<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359509_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Verhaal van bijstand 2015  o.g.v. paragraaf 6.5. van de Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">Boxmeers Weekblad van 3 maart 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels verhaal van bijstand 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="www.wetten.nl">Artikel 61 van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2014/1533</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Verhaal van bijstand 2015  o.g.v. paragraaf 6.5. van de Participatiewet </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/></kop><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN</al><al/><al><vet>Wettelijk kader</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften verhaal zijn gebaseerd op artikel 61 tot en met 62i van de Wet Werk en Bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Zoals blijkt uit artikel 61 van de Wet Werk en Bijstand is het bijstandsverhaal als een bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders, hierna te noemen ‘het college’, toegekend. </al></li></lijst><al/><al><vet>Overige grondslagen voor het bijstandsverhaal</vet></al><al/><lijst><li nr="3."><al>De uitvoering van het bijstandsverhaal wordt mede bepaald door: </al><al>a. het rapport van de landelijke werkgroep TREMA (Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht) ten aanzien van de vaststelling van alimentatiebedragen, alsmede de financiële bijlagen bij dit rapport; b. de beoordeling door de Rechtbank en het Gerechtshof; </al><al>c. de relevante gepubliceerde jurisprudentie in alimentatiezaken en bijstandsverhaal; </al><al>d. de circulaires van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bijstandsverhaal 21 januari 1993 en 14 juli 1995.</al><al/></li></lijst><al>HOOFDSTUK 2 VERHAAL VAN BIJSTAND </al><al/><al><vet>Verhaal van bijstand</vet></al><lijst><li nr="4."><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand: </al><al>a. tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt; </al><al>b. tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt; </al><al>c. tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van de het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend; </al><al>d. op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; </al><al>e. op de nalatenschap van de persoon indien: </al><al>1. ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend dan wel anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden; </al><al>2. bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.</al></li><li nr="5."><al>In verband met de wettelijke onderhoudsplicht verhaalt het college op de onderhoudsplichtige:</al><lijst><li nr=""><al>a. de periodieke algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud;</al><al>b. de bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud aan meerderjarige kinderen (artikel 62 sub c van de Participatiewet).</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De wettelijke onderhoudsplicht als genoemd in artikel 5b heeft geen betrekking op de kosten van incidentele bijzondere bijstand ingevolge artikel 35 van de Wet Werk en Bijstand.</al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 3 HERZIEN VAN VERHAAL VAN BIJSTAND</al><al/><lijst><li nr="7."><al>Het college kan op grond van een herzieningsverzoek van de onderhoudsplichtige en als gevolg van diens gewijzigde omstandigheden, waaronder een aanzienlijke verhoging van de woonlasten, een terugval van inkomen buiten de schuld om van de onderhoudsplichtige en een wijziging in de gezinssituatie, de opgelegde onderhoudsbijdrage geheel of ten dele herzien.</al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 4 GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN VERHAAL VAN BIJSTAND</al><al/><al><vet>Afzien van het nemen van een verhaalbesluit</vet></al><lijst><li nr="8."><al>Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien: </al><al>a. door de rechter in een beschikking de kinder- en/of partneralimentatie is vastgesteld en is gebleken dat de rechter bij de bepaling van deze alimentatie is uitgegaan van juiste recente inkomensgegevens; </al><al>b. de op te leggen onderhoudsbijdrage, al dan niet in aanvulling op een reeds bestaande alimentatieverplichting, lager is dan € 50,- per maand of € 600,- per jaar; </al><al>c. daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn; </al><al>d. onderhoudsplichtigen een uitkering ingevolge Bbz-levensonderhoud ontvangen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Schuldsanering en faillissement</vet></al><lijst><li nr="9."><al>De onderhoudsplichtige wordt geacht geen draagkracht te hebben als hij is toegelaten tot en voor de duur van het gerechtelijke traject van schuldsanering in het kader van de WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen).</al></li><li nr="10."><al>De vordering op de onderhoudsplichtige in verband met verhaal van bijstand wordt, tot de datum van toelating tot een schuldsanering in het kader van de WSNP, ingebracht in de schuldsanering, waarbij de gemeente zich beroept op de wettelijke bevoorrechting die aan deze vordering is toegekend.</al></li><li nr="11."><al>Een voorstel tot schuldsanering wordt alleen in overweging genomen als de schuldsanering tot stand komt door tussenkomst van een erkende schuldhulpverlenende organisatie.</al></li><li nr="12."><al>Ingeval van faillissement van de onderhoudsplichtige: a. wordt voor de duur van het faillissement de maandelijkse onderhoudsbijdrage op nihil gesteld, tenzij de faillissementsrechter de verhaalsbijdrage als een maandelijkse verplichting heeft opgenomen in de faillissementsbeschikking, en b. wordt bij de curator de vordering tot de datum van de uitspraak van het faillissement ingediend. </al><al/></li></lijst><al> HOOFDSTUK 5 BEOORDELING VAN MATE VAN ONDERHOUDSPLICHT </al><al/><al><vet>Beoordeling onderhoudsplicht</vet></al><lijst><li nr="13."><al>Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in artikel 159a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en in artikel 4 onder a, b en c en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.</al></li><li nr="14."><al>Voor de in artikel 13 genoemde beoordeling wordt ten aanzien van de vaststelling van de onderhoudsbijdrage, het rapport van de werkgroep TREMA voor de vaststelling van alimentatiebedragen, de zogenaamde TREMA-normen, toegepast.</al><al/></li></lijst><al>HOOFDSTUK 6 VERHALEN VAN RECHTERLIJKE UITSPRAAK BETREFFENDE LEVENSONDERHOUD</al><al/><al><vet>Verhaal op grond van rechterlijke uitspraak (alimentatiebeschikking)</vet></al><lijst><li nr="15."><al>Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak.</al></li><li nr="16."><al>De betaling van het verschuldigde geschiedt binnen 30 dagen na bekendmaking van het besluit tot verhaal overeenkomstig artikel 15.</al></li><li nr="17."><al>Degene op wie wordt verhaald, kan binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden tegen het besluit tot verhaal in verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank. Het verzet kan niet gegrond zijn op de bewering dat de uitkering tot onderhoud ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Indien tijdig verzet is gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het verzet is ingetrokken of ongegrond verklaard.</al></li><li nr="18."><al>Het college is bevoegd, met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt, het verschuldigde bij dwangbevel in te vorderen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Landelijk Burea Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)</vet></al><lijst><li nr="19."><al>Met inachtneming van het recht van de bijstandsgerechtigde om zelf de inning van alimentatie over te dragen aan het LBIO, vindt inning van alimentatieverplichtingen bij onderhoudsplichtigen, voor zover niet vrijwillig door deze onderhoudsplichtigen aan de betalingsverplichting wordt voldaan, plaats volgens de artikelen 15 tot en met 18.</al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 7 HERZIENING BESCHIKKING RECHTBANK</al><al/><al><vet>Verhaalsbijdrage in aanvulling op een door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage</vet><vet>(alimentatiebeschikking)</vet></al><lijst><li nr="20."><al>De door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage kan op verzoek van het college of van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden.</al></li><li nr="21."><al>Het college kan aan de rechter verzoeken de onderhoudsbijdrage in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vaststellen, indien de rechter: a. deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden, genoemd in de artikelen 157 en 401 van dat boek; b. geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.</al></li><li nr="22."><al>De onderhoudsbijdrage zoals bedoeld in de artikelen 20 en 21 wordt niet opgelegd als dit minder bedraagt dan € 50,- per maand.</al><al/></li></lijst><al>HOOFDSTUK 8 HET VERHAALSBESLUIT </al><al/><al><vet>Het verhaalsbesluit</vet></al><lijst><li nr="23."><al>Een besluit tot verhaal op grond van artikel 1 wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht medegedeeld. Het besluit vermeldt de ingangsdatum van de op te leggen onderhoudsbijdrage en het bedrag of de bedragen waarvan, evenals de termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt verlangd.</al></li><li nr="24."><al>Bij verhaal op de nalatenschap wordt de correspondentie gericht tot de langstlevende echtgenoot of een der erfgenamen die geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.</al></li><li nr="25."><al>Het verhaalsbesluit wordt gezonden naar het adres waar de belanghebbende volgens de Basisregistratie Personen (BRP = Gemeentelijke Basisadministratie (=GBA) staat ingeschreven, tenzij belanghebbende uitdrukkelijk heeft verzocht om toezending van correspondentie op een ander adres.</al><al/></li></lijst><al>HOOFDSTUK 9 VERHAAL IN RECHTE</al><al/><al><vet>Verhaal in rechte</vet></al><lijst><li nr="26."><al>Indien de belanghebbende weigert of nalaat noodzakelijke informatie aan het college te verstrekken dan wel niet uit eigen beweging bereid is de onderhoudsbijdrage aan het college te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling ervan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte. </al></li><li nr="27."><al>Het college ziet af van verhaal in rechte indien het een afgesloten periode betreft en het totaal te verhalen bedrag niet hoger is dan </al><al>€ 250,-. </al><al/></li></lijst><al><vet>Wijziging door de rechter vastgestelde </vet><vet>onderhouds</vet><vet>bijdrage</vet></al><al>28.Het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag kan worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden dan wel als blijkt dat de onderhoudsbijdrage niet (meer) voldoet aan de wettelijke maatstaven.</al><al/><al>HOOFDSTUK 10 HERONDERZOEK </al><al/><al><vet>Onderzoek naar draagkracht</vet></al><lijst><li nr="29."><al>In verband met de aanpassing van een opgelegde verhaalsbijdrage vindt eenmaal per drie jaar een heronderzoek plaats naar de wijzigingen in de financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige. </al></li><li nr="30."><al>De termijn van een heronderzoek is eenmaal per vijf jaar ingeval de rechter de onderhoudsbijdrage (alimentatie- en verhaalsbeschikking) heeft vastgesteld. </al></li><li nr="31."><al>Van de in de artikelen 29 en 30 genoemde termijnen kan worden afgeweken indien tussentijds bekend wordt dat zich wijzigingen hebben voorgedaan of zullen gaan voordoen in de financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige. </al></li></lijst><al/><al><vet>Onderzoek naar incassomogelijkheden</vet></al><lijst><li nr="32."><al>Als de onderhoudsplichtige niet uit vrije wil volledig voldoet aan de opgelegde betalingsverplichting dan doet het college onderzoek naar de mogelijkheden van gedwongen incasso, waarbij binnen de wettelijke bevoegdheden en mogelijkheden van de gemeente informatie bij derden wordt ingewonnen.</al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 11 INVORDERING</al><al/><al><vet>Betalingsverzoeken</vet></al><lijst><li nr="33."><al>Voor de betaling van de opgelegde betalingsverplichting verzendt het college in beginsel maandelijks betalingsverzoeken. Deze verzending vindt steeds plaats aan het einde van de maand en heeft betrekking op diezelfde maand. De betaling vindt dus achteraf plaats. Het niet ontvangen van betalingsverzoeken ontslaat de belanghebbende niet van de verplichting tot het betalen van de onderhoudsbijdrage.</al></li></lijst><al/><al><vet>Vereenvoudigd derdenbeslag</vet></al><lijst><li nr="34."><al>Indien de onderhoudsplichtige de betalingsverplichting als gevolg van de gerechtelijke uitspraak niet of niet meer nakomt, dan wordt de verhaalsbeschikking ten uitvoer gelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het leggen van executoriaal derdenbeslag op loon of uitkering is uitbesteed aan een gerechtsdeurwaarder.</al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 12 OVERIGE BEPALINGEN</al><al/><al><vet>Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien</vet></al><lijst><li nr="35."><al>Inzake de onderwerpen die vallen onder de discretionaire bevoegdheid van het college, waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.</al></li></lijst><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><lijst><li nr="36."><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ’Beleidsregels Verhaal van bijstand 2015’. </al><al/></li></lijst><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="37."><al>a. De ’Beleidsregels Verhaal van bijstand 2015’ treden in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking. </al><al>b. De door het college op 5 juli 2013 vastgestelde Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften ‘Verhaal Wet Werk en Bijstand 2013’ worden ingetrokken per datum bekendmaking van de onder a genoemde beleidsregels.</al></li></lijst><al/><al>Boxmeer, 10 februari 2015</al><al>Burgemeester en wethouders van Boxmeer,</al><al>de secretaris-directeur, de burgemeester,</al><al>drs. ir. H.P.M. van de Loo K.W.T. van Soest</al><al/><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de Algemene bijstandswet (Abw) vervangen door de Wet Werk en Bijstand (Wwb). De artikelen 56, 61 en 62 van de Wet Werk en Bijstand, betreffende de kinderalimentatie en het bijstandsverhaal, zijn daarbij niet in werking getreden in afwachting van de invoering van een gewijzigd kinderalimentatiestelsel.</al><al/><al>In artikel 13 Invoeringswet Wet Werk en Bijstand was bepaald dat kosten van bijstand vooralsnog door het college kon worden verhaald in de gevallen en overeenkomstig de regels aangegeven in de artikelen 92 lid 2 en 3 Abw tot en met artikel 105 en artikel 141 Abw. Dit was bedoeld als tijdelijke maatregel in afwachting van de inwerkingtreding van het nieuwe kinderalimentatiestelsel. Aangezien dit nieuwe kinderalimentatiestelsel er niet is gekomen zijn de verhaalsbepalingen opgenomen in de Wet Werk en Bijstand. De verplichting tot bijstandsverhaal uit de Abw is daarbij een bevoegdheid van het college geworden.</al><al/><al>Zoals gezegd is het bijstandsverhaal een bevoegdheid van het college. In deze beleidsregels wordt beschreven op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan deze bevoegdheid. De beleidsregels zijn een weergave van de huidige uitvoeringspraktijk op hoofdlijnen. Als gevolg van de implementatie van de Participatiewet én de regionale samenwerking Noordoost-Brabant vindt er een actualisering plaats van de bestaande verhaalsregels. De uitvoeringspraktijk is vooralsnog dezelfde als in het verleden reeds werd toegepast.</al><al/><al>Met ingang van 1 juli 2009 is de vierde Tranche van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) in werking getreden. Het betreft een homogenisering en codificering van onder meer de inning van bestuurlijke geldschulden en bestuurlijke boetes. De overheveling van onderwerpen van bijzondere wetten, zoals de Wet Werk en Bijstand, naar de Algemene Wet Bestuursrecht betekent ook voor sociale zekerheidswetgeving in het gemeentelijk domein dat overeenkomstig de gestandaardiseerde werkwijze in de uitvoering moet worden gehandeld. De bepalingen van de vierde Tranche AlgemeneWet Bestuursrecht zijn verwerkt in de Beleidsregels Verhaal van bijstand. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijs </vet></al><al/><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN </al><al/><al><vet>Wettelijk kader</vet></al><al><vet>Artikel 1.</vet></al><al>De  Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om de gemaakte kosten  van bijstand (uitkering) te verhalen op derden. De gevallen en de wijze  waarop op derden verhaald mag worden, zijn opgesomd in de wet. De Ioaw  en Ioaz kennen geen verhaalsmogelijkheid.</al><al/><al><vet>Overige grondslagen voor het bijstandsverhaal</vet></al><al><vet>Artikel 3.</vet></al><al>De rechterlijke macht stelt (half) jaarlijks een rapport op, dat aanbevelingen geeft voor een eenvormige praktische invulling van de wettelijke maatstaven, behoefte en draagkracht, berekeningsmodellen en de daarbij behorende tarieven (de zogenaamde Tremanormen, ‘Trema’ staat voor Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht). Zowel in de alimentatie- als de verhaalsjurisprudentie wordt het Trema-rapport als leidraad gebruikt. Uitgangpunt is dat de Tremanormen ook gehanteerd worden in onze uitvoeringspraktijk. Aangezien dit rapport niet specifiek voor de verhaalswetgeving is geschreven, maar voor de alimentatiewetgeving, kan strikte toepassing hiervan leiden tot onbillijkheden. In dat geval wordt (gemotiveerd) afgeweken van de Tremanormen.</al><al/><al>HOOFDSTUK 2 VERHAAL VAN BIJSTAND </al><al/><al><vet>Verhaal van bijstand</vet></al><al><vet>Artikel 4 -5 - 6.</vet></al><al>Zolang  er een onderhoudsplichtige is, mogen de gemaakte kosten van bijstand of  inkomensvoorziening tot aan de grens van zijn onderhoudsplicht, als  bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, worden verhaald in de  situaties zoals omschreven in artikel 4 onder a tot en met e van de  beleidsregels.</al><al/><al> De omvang van de onderhoudsplicht wordt bepaald door:</al><al>- de duur van de onderhoudsplicht (artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek);</al><al>- de behoefte van de onderhoudsgerechtigde (artikel 1:397 Burgerlijk Wetboek);</al><al>- de draagkracht van de onderhoudsplichtige (artikel 1:397 Burgerlijk Wetboek);</al><al>- hoogte  van de verstrekte bijstand: er kan nooit meer bijstand op de  onderhoudsplichtige worden verhaald dan er (bruto) is verstrekt.</al><al/><al>In  artikel 62f van de Participatiewet is bepaald dat kosten van bijstand  kunnen worden verhaald op degene aan wie de persoon die bijstand  ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan. Voorwaarden zijn  dat:</al><al>a. gelet  op alle omstandigheden, aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de  schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs heeft  kunnen voorzien én</al><al>b. met  de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden bij het besluit op de  aanvraag indien de schenking niet had plaatsgevonden.</al><al/><al>HOOFDSTUK 4 GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN VERHAAL VAN BIJSTAND</al><al/><al><vet>Afzien van het nemen van een verhaalsbesluit</vet></al><al><vet>8a.</vet>  Indien door de rechter in een beschikking de kinder- en/of de  partneralimentatie is vastgesteld en is gebleken dat de rechter bij de  bepaling van deze alimentatie is uitgegaan van juiste recente  inkomensgegevens, dan vindt er geen nader onderzoek naar de financiële  status van onderhoudsplichtige plaats. </al><al><vet>8b. </vet> Er wordt uit doelmatigheidsoverwegingen en overeenkomstig de  terugvorderingsregels, een kruimelbedrag gehanteerd: indien de op te  leggen onderhoudsbijdrage lager is dan €  50,- per maand wordt afgezien van het opleggen van een  onderhoudsbijdrage. Van wijziging van een opgelegde onderhoudsbijdrage  (na een heronderzoek) wordt eveneens afgezien indien de wijziging ten  nadele van de onderhoudsplichtige lager is dan € 50,- per maand. Indien  te voorzien is dat de maximaal op te leggen onderhoudsbijdrage over 12  maanden in totaal minder dan € 600,- bedraagt, wordt eveneens afgezien  van het opleggen van een onderhoudsbijdrage. Dit kan zich bijvoorbeeld  voordoen bij een kortdurende uitkeringsperiode van de  onderhoudsgerechtigde.</al><al><vet>8c.</vet>  Er kunnen zich voorts situaties voordoen waarbij afgezien kan worden  van verhaal om dringende redenen. Denk hierbij aan situaties waarbij  sprake is van ernstige bedreiging ten opzichte van de  onderhoudsgerechtigde. In de gevallen waarin vanwege dringende redenen  van verhaal wordt afgezien, moet sprake zijn van maatwerk dat uit de  rapportage zal moeten blijken.</al><al><vet>8d. </vet> De Bbz-regeling moet er voor zorgen dat mensen op termijn zelfstandig  door middel van inkomsten uit onderneming in hun bestaansvoorziening  kunnen voorzien. Het Bbz geeft daarvoor een overbrugging die (voorlopig)  als geldlening wordt verstrekt. Voorkomen moet worden dat aan de ene  kant geld wordt verstrekt, wat aan de andere kant wordt verhaald. Dit  zal contraproductief werken. </al><al>De  zelfstandige moet ruimte krijgen om zijn bedrijf uit te bouwen en uit  de bijstand te geraken en te blijven. Om die reden wordt geen  onderhoudsbijdrage gedurende de periode van de bijstandsverstrekking  gevraagd. </al><al>Daarna  wordt gewoon een verhaalsonderzoek uitgevoerd, waarbij de  terugbetalingsver-plichting in het kader van het Bbz als aftrekpost  geldt. Omdat de draagkracht van een zelfstandige moeilijk te bepalen is,  kan eventueel extern advies (IMK) worden ingewonnen. </al><al/><al><vet>Schuldsanering en faillissement </vet></al><al><vet>Artikel 9 – 10 – 11 - 12.</vet></al><al>Wanneer  een vordering door middel van een verhaalsbesluit is vastgelegd dan kan  er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk)  buiten invordering te stellen om bijvoorbeeld een schuldsaneringstraject  meer succesvol te kunnen laten verlopen. Uiteraard moeten aan de  kwijtschelding regels worden verbonden. Belangrijk daarbij is dat het  besluit tot afzien van verdere invordering ingetrokken kan worden indien  het schuldsaneringstraject uiteindelijk niet tot stand komt of achteraf  blijkt dat de onderhoudsplichtige onjuiste informatie heeft verstrekt.</al><al>Het  college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten  gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand of  inkomensvoorziening voor zover het betreft verschuldigde  verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn,  indien:</al><al>a. redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en</al><al>b. redelijkerwijs  te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle  vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet  tot stand zal komen en</al><al>c. de  vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal  worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers  van gelijke rang.</al><al>d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het afzien van verdere invordering worden verbonden.</al><al/><al>HOOFDSTUK 5 BEOORDELING VAN MATE VAN ONDERHOUDSPLICHT</al><al/><al><vet>Beoordeling van mate onderhoudsplicht</vet></al><al><vet>Artikel 13 - 14.</vet></al><al>Indien  er sprake is van een onderhoudsplicht ten opzichte van zowel de  ex-partner als één of meer kinderen, dan wordt de onderhoudsbijdrage  (ten behoeve van het kind) vastgesteld op de behoefte van het kind,  conform de Trema-normen. Een eventueel resterende draagkracht wordt  benut voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de ex-partner. Een en  ander eveneens conform de Trema-normen. Voor zowel de onderhoudsbijdrage  voor het kind als de partner kan de onderhoudsplichtige fiscaal  voordeel genieten.</al><al>De  berekening van de verschuldigde onderhoudsbijdrage in verband met de  onderhoudsplicht voor de ex-partner gebeurt conform de Trema-normen,  rekening houdend met de omstandigheden van het geval. Daar waar  toepassing van de Trema-normen tot onbillijkheden leidt, wordt ten  gunste van de onderhoudsplichtige afgeweken.</al><al/><al><vet>Verhaal op grond van een rechterlijke uitspraak (alimentatiebeschikking)</vet></al><al><vet>Artikel 17.</vet></al><al>  Indien een onderhoudsplichtige aangeeft dat hij de opgelegde  alimentatie niet meer kan betalen, dient hij een gemotiveerd  verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen. De onderhoudsgerechtigde  dient hierop te reageren. Als de onderhoudsplichtige geen alimentatie  meer betaalt, dan wordt deze niet meer op Participatie-uitkering van de  onderhoudsgerechtigde gekort. Wel dient de te betalen alimentatie  opgeboekt te worden als schuld aan de gemeente. Afhankelijk van de  uitspraak volgt aanpassing – correctie – invordering. </al><al/><al>HOOFDSTUK 8 HET VERHAALSBESLUIT </al><al/><al><vet>Het verhaalsbesluit</vet></al><al><vet>Artikel 23.</vet></al><al>Wettelijk  is niets geregeld omtrent de ingangsdatum van het verhaalsbedrag. De  jurisprudentie laat de rechtszekerheid ten opzichte van de  onderhoudsplichtige het zwaarst wegen. Tot het moment dat hij kennis  neemt van het verhaalsbesluit hoeft de onderhoudsplichtige nog geen  rekening te houden met een betalingsverplichting ten opzichte van de  gemeente.</al><al>Er  wordt voor gekozen om de ingangsdatum in principe vast te stellen op de  eerste van de maand volgend op de maand van het verhaalsbesluit, tenzij  de onderhoudsplichtige heeft getraineerd met het verstrekken van  informatie. De onderhoudsplichtige mag hier geen voordeel uit halen.  Alsdan wordt de ingangsdatum door de gemeente in redelijkheid op een  eerdere datum vastgesteld. Voorbeeld: als de onderhoudsplichtige op 12  november wordt bericht over de hoogte van de onderhoudsbijdrage wordt de  ingangsdatum in principe vastgesteld op 1 december.</al><al>Volgens  vaste jurisprudentie moet de vordering binnen 6 maanden na het laatste  contact met de onderhoudsplichtige worden voorgelegd aan de rechtbank.  De gemeente mag deze termijn dus niet overschrijden. </al><al/><al><vet>Artikel 25.</vet></al><al>Kosten  van bijstand of inkomensvoorziening kunnen in 2 situaties worden  verhaald op de nalatenschap van een inmiddels overleden  bijstandsgerechtigde of jongere, indien aan die persoon:</al><al>a. destijds  ten onrechte bijstand of inkomensvoorziening is verstrekt, voor zover  deze voor het overlijden nog niet is teruggevorderd (artikel 62f  onderdeel b onder 1 Participatiewet) of;</al><al>b. bijstand  of inkomensvoorziening is verleend in de vorm van een geldlening of als  gevolg van borgtocht (artikel 62f onderdeel b onder 2 Participatiewet).</al><al>Indien  na het overlijden van de belanghebbende tot terugvordering wordt  besloten, kan dus alleen op de nalatenschap worden verhaald, voor zover  de nalatenschap verhaal biedt.</al><al> Vorderingen die er al waren vóór het  overlijden van de belanghebbende vallen in de nalatenschap. Dat betekent  dat de erfgenamen, die de erfenis hebben aanvaard, verantwoordelijk  zijn voor de betaling van de in de nalatenschap gevallen vordering. In  die gevallen is geen sprake van verhaal op de nalatenschap.</al><al/><al>HOOFDSTUK 9 VERHAAL IN RECHTE</al><al/><al><vet>Verhaal in rechte</vet></al><al><vet>Artikel 26.</vet></al><al>Indien  onderhoudsplichtige niet bereid is uit eigen beweging de opgelegde  onderhoudsbijdrage te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling  overgaat, is verhaal in rechte de enige weg om tot dwanginvordering te  kunnen komen. Indien de verstrekking van bijstand/inkomensvoorziening  aan de onderhoudsgerechtigde is beëindigd, dan wel de onderhoudsplicht  is beëindigd en verhaal daarmee eindigt, wordt van verhaal in rechte  afgezien, indien het totaal te verhalen bedrag minder dan € 250,-  bedraagt. De tijd en energie (kosten) wegen dan niet meer op tegen de  baten.</al><al/><al><vet>Wijziging door de rechter vastgestelde verhaalsbijdrage</vet></al><al><vet>Artikel 28.</vet></al><al>Wanneer  een rechterlijke verhaalsuitspraak als gevolg van gewijzigde  omstandigheden niet meer in overeenstemming met de wettelijke maatstaven  is, is de gemeente verplicht een nieuw verhaalsbesluit te nemen.  Wanneer dit verhoging van het verhaalsbedrag tot gevolg heeft zal de  gemeente, indien de onderhoudsplichtige dit bedrag niet vrijwillig  betaalt, opnieuw verhaal in rechte moeten instellen. </al><al/><al>HOOFDSTUK 10 HERONDERZOEK </al><al/><al><vet>Onderzoek naar draagkracht</vet></al><al><vet>Artikel 29 - 30 - 31.</vet></al><al>Verhaalsonderzoeken  zijn intensief en blijken in de praktijk slechts in beperkte mate te  leiden tot gewijzigde vaststelling van een verhaalsbijdrage. Om die  reden is in dit artikel het uitgangspunt neergelegd dat een  verhaalsonderzoek eenmaal per 36 maanden plaatsvindt. In de artikelen 30  en 31 zijn aanvullende criteria benoemd.</al><al/><al>HOOFDSTUK 12 OVERIGE BEPALINGEN</al><al/><al><vet>Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien</vet></al><al><vet>Artikel 35.</vet></al><al>Indien de toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden leidt, kan het college ten gunste  van de debiteur afwijken van de bepalingen. Van deze mogelijkheid dient  terughoudend gebruik gemaakt te worden om het scheppen van precedenten  tegen te gaan.</al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al><vet>Artikel 37.</vet></al><al>Deze  regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking  en vervangt per die datum met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015  de bestaande beleidsregels en werkwijze inzake verhaal.</al><al>De  hoofdregel is dus dat deze nieuwe regeling niet alleen geldt voor  situaties van verhaal gelegen na datum inwerkingtreding, maar ook voor  reeds bestaande rechtsverhoudingen, met dien verstande dat zolang de  debiteur zich aan eerder gemaakte afspraken houdt, deze afspraken worden  geëerbiedigd. Deze beleidsregels, voor zover ten nadele</al><al>van de debiteur, blijven buiten toepassing. </al><al/></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>