<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359740_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 7 januari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 35, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1. Begrippen </al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Tegenprestatie: het naar vermogen verrichten van door het
                                    college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op
                                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt.</al></li><li nr="b."><al>Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij deze zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2. Verslag over beleid </al><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over
                                    de doeltreffendheid van het beleid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel
                                    van de Sociale Raad.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3. Inhoud van een tegenprestatie </al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            opdragen aan een uitkeringsgerechtigde voor zover die werkzaamheden: </al><lijst><li nr="1."><al>naar hun aard niet gericht zijn op toeleiding naar de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="2."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="3."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="4."><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></li></lijst><al>Artikel 4. Het opdragen van een tegenprestatie </al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een belanghebbende die bijstand ontvangt op
                                    basis van artikel 1, onder b van de Participatiewet een
                                    tegenprestatie opdragen.</al></li><li nr="2."><al>Het college draagt in elk geval geen tegenprestatie op aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk
                                            verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar
                                            is met een tegenprestatie als bedoeld in deze
                                            verordening;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg
                                            verricht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>het vermogen van belanghebbende om de tegenprestatie te
                                            verrichten;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele
                                            omstandigheden;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                            belanghebbende.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 5. Inwerkingtreding </al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al><al>Artikel 6. Citeertitel </al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18-12-2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>D.Berends C.C. Leppink-Schuitema</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Het college heeft op grond van de Participatiewet de opdracht beleid te
                    ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in
                    artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en het uitvoeren ervan, overeenkomstig de
                    verordening bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b.</al><al>De wet verplicht een belanghebbende niet meer integraal tot het leveren van een
                    tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Wel is het college bevoegd
                    een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te
                    verrichten, maar alleen als die tegenprestatie niet direct samenhangt met
                    arbeidsinschakeling.</al><al>In het Beleidsplan Participatiewet 2015 – 2018 is over het opleggen van een
                    tegenpres-tatie gesteld dat het principe van wederkerigheid wordt omarmd en het
                    leveren van een tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering als een
                    vanzelfsprekendheid wordt gezien. Maar ook dat terughoudend wordt omgegaan met
                    het daadwerkelijk opleggen van een verplichting tot het verrichten van een
                    tegenprestatie, omdat het belangrijk is dat mensen vanuit eigen motivatie
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden verrichten. In verband hiermee wordt extra
                    ingezet op het motiveren van mensen. </al><al>Als het college besluit een tegenprestatie op te leggen, is de belanghebbende
                    gehouden de naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden te verrichten. Het niet nakomen van deze verplichting kan
                    gevolgen hebben voor de (hoogte van) de uitkering. Dit is vastgelegd in de
                    gemeentelijke afstemmingverordening.</al><al>Individuele omstandigheden </al><al>Het college houdt bij het opleggen van een tegenprestatie rekening met de
                    persoonlijke situatie en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.
                    Hierbij worden de in deze verordening neergelegde criteria in acht genomen. De
                    persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende worden zo veel mogelijk
                    meegewogen.</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt. </al><al>Geen tegenprestatie </al><al>Als de belanghebbende aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en
                    omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze
                    verordening, wordt geen tegenprestatie opgelegd. Hetzelfde geldt voor de
                    belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg verricht.</al><al>De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een belanghebbende
                    die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de
                    Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid van de
                    Participatiewet). </al><al>De plicht tot tegenprestatie is evenmin van toepassing op een alleenstaande
                    ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste
                    lid van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid van de Participatiewet). </al><al>Afstemmen </al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van een door het college opgelegde tegenprestatie dat de
                    bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke
                    afstemmingsverordening. </al><al>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.</al><al>Tegenprestatie is geen re-integratie-instrument </al><al>Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie
                    van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige
                    bijdrage aan de samenleving. De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet
                    gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                    re-integratie-instrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van
                    passende arbeid of het leveren van re integratie-inspanningen niet belemmeren.
                    Immers, als uitgangspunt geldt: werk boven uitkering. </al><al>Verordeningplicht </al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet. Het is aan de gemeente om de
                    duur, omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen.</al><al>Ontwikkelen beleid door college </al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c van
                    de Participatiewet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet,
                        IOAW en IOAZ 2015</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                        Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening.</al><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg.
                        Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1.1.1 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning 2015). Onder mantelzorg wordt verstaan: hulp
                        ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,
                        jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige
                        diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit
                        uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend
                        in het kader van een hulpverlenend beroep. Doorgaans zijn mantelzorgers
                        personen met wie degene die de zorg ontvangt regelmatig contact houdt. De
                        mantelzorger en de persoon die de zorg ontvangt, hoeven niet per se in één
                        huis te wonen.</al><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 van deze verordening
                        bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                        belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                        naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Het verlenen van mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale
                        gang van zaken. Het gaat om hulp die verder gaat dan gebruikelijke hulp.
                        Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en
                        inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als
                        leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden.</al><al>Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de
                        zorgvrager en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de
                        normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk
                        overschreden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over de
                        doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een
                        tegenprestatie.</al><al><cursief>Sociale raad</cursief><cursief> betrekken bij beleid</cursief></al><al>Uit artikel 2, tweede lid van deze verordening volgt nadrukkelijk dat de
                        sociale raad moet worden betrokken bij de verantwoording over het beleid.
                        Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening sociale raad
                        Montferland 2015, die de gemeenteraad onder andere moet vaststellen op grond
                        van artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid inzake het
                        opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de sociale raad
                        bevatten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen.</al><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud
                        van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het
                        opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de
                        individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd,
                        opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                        werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                        belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te
                        verrichten.</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                        duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                        voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem
                        wordt verwacht.</al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 3 van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                        onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel
                        van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                        tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                        reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                        onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren
                        en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                        overheid worden gemaakt.</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie.
                        De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar
                        de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie instrument. Het
                        betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                        reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie
                        worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of
                        van re-integratie inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                        uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                        van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                        college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                        opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan
                        bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid van de
                        Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie
                        is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                        arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                        naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid van de Participatiewet).</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                        alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in
                        artikel 9a, eerste lid van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid van de
                        Participatiewet).</al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>In artikel 4, derde lid van deze verordening is neergelegd met welke
                        factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.</al><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen'</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                        door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen'
                        heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om
                        deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke
                        uitkeringsgerechtigde.</al><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                        waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring. Hierbij wordt rekening
                        gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij
                        het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te
                        leveren.</al><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                        praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                        en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten
                        belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                        rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                        regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op
                        de keuze van de activiteiten. Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor
                        de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. </al><al>Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                        besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die
                        werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die
                        werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van deze
                        verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet
                        gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel
                        in de beoordeling meenemen. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt
                        of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het
                        is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een
                        tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                        datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet de
                        verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de
                        verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18-12-2014.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>D.Berends C.C. Leppink-Schuitema</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>