<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359757_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening sociaal medische indicatie kinderopvang 2014 gemeente Laarbeek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening sociaal medische indicatie kinderopvang 2014 gemeente Laarbeek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet en Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING SOCIAAL MEDISCHE INDICATIE KINDEROPVANG LAARBEEK
            2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laarbeek;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 1.25 Wet kinderopvang en
                        kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</al><al/><al>BESLUIT</al><al/><al>vast te stellen de Verordening Sociaal Medische Indicatie Kinderopvang
                        Laarbeek 2014.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>College: het college van burgemeester en
                                            wethouders;</al></li><li nr="b."><al>Wet: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                                            peuterspeelzalen (Wko);</al></li><li nr="c."><al>Ouder: de persoon als bedoeld in artikel 1.26 van de wet
                                            die een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                            vraagt. Hieronder valt ook de vreemdeling die
                                            gelijkgesteld is met een Nederlander op grond van de
                                            bepalingen van de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="d."><al>Kind: het kind als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
                                            de Algemene wet inkomensafhankelijke</al></li></lijst></li></lijst><al>regelingen (Awir).</al><al>2.De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende regelingen
                            zijn van toepassing op de begrippen die in deze verordening worden
                            gebruikt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Recht op een tegemoetkoming</titel></kop><al>Om recht te hebben op een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn het kind en de ouder(s)/verzorger(s) woonachtig in Laarbeek
                                    én</al></li><li nr="b."><al>kunnen de ouder(s)/verzorger(s) aantoonbaar niet zelf in de
                                    kinderopvang voorzien en geen beroep doen op een andere passende
                                    voorziening of andere algemene voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>De doelgroep</titel></kop><al>Tot de doelgroep van deze verordening worden gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>ouder(s)/verzorger(s) met een lichamelijke, zintuiglijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking van wie is vastgesteld
                                    dat een of meer van de beperkingen opvang van hun kind of
                                    kinderen noodzakelijk maken, of;</al></li><li nr="b."><al>ouders die een aanvraag doen ten behoeve van een of meerdere
                                    kind(eren) ten aanzien van wie is vastgesteld dat kinderopvang
                                    in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind
                                    noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Het kenbaar maken van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor kinderopvang wordt bij het college ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag kan bij het college telefonisch, schriftelijk of
                                elektronisch worden in gediend. Eventueel kan gebruik gemaakt worden
                                van een door het college ter beschikking gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat
                            in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en BSN van de ouder/verzorger</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing naam, adres en BSN van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en BSN van het kind of de kinderen waarop de
                                    aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>gegevens over het belastbaar inkomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek en advies</titel></kop><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de
                            beoordeling van het recht op kinderopvang, degene die hierop aanspraak
                            maakt:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen</al></li></lijst><al>deskundigen te doen bevragen en eventueel onderzoeken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verlening van een tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het besluit niet binnen acht weken kan worden genomen, dan
                                stelt het college de aanvrager hiervan in kennis en noemt een nieuwe
                                termijn voor het besluit. Deze termijn bedraagt niet meer dan acht
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>De periode en de omvang waarvoor de tegemoetkoming wordt
                                verleend</titel></kop><al>1.Het college verleent een tegemoetkoming voor kinderopvang indien dit
                            redelijkerwijs noodzakelijk is als</al><al>gevolg van de sociaal-medische indicatie met een maximale duur van 6
                            maanden.</al><al>2.Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                            kinderopvang dat in samenspraak tussen</al><al>de ouder en het college is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van een sociaal medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de periode waarover de kinderopvang noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het aantal uren c.q. dagdelen kinderopvang dat per week
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="c."><al>de naam of namen van het kind/de kinderen voor wie de
                                    kinderopvang noodzakelijk is;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening waar de kinderopvang genoten zal worden;</al></li><li nr="e."><al>het percentage van de ouderbijdrage;</al></li><li nr="f."><al>het maximaal te vergoeden uurtarief;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>De betaling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het kind geplaatst wordt op een kinderopvangcentrum van
                                Spring Kinderopvang wordt de tegemoetkoming achteraf in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald aan Spring Kinderopvang, op basis van een door
                                de ouder/verzorger afgegeven machtiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het kind geplaatst wordt op een ander kinderopvangcentrum
                                wordt de tegemoetkoming achteraf in maandelijkse termijn uitbetaald
                                aan de ouder/verzorger.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt betaald op basis van een factuur. Daarop
                                staan in ieder geval de feitelijk afgenomen uren in de betreffende
                                maand, waarbij de kosten per uur de wettelijk vastgestelde maximale
                                uurprijs niet overschrijden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de aanvraag voor een tegemoetkoming voor
                            kinderopvang op grond van een sociaalmedische indicatie indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanvraag niet voldoet aan de eisen uit hoofdstuk 2 van deze
                                    Verordening.</al></li><li nr="2."><al>er recht op een voorliggende voorziening bestaat. Hiertoe wordt
                                    in ieder geval gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>ouders die onder de wet vallen</al></li><li nr="b."><al>ouders die een beroep doen of kunnen doen op een
                                            UWV-tegemoetkoming</al></li><li nr="c."><al>ouders die gebruik kunnen maken van andere adequate
                                            (opvang-)voorziening zowel in professionele zin als in
                                            niet-professionele zin</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>reeds eerder een toekenningsbesluit voor de maximale periode is
                                    afgegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Ingeval de aanspraak op de tegemoetkoming voor kinderopvang is
                            ingetrokken, wordt een op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële
                            tegemoetkoming teruggevorderd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening indien strikte
                                toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking
                            daarvan in de Laarbeeker en werkt terug tot en met 1 juli 2014.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 11 december 2014.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen F.H.G.M. Ronnes</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting - Verordening Sociaal Medische Indicatie Kinderopvang
                        Laarbeek 2014</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang,in werking getreden. Per 1 augustus
                    2010 is de Wet</al><al>Kinderopvang gewijzigd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen,</al><al>De “Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen” beoogt het ouders of
                    verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet alleen
                    werkende kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen
                    op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor
                    kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van deze kosten wordt aangeduid met
                    de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang’.</al><tussenkop>De sociaal medische indicatie voor kinderopvang</tussenkop><al>In de Wet heeft een aantal artikelen betrekking op de doelgroep met een
                    sociaal-medisch indicatie. De wetgever heeft besloten dat deze artikelen
                    (vooralsnog) niet in werking treden. Het betreft artikel 1.6 lid 1 onderdelen l
                    en k en artikel 1.23, alsmede artikelen 1.22 en 1.24 voor zover deze betrekking
                    hebben op artikel 1.6 lid 1 onderdelen k en l. In deze nog niet vigerende
                    artikelen vallen onder de doelgroep ‘sociaal-medische indicatie’:</al><lijst><li nr="-"><al>De ouder met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of
                            psychische beperking;</al></li><li nr="-"><al>De ouder van een kind dat op grond van sociaal - medische problematiek
                            kinderopvang nodig heeft om zich goed en gezond te kunnen
                            ontwikkelen.</al></li></lijst><al>Het college dient op grond van die artikelen vast te stellen of de ouder,
                    partner of het kind behoort tot de doelgroep ‘sociaal medische indicatie’ en in
                    welke mate (en voor zover andere voorzieningen geen meer passende oplossing
                    kunnen bieden) op die gronden kinderopvang noodzakelijk is. Het college kan bij
                    het beoordelen van de vaststelling advies inwinnen over de noodzaak van
                    kinderopvang bij een onafhankelijke en voldoende professionele organisatie met
                    voldoende adequate deskundigheid.</al><al>De wetgever heeft echter besloten om deze artikelen vooralsnog niet in werking
                    te laten treden. In 2005 heeft de wetgever aan de algemene middelen van het
                    gemeentefonds het benodigde budget toegevoegd voor kinderopvang voor doelgroep
                    ‘sociaal-medische indicatie’. Gemeenten werden daardoor in staat gesteld naar
                    eigen inzicht huishoudens met sociaal-medische problematiek financieel te
                    ondersteunen in het benodigde kinderopvanggebruik (zie TK 2003-2004, 28 447, nr.
                    97, p1-2) Ook in 2006 en 2007 is dit specifieke budget aan de gemeenten
                    verstrekt (zie TK 2005-2006, 28 447, nr. 130, p. 2-4). Deze verstrekking aan
                    gemeenten via het gemeentefonds wordt aangemerkt als een algemene uitkering,
                    waaraan geen voorwaarden worden gesteld. Het rijk heeft dus geen voorwaarden of
                    beperkingen opgelegd aan de vormgeving van het gemeentelijk beleid voor de
                    doelgroep ‘sociaal-medisch indicatie’. In plaats van een ouder zou de gemeente
                    dus ook een instelling kunnen subsidiëren. Deze systematiek wordt ook in 2008
                    en</al><al>2009 gecontinueerd (zie TK 2007-2008, 31 200 VIII, nr. 2, p. 184). Deze regeling
                    voor een tegemoetkoming voor kinderopvang op grond van een sociaal-medische
                    indicatie wordt vanaf 2010 structureel voortgezet (zie hierover de Meicirculaire
                    gemeentefonds 2009 van het Ministerie van BZK).</al><al>De gemeente heeft dus beleidsvrijheid (autonome verantwoordelijkheid van de
                    gemeente) ten aanzien van de doelgroep ‘sociaal-medische indicatie’. Dit
                    betekent dat deze doelgroep op verschillende manieren kan worden afgebakend. Ook
                    kunnen per gemeente verscheidene criteria gehanteerd worden.</al><tussenkop>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen</tussenkop><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                    zijn.</al><tussenkop>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                    bevorderen</tussenkop><al>Om de gemeente in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                    verstrekking van de</al><al>tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de verordening de volgende
                    bepalingen opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming op grond van een
                            sociaal medische indicatie, wordt aan beperkingen gebonden. In de
                            verordening wordt bepaald dat bij deze groep ouders de tegemoetkoming
                            wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per week dat naar
                            oordeel van het college voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om
                            de ouder te ontlasten c.q de ontwikkeling van het kind te
                            bevorderen.</al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijke</al></li></lijst><al>tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip in de toekomst waar
                    in gezamenlijk overleg besloten is.</al><lijst><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                            kinderopvang plaatsvindt.</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt maandelijks achteraf uitbetaald na ontvangst van
                            een factuur van de kinderopvangorganisatie of van de ouders. Hierdoor
                            blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die de
                            gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt.</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt voor een maximale periode van 6 maanden
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>Gemeentelijke uitgangspunten ten aanzien van het stellen van een sociaal
                    medische indicatie voor kinderopvang: Eigen kracht, eigen netwerk.</tussenkop><al>Het eerste uitgangspunt bij het stellen van sociaal medische indicatie blijft de
                    eigen verantwoordelijkheid van de leefeenheid. De leefeenheid blijft altijd
                    primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden en de opvang
                    en verzorging van de kinderen. Dat betekent dat van een leefeenheid wordt
                    verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd
                    wordt naar een herverdeling van de taken binnen die leefeenheid (eigen
                    kracht).</al><al>Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende
                    regeling voor zorgverlof.</al><al>Het tweede uitgangspunt is dat er bij het stellen van de indicatie samen met de
                    ouder(s)/verzorgers gekeken wordt naar de mogelijkheden binnen het eigen netwerk
                    (familie, vrienden) of de mogelijkheid tot het inzetten van vrijwilligers. Dit
                    zal vooral aan bod komen indien er sprake is van een situatie die langer dan 6
                    maanden</al><al>zal bestaan. De indicatiesteller heeft hierin een stimulerende en motiverende
                    rol.</al><tussenkop>Voorliggende voorzieningen.</tussenkop><al>Bij de overweging tot een sociaal medische indicatie voor kinderopvang kunnen
                    alternatieven in overweging genomen worden, die wellicht beter aan de behoefte
                    tegemoet komen. Soms kan de problematiek te ernstig zijn om door plaatsing in
                    een kinderdagverblijf, een buitenschoolse opvang of bij een gastouder te kunnen
                    worden opgelost.</al><al>Bij alternatieven kan gedacht worden aan: inloopactiviteiten,
                    jeugdhulpverlening.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De begripsbepalingen in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                    peuterspeelzalen zijn ook van toepassing op deze verordening. Alleen de in deze
                    artikelen niet gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Aanvraag van de tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Recht op een tegemoetkoming</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald wie recht heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 2.2 De doelgroep</tussenkop><al>De doelgroep zoals beschreven in de Wet.</al><tussenkop>Artikel 2.3 Het kenbaar maken van de aanvraag</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.4 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 1.26
                    Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).. Het moet dan gaan om het
                    college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 1.22, derde lid, Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).</al><tussenkop>Artikel 2.5 Indienen van de aanvraag</tussenkop><al>De aanvraag kan telefonisch, digitaal of schriftelijk worden ingediend. Indien
                    besloten wordt tot een</al><al>toekenning zullen de overige gegevens worden opgevraagd.</al><tussenkop>Artikel 2.6 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</tussenkop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college. Het moet dan
                    gaan om het college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 1.22, derde
                    lid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen).</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Verlening van de tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Beslistermijn</tussenkop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming. Deze
                    termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die
                    betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen
                    voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van de
                    kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten
                    hoogste acht weken die eventueel met acht weken kan worden verlengd.</al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het college
                    deze termijn ook in alle gevallen moet benutten.</al><al>De gemeente zal er naar streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort
                    mogelijk te houden en met name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te
                    handelen. Door middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de
                    besluitvorming worden versneld.</al><tussenkop>Artikel 3.2 De periode en de omvang waarvoor de tegemoetkoming wordt
                    verleend</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven dat er sprake is van een gemaximeerde periode
                    van 6 maanden per kalenderjaar waarover de tegemoetkoming wordt verleend.</al><al>De indicatiesteller van de Zorgpoort beoordeelt in samenspraak met de ouders
                    voor welke en hoeveel dagdelen kinderopvang noodzakelijk is. Er is in principe
                    geen mogelijkheid tot het aanvullend inzetten van persoonlijke ondersteuning
                    voor kinderverzorging of opvang.</al><al>Indien er sprake is van een structureel probleem worden de ouders geïnformeerd
                    over andere mogelijke oplossingen. De verantwoordelijkheid voor het zoeken naar
                    oplossingen ligt bij de ouders.</al><tussenkop>Artikel 3.3 De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                    tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f). Artikel 3.4 van de verordening
                    bepaalt dat de uitbetaling achteraf maandelijks plaatsvindt. De beschikking moet
                    tevens aangeven hoeveel het percentage eigen bijdrage van de ouder is en het
                    maximaal voor vergoeding in aanmerking komende uurtarief. De hoogte van de
                    tegemoetkoming is gekoppeld aan de hoogte van de tegemoetkoming zoals benoemd in
                    artikel 1.22 van de wet. Voor deze doelgroepen staat de hoogte van de
                    tegemoetkoming in de artikelen 1.7, eerste lid, en 1.24, eerste tot en met derde
                    lid, van de wet.</al><al>Het derde lid van dit artikel geeft aan een tegemoetkoming wordt verhoogd met
                    een toeslag voor de kosten van kinderopvang voor een eerste kind dat gebruik
                    maakt van kinderopvang en van een toeslag voor de kosten van kinderopvang voor
                    ieder tweede of volgende kind dat gebruik maakt van kinderopvang. De hoogte van
                    deze toeslag wordt bepaald in een door het college vast te stellen
                    beleidsregel.</al><tussenkop>Artikel 3.4 De betaling van de tegemoetkoming.</tussenkop><al>De tegemoetkoming vindt in de vorm van maandelijkse betalingen achteraf plaats
                    op basis van een factuur van de kinderopvangorganisatie. De betaling vindt
                    plaats aan de kinderopvangorganisatie, indien deze valt onder Spring. De
                    betaling vindt plaats op basis van een door de ouder afgegeven machtiging. Deze
                    machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de gemeente
                    en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening van het
                    kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van de
                    tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. Indien er gebruik wordt gemaakt van
                    een andere kinderopvangorganisatie betaalt de ouder aan de organisatie en dient
                    de factuur in. Op basis van de factuur en de afgegeven indicatie wordt de
                    tegemoetkoming verstrekt aan de ouders.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Weigeringsgronden</tussenkop><al>In artikel 5.1 lid 2 en 3 geeft de verordening een aantal weigeringsgronden aan.
                    Geen voorziening wordt toegekend indien ouders via een andere regeling in
                    aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming, of indien er andere
                    voorliggende voorzieningen zijn waar zij gebruik van kunnen maken zoals het
                    gebruik van mantelzorg etc.</al><al>In deze situaties dient wel gekeken te worden of dit alternatief een adequate
                    voorziening is.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Terugvordering</tussenkop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 1.38 Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen .</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college stelt de gemeenteraad
                    de beleidskaders vast in een verordening. Het college is belast met de
                    uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking
                    daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte
                    toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van
                    overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                    recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het gemeentelijk
                    beleid en anderzijds het individuele belang van de ouder. Dat kan onder
                    omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 5.2 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>