<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360808_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD Bollenstreek 2015 Noordwijkerhout</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD Bollenstreek 2015 Noordwijkerhout</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-06-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening re-integratie en loonkostensubsidie Participatiewet ISD
                Bollenstreek 2015 Noordwijkerhout</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet; </al></li><li nr="c."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; </al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de ISD
                                    Bollenstreek;</al></li><li nr="e."><al>de raad: de gemeenteraad.</al></li><li nr="f."><al>Uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de
                                    Participatiewet, de IOAW of IOAZ jonger dan de pensioen
                                    gerechtigde leeftijd.</al></li><li nr="g."><al>startkwalificatie: een Havo of VWO-diploma of een diploma van
                                    het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) niveau 2.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan een persoon uit de doelgroep
                                ondersteuning bieden bij de arbeidsinschakeling en, voor zover het
                                dagelijks bestuur dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op
                                die arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen biedt het dagelijks bestuur maatwerk. Daarbij
                                wordt door het dagelijks bestuur een afweging gemaakt, waarbij
                                gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en
                                capaciteiten van een klant, het meest doelmatig is met het oog op
                                inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor voldoende diversiteit in het
                                aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan bij het bepalen van het aanbod van
                                voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de wettelijke dan
                                wel financiële, maatschappelijke of economische of conjuncturele
                                mogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze
                                verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden
                                en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben
                                in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt (eenmaal per jaar) aan de gemeenteraad
                                een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. Dit verslag kan
                                onderdeel uitmaken van het programmaverslag als bedoeld in de
                                gemeenschappelijke regeling ISD Bollenstreek</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit een of meer
                                subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
                                voorzieningen. Een door het dagelijks bestuur ingesteld subsidie- of
                                budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een
                                specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een plafond instellen voor het aantal
                                personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening een beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het dagelijks
                                bestuur in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij
                                gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan bestaan uit: a. ondersteuning bij het verwerven
                                en behouden van arbeid; b. ondersteuning bij het verbeteren of
                                behouden van de positie op de arbeidsmarkt binnen de maatschappij c.
                                ondersteuning bij het wegnemen van belemmeringen voor de
                                arbeidsinschakeling; d. een loonkosten- of opstapsubsidie</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het tweede lid kan een voorziening tevens bestaan uit:
                                a. de noodzakelijke kosten die samenhangen met de deelname aan een
                                voorziening; b. de kosten ter bepaling van noodzakelijkheid en
                                inhoud van een voorziening; c. de noodzakelijke kosten in verband
                                met loonvormende arbeid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur
                                        niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                        de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie Deze werkstage duurt
                                maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur plaatst de persoon als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan personen behorende tot de doelgroep in
                                staat stellen om voorafgaande aan een regulier dienstverband
                                werkervaring op te doen met behoud van uitkering in de vorm van een
                                proefplaatsing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is de persoon werkervaring op te
                                laten doen in zijn/haar toekomstige functie om daarmee uitval na het
                                dienstverband te voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze proefplaatsing duurt niet langer dan twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur biedt de persoon alleen een proefplaatsing aan
                                indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord
                                worden beïnvloed en hierdoor geen verdringing van reguliere arbeid
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt ten minste vastgelegd het
                                doel van de proefplaatsing alsmede de wijze waarop begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Work First</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan besluiten aan een persoon die behoort tot
                                de doelgroep werk aan te bieden volgens het zogenoemde work
                                firstmodel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadere uitvoeringsregels over het gestelde in het eerste lid worden
                                met inachtneming van de hiervoor geldende wet- en regelgeving
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een
                                traject gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stemt de duur van de in het eerste lid
                                bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever,
                                gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werknemer wordt alleen geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid moet het dagelijks bestuur aan een
                                alleenstaande ouder die niet beschikt over een startkwalificatie en
                                met een ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a
                                van de wet een scholingsaanbod doen dat de toegang tot de
                                arbeidsmarkt bevordert tenzij naar het oordeel van het dagelijks
                                bestuur een dergelijke scholing of opleiding de krachten of
                                bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid moet het dagelijks bestuur aan een
                                persoon die niet beschikt over een startkwalificatie binnen 6
                                maanden na aanvang van de onbeloonde additionele werkzaamheden als
                                bedoeld in artikel 10a van de wet een vorm van scholing of opleiding
                                aanbieden, indien dit kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces, tenzij naar het oordeel van het
                                dagelijks bestuur een dergelijke scholing of opleiding de krachten
                                of bekwaamheden van de persoon te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan in een uitvoeringsbesluit nadere regels
                                stellen ten aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur
                                en de maximale kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan aan de persoon, bedoeld in artikel 2, lid
                                1, een participatieplaats met behoud van het recht op algemene
                                bijstand, IOAW of IOAZ aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling,
                                waarbij voor tenminste 12 uur per week additionele, onbetaalde
                                werkzaamheden worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, kan de
                                participatieplaats niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling
                                van belanghebbenden jonger dan 27 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van een participatiebaan is het opdoen van werkervaring dan
                                wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de participatieplaats is gemaximeerd tot 2 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De participatieplaats kan ten hoogste 2 keer voor de duur van één
                                jaar worden verlengd, onder voorwaarde dat deze participatiebaan bij
                                de eerste verlenging bij een andere werkgever wordt ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een verlenging van de duur van een participatieplaats is slechts
                                mogelijk indien een aanmerkelijke verbetering van de
                                arbeidsmarktpositie van de persoon wordt gerealiseerd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur plaatst de in dit artikel bedoelde persoon
                                alleen dan in een (verlengde) participatieplaats indien deze persoon
                                een schriftelijke overeenkomst vóór het ingaan van de (verlengde)
                                participatiebaan mede heeft ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Deze overeenkomst wordt aangegaan tussen de ISD Bollenstreek, de
                                werkgever bij wie de participatieplaats wordt vervuld en de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                participatieplaats door het dagelijks bestuur bekeken in hoeverre
                                scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                inschakeling in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels
                                stellen m.b.t. de inzet van participatieplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Premie participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een premie toekennen aan personen die
                                gedurende zes maanden een participatieplaats vervullen, als bedoeld
                                in artikel 11 van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie als bedoeld in het eerste lid bedraagt 25% van het in
                                artikel 31, lid 2 sub j van de wet genoemde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd indien bij
                                de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de
                                voorafgaande zes maanden heeft geschonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan
                                een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van
                                een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat
                                hij deze persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen (UWV) advies in voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                dagelijks bestuur selecteert voor deze beoordeling uitsluitend
                                personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het dagelijks bestuur de
                                volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van
                                de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de ISD Bollenstreek
                                beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het dagelijks bestuur
                                met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de (ISD)
                                gemeenten gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                            doelgroep ten aanzien van wie het dagelijks bestuur van oordeel is dat
                            een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is
                            voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het dagelijks bestuur
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt vast of een persoon behoort tot de
                                doelgroep loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hierbij neemt het dagelijks bestuur de volgende criteria in
                                acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het
                                        wettelijk minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot
                                        arbeidsparticipatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) kan het
                                dagelijks bestuur adviseren met betrekking tot het oordeel of een
                                persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt
                                daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om
                                de loonwaarde van een persoon vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het UWV kan het dagelijks bestuur adviseren met betrekking tot de
                                vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Het UWV neemt
                                daarbij de in de bijlage omschreven methode in acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor tenminste de duur van 6 maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen een van de ISD
                                        gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                        minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de ISD
                                Bollenstreek een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer.
                                De begunstigde is de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur verstrekt de no-riskpolis parallel lopend met
                                de duur van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd. Maximaal 1
                                verlening van de no-riskpolis bij het verlengen van een
                                arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd bij dezelfde werkgever is
                                mogelijk met een eigenrisico voor de werkgever van twee weken. De no
                                risk polis kan maximaal voor twee jaar worden ingezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Opstapsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan een tijdelijk loonkostensubsidie, de
                                opstapsubsidie, verstrekken aan werkgevers die met een persoon die
                                behoort tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De opstapsubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van
                                een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen
                                in verband met de indiensttreding van de werknemer.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt nadere regels ten aanzien van de duur
                                van de subsidie, de hoogte en de verplichtingen die aan de subsidie
                                worden verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Voorzieningen schulddienstverlening</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan producten als bedoeld in artikel 4 in het
                            kader van schulddienstverlening ten behoeve van een persoon aanbieden.
                            Zoals bijvoorbeeld preventie, intake, cursussen, advies, begeleiding,
                            bemiddeling, nazorg, WSNP-verklaring.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel></kop><al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                            volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van
                            de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van
                            belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                                    wet; en</al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, zevende lid van de wet.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 , die
                                moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan na afloop van de in het tweede lid,
                                onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013 blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening re-integratie
                                    en loonkostensubsidie Participatiewet ISD Bollenstreek
                                    2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage bij artikel 17 van de Verordening re-integratie en
                        loonkostensubsidie Participatiewet ISD Bollenstreek</titel></kop><tussenkop>Wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld</tussenkop><al>In de Participatiewet staat dat de methodiek van Loonwaardebepaling moet worden
                    uitgewerkt in de verordening. In de verordening beschrijven we de methodiek van
                    loonwaardebepaling en wie het uitvoert. Het dagelijks bestuur kan hierbij
                    gebruik malen van de ‘werkwijze vaststelling loonwaarde UWV’ om de loonwaarde
                    van een persoon te bepalen. In deze bijlage zijn de stappen beschreven om de
                    loonwaarde vast te stellen. Deze werkwijze is afgestemd met het UWV en met de
                    regio Holland Rijnland en voldoet aan de door het Rijk gestelde voorwaarden
                    (zorgvuldig, geobjectiveerd en transparant).</al><al>Hierna wordt de werkwijze omschreven.</al><al>Nb. De rekenformule is als volgt: </al><al> %Tijdsbesteding werknemer in de taak x %Tempo x %Kwaliteit x
                    %Inzetbaarheid.</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colwidth="9*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colwidth="0*"/><colspec colname="col4" colwidth="18*"/><colspec colname="col5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colwidth="12*"/><colspec colname="col7" colwidth="17*"/><colspec colname="col8" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col7" namest="col5"><al>Arbeidsprestatie</al></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>taak</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>tijdsbesteding</al><al>norm</al></entry><entry colname="col4"><al>tijdsbesteding</al><al>werknemer </al></entry><entry colname="col5"><al>tempo</al></entry><entry colname="col6"><al>kwaliteit</al></entry><entry colname="col7"><al>inzetbaarheid</al></entry><entry colname="col8"><al>Loonwaarde</al><al>t.o.v. </al><al>de gezonde</al><al>soortgelijke</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>     %</al></entry><entry colname="col4"><al>     %</al></entry><entry colname="col5"><al>     %</al></entry><entry colname="col6"><al>     %</al></entry><entry colname="col7"><al>     %</al></entry><entry colname="col8"><al>     %</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry><entry colname="col3" nameend="col7" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col8"><al>     % (G)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>UWV legt deze gegevens vast in een rapportage. Daarin vermelden we de
                    onderzoeksactiviteiten, de resultaten van het onderzoek en het advies over de
                    loonwaarde. </al><al/><tussenkop>Toelichting op de Verordening re-integratie en loonkostensubsidie
                    Participatiewet ISD Bollenstreek 2015</tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het dagelijks bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal
                    punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college (dagelijks bestuur) noodzakelijk
                    geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is
                    ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het
                    dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><al/><tussenkop>Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Deze verordening geeft ook uitvoering aan artikel 6, tweede lid, van de
                    Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de gemeenteraad bij
                    verordening regels vast te stellen over de doelgroep loonkostensubsidie en de
                    loonwaarde. De regels dienen in ieder geval te bepalen:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort, en</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al></li></lijst><al>Het college (dagelijks bestuur) kan op verzoek of ambtshalve vaststellen wie tot
                    de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 10c van de Participatiewet).
                    Personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en van wie is
                    vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen
                    van het wettelijk minimumloon, behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie
                    (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).</al><al>Heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                    dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het dagelijks bestuur in beginsel de
                    loonwaarde van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde
                    legt het dagelijks bestuur vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken
                    persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor
                    de door een persoon - die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie -
                    verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in
                    die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                    ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet).</al><al>De loonkostensubsidie zoals beschreven in deze verordening kan uitsluitend
                    worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    Participatiewet: mensen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van
                    loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor
                    een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert de gemeente
                    werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer (zie Kamerstukken
                    II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 60).</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Artikel 1. BegrippenBegrippen die al zijn omschreven in de
                    Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b , van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid,
                            onderdeel b van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de WIA
                            tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende
                            twee aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt en ten
                            behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als
                            bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><al/><tussenkop>Mantelzorg </tussenkop><al>Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid onderdeel b, van
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning).</al><al>Het gaat hier om: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                    beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                    omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie
                    en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. </al><al/><al><cursief>Loonwaarde</cursief> (artikel 6, eerste lid, onderdeel g,
                    Participatiewet): vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de
                    door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte
                    arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie
                    van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die
                    niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort;</al><al>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering Op grond van artikel 8a,
                    tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de
                    verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij rekening
                    wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die
                    personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is
                    in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een
                    handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en
                    waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle
                    mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen
                    van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                    voorgaande uitvoering gegeven.</al><al/><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college (dagelijks bestuur) moet bij de inzet van de voorzieningen rekening
                    houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In
                    artikel 2, lid 4 is opgenomen waarmee het dagelijks bestuur in ieder geval
                    rekening moet houden.</al><al/><tussenkop>Verslag doeltreffendheid</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur zendt eenmaal per jaar een verslag over de
                    doeltreffendheid van het re-integratiebeleid. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Budget- en subsidieplafonds </tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    demiddelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan
                    gebeuren. Hetuitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om aanvragen voorvoorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de
                    gemeente bij verordeningbudget- en subsidieplafonds instellen. </al><al>Het ontbreken van financiële middelen alleen kan geen reden zijn voor de
                    afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere,
                    goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een
                    plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken. </al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. </al><al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een
                    subsidieplafond dient wel bekend gemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze
                    geldt (art. 4:27, lid 1 Awb)</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    (dagelijks bestuur) aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening
                    gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op
                    termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de
                    afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op
                    bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het
                    doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden
                    of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al>In het tweede lid wordt wederom de reikwijdte van het palet aan voorzieningen
                    aangegeven. </al><al><cursief>Onderdeel a.</cursief> spreekt zowel over het verwerven als behouden
                    van arbeid, waarmee wordt aangegeven dat ook voorzieningen kunnen worden ingezet
                    in de preventieve sfeer.</al><al><cursief>Onderdeel b.</cursief> spreekt over voorzieningen ter verbetering of
                    behouden van de positie op de arbeidsmarkt of binnen de maatschappij. Gedacht
                    kan dan onder meer worden aan leerwerktrajecten en scholingen, maar ook aan een
                    resocialisatie traject, wanneer een sociaal isolement dreigt.</al><al><cursief>Onderdeel c.</cursief> meldt voorzieningen om belemmeringen weg te
                    nemen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan een
                    schulddienstverleningstraject, voor zover is vastgesteld dat de schulden een
                    belemmering binnen de verdere arbeidsintegratie van betrokkene vormen. </al><al><cursief>Onderdeel d</cursief>. spreekt voor zich. De opstapsubsidie is
                    overigens een bijzondere vorm van de loonkostensubsidie.</al><al>Lid 3</al><al>in het derde lid wordt het palet aan voorzieningen nog uitgebreid met
                    voorzieningen die bepaalde met de arbeidsinschakeling noodzakelijk verband
                    houdende kosten kunnen dekken. </al><al><cursief>Onderdeel a.</cursief> ziet daarbij vooral op de kosten die de
                    betrokkene moet maken om deel te kunnen nemen aan de voorziening. Denk daarbij
                    aan reiskosten, kosten voor kinderopvang of zelfs - indien noodzakelijk –
                    verhuiskosten.</al><al><cursief>Onderdeel b.</cursief> ziet op de kosten die noodzakelijkerwijs moeten
                    worden gemaakt om de aard en omvang van de eventueel in te zetten voorziening te
                    bepalen. Denk hierbij onder meer aan een assessment.</al><al><cursief>Onderdeel c.</cursief> ziet tenslotte op kosten in verband met de
                    loonvormende arbeid. Gedacht moet dan worden aan de werkgeverskosten die
                    rechtstreeks verband hebben met de arbeidsinschakeling activiteiten van een
                    persoon uit de doelgroep. </al><al/><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                    beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                    ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen
                    van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                    opgenomen in artikel 4, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt
                    bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt.
                    Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van
                    de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b 35, vierde lid,
                    onderdeel b en 36, derde lid, onderdelen b van de WIA. Voor deze doelgroep geldt
                    dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het
                    moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                    aaneengesloten jaren tenminste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                    persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden
                    teruggevorderd.<sup/> Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Werkstage</tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft bepaald
                    dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van
                    arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en
                    ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen
                    sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte
                    stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding
                    worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                    kosten.</al><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het dagelijks bestuur kan een persoon die behoort
                    tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest
                    op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                    werkloosheid (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening). Van
                    langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf
                    aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een
                    dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit
                    hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen
                    inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand
                    tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het dagelijks bestuur bevoegd hem een
                    werkstage aan te bieden. </al><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><al> Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Gekozen is een
                    termijn van maximaal zes maanden. De werkstage wordt niet als een
                    participatiebaan gezien wanneer deze maximaal 6 maanden duurt en er naar het
                    oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij
                    degenen bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of grotere omvang
                    die aanvangt of aansluitend op die zes maanden. De regels m.b.t. de premie en
                    scholing ten aanzien van de participatiebanen zijn hier dan niet van toepassing. </al><al>Geen verdringing</al><al>In het vierde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al>Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vijfde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst (stage overeenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                    van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Proefplaatsing</tussenkop><al>Om belemmeringen bij werkgevers weg te nemen ten aanzien van het in dienst nemen
                    van personen die langere tijd uit het arbeidsproces zijn, kan het college een
                    proefplaats aanbieden. Dit houdt in dat de uitkeringsgerechtigde voor de periode
                    genoemd in het derde lid, met behoud van uitkering, bij een werkgever gaat
                    werken. Het dient een werkgever te betreffen die de intentie heeft om een
                    dienstverband met de uitkeringsgerechtigde aan te gaan, maar voorafgaand hieraan
                    in de dagelijkse praktijk wil toetsen of de uitkeringsgerechtigde geschikt
                    is.</al><al>De proefplaatsing heeft grote overeenkomsten met de werkstage. Het belangrijkste
                    verschil is het feit dat bij de proefplaatsing de intentie nadrukkelijk is, de
                    persoon na afloop van de proefplaatsing in dienst te nemen.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Work First</tussenkop><al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden een Work first aanpak te bieden.
                    Work first is een algemene, landelijk gehanteerde term voor trajecten waarbij
                    het doel is om klanten zeer snel voor een bepaalde periode een bepaald aantal
                    uur werk aan te bieden. Naast deze werkzaamheden blijft deze persoon op zoek
                    naar regulier werk. Tevens bekijkt de ISD Bollenstreek samen met de klant en het
                    werkvoorzieningsschap wat de beste manier is om verdere ondersteuning te bieden. </al><al/><tussenkop>Artikel 8. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder
                    'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<sup/></al><al>Doelgroep sociale activering Het dagelijks bestuur kan aan een persoon die
                    behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                    activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                    geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                    voorziening (artikel 8 eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<sup/></al><al> Het dagelijks bestuur stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het derde lid geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid om de duur van
                    activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het dagelijks
                    bestuur moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                    persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een
                    al te rigide termijn moeilijk zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. </al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. </al><al>Voor het derde lid (geen verdringing) wordt verwezen naar de toelichting bij het
                    artikel over de werkstage (artikel 5, lid 4).</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Scholing </tussenkop><al>Uitgangspunt is de kortste weg naar uitstroom naar reguliere algemeen
                    geaccepteerde arbeid, waaronder ook gesubsidieerde arbeid. Als het vinden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet lukt, komt pas scholing aan de orde. Bij de
                    beoordeling van scholing staat arbeidsrelevantie voorop.</al><al/><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al>Het dagelijks bestuur dient bij voorrang de re-integratie(participatieplicht
                    voor alleenstaande ouders zonder startkwalificatie, die de volledige zorg hebben
                    voor een of meer tot zijn laste komende kinderen tot vijf jaar en die om
                    ontheffing van de arbeidsplicht hebben verzocht, tenminste in te vullen met
                    scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, mits dit
                    niet de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat. Welke
                    scholing in individuele gevallen zal worden aangeboden is afhankelijk van de
                    individuele omstandigheden en wordt bepaald door het college in samenspraak met
                    de alleenstaande ouder.</al><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden
                    hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012
                    geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het dagelijks bestuur aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 11 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Participatieplaats</tussenkop><al>In lid 1 en 3 wordt bepaald wat een participatieplaats inhoudt.</al><al>De onbeloonde additionele werkzaamheden hebben als belangrijkste doel het opdoen
                    van vaardigheden in een instelling of bedrijf, waardoor uitstroom naar betaald
                    werk (op langere termijn) mogelijk wordt gemaakt.</al><al>De Wet stimulering arbeidsparticipatie maakt het nodig om hierover regels te
                    stellen. </al><al>Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid van artikel 10 van
                    de wet worden primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan
                    die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden
                    verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot
                    verdringing op de arbeidsmarkt. Additioneel houdt in dat het een speciaal
                    gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie die een
                    uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Hij zal
                    minder productief zijn dan zijn collega’s op een reguliere arbeidsplaats. </al><al>In lid 2 wordt aangegeven dat er voor belanghebbenden jonger dan 27 jaar geen
                    participatieplaats ingezet kan worden. </al><al>Het dagelijks bestuur verstrekt aan de belanghebbende, telkens nadat hij
                    gedurende zes maanden op grond van artikel 10a van de wet werkzaamheden
                    verricht, een premie. Belanghebbende moet in die zes maanden voldoende hebben
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces.</al><al>De voorwaarden voor deze premie staan vermeld in artikel 21 van deze
                    verordening.</al><al>In lid 4 tot en met 6 worden de voorwaarden voor de duur en de verlenging
                    gegeven.</al><al>De maximale duur dat betrokkene werkzaamheden kan verrichten met behoud van
                    uitkering is twee jaar. Andere vormen van werken met behoud van uitkering van
                    betrokkene (zoals work first of de werkstage) tellen ook mee voor de maximale
                    duur van twee jaar. Dit om te voorkomen dat de maximale duur van een
                    participatiebaan op een oneigenlijke manier wordt opgerekt.</al><al>Negen maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats moet het
                    college beoordelen of de werkzaamheden de kans op werk van betrokkene hebben
                    vergroot. Indien dit niet het geval is, ligt het niet in de rede dat de
                    participatieplaats wordt voortgezet.</al><al>In lid 7 en 8 wordt bepaald dat er voor de participatieplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                    participatieplaats worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                    participatieplaats niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al>In lid 9 wordt geregeld dat het dagelijks bestuur scholing of een opleiding
                    biedt aan diegene die niet beschikt over een startkwalificatie na een periode
                    van zes maanden na aanvang van de werkzaamheden. Deze scholing of opleiding moet
                    de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen. </al><al>Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien dit naar het oordeel van het
                    dagelijks bestuur niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                    het arbeidsproces van belanghebbende.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Premie Participatieplaats</tussenkop><al>In artikel 10a van de Participatiewet is bepaald dat de raad regels stelt met
                    betrekking tot de hoogte van de premie voor personen die op een participatiebaan
                    voor minimaal 12 uur geplaatst zijn. </al><al>De hoogte van de premie bedraagt 25% van het in artikel 31, lid 2 sub j van de
                    wet genoemde bedrag en wordt op basis van dwingende wettelijke voorschriften
                    iedere 6 maanden verstrekt.</al><al>Deze premie is onbelast en werkt niet door bij inkomensafhankelijke
                    regelingen.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                    uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                    beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek
                    nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                    verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al>Het betreft hier een kan bepaling. Het dagelijks bestuur behoeft deze
                    voorziening dus niet aan te bieden. Een en ander zal mede afhangen van de
                    financiële mogelijkheden in relatie tot de andere doelgroepen. Maar indien het
                    dagelijks bestuur er toe zou besluiten dan geldt het hierna volgende.</al><al/><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de ISD
                    Bollenstreek een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het dagelijks
                    bestuur welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk
                    moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie
                    uitvoeren.<sup/> Daarom is in het tweede lid bepaald dat het dagelijks bestuur
                    uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor
                    de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Vaak zullen dit personen zijn met een loonwaarde van
                    30% of minder. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte
                    afstand tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die
                    uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het dagelijks bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in
                    een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het dagelijks bestuur maakt
                    uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het dagelijks bestuur moet
                    bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de
                    beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving
                    onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het dagelijks bestuur
                    met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk
                    behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van
                    landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de ISD Bollenstreek of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort.
                    Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de ISD Bollenstreek besluiten
                    het advies niet te volgen.<sup/></al><al/><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de ISD Bollenstreek ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                    beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.<sup/></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.<sup/></al><al/><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                    hoeveel plekken voor beschut werk de ISD Bollenstreek beschikbaar stelt. Het
                    aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij
                    werkgevers. Daarom moet het dagelijks bestuur overleg voeren met partners om de
                    omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het dagelijks bestuur moet dan wel van
                    oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet
                    zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en
                    volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college (dagelijks
                    bestuur) uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                    personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.<sup/> In het
                    kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat
                    het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college (dagelijks
                    bestuur) onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan
                    achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                    startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er
                    wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan
                    personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de
                    Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de
                    Participatiewet.]</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                    zijn.<sup/>]</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie
                    behoort</tussenkop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of
                    een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                    aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid onderdeel b van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de
                            WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college
                    (dagelijks bestuur) is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep
                    loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeenten
                    (ISD Bollenstreek) om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot
                    de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt
                    ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 15,
                    tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze
                    cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van
                    de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie
                    vastgelegd.</al><al>Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie kan
                    het(dagelijks bestuur) zich laten adviseren door het UWV.</al><al>(Dit advies zal in een enkel geval niet altijd nodig zijn als de loonwaarde
                    bijvoorbeeld uit andere bron bekend is.)</al><al>Het dagelijks bestuur draagt personen voor die zouden kunnen behoren tot de
                    doelgroep loonkostensubsidie, het UWV adviseert en neemt daarbij eveneens de in
                    het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist het
                    dagelijks bestuur of iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten
                    worden het advies niet te volgen. En zoals vermeld in incidentele gevallen
                    behoeft er geen advies bij het UWV te worden ingewonnen</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Vaststelling loonwaarde</tussenkop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens
                    is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het dagelijks bestuur de
                    loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist. Het UWV
                    is in de regel de instantie die het dagelijks bestuur met betrekking tot de
                    vaststelling van de loonwaarde van een persoon (artikel 16, tweede lid, van deze
                    verordening). De vastgestelde loonwaarde legt het dagelijks bestuur vast in een
                    beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële)
                    werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. </al><al>In de bijlage bij artikel 16 wordt de methode die het dagelijks bestuur gebruikt
                    om de loonwaarde van die persoon te bepalen omschreven. Deze werkwijze is
                    afgestemd met het UWV en met de Regio Holland Rijnland (notitie: “Instrumenten
                    Loonkostensubsidie onder de Participatiewet en de No Risk Polis”. In incidentele
                    gevallen is de loonwaarde al uit ander bron bekend. In dat geval geldt genoemde
                    procedure niet<sup/>. Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het
                    dagelijks bestuur loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van
                    artikel 10d van de Participatiewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 18. No-riskpolis </tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><al/><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal 6 maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen een
                    van de ISD gemeenten.</al><al/><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>De ISD Bollenstreek moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis
                    een verzekering afsluiten. De ISD Bollenstreek treedt op als verzekeringsnemer.
                    De werkgever is de begunstigde (derde lid).</al><al/><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur vergoedt de no-riskpolis overeenkomstig de duur van een
                    dienstbetrekking voor bepaalde tijd, met een eigen risico voor de werkgever van
                    twee weken. De mogelijkheid bestaat om de no risk polis eenmalig te verlengen
                    bij verlenging van de dienstbetrekking voor bepaalde tijd bij dezelfde
                    werkgever. </al><al/><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Opstapsubsidie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al/><al><cursief>Tijdelijke Compensatie</cursief>Het doel van deze
                    opstapsubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon
                    ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever
                    een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het dagelijks bestuur een
                    opstapsubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in
                    arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.</al><al>De in dit artikel geregelde opstapsubsidie moet worden onderscheiden van de
                    loonkostensubsidie zoals geregeld in artikel 15 van deze verordening (en bedoeld
                    in de artikelen 10c en 10d Participatiewet). </al><al>De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de wet door de
                    Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een
                    arbeidsbeperking. De in dit artikel opgenomen opstapsubsidie is niet
                    noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar geldt voor de
                    hele doelgroep. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt
                    kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van
                    de wet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn
                    tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de
                    wet).</al><al/><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat de opstapsubsidie uitsluitend wordt verstrekt
                    als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een
                    vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing,
                    maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><al>Om begripsverwarring met de nieuwe wettelijke loonkostensubsidie (geregeld in de
                    artikelen 15 en 16) te voorkomen, noemen we deze tijdelijke loonkostensubsidie
                    voortaan “opstapsubsidie”. </al><al/><tussenkop>Artikel 20. Voorziening schulddienstverlening</tussenkop><al>Het hebben van schulden vormt vaak een belemmering bij de re-integratie. Het is
                    dan van belang om de schulden in een zo vroeg mogelijk stadium aan te pakken.
                    Als dat niet gebeurt, is de kans groot dat de re-integratie niet slaagt. Daarom
                    is het mogelijk om schulddienstverlening toe te passen als onderdeel van een
                    re-integratietraject.</al><al/><tussenkop>Artikel 21. Afwijkende bepalingen voor jongeren</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat bij jongeren de volgende incentives en voorzieningen niet
                    tot het re-integratie-instrumentarium behoren: inkomensvrijlating, vrijlating
                    van onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk en plaatsing in
                    participatieplaatsen.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 26 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    Participatieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude Participatie-verordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 22,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Participatieverordening ISD Bollenstreek 2013. Wordt niet meer aan die
                    voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maandenbegint te lopen vanaf het
                    moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al> Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Participatieverordening ISD
                    Bollenstreek 2013 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na
                    inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het
                    dagelijks bestuur besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 22,
                    derde lid). Hierbij kan het dagelijks bestuur rekening houden met al gesloten
                    overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand
                    als het dagelijks bestuur is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening
                    te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening.
                    Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van
                    deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al> Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 6 maanden is niet mogelijk als de
                    voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de
                    voorwaarden voor die voorziening op grond van de Participatieverordening ISD
                    Bollenstreek 2013 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 6
                    maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers
                    niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Participatieverordening ISD
                    Bollenstreek 2013 van toepassing (artikel 26, vierde lid, van deze
                    verordening).</al><al/><tussenkop>Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>