<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360760_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015 Noordwijkerhout</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening PW, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015
                Noordwijkerhout</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1.De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                            worden omschreven, hebben</al><al> dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), het Besluit
                            bijstandsverlening zelfstandigen </al><al> (Bbz), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze </al><al> werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte </al><al> gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
                            tenzij anders is </al><al> aangegeven.</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bijstandsnorm:</al></li></lijst></li></lijst><al>1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c,
                            van de PW, of</al><al>2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of
                            artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond
                            van de IOAW of de IOAZ;</al><al>3°voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben
                            ontvangen, wordt onder bijstandsnorm verstaan de norm die op grond van
                            artikel 78f van de PW op hen van toepassing is;</al><al>b.uitkering: algemene bijstand op grond van de PW of een uitkering op
                            grond van de IOAW of de</al><al> IOAZ;</al><lijst><li nr="c."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek;</al></li><li nr="d."><al>PW: de Participatiewet;</al></li><li nr="e."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze</al></li></lijst><al> werknemers;</al><al>f.IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen</al><al> zelfstandigen;</al><al>g.Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al>1.De verlaging van de uitkering wordt afgestemd op de ernst van de
                            gedraging, de mate waarin de</al><al> belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                            waarin hij verkeert.</al><al>2.Is sprake van een verlaging van de uitkering wegens een of meer
                            gedragingen als bedoeld in artikel</al><al> 18, vierde lid van de Participatie, dan wordt die verlaging – in
                            afwijking van het eerste lid – </al><al> afgestemd op basis van artikel 18, negende en tiende lid, van de
                            Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering wordt
                            in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1.Voordat een verlaging van de uitkering wordt opgelegd, wordt een
                            belanghebbende in de</al><al> gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en</al></li></lijst></li></lijst><al> zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                            voorgedaan;</al><al>c.het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                            van de ernst van de</al><al> gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of</al><al>d.belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><al> 1. Het dagelijks bestuur ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door
                                    het dagelijks bestuur heeft</al></li></lijst><al> plaatsgevonden.</al><al>2.Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                            dringende redenen aanwezig</al><al> acht.</al><al>3.Als het dagelijks bestuur afziet van een verlaging op grond van
                            dringende redenen, wordt een</al><al> belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><al>1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering en/of bijzondere
                            bijstand die is verleend met</al><al> toepassing van artikel 12 van de PW over de kalendermaand volgend op de
                            maand waarin het</al><al> besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is
                            bekendgemaakt. Daarbij </al><al> wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                            bijstandsnorm.</al><al>2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging met terugwerkende
                            kracht worden toegepast, voor</al><al> zover de uitkering of bijzondere bijstand nog niet is uitbetaald.</al><al>3.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                            als gevolg van de beëindiging of</al><al> intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de
                            verlaging dat nog niet is </al><al> uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn,
                            bedoeld in artikel 5, eerste lid, </al><al> onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al><al>4.In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                            betreft die een uitkering voor</al><al> levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz
                            hebben ontvangen, de </al><al> verlaging worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden
                                    toegepast op <vet>de bijzondere bijstand</vet> als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de</al><al> PW, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie
                                            met zijn recht op bijzondere bijstand</al><al> daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                    hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’</al></li></lijst><al> worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12
                            van de PW </al><al> verleende bijzondere bijstand’.</al><al>4.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                            hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’</al><al> worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 5. In afwijking
                            van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de
                            bijzondere bijstand voor </al><al> premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                            voor levensonderhoud </al><al> krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen. Bij toepassing van
                            deze verlaging moet in de </al><al> hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende
                            bijzondere bijstand voor </al><al> premie arbeidsongeschiktheidsverzekering’.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen PW</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a en 55 van de PW niet of onvoldoende wordt nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>a.<vet>eerste categorie</vet>: het zich niet tijdig laten registreren
                            als werkzoekende bij het Uitvoerings-</al><al>instituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                            de registratie;</al><al>b.<vet>tweede categorie</vet>: </al><al>1° het niet of onvoldoende verrichten van een door het dagelijks bestuur
                            opgedragen </al><al>tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                            onderdeel c, van de PW;</al><al>2° het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                            evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de
                            PW;</al><al>3° het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                            artikelen 9, eerste lid, of 55 van de PW, voor zover het gaat om een
                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding
                            als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW, voor zover
                            deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van
                            de PW;</al><al>4° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen
                            als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de PW niet te
                            willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van
                            de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a,
                            eerste lid, van de PW;</al><lijst><li nr="c."><al><vet>derde categorie</vet>: het niet naar vermogen proberen
                                    algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet
                                    voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, van de PW;</al></li><li nr="d."><al><vet>vierde categorie</vet>: het door houding of gedrag
                                    belemmeren van het aanvaarden of behouden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid, voor zover dit niet voortvloeit uit een
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de PW. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet
                            of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>eerste categorie</vet>: het zich niet tijdig laten
                                    registreren als werkzoekende bij het Uitvoerings-</al><al> instituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al><vet>tweede categorie</vet>:</al><al> 1° het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                    dagelijks bestuur opgedragen </al></li></lijst><al>tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                            onderdeel f, van de</al><al>IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ;</al><al> 2° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                            verplichtingen als bedoeld in</al><al>artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste
                            lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid
                            tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                            alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW
                            of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ.</al><al>c.<vet>derde categorie</vet>:</al><al>c. 1° het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het dagelijks
                            bestuur</al><al>aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de
                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en
                            de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                            IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                            voortijdige beëindiging van die voorziening;</al><al>2° het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar zijn
                            of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. </al><al>d.<vet>vierde categorie</vet>: het door eigen toedoen niet behouden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
                            onder a of b, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van
                            de IOAZ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>15 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                        maand</vet> bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al><vet>50 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                        maand</vet> bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                        maand</vet> bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>twee
                                        maanden</vet> bij gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Hoogte en duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>1.Het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 18, vierde lid, van de</al><al> PW, wordt onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><vet> a. eerste categorie: </vet></al><al>1° het niet uitvoering geven aan de door het dagelijks bestuur opgelegde
                            verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;</al><al>2° het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                            in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere
                            gemeente te verhuizen;</al><al>3° het niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                            reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar
                            vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>4° het niet bereid zijn om te verhuizen, indien het dagelijks bestuur is
                            gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en een belanghebbende een
                            arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste 1 jaar en een netto
                            beloning die tenminste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende
                            bijstandsnorm, kan aangaan;</al><al>5° het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                            belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of
                            gedrag;</al><al>6° het niet gebruik maken van door het dagelijks bestuur aangeboden
                            voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                            arbeidsinschakeling en het niet meewerken aan onderzoek naar zijn of
                            haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al><al><vet> b. tweede categorie:</vet></al><al>1° het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid;</al><al>2° het niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                            reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het
                            aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>3° het niet bereid zijn om te verhuizen, indien het dagelijks bestuur is
                            gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het aanvaarden of het
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en een belanghebbende een
                            arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste 1 jaar en een netto
                            beloning die tenminste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende
                            bijstandsnorm, kan aangaan;</al><al>4° het niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                            noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>5° het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                            belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of
                            gedrag;</al><lijst><li nr="2."><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                                maand</vet> bij gedragingen van de eerste
                                            categorie;</al></li><li nr="b."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende
                                                <vet>twee maanden</vet> bij gedragingen van de
                                            tweede categorie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>1.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 11, wordt toegepast
                            over de maand van oplegging</al><al> van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere
                            omstandigheden dit </al><al> rechtvaardigen. </al><al>2.Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, tweede lid onder a, kan
                            de verlaging worden toegepast</al><al> over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de
                            daaropvolgende maand </al><al> de helft van de verlaging wordt toebedeeld.</al><al>3.Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, tweede lid onder b, kan
                            de verlaging worden toegepast</al><al> over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de
                            twee daaropvolgende </al><al> maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. </al><al>4.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid,
                            onderdeel a, van de PW, vindt</al><al> geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            voor de voorziening in het</al><al> bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de PW wordt
                            afgestemd op de periode </al><al> dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                            recht heeft op een uitkering </al><al> en/of tot een hoger bedrag recht heeft op bijzondere bijstand.</al><al>2.Als tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan, bedoeld in</al><al> het eerste lid, wordt mede gerekend het in de periode voorafgaande aan
                            de bijstandsverlening:</al><lijst><li nr="a."><al>door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen.</al><lijst><li nr="3."><al>De verlaging, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                            vastgesteld op:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                        maand</vet> bij een periode van korter dan 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>twee
                                        maanden</vet> bij een periode van langer dan 6 maanden.</al></li><li nr="c."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>drie
                                        maanden</vet> indien belanghebbende geen beroep meer kan
                                    doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening,
                                    omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete
                                    in het kader van het bij herhaling schenden van de
                                    inlichtingenplicht. Deze maatregel bedraagt <vet>100 %</vet> van
                                    de bijstandsnorm gedurende <vet>één maand</vet> en vervolgens
                                        <vet>20 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende de <vet>twee
                                        daaropvolgende maanden</vet>, indien belanghebbende één of
                                    meer ten laste komende kinderen heeft.</al><lijst><li nr="4."><al>In afwijking van het derde lid wordt de verlaging – bij
                                            toepassing van artikel 7, tweede lid, onder b. –</al></li></lijst></li></lijst><al> vastgesteld op <vet>100 %</vet> van de verleende bijzondere bijstand
                            voor die kosten die een gevolg zijn van </al><al> tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. </al><al>5. a. De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid
                            onder a., overeenkomstig het </al><al>gestelde in het derde lid sub a. en b. vastgesteld;</al><al>b.De verlaging wordt bij een gedraging, bedoeld in het tweede lid onder
                            b., overeenkomstig het</al><al>gestelde in het derde lid sub a. vastgesteld.</al><al>6.De afstemming op grond van een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de</al><al> voorziening in het bestaan als bedoeld in dit artikel laat onverlet de
                            mogelijkheid de bijstand te </al><al> verstrekken in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel 48,
                            tweede lid, van de PW.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de PW als bedoeld in
                            artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die
                            zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37,
                            eerste lid, onder g van die wet of tegenover personen en instanties die
                            zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37,
                            eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>60 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                        maand</vet> bij verbaal geweld (mondelinge of schriftelijke
                                    bedreigingen) gericht tegen de in de aanhef genoemde
                                    personen;</al></li><li nr="b."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>één
                                        maand</vet> bij (dreigend) fysiek geweld gericht </al><al> tegen de in de aanhef genoemde personen en/of materiële zaken
                                    (vernielingen).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het dagelijks bestuur opgelegde
                            verplichting als bedoeld in artikel 55 van de PW en artikel 38, eerste
                            lid, van het Bbz niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging
                            toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: <vet>60 %</vet> van de
                            bijstandsnorm gedurende <vet>één maand</vet>.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in
                            deze verordening of artikel</al><al> 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                            opgelegd. Voor </al><al> het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van
                            de gedraging waarop de </al><al> hoogste verlaging is gesteld.</al><al>2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één
                            of meerdere in deze</al><al> verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde
                            verplichtingen, wordt voor </al><al> iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                            worden gelijktijdig </al><al> opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de </al><al> omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al><al>3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                            in deze verordening of</al><al> artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichting als een in
                            artikel 17, eerste lid, </al><al> van de PW genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor
                            zover voor die </al><al> schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. </al><al>4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                            zowel een in deze</al><al> verordening of artikel 18, vierde lid, van de PW genoemde verplichting
                            als een in artikel </al><al> 17, eerste lid, van de PW genoemde verplichting, waarvoor een
                            bestuurlijke boete kan </al><al> worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                            verlaging opgelegd, tenzij dit gelet </al><al> op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            omstandigheden van de </al><al> belanghebbende niet verantwoord is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                            een besluit waarmee</al><al> een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de
                            artikelen 8, 9, 13, eerste lid, </al><al> 14 of 15 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging,
                            wordt telkens de duur van </al><al> de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al><al>2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                            een besluit waarmee</al><al> een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel
                            18, vierde lid, van de </al><al> PW, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in
                            artikel 18, </al><al> vierde lid, van de PW, bedraagt de verlaging:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>twee
                                        maanden</vet> voor gedragingen bedoeld in artikel 11 aanhef
                                    en sub a.</al></li><li nr="b."><al><vet>100 %</vet> van de bijstandsnorm gedurende <vet>drie
                                        maanden </vet>voor gedragingen als bedoeld in artikel 11
                                    aanhef en sub b.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het dagelijks bestuur de uitkering op grond van artikel 20, eerste
                            lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of
                            tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid
                            tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen
                            leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><al>1.Het dagelijks bestuur kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate
                            waarin de belanghebbende</al><al> inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ
                            zou hebben kunnen </al><al> verwerven, als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                    ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                    Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan
                                    worden gemaakt, of</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al><lijst><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan de uitkering blijvend weigeren
                                            naar de mate waarin de belanghebbende</al></li></lijst></li></lijst><al> inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de
                            IOAZ zou hebben kunnen </al><al> verwerven, als de belanghebbende: </al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    verkrijgt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van het bepaalde in
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2013 en de
                            Maatregelenverordening IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2013 worden
                            ingetrokken per 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    PW, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Afstemmingsverordening PW, IOAW en IOAZ ISD
                        Bollenstreek 2015</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet (PW)</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de PW spreekt over het afstemmen van de bijstand en
                    de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en
                    middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                    vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                    verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstands-gerechtigden. </al><al>Artikel 18, tweede lid, van de PW legt een directe koppeling tussen de rechten
                    en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd
                    verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet
                    alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen
                    van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen
                    worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen
                    kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.</al><tussenkop>Verlaging van de uitkering</tussenkop><al>Wanneer het dagelijks bestuur tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                    uitkering. Er is dus géén sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        <onderstreept>verplichting</onderstreept>. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het dagelijks bestuur af van een dergelijke
                    verlaging. Het dagelijks bestuur moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het dagelijks bestuur kan dan ook van een verlaging
                    afzien als het dagelijks bestuur daartoe zeer dringende redenen aanwezig
                    acht.</al><tussenkop>Geüniformeerde arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de PW
                    geüniformeerde arbeids-verplichtingen opgenomen. Voor schending van deze
                    verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met 100 %
                    gedurende een periode van minimaal één en maximaal drie maanden. In de
                    verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van
                    de PW).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. </al><al>Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW of
                    vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive.</al><tussenkop>Herbeoordeling</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de
                    beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding
                    geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de PW). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<sup/></al><al>Artikel 18, derde lid, van de PW is naar oordeel van het ministerie van Sociale
                    Zaken en Werk-gelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van
                    een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de
                    PW). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde
                    lid, van de PW van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel
                    18, elfde lid, van de PW is dat artikel 18, elfde lid, pas kan worden toegepast
                    als belanghebbende daarom vraagt.</al><tussenkop>Punitieve / reparatoire sanctie</tussenkop><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup/> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert,
                    kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en
                    de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van
                    juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de PW op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al> In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. </al><al/><al><cursief>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</cursief></al><al>Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid een uitkering op grond van de IOAW
                    of IOAZ te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de
                    IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden
                    in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>Het afstemmingsbeleid in de IOAW en IOAZ is zoveel mogelijk analoog aan het
                    afstemmingsbeleid in de PW opgesteld. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de
                    IOAW en de IOAZ – in afwijking van de PW – in een aantal situaties de
                    mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te weigeren.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. </al><al>Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen
                    in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de
                    medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor
                    gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen
                    dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is
                    ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17,
                    tweede lid, van de PW niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze
                    verordening.</al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: PW), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij
                    een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging
                    van de bijstand.</al><tussenkop>De relatie met het Bbz</tussenkop><al>Deze verordening is ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond van
                    het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). </al><al>Het gaat hierbij primair om de verlening van algemene bijstand voor het
                    levensonderhoud en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                    woonkosten en premie arbeidsongeschiktheids-verzekering. Het begrip jaar norm
                    staat in artikel 1, onderdeel g, van het Bbz.</al><al>Het gaat ook om uitbreiding van het begrip medewerkingsplicht. Het gaat hierbij
                    om de verplichting, opgenomen in artikel 38, tweede lid van het Bbz:</al><al>De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren een
                    administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop
                    van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het college over te leggen.
                    Die plicht geldt ook als de gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld om
                    de bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval verlenging van de
                    uitkeringstermijn aan de orde is.</al><al>Een verdere aanpassing is niet nodig. Immers, voor zelfstandigen die een
                    uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen, geldt ook de
                    medewerkingsplicht.</al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel b, van het Bbz
                    dat het dagelijks bestuur de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor
                    zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg
                    van het niet nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 38, tweede lid. </al><al>Volgens artikel 47 Bbz vordert het dagelijks bestuur kosten van bijstand in de
                    vorm van een geldlening terug, indien de zelfstandige de uit de geldlening
                    voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. </al><al>Het dagelijks bestuur is dus onder toepassing van beide artikelen gehouden de
                    geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige terug te
                    vorderen, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt nagekomen. Er is
                    in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een verlaging op grond van
                    deze verordening op te leggen: de gehele jaaruitkering wordt immers al
                    teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rente-reductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan
                    ook geen aanleiding voor een verlaging, nog daargelaten dat een verlaging niet
                    op een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>Ten aanzien van de in de verordening opgenomen gedragingen en verlagingen met
                    betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het
                    volgende:</al><al>De in artikel 9 en 10 van de PW opgenomen verplichtingen gelden alleen voor de
                    zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten minste
                    zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38,
                    derde lid Bbz).</al><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de PW kunnen aan de partner
                    van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende
                    is voor de PW en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is of fulltime
                    meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Uiteraard kan
                    ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in het bedrijf
                    of zelfstandig beroep van de zelfstandige.</al><al>De in de verordening opgenomen gedragingen die leiden tot een verlaging
                    (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, nadere verplichtingen en zeer
                    ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een
                    verlaging. Artikel 18, tweede lid, van de PW is onverkort van toepassing op het
                    Bbz.</al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                    dagelijks bestuur opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs-
                    of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate,
                    dan is het dagelijks bestuur bevoegd om een verlaging op te leggen, omdat de
                    zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoende na te komen, blijk
                    heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening.</al><al>Het dagelijks bestuur kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op
                    beperking van de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere
                    bedrijfsruimte, inruil dure leaseauto voor een goedkopere, stopzetten
                    niet-noodzakelijke abonnementen etc.), op verbetering van de omzet (effectievere
                    acquisitie, verandering brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling
                    internetverkoop etc.), of op vermindering van de privé-uitgaven. </al><al>Als later blijkt dat de zelfstandige niet (volledig) aan de gestelde
                    verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot beëindiging van de bijstand, of
                    voortzetting van de bijstand met een verlaging. Uiteraard is het opleggen van
                    een verlaging alleen aan de orde, indien er nog sprake is van een lopende
                    Bbz-uitkering. Als geen benadelingbedrag of –periode kan worden vastgesteld - en
                    dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende
                    specifieke verplichtingen vaak het geval - dan geldt de verlaging van artikel
                    15.</al><al>Wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid kan een beroep op Bbz worden gedaan. Dan
                    kan eveneens een verlaging aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit
                    dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                    toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering
                    wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige
                    die verwijtbaar geen arbeids-ongeschiktheidsverzekering of een
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd
                    heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op
                    bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van
                    artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het
                    ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                    onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen
                    op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan
                    de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan,
                    een verlaging aan de orde zijn.</al><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                    beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het
                    bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                    door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon).
                    Als daarvan sprake is, is een verlaging wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de PW, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                    deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                    verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                    verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, eventueel verminderd met
                    verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. </al><al>Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt
                    onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel
                    5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al><tussenkop>Artikel 2. Het verlagen van de uitkering</tussenkop><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaard verlagingen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (procentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In dit artikel is de hoofdregel vastgelegd: het dagelijks bestuur moet een
                    verlaging afstemmen op de ernst van de gedraging, de individuele omstandigheden
                    van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.</al><al>Deze bepaling staat niet meer in de WWB/PW, de IOAW en de IOAZ; alleen voor de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen is geregeld hoe de verlaging (de maatregel)
                    moet worden vastgesteld. Maar de Centrale Raad van Beroep heeft uitgesproken dat
                    voor de WWB geldt dat bij het vaststellen van een verlaging altijd rekening moet
                    worden gehouden met de ernst van de gedraging, de individuele omstandigheden van
                    de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid<sup/>. Opname in de verordening
                    is daarom niet noodzakelijk, maar uit het oogpunt van duidelijkheid is deze
                    belangrijke maatwerkregel toch (weer) opgenomen in deze verordening.</al><al>Het dagelijks bestuur moet dus bij het beoordelen of de uitkering wordt
                    verlaagd, en zo ja hoeveel de uitkering wordt verlaagd, telkens de volgende drie
                    stappen doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de uitkering wordt verlaagd. De beoordeling van de verwijtbaarheid
                    gebeurt op basis van de feiten ‘ex tunc’, dat wil zeggen naar het moment van de
                    gedraging (die reden vormt voor de verlaging). Ontbreekt iedere verwijtbaarheid,
                    dan wordt afgezien van verlaging van de uitkering (artikel 18 lid 9 PW jo
                    artikel 5 en de toelichting daarop).</al><al>En tot slot kunnen omstandigheden van de belanghebbende een rol spelen. Het kan
                    gaan om bijvoorbeeld financiële omstandigheden of sociale omstandigheden. Ook de
                    beoordeling van de omstandigheden van belanghebbende gebeurt op basis van de
                    feiten ‘ex tunc’, dus naar het moment van de gedraging. </al><tussenkop>Geüniformeerde arbeidsverplichtingen (tweede lid)</tussenkop><al>Voor de geüniformeerde arbeidsverplichtingen is in de Participatiewet zelf
                    vastgelegd hoe de verlaging moet worden vastgesteld. </al><al>In artikel 18, negende lid, van de Participatiewet is geregeld dat wordt
                    afgezien van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt. En in het tiende lid van artikel 18 van de Participatiewet is
                    geregeld dat een maatregel wordt afgestemd op de omstandigheden van
                    belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar het
                    oordeel van het college (het dagelijks bestuur), gelet op bijzondere
                    omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. </al><al>Bij de geüniformeerde verplichtingen moet daarom worden getoetst aan de PW zelf
                    (en niet aan het eerste lid van deze verordening). Voor de duidelijkheid is dit
                    opgenomen in het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 3. Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering (als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en
                    zesde lid van de PW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW
                    respectievelijk IOAZ) op grond van deze verordening vindt plaats door middel van
                    een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep
                    indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                    worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral
                    uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
                    een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.</al><tussenkop>Artikel 4. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb), behalve bij
                    subsidies. </al><al>In dit artikel wordt het horen van belanghebbende voordat een verlaging van de
                    uitkering wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een
                    aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. </al><tussenkop>Artikel 5. Afzien van verlaging</tussenkop><tussenkop>Afzien van verlagen wegens ontbreken verwijtbaarheid</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    PW, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid,
                    van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij
                    evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<sup/> Het is aan het dagelijks bestuur
                    te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag (zie ook de toelichting op artikel 2). </al><al>Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 17 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW van een verlaging
                    afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten
                    beschouwing te laten in geval van recidive.</al><tussenkop>Afzien van verlagen wegens ‘verjaring’</tussenkop><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het dagelijks bestuur geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer
                    dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat
                    een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de
                    vraag of het dagelijks bestuur overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. </al><al>Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                    niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een
                    mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan
                    de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij
                    moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden
                    zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van
                    een uitkering. In jurisprudentie worden dringende redenen gedefinieerd als
                    onaanvaardbare materiële of immateriële gevolgen voor de belanghebbende<sup/>. </al><al/><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> De wet schrijft bij overtreding van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van 100 % van de bijstand
                    gedurende tenminste één tot maximaal drie maanden. Op grond van artikel 18,
                    tiende lid, van de PW moet het dagelijks bestuur een op te leggen maatregel
                    (verlaging) of een opgelegde maatregel (verlaging) afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het dagelijks bestuur - dringende redenen daartoe
                    noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere
                    omstandigheden kan het dagelijks bestuur besluiten de maatregel op een lager
                    niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al/><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen van
                    een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het dagelijks bestuur afziet
                    van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in
                    verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 17.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</tussenkop><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. Wanneer een
                    uitkering/bijzondere bijstand nog niet (volledig) aan de belanghebbende is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering/bijzondere
                    bijstand te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de uitkering/bijzondere bijstand wel worden herzien en
                    teruggevorderd.</al><tussenkop>Verlagen op nieuwe uitkering (derde lid)</tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft.<sup/> Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de
                    PW/IOAW/IOAZ ontvangt. Het dagelijks bestuur moet wel rekening houden met de
                    vervaltermijn voor het opleggen van een verlaging zoals bedoeld in artikel 4,
                    eerste lid, onderdeel b. </al><al>Een dergelijke verlaging kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het dagelijks bestuur moet bij het opnieuw
                    toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding
                    bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een
                    afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de verlaging
                    open.<sup/></al><tussenkop>Verlagen zelfstandigen (vierde lid)</tussenkop><al>Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening verstrekt
                    en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over dat jaar
                    definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een verlaging met
                    terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van de
                    bijstand.</al><tussenkop>Artikel 7. BerekeningsgrondslagBijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm inclusief gemeentelijke verlaging en inclusief vakantietoeslag.
                    Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de
                    grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de PW. Personen tussen de 18 en 21
                    jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld
                    door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de PW.</al><al>De PW kent geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van
                    een tekort-schietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de
                    bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een verlaging worden
                    toegepast<sup/>.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het dagelijks
                    bestuur in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging
                    (handelen/nalaten) van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.
                    Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere
                    bijstand is verstrekt. </al><al>De verlaging kan maximaal de hoogte hebben van het bedrag waarvoor bijzondere
                    bijstand zou zijn toegekend zonder toepassing van de verlaging, zodat per saldo
                    voor de betreffende aanvraag geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. Indien
                    bijvoorbeeld zou worden vastgesteld dat belanghebbende een beroep doet op
                    bijzondere bijstand omdat hij heeft nagelaten een aanvullende
                    ziektekosten-verzekering af te sluiten, dan kan dus een verlaging worden
                    opgelegd ter hoogte van het bedrag dat hij anders ontvangen zou hebben via de
                    aanvullende ziektekostenverzekering.</al><al>Is bijzondere bijstand toegekend voor de premie
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aan een zelfstandige die bijstand voor
                    levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangt of heeft ontvangen, dan kan de
                    verlaging ook worden toegepast op deze bijzondere bijstand.</al><tussenkop>Artikel 8. Gedragingen PW (de niet-geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen)</tussenkop><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd. De verwijtbare
                    gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn ondergebracht in categorieën. Aan
                    die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de vorm van een
                    verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.
                    Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het dagelijks bestuur moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de PW wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van
                    de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat
                    de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit
                    moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om
                    onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 8 neergelegd dat
                    sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van
                    de verplichtingen. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    PW. </al><al>In artikel 18, vierde lid, van de PW staan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met 100 % gedurende
                    een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en
                    ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de PW). In deze
                    verordening is de duur van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen vastgelegd in
                    artikel 11, tweede lid. Er is dus géén sprake van een verwijtbare gedraging
                    zoals bedoeld in artikel 8 als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in
                    artikel 18, vierde lid, van de PW zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de PW). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij
                    worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                    (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de PW). Is geen enkele inspanning
                    verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de
                    PW geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het
                    oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende, dan verlaagt het dagelijks
                    bestuur de uitkering (zie artikel 8, onderdeel b onder 3).</al><tussenkop>Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 9
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid. In artikel 19 is benoemd in welke gevallen de IOAW- of
                    IOAZ-uitkering tijdelijk of blijven kan worden geweigerd.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 8 en
                    9.</al><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en vijfde lid,
                    van de PW. </al><al>Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming aan te sluiten bij de forse
                    maatregelen voor het schenden van geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit
                    omwille van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien zijn diverse geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen als bedoeld in de artikelen 8
                    en 9 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 11. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het dagelijks bestuur een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging 100 % van de
                    bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode van
                    tenminste één maand en ten hoogste 3 maanden (artikel 18, vijfde lid, eerste
                    volzin, van de PW). </al><al> Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging
                    leidend. Voor minder zware overtredingen bedraagt de verlaging 100 % gedurende
                    één maand. </al><al>Voor zwaardere overtredingen bedraagt de verlaging 100% gedurende twee maanden
                    (is sprake van recidive dan wordt de duur verlengd. Zie artikel 17).</al><tussenkop>Artikel 12. Verrekenen verlaging</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand
                        <onderstreept>wegens schending van een geüniformeerde
                        arbeidsverplichting</onderstreept>, de verlaging te verrekenen. Dit over de
                    maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de PW). </al><al><cursief>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden</cursief>Er is voor
                    gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag
                    van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn)
                        <onderstreept>als bijzondere omstandigheden dit
                        rechtvaardigen</onderstreept>. Hierbij kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><tussenkop>De maand van oplegging</tussenkop><al>In het eerste, tweede en derde lid wordt gesproken over de "maand van
                    oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de PW. Met
                    de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de
                    bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt).
                        <cursief> Toedeling over twee maanden bij lichte
                    overtredingen</cursief>Is sprake van een ‘lichte’ overtreding van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting (waarvoor een verlaging geldt van één maand),
                    dan kan worden verrekend over twee maanden.</al><al>Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het
                    bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging
                    van de verlaging en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel 50 %
                    bedraagt (artikel 12, tweede lid, van deze verordening). <cursief> Toedeling
                        over drie maanden bij zware overtredingen</cursief>Is sprake van
                    een ‘zware’ overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting (waarvoor een
                    verlaging geldt van twee maanden), dan kan worden verrekend over drie
                    maanden.Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met
                    100 % gedurende 2 maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee
                    daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging
                    toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de verlaging en de
                    daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67 % bedraagt (artikel 12,
                    derde lid, van deze verordening). <cursief> Geen verrekening bij niet aanvaarden
                        of behouden algemeen geaccepteerde arbeid</cursief></al><al>In het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van
                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW, geen verrekening plaatsvindt
                    zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid. </al><al>Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
                    Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</al><al><cursief>Geen verrekening bij recidive</cursief>Is sprake van een
                    tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen
                    de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 12
                    bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals
                    bedoeld in artikel 11 van deze verordening én als sprake is van bijzondere
                    omstandigheden.Recidive is niet geregeld in artikel 11, maar in
                    artikel 17 van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid,
                    van de PW. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. </al><al><cursief>Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere
                        gedragingen</cursief>Verrekening bij maatregelen voor schendingen
                    van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet
                    mogelijk. Dit volgt uit artikel 12 van deze verordening en artikel 18, vijfde
                    lid, van de PW.</al><tussenkop>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de PW ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in
                    zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is,
                    kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal
                    moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een
                    gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld niet of te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><tussenkop>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid</tussenkop><al>Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid of het onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                        <onderstreept>in de periode voorafgaand aan de
                        bijstandsaanvraag</onderstreept> dan kan dit volgens de CRvB<sup/> niet als
                    schending van de arbeidsverplichtingen worden aangemerkt. Deze gedragingen
                    vallen onder het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zijn
                    opgenomen in artikel 13 lid 2 van de verordening. In het vierde lid wordt wat
                    betreft de duur van de op te leggen verlaging onderscheid gemaakt tussen het
                    door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en het
                    onvoldoende trachten die arbeid te verkrijgen.</al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                        <onderstreept>gedurende de bijstandsverlening</onderstreept> moet wel worden
                    aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9,
                    eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW). Is sprake
                    van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan
                    moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de PW en
                    artikel 11 en 17 van deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 13 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    duur van de verlaging. Dat is in dit geval de periode waarover eerder of langer
                    een beroep wordt gedaan op uitkering. De ernst van de gedraging komt tot
                    uitdrukking in de hoogte van de verlaging als sprake is van bijzondere
                    bijstand.</al><al>In het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage (100%) en wordt de
                    ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de verlaging. Bij de
                    vaststelling van de duur van de verlaging moet beoordeeld worden hoe lang
                    belanghebbende onafhankelijk van uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. In het derde lid worden
                    hiervoor richtlijnen gegeven. Dat laat onverlet de mogelijkheid voor het
                    dagelijks bestuur om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van
                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende.</al><al>Sub c van het derde lid heeft betrekking op de invoering van de Fraudewet per 1
                    januari 2013. Het betreft hier de situatie dat de voorliggende voorziening (UWV,
                    SVB en ISD [ook voor IOAW en IOAZ]) het uitstaande boetebedrag voor een termijn
                    van maximaal 5 jaren in beginsel moet verrekenen zonder rekening te houden met
                    de beslagvrije voet. </al><al>Dit houdt in dat de belanghebbende – zodra de verrekening wordt geëffectueerd –
                    in beginsel geen beschikking heeft over zijn uitkering en indien andere middelen
                    ontbreken, zal belanghebbende dan een beroep moeten doen op bijstand (PW). In
                    beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening teloor is gegaan aangemerkt als tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom een verlagingswaardige
                    gedraging op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd. </al><al>De hoogte van de verlaging komt overeen met de positie van de
                    uitkeringsgerechtigde die voor de tweede keer een boete krijgt opgelegd op grond
                    van herhaaldelijk frauderen (de zogenaamde robuuste incasso).</al><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>Zoals in de toelichting op artikel 7 al is aangegeven kent de PW geen grond om
                    bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de bijzondere bijstand in
                    dergelijke gevallen een verlaging worden toegepast.</al><al>Als het gaat om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder
                    b, kan de verlaging worden toegepast op die bijzondere bijstand wanneer er een
                    verband bestaat tussen de gedraging (handelen/nalaten) van belanghebbende en
                    zijn recht op bijzondere bijstand.</al><al>De bijzondere bijstand wordt verlaagd met het volledige bedrag van de kosten die
                    een gevolg zijn van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende (verwezen wordt naar de toelichting op artikel 7).</al><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het
                    dagelijks bestuur tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te
                    verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de PW. Als
                    het dagelijks bestuur besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én
                    verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor
                    de bijstandsgerechtigde.<sup/></al><al>Voor toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting, onder
                    de kop: ‘De relatie met het Bbz’.</al><tussenkop>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen.<sup/> Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer
                    ernstige misdraging'.<sup/></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de PW, de IOAW en de IOAZ belaste personen en instanties
                    (dagelijks bestuur, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van
                    hun werkzaamheden.<sup/> Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de
                    werkzaamheden' wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het
                    kader van de uitvoering van de PW, de IOAW of de IOAZ. Dat is anders als
                    betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.<sup/></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus
                    op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.<sup/></al><tussenkop>Artikel 15. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>DePW geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om personen verplichtingen
                    op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de PW biedt
                    daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te
                    weten:</al><al>1.verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling (voor zover niet direct
                    herleidbaar tot 8, 9 en 11</al><al> van deze verordening);</al><lijst><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>Omdat de verplichtingen die het dagelijks bestuur op grond van artikel 55 van de
                    PW kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de
                    in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele
                    omstandigheden van een belanghebbende. Het dagelijks bestuur zal daarom altijd
                    rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste
                    lid, van de PW. Deze bepaling verplicht het dagelijks bestuur de bijstand af te
                    stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. </al><al>In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel
                    vastgestelde verlaging.</al><al>Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting onder
                    de kop: ‘De relatie met het Bbz’.</al><tussenkop>Artikel 16. Samenloop van gedragingen</tussenkop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één
                    gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                    in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de PW of in beide regelingen.
                    In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de
                    duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                    verlaging is gesteld.</al><al/><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede regelt samenloop als
                    sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de PW of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In
                    dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast.
                    Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit
                    niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de
                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol.
                    Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De
                    verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het dagelijks bestuur
                    in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij
                    eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het
                    dagelijks bestuur bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het
                    geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het dagelijks bestuur in
                    dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de
                    afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele
                    andere maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de PW benoemde (geüniformeerde arbeids)verplichting als
                    schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 17. Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn
                    dan 100 %. Daarom kan bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor
                    gelden, alleen gekozen worden voor een verdubbeling van de duur van de maatregel
                    (en niet voor verdubbeling van de hoogte). </al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                    aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen – op
                    grond van artikel 5, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende
                    lid, van de PW – is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook
                    als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. </al><al>Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen. </al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het
                    tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    17, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. </al><al>Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of
                    volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat de
                    duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. </al><al>Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de
                    verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is
                    expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen.
                    Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen. </al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. </al><al>Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 14) binnen twaalf maanden
                    nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren
                    als werkzoekende bij Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (artikel 8,
                    eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde
                    gedraging" betreft. </al><al>Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het
                    opstellen van een plan van aanpak (artikel 8 onderdeel b onder 2) en vervolgens
                    een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 8 onderdeel 1). Ook dan is
                    geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen
                    zijn geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste verlaging is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging 100 % gedurende twee of drie
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de PW gegeven
                    marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    verlaging, bedraagt de verlaging 100 % gedurende drie maanden (artikel 18,
                    zevende en achtste lid, van de PW).</al><tussenkop>Artikel 18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van
                    de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                    belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit
                    nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De
                    vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                    dagelijks bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van
                    de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het dagelijks
                    bestuur concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                    verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 18 van deze verordening is
                    derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 19. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering </tussenkop><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te
                    weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op
                    grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al></li></lijst><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het dagelijks
                    bestuur de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af
                    voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. </al><al>Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het dagelijks
                    bestuur de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens
                    de uitkering.</al><tussenkop>Artikel 20. Uitvoering</tussenkop><al>Artikel 7 van de PW schrijft voor dat de uitvoering van de PW berust bij
                    burgemeester en wethouders. Ingevolge de Gemeenschappelijke Regeling ISD
                    Bollenstreek is de uitvoering van de PW, de IOAW en de IOAZ gedelegeerd aan het
                    dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>