</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry><al>Openbare procedure of </al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande
                                                selectie</al></entry><entry><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Enkelvoudig</al></entry><entry><al>Meervoudig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Werken</al></entry><entry><al>t/m € 100.000,00</al></entry><entry><al>vanaf € 100.000,00 t/m € 1.500.000,00</al></entry><entry><al>vanaf € 1.500.000,00 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry><al>Leveringen</al></entry><entry><al>t/m € 30.000,00</al></entry><entry><al>vanaf € 30.000,00 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>Diensten</al></entry><entry><al>t/m € 30.000,00</al></entry><entry><al>vanaf € 30.000,00 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst, met daarin onder meer
                            de overeengekomen huurprijs, vooraf aan het college ter goedkeuring
                            worden voorgelegd.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                            afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is
                            bepaald dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter
                            instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn
                            instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd
                            dat er overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering van de
                            voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag, dan is nader
                            overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te bereiken.
                            Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de
                            uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide
                            partijen vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van
                            een bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere
                            toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal
                            plaatsvinden. Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in
                            een eerder stadium al een offerte is overgelegd en die weinig of geen
                            voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het overleg tot overeenstemming
                            geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken bericht over het
                            moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                            wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde
                            verslag is opgenomen dan is het college de instantie die een definitief
                            besluit neemt. Dit besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag.
                            In het besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met
                            de door de aanvrager gewenste wijze van uitvoering van de voorziening.
                            Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook
                            voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan
                            nadat het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een
                            dergelijk plan naar het oordeel van college gezien de aard van de
                            voorziening niet vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het
                            goedkeuren van het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen (zie
                            ook artikel 13, derde lid). </al><al/><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen
                            besluit het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van
                            de bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO,
                            artikel 101 van de WEC en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie
                            met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte
                            afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het
                            college toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk
                            nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="a"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt
                                    bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond
                                    van de bouwverordening, dus het verlenen van de
                                    omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het bouwplan
                                    getoetst aan de afgegeven beschikking (toegekend
                                    investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                                    bvo).</al></li><li nr="b"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                                    afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd.
                                    Maakt het bevoegd gezag aanspraak op:</al><lijst><li nr="*"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting
                                            marginaal getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak
                                            maakt op het normbedrag en het college geen hoger bedrag
                                            dan het normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="*"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan
                                            vindt een inhoudelijke toetsing van de begroting plaats
                                            om het definitieve bedrag van de vergoeding te kunnen
                                            vaststellen. De kostenbegroting die was ingediend bij de
                                            aanvraag voor het programma was namelijk een raming van
                                            de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen
                                            tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor
                                            het vaststellen van het programma. Gelet op het
                                            tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het
                                            besluit tot het vaststellen van het programma kan het
                                            definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de
                                            begroting die is ontvangen als onderdeel van de
                                            ingediende aanvraag voor het programma. Bij de
                                            uitvoering van een voorziening die volgens de
                                            offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol
                                            over van de begroting. </al></li></lijst></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op
                            welk moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie
                            daarmee de bekostiging. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college
                            niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde
                            goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze
                            en het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan
                            daarna de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning
                            starten. De fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede
                            voortgang van de uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid
                            richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en
                            begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging een
                            aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de
                                WPO<cursief>, </cursief>artikel 97, eerste lid, van de WEC en
                            artikel 76j van de WVO. </al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de
                            laagste prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend
                            is. Dit is conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het
                            college kan hiervan gemotiveerd afwijken.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO,
                            artikel 100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Het geeft
                            het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze
                            het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is
                            sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de
                            opdracht, hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de
                            aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. </al><al>Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="a"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                                    uitbetaald;</al></li><li nr="b"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                                    uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen
                                    aan de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende
                                    termijnstaat, en</al></li><li nr="c"><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de
                                    nota’s van het bevoegd gezag.</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de
                            opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt
                            overeengekomen dat de vergoeding door het college rechtstreeks aan de
                            opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat
                            er uitsluitend een relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit
                            uitgangspunt is de formele lijn dat het college het bedrag aan het
                            bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag aan de
                            opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording
                            van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een
                            gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op
                            het project betrekking hebben, of een accountantsverklaring.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De data van 1 en 15 oktoberzijn gekozen met het oog op het
                            moment dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel
                            perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het programma
                            toegekende voorziening in het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in
                            dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de realisatie in dat jaar door
                            omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat realisatie niet
                            mogelijk is: </al><lijst><li nr="a"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend
                                    begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet
                                    gehandhaafd, en</al></li><li nr="b"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het
                                    beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van
                                    dit besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd
                                    opnieuw moet worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van
                            belang voor het college, omdat het college na de genoemde data actie in
                            de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’
                            betekent dat, als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt
                            overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft
                            dan immers recht op een voorziening.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen
                            kan voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van
                            diverse omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen.
                            Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="a"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="b"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen
                            om de gestelde termijnen te verlengen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als
                            het verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum
                            worden gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de
                            in het eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te
                            overleggen. Als het college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager
                            de in het eerste lid genoemde datum niet haalbaar.</al><al/><al><vet>Artikelen 17-20. Aanvragen met spoedeisend
                            karakter</vet></al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het
                            onderwijs wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze
                            artikelen een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening
                            huisvesting onderwijs indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een
                            calamiteit is die op korte termijn moet worden opgelost en niet kan
                            wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter
                            moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van aanvraag. Bij
                            aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="a"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk)
                                    in een andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="b"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                                    asbest), of</al></li><li nr="c"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort
                            ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere procedure, zoals een
                            situatie:</al><lijst><li nr="d"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van
                                    artikel 6 van de verordening – een aanvraag in te dienen voor
                                    het programma, of</al></li><li nr="e"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is
                                    geplaatst wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond
                                    omdat het bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 17. Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar
                            worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet
                            niet bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk
                            (telefonisch) worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten
                            worden genomen. Na de melding moet de aanvrager binnen de gestelde
                            termijn de aanvraag indienen. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Inhoud aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een
                            aanvraag op grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is
                            het bevoegd gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening
                            spoedeisend is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de
                            aanvraag betrekking heeft op een calamiteit die niet voorzienbaar was en
                            dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat
                            anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen
                            voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Tijdstip beslissing</vet></al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                            beslistermijn een korte periode aangehouden. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</vet></al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                            aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de
                            bijlagen I tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het
                            element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen
                            uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In
                            tegenstelling tot de reguliere procedure kan het college bij de
                            spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit
                            de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100,
                            eerste lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en artikel
                            98, eerste lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en
                            artikel 76k, eerste lid, van de WVO. </al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16
                            van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 22-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de
                            WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan
                            moet de gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen voor het
                            medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het
                            nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor
                            het gebruik door de eigen school.</al><al/><al>De artikelen 22 t/m 27 worden door het college toegepast als het college
                            een aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een
                            voorziening huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan
                            besluiten dat de aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen
                            omdat door middel van medegebruik in de noodzakelijke
                            huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te
                            vorderen op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een
                            aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                            nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft
                            ontvangen. Het college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="a"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een
                                    tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="b"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op
                            medegebruik door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van
                            het vorderen (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in
                            overeenstemming is met de bestemming van het schoolgebouw en
                            aan-passingen niet noodzakelijk zijn.</al><al/><al>Onderdeel b</al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet
                            onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet
                            educatie en beroepsonderwijs.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Omschrijving leegstand</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                            leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de
                            vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende
                            ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het vaststellen van de
                            leegstand wordt geen rekening gehouden met de drempelwaarde. Bij het
                            vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij een school voor
                            basisonderwijs, een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of een
                            school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat het college
                                <onderstreept>kan</onderstreept> besluiten leegstand die wordt
                            vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of een school voor
                            voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn.
                            eigendoms- en huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de
                            voorzieningen huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het
                            vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de
                            leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming
                            (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde
                            leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven
                            moet wijken voor noodzakelijk onderwijs-gebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                            bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor
                            basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan op
                            basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden
                            ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun
                            reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een
                            lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren
                            uitgegaan van minimaal 32 lesuren<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> en maximaal 40 lesuren, omdat voor
                            het voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de
                            schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit
                            betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="a"><al>voor een school voor basisonderwijs of school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd
                                    medegebruik mogelijk is door een andere school voor
                                    basisonderwijs en/of een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal
                                    ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="b"><al>voor een school voor basisonderwijs of een school voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren of 26
                                    klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een
                                    school voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot
                                    een maximum van 40 lesuren;</al></li><li nr="c"><al>voor een school voortgezet onderwijs minder dan 40 klokuren
                                    ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is door:</al><lijst><li nr="#"><al>een school voor basisonderwijs en/of voor (voortgezet)
                                            speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik
                                            passen binnen de 26 klokuren, en</al></li><li nr="#"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de
                                            resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                            onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Nalaten vorderen</vet></al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling
                            overleg medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een
                            onderlinge regeling hebben getroffen is er voor het college geen reden
                            om dat te doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de
                            school die medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende
                            capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als bevoegde
                            gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college
                            hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door
                            het medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd. </al><al/><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen
                            wordt in onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand
                            wordt gevorderd. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het
                            college zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt
                            gevorderd.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Overleg en mededeling</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het
                            vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen
                            van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden
                            maakt het vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk
                            verplichte overleg over het programma. Voor beide bevoegde
                            gezags-organen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit tot
                            medegebruik in het kader van het programma bestaat de mogelijkheid een
                            advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt niet
                            vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van
                            het college.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van
                            een voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen
                            termijn voor het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan
                            namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn
                            geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde
                            gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te
                            treffen.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid
                            hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom
                            is de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt
                            zo kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen
                            heeft genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg
                            plaatsgevonden met het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag
                            in principe al in de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het
                            medegebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe
                            is. Om deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de
                            beschikking worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde
                            periode gedurende welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De
                            periode kan bijv. worden gebaseerd op de uitkomst van de
                            leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in het besluit tot het
                            vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor medegebruik
                            in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school
                            noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van
                            de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> In het voortgezet onderwijs
                            wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een
                            lesuur van 50 minuten, met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a.
                            van de leerlingen. Voor het vaststellen van de capaciteit en de
                            ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs voor het voortgezet
                            onderwijs wordt zodoende gerekend met een klokuur.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Vergoeding</vet></al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft
                            te maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De
                            bevoegde gezagsorganen moeten in onderling overleg de vergoeding voor
                            het medegebruik overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke
                            exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is redelijk omdat het bevoegd
                            gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de eigen accommodatie
                            de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten zijn
                            onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het
                            schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet door- berekend,
                            dan is sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet
                            het bevoegd gezag dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft
                            geven de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze
                            wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook afhankelijk van de
                            afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die voor rekening van
                            de school en de medegebruiker komen.</al><al>Als tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten
                            de partijen vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot
                            het vaststellen van het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan
                            bijvoorbeeld worden dat een onafhankelijke derde het definitieve
                            vergoedingsbedrag bepaalt.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Overleg en mededeling</vet></al><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor
                            culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan
                            plaatsvinden zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de
                            genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van
                            het schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in
                            het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het
                            medegebruik niet in overeenstemming met de bestemming van het
                            schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet eerder kan
                            plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is
                            vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs
                            van de school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het
                            overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen
                            aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag
                            kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol spelen.</al><al/><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en
                            bevoegd gezag minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een
                            niet onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat
                            het instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid
                            gesteld worden zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit
                            en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van
                            de uitkomst van het overleg en de activiteiten waarvoor het medegebruik
                            noodzakelijk is, kan het noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om
                            bepaalde bouwkundige maatregelen te nemen om hinder te voorkomen.
                            Artikel 26 (bedrag van de vergoeding ‘medegebruik’) is niet van
                            toepassing op medegebruik voor culturele, maatschappelijke of
                            recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd gezag vrij om een ander
                            tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de
                            systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al/><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt
                            in het overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd
                            door het college. Het is aan het college om te besluiten of de beoogde
                            medegebruiker al of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag,
                            college en de medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik
                            schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader
                            voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door
                            college.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college
                            een beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te
                            voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                            geëffectueerd kan worden.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Verzoek toestemming college</vet></al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend
                            plaatsvinden door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college
                            een schoolgebouw waarvan het bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet
                            kan vorderen voor verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is
                            uitsluitend de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bevoegd
                            gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren,
                            vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder
                            toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet
                            en dus nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet
                            het bevoegd gezag het college inzicht geven in de huurder, de te
                            verhuren ruimte, de activiteiten die in de te verhuren ruimte
                            plaatsvinden, de periode van verhuur en de in de komende jaren te
                            verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast betrekt het college
                            bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten ruimtebehoefte
                            van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college toestemming
                            voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag
                            wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al/><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college
                            het verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste
                            lid, van de WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 76s van
                            de WVO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te
                            verhuren als:</al><lijst><li nr="a"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede
                                    lid, en 1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="b"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de
                                    school.</al></li></lijst><al/><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                            voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is
                            voor het onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet
                            bepaalt dat de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die
                            ontstaat bij het voortijdig opzeggen van het huurcontract door het
                            bevoegd gezag, omdat het college gebruik maakt van hun vorderingsrecht,
                            liggen bij het bevoegd gezag.</al><al/><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs
                            bepaald worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                            exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                            investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte
                            van de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het
                            schoolgebouw) vast. In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor
                            het college om aan de toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden
                            dat voor de verhuur een huur is verschuldigd, waarvan de hoogte door het
                            college wordt vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op wat in de
                            onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding is wat anders dan de
                            gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het bevoegd gezag wordt
                            vastgesteld en waar het bevoegd gezag aanspraak op maakt. De
                            huurcomponent moet worden afgedragen aan het college als bijdrage in de
                            investeringslasten van het schoolgebouw. </al><al>De Raad van State heeft vastgesteld dat het college een huurvergoeding
                            kan vragen onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken
                                    van de huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="b"><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het
                                    verlies aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="c"><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen
                                    aan onderwijshuisvesting.<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref></al></li></lijst><al/><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> LJN BK0803, Raad van State,
                            200901067/1/H2 en 201308827/1/A2.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Staat van onderhoud</vet></al><al>In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van de
                            WVO is geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de
                            overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het
                            college. Over het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en
                            -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder
                            onderwijs) of het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de
                            minister van OCW. Overdracht door het bevoegd gezag van een schoolgebouw
                            en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats als het bevoegd
                            gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in
                            bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de
                            gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt
                            geen overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein
                            plaats. Een overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op
                            een andere locatie is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de
                            door het college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende
                            acte opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden
                            gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt
                            tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde
                            van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn
                            op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al/><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het
                            beëindigen van het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het
                            gebruik van een gebouw door het bevoegd gezag. Is sprake van integraal
                            bestuur dan blijft het opmaken van een staat onderhoud achterwege.
                            Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van het openbaar en bijzonder
                            onderwijs kan in materiële zin gekozen worden voor een gelijke
                            handelwijze.</al><al/><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het
                            bevoegd gezag, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren.
                            Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet
                            krijgen voordat het buiten gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de
                            eigendomsoverdracht plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog
                            eenduidig kan worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig
                            onderhoud is toe te rekenen. De staat van onderhoud maakt ook onderdeel
                            uit van de op te maken akte van overdracht. </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met
                            daarin een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt,
                            vanuit het oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke
                            derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt
                            verstrekt heeft het college overleg met het betrokken bevoegd gezag over
                            de inhoud van de opdracht en over de instantie die deze opdracht
                            uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q.
                            meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de
                            keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                            inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden (bijv. beschikbaar
                            stellen meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld
                            onderhoud is uitgevoerd).</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het
                            opmaken van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en
                            het bevoegd gezag met deze constatering instemt, kan in het overleg
                            overeengekomen worden dat het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het
                                    noodzakelijke onderhoud, of</al></li><li nr="b"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan
                                    het college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.
                                </al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst
                            van de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure
                            zal zijn. Er kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt,
                            waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de
                            uitkomst daarvan. Alternatief is dat het college zicht wendt tot de
                            burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag een
                            onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de
                            wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te
                            onderhouden.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele
                            aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig
                            onderhoud, of een vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar
                            er geen reden is om dit nog te laten vastleggen in een rapport. Dit
                            laatste kan zich voordoen als het voornemen bestaat het schoolgebouw dat
                            buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te verbouwen voor een
                            andere bestemming of te slopen.</al><al/><al><vet>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroosteren en gebruik</vet></al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en
                            kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een
                            derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen
                            bewegingsonderwijs is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om
                            de criteria vast te stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte
                            en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in
                            bijlage III, deel B. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van het
                            college om een rooster bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van
                            het gebruik door een school voor basisonderwijs en een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs van lokalen bewegingsonderwijs wordt
                            uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren is afhankelijk is
                            van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is
                            van het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen
                            afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven
                            fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het
                            aantal leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de
                            jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de
                            spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar
                            en te omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties in het
                            gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als
                            het aantal klokuren binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen
                            en dus niet leidt tot een uitbreiding of nieuwbouw van lokalen
                            bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure
                            opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis
                            van het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het
                            aantal gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs
                            vaststelt en op basis van het aantal klokuren het conceptrooster
                            bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het college vast dat er te
                            weinig capaciteit is, of dat een lokaal bewegingsonderwijs moet worden
                            vervangen, dan kan het college de procedure voor het aanvragen van
                            bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure
                            heeft het college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><lijst><li nr="a"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs,
                                    inclusief de accommodaties die op grond van de
                                    onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn.
                                    ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="b"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="c"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school
                                    geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="d"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal
                                    bewegingsonderwijs gebruikt wordt, en</al></li><li nr="e"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een
                                    genormeerd gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op
                                    feitelijk gebruik.</al><al/></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="a"><al>het college stelt voor 1 mei op basis van de teldatum 1 oktober
                                    van het lopende schooljaar het aantal gymgroepen vast op de
                                    datum 1 augustus (start schooljaar) en stelt deze ter hand van
                                    de Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente
                                    Voorst;</al></li><li nr="b"><al>de Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst
                                    stelt voor 1 juni daaropvolgend een conceptrooster op; als basis
                                    kan dienen het rooster bewegingsonderwijs van het lopende
                                    schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties
                                    in het aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="c"><al>de Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst
                                    stelt de bevoegde gezagsorganen voor 15 juni daaropvolgend in
                                    kennis van het voorlopig vastgestelde rooster bewegingsonderwijs
                                    voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="d"><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 21 juni op het
                                    aangeboden conceptrooster;</al></li><li nr="e"><al>het bevoegd gezag kan de Stichting Koepel Sport, Welzijn en
                                    Cultuur gemeente Voorst vragen om voor de datum van 21 juni een
                                    overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="f"><al>de Stichting Koepel Sport, Welzijn en Cultuur gemeente Voorst
                                    stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar
                                    definitief vast voor 1 juli.</al><al/></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                            bewegings-onderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is
                            vastgesteld. Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de
                            bestaande accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd
                            gezag worden dan de kosten van deze extra klokuren
                                doorberekend.</al><al/><al><vet>Artikel 31. Indexering</vet></al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten
                            jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV
                            integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de
                            onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door
                            de gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen
                            van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het jaarlijks
                            aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan het college. De
                            uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A.
                            Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een
                            wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het
                            toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                            mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/><al/><al><vet>Toelichting Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                                voorzieningen</vet></al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het
                            vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage
                            is onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen
                            bewegingsonderwijs. </al><al/><al><vet>Deel A –Lesgebouwen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het
                            vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al/><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie.
                            De dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie
                            dat de hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te
                            huisvesten. Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle
                            leerlingen weer op de hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt
                            de dislocatie afgestoten. Ontvangt het college een aanvraag voor het
                            bekostigen van een voorziening voor een dislocatie, dan stelt het
                            college, voordat het besluit deze aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="a"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als
                                    aanvullende huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="b"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te
                                    huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="c"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie
                                    beschikbaar is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt
                            toegekend is op basis van het voorgaande een financiële afweging van het
                            college.</al><al/><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het
                            college beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                                    ingeschreven;</al></li><li nr="b"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="c"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (=
                                    brutovloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de
                                    school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="d"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de
                                    gebouwen.</al></li></lijst><al/><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting
                            onderwijs noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is
                            de (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode
                            noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is
                            beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt
                            herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord
                            op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de
                            datum waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt
                            verwacht. Is de uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal
                            leerlingen waarvoor de aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is
                            bedoeld ook de komende jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een
                            periode van:</al><lijst><li nr="a"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting
                                    toegekend omdat wordt verondersteld dat de school de extra
                                    ruimtebehoefte voor deze beperkte periode binnen de eigen school
                                    kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk
                                    is, wordt een andere voorziening goedgekeurd;</al></li><li nr="b"><al>minimaal vier tot maximaal elf jaar, dan wordt een voor
                                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="c"><al>minimaal twaalf jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al/><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor
                            het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs
                            constructiefouten en vervanging of herstel van schade in geval van
                            bijzondere omstandigheden.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                            huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                            onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is,
                            een rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een
                            bestaand gebouw.</al><al/><al><cursief>A1 Nieuwbouw </cursief></al><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een
                            nieuw instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een
                            onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor
                            deze nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar
                            is.</al><al/><al><cursief>A2 Vervangende bouw </cursief></al><al>Vervangende nieuwbouwkan het gevolg zijn van een
                            tweetal situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige
                            staat) van een gebouw. Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van
                            het gebouw en om verschillen in de bouwkundige staat tussen
                            verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de
                            bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op grond van NEN
                                2767.Uitgangspunt van deze methode is dat de
                            onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen </al><al>worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging
                            plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van
                            keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te
                            bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel.
                            Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle </al><al>bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen </al><al>van de condities wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het </al><al>onderhoud binnen een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar).
                            Voor het antwoord op de vraag of activiteiten binnen de periode van 3
                            jaar oor het onderhoud in aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en
                            de intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt
                            uitgedrukt in een score, de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor'
                            wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het totale schoolgebouw
                            vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende
                            conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare
                            kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een
                            beginnende veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder
                            conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de
                            bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw
                            noodzakelijk is.</al><al/><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van
                            het schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks
                            van de minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd
                            voor activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een
                            langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent
                            dat als sprake is van een bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6
                            moet worden vastgesteld of in de afgelopen jaren het onderhoud op een
                            verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit
                            onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw
                            worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en bevoegd gezag
                            afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het
                            schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van
                            de totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en
                            aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te
                            zetten.</al><al/><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn
                            een herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen
                            voordoen:</al><lijst><li nr="a"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te
                                    ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het
                                    huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene
                                    schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere
                                    schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil,
                                    eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding
                                    bij een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende
                                    nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte
                                    bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan
                                    mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="b"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                                    herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook
                                    gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door
                                    een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene
                                    schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden afgestoten;</al></li><li nr="c"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in
                                    de ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing,
                                    of het herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is
                                    dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen
                                    vervangen wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een
                            herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de
                            schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor het college een budgettair
                            neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra
                            investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan uitsluitend
                            worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw kan
                            worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de
                            bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover
                            overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die
                            het bevoegd gezag van het rijk ontvangt voor het bekostigen van de
                            exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als
                            medefinanciering worden ingezet.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A3 Uitbreiding</onderstreept></cursief></al><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande
                            capaciteit van het schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is
                            voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school is
                            ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan de beschikbare
                            huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het college te
                            bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar wordt
                            gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met de
                            eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat
                            mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw
                            bijv. medegebruik toekennen.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A4 In gebruik nemen van een bestaand
                                    gebouw</onderstreept></cursief></al><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een
                            gedeelte daarvan is afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand
                                    alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van
                                    een bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor
                                    het huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet
                                    relevant; </al></li></lijst><lijst><li nr="b"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en
                                    zo ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om
                                    te zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de
                                    leerlingen.</al></li><li nr="c"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is
                                    van belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen
                                    noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig
                                    geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het
                                    college kan besluiten tot het bekostigen van vervangende
                                    nieuwbouw als de investeringskosten om het gebouw voor het
                                    onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing, uitbreiding en
                                    onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van verwerving
                                    hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al/><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="a"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                                    ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich
                                    meebrengt;</al></li><li nr="b"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="d"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde
                                    is.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>A5 Verplaatsen tijdelijk
                                gebouw</onderstreept></cursief></al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard
                            en nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een
                            tijdelijk gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van
                            verplaatsen (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw
                            verwijderen. Op dit punt kan het college een afweging maken tussen het
                            verplaatsen en het bekostigen van een nieuwe voorziening.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A6 Terrein</onderstreept></cursief></al><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die
                            niet automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding
                            van het schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden
                            gerealiseerd. Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen
                            terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de
                            huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze voorziening wordt
                            opgenomen op het programma.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A7 Eerste
                            inrichting</onderstreept></cursief></al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan
                            een school voor basisonderwijsof een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen
                            wordt bekostigd aan een school voor voortgezet
                                onderwijs.Voor alle onderwijssectoren is de
                            bekostiging van de eerste inrichtinggekoppeld aan
                            het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte waarvoor de voorziening
                            nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al/><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één
                            school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van
                            fusie ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit
                            betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak
                            bestaat op bekostiging van eerste inrichting als de bruto
                            vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de
                            bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke scholen.
                            Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie
                            met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de
                            gefuseerde school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de
                            schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke scholen is
                            toegekend.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A8 Medegebruik</onderstreept></cursief></al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren
                            van het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van
                            middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om
                            inzicht te hebben:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel
                                    van de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="b"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand
                                    is vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het
                                    aantal leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik
                                    zinvol is).</al></li></lijst><al/><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                            medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de
                            verordening bij medegebruik een afstandscriterium tussen de
                            hoofdvestiging en de ruimte die in aanmerking komt voor het medegebruik,
                            de zgn. verwijsafstand). In de verordening is als verwijsafstand
                            opgenomen het criterium ‘hemelsbreed’. </al><al/><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een
                            schoolgebouw van scholen van verschillende onderwijssectoren. De
                            leegstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de
                            vastgestelde capaciteit (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage
                            III, deel A, en de voor de school vastgestelde ruimtebehoefte op grond
                            van bijlage III, deel B. Of de berekende genormeerde leegstand ook als
                            leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik wordt afzonderlijk
                            vastgesteld.</al><lijst><li nr="a"><al> Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs of een
                                    school (voortgezet) speciaal onderwijs is per definitie geschikt
                                    voor medegebruik.</al></li><li nr="b"><al> Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft
                                    bekostigd, maar waarvoor het college een vergoeding verstrekt
                                    (zogenaamde eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van
                                    de voorzieningen huisvesting onderwijs en komen in aanmerking
                                    voor medegebruik.</al></li><li nr="c"><al> Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                                    gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is
                                    ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze
                                    ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw
                                    vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al><cursief>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                                bewoner</cursief></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                            medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige
                            voorzieningen moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw
                            geschikt te maken voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze
                            investering komen voor rekening van de gemeente.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A9 Herstel van
                                constructiefouten</onderstreept></cursief></al><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening
                            huisvesting onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout
                            wordt toegekend is het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk
                            gaat om een constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan
                            van de constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de
                            veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk worden gesteld voor het
                            herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop bekostiging voor
                            een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de
                            Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het
                            schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een
                            constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet
                            worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en
                            het aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van
                            State was van oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen
                            sprake meer kan zijn van een constructiefout, maar dat sprake is van
                            regulier onderhoud.<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref></al><al/><al>Het herstel van een constructiefout is eveneens geen voorziening
                            huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd gezag als de
                            constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag
                            (artikel 100, tweede lid, van de WPO<cursief>,</cursief> artikel 98,
                            tweede lid, van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WV.<extref doc=""><sup>[2]</sup><sup/></extref></al><al/><al><cursief><onderstreept>A10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en </onderstreept><onderstreept>meubilair in
                                    geval van bijzondere
                            omstandigheden</onderstreept></cursief></al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van
                            bijzondere omstandighedenis van toepassing als het
                            bevoegd gezag geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv.
                            vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is
                            te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van
                            de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van
                            de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal
                            afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw met minder
                            bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding
                            geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander
                            schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade
                            veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak
                            was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor
                            rekening van het bevoegd gezag komen.</al><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> LJN BJ7202, Raad van State,
                            200809152/1/H2.</al><al><extref doc=""><sup>[2]</sup><sup/></extref><sup/>BX8979, Raad van
                            State, 201200195/1/A2.</al><al/><al/><al><vet>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                            traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook
                            het gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal
                            bewegingsonderwijs kan juridisch eigendom zijn van de gemeente, het
                            bevoegd gezag, of een derde.</al><al/><al><cursief><onderstreept>B1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding
                                    of ingebruikgeving</onderstreept></cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde
                            voorzieningen is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet
                            worden ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat van het
                            lokaal bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al/><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor
                            de gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten
                            in plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal
                            bewegingsonderwijs te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt
                            genomen voert het college overleg met het bevoegd gezag. Voor het
                            bekostigen van deze voorzieningen geldt de “verordening materiële
                            financiële gelijkstelling onderwijs Gemeente Voorst”.</al><al/><al>Voor het (voortgezet)speciaal onderwijs wordt aan een lokaal
                            bewegingsonderwijs gelijkgesteld een lokaal voor motorische therapie en
                            een schoolbad (watergewennings-bad). Deze laatste voorziening kan
                            uitsluitend worden aangevraagd en bekostigd voor de onderwijssoorten
                            waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is:</al><lijst><li nr="a"><al> een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor
                                    (voortgezet)speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende
                                    kinderen.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>B3 Eerste
                            inrichting</onderstreept></cursief></al><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het
                            lokaal bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als
                            een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="a"><al> met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de
                                    oefenzaal wordt vergroot, of</al></li><li nr="b"><al> vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                                    bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al/><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor
                            de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste
                            inrichting naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk
                            is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de
                            volledige bekostiging eerste inrichting verstrekt.</al><al/><al><cursief><onderstreept>B5 Medegebruik</onderstreept></cursief></al><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal
                                bewegingsonderwijswordt vastgesteld op basis van
                            het rooster bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de
                            scholen voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het
                            rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school voor het
                            voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet
                            onderwijs.</al><al/><al/><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria </vet></al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is
                            het bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als een
                            aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                            (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in
                            gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De
                            leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van
                            de door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang
                            voor het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting
                            onderwijs noodzakelijk is. </al><al/><al/><al><vet>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                                aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al/><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per
                            voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de
                            onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die
                            wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup>
                            bruto vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft
                            gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze
                            capaciteit wordt wel geregistreerd.</al><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit</vet></al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup>
                            bruto vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan
                            worden beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a"><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b"><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                                    (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college
                            opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van
                            wezenlijk belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die
                            plaatsvinden (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten
                            op grond van artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen
                            aan het college worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze
                            mutaties in de gemeentelijke administratie beschikt het college over de
                            meest actuele bruto vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto
                            vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel
                            E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte
                            van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als
                            gevolg van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit
                            niet volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het
                            schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een
                            onevenwichtige indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het
                            bevoegd gezag het college vragen om de capaciteit lager vast te stellen.
                            Het college neemt over dit verzoek een besluit. Besluit het college aan
                            het verzoek van het bevoegd gezag te voldoen, dan registreert het
                            college zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw en
                            de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder
                            onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het
                            bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het
                            college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of
                            gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van
                            het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al/><al><cursief>A1.2 en A1.3 Dislocaties</cursief></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van
                            huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het
                            aantal leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan
                            worden beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd gezag
                            een besluit te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en
                            wordt overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een
                            gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding betaalt. Een
                            schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding betaalt wordt als
                            eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van mening is dat het
                            buiten gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan
                            vindt overleg plaats tussen het bevoegd gezag en het college.</al><al/><al><cursief>A1.4 Terrein</cursief></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de
                            grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het
                            kan voorkomen dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                            grenzen van het schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte
                            van het openbaar groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met
                            het schoolterrein als een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt
                            voor het schoolgebouw het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                            terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><cursief>A1.5 Inventaris</cursief></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                            bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                            bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                            schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                            uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte.
                            Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd
                            waarop het bevoegd gezag tot die datum aanspraak maakte.</al><al/><al><cursief>A1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</cursief></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is
                            van belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een
                            school voor basisonderwijs een school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs, of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet kan
                            worden ingeroosterd.</al><al/><al><cursief>A1.6.2 Terrein</cursief></al><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal
                            bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit
                            bij het Kadaster is vastgelegd. Of de terreinoppervlakte van het lokaal
                            bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van
                            de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs. Als het lokaal
                            bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="a"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel
                                    uit van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="b"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                                    gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het
                                    afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="c"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                                    geregistreerd;</al></li><li nr="d"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en
                                    ligt op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het
                                    niet afzonderlijk geregistreerd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>A1.6.3 Inventaris</cursief></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is
                            wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van
                            het bewegingsonderwijs.</al><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal
                            leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen
                            van de aanvraag op de school aanwezig is. Op basis van het aantal
                            leerlingen wordt de bruto vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte)
                            vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de leerlingenprognose wordt
                            vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte noodzakelijk is. </al><al/><al><cursief><onderstreept>B1 Lesgebouwen</onderstreept></cursief></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een school voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs
                            wordt gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een
                            m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling. Een school voor
                            voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet, die
                            afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="a"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een
                                    nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="b"><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al/><al><cursief>B1.1 School voor basisonderwijs</cursief></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                            basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De
                            basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de
                            som van het aantal ongewogen leerlingen dat op de school voor
                            basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m<sup>2</sup>
                            per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de
                            school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De aanvullende
                            ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de
                            basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                            ruimtebehoefte. Onderdeel hiervan is een speellokaal.</al><al/><al><cursief>B1.2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief></al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            bestaat uit een vaste voet en de som van het aantal leerlingen dat op de
                            school is ingeschreven vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto
                            vloeroppervlakte per leerling. Zowel de vaste voet als de m<sup>2</sup>
                            bruto vloeroppervlakte per leerling zijn afhankelijk van de
                            onderwijssoort. Bij het vaststellen van de ruimtebehoefte wordt
                            onderscheid gemaakt in een:</al><al>– school voor speciaal onderwijs (so);</al><al>– school voor voortgezet speciaal onderwijs (vso);</al><al>– school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (sovso);</al><al>– school voor speciaal onderwijs met een of meer afdelingen, en</al><al>– school voor voortgezet speciaal onderwijs met een of meer
                            afdelingen.</al><al/><al>De ruimtebehoefte bij een school een school voor speciaal of voortgezet
                            speciaal onderwijs wordt vastgesteld op eenmaal de vaste voet, verhoogd
                            met de uitkomst van de afzonderlijk berekende bruto vloeroppervlakte
                            voor het aantal leerlingen van de so- en de vso-component en van de
                            afdelingen. Is sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het aantal
                            leerlingen van een of meer afdelingen bij het aantal leerlingen van de
                            so-component opgeteld.</al><al/><al>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal,
                            dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m<sup>2</sup>.</al><al/><al><cursief>B1.3 School voor voortgezet onderwijs</cursief></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de
                            basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet,
                            vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met de
                            m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de
                            onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet
                            wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet
                            onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt
                            een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of
                            sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt
                            vastgesteld op basis van de door de minister van OCW aan het bevoegd
                            gezag afgegeven beschikking. </al><al/><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de
                            school voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de
                            beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan
                            uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor
                            toestemming heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt
                            dan over de betreffende licenties.</al><al/><al><cursief><onderstreept>B2 Lokalen
                                bewegingsonderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van
                            het totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal
                            bewegingsonderwijs is ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor
                            basisonderwijs of school voor (voortgezet) speciaal onderwijs is
                            afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de
                            school voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal
                            formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de
                            splitsingstabel gehanteerd die het college hanteert bij het vaststellen
                            van de materiele vergoeding. Beschikt de school voor basisonderwijs of
                            de school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet over een
                            speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal
                            bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar.
                            Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen
                            de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft
                            gerealiseerd.</al><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen
                            vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="b"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="c"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </al><al>= saldo capaciteit – vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="d"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan
                                    d</al><al>drempelwaarde<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref></al></li><li nr="e"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li><li nr="f"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op
                                    bekostigen voorziening,</al></li><li nr="g"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op
                                    het bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van
                                    stap 3.</al></li></lijst><al/><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                            vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte
                            is geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling.
                            Heeft de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto
                            vloeroppervlakte geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen
                            aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1
                            en 2 wegens het ontbreken van een speellokaal. In deze situatie kan de
                            school voor basisonderwijs een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen
                            1 en 2 alleen gebruiken als het college hiervoor toestemming verleend,
                            binnen het lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit
                            beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is een huurvergoeding te
                            betalen. </al><al/><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening
                            onderwijshuisvesting uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt
                            van de mogelijkheid om de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te
                            stellen dan de feitelijke bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw
                            (zie toelichting deel A). Heeft deze situatie zich voorgedaan, dan wordt
                            in de berekening voor het vaststellen van het aantal m<sup>2</sup>
                            uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil tussen de
                            feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde capaciteit kan
                            worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan
                            geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de
                            toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het
                            verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het
                            toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in
                            combinatie met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De
                            definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die moeten
                            blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van
                            uitsluitend de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie
                            van aanpassing met een eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment
                            dat wordt vastgesteld dat de investeringskosten van de aanpassing hoger
                            zijn dan de investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het
                            gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden. </al><al/><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de
                            voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde
                            ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger is dan de bruto
                            vloeroppervlakte van de bestaande capaciteit. De wijze waarop de
                            ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort.
                            Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt onderscheid
                            gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a"><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt
                                    toegekend de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er
                                    wordt dus geen rekening gehouden met de drempel van 10%;</al></li><li nr="b"><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt
                                    toegekend het aantal m<sup>2</sup> dat de 10% overschrijdt, de
                                    aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen
                                    de bestaande capaciteit opvangen<extref doc=""><sup>[2]</sup><sup/></extref>.</al></li></lijst><al><cursief><onderstreept>C1 en C2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorzieningen </onderstreept></cursief></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik
                            bestemde voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is
                            afhankelijk van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is.
                            Bij een periode van:</al><lijst><li nr="a"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="b"><al>4 jaar tot 12 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde huisvesting;</al></li><li nr="c"><al>langer dan 12 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik
                                    bestemde huisvesting.</al></li></lijst><al/><al><cursief><onderstreept>C3 Overige voor blijvend gebruik of voor
                                    tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</onderstreept></cursief></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                            ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw.
                            Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                            gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al/><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde
                            leegstand in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde
                            ruimtebehoefte en de afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging
                            waar het medegebruik kan worden gerealiseerd.</al><al/><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van
                            het schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal
                            noodzakelijke oppervlakte voor een school voor basisonderwijs of voor
                            een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs is opgenomen in deel D.
                            Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen,
                            of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook. </al><al/><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de
                            uitbreiding is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding.
                            Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv.
                            ingebruikgeving, medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van
                            deze voorziening.</al><al/><al><cursief><onderstreept>C4 Lokalen
                                bewegingsonderwijs</onderstreept></cursief></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs
                            die betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan
                            de bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen
                            voor schoolgebouwen. </al><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref> Drempelwaarde:</al><al>- 55 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school
                            voor basisonderwijs; </al><al>- 50 m2 bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening speciale
                            school voor basisonderwijs of voor een school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs;</al><al>- 40 m2 bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een
                            school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en
                            een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, en</al><al>- 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m2 voor een
                            school voor voortgezet onderwijs.</al><al><extref doc=""><sup>[2]</sup><sup/></extref> LJN BW5954, Raad van State,
                            201107376/1/A2.</al><al/><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                            </vet></al><al/><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan
                            het bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te
                            bepalen. Daarbij moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het
                            Bouwbesluit.</al><al/><al/><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC
                            en artikel 76m, derde lid, van de WVO verplichten de gemeenteraad normen
                            vast te stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze
                            artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de
                            verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op
                            basis van normbedragen </al><al/><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting
                            is de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend
                            zaak belasting (artikel 133 van de WPO, artikel 127 van de WEC en
                            artikel 96c.1 van de WVO. Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet
                            bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al><al/><al><vet>Deel A – Indexering</vet></al><al/><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende </al><al>prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                            normbedrag </al><al>op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                            MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota,
                            wordt gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door
                            de gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 31 van de
                            verordening).</al><al/><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al/><al><vet>Vergoeding voorbereidingskrediet</vet></al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid
                            opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen.
                            Het voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van 8
                            procent (bij projecten tot en met een brutovloer-oppervlakte van 2.500
                            m2) respectievelijk 5% (bij projecten &gt; dan 2.500 m2) van het
                            normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage, of op een percentage van 8
                            procent (bij projecten tot en met een brutovloer-oppervlakte van 2.500
                            m2) respectievelijk 5% (bij projecten &gt; dan 2.500 m2) van het
                            geraamde investeringsbedrag. Nadat het definitieve bedrag van de
                            bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de
                            vergoeding het al beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in
                            mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde bekostiging. </al><al/><al><vet>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals
                            eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en
                            dergelijke en zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="a"><al>een school voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs opgebouwd uit een:</al></li><li nr="b"><al>startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte
                                    en</al></li><li nr="c"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, welk bedrag voor een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs afhankelijk is van
                                    de onderwijssector.</al></li><li nr="d"><al>een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al></li><li nr="e"><al>vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                    spreidingsnoodzaak)</al></li><li nr="f"><al>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                    toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort
                                    (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al></li></lijst><al/><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet
                            onderwijs wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit
                                    bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto
                                    vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b"><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                                    vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c"><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school
                            voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het
                            schoolgebouw moeten worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande
                            ruimten in bruto vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al/><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen,
                            afhankelijk van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen
                            worden toegekend voor bijv. fundering, inrichting van het terrein, het
                            realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving
                            van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk
                            van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al/><al><cursief><onderstreept>A2 Kosten voor
                            terreinen</onderstreept></cursief></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat
                            alle kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop,
                            aanleggen riolering, schoongrond, verklaring, bestrating et cetera) voor
                            rekening van de gemeente komen.</al><al/><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw,
                            of door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande
                            huisvesting (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op
                            een semipermanent gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van
                            tijdelijke huisvesting is afhankelijk van aspecten als de verwachte
                            gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik.
                            Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="b"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="c"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al/><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van
                            het realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst
                            van een vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="a"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een
                                    permanente voorziening, en</al></li><li nr="b"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van
                                    huur van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de
                            kosten van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te
                            huren resp. aan te kopen lokalen.</al><al/><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat
                            gelet op de:</al><lijst><li nr="a"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de
                                    kosten van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor
                                    permanente bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de
                                    tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange termijn
                                    noodzakelijk is);</al></li><li nr="b"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een
                                    huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li></lijst><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot
                            koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al><al/><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor
                            basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. Bij een
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt zowel bij het
                            basisbedrag als het bedrag per m<sup>2</sup> onderscheid gemaakt naar
                            onderwijssoort.</al><al/><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het
                            bedrag van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor
                            voortgezet onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de
                            berekening van vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw.
                            Aanvullende bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet
                            in alle gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="a"><al>ls een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet
                                    ombouwen voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke
                                    ruimte) wordt het verschil in inventariskosten
                                    gecompenseerd;</al></li><li nr="b"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot
                                    algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe
                                    wordt de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze
                                    situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger
                                    bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de
                                    verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt
                                    geregistreerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in </al><al>bedragen voor:</al><lijst><li nr="a"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="b"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="c"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al/><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten
                            wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2,
                            onder a, en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de
                            kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de
                            kosten van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken
                            geen onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg
                            van een constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van
                            deze niet genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten
                            van technische advisering.<extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref></al><al/><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding
                            van het college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding
                            bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met
                            gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de
                            investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die
                            voor rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor
                            voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de
                            exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld
                            door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen
                            volledig voor rekening van het bevoegd gezag. </al><al/><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en
                            wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor
                            voortgezet onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al><al><extref doc=""><sup>[1]</sup><sup/></extref><sup/>BD3606 Raad van
                            State, 200705694/1.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>