<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR360169_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vianen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-03-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vianen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-03-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-02-27</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-07-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften 2015 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Vianen;</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gelezen het voorstel van het college;</al><al>gelet op artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a·"><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit
                                    heeft genomen;</al></li><li nr="b·"><al>commissie: vaste commissie van advies voor de
                                    bezwaarschriften.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op
                                bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de
                                burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten op grond van: </al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet
                                        waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>besluiten genomen door het bevoegde bestuursorgaan in het
                                        kader van arbeidsrechtelijke verhoudingen ten aanzien van
                                        ambtenaren in dienst van de gemeente Vianen;</al></li><li nr="c."><al>besluiten die zijn genomen door de regionale
                                        uitvoeringsdienst Werk en Inkomen Lekstroom.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
                                leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd,
                                geschorst en ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a.</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan kamers instellen, die belast worden met de
                                    behandeling van bezwaarschriften.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer
                                    vast welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar
                                    zullen worden behandeld.</al></li><li nr="3."><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden:</al></li></lijst><al>a een voorzitter overeenkomstig artikel 7:13 Awb, zijnde de voorzitter
                            of een van de leden van de commissie, uit haar midden aangewezen;</al><al>b ten minste twee andere leden, door de commissie aangewezen uit haar
                            midden.</al><lijst><li nr="4."><al>De commissie wijst uit haar midden voor elk lid een eerste en
                                    tweede plaatsvervanger aan.</al></li><li nr="5."><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift
                                    door de commissie zal geschieden.</al></li><li nr="6."><al>Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze
                                    verordening zoveel mogelijk van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                secretaris aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                                termijn van vier jaar. Het is mogelijk om herbenoemd te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de
                                commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt
                                binnen zeven werkdagen in handen van de commissie gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>De commissie onderzoekt of de zaak in de minne kan worden geschikt
                            alvorens de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht
                            daartoe de nodige handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                            voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter
                            van de commissie:</al><lijst><li nr="·"><al>a. artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="·"><al>b. artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                    termijn;</al></li><li nr="·"><al>c. artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken
                                    betreft tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="·"><al>d. artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="·"><al>e. artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle
                                gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                horen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                Awb .</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te
                                zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de
                                belanghebbenden en het verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan
                                ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of
                                het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter
                                verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk
                                één week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en
                                het verwerend orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn
                                in het eerste tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het
                            aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn
                            plaatsvervanger, aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De zitting van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien
                                een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                                vindt de zitting plaats achter gesloten deuren.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De zitting van de commissie vindt achter gesloten deuren plaats
                                voor wat betreft bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten
                                op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de
                                Huisvestingsverordening betreffende urgentieverklaringen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Awb vermeldt de namen van
                                de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en
                                weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de zitting geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde
                                bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris
                                van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in
                                afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten
                                tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist
                                op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening
                                die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over
                                het door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                                indien die minderheid dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>6. Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                commissie ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in
                                artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de
                                Awb , ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                                advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend
                                orgaan tijdig de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de
                            gemeente verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande
                            kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening commissie bezwaarschriften 2002 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                            bezwaarschriften 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 februari 2015 </ondertekening><ondertekening>de burgemeester, de griffier,</ondertekening><ondertekening>W.G. Groeneweg C.J. Steehouwer</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders d.d. 4 november
                        2014</ondertekening><ondertekening>de burgemeester, de secretaris,</ondertekening><ondertekening>W.G. Groeneweg W. Wieringa</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>W.G. Groeneweg </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die
                    moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het
                    noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te
                    plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting bij het model zijn zo veel mogelijk
                    onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang zijn in de
                    behandelingsprocedure.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening commissie bezwaarschriften
                    2015</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen.</al><tussenkop>Artikel 3. Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                    adviescommissie:</al><lijst><li nr="·"><al>1. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                            (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van de Awb)</al></li><li nr="·"><al>2. De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid,
                            onder b, van de Awb)</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3a.</tussenkop><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13
                    Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99, JG
                    1999/179).</al><tussenkop>Artikel 4. Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="·"><al>a. Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="·"><al>b. De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><lijst><li nr="o"><al>1. De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="o"><al>2. De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8).</al></li><li nr="o"><al>3. De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een
                                    combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing
                                    (artikel 6:9, tweede lid).</al></li><li nr="o"><al>4. Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="o"><al>5. Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een
                                    besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>c. De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15): </al><lijst><li nr="o"><al>1. Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan
                                    waarbij het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden
                                    vermeld dat een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit
                                    kan ook in een later stadium: zie ook de opmerkingen in
                                    paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel 6:14).</al></li><li nr="o"><al>2. Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Een per fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van
                    de termijn te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn
                    aangevangen vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de
                    ontvangende faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325).
                    Een bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook mogelijk. Wel is het zo dat het
                    bestuursorgaan deze weg expliciet moet openstellen (art. 2:15 Awb). Binnen de
                    gemeente Vianen is dit niet het geval. Indien een bezwaarde per e-mail een
                    bezwaarschrift heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid niet
                    heeft toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                    brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail
                    ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden
                    verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes
                    weken (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het
                    aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte
                    te brengen van de te volgen procedure.</al><tussenkop>Artikel 8. Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><al>Artikel 2:1, tweede lid</al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al>Artikel 6:6</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al>Toelichting:</al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Artikel 6:17</al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><al>Artikel 7:4, tweede lid</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al>Toelichting:</al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al>Artikel 7:6, vierde lid</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al>Toelichting</al><al>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de mogelijkheid gegeven om de
                    belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om dit te doen kan zijn dat
                    tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde lid geeft aan dat in
                    dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd hoeven te worden over wat
                    er in de afzonderlijke hoorzittingen is besproken.</al><tussenkop>Artikel 9. Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 8 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="·"><al>b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="·"><al>c. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van
                            het recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="·"><al>d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><tussenkop>Artikel 11. Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><al>Artikel 7:4</al><lijst><li nr="·"><al>1. Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="·"><al>2. Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het
                            bezwaarschrift/beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking
                            hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten minste één
                            week voor belanghebbenden ter inzage.</al></li><li nr="·"><al>3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="·"><al>4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten
                            hoogste de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="·"><al>5. Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van
                            het tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="·"><al>6. Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="·"><al>7. Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover
                            ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een
                            verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="·"><al>8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al>Artikel 7:8</al><lijst><li nr="·"><al>1. Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte
                            getuigen en deskundigen worden gehoord.</al></li><li nr="·"><al>2. De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht.</al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><tussenkop>Artikel 12. Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen
                    van mr. H. Piefers : “Horen en adviseren door een onvolledige
                    bezwaarschriftencommissie”.</al><tussenkop>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                    niet door de Awb geregeld..</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).</al><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan
                    hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te
                    worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><tussenkop>Artikel 16. Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><tussenkop>Artikel 17. Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 14. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 13) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 12); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 21. Inwerkingtreding</tussenkop><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindecnde voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>