<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359755_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 7 januari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdeel d van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Definitieve versie 30-10-2014</al><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</vet></al><al>De raad van de gemeente Montferland;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, met overneming van de
                        daarin vermelde motieven;</al><al>Gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel d van de Participatiewet; </al><al>BESLUIT</al><al>Vast te stellen de “Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        2015”</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering; </al></li><li nr="-"><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid van de Participatiewet; </al></li><li nr="-"><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                    diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                    uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden
                                    vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid van de
                                    Participatiewet; </al></li><li nr="-"><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid
                                    van de Participatiewet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                                    wethouders de recidiveboete zonder inachtneming van de
                                    beslagvrije voet. </al></li><li nr="2."><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende
                                    een tijdvak van drie</al><al>maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de
                                    bestuurlijke boete is opgelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                                wethouders de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming
                                van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment
                                van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekenen
                                burgemeester en wethouders de recidiveboete in de daarop volgende
                                twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r
                                van de Participatiewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kunnen burgemeester en wethouders
                            de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen
                            indien: </al><lijst><li nr="1."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of </al></li><li nr="2."><al>anderszins sprake is van dringende redenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 vervalt
                            per 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                                    bestuurlijke boete bij recidive 2015.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Montferland op
                        18-12-2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter</ondertekening><ondertekening>D.Berends C.C. Leppink-Schuitema</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 trad de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking. Voor de Wet werk en bijstand (WWB), voorloper van de
                    Participatiewet, introduceert deze wet de bestuurlijke boete bij een schending
                    van de inlichtingenplicht. Het college van burgemeester en wethouders (verder
                    college) is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te
                    verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming van de
                    beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van een bestuurlijke
                    boete wegens recidive, dan kan het college besluiten gedurende maximaal drie
                    maanden met de beslagvrije voet te verrekenen. </al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De
                    nieuwe bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden ingevuld. Om
                    gemeenten enige aanknopingspunten te bieden, hebben het RCF Kenniscentrum
                    Handhaving - Landelijk Kenniscentrum Handhaving, Divosa, de VNG en Schulinck
                    gezamenlijk deze modelverordening ontwikkeld. Uiteindelijk is het natuurlijk aan
                    gemeenten zelf naar eigen inzicht keuzen te maken.’</al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het college. Het is derhalve aan het college op
                    deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te stellen.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid van de Participatiewet is geregeld dat het college die
                    de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende
                    tegemoet te komen. Het college van Montferland heeft beleidsregels vastgesteld.
                    Hierin is vastgelegd dat bij een verzoek tot verrekening vanuit een andere
                    gemeente deze verordening van kracht is. Het ligt voor de hand dat het college
                    bij de beslissing op dat verzoek analoog handelt aan de regels die in de eigen
                    gemeentelijke verordening zijn vastgelegd. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit geld als op geld waardeerbare goederen. Bij de op geld waardeerbare goederen
                    wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer (bijvoorbeeld: de
                    waarde van een auto vaststellen door middel van de ANWB koerslijst (inkoop)).
                    Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op
                    het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid
                    van de Participatiewet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                    vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt
                    te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan
                    beschikken volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                    belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al><cursief>Verrekenen</cursief>De Participatiewet kent een ruimer begrip
                    van verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de
                    duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling opgenomen in de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit </tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken) ten minste driemaal de toepasselijke
                    bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze
                    bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit </tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor het
                    percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de invorderingsmogelijkheden die
                    de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze
                    de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op
                    grond van artikel 19, eerste lid van de Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r van de Participatiewet worden vrijgelaten voor de
                    algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze
                    inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een
                    belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid
                    3.</al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet </tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen. </al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><tussenkop>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes </tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn. </al><tussenkop>Artikel 6. Intrekken oude verordening</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Montferland op
                    18-12-2014.</al><al>De griffier, De voorzitter</al><al>D.Berends C.C. Leppink-Schuitema</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>