<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359919_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-17368.html">Gemeenteblad, 27 februari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art.102;Wet op de expertisecentra, art.100;Wet op het voortgezet onderwijs art. 76m.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-12-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Delft;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 december
                        2014;</al><al>gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel
                        76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>gezien het advies van de commissie Samenleving;</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                        Delft 2014. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om
                                    het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in
                                    artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                    bewegingsonderwijs of een bad voor watergewenning of
                                    bewegingstherapie;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="-"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op
                                    grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de
                                    artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel
                                    16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
                                    voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het
                                    primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra
                                    of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                    aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                    volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op
                                    het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en
                                    artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>school:</al><lijst><li nr="1."><al>school voor basisonderwijs: basisschool of speciale
                                            school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van
                                            de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                            onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een
                                            instelling voor speciaal en voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                            expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                            expertisecentra; </al></li><li nr="3."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5
                                            van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het
                                    onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als
                                    bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                    volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                                    artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                    bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het
                                            rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of
                                            nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest
                                            geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een
                                            bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke
                                            gebouwen voor het huisvesten van een school; </al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                            voorziening als bedoeld in 1 tot en met 4;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het
                                            rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder
                                            door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van
                                            een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor
                                            watergewenning of bewegingstherapie;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval
                                    van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en
                            2°, waarvan de kosten hoger dan € 250.000 zijn geraamd, kan een aanvraag
                            voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een
                            aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder
                                    1°, 2°, 6° en 7°, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig
                                    de in bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eer ste lid wordt
                                    de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in
                                    artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde
                                    investeringsbedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij
                            wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma
                                        wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en
                                        moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin van het
                                        betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen.
                                        Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                        vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het
                                        college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is,
                                                het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een prognose van het te verwachten aantal
                                                  leerlingen van de school voor basisonderwijs, de
                                                  speciale school voor basisonderwijs, de school
                                                  voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                                  onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs,
                                                  als het betreft een aanvraag voor een voorziening
                                                  als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°,
                                                  2° en 8°, onder de voorwaarde dat de prognose
                                                  overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij
                                                  door het college, al dan niet in samenwerking met
                                                  de bevoegde gezagsorganen van een school voor
                                                  basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld,
                                                  welke door het bevoegd gezag wordt
                                                  onderschreven;</al></li><li nr="2."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het geheel
                                                  of gedeeltelijk bekostigen van vervangende
                                                  nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2,
                                                  onderdeel a, onder 1°, of herstel van een
                                                  constructiefout als bedoeld in artikel 2,
                                                  onderdeel b, een bouwkundige rapportage die
                                                  voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak
                                                  van de gevraagde voorziening kan worden
                                                  vastgesteld;</al></li><li nr="3."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het
                                                  bekostigen van een voorziening waarvoor de
                                                  vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke
                                                  kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                                  voor het bekostigen van de voorziening of, als de
                                                  aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van
                                                  een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                                  3, een kostenbegroting.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in
                                                artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de
                                                aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of
                                        tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de
                                        hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag
                                        niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij
                                        de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                        registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd,
                                        dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager
                                        en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen
                                        is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een
                                opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend
                                en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag
                                        nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2
                                        maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede
                                        lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de
                                        aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de
                                        vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het
                                        college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                        kostenbegroting moet worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van
                                        het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf
                                        2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                                aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het
                                                overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                                hoogte van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg progamma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar
                                        voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen
                                        programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden
                                        ten minste weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het
                                        overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar
                                        maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan
                                        het overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De
                                        overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de
                                        reactie van het college hierop worden opgenomen in het
                                        verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg
                                        toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                        verzoeken een advies uit te brengen over het
                                        conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies
                                        wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de
                                        relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de
                                        vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de
                                        daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen
                                        in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het
                                        beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld
                                        in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies
                                        zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij het toezenden van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden
                                        van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats
                                        binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de
                                        bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van
                                        dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag,
                                        bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan
                                        onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per
                                        voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het
                                        programma betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden
                                        door het college binnen 2 weken na de datum waarop het
                                        besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of
                                        uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig
                                        stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                        schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter
                                        inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop
                                        de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover
                                        van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet
                                                op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op
                                                de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het
                                                voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting
                                                door de aanvrager worden ingediend; </al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop
                                                de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met
                                                inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de
                                                begroting toetst, en of het naar het oordeel van het
                                                college noodzakelijk is bij het toetsen van het
                                                bouwplan en de begroting rekening te houden met
                                                feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten
                                                opzichte van het moment waarop het programma is
                                                vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan
                                                worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording
                                                over het besteden van de beschikbaar te stellen
                                                middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt. De
                                                Aanbestedingswet 2012 is van toepassing. Voor
                                                opdrachten onder het Europees drempelbedrag gelden
                                                de economische beleidsuitgangspunten van het inkoop-
                                                en aanbestedingsbeleid van de gemeente Delft,
                                                waarbij de procedures en drempelbedragen uit
                                                onderstaande tabel van toepassing zijn.</al><al> Bij de aanvraag voor beschikbaarstelling van de
                                                gelden dient door het bestuur, middels een Proces
                                                Verbaal van Aanbesteding of een aanbestedingsnummer,
                                                aangetoond te worden dat op de juiste wijze is
                                                aanbesteed.</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/><al><vet>procedure</vet></al></entry><entry><al/><al><vet>werken</vet></al><al/></entry><entry><al/><al><vet>leveringen</vet></al></entry><entry><al/><al><vet>diensten</vet></al></entry></row><row><entry><al/><al><vet><cursief>Europees
                                                  1</cursief></vet></al></entry><entry><al/><al>&gt; € 5.186.000</al></entry><entry><al/><al>&gt; € 207.000</al></entry><entry><al/><al>&gt; € 207.000</al></entry></row><row><entry><al/><al><vet><cursief>Nationaal
                                                  openbaar</cursief></vet></al><al/></entry><entry><al/><al>&gt; € 1.500.000</al></entry><entry><al/><al/></entry><entry><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al><vet><cursief>Meervoudig
                                                  onderhands</cursief></vet></al><al><vet><cursief>ten minste 3
                                                  offertes</cursief></vet></al></entry><entry><al/><al/><al>&gt; € 150.000</al><al/></entry><entry><al/><al/><al>&gt; € 4 0.000</al><al/></entry><entry><al/><al/><al>&gt; € 4 0.000</al><al/></entry></row><row><entry><al/><al><vet><cursief>Enkelvoudige
                                                  uitnodiging</cursief></vet></al></entry><entry><al/><al>&lt; € 150.000</al><al/></entry><entry><al/><al>&lt; € 4 0.000</al><al/></entry><entry><al/><al>&lt; € 4 0.000</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Drempelbedragen gemeentelijk aanbestedingsbeleid, excl. BTW</al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al>De drempelbedragen voor Europese aanbesteding
                                                  worden regelmatig bijgesteld. Geldend is de
                                                  richtlijn van de Europese Unie (2004/18/EG) met
                                                  daarin de laatst vastgestelde drempelbedragen</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het
                                        totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de
                                        kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8% van het
                                        geraamde investeringsbedrag.</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="2."><al> De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet
                                        tot overeenstemming heeft geleid legt het college
                                        schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het
                                        verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet
                                        binnen twee weken nadat het verslag is ontvangen
                                        schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van
                                        het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                        overeenstemming te zijn bereikt.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt
                                                het college binnen 4 weken nadat overeenstemming is
                                                bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de
                                                bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is
                                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt,
                                                deelt het college dit binnen 4 weken nadat het
                                                verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de
                                                aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het
                                                bekostigen van de uitvoering van de voorziening
                                                wordt opgeschort.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid,
                                        is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de
                                        voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke
                                        kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het
                                        bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover
                                        gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid.
                                        Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop
                                        de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                        het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                        verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn
                                        ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting
                                        en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college
                                        kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn
                                        verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn
                                        is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                        bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het
                                        door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de
                                        aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over
                                        het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                        waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                        waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                        schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                        vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                        inschrijving. </al></li><li nr="4."><al>De genoemde instemming dient verkregen te worden voor alle
                                        voorzieningen met uitzondering van het Onderwijsleerpakket
                                        (OLP) en te worden aangevraagd bij de aanvraag voor
                                        beschikbaarstelling van de middelen.</al></li><li nr="5."><al>Naast de in lid 1 genoemde stukken dient de aanvrager tevens
                                        in: de aanbestedingsgegevens, de verkregen prijsaanbiedingen
                                        en de uitvoeringsopdracht.</al></li><li nr="6."><al>Voor de aanvraag voor beschikbaarstelling van de middelen
                                        wordt een format verplicht gesteld. Deze geldt voor alle
                                        voorzieningen, met uitzondering van aanvragen voor het
                                        OLP.</al></li><li nr="7."><al>Toegekende subsidies OLP zullen in het eerste kwartaal door
                                        de gemeente ter beschikking worden gesteld aan het
                                        bestuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden.
                                Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig
                                tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking
                                        heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een
                                        koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij
                                        voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak
                                        op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen
                                        wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                                onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het
                                                werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                                                werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                                opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum
                                                van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                                overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van
                                                aankoop.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het
                                        overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn
                                        veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager
                                                zijn toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 septembereen
                                                schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen
                                                van de termijn heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het
                                        verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek
                                        wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn
                                        wordt verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.5</nr><titel>Het afleggen van verantwoording</titel></kop><structuurtekst><al>Naar de hoogte van het verleende bedrag voor bekostiging van een
                                voorziening worden de volgende regels gesteld met betrekking tot de
                                verantwoordingsvereisten:</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>V e r a n t w o o r d i n g s m o d e l</al></entry></row><row><entry><al>Range</al></entry><entry><al>Drempelbedrag</al></entry><entry><al>Verantwoordingsdocumenten</al></entry><entry><al>Soort verklaring</al></entry></row><row><entry><al>I</al></entry><entry><al>Normbedrag</al></entry><entry><al>Verantwoording en voorstel tot afrekening
                                                  geschiedt door middel van een door de gemeente
                                                  Delft verplicht gesteld format. </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>II</al></entry><entry><al>&lt; 10.000</al></entry><entry><al>Verantwoording en voorstel tot afrekening
                                                  geschiedt door middel van een door de gemeente
                                                  Delft verplicht gesteld format.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>III</al></entry><entry><al>&gt; 10.000 </al><al>en &lt; 50.000</al></entry><entry><al>Verantwoording geschiedt door middel van het
                                                  door gemeente verplicht gestelde format voor de
                                                  bestuursverklaring en het format voor
                                                  verantwoording en voorstel tot afrekening.</al></entry><entry><al>Bestuursverklaring</al></entry></row><row><entry><al>IV</al></entry><entry><al>&gt; 50.000 </al><al>en &lt; 100.000</al></entry><entry><al>Verantwoording geschiedt door middel van een
                                                  beoordelingsverklaring of een
                                                  accountantsverklaring <sup>(*1)</sup></al><al><sup/></al><al>en </al><al/><al>de verplichte formats voor de bestuursverklaring
                                                  en verantwoording en voorstel tot afrekening.</al><al/></entry><entry><al>Beoordelingsverklaring of accountantsverklaring
                                                  (AA of RA)</al><al/><al>en</al><al/><al>Bestuursverklaring</al></entry></row><row><entry><al>V</al></entry><entry><al>&gt; 100.000</al></entry><entry><al>Verantwoording geschiedt door middel van </al><al>een accountantsverklaring</al><al/><al>en </al><al/><al>de verplichte formats voor de bestuursverklaring
                                                  en verantwoording en voorstel tot afrekening.</al></entry><entry><al>Accountantsverklaring (RA)</al><al/><al>en </al><al/><al>Bestuursverklaring</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>(*1) De minimale eis is een beoordelingsverklaring. Als de
                                instelling al voorziet in een accountantsverklaring dan is daarmee
                                de beoordelingsverklaring ook “afgedekt”.</al><al/><al>Op basis van een risico-analyse voert gemeente achteraf bij een
                                aantal verantwoordingen van bekostigingen van voorzieningen een
                                steekproef uit of de ontvanger betrouwbare informatie heeft
                                aangeleverd.</al><al>Het college kan gemotiveerd afwijken van algemene uitgangspunten,
                                door:</al><al>te bepalen dat voor een specifieke ontvanger van bekostiging van een
                                voorziening alsnog een lichter of zwaarder controleregime van
                                toepassing verklaard wordt;</al><al>te bepalen, dat een specifieke verantwoording en verklaring verlangd
                                worden.</al><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de
                                voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2
                                weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college.
                                Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de
                                        gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden
                                        waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum
                                        waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte
                                        als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De
                                        aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende
                                        gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het
                                        college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is
                                        ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan
                                        worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager
                                        schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn
                                        waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
                                        gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum
                                        van de beslissing schriftelijk van de beslissing in
                                        kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel
                                        19, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt
                                        het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager
                                        over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het
                                        bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met
                                        vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met
                                        dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in
                                        artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3
                                        weken geldt.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als
                                        bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een
                                        bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij twee weken een
                                        afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging
                                        vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                        andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet
                                        volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de
                                        school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                        gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                        overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                        vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                        vastgestelde ruimtebehoefte. </al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        als: </al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs,
                                                en de som van het aantal klokuren gebruik dat door
                                                het college is vastgesteld minder is dan 40
                                                klokuren; </al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig
                                                bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte
                                                blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt
                                                gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het
                                                lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                                eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                                geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs,
                                                speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                                                of voortgezet onderwijs, en de som van de
                                                berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is
                                                dan 40 klokuren. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al><vet>Artikel 24. Overleg en mededeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover
                                        met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg
                                        als bedoeld in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het
                                        daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen
                                        1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                        college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt
                                        schriftelijk mede dat gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                        geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                                wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                                gevorderd wordt of, als het betreft het
                                                bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat
                                                gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking
                                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en </al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                                genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen
                                overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg
                                vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                                doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het
                                        college met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                                wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                                school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
                                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school
                                                hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd
                                                gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik
                                                is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs
                                                aanvang kan nemen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                        gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede
                                        dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot
                                        afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke
                                        mededeling. Als het overleg niet tot volledige
                                        overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over de punten waarover geen
                                        overeenstemming was bereikt</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                        toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de
                                        Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van
                                        de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van
                                        de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een
                                        huurovereenkomst wordt gesloten. </al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden
                                        dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                    gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                    school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                    achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                    onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een
                                    staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                    opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. </al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                    achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk
                                    deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het
                                    bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de
                                    werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te
                                    stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming
                                    wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en
                            (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                                inroosteren en gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het
                                    aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor
                                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een
                                    school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en
                                    voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet
                                    speciaal onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak
                                    maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het
                                    aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op
                                    de school staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31
                                    december een rooster op voor het gebruik van de lokalen
                                    bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de
                                    volgende uitgangspunten:</al></li><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik
                                    van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel
                                    B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal
                                    bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd
                                    voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                    ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig
                                    is vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het rooster.
                                    Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld:</al></li><li nr="a."><al> het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is
                                    toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het
                                    voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een
                                    overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor
                                    15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de
                                    bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en
                                    houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                    roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                    uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit
                                    beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra
                                    wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van
                                    de school.</al></li></lijst><lijst><li nr="10."><al>Het college behoudt zich het recht voor om, in tegenstelling tot
                                    bovenstaande inroostering door het college, de inroostering over
                                    te laten aan de scholen, die binnen een wijk van één of meerdere
                                    gymzalen gebruik maken. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs 2008, laatst
                            gewijzigd in 2012, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 28 februari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijs gemeente Delft 2014.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 februari
                            2015.</ondertekening><ondertekening>mr. drs. G.A.A. Verkerk ,burgemeester.</ondertekening><ondertekening>A.P. Oostdijk ,wnd. griffier</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>– Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al/><al><vet>Deel A - Lesgebouwen</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met
                    één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter
                    beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al/><al><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al></li><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en</al></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis‑vesting voor de
                            school te realiseren. </al></li></lijst><al/><al><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                            rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of aanpassen niet zal leiden
                            tot de gewenste levensduurverlenging van ten minste 20 jaar;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al></li><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, of</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, en</al></li><li nr="d."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huis‑vesting voor de
                            school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een
                            schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school
                            voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig
                            bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen
                            de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs,
                            een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs,
                            gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel
                            C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al></li><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht,
                        </al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                            leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                            verwacht, of</al></li><li nr="3."><al>de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de
                            aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor
                            ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest, en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt
                                    te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting
                                    voor de school te realiseren.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>A.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor
                        speciaal onderwijs met een speellokaal</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen
                            jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor
                            speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                            aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al></li><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300
                            meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten
                            inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een
                            bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                            vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                            vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of
                            uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                            en:</al><lijst><li nr="1."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden
                                    verwacht, of</al></li><li nr="2."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                    een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                    deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden
                                    verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw
                            of uitbreiding.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin
                            een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken
                            is als passende huisvesting voor de school; </al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke
                            verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening
                            voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het
                    bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De
                    oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                    bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>A.7 Eerste inrichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                            of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt
                            toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                            school tot gevolg heeft en deze niet eerder is bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                            van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor
                            basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een
                            speellokaal.</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf
                            van onderwijsleerpakket, meubilair of leer‑ en hulpmiddelen toegekend
                            als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal
                            leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.8 Medegebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs , een
                            speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet
                            onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage
                            III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III,
                            deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:</al></li><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel
                            C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de
                            overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                            ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar noodzakelijk is.</al><lijst><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een
                                    gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste
                                    2 km hemelsbreed.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden. </al><al/><al><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere
                        omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan is aanwezig als
                    door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                    gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/><al><vet>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                    ingebruikneming.</vet></al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouwis aanwezig als de minister de desbetreffende
                            school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN
                            2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud
                            of aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van
                                20jaar of dit het gevolg is van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                            oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het
                            effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                            als:</al></li><li nr="1."><al>de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                            brengt;</al></li><li nr="2."><al>het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                            aanmerking komt; of</al></li><li nr="3."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                            college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende
                            bouw, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                            bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                            komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al></li><li nr="1."><al>een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij
                            noodzakelijk gebruik van:</al></li><li nr="a."><al>ten minste 20 klokuren binnen 1 km hemelsbreed.</al></li><li nr="b."><al>ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km hemelsbreed, of</al></li><li nr="c."><al>ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km hemelsbreed of</al></li><li nr="2."><al>een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik
                            van:</al></li><li nr="a."><al>ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km hemelsbreed;</al></li><li nr="b."><al>ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km
                            hemelsbreed;</al></li><li nr="c."><al>ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km hemelsbreed,
                            of</al></li><li nr="d."><al>ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km hemelsbreed,
                            of</al></li><li nr="3."><al>een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km hemelsbreed, en een
                            overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht
                            kunnen worden.</al></li></lijst><al><vet>B.2 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan
                    is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of
                    onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><vet>B.3 Eerste inrichting</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                            bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en </al></li><li nr="2."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs,
                            speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                            bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van
                            het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                            bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><vet>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet
                    onderwijs</vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster
                    buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld
                    en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al/><al><vet>B.5 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde
                    aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat
                    moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al/><al><vet>B.6 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige
                    rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten
                    worden. </al><al/><al><vet>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                    meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel>– Prognosecriteria</titel></kop><al/><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor
                            basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                            speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet
                            onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met
                            als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt
                            gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de
                            analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het
                            indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud.
                            Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van
                            de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent
                            berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie
                            van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al> Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de
                            relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode,
                            een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van
                            de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote
                            deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. </al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving
                            van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor
                            basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied
                            zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming
                            van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                            beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                            toegepast.</al></li></lijst><al/><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te
                    verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening
                    wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                            leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                            wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                            leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al/><al><vet>D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal
                        onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><al>De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                    speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de
                            handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.</al></li></lijst><al><vet>E. Prognose school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="b."><al> het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al> de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            basisschool;</al></li><li nr="d."><al> de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen,
                            en</al></li><li nr="e."><al> de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III</nr><titel>– Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte</titel></kop><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit</vet></al><al><vet>A.1 Uitgangspunten</vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                    vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een
                    school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                    doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al><al/><al><vet>A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs,
                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of
                        voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een
                            speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs
                            of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet onderwijs wordt
                            vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald
                            overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt
                            afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel
                            aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen.
                            Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met
                            een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt
                            op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering
                            gebracht.</al></li><li nr="3."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante
                            meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten
                            van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het
                            college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="4."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet
                            onderwijs wordt zowel inclusief als exclusief de lokalen
                            bewegingsonderwijs aangegeven.</al></li><li nr="5."><al> Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de
                            oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor
                            de capaciteitsbepaling. De bedoelde capaciteitscorrectie zal in het
                            geval van een huisvestigingswijziging als gevolg van uitbreiding of
                            leegstand, in overleg tussen het bestuur en de gemeente worden
                            bepaald.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                    vastgesteld.</al><al/><al><vet>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                    dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                    gebouw wordt afgestoten.</al><al/><al><vet>A.1.4 Terrein</vet></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het
                    met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet> A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat alle scholen voor basisonderwijs,
                    speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en
                    voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto
                    vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang
                    van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet> A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al/><al><vet>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                    gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al><al/><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan
                            de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De
                            ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer
                            en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een
                            nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd
                            als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                            basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al></li></lijst><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op
                    hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>3. De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                    vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle gewichten
                    van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van 6
                    procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet
                    kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het
                    aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 procent
                    van het aantal ingeschreven leerlingen.</al><al/><al><vet>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                            bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt
                            berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                            nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt
                            voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke
                            school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al></li></lijst><al>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                    vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    vierkante meter.</al><al/><al><vet>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>R = V + f * L, waarbij De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de
                            onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                            vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met
                            de formule:</al></li></lijst><al/><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                    vierkante meter.</al><al>V = Vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke is voor: - de
                    hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO-ZMLK, 370
                    vierkante meter, en</al><al> - de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante meter.</al><al> Voor nevenvestigingen geldt geen vaste voet.</al><al>f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling) overeenkomstig
                    tabel 1, waarin is opgenomen een overzicht van f (vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    vierkante meter.</al><al/><al><vet>Tabel 1 – Ruimtebehoefte (v)so</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry><al/><al><vet>SO</vet></al></entry><entry><al/><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry><al/><al>Slechthorende kinderen (SH)</al><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens
                                        behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al><al>Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
                                        (PI)</al><al/></entry><entry><al/><al/><al/><al/><al>8,8</al></entry><entry><al/><al/><al/><al/><al>12,2</al></entry></row><row><entry><al/><al>Dove kinderen (DO)</al><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen LG)</al><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)</al></entry><entry><al/><al/><al>13,8</al></entry><entry><al/><al/><al>15,5</al></entry></row><row><entry><al/><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al><al/></entry><entry><al/><al>8,8</al></entry><entry><al/><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                            bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale
                            ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het
                            totaal van twee componenten, te weten:</al></li></lijst><al>a. een leerlinggebonden component, en</al><al>b. een vaste voet.</al><lijst><li nr="2."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a
                            opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met
                            het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat
                            ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                            onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt.</al></li><li nr="3."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de
                            hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een
                            ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging
                            in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van
                            550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke
                            nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de
                            vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend
                            op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en)
                            wordt aangeboden. </al></li><li nr="4."><al>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som
                            van:</al></li><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per
                            onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten;</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet per instelling;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in
                            bruto vierkante meter, en</al></li><li nr="d."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                            praktijkonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som
                            van:</al></li><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met de
                            bijbehorende normoppervlakten, en</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al></li><li nr="6."><al>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de
                            toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in
                            onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden
                            bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor
                            een orthopedagogisch didactisch centrum. </al></li></lijst><al><vet>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                        onderwijs</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerwe<extref doc="#_ftn1">g2</extref></al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,18</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,41</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>7,07</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,98</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,47</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>8,99</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,44</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>12,72</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,95</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>0,89</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,56</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,25</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>3,06</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,33</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,71</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>4,22</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,53</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,94</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,37</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,34</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,03</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,41</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al><extref doc="#_ftnref1"><cursief><sup>2</sup></cursief></extref><cursief> TLW =
                                            theoretische leerweg</cursief></al><al><cursief>LWOO = leerwegondersteunend
                                        onderwijs</cursief></al><al><cursief>GLW = gemengde leerweg</cursief></al><al><cursief>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of
                                            kader-)</cursief></al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                        ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>voortgezet onderwijs</vet></al><al/><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                            vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per groep
                            leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="b."><al>voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuur per week per
                            groep leerlingen 6 jaar en ouder, en</al></li><li nr="c."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur
                            per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li><li nr="2."><al>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald
                            op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als
                            maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het
                            ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal
                            leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                            bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het leerwegondersteunend
                            onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd:
                            (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                            bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.</al></li></lijst><al><vet>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal
                        bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</vet></al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>BVO per leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,66</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,26</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                    deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                    bestaan.</al><al/><al><vet>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><al/><al><vet>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                            ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al></li><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs
                            of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de
                            overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel
                            B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde
                            van:</al></li><li nr="1."><al>55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="2."><al>50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="3."><al>50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een
                            school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil
                            tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de
                            overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is
                            dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100
                            vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de
                            overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig
                            deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%.</al></li><li nr="2."><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto
                            vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters
                            bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90 vierkante
                            meter.</al></li></lijst><al><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op
                    dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor
                    minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen
                    van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het
                    verschil:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter
                            bruto vloeroppervlakte bedragen, en</al></li><li nr="b."><al>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder
                            C.1.2, eerste lid, onder b.</al></li></lijst><al/><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel
                            uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                            noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                            inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien
                            van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D.</al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al></li><li nr="1."><al>onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf
                            van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs,
                            een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal
                            onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en</al></li><li nr="2."><al>leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                            aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor
                            voortgezet onderwijs,</al><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al></li><li nr="c."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                            voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige
                            aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in
                            specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de
                            vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de
                            vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al></li><li nr="d."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                            onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                            bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al/><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                            nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                                    basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                                    speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de
                                    overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en
                                    het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte,
                                    en </al></li><li nr="b."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de
                                    overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als
                                    de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de
                                    overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                            bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal
                            basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                            wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                            vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in
                            deel D, onder D.3. </al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van
                            het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de
                            uitbreiding van het lokaal te realiseren. </al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                            aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als
                            een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere
                            leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt
                            uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten
                            en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair
                            in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke
                            kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe
                    voorzieningen</vet></al><al><vet>D.1 Terreinoppervlakte</vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs,
                    een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een
                    school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte
                    (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling,
                    met een minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden
                    volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al/><al><vet>D.2 Speellokaal</vet></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al/><al><vet> D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens
                            252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een
                            was- of douchegelegenheid.</al><al/></li></lijst><al><vet>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte
                        van schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                    2580.</al><al/><al><vet>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</vet></al><al/><al><vet>E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                            gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                            bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al/><al><vet>E.2.2 Voortgezet onderwijs </vet></al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte
                    behoren eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau, en </al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 vierkante meter. </al></li></lijst><al/><al><vet>E.2.3 Uitzonderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                            ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen. </al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. </al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV</nr><titel>– Normbedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><al/><al><vet>Deel A – Indexering </vet></al><al>De normbedragen in deel B (prijspeil 2015) worden jaarlijks aangepast in
                    overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al/><al><vet> A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar
                                        t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                        inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in
                                        woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in woningen
                                        (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar
                                        t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                        bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet> A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli
                                        (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar
                                        t)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                        overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                        sector)</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                        overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                        sector)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1
                                        juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar
                                        t-1)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al/><al><vet> A. Nieuwbouw met permanente bouwaard </vet></al><al/><al><vet>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende
                            kostencomponenten:</al></li><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag
                            paalfundering;</al></li><li nr="e."><al>als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                            speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een
                            afzonderlijk speellokaal, en</al></li><li nr="f."><al>als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een
                            liftinstallatie.</al></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een
                            gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld
                            in paragraaf B.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om
                    niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt
                    aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het
                    programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente
                    een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de
                    in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij
                    vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten
                    voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al/><al><vet>A.3.1 Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                            vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto
                            vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig
                            bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden
                            gerealiseerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen: </al><al/><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                            m<sup>2 </sup>bv<extref doc="#_ftn1">o 3</extref></al></entry><entry><al>€ 645.888,86</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al> € 1.105,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670
                                        m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet</al></entry><entry><al>€ 1.046.534,31</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.157,39</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry><al>€ 99.297,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs</vet></al><al> De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2 bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.007.102,04</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.150,53</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een
                                        liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht</al></entry><entry><al>€ 97.598,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al>A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                            uitbreiding. </al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 vierkante
                            meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per voorziening en een
                            vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                            worden geen sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten
                            zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten
                            per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per vierkante
                            meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al><lijst><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III,
                                    deel C, vastgestelde aantal vierkante meter per type ruimte van
                                    de voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per
                                    ruimtesoort:</al></li></lijst></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al> Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.729,25</al></entry><entry><al>€ 1.026,25</al></entry><entry><al>€ 1.001,67</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.688,97</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.050,93</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="b."><al>sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste
                            voet of de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie,
                            afhankelijk van de secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel
                            C, toegekende voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande
                            bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 109.111,49</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 214.177,61</al></entry><entry><al>€ 299.040,94</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 39.602,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="6."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al></li><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie, en</al></li><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al></li><li nr="a."><al>techniek algemeen:</al></li><li nr="1."><al>Bouwtechniek;</al></li><li nr="2."><al>Machinale houtbewerking;</al></li><li nr="3."><al>Meten;</al></li><li nr="4."><al>Elektrotechniek;</al></li><li nr="5."><al>installatietechniek;</al></li><li nr="6."><al>lasserij;</al></li><li nr="7."><al>Metaal;</al></li><li nr="8."><al>Motorvoertuigentechniek, en</al></li><li nr="9."><al>Mechanische techniek;</al></li><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="d."><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.</al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><tbody><row><entry><al><extref doc="#_ftnref1"><sup>1</sup></extref> Onder
                                        m<sup>2 </sup>bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante
                                        meter bruto vloeroppervlakte.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten
                            gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende
                            investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag
                            beschikbaar gesteld:</al></li><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in
                            relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt
                            bepaald op basis van de volgende formules:</al></li></lijst><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m<vet><sup>2</sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.180,75 + (€ 16,69 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.386,31 + (€ 28,23 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.780,70 + (€ 50,52 * A)</al><al/><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m<vet><sup>2 </sup></vet></al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.884,27 + (€ 5,84 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.066,39 + (€ 15,17 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.693,73 + (€ 30,67 * A)</al><lijst><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is
                            bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter
                            goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt €
                            10,84 per vierkante meter terrein.</al></li></lijst><al/><al><vet>A.3.7 Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw school voor primair en speciaal of voortgezet speciaal
                    onderwijs.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een
                            speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs
                            of voortgezet speciaal onderwijs plaatsvindt op dezelfde plaats, moet
                            het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond, worden hersteld
                            en moeten de leerlingen verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                            locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten is gebaseerd op een
                            vast bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor
                            basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:
                        </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al> € 44,81</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 30,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="3."><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijswordt vastgesteld op basis van de volgende
                            bedragen: </al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al> € 51,39</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al> € 25,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al/><al><vet>B.1 Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                    permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school
                    voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte en van een
                    school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot 1000
                    vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A
                    overeenkomstig van toepassing.</al><al/><al><vet>B.2 Kosten terrein</vet></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                    overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                    uitbreiding benodigde terrein.</al><al/><al><vet>B.3.1 Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                            schoolterrein</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                            vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze
                            vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                            vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 94.583,99</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al> € 63.055,99</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al> € 1.259,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.3.3 Bouwkosten</vet><vet>speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 97.266,78</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                        m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al> € 64.844,53</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.285,07</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m<sup>2</sup>
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 113.396,43</al></entry></row><row><entry><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder
                                        gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 208.486,16</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal
                        onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of voortgezet
                    speciaal onderwijswordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup> bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 88.094,85</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al> € 58.729,90</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry><al>€ 1.287,61</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m<sup>2</sup>
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry><al>€ 99.297,26</al></entry></row><row><entry><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                        school</al></entry><entry><al>€ 208.486,16</al></entry></row><row><entry><al>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een
                                        liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht</al></entry><entry><al>€ 117.312,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                    omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding.</al><al/><al><vet>B.3.6 Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                    omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                    uitbreiding.</al><al/><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al/><al><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op
                            de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen.
                            Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al></li><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                            hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk
                            gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                            bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een
                            voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                    terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                    A.2.</al><al/><al><vet>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een
                    bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de
                    kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en
                    de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al/><al><vet>C.3.2 Vergoeding basisschool en</vet><vet>speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs
                    wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 36.782,32</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al> € 24.521,55</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al> € 903.92</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>C.3.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal
                        onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                            speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende
                            bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 38.551,78</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al> € 26.051,75</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al> € 885,63</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                            hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel
                            en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de
                            leerlingen.</al></li></lijst><al/><al><vet>C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis
                    van de vergoedingsformule € 550,26 * A + € 37.831,59, waarbij A het
                    overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><al/><al><vet>C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en
                        speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat
                            uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen
                            zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag
                            voor herstel en inrichting van terreinen. </al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                            hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel
                            en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de
                            leerlingen.</al></li></lijst><al/><al><vet>C.4.2 Vergoeding basisschool en</vet><vet>speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs
                    wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 20.675,64</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                        m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al> € 13.783,76</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al> € 947,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>C.4.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal
                        onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                        groter</al></entry><entry><al>€ 20.964,26</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                        bvo</al></entry><entry><al> € 13.976,17</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al> € 936,36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                    bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al/><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al/><al><vet>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                    bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                    toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al/><al><vet>D.1.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 38.361,60</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 134,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op
                    basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 81.389,55</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 138,83</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal
                        onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                    onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry><al>€ 137.133,62</al></entry><entry><al>€ 239,37</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry><al>€ 124.574,97</al></entry><entry><al>€ 310,24</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry><al>€ 116.082,54</al></entry><entry><al>€ 154,26</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry><al>€ 164.744,24</al></entry><entry><al>€ 294,43</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry><al>€ 105.055,47</al></entry><entry><al>€ 145,07</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry><al>€ 123.679,86</al></entry><entry><al>€ 282,82</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 103.423,81</al></entry><entry><al>€ 123,07</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 100.951,57</al></entry><entry><al>€ 141,48</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry><al>€ 101.843,97</al></entry><entry><al>€ 153,64</al></entry></row><row><entry><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry><al>€ 125.225,91</al></entry><entry><al>€ 125,49</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor
                    speciaal onderwijs bedraagt € 7.427,16.</al><al/><al><vet>D.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                            is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, niet zijnde
                            vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde
                            ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op
                            deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door
                            het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt
                            berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende
                            vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te
                            realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van de
                            vergoeding per ruimtetype wordt bepaald op basis van de volgende
                            bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al> Ruimtetype</al></entry><entry><al> Functie</al></entry><entry><al>m2</al></entry></row><row><entry><al> Algemeen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al> € 158,31</al></entry></row><row><entry><al> Specifiek</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al> € 370,01</al><al> € 226,35</al><al> € 303,90</al></entry></row><row><entry><al> Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry><al> € 388,19 € 750,55</al><al> € 751,75</al><al> € 1.437,23</al><al> € 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="2."><al>Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een
                            voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts
                            toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                            ontbreekt of niet geschikt is.</al></li></lijst><al/><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al/><al><vet>E.1 Bouwkosten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                            bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante
                            meters bedraagt € 678.992,42 als deze op het schoolterrein gerealiseerd
                            kan worden, of € 692.725,44 als deze op een afzonderlijk terrein
                            gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van
                            fundering op staal en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig gehandicapte
                            leerlingen of zeer moeilijk lerende leerlingen wordt een toeslag
                            toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van deze toeslag is €
                            68.112,76.</al></li><li nr="3."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van
                            de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Vergoeding</al></entry><entry><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry><al>1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 13.657,18</al></entry><entry><al>€ 17.219,76</al></entry></row><row><entry><al>15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 18.827,13</al></entry><entry><al>€ 23.848,02</al></entry></row><row><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry><al>€ 26.441,89</al></entry><entry><al>€ 34.321,31</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>E.2 Uitbreiding</vet></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                    van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                    bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140
                    vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding</al></entry><entry><al>Normbedrag</al></entry><entry><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al> 1 &lt; 15 meter</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>€ 157.755,32</al></entry><entry><al>€ 6.114,09</al></entry><entry><al>€ 10.589,94</al></entry><entry><al>€ 17.313,39</al></entry></row><row><entry><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>€ 191.773,25</al></entry><entry><al>€ 7.645,09</al></entry><entry><al>€ 13.234,02</al></entry><entry><al>€ 21.641,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal
                        basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                    voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school
                    voor basisonderwijs bedraagt € 51.392,63.</al><al/><al><vet>E.3.3 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal
                        onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                    voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of
                    voor voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Schoolsoort</al></entry><entry><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al> € 40,982.52</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al> € 40.742,10</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al> € 49.324,45</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg/mg</al></entry><entry><al> € 54.030,19</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz/pi</al></entry><entry><al> € 38.753,66</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al> € 38.753,66</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al> € 38.673,91</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al> € 48.047,29</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al> € 49.300,99</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al> € 58.652,09</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry><al> € 60.171,42</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry><al> € 47.353,01</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al> € 47.353,01</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 42.271,40</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>€ 49.756,61</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>€ 53.338,25</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>€ 60.865,69</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry><al>€ 61.809,19</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry><al>€ 51.389,10</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 51.389,10</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 42.751,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet
                        onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor
                    een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry><al><vet>Leer- en hulpmiddelen</vet></al></entry><entry><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry><al> Eerste lokaal</al><al> Tweede lokaal</al><al> Derde lokaal</al><al> Oefenplaats 1</al><al> Oefenplaats 2</al></entry><entry><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 64.724,70</al><al>€ 50. 490,18</al><al>€ 21. 950,77</al><al>€ 14. 294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry><entry><al>€ 65.810,10</al><al>€ 51. 575,58</al><al>€ 23.036,17</al><al>€ 14. 294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                    bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                    middel van:</al><al>a. medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of</al><al>b. huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al><al/><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                    wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte.</al><al/><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding
                            van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De
                            vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 20,97
                            per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat
                            uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over
                            een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de
                            gemeente is gefinancierd. </al><al/></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V</nr><titel>– Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening</titel></kop><al/><al><vet>1. Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde
                    bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in
                    aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis
                    van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen
                    waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna
                    wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is
                    en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die
                    niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al/><al><vet>2. Onderscheid voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                            voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al></li><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                            hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al></li><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief
                            terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en
                            hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of
                            leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                            hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al></li><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw
                            valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening
                            gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de
                            vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het
                            criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><al/><al><vet>3. Hoofd- en subprioriteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                            onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste
                            lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld
                            overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de
                            schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet
                            worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het
                            programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het
                            vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de
                            volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                            voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                            komen:</al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen, en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen
                            opheft.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>INHOUD</titel></kop><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting </al><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet </al><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen </al><al>Artikel 5. Informatieverstrekking </al><al/><al>Hoofdstuk 2. Programma en overzicht </al><al/><al>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma </al><al>Artikel 6. Indienen aanvraag </al><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag </al><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen </al><al>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting </al><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad </al><al/><al>Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht </al><al>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht </al><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma
                        en overzicht </al><al/><al>Paragraaf 2.4 Uitvoeren programma </al><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoeren </al><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overleggen offertes </al><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging </al><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging </al><al/><al>Paragraaf 2.5 Het afleggen van verantwoording </al><al/><al>Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter </al><al/><al>Paragraaf 3.1 Aanvraag </al><al>Artikel 17. Indienen aanvraag </al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag </al><al/><al>Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit </al><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing </al><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing </al><al/><al>Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur </al><al/><al>Paragraaf 4.1 Medegebruik voor onderwijs of educatie </al><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden </al><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand </al><al>Artikel 23. Nalaten vorderen </al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling </al><al>Artikel 25. Vergoeding </al><al/><al>Paragraaf 4.2 Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve
                        doeleinden </al><al>Artikel 26. Overleg en mededeling </al><al/><al>Paragraaf 4.3 Verhuur </al><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college </al><al/><al>Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen </al><al>Artikel 28. Staat van onderhoud </al><al/><al>Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal)
                        basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs </al><al>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit,
                        inroosteren en gebruik </al><al/><al>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen </al><al>Artikel 30. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                        voorziet </al><al>Artikel 31. Indexering </al><al>Artikel 32. Intrekken oude verordening </al><al>Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel </al><al/><al>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen </al><al>Deel A - Lesgebouwen </al><al>A.1 Nieuwbouw </al><al>A.2 Vervangende bouw </al><al>A.3 Uitbreiding </al><al>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw </al><al>A.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs en school voor
                        speciaal onderwijs met een speellokaal </al><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw </al><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw </al><al>A.6 Terrein </al><al>A.7 Eerste inrichting </al><al>A.8 Medegebruik </al><al>A.9 Herstel van constructiefouten </al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden </al><al>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs </al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming. </al><al>B.2 Terrein</al><al>B.3 Eerste inrichting </al><al>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs </al><al>B.5 Medegebruik </al><al>B.6 Herstel constructiefouten </al><al>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </al><al/><al>Bijlage II – Prognosecriteria </al><al>A. Algemeen </al><al>B. Voedingsgebied </al><al>C. Prognose school voor basisonderwijs </al><al>D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal
                        onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs </al><al>E. Prognose school voor voortgezet onderwijs </al><al/><al>Bijlage III – Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende
                        ruimtebehoefte </al><al>Deel A – Vaststellen capaciteit </al><al>A.1 Uitgangspunten </al><al>A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs,
                        school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of
                        voortgezet onderwijs </al><al>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </al><al>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </al><al>A.1.4 Terrein </al><al>A.1.5 Inventaris </al><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte </al><al>B.1 Lesgebouwen </al><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </al><al>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen </al><al>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </al><al>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen </al><al>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen </al><al>D.1 Terreinoppervlakte </al><al>D.2 Speellokaal </al><al>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </al><al>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte
                        van schoolgebouwen </al><al>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen </al><al>E.2 Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen </al><al/><al>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering </al><al>Deel A – Indexering </al><al>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding </al><al>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair </al><al>Deel B – Normbedragen </al><al>1. Nieuwbouw met permanente bouwaard</al><al>B. Uitbreiding met permanente bouwaard </al><al>C. Tijdelijke voorziening </al><al>D. Eerste inrichting </al><al>E. Lokalen bewegingsonderwijs </al><al>F. Vergoeding feitelijke kosten </al><al/><al>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                        aangevraagde voorziening </al><al>1. Algemeen </al><al>2. Onderscheid voorzieningen </al><al>3. Hoofd- en subprioriteit </al></bijlage></regeling></body></cvdr>