<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360804_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, Ioaw, Ioaz ISD                Bollenstreek 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, Ioaw, Ioaz ISD Bollenstreek 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2019.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, Ioaw, Ioaz ISD
                Bollenstreek 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                                        die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis
                                        als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet
                                        bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                                Intergemeentelijke sociale dienst Bollenstreek;</al></li><li nr="c."><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering
                                                ingevolge de Participatiewet, de IOAW of IOAZ,
                                                jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd; </al></li><li nr="d."><al>WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten.</al></li><li nr="e."><al>WSF 2000: Wet Studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="f."><al>persoonsondersteunend budget: staat gelijk aan
                                                individuele inkomenstoeslag als bedoeld in</al><al> artikel 36 van de wet;</al></li><li nr="g."><al>referteperiode: de onafgebroken periode van 12
                                                maanden, voorafgaande aan de aanvraag
                                                persoonsondersteunend budget, waarin de
                                                belanghebbende aan de voorwaarden van het recht op
                                                een persoonsondersteunend budget heeft voldaan;</al></li><li nr="h."><al>uitkering: uitkering ingevolge de
                                                werknemersverzekeringen, Wajong of een uitkering
                                                ingevolge de Participatiewet, IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>inspanningspremie: financiële beloning in het kader
                                                van het minimabeleid ter bevordering van de
                                                arbeidsinschakeling</al></li><li nr="j"><al>verzoekdatum: de datum waarop de aanvraag wordt
                                                ingediend;</al></li><li nr="k."><al>PW: Participatiewet;</al></li><li nr="l."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="m."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                                gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Persoonsondersteunend budget</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Voorwaarden persoonsondersteunend budget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet en artikel 3
                                        van deze verordening komt in aanmerking voor het
                                        persoonsondersteunend budget de belanghebbende die op de
                                        verzoekdatum en gedurende de referteperiode:</al><lijst><li nr="a."><al>aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger
                                                is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>geen uitzicht heeft op inkomensverbetering en</al></li><li nr="c."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als
                                                bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen uitzicht op inkomensverbetering heeft in ieder geval de
                                        belanghebbende die op de verzoekdatum en gedurende de
                                        referteperiode:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van zijn uitkering volledig is ontheven van
                                                de arbeidsverplichting of</al></li><li nr="b."><al>naar vermogen werkt met een uitkering met een
                                                gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichting
                                                of</al></li><li nr="c."><al>geen uitkering heeft en naar vermogen werkt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een belanghebbende werkt naar vermogen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal uren werkt overeenkomstig de aan hem
                                                opgelegde arbeidsverplichting ingevolge de uitkering
                                                of</al></li><li nr="b."><al>voltijds werkt zoals gebruikelijk in de betrokken
                                                bedrijfstak dan wel in deeltijd maar van hem niet
                                                verlangd mag worden dat hij meer uren werkt als
                                                gevolg van zwaarwegende persoonlijke belemmeringen
                                                en omstandigheden. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Geen recht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen recht op het persoonsondersteunend budget heeft de
                                    belanghebbende die gedurende de referteperiode dan wel op de
                                    verzoekdatum:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger is dan 21 jaar of de pensioengerechtigde leeftijd
                                            heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>een opleiding of studie heeft gevolgd of volgt als
                                            bedoeld in de WTOS dan wel WSF 2000;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gehuwden hebben geen recht op een persoonsondersteunend budget
                                    als een van de beide partners niet voldoet aan de voorwaarden
                                    van het persoonsondersteunend budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Geen samenloop</titel></kop><al>Het recht op het persoonsondersteunend budget sluit het recht op een
                                inspanningspremie, als </al><al>bedoeld in hoofdstuk 3, uit.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Hoogte van het persoonsondersteunend budget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte van het persoonsondersteunend budget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het persoonsgebonden budget bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden € 800,00 per 12 maanden;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande (ouder) € 500,00 per 12
                                                maanden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van het voorgaande lid bedraagt het budget voor
                                        personen die in een inrichting</al><al>verblijven steeds 50% van de in het voorgaande lid genoemde
                                        budget.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur kan het in de leden 1 en 2 genoemde
                                        budget bij nadere regels herzien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Inspanningspremie</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Bevoegdheid dagelijks bestuur en soorten premies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Bevoegdheid dagelijks bestuur</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 31, tweede lid onder j
                                van de wet bevoegd aan uitkeringsgerechtigden, een activeringspremie
                                te verstrekken tot het wettelijk vastgestelde maximum, indien deze,
                                naar het oordeel van het dagelijks bestuur, bijdraagt aan de
                                arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Soorten premies</titel></kop><al>De premie als bedoeld in artikel 6 kan bestaan uit een
                                inspanningspremie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Voorwaarden inspanningspremie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Voorwaarden inspanningspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverlet het bepaalde in de wet zijn voorwaarden tot het op
                                    aanvraag toekennen van de inspanningspremie dat de
                                    uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende een aangesloten periode van 12 maanden is
                                            aangewezen op een uitkering;</al></li><li nr="b."><al>uitzicht heeft op inkomensverbetering; </al></li><li nr="c."><al>de afgelopen 12 maanden geen verlaging op zijn uitkering
                                            heeft ontvangen die gerelateerd is aan zijn
                                            arbeidsinspanningen;</al></li><li nr="d."><al>op de aanvraagdatum ouder is dan 27 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uitzicht op inkomensverbetering heeft in ieder geval de
                                    uitkeringsgerechtigde die op de aanvraagdatum en gedurende de 12
                                    maanden daaraan voorafgaand:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van zijn uitkering een (al dan niet een
                                            gedeeltelijke) arbeidsverplichting heeft;</al></li><li nr="b."><al>naast zijn uitkering niet geheel naar vermogen
                                            werkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde werkt niet geheel naar vermogen indien
                                    hij minder uren werkt dan de aan hem opgelegde
                                    arbeidsverplichting ingevolge de uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Geen samenloop</titel></kop><al>Het recht op inspanningspremie sluit het recht op het
                                persoonsondersteunend budget, als bedoeld in hoofdstuk 2 uit.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Hoogte van de premies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte van de inspanningspremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de inspanningspremie bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Gehuwden € 800 per 12 maanden;</al></li><li nr="b."><al>Alleenstaande (ouder) € 500 per 12 maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan bij nadere regels de in leden 1 en 2
                                    genoemde bedragen herzien.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het bepaalde in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan ten gunste van belanghebbende afwijken van de
                            bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan leidt tot
                            onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Situaties waarin deze verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur of maakt het
                            nadere regels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken oude verordeningen</titel></kop><al>De Verordening langdurigheidstoeslag WWB ISD Bollenstreek 2012-2013
                            wordt ingetrokken per 1 januari 2015, alsmede de (bij de gemeenten Lisse
                            en Noordwijkerhout aangehouden) verordening Persoonsondersteunend budget
                            ISD bollenstreek 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening minimabeleid
                                    en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek
                                    2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening minimabeleid en activering 2015 </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In de notitie “kanteling minimabeleid” 2013, nadien uitgewerkt in de
                    beleidsregels minimabeleid ISD Bollenstreek, is destijds een nieuw minimabeleid
                    beschreven waarin ook vanuit het minimabeleid enerzijds klanten worden
                    gestimuleerd om aan het werk te gaan en anderzijds klanten die dat niet kunnen
                    (extra) financieel worden ondersteund. </al><al>Dit heeft geleid tot de (concept) verordening persoonsondersteunend budget (POB)
                    die in 2014 in werking zou treden. Om een aantal redenen is dit niet gebeurd en
                    is die verordening bij een aantal ISD gemeenten aangehouden en bij anderen niet
                    behandeld.</al><al>Een daarvan was de voorziene wijziging van wetgeving, waarbij de WWB per 1
                    januari 2015 vervangen zal worden door de Participatiewet. </al><al>De Participatiewet brengt een aantal wijzigingen met zich mee. Ten opzichte van
                    de WWB legt</al><al>Participatiewet meer de nadruk op (individueel) maatwerk. Een van de gevolgen
                    van dit uitgangspunt is dat vrijwel alle categoriale minimaregelingen worden
                    afgeschaft en dat de langdurigheidstoeslag (de grondslag voor het POB) vervangen
                    wordt door de individuele inkomenstoeslag.</al><al>Door deze versobering van (onder meer) het minimabeleid hoopt de wetgever te
                    bereiken dat klanten in de bijstand meer geprikkeld worden tot uitstroom
                    (activering).</al><al>Voor bijstandsklanten met een arbeidsverplichting betekent dit dat zij er onder
                    de Participatiewet voor wat betreft het minimabeleid er op achteruit zullen gaan
                    daar zij niet in aanmerking zullen komen voor de individuele inkomenstoeslag.
                    Voorwaarde daartoe is namelijk dat er geen uitzicht bestaat op
                    inkomensverbetering. Zij hebben dat uitzicht evenwel wel, namelijk doordat zij
                    betaald werk kunnen verrichten. Echter de realiteit is dat genoemd uitzicht nog
                    niet betekent dat zij dat betaald werk hebben of ooit zullen verrichten. Met
                    andere woorden: de argumenten die er zijn om bijstandsklanten zonder
                    arbeidsverplichting in aanmerking te laten komen voor de individuele
                    inkomenstoeslag gelden ook voor veel van de bijstandsklanten met de
                    arbeidsverplichting. Vandaar dat er voor gekozen is</al><al>om in de voorgestelde verordening een zogenaamde inspanningspremie op te nemen,
                    waarvan de hoogte (niet toevallig) overeenkomt met de individuele
                    inkomenstoeslag (die ook nu weer is aangeduid met het POB). Dit is ook reden
                    geweest om voor te stellen de bij sommige ISD gemeenten aangehouden
                    conceptverordening POB in te trekken en te vervangen door de onderhavige
                    verordening Minimabeleid en activering (hoofdstuk 4).</al><al>Echter, en hier komt het activerende karakter ervan om de hoek kijken zoals de
                    wetgever deze beoogd heeft, deze premie moet wel verdiend worden.
                    Bijstandsklanten die het afgelopen jaar een maatregel hebben ontvangen
                    gerelateerd aan de arbeidsverplichting ontvangen deze inspanningspremie
                    niet.</al><al>De gedachte erachter is dat de klant die niet of onvoldoende zijn best doet om
                    uit de uitkering te geraken er feitelijk voor kiest om bijstandsafhankelijk te
                    zijn.</al><al>Dan dient hij daarvoor ook niet “beloond” te worden door middel van het
                    minimabeleid zoals dat voorheen wel het geval kon zijn.</al><al>Aldus geldt voor bijstandsklanten met een arbeidsverplichting zowel een
                    beloningssysteem als een sanctiesysteem. Indien zij zich voldoende inspannen
                    richting arbeidsmarkt worden zij (extra) beloond met een inspanningspremie, doen
                    zij dat niet dan wordt een maatregel opgelegd (de bijstand wordt verlaagd) en
                    krijgen ze geen inspanningspremie</al><al>Wij zijn van mening dat hier een sterke activerende prikkel vanuit gaat.</al><al>Aldus kennen wij in het activerende en financieel ondersteunend minimabeleid
                    vanaf 1 januari 2015 de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>algemene voorzieningen (zoals de collectieve aanvullende
                            zorgverzekering);</al></li><li nr="b."><al>het POB voor klanten zonder uitzicht op inkomensverbetering en </al></li><li nr="c."><al>de inspanningspremie voor klanten die dat uitzicht wel hebben</al></li></lijst><al>En tenslotte als sluitstuk: de individuele bijzondere bijstand.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In lid 1 wordt bij het beschrijven van de begrippen die in de verordening
                    voorkomen zoveel als mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de
                    Participatiewet, de IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daar waar
                    mogelijk wordt naar de betreffende artikelen in de Participatiewet verwezen. </al><al>In de verordening is in hoofdstuk 2 in plaats van de aanvraagdatum het begrip
                    verzoekdatum opgenomen. Dit heeft te maken met het feit dat de individuele
                    inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 Participatiewet (=POB) spreekt over
                    “verzoek” in plaats van over “aanvraag”.</al><al>Een verzoek is vormvrij, een aanvraag moet voldoen aan de eisen van de Awb.</al><al>Door de verzoekdatum in deze verordening gelijk te stellen aan de aanvraagdatum
                    wordt bereikt dat </al><al>verzoeken om een POB gedaan moeten worden via de gebruikelijke
                    aanvraagprocedure.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Persoonsondersteunend budget</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Voorwaarden</tussenkop><al>In artikel 2 zijn de voorwaarden voor het recht op persoonsondersteunend budget
                    nader uitgewerkt.</al><al>Net zoals bij de langdurigheidstoeslag (oud) het geval was, is ook hier het
                    inkomen gemaximeerd op 110% van de bijstandsnorm. </al><al>Het criterium “geen uitzicht op inkomensverbetering” krijgt vorm door het
                    persoonsondersteunend budget toe te kennen aan uitkeringsgerechtigden die
                    ontheven zijn van de arbeidsverplichting of aan hen met een volledige
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering of zij die naar vermogen werken.</al><al>De zinsnede “in ieder geval” in lid 2 en aanhef geeft de uitvoering ruimte om
                    het bedoelde criterium ook in bijzondere situaties toe te passen. Een voorbeeld
                    hiervan kan zijn de persoon met een uitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet. Hoe bepaal je of deze persoon al dan niet uitzicht heeft op
                    inkomensverbetering? De verordening geeft hier geen rechtstreeks antwoord op. De
                    oplossing daarvoor zal in de praktijk gevonden moeten worden; eventueel aan de
                    hand van een werkinstructie en of uitvoerende beleidsregels.</al><al>Het “naar vermogen werken” is uitgewerkt in lid 3. Het hebben van kinderen is in
                    principe geen zwaarwegende omstandigheid of belemmering om meer uren te gaan
                    werken. Er zijn immers in de regel) kinderopvangmogelijkheden. Dit ligt mogelijk
                    anders indien er sprake is van een gehandicapt kind dat thuis verzorging
                    behoeft. Dit zal maatwerk zijn.</al><al>Op deze wijze wordt recht gedaan aan artikel 36 van de wet waarbij bij het
                    toekennen van de individuele inkomenstoeslag (= het POB) rekening moet worden
                    gehouden met de omstandigheden van de persoon (nader uitgewerkt in artikel 36
                    lid 2 van de wet).</al><tussenkop>Artikel 3. Geen recht</tussenkop><al>In lid 1, onderdelen a en b, is in overeenstemming met de wet en voor de
                    duidelijkheid opgenomen dat bedoelde groepen geen recht hebben op POB.</al><al>Meer in het algemeen is het zo dat als men geen recht heeft op bijstand
                    (bijvoorbeeld gedetineerden), of daarvan is uitgesloten (bijvoorbeeld personen
                    die uit ’s rijkskas bekostigd onderwijs hadden kunnen volgen), men ook geen
                    recht heeft op de individuele inkomenstoeslag / POB. </al><al>Bij gehuwden geldt dat beide echtelieden moeten voldoen aan de voorwaarden op
                    een persoons-ondersteunend budget. Het is dan ook niet mogelijk dat gehuwden
                    zowel recht hebben op een persoonsondersteunend budget (geen uitzicht op
                    inkomensverbetering) als op een inspannings-premie (wel uitzicht op
                    inkomensverbetering). </al><tussenkop>Artikel 4. Geen samenloop</tussenkop><al>Hoewel een en ander al uit de systematiek van de verordening voortvloeit, is
                    hier voor de duidelijkheid opgenomen dat wanneer men recht heeft op het POB
                    (geen uitzicht op inkomensverbetering) men geen recht kan hebben op een
                    inspanningspremie (wel uitzicht op inkomensverbetering).</al><tussenkop>Artikel 5. Hoogte van het persoonsondersteunend budget</tussenkop><al>De hoogte van het persoonsondersteunend budget is afhankelijk van de
                    gezinssituatie: is sprake van een alleenstaande of is er sprake van gehuwden (
                    gezamenlijke huishouding).</al><al>De toeslag voor een alleenstaande is gelijk aan die van een alleenstaande ouder.
                    Voor het persoonsondersteunend budget is het niet relevant of tot het huishouden
                    kinderen behoren.</al><al>Indien tot het huishouden wel kinderen behoren, gelden de zogenaamde
                    kindregelingen.</al><al>Voor belanghebbenden in een inrichting/instelling geldt een lager budget daar
                    zij lagere bestaanskosten hebben.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Inspanningspremie</tussenkop><tussenkop>Artikel 6. Bevoegdheid dagelijks bestuur</tussenkop><al>In de Participatiewet is geregeld dat een premie tot een aangegeven bedrag
                    jaarlijks kan worden vrijgelaten voor zover dit naar het oordeel van het college
                    (lees: dagelijks bestuur) bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.</al><al>Van deze bepaling is gebruik gemaakt om in het minimabeleid te bepalen dat
                    klanten die uitzicht hebben op inkomensverbetering (en derhalve de
                    arbeidsverplichting hebben) geen recht hebben op een persoonsondersteunend
                    budget maar onder voorwaarden wel op een inspanningspremie.</al><al>De inspanningspremie heeft daarnaast het effect dat het de klant aanspoort om op
                    zoek te gaan naar reguliere arbeid en aldus bijdraagt aan zijn
                    arbeidsinschakeling.</al><tussenkop>Artikel 7. Soorten premies</tussenkop><al>De premie bestaat uit een inspanningspremie. De hoogte van de premie is
                    aangegeven in artikel 10.</al><al>Om in aanmerking te kunnen komen, moet de uitkeringsgerechtigde in ieder geval
                    gedurende een aangesloten periode van 12 maanden uitkering ontvangen dan wel
                    hebben ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 8. Voorwaarde inspanningspremie</tussenkop><al>De inspanningspremie is bestemd voor de uitkeringsgerechtigde jonger dan de
                    pensioengerechtigde leeftijd die zich in een periode van 12 maanden heeft
                    ingespannen om werk te vinden. </al><al>Om vast te stellen dat hij zich heeft ingespannen geldt dat hij in de die 12
                    maanden geen verlaging heeft ontvangen op grond van de Afstemmingsverordening
                    Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015 (of Maatregelenverordeningen
                    –oud) die gerelateerd is aan zijn arbeidsverplichting.</al><al>Heeft de uitkeringsgerechtigde met een arbeidsverplichting in het afgelopen 12
                    maanden geen verlaging opgelegd gekregen gerelateerd aan zijn
                    arbeidsinspanningen, dan bestaat er recht op inspanningspremie. Indien hij wel
                    een zodanige verlaging heeft opgelegd gekregen, dan is er geen recht. Gelet op
                    het bepaalde in artikel 31 lid 7 van de wet bestaat er geen inspanningspremie
                    voor jongeren tot 27 jaar. De bepaling die de vrijlating regelt van bedoelde
                    premie is immers op hen niet van toepassing. </al><al>Dit alles brengt tevens met zich mee dat het dagelijks bestuur in het kader van
                    zijn handhavingsbeleid er op moet toezien dat klanten met de arbeidsverplichting
                    zich daadwerkelijk inspannen richting de arbeidsmarkt. Het minimabeleid en de
                    handhaving zijn daarmee ondersteunend aan de re-integratie.</al><al>Lid 2 geeft een nadere uitwerking van het criterium uitzicht op
                    inkomensverbetering.</al><al>En komt daarmee (grotendeels en in spiegelbeeld) overeen met artikel 2 lid 2,
                    zij het dat het alleen betrekking heeft op uitkeringsgerechtigden.</al><al>Lid 3 doet hetzelfde ten aanzien van het niet naar vermogen werken (vgl. artikel
                    2 lid 3).</al><tussenkop>Artikel 9. Geen samenloop</tussenkop><al>Hoewel een en ander al uit de systematiek van de verordening voortvloeit, is
                    voor de duidelijkheid opgenomen dat wanneer men recht heeft op de
                    inspanningspremie (uitzicht op inkomensverbetering) men géén recht kan hebben op
                    het POB (geen uitzicht op inkomensverbetering).</al><tussenkop>Artikel 10. Hoogte van de inspanningspremie</tussenkop><al>De hoogte van de inspanningspremie komt overeen met de hoogte van het POB en is
                    dus ook afhankelijk van de gezinssituatie. Voor de hoogte van de
                    inspanningspremie is het niet relevant of tot het huishouden kinderen behoren.
                    Indien tot het huishouden kinderen behoren, gelden de zogenaamde
                    kindregelingen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 12. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 13. Situaties waarin deze verordening niet voorziet</tussenkop><al>Het betreft hier een delegatiebepaling aan het dagelijks bestuur in gevallen
                    waarin de verordening</al><al>niet voorziet. Het spreekt dat het dagelijks bestuur daarbij de kaders van de
                    wet en deze verordening in acht moet nemen. </al><tussenkop>Artikel 14. Intrekken oude verordeningen</tussenkop><al>De gemeenteraden Lisse en Noordwijkerhout hebben destijds de oude verordening
                    POB vastgesteld en vervolgens op verzoek van de ISD Bollenstreek deze
                    aangehouden.</al><tussenkop>Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>