<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360335_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Veenendaal 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid en artikel 10b, vierde lid">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aanpassing artikel 8</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet Veenendaal
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Veenendaal;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 januari 2015,
                        nummer 2014.00089A;</al><al><vet>Overwegende </vet>dat op 1 januari 2015 de Participatiewet in werking
                        is getreden;</al><al><vet>gelet op</vet> de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en
                        e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al><vet>gezien</vet> het advies van de Cliëntenraad WWB;</al><al><vet>besluit vast te stellen de
                            Re-integratieverordening Participatiewet
                            Veenendaal 2015.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>de doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onder a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>een grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                    arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs niet mogelijk
                                    binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>een korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                    arbeidsmarkt van een persoon is redelijkerwijs mogelijk binnen
                                    één jaar;</al></li><li nr="-"><al>langdurig werkloze: een persoon die 12 maanden of langer geen
                                    reguliere betaalde betrekking heeft gevonden;</al></li><li nr="-"><al>loonkosten: het brutoloon inclusief vakantiegeld en wettelijke
                                    werkgeverslasten;</al></li><li nr="-"><al>de wet: de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6, aanbieden
                                    aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand
                                    tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5
                                    en 8, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met
                                    een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                    functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden
                                    hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en
                                    de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. </al><al>Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een
                                            verslag over de doeltreffendheid van het beleid. Het
                                            verslag bevat in ieder geval het oordeel van de
                                            cliëntenraad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2b.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor
                            de verschillende voorzieningen zoals genoemd in hoofdstuk 3. Het
                            bereiken van een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond,
                            vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                            voorziening, onverlet artikel 7 van de Wet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening nadere
                                regels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder
                                ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan
                                aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover
                                in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage, en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover er een reële kans bestaat dat deze op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer kan door deze werkgever door middel van een
                                detacheringsconstructie te werk worden gesteld bij een inlener.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>het is gericht op arbeidsinschakeling, en</al></li><li nr="b."><al>het is gericht op het behalen van een startkwalificatie op
                                        de arbeidsmarkt, en</al></li><li nr="c."><al>de scholing dient kortdurend te zijn en gericht op snelle
                                        arbeidsinschakeling, en </al></li><li nr="d."><al>de meest doelmatige scholingsmogelijkheid dient te worden
                                        benut.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Proefplaatsing gericht op uitstroom naar betaalde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een proefplaatsing betreft het verrichten van onbeloonde arbeid,
                            veelal voorafgaand aan een arbeidsovereenkomst, bij een werkgever met
                            behoud van uitkering met als doel de inschakeling van de belanghebbende
                            in reguliere arbeid bij deze werkgever te bevorderen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een persoon een proefplaatsing bij een reguliere
                            werkgever aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling, als deze: </al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                                            arbeidsmarkt heeft </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                            concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen
                            verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de proefplaatsing;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de proefplaatsing;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></li><li nr="2."><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een
                                    voorselectie en wint bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen (UWV) advies in voor de beoordeling of
                                    zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                    college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen
                                    met een grote afstand tot de arbeidsmarkt op basis van een
                                    eerdere SW-indicatie of formele medische beoordeling in een
                                    ander kader.</al></li><li nr="3."><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college de
                                    volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: fysieke
                                    aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing
                                    van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding,
                                    werktempo of arbeidsduur.</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                                    beschikbaar stelt. </al></li></lijst><al>In verband hiermee overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen (UWV), aan de gemeente gelieerde bedrijven en
                            andere reguliere werkgevers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a)"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b)"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Loonkostensubsidie als re- integratievoorziening</titel></kop><al><vet>(Ten behoeve van de loonkostensubsidie voor personen met een
                                arbeidsbeperking bestaat er een separate verordening) </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan
                                    werkgevers die met een kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer
                                    een arbeidsovereenkomst sluiten.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de maximale hoogte, als percentage van de
                                    loonkosten, en maximale duur van de loonkostensubsidie
                                    vast.</al></li><li nr="3."><al>Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:</al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan de indienstneming gedurende 12 maanden
                                            geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden
                                            of;</al></li><li nr="b."><al>geen startkwalificatie bezit of</al></li><li nr="c."><al>ouder is dan 50 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die
                                    onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24
                                    maanden werkloos is geweest</al></li><li nr="5."><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    geen verdringing plaatsvindt.</al></li><li nr="6."><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op
                                    grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                    tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                    werknemer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><al>1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een
                            langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college stelt bij nadere regels vast:</al><lijst><li nr="1."><al>Onder welke voorwaarden, welke personen, bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid onderdeel a en werkgevers van deze personen in
                                    aanmerking komen voor de voorzieningen in deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Voor welke vergoeding als genoemd in artikel 12, naar hoogte en
                                    duur een werkgever in aanmerking komt. </al></li><li nr="3."><al>Welke regels gelden voor het aanbod van scholing of opleiding en
                                    voor de premie en de hoogte van die premie indien additionele
                                    werkzaamheden worden verricht als bedoeld in artikel 10a van de
                                    wet.</al></li><li nr="4."><al>Vwb Beschut werk</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze wordt bepaald welke personen
                                    in aanmerking komen voor de ambtshalve vaststelling, bedoeld in
                                    artikel 10b eerste lid van de wet;</al></li><li nr="b."><al>welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden
                                            aangeboden om de onder 4a bedoelde werkzaamheden mogelijk te
                                            maken;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de omvang van het aanbod van de voorziening,
                                    bedoeld in artikel 10b eerste lid, wordt vastgesteld.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Re- integratieverordening Veenendaal 2013 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re- integratieverordening Veenendaal 2013, die moet
                                worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-
                                integratieverordening Veenendaal 2013 voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Re- integratieverordening Veenendaal 2013 blijft van toepassing
                                ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het
                                tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet Veenendaal 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 februari
                        2015,</ondertekening><ondertekening>mevrouw drs. F.A. van Hooijdonk</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de heer mr. A.W. Kolff</ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al>Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7,
                    eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering; </al></li><li nr="-"><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                            college aangeboden voorziening.</al></li></lijst><al>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. </al><al>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. </al><tussenkop>Artikel 2a. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><al> Grote afstand tot arbeidsmarkt</al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 (voorzieningen
                    werkstages), 5 (sociale activering) en 8 (participatieplaats) aan personen aan
                    die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De
                    doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al>Korte afstand tot arbeidsmarkt</al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6 (detacheringsbaan)
                    aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al>Overige voorzieningen</al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing, beschut werk,
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten, persoonlijke ondersteuning , no-riskpolis,
                    loonkostensubsidie en uitstroompremies. </al><al>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><al>Verslag doeltreffendheid</al><al>Het college zendt tweejaarlijks een verslag over de doeltreffendheid van het
                    re-integratiebeleid. Dit verslag moet het oordeel van de cliëntenraad bevatten.
                    Dit is geregeld in artikel 2, vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 2b. Budget- en subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiele risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in de beleidsdocumenten
                    gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de
                    gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.</al><al>De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk).
                    Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                    persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al>Beëindigingsgronden</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 4. Werkstage </tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft bepaald
                    dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van
                    arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en
                    ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen
                    sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte
                    stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding
                    worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                    kosten.</al><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort tot de
                    doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt
                    heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de
                    arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                    werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening). Van
                    langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf
                    aaneengesloten maanden of langer aangewezen is geweest op een uitkering. In een
                    dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit
                    hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen
                    inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand
                    tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage
                    aan te bieden. </al><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><al> Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst
                    wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen,
                    evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog
                    eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.]</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder
                    'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al>Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot de
                    doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover
                    de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan
                    verkrijgen (artikel 5, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. </al><al>Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><tussenkop>Artikel 6. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. Ten tweede worden In de overeenkomst tussen werknemer en inlener
                    afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Voor het
                    derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over werkstages
                    (artikel 4).</al><tussenkop>Artikel 7. Scholing</tussenkop><al>Startkwalificatie</al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. Jongeren Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben
                    binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen
                    voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7,
                    derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). [Dit is voor de volledigheid
                    opgenomen in het derde lid.]</al><tussenkop>Artikel 8. Participatieplaats gericht op re-integratie </tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet [en het eerste lid van artikel 8 van deze verordening]. Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. </al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                    van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd
                    door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het
                    bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden
                    betrokken. Het college stelt de hoogte van de premie, bedoeld in artikel 10a,
                    zesde lid van de wet, vast in nadere regels.</al><tussenkop>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                    in dienst neemt (eerste lid).</al><al>Stap 1: voorselectie</al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het
                    tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote afstand
                    tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een
                    beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>Stap 3: besluit gemeente</al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.</al><al>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Er wordt nader bepaald hoe de dienstbetrekking door het
                    College wordt georganiseerd. Ook kunnen personen (via detachering) in een
                    beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.</al><tussenkop>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 12. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><al>Voorwaarden</al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><al>Hoogte vergoeding</al><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot een door het college vast te stellen
                            percentage van het minimumloon en</al></li><li nr="-"><al>een door het college vast te stellen percentage boven de dekking voor
                            extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><al>Contract met verzekeraar</al><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten met een nog nader vast te stellen <vet>verzekeraar</vet>.
                    De gemeente treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde
                    (derde lid).</al><al>Duur no-riskpolis</al><al>Het college stelt bij nadere regel de maximale duur van de te verstrekken no-
                    riskpolis vast. </al><al> Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 13. Loonkostensubsidie als re- integratievoorziening</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al>Compensatie Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie
                    voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                    worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan
                    inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken
                    om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de
                    re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. </al><al> Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><al>De in artikel 13 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden
                    onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d
                    van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                    in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek
                    bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 12 opgenomen
                    loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een
                    arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar
                    zijn.</al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                    personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 14. Uitstroompremie</tussenkop><al>Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon die
                    algemene bijstand ontving, uitstroomt. </al><al>Het college stelt de hoogte en de voorwaarden voor toekenning van de
                    uitstroompremie vast. In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een
                    eenmalige premie kan worden verstrekt. (art ikel 31, tweede lid, onderdeel j,
                    van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar is deze premie
                    vrijgelaten (artikel 31, zevende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 16. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 15 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 15,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-
                    integratieverordening Veenendaal 2013. Wordt niet meer aan die voorwaarden
                    voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een
                    belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al> Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re- integratieverordening Veenendaal
                    2013 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze
                    verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 15, derde lid). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al> Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re- integratieverordening
                    Veenendaal 2013 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12
                    maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers
                    niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re- integratieverordening Veenendaal
                    2013 van toepassing (artikel 15, vierde lid, van deze verordening).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>