<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359762_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Laarbeek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Laarbeek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-10-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 gemeente Laarbeek</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening individuele inkomenstoeslag Laarbeek 2015</vet></al><al>De raad van de gemeente Laarbeek;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de
                        Participatiewet;</al><al>gezien het advies van de commissie sociaal domein;</al><al><vet>besluit</vet>:</al><al>I vast te stellen de verordening individuele inkomenstoeslag Laarbeek
                        2015;</al><al>II in te trekken verordening langdurigheidstoeslag gemeente Laarbeek
                        2012.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet, en de algemene bijstand; </al></li><li nr="b."><al>peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt;</al></li><li nr="c."><al>referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de
                                peildatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het
                            in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de
                            toepasselijke bijstandsnorm:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toepasselijke bijstandsnorm bedraagt voor toepassing van lid 1;</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden de norm genoemd in artikel 21 onder b van de wet (
                                    exclusief de vakantietoeslag);</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaande ouder 90% van de norm genoemd in artikel 21
                                    onder b van de wet ( exclusief de vakantietoeslag);</al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaande 70% van de norm genoemd in artikel 21 onder b
                                    van de wet ( exclusief de vakantietoeslag).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vor de toepassing van het eerste lid en tweede lid blijven tijdens de
                            referteperiode ontvangen netto inkomsten boven 100 procent van de
                            bijstandsnorm tot een bedrag van € 3.820,00 buiten beschouwing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag wordt gebaseerd op de bijstandsnorm per 1
                            januari van het betreffende kalenderjaar en bedraagt afgerond op hele
                            euro’s:</al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden; 38% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21
                                    onder b van de wet;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder; 38% van 90% van de bijstandsnorm
                                    genoemd in artikel 21 onder b van de wet;</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande; 38% van 70% van bijstandsnorm genoemd in
                                    artikel 21 onder b van de wet:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                            Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                            individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                            alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Nadere uitvoeringsregels</titel></kop><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang
                        van een zorgvuldige uitvoering van deze verordening. </al><al>Het college stelt in ieder geval beleidsregels vast die aangeven wanneer
                        sprake is van “geen uitzicht op inkomensverbetering” waarbij rekening
                        gehouden wordt met de krachten en bekwaamheden van de persoon en de
                        inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                        komen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                        college.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                        belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien strikte
                        toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                inkomenstoeslag gemeente Laarbeek 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 11 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen F.H.G.M. Ronnes</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag Laarbeek 2015
                    </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in
                    aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een
                    schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan
                    personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                    verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het
                    college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is
                    van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden. </al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening.</al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen
                    heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 60 maanden (drie jaar) voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting
                    bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.</al><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op
                    aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                    persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag
                    dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3. Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening. </al><al>Een referteperiode van 5 jaar, zoals artikel 36 WWB ( tekst tot 1-1-2009)
                    voorschreef wordt in deze verordening gehandhaafd. De beste remedie tegen
                    armoede is werk. Het (arbeidsmarkt)beleid is erop gericht mensen –en zeker jonge
                    mensen- zo snel mogelijk toe te leiden naar werk. Handhaving van de
                    referentieperiode van 5 jaar sluit aan bij dit uitgangspunt. </al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm. </al><al>Om twee redenen is er voor gekozen om de toepasselijke bijstandsnorm vast te
                    leggen gerelateerd aan de drie begrippen ; gezin, alleenstaande ouder en
                    alleenstaande ( artikel 4 a, b en c van de wet) met daarbij een aan het begrip
                    gerelateerde norm. </al><al>Eerste reden is dat met ingang van 1-1-2015 de alleenstaande ouder norm te
                    vervallen. Het inkomen alleenstaande ouders in de bijstand bestaat uit de norm
                    alleenstaande plus een kindgebonden budget. Het kindgebonden budget wordt door
                    de belastingdienst uitgekeerd. Laag inkomen sec uitdrukken in toepasselijke
                    bijstandsnorm zou tot uitsluiting van de individuele inkomenstoeslag van
                    alleenstaande ouders leiden. </al><al>De twee reden is de uitvoerbaarheid. </al><al>Met ingang van 1-1-2015 wordt de systematiek van de kostendelersnorm ingevoerd.
                    De kostendelersnorm is van toepassing op de bijstandsgerechtigde die met een of
                    meerdere personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. De
                    kostendelersnorm wordt berekend middels een formule: </al><al><onderstreept>(40% + A x 30%) </onderstreept> x B</al><al> A</al><al>A: het totaal aantal personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en
                    meetellen voor de kostendelersnorm.</al><al>B de rekensom, ofwel de toepasselijke gehuwdennorm.</al><al>Uitvoering van deze systematiek voor het bepalen van een laag inkomen is
                    administratief belastend voor de uitvoering. </al><al>Gelet op deze twee redenen is voor het benoemen van de toepasselijke
                    bijstandsnorm gekozen.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon, gedurende de referteperiode, niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. </al><al>Een uitzondering geldt voor tijdens de referteperiode ontvangen netto inkomsten
                    boven 100% van de bijstandsnorm tot een bedrag van € 3.820,00. Het bedrag van €
                    3.820,00 vloeit voort uit de vrijlating ingevolge artikel 31 lid 2 aanhef en
                    onder K van de Participatiewet. Deze kostenvergoeding voor het verrichten van
                    vrijwilligerswerk bedraagt, peildatum 1 juli 2014 € 764,-- per jaar.</al><al>De keuze voor deze definitie van ‘langdurig, laag inkomen” is genomen omdat een
                    belanghebbende met een inkomen op het minimumniveau krachtens een andere
                    regeling dan de Participatiewet toch in aanmerking kan komen voor het recht op
                    een individuele inkomenstoeslag ook al zou ten gevolge van een iets andere
                    berekeningssystematiek en/of afrondingsverschillen er netto een iets hogere
                    uitkering worden ontvangen dan de bijstandsnorm. Het bedrag van € 3.820,-- boven
                    100% van de bijstandsnorm gedurende de referentieperiode vangt dit soort kleine
                    verschillen op.</al><al>Een bedrag aan netto inkomsten tot € 3.820,-- boven 100% van de bijstandnorm
                    gedurende de referteperiode maakt ook dat iemand wegens werkaanvaarding een
                    korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad, niet zonder meer
                    zijn recht op individuele inkomenstoeslag kwijt is. Een dergelijk gevolg zou
                    namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dit geldt
                    temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur
                    van het werk.</al><tussenkop>Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag.</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in
                    het tweede lid.</al><al> Door de individuele inkomenstoeslag af te leiden van de bijstandsnormen is
                    indexering niet aan de orde. Door de wijziging van de normsystematiek is er geen
                    norm alleenstaande ouder meer. De 20% toeslag in verband met het niet kunnen
                    delen van kosten wordt opgenomen in de basisnormen: de norm voor alleenstaande
                    wordt 70% (i.p.v. 50%) , die voor alleenstaande ouder 90% (ipv 70%). (Tk
                    2013-2014. 33 801, nr 3 p 58 (memorie van toelichting)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Individuele inkomenstoeslag ( peildatum normen 1-1-2014)
                                    </al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Toepasselijke bijstandsnorm</al></entry><entry colname="col3"><al>38%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gehuwden</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1354,54 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 515,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alleenstaande ouders </al></entry><entry colname="col2"><al>90% € 1354,54 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 463,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alleenstaande </al></entry><entry colname="col2"><al>70% € 1354,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 360,--</al></entry></row></tbody></tgroup></table></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>