<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360601_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Laarbeek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-09-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Laarbeek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, IOAW en IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-09-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Art I, Art II</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ LAARBEEK
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laarbeek,</al><al/><al>gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 8b, en 9a,
                        twaalfde lid, van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers (IOAW) en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><lijst><li nr="I."><al>vast te stellen de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en
                                IOAZ Laarbeek 2015</al></li><li nr="II."><al>in te trekken de Maatregelenverordening WWB Laarbeek 2013</al></li><li nr="III."><al>in te trekken de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Laarbeek
                                2013</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="b."><al>bijstandsnorm: </al><lijst><li nr="1."><al>toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                            onderdeel c, van de Participatiewet, of</al></li><li nr="2."><al>grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel
                                            5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) voor
                                            zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW
                                            of de IOAZ;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of
                                    een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al></li><li nr="d."><al>hoogwaardige handhaving: het stelsel van preventieve en
                                    repressieve maatregelen gericht op het voorkomen, ontmoedigen en
                                    bestrijden van oneigenlijk gebruik of misbruik van uitkering en
                                    van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling tezamen met het
                                    beleid over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                                    uitkering;</al></li><li nr="e."><al>fraude: het ten onrechte geheel of gedeeltelijk ontvangen van
                                    uitkering door het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                    inlichtingen aan het college;</al></li><li nr="f."><al>misbruik: het ontvangen van uitkering in strijd met de
                                    wettelijke voorschriften, waarbij het ten onrechte ontvangen aan
                                    de belanghebbende te wijten is;</al></li><li nr="g."><al>oneigenlijk gebruik: het ontvangen van uitkering conform de
                                    regels, maar in strijd met of tegen de bedoeling van die
                                    regels.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde
                            lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                            IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder
                            geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging; </al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een verlaging van de uitkering wordt toegepast, wordt een
                                belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren
                                te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                                die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet
                                over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om uitkering wordt een verlaging met ingang van de
                                ingangsdatum van de uitkering toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, kan een verlaging met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de uitkering of de individuele
                                inkomenstoeslag nog niet is uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                                uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad
                                of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                                verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                                uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                                als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt
                                opnieuw beoordeeld of de verlaging of dat deel van de verlaging dat
                                nog niet is uitgevoerd, alsnog kan worden toegepast als
                                belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
                                onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast
                                op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand’. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a, 10a, 41, 44a en 55 van de Participatiewet niet
                            of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van door
                                            het college aangeboden onbeloonde additionele
                                            werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet; </al></li><li nr="c."><al>het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden van
                                            door het Rijk bekostigd onderwijs te onderzoeken
                                            gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid,
                                            van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen
                                            niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet voortvloeit
                                            uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                            van de Participatiewet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de
                            IOAZ, niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, zonder
                                            dat dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                            voortijdige beëindiging van die voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="c."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="d."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste
                                            lid, onder a of b, van de IOAW of artikel 20, tweede
                                            lid, onder a of b, van de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ, waarbij dit heeft geleid tot
                                            het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging
                                            van die voorziening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/><al/><al/><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt
                                    toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de
                                    volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit
                                    rechtvaardigen.</al></li><li nr="2."><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening
                                    als bedoeld in het eerste lid plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 10, wordt toegepast
                                over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee
                                maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende geen medewerking verleent aan een oproep
                                op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het
                                maken van een taaltoets vindt een verlaging plaats van honderd
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                                Participatiewet, wordt een verlaging toegepast die wordt afgestemd
                                op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging
                                eerder of langer recht heeft op bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode tot 3 maanden: twintig procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een periode van 3 tot 6 maanden: twintig procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende drie maanden;</al></li><li nr="c."><al>bij een periode van 6 maanden en langer: twintig procent van
                                        de bijstandsnorm gedurende zes maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld, bedraagt de
                                verlaging twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een combinatie van algemene en bijzondere bijstand wordt de
                                verlaging toegepast op de algemene bijstand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij het onverantwoord
                                interen van het eigen vermogen een verlaging wordt toegepast van
                                twintig procent over een zodanige periode dat het bedrag van de
                                verlaging gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel
                                interen extra is verstrekt, doch maximaal vijf jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt verstaan
                                een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan,
                                welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal de van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm, zo nodig aangevuld met een bedrag
                                voor de ziektekostenverzekering.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand of
                                de individuele inkomenstoeslag worden geweigerd, indien het beroep
                                op bijzondere bijstand dan wel de individuele inkomenstoeslag het
                                gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel> Schending medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede
                                lid, van de Participatiewet en artikel 13, tweede lid, van de IOAW
                                en IOAZ </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende geen medewerking verleent aan een oproep
                                om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn
                                arbeidsinschakeling vindt een verlaging plaats van honderd procent
                                van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende geen medewerking verleent aan een oproep
                                op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met het
                                maken van een taaltoets vindt een verlaging plaats van honderd
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verlaging bij verlies van een passende en toereikende
                                voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke
                                boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 13 wordt, indien een
                                belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, gedurende een tijdvak
                                van drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening, in de
                                eerste maand een verlaging toegepast van 100% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de tweede en derde maand van het tijdvak van drie maanden als
                                bedoeld in het eerste lid, wordt de verlaging gematigd tot 20% van
                                de bijstandsnorm.</al><al> Artikel 2, vierde lid, van de Verordening verrekening bestuurlijke
                                boete bij recidive Laarbeek is hierbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als
                            bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en
                            instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet
                            of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering
                            van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g,
                            van die wet, wordt een verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij
                                    het uitoefenen van fysiek geweld tegen de genoemde
                                    personen;</al></li><li nr="b."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij
                                    het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij
                                    mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de
                                    genoemde personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
                            bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast van twintig procent van de bijstandsnorm
                            gedurende een maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede of derde lid, 8,
                                tweede of derde lid, 13, eerste lid, 15, of 16 opnieuw schuldig
                                maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van
                                de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, of 8, eerste
                                lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging,
                                wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging
                                verdubbeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een
                                        verwijt kan worden gemaakt, of </al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een
                                        persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin
                                de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8
                                van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een
                                persoon: </al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of </al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                        verkrijgt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Regels bestrijding misbruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van
                                de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, waaronder de bestrijding van
                                fraude en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van het eerste lid een
                                beleidsplan vast, waarin aandacht wordt besteed aan hoogwaardige
                                handhaving. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college
                                belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het
                                ontvangen van uitkering zijn verbonden, en over de consequenties van
                                fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik. Daarnaast beschrijft het
                                college in het beleidsplan ten minste de wijze van controle bij de
                                aanvraag, de handelwijze bij inconsistenties in de aanvraag, en het
                                gebruik van signaal- en risicosturing bij de beoordeling van de
                                aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college voert onderzoeken en bestandsvergelijkingen uit waarbij
                                actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kan de
                                uitkering na verificatie aan veranderde omstandigheden worden
                                aangepast. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 januari
                            2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 11 december 2014.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen F.H.G.M. Ronnes</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening moet de duur
                    van de verlaging worden vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<sup/> Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is
                    naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van
                    toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten
                    aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van
                    de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup/> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert,
                    kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en
                    de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van
                    juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al> In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. <cursief>Afstemmen in de
                        IOAW en de IOAZ</cursief></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van
                    de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te
                    weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden
                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van
                    de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening
                    (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet meewerken aan de zogenaamde medewerkingsplicht zal niet snel aanleiding
                    geven tot verlaging van de bijstand. De medewerkingsplicht ligt in het verlengde
                    van de inlichtingenplicht en luidt als volgt: "De belanghebbende verleent het
                    college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen
                    van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen
                    in verband met zijn arbeidsinschakeling". Deze verplichting is dus ook van een
                    andere orde als de arbeidsverplichtingen. Het belangrijkste voorbeeld van de
                    medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het
                    niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van
                    het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
                    Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de orde. </al><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de
                    verlaging van de bijstand.</al><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft
                    er echter voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat
                    deze verordening een gecombineerde Participatiewet, IOAW en IOAZ
                    afstemmingsverordening is. De regels over de bevoegdheid om de beslagvrije voet
                    tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn
                    neergelegd in de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                    Laarbeek.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al><cursief>Bijstandsnorm</cursief> Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze
                    verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm verminderd met verlagingen, alles
                    inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van
                    de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag
                    zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al><tussenkop>Benadelingsbedrag</tussenkop><al>Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een
                    hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen
                    van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering,
                    zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de
                    bestuurlijke boete.<sup/></al><tussenkop>Hoogwaardige handhaving</tussenkop><al>Met het begrip “handhaving” wordt gedoeld op alle activiteiten van de overheid
                    gericht op het doen naleven van wet- en regelgeving ter bevordering van het
                    juist benutten en toepassen van wetten en regelingen in overeenstemming met hun
                    doel en strekking.</al><al>“Hoogwaardige handhaving” als basisconcept van het handhavingsbeleid is erop
                    gericht de bereidheid tot naleving van de Participatiewet door de klanten te
                    verhogen door maatregelen op het gebied van voorlichting, controle,
                    dienstverlening en afdoening. Het hoogwaardige karakter van het
                    handhavingsbeleid stoelt op de gedachte dat het gelijktijdig doorvoeren van
                    zowel preventieve als repressieve aanpassingen in de uitvoering leidt tot
                    verbeterde handhaving. Het leidt tot een toename van het aantal klanten dat
                    bereid is de regelgeving min of meer spontaan na te leven.</al><al>Met het begrip “preventieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen ter
                    voorkoming en ontmoediging van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering en
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. In het kader van hoogwaardige
                    handhaving wordt ervoor gekozen de preventieve maatregelen mede te richten op
                    het vroegtijdig informeren van (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de
                    dienstverlening.</al><al>Met het begrip “repressieve maatregelen” wordt gedoeld op maatregelen ter
                    bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkering en voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>In het kader van hoogwaardige handhaving wordt ervoor gekozen repressieve
                    maatregelen mede te richten op het vroegtijdig constateren en afhandelen van
                    fraude alsmede op het daadwerkelijk sanctioneren van geconstateerde fraude.</al><al>Het sanctioneren van de geconstateerde fraude wordt nader uitgewerkt in de
                    gemeentelijke Afstemmingsverordening alsmede in de beleidsregels inzake
                    terugvordering en verhaal. Hierbij wordt opgemerkt dat de raad directe invloed
                    heeft op het beleid van het college waar het gaat om de Afstemmingsverordening.
                    De Afstemmingsverordening vormt één van de repressieve middelen op niet-nakoming
                    van verplichtingen door een belanghebbende.</al><al>Echter, de wetgever heeft het handhavingsbeleid in de Participatiewet, vanuit
                    oogpunt van de dualistische verhouding tussen de raad en het college binnen de
                    Gemeentewet, niet consequent uitgewerkt. Immers, de bepalingen over
                    terugvordering en verhaal van uitkering in de Participatiewet en in de IOAW/IOAZ
                    zijn geformuleerd als bevoegdheden van het college. De raad heeft hier geen
                    directe invloed op middels het stellen van regels; het college kan het gebruik
                    van deze bevoegdheden zelf nader bepalen in de Beleidsregels terugvordering
                    Participatiewet, IOAW en IOAZ en de Beleidsregels verhaal Participatiewet.
                    Bepalingen in een Afstemmingsverordening die de raad op deze onderdelen wel een
                    sturende invloed gaven, zijn door de Centrale Raad van Beroep onverbindend
                    verklaard, zie CRvB d.d. 30 januari 2007 LJN-nr. AZ8022.</al><al>De sturing van de raad is meer indirect van aard. Enerzijds op kaderstellend
                    niveau middels het opnemen van hoogwaardige handhaving in de
                    Afstemmingsverordening (de gemeenteraad moet een verordening opstellen die de
                    handhaving of fraudebestrijding regelt, artikel 8b Participatiewet en artikel
                    35, eerste lid, onderdeel c, IOAW/IOAZ, deze verordening mag onderdeel zijn van
                    de Afstemmingsverordening) en anderzijds middels het ter beschikking stellen van
                    financiële middelen specifiek ten behoeve van het handhavingsbeleid,
                    bijvoorbeeld door het gebruik van hoogwaardige handhavingsinstrumenten hierdoor
                    mogelijk te maken.</al><al>Vanuit oogpunt van de bevoegdheden van het college worden de preventieve en de
                    repressieve maatregelen nader uitgewerkt in het Beleidsplan hoogwaardige
                    handhaving en de Beleidsregels terugvordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en
                    de Beleidsregels verhaal Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 2 Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 3 Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een afstemming
                    wordt toegepast in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. </al><tussenkop>Artikel 4 Afzien van verlaging</tussenkop><tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<sup/> Het is aan het
                    college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het
                    betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is
                    vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de
                    Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om
                    de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het college overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. <cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief> De Participatiewet schrijft bij overtreding
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd
                    procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18,
                    tiende lid, van de Participatiewet moet het college een toe te passen verlaging
                    of een toegepaste verlaging afstemmen op de omstandigheden van een
                    belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als -
                    volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere
                    omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten
                    de verlaging op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te
                    stellen. </al><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief> Het doen van
                    een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het opleggen van een verlaging bij
                    recidive is geregeld in artikel 16.</al><tussenkop>Artikel 5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de
                    hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij een aanvraag om uitkering wordt vanaf de eerste uitkeringsdag de afstemming
                    toegepast, tenzij de verwijtbare gedraging op een later tijdstip heeft
                    plaatsgevonden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de uitkeringsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de afstemming van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    uitkering wel worden herzien en teruggevorderd. </al><tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht (vierde lid)</tussenkop><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de
                    IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                    altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken
                    en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke
                    datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging het
                    gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met
                    terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de
                    toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                    solliciteren.</al><tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (vijfde lid)</tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op uitkering. Het
                    opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op
                    uitkering (meer) heeft.<sup/> Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer
                    kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering,
                    is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de
                    Participatiewet ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de
                    vervaltermijn voor het opleggen van een verlaging zoals bedoeld in artikel 4,
                    eerste lid, onderdeel b. </al><al>Een dergelijke verlaging kan vanwege de samenhang met het recht op uitkering
                    niet bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen
                    van het recht op uitkering beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om
                    een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en
                    staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de afstemming open.<sup/></al><tussenkop>Artikel 6 Berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke verlaging en inclusief vakantietoeslag.
                    Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de
                    grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ. </al><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het tweede lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag
                    in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Artikel 7 Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al>De artikelen 7 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 7
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. </al><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (derde categorie, onderdeel d)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand
                    met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                    van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid,
                    van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel
                    10. </al><tussenkop>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</tussenkop><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9,
                    eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar
                    geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na
                    de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen
                    enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid,
                    onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    verlaagt het college de uitkering. De verlaging kan in principe al worden
                    toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 7 van deze
                    verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou
                    wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een
                    belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat.
                    Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de
                    herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de
                    afstemmingsverordening (zie artikel 7, derde lid, onderdeel b en c).</al><tussenkop>Artikel 8 Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden of verkrijgen van betaalde
                    arbeid.</al><tussenkop>Artikel 9 Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 7 en
                    8.</al><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en vijfde lid,
                    van de Participatiewet. Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming aan
                    te sluiten bij de forse maatregelen voor het schenden van geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien zijn
                    diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen als
                    bedoeld in de artikelen 7 en 8 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 10 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). </al><al> Voor overtredingen (overtreding van de in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet genoemde verplichtingen) bedraagt de duur een maand. </al><tussenkop>Artikel 11 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan (bestaanskosten) dient te voorzien. Pas wanneer
                    dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                    iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                    voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor
                    een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die
                    er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand):</al><lijst><li nr="-"><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                            voorziening.</al></li></lijst><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet
                    worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen
                    9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de
                    Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de
                    regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 10 en 16, derde lid, van
                    deze verordening.</al><al>Op grond van artikel 11 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt
                    gedaan.</al><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.<sup/></al><tussenkop>Tweede en derde lid</tussenkop><al>Er is hier voor gekozen om voor de hoogte van de verlaging een
                    standaardpercentage toe te passen en de ernst van de gedraging uit te drukken in
                    de duur van de verlaging. </al><al>Bij de vaststelling van de duur van de verlaging dient beoordeeld te worden hoe
                    lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had getoond. Hier worden richtlijnen
                    gegeven ten aanzien van de duur. Dit laat onverlet de mogelijkheid om af te
                    wijken van duur of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende. </al><al>In tegenstelling van de verplichtingen ten aanzien van arbeidsinschakeling,
                    welke alleen betrekking hebben op de algemene bijstand, kan ongenoegzaam besef
                    van verantwoordelijkheid ook bij bijzondere bijstand voorkomen. Een voorbeeld is
                    het hebben van schulden als gevolg van het niet meewerken aan derdenbetalingen.
                    Behoudens de in deze verordening expliciet uitgewerkte gedragingen, dient de
                    maatregel individueel te worden vastgesteld rekening houdend met de algemene
                    beginselen van behoorlijk bestuur. Als richtlijn kan bij periodieke bijzondere
                    bijstand wel hetzelfde percentage gehanteerd worden als bij algemene bijstand,
                    namelijk 20% procent.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Indien belanghebbende zowel algemene als bijzondere bijstand ontvangt,
                    bijvoorbeeld levensonderhoud en woonkostentoeslag, wordt de maatregel in
                    principe enkel toegepast op de algemene bijstand. Hierbij dient het causaal
                    verband beoordeeld te worden tussen de gedraging en de verlaging. Heeft de
                    overtreding alleen betrekking op de bijzondere bijstand, bijvoorbeeld niet
                    aanvullend verzekerd zijn voor ziektekosten, dan kan de verlaging alleen worden
                    toegepast op de bijzondere bijstand.</al><tussenkop>Vijfde en zesde lid</tussenkop><al>Bij het te snel interen van vermogen is het uitgangspunt dat er een verlaging
                    wordt toegepast van 20% over een zodanige periode dat het bedrag van de
                    verlaging gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel interen extra
                    is verstrekt, doch maximaal 5 jaar.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>In lid 7 is vastgelegd dat de bijzondere bijstand en de individuele
                    inkomenstoeslag worden geweigerd bij tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid. Vaststaan moet dan wel dat er een causaal verband is
                    tussen beroep op deze voorzieningen en de gedraging die uiting geeft aan
                    tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. </al><tussenkop>Artikel 12 Verlaging bij verlies van een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening door toepassing van een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Deze bepaling houdt verband met het wegvallen van rechten op passende en
                    toereikende voorliggende voorzieningen (denk bijv. aan de WW) zodra aldaar een
                    bestuurlijke boete wordt opgelegd vanwege het herhaaldelijk schenden van de
                    inlichtingenplicht.</al><al>Door de “Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving” wordt ook
                    het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten aangescherpt. In wezen
                    wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd (boete ter hoogte van de te veel
                    ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan) zij het dat de
                    uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB en Gemeente (voor wat betreft de IOAW en
                    IOAZ)) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van vijf jaren in beginsel
                    dienen te verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit
                    houdt in dat belanghebbenden zodra de verrekening wordt geëffectueerd in
                    beginsel geen beschikking hebben over hun uitkering en indien andere middelen
                    ontbreken, zullen zij dan een beroep moeten doen op de bijstand. </al><al>In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                    voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom afstemmingswaardig gedrag
                    op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd. In de
                    afstemmingsverordening is hiermee een bepaling opgenomen die is toegesneden op
                    deze situatie. Het artikel is daarbij zo geredigeerd dat belanghebbende in
                    beginsel in een feitelijk met de recidiverende bijstandsgerechtigde
                    vergelijkbare situatie terecht komt. </al><al>Specifiek is voor de effectuering van de verrekening en niet voor de datum van
                    oplegging van de boete gekozen als startpunt van de drie maandentermijn. Een en
                    ander houdt verband met het feit dat de verrekeningstermijn in deze vijf jaren
                    bedraagt. Ook wanneer de boete wordt opgelegd op een tijdstip dat hij niet
                    afhankelijk is van enige uitkering is de kans dat hij vanwege de verrekening op
                    een bepaald moment rechten niet te gelde kan maken reëel. </al><al>Opgemerkt zij nog dat de bepaling in welke situaties worden benoemd op basis
                    waarvan de verrekening enkel met in acht name van de beslagvrije voet wordt
                    toegepast (artikel 3 van de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij
                    recidive Laarbeek), niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. Dit houdt
                    verband met het feit dat het hier niet om verrekenen maar om het verlagen van de
                    bijstand gaat. Bij verlaging van de bijstand is artikel 18, eerste lid, van de
                    Participatiewet van toepassing. Dat houdt in dat de verlaging zal moeten worden
                    afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende. In
                    dat kader kan ook rekening worden gehouden met situaties die om een beperktere
                    verlaging vragen. </al><tussenkop>Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele </al><al>intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot)
                    opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te
                    beschouwen.<sup/> Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.<sup/></al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties (college, SVB
                    en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.<sup/>
                    Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden' wordt aangegeven
                    dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de uitvoering van de
                    Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing.<sup/></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus
                    op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.<sup/></al><tussenkop>Artikel 14 Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al>DeParticipatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid. Dat artikel bepaalt dat
                    naast de in hoofdstuk 2 van de Participatiewet opgenomen verplichtingen die aan
                    het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, er bepaalde andere
                    verplichtingen opgelegd kunnen worden die strekken tot arbeidsinschakeling of
                    vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder
                    medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het artikel. Een
                    ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven
                    indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur. </al><tussenkop>Artikel 15 Samenloop van gedragingen</tussenkop><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief> Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één
                    gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd
                    in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de
                    hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                    hoogste verlaging is gesteld.</al><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief> Het tweede regelt samenloop als
                    sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere
                    verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid,
                    van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop'
                    genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                    toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is
                    anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                    belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedraging is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al> Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                    door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een
                    gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in
                    dit geval nog een of meer afstemmingen opleggen, waarbij bij de hoogte van de
                    afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele
                    andere maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 16 Recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit
                    hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware
                    verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de
                    verlaging in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als
                    wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet – is afgezien
                    van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond
                    van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen
                    van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid
                    afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van
                    recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is
                    van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden,
                    wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                    verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is
                    gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.</al><tussenkop>Recidive op recidive bij niet geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen</tussenkop><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. </al><al>Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste
                    keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke
                    verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de
                    duur van de verlaging.</al><al>Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
                    Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er
                    is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te
                    verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de
                    oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de
                    verlaging voorkomen. </al><tussenkop>Eenzelfde gedraging vereist voor recidive</tussenkop><al>Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet
                    zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste
                    verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt
                    geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden
                    aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich
                    zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is
                    opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, eerste lid), dan is
                    geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft.
                    Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet of in onvoldoende
                    mate gebruik maakt van een door het college aangeboden participatieplaats als
                    bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet (artikel 7, tweede lid, onderdeel
                    b) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, tweede
                    lid, onderdeel a). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee
                    verschillende verplichtingen zijn geschonden. </al><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een
                    eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet
                    gegeven marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 17 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 18 Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering </tussenkop><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren
                    naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                    artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
                        </al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
                        </al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt. </al></li></lijst><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college de
                    uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de
                    aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d
                    dan kan het college de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich
                    af tijdens de uitkering.</al><tussenkop>Artikel 19 Het handhavingsbeleid</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan de in artikel 8b van de
                    Participatiewet en artikel 35, eerste lid, onderdeel c, IOAW/IOAZ, gegeven
                    opdracht om regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van deze wetten.</al><al>Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om daarin eigen beleidskeuzes
                    te maken.</al><al>De gemeenteraad stelt op hoofdlijnen het beleid rondom handhaving vast door
                    middel van deze bepaling en geeft daarmee de gelegenheid om er nadere invulling
                    aan te geven in de vorm van beleidsregels.</al><al>Een nadere uitwerking van deze beleidsvrijheid vindt plaats in het Beleidsplan
                    hoogwaardige handhaving. In dit plan wordt omschreven op welke wijze het college
                    omgaat met controle aan de poort van de bijstand (zoals welke gegevens
                    noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag om uitkering of een
                    aanvraag voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling; afstemming met het
                    UWV WERKbedrijf is op dit punt noodzakelijk), de controle van de verplichtingen
                    van de klant in verband met de beoordeling van de noodzaak tot voortzetting van
                    de uitkering en de gegevenscontrole. Doel is het vaststellen van de
                    rechtmatigheid van de uitkering en de voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling. </al><al>Uit het Beleidsplan volgt dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van
                    uitkering en voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling er gegevenscontrole
                    dient plaats te vinden.</al><al>De wijze waarop deze gegevens gecontroleerd worden op hun geldigheid en
                    juistheid wordt nader uitgewerkt in het Beleidsplan.</al><al>De keuze om verificatie en validatie van overgelegde gegevens door een klant in
                    een plan vast te leggen volgt uit het concept Hoogwaardige Handhaving. Op grond
                    hiervan wordt belang gehecht aan een systematische en planmatige benadering van
                    gegevenscontrole. In verband hiermee is de Wet eenmalige gegevensuitvraag en het
                    daarop gebaseerde digitaal klantdossier (het DKD) van groot belang.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Doel van het handhavingsbeleid is te streven dat alleen diegenen die
                    daadwerkelijk recht op uitkering hebben, deze ontvangen in overeenstemming met
                    de wet en regelgeving.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het college streeft naar het zo vroeg mogelijk ontdekken van fraude (door onder
                    andere signaalsturing, risicosturing en themacontroles). Het bestrijden van
                    fraude verlegt zich meer en meer naar het moment waarop de potentiële klant een
                    beroep doet op uitkering. Een goede controle op de aanvraag voorkomt dat mensen
                    ten onrechte aanspraak maken op uitkering. De controle wordt voorafgegaan door
                    voorlichting en heldere communicatie over het fraudebeleid van de gemeente. In
                    het genoemde beleidsplan wordt nadere invulling gegeven aan het concept
                    hoogwaardige handhaving, zoals de te hanteren controlesystematiek (signaal-
                    en/of risicosturing) en de controlemiddelen om de rechtmatigheid van de
                    uitkering te controleren. Deze systematiek kan worden toegepast bij de aanvraag,
                    tijdens en na beëindiging van de uitkering.</al><al>Het handhavingsbeleid wordt niet uitputtend in deze bepaling vastgelegd. Er
                    wordt ook gebruik gemaakt van beleidsplannen (of -nota’s). </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Aan controle op de rechtmatigheid van de verstrekking van uitkering wordt onder
                    andere vorm gegeven door huisbezoeken en het gebruik van het Structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI)-net en het Inlichtingenbureau,
                    waarin actuele gegevens staan van (potentiële) belanghebbenden met betrekking
                    tot inkomen uit loon of uitkering.</al><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>