<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359136_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80789.html">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a, eerste lid, aanhef en ondera, c, d en e, en tweede lid en 10b, vierde lid">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>127870</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Terneuzen</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders;</al><al>gelezen de beleidsaanbeveling Werkgeverssubsidie en Europese regelgeving
                        zoals genoemd in de Verzamelbrief april 2004 van het Ministerie van Sociale
                        Zaken en Werkgelegenheid;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet; </al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onder a en personen als bedoeld in artikel 10 van de wet;
                                    </al></li><li nr="b."><al>voorziening: een door het college aangeboden voorziening,
                                        waaronder begrepen sociale activering, een aanbod gericht op
                                        participatie en/of arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="c."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="e."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="f."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="g."><al>het college: het College van Burgemeester en Wethouders van
                                        de gemeente Terneuzen;</al></li><li nr="h."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente
                                        Terneuzen;</al></li><li nr="i."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="j."><al>werknemers in gesubsidieerde arbeid: werknemers als bedoeld
                                        in artikel 10, eerste lid van de wet;</al></li><li nr="k."><al>traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel
                                        door het college aan hem opgelegd geheel van activiteiten
                                        gericht op het verkrijgen en behouden van betaalde
                                        arbeid;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: de ondersteuning en de verplichtingen die
                                        als bijlage bij een besluit tot toekenning van algemene
                                        bijstand voor een jongere zijn opgenomen, zoals bedoeld in
                                        artikel 44, vierde lid van de wet.</al></li><li nr="m."><al>arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="n."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld
                                        in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van
                                        de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger
                                        algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                                        wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7
                                        onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt, voor zover
                                niet anders bepaald, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning aan de doelgroepen genoemd in de
                                Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt voor evenwichtige aandacht voor alle in de wet
                                genoemde doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en
                                in verband met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van de cliënt, het meest
                                doelmatig is met het oog op de arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en
                                    </al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de
                                opvang van kinderen niet ouder dan 12 jaar van alleenstaande ouders,
                                voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject, plan
                                van aanpak of voor deelname aan een voorziening, of voor het
                                bereiken van het doel van een traject, plan van aanpak of een
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Uitvoering van dit artikel vindt plaats binnen de daarvoor door de
                                gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Doel en doelgroep</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Doel van de ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt personen uit de doelgroepen van de wet
                                ondersteuning aan bij arbeidsinschakeling en, voor zover het college
                                dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan personen uit de doelgroepen van de wet,
                                voorzieningen gericht op maatschappelijke participatie
                                aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan personen uit de doelgroepen van de wet,
                                onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aanbieden die
                                worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die
                                niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het verstrekken van voorzieningen gericht op
                                arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie aan personen
                                aan wie het UWV een uitkering verstrekt sluit het college een
                                overeenkomst met het UWV. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar mening van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is
                                verplicht hiervan gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend zoals
                                bedoeld in artikel 9a van de wet en die niet beschikt over een
                                startkwalificatie is gehouden ten minste een voorziening te
                                accepteren met scholing of een opleiding die de toegang tot de
                                arbeidsmarkt bevordert, tenzij het college van oordeel is dat een
                                dergelijke scholing of opleiding de krachten en bekwaamheden van de
                                alleenstaande ouder te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep; </al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet; </al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; </al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><al>Het college biedt iedere uitkeringsgerechtigde na inschrijving bij het
                            UWV een voorziening aan, waar mogelijk een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Budget en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld
                                subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de
                                aanspraak op deze specifieke voorziening, behoudens het gestelde in
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen en projecten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroepen van de
                                wet een werkstage aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het
                                testen of uitproberen van een bepaalde werkomgeving of persoon. De
                                betrokkene kan de werkomgeving testen; ook kan een werkgever de
                                geschiktheid van betrokkene voor de aangeboden werkplek testen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                plaatsvindt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroepen van de wet of van de Wet sociale werkvoorziening
                                naar een detacheringsbaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon genoemd in het eerste lid wordt voor het verrichten van
                                arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt
                                vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de
                                werkgever en inlenende organisatie (detacheringsbedrijf) als tussen
                                de werknemer en inlenende organisatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkgeverssubsidie aan een werkgever of een
                                detacheringsbedrijf verstrekken gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verstrekking van werkgeverssubsidie is een generieke
                                regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt de werkgeverssubsidie alleen indien door de
                                plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de kosten van een no-riskpolis vergoeden of een
                                verzekering hiervoor afsluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in beleidsregels de doelgroep, duur en dekking van
                                de no-risk polis vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening in de vorm van scholing of een
                                opleiding vergoeden gericht op arbeidsinschakeling of
                                maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor personen, bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a, sub 4 en 7
                                van de wet, geldt de aanvullende voorwaarde dat de belanghebbende
                                zich beschikbaar dient te stellen voor de arbeidsmarkt voor
                                tenminste 12 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Scholing is vooral gericht op het behalen van een startkwalificatie
                                of het behouden van arbeidscompetenties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan scholing of een opleiding aanbieden hoger dan het
                                niveau van een startkwalificatie of ter behoud van
                                arbeidscompetenties, mits het college van oordeel is dat deze
                                opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college biedt personen die gebruik maken van een
                                participatieplaats zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening
                                en die geen startkwalificatie hebben, 6 maanden na aanvang van de
                                participatieplaats een voorziening aan gericht op
                                arbeidsinschakeling in de vorm van scholing of een opleiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ondersteuning bij leerwerktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leerwerktraject en het personen betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Projecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst voor de uitvoering van en de exploitatie van een
                                voorlichtings- en opleidingscentrum (VOC) voor de glastuinbouw
                                Dethon aan als opdrachtnemer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij trajecten of projecten gericht op de aansluiting van vraag en
                                aanbod op de arbeidsmarkt kan het college nadere besluiten nemen
                                over eventuele investeringen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt in beleidsregels de omvang en de hoogte van de
                                bijdrage voor genoemde projecten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Premie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen een premie verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt aan personen die gebruik maken van een
                                participatieplaats zoals genoemd in artikel 8 van deze verordening
                                eens in de zes maanden een premie van 250 euro indien de
                                werkzaamheden van betrokkene naar het oordeel van het college de
                                arbeidsparticipatie bevorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan de hieronder genoemde voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling aanbieden: </al><lijst><li nr="a."><al>(vormen van) Work First;</al></li><li nr="b."><al>Werkervaringsplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>Proefplaatsingen;</al></li><li nr="d."><al>plaatsingskosten/plaatsingsfee;</al></li><li nr="e."><al>(intensieve) begeleiding/ondersteuning;</al></li><li nr="f."><al>diagnostische instrumenten;</al></li><li nr="g."><al>trainingen, cursussen;</al></li><li nr="h."><al>integrale trajecten;</al></li><li nr="i."><al>duale trajecten;</al></li><li nr="j."><al>jobhunting, bemiddeling en nazorg;</al></li><li nr="k."><al>Jobcoaching.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan personen een vergoeding verstrekken voor kosten die
                            gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling, vrijwilligerswerk,
                            het doen van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten of
                            maatschappelijke participatie. Het kan hierbij gaan om de onderstaande
                            kosten:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuiskosten in verband met aanvaarden van reguliere
                                    arbeid;</al></li><li nr="b."><al>reiskosten;</al></li><li nr="c."><al>onkostenvergoeding;</al></li><li nr="d."><al>stagevergoeding;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="f."><al>kosten van leermiddelen;</al></li><li nr="g."><al>werknemersvoorzieningen;</al></li><li nr="h."><al>overige kosten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Voorliggende voorzieningen</titel></kop><al>Het college verstrekt geen vergoeding voor kosten waarvoor, al dan niet
                            door de gemeente, reeds een andere vergoeding wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere beleidsregels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Re-integratieverordening
                            Participatiewet”</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt op 1 januari 2015 in werking, onder
                            gelijktijdige intrekking van de Re-integratieverordening Wet werk en
                            bijstand, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 november
                            2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                            Terneuzen op 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>griffier, mr. J.H.P. de Jong</ondertekening><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al/><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken
                            met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij
                            verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien
                            van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                            aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen
                            en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot
                            het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van
                            toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal
                            afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete
                            geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college
                            de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te
                            maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de
                            doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                            en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders
                            van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                            verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder
                            geval kan aanbieden. </al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad
                            verplicht om regels op te nemen in deze verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en
                                    tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet
                                    (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel
                                    c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van
                                    de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en
                                    10b, vierde lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                                    Participatiewet).</al></li></lijst></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit
                            de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><al>De Participatiewet geeft in artikel 7 het college de
                            verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning gericht op
                            arbeidsinschakeling. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                            ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de
                            manier zoals de belanghebbende dat mogelijk het liefst zou zien. Het is
                            aan het college om zorg te dragen voor voldoende aanbod van
                            voorzieningen en spreiding over alle gemeentelijke doelgroepen, waarbij
                            zij te maken kan hebben met beperkte financiële middelen, terwijl de
                            vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan
                            sociaal-economische factoren. Het college kan een aanspraak op een
                            voorziening niet weigeren. Als het budget niet toereikend is moet het
                            college zorgdragen voor een alternatief.</al><al>Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening rekening met de
                            combinatie arbeid en zorg, met de mogelijkheden en beperkingen van een
                            cliënt maar ook met het uitgangspunt “de kortste weg naar duurzame
                            arbeid”. Gesubsidieerde arbeid wordt op grond van de wet gezien als vorm
                            van algemeen geaccepteerde arbeid, met dien verstande dat gesubsidieerde
                            arbeid in principe geen einddoel is.</al><al>Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee
                            wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het instrument en de
                            werkaanvaarding bedoeld, maar ook de inspanningen die het kost om dat
                            doel te bereiken.</al><al>Alleen als arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de
                            mogelijkheden behoort, kan zelfstandige maatschappelijke participatie
                            een doel van de inzet van voorzieningen zijn. </al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject
                            ligt bij het college. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid
                            wordt rekening gehouden met de wensen van de belanghebbende. De inhoud
                            van het traject wordt besproken met de belanghebbende, vervolgens wordt
                            door beide partijen een trajectplan ondertekend. </al><al>Ook vergoeding van noodzakelijke reiskosten en kosten van kinderopvang
                            worden aangemerkt als voorziening. Bij personen die nog op een oude WIW
                            of ID baan werken is er sprake van een arbeidsovereenkomst met een
                            werkgever en ligt de verantwoordelijkheid voor het al dan niet vergoeden
                            van deze kosten bij de werkgever. Dit is voortzetting van bestaand
                            beleid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Doel van de ondersteuning</titel></kop><al>Het uiteindelijke doel van de ondersteuning zoals in allerlei vormen is
                            vastgelegd in deze verordening, is uitstroom (uit de uitkering) naar
                            algemeen geaccepteerde arbeid. Hierbij wordt gestreefd naar duurzame
                            arbeid. Als dit doel niet bereikbaar is, wordt gestreefd naar
                            zelfstandige maatschappelijke participatie. Bij dit laatste valt te
                            denken aan vrijwilligerswerk, mantelzorg en deelname aan activiteiten in
                            wijk of buurt. </al><al>In het derde lid is aangegeven dat het college ook onbeloonde nuttige
                            werkzaamheden kan aanbieden. Het is de bedoeling dat deze werkzaamheden
                            de afstand tot de arbeidsmarkt van betrokkenen verbeteren.</al><al>In het vierde lid is, overeenkomstig artikel 7 zevende lid van de
                            Participatiewet, geregeld dat het college ook personen met een uitkering
                            van het UWV woonachtig in de gemeente Terneuzen kan ondersteunen bij de
                            arbeidsinschakeling. De instrumenten en de voorwaarden worden in een
                            overeenkomst met het UWV nader uitgewerkt. Achterliggende gedachte is
                            dat ook deze inwoners van de gemeente op deze manier kunnen worden
                            ondersteund bij het vinden van betaalde arbeid.</al><al>Het vijfde lid geeft aan dat als er een trajectplan of een deel van een
                            trajectplan op een andere wijze dan uit het budget voor
                            re-integratieactiviteiten van de gemeente gefinancierd kan worden, er
                            geen voorziening als gevolg van deze verordening zal worden
                            verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>In de wet zijn de verplichtingen die verbonden zijn aan het recht op een
                            uitkering uitgebreid aangegeven. Het eerste en tweede lid sluiten aan
                            bij de verplichtingen in de wet genoemd. Het derde lid legt een
                            verbinding tussen de verplichtingen die worden verbonden aan de
                            re-integratie van klanten en de maatregelen opgenomen in de
                            Afstemmingsverordening Partocipatiewet, IOAW en IOAZ. In de
                            Afstemmingsverordening staat het percentage vermeldt waarmee een
                            uitkering kan worden verlaagd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><al>De Participatiewet kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever
                            gaat ervan uit dat door de systematiek van de wet er in de praktijk de
                            facto een sluitende aanpak ontstaat. Desondanks is de gemeente van
                            oordeel dat een sluitende aanpak geregeld dient te worden. In het beleid
                            is vastgelegd dat voor iedereen een trajectplan of plan van aanpak dient
                            te worden opgesteld. Alle beschikbare middelen zoals genoemd in de
                            verordening kunnen ingezet worden. De prioriteit ligt bij het aanbieden
                            van voorzieningen gericht op uitstroom voor de kansrijken. Voor
                            uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie geldt dat de prioriteit
                            ligt bij het behalen van een startkwalificatie.</al><al>De mogelijkheid bestaat om van de algemene sluitende aanpak in
                            specifieke, individuele gevallen af te wijken. Dit kan met name aan de
                            orde komen voor diegenen die een ontheffing van de arbeidsverplichting
                            hebben gekregen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Budget en subsidieplafonds</titel></kop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Als het
                            college hiertoe overgaat, zal hierover ruim van te voren een besluit
                            worden genomen. De wet stelt dat het ontbreken van financiële middelen
                            geen reden kan zijn voor het afwijzen van een aanvraag voor een
                            voorziening. Dit houdt in dat er geen algemeen plafond kan worden
                            ingesteld. Wel kan per voorziening een plafond worden ingebouwd. Dit
                            laat de mogelijkheid open om naar een ander instrument uit te
                            wijken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><al>In artikel 10a van de Participatiewet is de mogelijkheid opgenomen om
                            aan de doelgroep Participatieplaatsen aan te bieden. Het college is van
                            mening dat er vergelijkbare instrumenten zijn die gerichter bijdragen
                            aan het uitgangspunt ‘de kortste weg naar werk’. In plaats van
                            participatieplaatsen met in de wet opgenomen regelgeving biedt het
                            college in artikel 8 de voorziening ‘werkstage’ aan. </al><al>Omdat in de Participatiewet is opgenomen dat in de verordening nadere
                            regels met betrekking tot de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid
                            moeten staan is in artikel 7 de premie bepaald op nihil. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al>In deze verordening wordt er voor gekozen om in plaats van de de in de
                            wet opgenomen Participatieplaatsen ook de voorziening Werkstage op te
                            nemen. De werkstage kan in tegenstelling tot de Participatieplaatsen ook
                            worden ingezet voor personen zonder een uitkering.</al><al>Als er sprake is van werken zonder dat er sprake is van een
                            arbeidsovereenkomst en als het uiteindelijk doel uit- of doorstroom naar
                            algemeen geaccepteerde arbeid is, zet de gemeente het instrument
                            werkstage in. Het leren werken staat hierbij steeds centraal. Er is
                            weliswaar sprake van het persoonlijk verrichten van arbeid maar dit is
                            overwegend gericht op het uitbreiden van kennis en ervaring van de
                            belanghebbende. De Werkstage kan ook ingezet worden als proefperiode
                            voor een werkgever en een uitkeringsgerechtigde, nugger of Anw-er om
                            ervaring met elkaar op te doen. Het doel van een dergelijke proefperiode
                            is dat de betrokkene daarna geheel of gedeeltelijk door de werkgever in
                            dienst genomen wordt.</al><al><cursief>Geen verdringing </cursief></al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt
                            als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen
                            van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan
                            door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende
                            redenen: </al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,
                                    of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk.</al><al>Voor toelichting op het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij
                            artikel 8.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Werkgeverssubsidie</titel></kop><al>Doel van de werkgeverssubsidie is om uitkeringsgerechtigden, nuggers en
                            Anw-ers die door de grotere afstand tot de arbeidsmarkt misschien minder
                            productief zijn, sneller en makkelijker aan werk te helpen. Bijkomend
                            doel is werkgevers die door een gebrek aan werkervaring van de genoemde
                            personen huiverig zijn deze in dienst te nemen vanwege de extra
                            financiële risico's die daaraan verbonden zijn te stimuleren tot het
                            aangaan van een dienstverband. Door deze subsidiëring worden die
                            financiële risico’s tijdelijk gecompenseerd. Uitgangspunt is dat
                            belanghebbende, gedurende de periode dat de werkgeverssubsidie wordt
                            verstrekt, aanvullende vaardigheden en werkervaring kan opdoen, zodat de
                            afstand tot de arbeidsmarkt aan het eind van de subsidieperiode is
                            verkleind. </al><al>Ten einde te voorkomen dat in het kader van Europese regelgeving sprake
                            zou zijn van een aanmeldingsplichtige steunmaatregel is in lid 2
                            opgenomen dat het gaat om een generieke regeling. Dit betekent dat ieder
                            bedrijf of onderneming ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming
                            of de plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op
                            een werkgeverssubsidie, uiteraard voor zover aan de overige bepalingen
                            van dit artikel wordt voldaan.</al><al>Voor toelichting op het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij
                            artikel 8.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>No-risk polis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor
                            werkgevers vergoeden (eerste lid). De no-riskpolis is een belangrijk
                            instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met
                            arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat
                            de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een
                            werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                            aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                            toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van
                            de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft
                            of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in
                            aanmerking komt voor de no-riskpolis. </al><al>Omdat bij het vaststellen van deze verordening nog geen concrete
                            polissen op de markt beschikbaar zijn is opgenomen dat het college de
                            nadere voorwaarden in beleidsregels uitwerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Scholing is een belangrijk middel om de kansen en vaardigheden op de
                            arbeidsmarkt te vergroten. Vooral voor personen die nog geen
                            startkwalificatie hebben zoals genoemd in het derde lid is scholing een
                            belangrijk middel op weg naar duurzame inschakeling op de arbeidsmarkt.
                            Voor degene die op eigen verzoek een ontheffing heeft van de
                            arbeidsverplichtingen in verband met de zorg voor kinderen geldt dat
                            deze verplicht is scholing tot het niveau van een startkwalificatie te
                            aanvaarden. Indien men al in het bezit is van een startkwalificatie is
                            betrokkene verplicht mee te werken aan een door het college als
                            noodzakelijk aangemerkte scholing ter behoud van de
                            arbeidsvaardigheden.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de scholing zowel aangeboden kan worden als
                            voorziening of dat er middelen ter financiering van de scholing kunnen
                            worden ingezet. Dit laatste kan van belang zijn indien de cliënt op
                            eigen initiatief een vorm van scholing voorstelt die het college
                            noodzakelijk acht, maar die niet in het reguliere scholingsaanbod is
                            opgenomen.</al><al>Met de in dit artikel bedoelde scholing wordt met name arbeidsrelevante
                            scholing bedoeld waar op korte of middellange termijn vraag naar is, en
                            die tevens op korte of middellange termijn afgerond kan worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Ondersteuning bij leerwerktraject</titel></kop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                            ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van
                            oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig
                            moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in
                            artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. </al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college
                            uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan
                            personen: </al><al>-van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de</al><al> Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of </al><al>-van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor
                            jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit
                            school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie
                            kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de
                            mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan
                            ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van
                            achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een
                            startkwalificatie kunnen behalen. </al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                            onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van
                            artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie
                            dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is
                            vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of
                            daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid,
                            onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het
                            moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan
                            volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                            omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien
                            jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen
                            startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig
                            is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan
                            te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10
                            en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid,
                            onder </al><al>a, van de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Projecten</titel></kop><al>De reden voor het vastleggen van deze projecten in deze verordening is
                            dat bij het opzetten van bijvoorbeeld een proefkas en opleidingskas voor
                            de glastuinbouw een blijvende infrastructuur moet worden opgezet. Het
                            opstarten of voortbestaan mag niet in gevaar komen door een
                            aanbestedingsprocedure of door een wisseling van exploitanten als gevolg
                            van een aanbestedingsprocedure.</al><al>De organisatievorm, de hoogte van de bijdrage en de wijze van
                            exploitatie zal door het college nader worden vastgesteld.</al><al>Bij vraaggerichte trajecten waarbij werkgevers een baangarantie afgeven
                            kan sprake zijn van bijzondere en unieke situaties die niet vooraf in
                            een verordening kunnen worden geregeld. In dergelijke gevallen kan het
                            college nadere besluiten nemen of de vorm en hoogte van een eventuele
                            bijdrage.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al>Stap 1: voorselectie</al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de
                            gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het
                            college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op
                            welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze
                            voorselectie uitvoeren.</al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                            Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig.
                            Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het
                            college moet bij het UWV advies inwinnen voor de beoordeling of de
                            geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                            aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                            hebben.</al><al>Stap 2: advies UWV</al><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een
                            persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een
                            beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><al>Stap 3: besluit gemeente</al><al>Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of iemand tot de
                            doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een
                            onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente
                            besluiten het advies niet te volgen. </al><al>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                            beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                            de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                            publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
                            van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                            behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan
                            bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV
                            of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte
                            omgeving bij reguliere werkgevers werken. </al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut, zijn in
                            deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling
                            ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde
                            lid).</al><al>Omvang beschut werk</al><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast
                            hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het
                            aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare
                            plaatsen bij werkgevers. Daarom moet het college overleg voeren met
                            partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vierde
                            lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Premie</titel></kop><al>Het college kan ingevolge artikel 31 tweede lid onder j en artikel 10a
                            zesde lid van de wet een premie verstrekken om mensen te stimuleren uit
                            te stromen naar arbeid. Als mensen geplaatst worden op een
                            participatieplaats zoals genoemd in artikel 7 van de verordening wil de
                            gemeente deze mensen een financiële stimulans bieden het werk te
                            aanvaarden. Dit kan met behulp van een premie.</al><al>Een premie zal jaarlijks nooit meer bedragen dan het bedrag genoemd in
                            artikel 31 tweede</al><al>lid onder j van de wet. Dit is een onbelaste vergoeding, dus is er geen
                            sprake van een</al><al>armoedeval.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Alle door de gemeente aangeboden producten en instrumenten gelden als
                            voorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Soms moeten extra kosten gemaakt worden in het kader van de
                            arbeidsinschakeling of een traject. Het kan hier zowel trajecten gericht
                            op arbeidsinschakeling als trajecten gericht op maatschappelijke
                            participatie betreffen. Aantoonbare, reële kosten kunnen worden vergoed.
                            Het college kan ter nadere uitvoering van dit artikel beleidsregels
                            vastleggen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Voorliggende voorzieningen</titel></kop><al>Dit artikel beoogt dubbele subsidiëring van dezelfde kosten uit
                            verschillende bronnen te voorkomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>De wet vraagt aan de gemeenteraad om het re-integratiebeleid in een
                            verordening vast te leggen. De belangrijkste voorwaarden en
                            uitgangspunten zijn in de voorgaande artikelen vastgelegd. Het college
                            kan nadere beleidsregels en een beleidsplan opstellen waarin de algemene
                            uitgangspunten uit de verordening nader worden uitgewerkt</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kan
                            het college ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen.
                            Van deze mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te worden,
                            om het scheppen van precedenten tegen te gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>