<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR359085_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2015-11</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/11809</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>N.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ betreffende verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 van 20 juni 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om de wijze van verrekening van de
                        bestuurlijke boete bij recidive bij verordening te regelen;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        6 januari 2015;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de
                        Participatiewet;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij
                        recidive 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>-beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot
                            en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;</al><al><cursief>- </cursief>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in
                            artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet;</al><al><cursief>- </cursief>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de bezittingen
                            waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                            beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf
                            gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                            Participatiewet;</al><al><cursief>- </cursief>verrekenen<cursief>: </cursief>verrekening als
                            bedoeld in artikel 60b, vierde lid, van de Participatiewet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><al>1.Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                            toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete zonder
                            inachtneming van de beslagvrije voet.</al><al>2.De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                            tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                            opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al> 1. Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                            toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                            wethouders de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening
                            geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
                            opgelegd.</al><al>2.Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekenen
                            burgemeester en wethouders de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een
                            dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80%
                            van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>3.Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                            gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kunnen burgemeester en wethouders
                            de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><al>a.aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 2
                            of 3, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of</al><al>b.anderszins sprake is van dringende redenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet,
                            indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de
                            recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                                    bestuurlijke boete bij recidive 2015</al></li><li nr="3."><al>De Verordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ betreffende verrekening
                                    bestuurlijke boete bij recidive 2013, vastgesteld in de
                                    vergadering van 20 juni 2013 wordt ingetrokken op de dag van
                                    inwerkingtreding als bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 12 februari 2015.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen:</tussenkop><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Participatiewet regelt deze wet de
                    bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht. Het college van
                    burgemeester en wethouders (verder college) is verplicht de bestuurlijke boete
                    met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de
                    bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van
                    een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college besluiten gedurende
                    maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen.</al><al> De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels
                    te stellen over de</al><al>bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de</al><al>recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van
                    situaties of</al><al>omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet
                    proportioneel wordt</al><al>geacht. De nieuwe bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden
                    ingevuld. Om</al><al>gemeenten enige aanknopingspunten te bieden, hebben het RCF Kenniscentrum
                    Handhaving -</al><al>Landelijk Kenniscentrum Handhaving, Divosa, de VNG en Kluwer Schulinck
                    gezamenlijk een modelverordening ontwikkeld. Die heeft aan de basis gestaan van
                    de verordening van 2013. Uiteindelijk is het natuurlijk aan gemeenten zelf naar
                    eigen inzicht keuzen te maken.</al><al> De bevoegdheid van de gemeenteraad reikt tot het al dan niet in acht nemen van
                    de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar waar
                    terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft sprake
                    van een bevoegdheid van het college.</al><al>Het is daarom aan het college op deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te
                    stellen.</al><al>In het kader van pseudo-verrekening (met andere uitkeringsinstanties) kunnen
                    gemeenten te maken krijgen met verzoeken van andere gemeenten om een door hen
                    opgelegde recidiveboete te verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd
                    zal in dat geval aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen
                    (volgens de regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de
                    uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de
                    beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het
                    college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in
                    acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld
                    dat het college die de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek
                    van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij
                    de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen
                    gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><tussenkop>Artikelsgewijs:</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere</al><al>toelichting.</al><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle</al><al>bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden beschikken of
                    redelijkerwijs kunnen</al><al>beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare
                    goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om</al><al>vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Eventueel aanwezige
                    schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in mindering
                    gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet
                    zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige
                    verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de
                    bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig
                    moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                    voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                    bewoonde (eigen) woning.</al><tussenkop>Verrekenen</tussenkop><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                    Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                    begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop><al> Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats</al><al>vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een belanghebbende over
                    voldoende</al><al>bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd
                    in artikel 2 van</al><al>deze verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen
                    waarover</al><al>belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal
                    de toepasselijke</al><al>bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze
                    bezittingen, zou een</al><al>periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen worden.</al><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop><al> Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                    maanden volledige</al><al>verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan verrekent het
                    college slechts één</al><al>maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden
                    vindt</al><al>weliswaar verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig.
                    Belanghebbende blijft</al><al>beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de</al><al>Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de
                    beslagvrije voet</al><al>(90% van de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel
                    19, eerste lid,</al><al>van de Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen.</al><al>Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun inlichtingenplicht
                    hebben</al><al>geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt
                    rekening gehouden</al><al>met de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van de
                    beslagvrije voet</al><al>gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat
                    moet</al><al>voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid,</al><al>onderdelen n of r, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor de algemene
                    bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de bijstandsnorm,
                    tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze inkomsten dus
                    niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende
                    nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3.</al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al> Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties</al><al>denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar
                    wordt geacht.</al><al>Die situaties komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om
                    individuele omstandigheden</al><al>waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de</al><al>beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige verrekening waarschijnlijk
                    leidt tot huisuitzetting</al><al>van belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende
                    door de</al><al>volledige verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen
                    maar verergert, met</al><al>alle maatschappelijke kosten van dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van</al><al>verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het woord
                    'anderszins' in onderdeel b.</al><al>Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                    huisuitzetting, kan het</al><al>college rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van
                    dringende redenen is</al><al>niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de
                    behoeftige omstandigheden</al><al>waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te</al><al>verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan
                    middelen</al><al>ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om
                    te kunnen</al><al>spreken van dringende redenen.</al><tussenkop>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</tussenkop><al> In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>