<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359751_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Laarbeek 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-09-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laarbeek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Laarbeek 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-09-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet Laarbeek 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laarbeek,</al><al>gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet</al><al><vet>besluit:</vet></al><lijst><li nr="I."><al>vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet Laarbeek
                                2015</al></li><li nr="II."><al>in te trekken de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ Laarbeek
                                2012 (2)</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge artikel 7 van de Participatiewet biedt het college
                                ondersteuning aan leden van de doelgroep en zorgt voor een voldoende
                                gevarieerd aanbod van voorzieningen. Het college houdt daarbij
                                rekening met de aard en de omvang van de verschillende binnen de
                                doelgroep te onderscheiden groepen en de voorzieningen die het meest
                                geschiktst zijn voor de leden van die groepen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van de persoon, het meest
                                doelmatig is bij de ondersteuning in de arbeidsinschakeling als
                                bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de
                                Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden dan
                                wel de maatschappelijke, economische of conjuncturele
                                ontwikkelingen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning bij
                                de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door
                                het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de
                                voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten van de
                                belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling
                                in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan budgetplafonds vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening nadere
                                regels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen,
                                waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval
                                kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover
                                daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                        Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)
                                        niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkstage heeft een maximale duur van 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring en
                                vakvaardigheden en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, op basis van een individuele beoordeling, als
                                onderdeel van een re-integratietraject, de kosten van scholing
                                vergoeden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze kosten worden alleen vergoed nadat door het college toestemming
                                is verleend tot het volgen van de scholing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de vergoeding voor scholing beschikbaar indien
                                wordt voldaan aan in het toekenningsbesluit op te nemen voorwaarden,
                                zoals regels met betrekking tot de duur en de maximale kosten van de
                                scholing en eventuele specifieke voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Participatieplaats en scholing in combinatie met
                                participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet
                                onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet
                                bedraagt € 365,00 per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende
                                is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de premie bedoeld in het tweede lid is afhankelijk van
                                het gemiddeld aantal gewerkte uren per week in de voorafgaande zes
                                maanden en bedraagt</al><lijst><li nr="a."><al>bij een gemiddelde uren inzet tot 16 uur per week 50% van
                                        het in het tweede lid genoemde bedrag;</al></li><li nr="b."><al>bij een gemiddelde uren inzet vanaf 16 uur per week 100% van
                                        het in het tweede lid genoemde bedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het tweede lid wordt na elke
                                zes maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De premie als bedoeld in het tweede lid wordt geweigerd indien bij
                                de beoordeling blijkt dat de belanghebbende de aan de onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verbonden verplichtingen in de voorgaande
                                zes maanden heeft geschonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor zover degene die additionele werkzaamheden verricht niet
                                beschikt over een startkwalificatie wordt zes maanden na aanvang van
                                de onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college betrekt bij deze beoordeling</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende
                                        de werkzaamheden uitvoert; en</al></li><li nr="b."><al>de scholingsbehoefte van de belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een minimum loonwaarde van 30%
                                van het wettelijk minimumloon. Om de in artikel 10b, eerste lid, van
                                de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het
                                college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke
                                aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van
                                taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk. In
                                verband hiermee overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde bedrijven en
                                andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                            arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft, of </al></li></lijst></li></lijst><al>de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als
                            bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt;</al><lijst><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al><lijst><li nr="2."><al>De no-riskpolis vergoedt:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon,
                                    en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al><lijst><li nr="3."><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken,
                                            sluit de gemeente een verzekering af met een
                                            verzekeringsmaatschappij en treedt op als
                                            verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.</al></li><li nr="4."><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot maximaal 24
                                            maanden na indiensttreding van de werknemer bij de
                                            werkgever. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Stimuleringspremie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een premie verstrekken aan een werkgever die
                                    met:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon die algemene bijstand ontvangt ingevolge de
                                            Participatiewet of een uitkering ingevolge de IOAW of de
                                            IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>een persoon met een nabestaanden- of halfwezenuitkering
                                            op grond van de Algemene nabestaandenwet die
                                            ingeschreven is bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen; of</al></li><li nr="c."><al>een niet-uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 6,
                                            onderdeel a, van de Participatiewet;</al></li></lijst></li></lijst><al>een arbeidsovereenkomst sluit gericht op arbeidsinschakeling dan wel
                            participatie.</al><al>2.Het college stelt nadere regels ten aanzien van de duur van de premie,
                            de hoogte, en de verplichtingen die aan de premie worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op basis van een individuele beoordeling een
                                vergoeding verstrekken voor de (overige) noodzakelijke kosten in het
                                kader van een re-integratietraject.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de kosten bedoeld in
                                het eerste lid, de hoogte en duur van de vergoeding en de
                                voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>De Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ Laarbeek 2010 wordt
                            ingetrokken met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratie-verordening WWB, IOAW en IOAZ
                                    Laarbeek 2010, die moet worden beëindigd op grond van deze
                                    verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan
                                    aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening WWB, IOAW en
                                    IOAZ Laarbeek 2010 voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van
                                            deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode
                                            als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                    voortgezet.</al></li><li nr="3."><al>De Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ Laarbeek 2010
                                    blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette
                                    voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                            bepalingen van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot
                            onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Situaties waarin deze verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op 1 januari
                            2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Laarbeek van 11 december 2014.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.L.M. van Heijnsbergen F.H.G.M. Ronnes</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak op ondersteuning hebben bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en
                            10, eerste lid, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                    betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35,
                            vierde lid, onderdeel b, en</al></li><li nr="-"><al>36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering; en </al></li><li nr="-"><al>die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                            aangeboden voorziening.</al></li></lijst><al>Mantelzorg</al><al>Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning).</al><tussenkop>Artikel 2 Opdracht college</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De Participatiewet geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden
                    van ondersteuning en een voldoende gevarieerd aanbod van voorzieningen aan de
                    doelgroep. De leden van de doelgroep moeten in Laarbeek woonachtig zijn. Hoewel
                    leden van de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning is er geen
                    afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals belanghebbende het zich
                    bij voorkeur zou wensen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In dit lid is opgenomen dat het college bij de keuze van de mogelijkheden van
                    ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen, een afweging maakt, waarbij
                    bezien wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en
                    capaciteiten van de persoon, het meest doelmatig is bij de ondersteuning in de
                    arbeidsinschakeling.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen prioriteiten
                    stellen in verband met de financiële mogelijkheden en met maatschappelijke,
                    economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al><tussenkop>Artikel 3 Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Het college biedt voorzieningen en ondersteuning zoals o.a. bedoeld in deze
                    verordening aan personen aan die behoren tot de doelgroep. </al><tussenkop>Maatwerk</tussenkop><al>Gemeenten krijgen met de Participatiewet de ruimte om maatwerk te bieden. Zij
                    hebben de vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen nodig hebben. </al><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                    ondersteuning en voorzieningen en biedt maatwerk. Daarbij wordt door het college
                    een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de voorziening, gelet op de
                    mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig
                    is met het oog op inschakeling in de arbeid. De doelgroep is gedefinieerd in
                    artikel 1.</al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden, beperkingen en kansen</tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen
                    opnemen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. </al><al> Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. Daarnaast wil het
                    college naar de kansen en mogelijkheden van de personen kijken. In dit artikel
                    is aan het voorgaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Artikel 4 Budgetplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de</al><al>middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan eventueel in de nadere
                    beleidsregels gebeuren. De gemeente moet naar aanleiding van een aanspraak op
                    ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil en
                    kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen kan echter niet de reden
                    zijn om de aanspraak op ondersteuning in het algemeen af te wijzen. Wel kan per
                    voorziening een plafond worden ingebouwd. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Aan de andere kant is het
                    uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning
                    noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel
                    van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.</al><tussenkop>Artikel 5 Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                    werk).</al><al>In het eerste lid is ook opgenomen dat het college de algemene bevoegdheid heeft
                    om voor voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om
                    bij subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten.</al><al>Het college kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in de Nadere regels
                    gebeuren.</al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 5, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden
                    teruggevorderd.<sup/> Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 6 Werkstage</tussenkop><tussenkop>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring </tussenkop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is
                    van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op
                    het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                    verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan
                    wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van
                    een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al><cursief>Doelgroep aanbieden werkstage</cursief>Het college
                    kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover
                    hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog
                    niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt
                    heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><tussenkop>Duur werkstage</tussenkop><al>Het tweede lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Hierbij wordt
                    uitgegaan van een maximale termijn van 6 maanden.</al><tussenkop>Doel van de werkstage</tussenkop><al>Het derde lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen
                    aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met
                    collega’s.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er
                    geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature
                    is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vijfde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                    opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat
                    om een reguliere arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Artikel 7 Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. <cursief>Begrip sociale
                        activering</cursief>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                    zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                    Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan
                    worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                    vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<sup/></al><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief>Het college kan aan een
                    persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van
                    sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening.</al><al>Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering, is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig
                    moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                    gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon
                    niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<sup/></al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 6.</al><tussenkop>Artikel 8 Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. </al><al>Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden
                    door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbedrijf
                    zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. </al><al> Voor het tweede lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6 over
                    werkstages.</al><tussenkop>Artikel 9 Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><tussenkop>Vergoeding scholingskosten</tussenkop><al>Het college kan als onderdeel van een re-integratietraject scholingskosten
                    vergoeden. Deze scholing dient een onderdeel te zijn van een traject dat is
                    gericht op arbeidsinschakeling van de persoon die tot de doelgroep behoort, naar
                    algemeen geaccepteerde arbeid. De kortste weg naar duurzaam regulier werk dient
                    hierbij uitgangspunt te zijn. Een individuele beoordeling ligt ten grondslag aan
                    de noodzaak tot toekenning van de vergoeding. </al><al>Scholing alleenstaande ouders</al><al>Voor de groep alleenstaande ouders is optimaal maatwerk van belang. Daarmee kan
                    voorkomen worden dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange
                    afwezigheid uit het arbeidsproces. De verplichting om algemeen geaccepteerde
                    arbeid te aanvaarden geldt voor de alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar
                    slechts nadat is vastgesteld dat passende kinderopvang beschikbaar is, dat
                    voldoende scholing is toegepast en dat de belastbaarheid van de belanghebbende
                    in aanmerking is genomen (artikel 9 lid 4 Participatiewet). </al><al>Tevens kan een alleenstaande ouder die de volledige zorg heeft voor een tot zijn
                    last komend kind tot vijf jaar een verzoek indienen tot ontheffing van de plicht
                    tot arbeidsinschakeling (artikel 9a Participatiewet). Deze ontheffing wordt
                    éénmalig verleend en heeft een maximale duur van vijf jaar. Op de van de
                    arbeidsplicht ontheven belanghebbende blijft de re-integratieplicht van
                    toepassing. Dit wil zeggen dat de scholingsplicht gehandhaafd blijft, om de
                    aansluiting met de arbeidsmarkt niet te verliezen.</al><al>Ontheffing van de arbeidsplicht betekent voor de ouder dat er een
                    scholingsplicht op hem rust wanneer hij niet de vereiste startkwalificatie
                    heeft. Voor deze doelgroep dient ook binnen 6 maanden na het verzoek tot
                    ontheffing een plan van aanpak te worden opgesteld.</al><al>Wanneer de ouder wel de vereiste startkwalificatie heeft, kan op verzoek een
                    aanvullende scholing worden aangeboden.</al><al>In het derde lid wordt geduid op de beleidsregels met betrekking tot de duur en
                    de maximale kosten voor de vergoeding tot scholing en andere voorwaarden welke
                    in een beschikking worden vastgelegd.</al><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden
                    hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012
                    geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de
                    volledigheid opgenomen in het vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 10 Participatieplaats en scholing in combinatie met
                    participatieplaats </tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet en het eerste lid van artikel 10 van deze verordening). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.<sup/>
                    Bij de parlementaire behandeling van artikel 10a WWB heeft de staatssecretaris
                    SZW in dezen een bedrag genoemd van € 600,00 per jaar (Tweede Kamer, Handelingen
                    2008 – 2009, 31577, nr.21, p. 1700). </al><al>De premie is in artikel 10 vastgesteld op een bedrag van € 365,00 per 6 maanden,
                    zijnde een premie ter hoogte van de helft van het maximum bedrag op jaarbasis
                    zoals genoemd in artikel 7 onderdeel h van de Regeling WWB, de zgn. lage
                    vrijwilligersvergoeding, zoals deze gold tot 1 januari 2006.</al><tussenkop>Scholing of opleiding participatieplaats</tussenkop><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet gericht
                    zijn op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een
                    persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing
                    of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te
                    boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan
                    vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit
                    volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><tussenkop>Artikel 11 Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                    in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.<sup/> Daarom is in
                    het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een minimum
                    loonwaarde van 30% van WML selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                    een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een minimum loonwaarde van 30% van WML
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een minimum loonwaarde van 30%
                    van WML is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in een
                    beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<sup/></al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.<sup/></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk vaststelt. Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via
                    bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook
                    kunnen zij afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden
                    waarop zij deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.<sup/></al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers en
                    is aldus niet taakstellend. Daarom moet het college overleg voeren met partners
                    om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 12 Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 12 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht,
                            bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van 16 of 17 jaar oud die dreigen uit te vallen op school, maar middels een
                    leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen
                    dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27 jaar die door een leer-werktraject
                    alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.<sup/> In het
                    kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat
                    het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan 18 jaar en aan
                    personen van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en
                    voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk
                    is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde
                    in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7,
                    derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 13 Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 13 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.<sup/></al><tussenkop>Artikel 14 No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b van de Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt, in aanmerking
                    komt voor de no-riskpolis.</al><tussenkop>Voorwaarden</tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de no-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet ontvangt.
                    Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de
                    gemeente.</al><tussenkop>Hoogte vergoeding</tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><tussenkop>Contract met verzekeraar</tussenkop><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten met een verzekeringsmaatschappij. De gemeente treedt op
                    als verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid).</al><tussenkop>Duur no-riskpolis</tussenkop><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot maximaal 24 maanden na indiensttreding
                    van de werknemer bij de werkgever. </al><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</tussenkop><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 15 Stimuleringspremie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al><cursief>Compensatie</cursief>Het doel van de stimuleringspremie is
                    het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het
                    wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon
                    (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een premie aan de
                    werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                    compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                    bewerkstelligen.<sup/> In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in het
                    tweede lid is opgenomen dat het college nadere regels stelt ten aanzien van de
                    duur van de premie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de premie worden
                    verbonden.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 6.</al><al>De in artikel 15 van deze verordening geregelde stimuleringspremie moet worden
                    onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d
                    van de Participatiewet. De loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de
                    Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld
                    voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 15 opgenomen
                    stimuleringspremie is niet noodzakelijk gericht op personen met een
                    arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar
                    zijn.</al><al>Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                    personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet). Vandaar dat voor een andere benaming,
                    stimuleringspremie, is gekozen.</al><tussenkop>Artikel 16 Overige vergoedingen</tussenkop><al>Het college kan als onderdeel van een re-integratietraject aan de doelgroep
                    naast scholing (zie artikel 9) een vergoeding verstrekken voor andere
                    voorzieningen (zoals o.a. reiskosten, verwervingskosten, etc.). Het doel van het
                    verstrekken van vergoedingen is het wegnemen van financiële belemmeringen met
                    betrekking tot het deelnemen aan een re-integratietraject. Een individuele
                    beoordeling dient ten grondslag te liggen aan de noodzaak tot toekenning van de
                    vergoeding. </al><al>In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat het college nadere regels
                    stelt ten aanzien van de soort kosten, de hoogte en de duur van de vergoeding en
                    de voorwaarden waaronder een vergoeding kan worden verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 17 Intrekking verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 17 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 4, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 17,
                    eerste lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorziening wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ Laarbeek 2010. Wordt niet meer aan
                    die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld
                    als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen</tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening WWB, IOAW en
                    IOAZ Laarbeek 2010 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na
                    inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college
                    besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 17, tweede lid). Hierbij
                    kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van
                    een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de
                    kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog
                    gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in
                    beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk</tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening
                    WWB, IOAW en IOAZ Laarbeek 2010 of als de voorziening is toegekend voor een
                    kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                    voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de
                    oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening WWB, IOAW en
                    IOAZ Laarbeek 2010 van toepassing (artikel 17, derde lid, van deze
                    verordening).</al><tussenkop>Artikel 18 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het afwijken van de
                    bepalingen kunnen de rechten van belanghebbenden op basis van deze verordening
                    niet worden aangetast.</al><tussenkop>Artikel 19 Situaties waarin de verordening niet voorziet</tussenkop><al>Mocht zich een situatie voordoen waarin deze verordening niet voorziet, dan
                    beslist het college met inachtneming van het doel en de overwegingen die aan
                    deze verordening ten grondslag liggen.</al><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>