<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360210_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad, 18-3-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=art. 212">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>MID 15/003</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Financiële verordening 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>FINANCIELE VERORDENING HAARLEMMERLIEDE EN SPAARNWOUDE 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude </al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13
                        januari 2015</al><al/><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gezien het advies van de commissie Raadsvoorbereiding d.d. 3 februari
                        2015;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de Financiële verordening Haarlemmerliede en Spaarnwoude
                        2015:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de
                                    gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse
                                    verantwoordelijkheid aan het college;</al></li><li nr="-"><al>inkomsten: totaal van de baten voor onttrekking van
                                    reserves;</al></li><li nr="-"><al>netto schuld: de bruto schuld minus de omvang van de geldelijke
                                    bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak. Onder
                                    bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen,
                                    kortlopende schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder
                                    geldelijke bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke
                                    taak wordt verstaan het totaal van langlopende uitzettingen,
                                    vorderingen, liquide middelen en overlopende activa;</al></li><li nr="-"><al>overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke
                                    rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met
                                    rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon, al dan niet tezamen met een of meer andere
                                    publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te
                                    bepalen of een onderneming in de vorm van een
                                    personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke
                                    rechtspersoon deelneemt;</al></li><li nr="-"><al>prioriteit: onderdeel van een programma bestaande uit een
                                    samenstel van een aantal samenhangende producten of een enkel
                                    product van de productenraming en productenrealisatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een
                                programma-indeling voor die raadsperiode vast of verklaart de oude
                                programma – indeling van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op basis van de
                                door het college aan de programma’s toegewezen producten de
                                onderverdeling van de programma’s in prioriteiten
                                    vast<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma relevante
                                indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van
                                verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en
                                diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke
                                onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen
                                in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden
                                geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en
                                baten per prioriteit weergegeven en bij de jaarstukken worden onder
                                elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per
                                prioriteit weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende
                                investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming
                                van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar
                                weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)
                                inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg
                                van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen en meerjarige
                                projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten
                                en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt voor 1 oktober aan de raad een nota aan met een
                                voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting
                                voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad
                                stelt deze nota voor 15 oktober vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de begroting wordt een post onvoorzien van minimaal €. 25.000
                                opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                                de lasten per prioriteit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. Dat dient in
                                ieder geval te gebeuren bij een investering boven €. 100.000. De
                                overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met
                                het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de lasten
                                de geautoriseerde lasten of de investeringsuitgaven de
                                geautoriseerde investeringskredieten dreigen te overschrijden of de
                                baten de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad
                                geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging
                                van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het
                                college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde
                                budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het
                                beleid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het
                                vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college
                                vooraf aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel
                                met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet
                                aan de raad voor. Bij investeringen groter dan €. 250.000 informeert
                                het college de raad in het voorstel over het effect van de
                                investering op de schuldpositie van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                                    rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente
                                    over de eerste 6 maanden en de eerste 9 maanden van het lopende
                                    boekjaar.</al></li><li nr="2."><al>De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de
                                    uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met
                                    de bijgestelde raming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar
                                            prioriteiten;</al></li><li nr="b."><al>het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen
                                            uitgesplitst naar prioriteiten;</al></li><li nr="c."><al>het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit
                                            de onderdelen a en b;</al></li><li nr="d."><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves
                                            per programma; en</al></li><li nr="e."><al>het resultaat, volgend uit de onderdelen c en d, alsmede de realisatie en raming van de uitputting van de
                            investeringskredieten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke
                            ramingen van de baten en de lasten van prioriteiten en
                            investeringskredieten in de begroting groter dan €. 5.000
                            toegelicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>Het college besluit niet over:</al><lijst><li nr="a."><al>de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan
                                    €. 100.000;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan
                                    €. 100.000; en</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van kapitaal aan instellingen en
                                    ondernemingen,</al></li></lijst><al>dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de
                            gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het
                            college te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Materiële vaste activa met een meerjarig maatschappelijk nut
                                    worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd.</al></li><li nr="2."><al>Materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek
                                    en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid
                                    bij deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten
                                    laste van de exploitatie gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een
                                    bepaald actief worden lineair in maximaal 4 jaar
                                    afgeschreven.</al></li><li nr="5."><al>Een saldo voor agio of disagio wordt lineair in maximaal 4 jaar
                                    afgeschreven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een
                                    voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een
                                    individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande
                                    vorderingen.</al></li><li nr="2."><al>Voor openstaande vorderingen betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende zaakbelasting eigenaren;</al></li><li nr="b."><al>precariobelasting;</al></li><li nr="c."><al>hondenbelasting;</al></li><li nr="d."><al>parkeerbelasting;</al></li><li nr="e."><al>rioolheffing;</al></li><li nr="f."><al>afvalstoffenheffing; en</al></li><li nr="g."><al>bijstandsvertrekking,</al></li></lijst></li></lijst><al>wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan €.
                            100.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het
                            historische percentage van oninbaarheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen; en</al></li><li nr="c."><al>de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen
                                de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een
                                investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de
                                algemene reserve toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken
                                    en diensten van de gemeente<cursief>,</cursief> die worden
                                    geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een systeem van
                                    kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden
                                    naast de directe kosten de indirecte kosten betrokken, die
                                    rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende
                                    diensten.</al></li><li nr="2."><al>Bij de kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen
                                    van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de
                                    betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde
                                    activa en voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de
                                    compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de
                                    kosten van het kwijtscheldingsbeleid.</al></li><li nr="3."><al>Voor de inzet van materiële activa worden naast directe kosten,
                                    indirecte kosten en afschrijvingskosten, de rente voor de
                                    financiering van het actief toegerekend. Deze rente is een
                                    vergoeding voor de inzet van vreemd vermogen en van eigen
                                    vermogen. De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de
                                    behandeling van de begroting vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken aan
                                overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten
                                de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt
                                tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij
                                afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten
                                afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek
                                belang van de activiteit wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven
                                en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in
                                rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of
                                garantie wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de
                                kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in
                                de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de gemeentelijke tarieven voor de belastingen (OZB, RZB, honden,
                                toeristen, reclame en precario), de rioolheffingen, de
                                afvalstoffenheffing en de leges.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de
                                kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                                werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren
                                en de erfpachten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren
                                en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een
                                besluit voor aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen
                                de volgende kaders in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                        langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij
                                        verschillende financiële instellingen gevraagd; en</al></li><li nr="b."><al>er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als
                                        bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering
                                        decentrale overheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de raad vooraf als de wettelijke
                                kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
                                financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm,
                                bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale
                                overheden, dreigt te worden overschreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en
                                het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college
                                indien mogelijk zekerheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een garantie wordt een voorziening ten laste
                                van de begroting gevormd ter grote van het risico dat de gemeente
                                met de garantie loopt. Als in de begroting niet is voorzien in
                                budget voor deze voorziening dan doet het college vooraf aan de
                                garantieverlening een voorstel aan de raad voor een
                                begrotingswijziging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10
                            van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in
                            ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al> De werkelijke belastingopbrengsten volgens de laatst
                                    vastgestelde jaarrekening en de laatst vastgestelde begroting,
                                    alsmede zo mogelijk een raming voor het volgende
                                    dienstjaar;</al></li><li nr="b."><al> Het verloop van de belastingtarieven over de laatste 3
                                    jaren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="b."><al>de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="c."><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                    komende vier jaar;</al></li><li nr="d."><al>de rentevisie voor de komende vier jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de
                                begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte
                                onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en
                                verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de solvabiliteitsratio;</al></li><li nr="b."><al>de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;</al></li><li nr="c."><al>de ontwikkeling van de netto schuld als percentage van de
                                        gemeentelijke inkomsten;</al></li><li nr="d."><al>de ontwikkeling van de som van de voorraden bouwgrond, de
                                        voorraden onderhanden werk en overige voorraden als
                                        percentage van de gemeentelijke inkomsten;</al></li><li nr="e."><al>de ontwikkeling van de som van de leningen aan derden en de
                                        leningen aan verbonden partijen als percentage van de
                                        gemeentelijke inkomsten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de
                                gemeente wordt beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario de
                                schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder dat
                                de uitgaven aan en de investeringen in noodzakelijke publieke
                                voorzieningen in de knel komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond
                                van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voortgang van het geplande onderhoud;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het achterstallig onderhoud.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer
                                voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en
                                de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen,
                                kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier] jaar een
                                rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                                onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van
                                de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele
                                uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een
                                onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te
                                plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke
                                gebouwen. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><al>In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van
                            het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en
                                    de loonkosten;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van inhuur derden;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingskosten;</al></li><li nr="d."><al>de automatiseringskosten;</al></li><li nr="e."><al>de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de
                                    accountant.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            verbonden partijen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel
                            15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
                            in ieder geval een korte omschrijving op van de doelstelling van de
                            betreffende verbonden partij. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt
                                het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van
                                16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                gemeenten in ieder geval op:</al><lijst><li nr="a."><al>het verloop van de grondvoorraad; </al></li><li nr="b."><al>de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota
                                grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt
                                aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="b."><al>te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;</al></li><li nr="c."><al>het verloop van de grondvoorraad;</al></li><li nr="d."><al>de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Financiële organisatie en financieel beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in
                                        de gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                        omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden
                                        en contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de
                                        toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het
                                        maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met
                                        betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en
                                        diensten en de maatschappelijke effecten van het
                                        gemeentelijke beleid;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                        doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                                        bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                        begroting en relevante wet- en regelgeving; en</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en
                                        van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de
                                        controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en
                                        regelgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder administratie wordt verstaan het systematisch verzamelen,
                                vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van
                                het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke
                                organisatie en de verantwoording die daarover moet worden
                                afgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie;</al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                    lasten en baten aan de producten van de productenraming en de
                                    productenrealisatie;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van goederen, werken en diensten;</al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                    toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;
                                    en</al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen,opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en
                                    verantwoording wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de
                                gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de
                                uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de
                                opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen
                                in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>De Financiële verordening Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2010 wordt
                            ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                            jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het
                            begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in
                            werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en
                            bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar
                            waarin deze verordening in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                    Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2015.</al><al/></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 17 februari
                        2015.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Toelichting op de artikelen</label><titel/></kop><tussenkop>NB Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in de
                    Model Financiële verordening 2014 gemaakt zijn in gedachte. Als een individuele
                    gemeente op punten andere keuzes maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet
                    aan. Wel kan deze uiteraard als basis dienen voor een door de gemeente zelf op
                    te stellen toelichting. Bovendien worden enkel die bepalingen behandeld die
                    verdere toelichting behoeven. Voor een goed beeld dient deze modelverordening in
                    samenhang met de hierbij behorende ledenbrief gelezen te worden.</tussenkop><al/><tussenkop><vet>Artikel 1. Begripsbepaling</vet></tussenkop><al>In deze verordening is het begrip prioriteit gedefinieerd. De autorisatie van de
                    programmabegroting vindt op een lager niveau plaats, namelijk op het niveau van
                    prioriteiten in plaats van op het niveau van programma’s. Een programma van de
                    begroting kan op grond van artikel 8 van het Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten (hierna: BBV) worden opgedeeld in prioriteiten. Een
                    prioriteit wordt hier gedefinieerd als een productgroep van een of meer
                    producten van de productenraming (en productenrealisatie).</al><al>De begrippen netto schuld en inkomsten zijn gedefinieerd. Hiervoor zijn de
                    definities gevolgd die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten toepast voor het
                    jaarlijkse overzicht met kengetallen over de financiële positie van
                    gemeenten.</al><al>Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om nadere invulling te
                    kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het
                    vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat
                    het college de producten aan de programma’s toewijst. </al><al>Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad
                    neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten
                    op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op
                    grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de
                    begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor
                    op de begroting zijn gebracht (derde lid artikel 189 Gemeentewet). </al><al>De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Er is voor
                    gekozen een budget voor een samenstel van activiteiten beschikbaar te stellen.
                    Op grond van het vierde lid van artikel 8 BBV kan een gemeente of provincie de
                    baten en lasten van een programma onderverdelen in baten en lasten voor
                    prioriteiten. (In sommige gemeenten wordt voor het begrip prioriteit ook wel de
                    benaming deelprogramma gehanteerd.) De raad kan in afwijking van het bepaalde in
                    deze verordening er ook voor kiezen de budgetten per programma te
                    autoriseren.</al><al>Het derde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt dat op
                    voorstel van het college de raad niet-financiële indicatoren per programma
                    vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Het derde lid van
                    artikel 8 BBV stelt namelijk dat per programma wordt aangegeven wat de
                    doelstelling – in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten – is en hoe
                    er naar wordt gestreefd deze effecten te bereiken. </al><al>Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele</al><al> begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat
                    niet raadzaam. Als de indeling en gebruikte indicatoren de vorige raadsperiode
                    goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In
                    andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal
                    voldoende.</al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd. Het vierde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt
                    dat de raad bij aanvang een nieuwe raadsperiode kan aangeven welke paragrafen
                    hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een paragraaf
                    subsidies of een paragraaf duurzaamheid. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft een autorisatieniveau op het
                    niveau van prioriteiten voor en bevat de bepaling dat de lasten en baten onder
                    de programma’s in de begroting per prioriteit worden weergegeven. Door deze
                    bepaling is het bijvoegen van de productenraming bij de begroting en de
                    productrealisatie bij het jaarverslag niet meer nodig. Overigens is hiervoor nog
                    een tussenoptie mogelijk. Namelijk door per programma te werken met prioriteiten
                    op die gebieden waar politieke aandacht voor is en de rest van het programma te
                    bestempelen als overig. Bij die optie is het toevoegen van de productenraming
                    bij de begroting en de productenrealisatie bij de jaarstukken wel nodig.</al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. In het derde lid wordt dit geregeld voor de
                    jaarrekening.</al><al>Het derde bepaalt dat in aanvulling op het bepaalde in het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten de gevolgen van de begroting en
                    meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt. </al><al/><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>Artikel 4 van de financiële verordening biedt de kaders voor het opstellen van
                    de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die
                    het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in
                    aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV. </al><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen van de begroting een nota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het
                    beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders
                    geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota
                    draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota.</al><al>Artikel 8 van het BBV zegt dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in
                    het programmaplan. In het tweede lid van artikel 4 wordt een nadere invulling
                    aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor
                    onvoorzien vast te leggen. De meeste gemeenten nemen een bedrag voor onvoorzien
                    op onder de algemene dekkingsmiddelen. Het is ook mogelijk om als raad aan te
                    geven dat het college per programma een post voor onvoorziene uitgaven opneemt.
                    Dan moet een lid met een andere strekking op deze plaats worden opgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten </tussenkop><al>Artikel 5 van de financiële verordening bevat nadere regels voor de autorisatie
                    van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten.
                    Autorisatie van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van
                    prioriteiten (eerste lid). Naast lopende uitgaven doet een gemeenten
                    investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd –
                    denk hierbij ook aan de grondexploitatie. Voor de autorisatie van deze
                    investeringskredieten is gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen
                    (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke
                    investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de
                    raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de
                    behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag
                    voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene
                    uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet
                    bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. </al><al>Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en
                    investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten
                    bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het
                    budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.</al><al>Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen
                    van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de
                    tussenrapportages (vierde lid). </al><al>Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op
                    tafel die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vijfde lid
                    van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan
                    bij vaststelling van de begroting. Dus ook voor investeringen die pas in de loop
                    van het begrotingsjaar worden voorzien. Daarbij draagt dit lid aan het college
                    op bij grote investeringen aan te geven wat het effect is op de schuldpositie
                    van de gemeente.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de
                    tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de
                    uitvoering van het beleid. In dit voorbeeld is gekozen voor twee
                    tussenrapportages aansluitend bij de kwartalen, zodat de rapportages samenvallen
                    met de kwartaalrapportages Informatie Voor Derden (IV3) aan het Rijk. </al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage,
                    waarbij informatie over de grondexploitatie valt onder de investeringskredieten. </al><al>Het derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het
                    college in de tussenrapportages moet toelichten. Deze afwijking kunnen ook als
                    een percentage worden gedefinieerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Informatieplicht</tussenkop><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel verplicht
                    het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de
                    raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in
                    de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college
                    kenbaar te maken.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. EMU-saldo</tussenkop><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze
                    aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit
                    gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook
                    zijn dat de overschrijding niet erg is. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts
                    bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. </al><al>In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een
                    overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Als daarop
                    actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen
                    van de begroting.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat de
                    financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen
                    over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de materiële vaste
                    activa wordt in de verordening verwezen naar een bijlage. In de bijlage zijn
                    naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën
                    materiele vaste activa met economisch en maatschappelijk nut opgenomen. Deze
                    vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke werkwijze in sommige gemeenten om
                    de afschrijvingstermijnen in een apart document vast te leggen. Optioneel is het
                    stellen van een maximale afschrijvingstermijn. Van een maximale
                    afschrijvingstermijn kan naar beneden worden afgeweken. Reden hiervoor is dat de
                    economische levensduur van bijvoorbeeld nieuwe riolering langer is dan die van
                    oude riolering. Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan voor
                    oude riolering een korte afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor
                    in de verordening een aparte bepaling op te nemen.</al><al>Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf
                    vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen.
                    Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de
                    afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen
                    op de verwachte levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld
                    van de jaarrekening aangetast.</al><al>In de verordening is er voor gekozen activa met maatschappelijk nut te activeren
                    in plaats van deze meteen ten laste van de exploitatie te brengen.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen</tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en
                    heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen. </al><al>Vorderingen worden individueel beoordeeld op oninbaarheid. Maar voor de in het
                    tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen, heffingen en
                    bijstandsverstrekkingen wordt een voorziening getroffen op basis van het
                    historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag
                    of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Wel zal een
                    accountant eisen dat de grote bedragen onder deze vorderingen toch individueel
                    worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen. </al><al>Op zich zijn de bepalingen van artikel 10 niet noodzakelijk. De accountant
                    controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso
                    de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen
                    geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek
                    voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt dat het college eens in een nader aantal te bepalen jaar
                    een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het
                    vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van
                    reserves en voorzieningen.</al><al>Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige investering
                    een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het tweede lid zijn de
                    voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve
                    opgenomen.</al><al>Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door bij het instellen van een
                    bestemmingsreserve een maximale “houdbaarheidsdatum” voor de reserve op te nemen
                    kan dit worden voorkomen. Hiervoor moet wel in de verordening de bepaling worden
                    opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden,
                    vervallen en weer aan de algemene reserve worden toegevoegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><tussenkop> Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten en
                    heffingen. De grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de opbouw van de
                    kostprijs van de goederen en diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening
                    worden gebracht. In artikel 12 van de verordening staan de kaders voor de
                    bepaling van de kostprijzen van de gemeentelijke diensten die worden geleverd
                    aan derden. Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de kostprijs bestaat uit
                    de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst samenhangen.
                    Het tweede lid bepaalt dat bij de rioolheffing en afvalstoffenheffing onder de
                    kosten ook worden verstaan bijdragen aan voorzieningen, de compensabele BTW en
                    de kosten van het kwijtscheldingsbeleid. </al><al>Het derde lid geeft aan dat in de kostprijs ook de kosten van de financiering
                    van materiële activa moet worden meegenomen in de vorm van een rente over het
                    eigen vermogen en over het vreemd vermogen. Kaders voor de kostprijzen staan
                    voor heffingen, rechten en leges in artikel 229b Gemeentewet en voor prijzen in
                    de artikelen 25i, 25j en 25m van de Mededingingswet. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</tussenkop><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de
                    gemeenten in concurrentie met ander ondernemingen treedt. Het
                    bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat tenminste een integrale kostprijs
                    voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen
                    garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na
                    bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente
                    (Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een
                    besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in
                        <onderstreept>artikel 7:13</onderstreept> Algemene wet bestuursrecht is
                    ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
                    voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de
                    bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. </al><al/><tussenkop>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een
                    bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel
                    156 Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven
                    voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. </al><al>Een gemeenteraad die voor meer rechten en leges de tarieven jaarlijks wenst vast
                    te stellen, kan het eerste lid met deze rechten en leges uitbreiden. Het
                    betekent dat de bijbehorende verordening jaarlijks moet worden herzien.
                    Eventueel kan overwogen worden om ook de verordening ‘kwijtschelding
                    gemeentelijke belastingen’ jaarlijks te herzien. </al><al>Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                    diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet, is een
                    privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college
                    (eerste lid, letter e artikel 160 Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de
                    hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college aan de raad jaarlijks een nota aanbiedt
                    met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor
                    erfpacht. De raad stelt deze nota vast. </al><al>Het derde lid bepaalt dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het
                    vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de
                    kaders uit de nota vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Financieringsfunctie </tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening in elk
                    geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en
                    limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan deze
                    plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de
                    financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 27.</al><al>In aanvulling op de regels uit de wet Financiering decentrale overheden en
                    daaruit volgende besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal
                    aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten.
                    Als in een gemeente wel gebruik mag worden gemaakt van financiële derivaten, dan
                    moet deze bepaling uit de verordening worden weggelaten.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college de raad informeert als de kasgeldlimiet
                    of de renterisiconorm dreigt te worden overschreden. Artikel 4 respectievelijk 6
                    van de Wet financiering decentrale overheden (hierna: Wet Fido) geeft aan dat de
                    toezichthouder (provincie) wordt geïnformeerd als de gemeente voor het derde
                    achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet respectievelijk renterisiconorm
                    overschrijdt en dat de gemeente aan de toezichthouder een plan voorlegt om weer
                    binnen deze limiet te komen. Dit plan dient door de provincie goed gekeurd te
                    worden. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan de toezichthouder correctieve
                    maatregelen treffen. </al><al>Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekkenen en financiële
                    participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 Wet
                    Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een
                    besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen,
                    vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen
                    niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en
                    hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis</al><al> van het college heeft kunnen brengen. </al><al>Het derde lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties
                    en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico
                    waaraan de gemeente bloot komt te staan te verminderen. Dit is zeker als het om
                    grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente
                    aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de
                    regel niet al te veel vertrouwen meer in. </al><al>Het vierde lid bepaalt dat voor het verlenen van garanties een voorziening wordt
                    gevormd voor het risico dat de gemeente loopt. Daarmee komt de verlening van
                    garanties expliciet onder het budgetrecht van de raad te vallen en is voor ook
                    de verlening van garanties tegen marktconforme tarieven instemming van de raad
                    vereist. </al><tussenkop>Paragrafen</tussenkop><al>Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de
                    artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen,
                    weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen,
                    financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet
                    staan. In de financiële verordening kan de raad bepalen dat hij ook over
                    aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd<cursief>. Een aantal
                        van deze artikelen zijn facultatief en schuin gedrukt.</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 16. Lokale heffingen</tussenkop><tussenkop>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat
                    in artikel 10 welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad kan worden gedefinieerd.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 17. Financiering</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 13 welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in
                    de paragraaf financiering ook wordt geïnformeerd over de opbouw van de korte en
                    lange schuldpositie, de liquiditeitsplanning en de rentevisie voor de komende
                    jaren. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 11 welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft. Dit model heeft
                    daarom een artikel waarin deze aanvullende informatievraag van de raad wordt
                    gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad voor het vormen van een oordeel van de
                    weerstandscapaciteit in deze paragraaf ook wordt geïnformeerd over de
                    solvabiliteitsratio, de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner, de
                    ontwikkeling van de netto schuldquote, de ontwikkeling van de voorraadquote en
                    de ontwikkeling van de uitleenquote. </al><al>In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze in beeld moet worden gebracht
                    of de weerstandscapaciteit voldoende is. Hiervoor bestaan verschillende
                    methoden.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval
                    moet bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de
                    informatie in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze
                    aanvullende informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat
                    de raad in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ook wordt geïnformeerd over
                    de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig
                    onderhoud.</al><al>De navolgende leden bevatten de bepaling dat het college tenminste eens in een
                    nader bepaald aantal jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud
                    openbare ruimte, het onderhoud riolering en het onderhoud gebouwen. Hiermee kan
                    de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 14 welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in
                    de paragraaf bedrijfsvoering ook wordt geïnformeerd over de kosten, de opbouw en
                    het verloop van het personeelsbestand, de kosten inhuur derden, de
                    huisvestingskosten, de automatiseringskosten en de budgetten voor de raad, de
                    griffie, de rekenkamer en de accountant. </al><al/><tussenkop>Artikel 21. Verbonden partijen</tussenkop><tussenkop>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat
                    in artikel 15 welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet
                    bevatten. Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie
                    in deze paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad kan worden gedefinieerd.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 22. Grondbeleid</tussenkop><al>In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in
                    artikel 16 welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten.
                    Het kan zijn dat de raad aanvullende wensen heeft voor de informatie in deze
                    paragraaf. Dit model heeft daarom een artikel waarin deze aanvullende
                    informatievraag van de raad wordt gedefinieerd. Er is opgenomen dat de raad in
                    de paragraaf grondbeleid ook wordt geïnformeerd over het verloop van de
                    grondvoorraad en de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college eens in een nader bepaald aantal jaar aan
                    de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor
                    het toekomstig grondbeleid vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 23. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 23 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><al/><tussenkop>Artikel 24. Financiële organisatie</tussenkop><al>Artikel 24 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160
                    Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie,
                    blijkt uit het advies van de Raad van State en het Nader rapport uit 2003 over
                    de wijziging van artikel 212 Gemeentewet. </al><al>Artikel 24 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. </al><al>Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand dat het college een
                    organisatiebesluit en een treasurystatuut vaststelt en dat het college de
                    volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de kostentoerekening
                    vastlegt. </al><al>Bij het beleid en interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht
                    worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden. </al><al>Bij het beleid en interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking
                    gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels
                    voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en
                    de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.</al><al>In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het om bijvoorbeeld het
                    treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een
                    aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk
                    worden verstrekt aan rechthebbenden. </al><al>De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het
                    financieel beheer en beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en
                    verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden waarop de interne
                    controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de
                    rechtmatigheid van de beheershandelingen en getrouwheid van de jaarrekening. </al><al/><tussenkop>Artikel 25. Interne controle</tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 25 draagt het
                    college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de
                    accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties
                    een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten,
                    de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn)
                    verlopen.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat jaarlijks wordt gecontroleerd of de administratie van
                    waardepapieren e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit.
                    Het lid gebiedt daarbij dat eens in een nader aantal te bepalen jaar wordt
                    gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen
                    overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Advies is om deze laatste controle
                    eens in de vier of vijf jaar uit te voeren. </al><al/><tussenkop>Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden
                    ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een
                    kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar
                    t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en
                    wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    t+1 en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van
                    toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en
                    jaarstukken van het jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling
                    opgenomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Het verdient de voorkeur de nieuwe verordening in werking te laten treden op een
                    datum voor het vaststellen van de voorjaarsnota en anders voor het vaststellen
                    van de begroting van het jaar t+1.</al><al>Anders moet artikel 27 worden uitgebreid met een bepaling die voorziet in
                    terugwerkende kracht, zodat de bepalingen uit de nieuwe verordening ook gelden
                    voor de begroting voor het jaar t+1.</al><al/><tussenkop>Vaststelling</tussenkop><al>Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend
                    (eerste lid artikel 75 Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande stukken van
                    de raad medeondertekenen (artikel 107c Gemeentewet).</al><al>Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening
                    aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 Gemeentewet). Gedeputeerde staten
                    kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting
                    van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet
                    (artikel 215 Gemeentewet). </al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 9 </titel></kop><tussenkop><vet>Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch
                    nut</vet></tussenkop><al/><al>Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan €. 2.500
                    worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen
                    worden altijd geactiveerd.</al><al/><al>Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. </al><al/><al>De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair
                    afgeschreven in:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal 30 jaar: rioleringen;</al></li><li nr="b."><al>10 jaar: aanleg tijdelijke terreinwerken; </al></li><li nr="c."><al>40 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen;</al></li><li nr="d."><al>25 jaar: nieuwbouw kantoren en bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>10 jaar: nieuwbouw tijdelijke woonruimten en tijdelijke
                            bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="f."><al>25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, en
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="g."><al>25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren en
                            bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="h."><al>15 jaar: technische installaties in bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="i."><al>10 jaar: veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="j."><al>10 jaar: telefooninstallaties; </al></li><li nr="k."><al>5 jaar: automatiseringsapparatuur;</al></li><li nr="l."><al>10 jaar: kantoormeubilair en schoolmeubilair;</al></li><li nr="m."><al>20 jaar: motorvaartuigen;</al></li><li nr="n."><al>5 jaar: zware transportmiddelen en schuiten; </al></li><li nr="o."><al>5 jaar: aanhangwagens, personenauto’s en lichte motorvoertuigen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk
                    nut</tussenkop><al/><al>De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair
                    afgeschreven in:</al><lijst><li nr="a."><al>maximaal 15 jaar: parken, sportvelden en groenvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>maximaal 10 jaar: wegen, pleinen en rotondes;</al></li><li nr="c."><al>maximaal 50 jaar: tunnels, viaducten en bruggen;</al></li><li nr="d."><al>maximaal 50 jaar: geluidswallen; </al></li><li nr="e."><al>15 jaar: openbare verlichting;</al></li><li nr="f."><al>10 jaar: straatmeubilair;</al></li><li nr="g."><al>maximaal 50 jaar: havens, kades, sluizen en waterkeringen;</al></li><li nr="h."><al>maximaal 15 jaar: waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing;</al></li><li nr="i."><al>15 jaar: pompen en gemalen.</al><al/></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>